Eerste Zang.

Eerste Zang.Inleiding tot het geheele Werk.Des Dichters ontmoeting met de schim van Virgilius.1Ophet midden van den weg onzes levens, hervond ik mij in een donker woud, omdat de Rechte Weg verloren was.4Wee, hoe harde zaak is het te zeggen hoe het was dat woeste, stekelige en onbegaanbare woud, dat in de gedachte mij de vrees hernieuwt.7Zoo bitter is het, dat weinig bitterder is de dood: maar om te handelen van het Goed, dat ik daar vond, zal ik spreken, van de andere dingen, die ik daar gewaar werd.10Ik weet niet wèl te herzeggen, hoe ik er binnen gekomen ben; zóó vol was ik van slaap op dat tijds-punt, toen ik den Waarachtigen Weg verliet.13Maar nadat ik aan den voet van een heuvel was gekomen, daar waar die vallei eindigde, die mij het hart met vrees had gestoken,16oogde ik naar omhoog en ik zag zijne schouderen reeds bekleed met de stralen vandie planeet, die ’n ander recht leidt op alle wegen.19Toen was de vrees een weinig gestild, die in het meer mijns harten den nacht verduurd had, dien ik in zoo groote erbarmelijkheid had doorgebracht.22En zooals degene, die, met benauwden adem uit de zee aan den oever gekomen, zich omwendt naar het gevaarlijke water, en spiedt;25zóó wendde mijn geest, die nog vluchtende was, zich weer terug om den doorweg te bezien, die geen persoon levend laat.28Nadat ik het vermoeide lichaam daar had doen uitrusten hernam ik de reis door het verlaten oord, zóodat de staande voet altijd de laagste was.31En zie, omtrent bij het beginnen der helling, een lichte en zeer vluggelosch, die gedekt was met gevlekten pels.34En hij ging me niet weg voor mijn gezicht; maar hinderde zóózeer mijnen gang, dat ik, om terug te gaan, mij meerdere keeren keerde.37De tijd was in het begin van den morgen; en de zon verrees met die sterren, die met hem waren, wanneer de goddelijke liefde40voor het eerst deze fraaie dingen bewoog; zoodat, om goed te hopen van dat wilde dier met het kakel-bonte vel, aanleiding mij waren43het uur des daags en het zoete saisoen: maar niet zóó dat geen vreeze mij zou gegeven hebben het gezicht, dat mij verscheen, van eenen leeuw.46Deze docht mij dat tegen mij kwam met hoogen kop en met dollen honger; zoodat me docht dat de lucht er van sidderde.49En eene wolvin, die met alle begeerten scheenbelast in hare magerheid, en vele menschen reeds in verdriet deed leven.52Deze bezorgde mij zoo groote zwarigheid door de vreeze, die uitging van haar gezicht, dat ik de hoop op de hoogte verloor.55En gelijk is degene, die gaarne wint, en de tijd komt die hem doet verliezen, zoodat hij in alle zijne gedachten weent en zich bedroeft;58zóó maakte mij dat rustelooze beest, dat, mij tegenkomend, bij weinig tegelijk mij terug-drong daarheen waarde zon zwijgt.61Terwijl ik in de laagte terug-viel, had zich voor mijne oogen vertoond, een die door lang stil-zwijgen sprakeloos scheen.64Wanneer ik dezen in de groote woestenij zag, toen: „Erbarm u mijner,” riep ik tot hem: „wat gij ook zijt, of schim of wezenlijk mensch.”67Hij antwoordde mij: „Geen mensch; mensch was ik voorheen, en mijne ouders waren Lombarden, en beider vaderstad was Mantua.70Ik werd geboren onder Julius,hoewel het te laat was; en ik leefde te Rome onder den goeden Augustus, ten tijde der valsche en leugenachtige goden.73Dichter was ik en ik zong van dien rechtvaardigen zoon van Anchises, die van het Trojaansche land kwam, nadat het trotsche Ilium verbrand was.76Maar gij, waarom keert gij naar zoo groote verdrietelijkheid terug? Waarom bestijgt gij niet den vermakelijken berg, die begin en aanleiding is van alle vreugde?”79„O! zijt gij die Virgilius en die bron, die zoo milden stroom van spreken vergiet?” antwoordde ik hem met beschaamd voorhoofd.82„O eer en licht der andere dichters, dat nu mijn lange studie en mijn groote liefde (bij u) gelden, die mij uw boekrol hebben doen doorzoeken.85Gij zijt mijn meester en mijn leidsman; gij alleen zijt het, van wien ik den schoonen stijl genomen heb, die mij eere gemaakt heeft.88Zie het beest, voor hetwelk ik mij keerde: help mij daartegen, befaamde wijze, daar het mij aderen en polsen doet trillen.”91„Het past u eenen anderen weg te houden,” antwoordde hij, toen hij zag dat ik weende: „indien gij uit dit woeste oord wilt ontkomen;94daar dit beest, om het welk gij schreeuwt, ’n ander niet langs zijnen weg laat doorgaan, maar hem zoozeer belemmert dat hij hem doodt.97En het heeft zoo slechten en schuldigen aard, dat het nooit zijn begeerig willen verzaakt, en na de voedering meer honger heeft dan te voren.100Velen zijn de dieren, met wie zij zich paart, en nog meerderen zullen het er zijn, totdat deHazewindzal komen, die het zal doen sterven van pijn.103Deze zal zich niet voeden met stof of klatergoud, maar met wijsheid, liefde en deugd, en zijne geboorte zal zijn tusschen vilt en vilt.106Van dit vernederd Italië zal hij het heil worden, voor hetwelk de maagd Camilla, Euryalus en Turnus en Nisus in wonden gestorven zijn.109Hij zal haar nàzetten door alle hoeven, tot hij haar in de Hel zal hebben teruggebracht, van waar de Eerste Nijd haar heeft uitgezonden.112Van waar ik voor uw best-wil denk en oordeel dat gij mij volget, en ik zal uw gids zijn en ik zal u van hier trekken door de eeuwige plaats,115waar gij het wanhopig getier zult hooren, waargij de treurende geesten zult zien van voorheen, daar elk den tweeden dood beweent.118En gij zult zien degenen, die tevreden zijn in het vuur, omdat zij hopen te komen, wanneer het ook zij, bij de gelukzalige volkeren.121Tot dewelken, indien gij voorder tot hen zult willen opstijgen, daartoe zal er eene ziel zijn waardiger dan ik; met haar zal ik u laten bij mijn scheiden;124daar die Keizer, die daarboven regeert, òmdat ik rebellisch was aan zijne wetten, niet wil dat men tot Zijne stad door mij komt.127In alle deelen heerscht hij en dáár is hij koning, daar is zijne stad en zijn hooge zetel: o gelukkig degene, dien hij daar uitverkiest!”130En ik tot hem: „Dichter, ik vraag u bij genen God, dien gij niet gekend hebt, òpdat ik dit kwaad en erger ontvluchte,133dat gij mij leidet daar waar gij zeidet, zoo dat ik zie de Poort van Sint Pieter, en diegenen, die gij als zoo bedrukt voorsteldet.”136Toen schreed hij voort en ik hield mij achter hem.Tweede Zang.Vervolg der algemeene Inleiding; hoe Virgilius den lafhartigen Dante bestraft en bemoedigt door een verhaal van wie hem heeft gezonden; en hoe Dante zich ten slotte aan de leiding van den in het Heidendom gestorvene overgeeft.1De dag ging heen, en de bruine lucht nam de zielen, die op de aarde zijn, weg van hun bekommernissen; en ik alleen4bereidde mij om de warrigheid te doorstaan zoowel van den weg als van de erbarmelijkheid, welke degeestzal verhalen, die niet dwaalt.7O Muzen, o diepe ingeborenheid, nu helpt mij; o geest die opschreeft dat wat ik zag, hier zal uw adeldom blijken.10Ik begon: „Dichter, gij die mij leidt, schouw mijne deugdelijkheid, òf zij vermogend is, vóór gij mij aan den hoogen gang vertrouwt.13Gij zegt dat de vader vanSilvius, nog verderfelijk tot onsterfelijk leven ging enzinnelijkwas.15Daarom, indien de Tegenstander van alle kwaadhemhoffelijkwas, denkend het hooge uitwerksel, dat moest uitgaan van hem en hetwieen hetwat,19dan dunkt hij niet onwaardig aan den man van verstand; daar hij van het al-voedend Romeèn van hare heerschappij in den vasten Hemel des Lichts tot vader gekoren was:22welke beide(om de waarheid te willen zeggen) gevestigd werden voor de heilige plaats, waar zetelt de opvolger van hun grooteren Petrus.25Op dien tocht, waarvan gij hem den roem geeft, vernam hij dingen, die oorzaak werden van zijne overwinning en van den pauselijken mantel.28Voorts ging daarhenen hetUitverkoren Vat, om van daar vertroosting te halen voor dat geloof, hetwelk het beginsel is voor den weg der redding.31Maar ik, waarom daar te komen? Of wie staat het toe? Geen Aeneas, geen Paulus ben ik. Noch ik, noch een ander gelooft mij waardig daartoe.34Daarom indien ik mij verloop om daar te komen, vrees ik dat mijne komst dwaasheid zij; wees wijs en versta dit beter dan ik het beredeneer.”37En gelijk degene is, die niet wil dat wat hij gewild heeft, en door nieuwe gedachten zijn voornemen verandert, zoo dat hij zich gansch verwijdert van het beginnen;40tot zoo éénen maakte ik mij op die donkere helling: waardoor ik, denkende, de onderneming liet varen, die in het beginnen zoo vlug was geweest.43„Indien ik wel uwe woorden heb begrepen,” antwoordde die schim des Grootmoedigen; „dan is uwe ziel met lafheid besmet:46de welke vele malen den mensch bezwaart, zóódatzij van eenige eerlijke onderneming hem afwendt, als droch-gezichten een beest, wanneer het duistert.49Opdat gij u van deze vreeze bevrijdet, zal ik u zeggen, waarom ik gekomen ben en wat ik verstaan heb, op het eerste oogenblik, dat mij uwes deerde.52Ik was tusschen degenen, die zwevende zijn, en eene zalige en schoone Vrouwe riep mij, zóó dat ik haar vroeg te gebieden.55Hare oogen lichtten meer danDe Ster: en zij begon zoetelijk en zachtelijk, met engelsche stem, in hare sprake te zeggen:58„OhoofscheMantuaansche ziel, van wie de faam nog in de wereld duurt, en duren zal zoolang de wereld duren zal,61de vriend van mij en niet van fortuin, is in het verlaten oord zoo verbijsterd in zijnen weg, dat hij van angst is omgekeerd:64en ik vrees, dat hij reeds zóó verdwaald is, dat ik te laat voor zijn onderstand ben opgestaan, naar hetgene ik van hem in den Hemel heb gehoord.67Wel òp nu en met uwe wel-voorziene sprake en met dat wat hij noodig heeft voor zijn bevrijden, help hem zóó dat ik er van getroost zij.70Ik ben Beatrice, die u doe gaan: ik kom van die plaats waarhenen ik weder te keeren begeer: en Liefde bewoog mij, die mij ook doet spreken.73Wanneer ik weder voor mijnen Heere zal zijn, zal ik mij dikwijls bij Hem over u beroemen.” Toen zweeg zij en voorder begon ik:76„O vrouw van dat vermogen, door hetwelk alleen de menschelijke soort te boven gaat al wat omvat is doordien hemel, wiens ommetrekken de kleinste zijn,79zóózeer gevalt mij uw bevel dat het gehoorzamen, ook indien het reeds (in uitvoering) ware, mij te traag is: gij hebt niet meer van noode mij uwe begeerte te openbaren.82Maar zeg mij de reden, dat gij u niet ontziet hier beneden in dit midden-punt af te dalen uit die ruime plaats, waarhenen te keeren gij (van begeerte) brandt.”85„Vermits gij dit zoo grondig verlangt te weten, zal ik u kortelijk zeggen,” antwoordde zij mij: „waarom ik niet vrees hier binnen te komen.88Vreezen moet men alleen die dingen, welke vermogen hebben iemand kwaad te doen; de andere niet, omdat zij niet vreeselijk zijn.91Ik ben door God gemaakt—Hem de dank—zóódanig, dat uwe ellende mij niet raakt, noch vlam van dien brand mij bespringt.94Eene edele vrouweis in den hemel, die zich erbarmt over dat beletsel, waarhenen ik u zend, zoodat zij hard oordeel daarboven verbreekt.97Deze verzocht Lucie in haar verzoek en zeide: „Nu heeft uw getrouwe u van noode, en bij u beveel ik hem aan.”100Lucie, vijandin van al wat wreed is, verrees en kwam tot die plaats waar ik was, die neergezeten was metRachel, de in de oudheid (gestorvene).103Zij zei: „Beatrice, waarachtige eer van God, waarom komt gij niet te hulp hem, die u zoo zeer heeft bemind, dat hij door u de schare der gewonen te buiten ging?106Hoort gij niet de erbarmelijkheid van zijn klacht? Ziet gij, niet den dood, die hem bestrijdt aan die rivier waarmede de zee zich niet verrijkt?”109In de wereld waren nooit menschen zóó vlug omhun voordeel te doen en hun nadeel te ontvluchten, als ik, nadat zulke woorden gesproken waren,112hier om laag kwam van mijnen gelukzaligen zetel, mij vertrouwend op uw eerlijk spreken, dat u eert en hen die het hebben gehoord.”115Nadat zij mij aldus rede gegeven had, draaide zij weenend de lichtende oogen; waardoor zij mij vlugger maakte tot het komen:118en ik ben tot u gekomen zooals zij dat wilde; tegenover dat wilde dier heb ik u opgericht, hetwelk u den korten toegang tot den schoonen berg benam.121Dus wat is er? Waarom, waarom blijft gij staan? Waarom voedt gij zoo groote lafheid in het hart? Waarom hebt gij geen durf en geen vrijmoedigheid,124vermits zoodanige drie vrouwen gebenedijde om u bezorgd zijn in het hof des hemels, en mijn spreken u zoo groot goed belooft?”127Gelijk de bloempjes, door de nachtvorst geneigd en gesloten, wanneer de Zon ze beschijnt, zich gansch open oprichten op hunnen stengel,130zoo maakte ik mij op uit mijne matte krachten; en zoo goede moed liep mij in het hart, dat ik begon als een frank mensch:133„O erbarmingsvolle zij die mij te hulp snelde, o hoffelijke gij, die zoo snel gehoorzaamdet aan de waarachtige woorden die zij u toestak!136Gij hebt me door uwe woorden het hart zoo zeer met begeerte toebereid om te komen, dat ik gekeerd ben tot mijn eerste voornemen.139Dan ga, daar een zelfde willen van ons beiden is, gij mijn gids, mijn heer en mijn meester.” Zoo zeide ik en nadat hij zich had opgemaakt,142trad ik binnen langs eenen diepen en woesten weg.Derde Zang.1–69. De poort en het voorhof der Hel; degenen die noch goed, noch slecht zijn geweest.70–einde. De zielen ter overvaart van den Acheron bereid. Ontmoeting met Charon.1„Door mij gaat men in tot de treurende stad, door mij gaat men in tot de eeuwige pijn, door mij gaat men te midden van het verlorene volk.4Gerechtigheid bewoog mijnen hoogen Maker, gemaakt heeft mij de goddelijke Macht, de hoogste Wijsheid en de eerste Liefde.7Vóór mij waren geene dingen geschapen, tenzij de eeuwige, en ik duur eeuwig: laat af van alle hoop, gij die hier binnen treedt.”10Deze woorden van donkere verwe zag ik geschreven aan het hoofd van eene poort; waarom ik (zeide): „Meester, hun zin is hard voor mij.”13En hij tot mij als een bezonnen persoon: „Hier voegt het af te laten van allen achterdocht; alle lafheid voegt het dat hier gestorven zij.16Wij zijn gekomen tot de plaats waar ik u gezegdheb dat gij zien zoudt de treurende volkeren, die het goede des verstands hebben verloren.”19En nadat hij zijne hand op de mijne had gelegd met blijd gelaat, waaraan ik mij vertroostte, bracht hij mij binnen de geheim gehoudene dingen.22Daar weerklonken zuchten, klachten en hooge gillen door de lucht zonder sterren, waardoor ik bij het beginnen ervan weende.25Verscheidene tongen, gruwelijke talen, woorden van pijn, toonen van toorn, stemmen hooge en schorre, en een geklop van handen mèt dezen,28maakten een gedruisch, hetwelk altijd wielt in die lucht zonder weersgesteldheid getint, gelijk het zand wielt, wanneer de wervelwind blaast.31En ik, wiens hoofd door verbijstering omgord was, zeide: „Meester, wat is dat hetwelk ik hoor? en welk volk is het dat zóó verwonnen schijnt in de pijn.”34En hij tot mij: „Deze ellendige wijze houden de droeve zielen dergenen, die leefden zonder smaad en zonder roem.37Zij zijn gemengd onder dien landzieken rei der engelen, die niet rebelleerden, noch trouw waren aan God, maar op zich zelven stonden.40De hemelen joegen ze uit, om niet (door hen) minder schoon te zijn, noch heeft de diepe Hel ze opgenomen daar de schuldigen door hen eenige reden tot roemen zouden hebben.”43En ik tot hem: „Meester, wat is er zoo zwaar voor hen, dat hen zoo krachtig doet weeklagen?” Hij antwoordde: „Ik zal het u zeer korteling zeggen.46Dezen hebben geen hoop op den dood; en hun blinde leven is zóó laag, dat zij afgunstig zijn op alle andere lot.49De wereld laat geen roep van hen zijn; Erbarming en Rechtvaardigheid wijst ze af; spreken wij niet van hen, maar schouw en ga voorbij.”52En schouwende zag ik een banier, die zoo snel in eenen kring rondliep, dat ze mij tot alle rust onbekwaam docht:55en daar achter kwam zóó lange sleep van menschen, dat ik niet geloofd zou hebben dat de dood er zóó velen had ònt-maakt.58Nadat ik er éénen had herkend, keek ik, en ik zag de gelijkenisdesgenen, die uit lafheid de groote weigering had gedaan.61Onmiddellijk begreep ik en was ik verzekerd dat dat de schare was der landzieken, aan God ongevallig en aan Zijne vijanden.64Die verworpelingen, die nooit levend waren, waren naakt en zeer gestoken door muggen en wespen, die daar waren.67Zij besproeiden hun het gelaat met bloed, dat vermengd met tranen, aan hunne voeten door walgelijke wormen werd gegaêrd.70En nadat ik mij tot het verder zien had begeven, zag ik menschen aan den oever van eenen grooten stroom, waarom ik zeide: „Meester, nu vergun mij73dat ik wete welke ze zijn, en welke inzetting ze zoo bereid tot oversteken doet schijnen, naar ik het kan onderscheiden bij het flauwe licht.”76En hij tot mij: „Deze dingen zullen u bekend worden, wanneer wij onze stappen zullen hebben gezet op den doodschen oever-rand van den Acheron.”79Toen met de oogen beschaamd en nedergeslagen, vreezende dat mijn spreken hem bezwaarlijk was geweest, heb ik mij tot aan den stroom van spreken onthouden.82En zie daar tot ons komen te scheep een oude, wit door het oude haar, schreeuwende: „Wee u! slechte zielen:85hoopt niet ooit den hemel te zien: ik kom om u te brengen naar den anderen oever, in de eeuwige duisternissen, in het heete en in het koude:88en gij die hier zijt, levende ziel, scheid u af van dezen, die dood zijn.” Maar toen hij zag dat ik mij niet afscheidde,91zeide hij: „Langs andere wegen, door andere havenen zult gij aan den oever komen, niet hier: om over te steken, voegt het dat lichter hout u drage.”94En de Gids tot hem: „Charon, vertoorn u niet; aldus wordt het gewild, waar gekund wordt wat wordt gewild en meer (moet gij) niet vragen.”97Toen waren de wollige wangen stil van den schipper op den loodkleurigen poel, die rond de oogen raderen van vlammen had.100Maar die schimmen, die moede en naakt waren, verschoten van kleur en klapperden met de tanden, zoodra als zij de rauwe woorden hadden verstaan.103Zij vloekten God en hunne ouders, het menschelijk geslacht, de plaats, den tijd en het zaad hunner zaaiing en hunner geboorte.106Dan gingen zij allen te zamen, heftig weenende, naar den onherbergzamen oever, welke ieder mensch wacht, die God niet vreest.109Charon, de demon met oogen van vuurkool, ze wenkend, vergadert ze allen en slaat met den riem al wie zich vertraagt.112Zooals in den herfst de bladeren zich los-maken, het eene na het ander, totdat de tak al zijnen tooi der aarde hèr-geeft,115evenzoo (verging het) den kwaden zade van Adam: zij werpen zich af van die kust een voor een op de wenken (van Charon) als de vogel op des lokvogels roep.118Zoo gaan zij henen over het bruine water, en voor dat zij aan gindsche zijde zijn uitgestapt, vergadert zich weder aan deze zijde een nieuwe schaar.121„Zoon mijn,” zeide de hoofsche Meester: „degenen, die sterven in den toorn van God, zij komen hier allen te zamen van alle land;124en vaardig zijn zij om den stroom over te steken, omdat de Goddelijke Gerechtigheid ze prikkelt, zoodat hun vrees zich verkeert in begeerte.127Hier steekt nooit goede ziel over: en daarom, indien Charon zich over u vertoornt, dan kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt.”130Toen dit uitgesproken was sidderde het ongure landschap zoo krachtig, dat van den schrik mijn geest mij nog in zweet doet baden.133De tranenvolle aarde liet een wind los, welken bloedrood licht als van een bliksem verlichtte, hetwelk mij alle bezinning overwon;136en ik viel als een mensch, welken slaap bevangt.Vierde Zang.Eerste ommegang.1–66. Na de overvaart van den Acheron, slapend door Dante volbracht, komt hij bij de zielen van hen die zonder schuld, doch buiten het christendom gestorven zijn.67–einde. In een schoonen burcht bezoekt Dante de zielen der groote roemrijke Heidenen.1Den diepen slaap in mijn hoofd brak mij een zware donderslag, zóódat ik sidderde als iemand, die met geweld is gewekt,4en recht opgestaan, draaide ik het verkwikte oog in het rond en ik keek scherp om de plaats te verkennen waar ik was.7Waarheid is dat ik mij op de rand bevond van de smartelijke vallei des afgronds, die den donder gaart van oneindige jammerkreten.10Donker en diep was zij en van zoo dikke dampen vol dat ik, door den blik op den bodem te vesten, er geen enkel ding kon onderscheiden.13„Nu laten wij nederdalen in de blinde wereld,”begon de Dichter gansch verbleekt: „ik zal de eerste zijn en gij zult de tweede zijn.”16En ik die zijne kleur had opgemerkt, zeide: „Hoe zal ik gaan, wanneer gij verschrikt, gij die mijn aarzelen tot troost pleegt te zijn?”19En hij tot mij: „De doodspijn van de volkeren, die daar beneden zijn, verft me op het gelaat die erbarming, die gij voor vrees aanmerkt.22Gaan wij, daar de lange weg ons noopt.” Zoo maakte hij zich op en zoo deed hij mij binnen-treden in den eersten ommegang, die den afgrond omgordt.25Daar, naar wat men hooren kon, was geen klacht dan die van zuchten, welke de eeuwige lucht deden trillen:28en dat kwam voort van de smart zonder martelingen, die de scharen hadden, welke velen en groot waren, van kinderen, van vrouwen en van mannen.31De goede Meester zeide tot mij: „Gij, vraagt gij niet welke geesten dezen zijn, die gij ziet? Nu wil ik dat gij wetet vóór gij verder gaat,34dat zij niet hebben gezondigd: en indien zij verdiensten hebben, voldoet dat niet, daar zij geen doop hebben gehad, dewelke is de Poort van het geloof, dat gij gelooft:37en al waren zij vóór het Christendom, ze hebben God niet op de verschuldigde wijze aangebeden; en tot de zoodanigen behoor ook ik zelf.40Door zoodanige tekortkomingen en niet door een andere schuld zijn wij verloren, en slechts in zooverre gepijnigd, datWij zonder Hoop inBEGEERTE LEVEN.”43Groote smart beving mij in het hart toen ik dit verstond, omdat ik menschen van groote deugd herkende, die op dienZoomzwevende waren.46„Zeg mij, mijn Meester, zeg mij, Heer,” begon ik, om zeker te zijn van dat geloof dat alle dwaling overwint:49„kwam hier ooit iemand uit, of door eigen verdienste of door die eens anderen, zoodat hij later zalig was?” En hij, die mijn bedektelijk spreken begreep,52antwoordde: „Ik was nieuw in dezen toestand, wanneer ik hier eenen Machthebbende zag komen met teeken van overwinning gekroond.55Hij toog van hier de schim des eersten ouders, van Abel zijnen zoon en die van Noach, van Mozes, wetgever en gehoorzame,58den gehoorzamen Abraham, den aartsvader, en koning David, Israël met zijn vader en zijne zonen en Rachel, voor wiehijzooveel deed61en andre velen; en hij maakte ze gelukzalig, en ik wil dat gij wetet dat vóór dezen geene menschelijke zielen behouden werden.”64En omdat hij sprak, daarom hielden wij niet op met loopen, maar wij gingen evenzeer het woud door, het dichte woud van geesten bedoel ik.67Nog was onze (afgelegde) weg aan deze zijde der hoogte niet lang, wanneer ik een vuur zag, hetwelk eenen halven kring op de duisternissen won.70Wij waren er nog een weinig van verwijderd, maar niet zoo dat ik niet voor een deel kon onderscheiden dat eerwaardige lieden die plaats bezet hielden.73„O Gij, die alle wetenschap en kunst eert, dezen wie zijn ze, die zoo groote eerwaardigheid hebben, die ze afscheidt van de wijze der anderen?”76En hij tot mij: „De eervolle naam, die van hen luidt boven in uw leven, verwerft hun in den hemel genade, welke hen zóózeer bevoorrecht.”79Ondertusschen werd door mij eene stem gehoord: „Eert den hoogen Dichter, zijne schimme keert weder, die verscheiden was.”82Toen de stem had opgehouden en stil was, zag ik vier groote schimmen tot ons naderen: een voorkomen hadden zij noch droef noch blijd.85De goede Meester begon tot mij te zeggen: „Bewonder genen met dat zwaard in de hand, die de (andere) drie voorgaat zóó als een vorst.88Dat is Homerus, oppermachtig dichter, de tweede is Horatius de satiricus, die komt, Ovidus is de derde, en Lucanus is de laatste.91Omdat elk (van hen) met mij overéénkomt in den naam, welken die éénstemmige stem deed hooren, doen zij mij eerbetooning en daarin doen zij wèl.”94Zoo zag ik zich vereenigen die schoone school van dien heer van het hooge gezang, die boven de anderen als een arend vliegt.97Nadat zij een weinig onder elkander hadden geredeneerd, wendden zij zich tot mij met groetend gebaar: en mijn Meester glimlachte over zóóveel (eer).100En nog meer eer—wel veel—deden zij mij, daar zij mij maakten (tot éénen) van hunne schare, zoodat ik de zesde was tusschen zoo hooge wijsheid.103Zoo gingen wij voort tot aan het licht, dingen sprekende, welke het schoon is te zwijgen, gelijk het daar schoon was ze te spreken, daar waar ik was.106Wij kwamen aan den voet van een edel kasteel, zeven keeren omkringd door hooge muren, rondom verdedigd door eenen schoonen stroom.109Dezen gingen wij over als vasten grond; door zeven poorten trad ik binnen met die wijzen;wij kwamen op eene weide, met frisch groen gewas.112Menschen waren daar met trage en ernstige oogen, met groot gezag in hun voorkomen; zij spraken schaars met welluidende stemmen.115Wij trokken ons terug naar een der zijden op eene opene plaats, licht en hoog, zoodat zij allen daar gezien konden worden.118Daar van rechttegenover op den groenen bank, werden mij de groote geesten vertoond, zoodat ik van ze te zien mij in mij zelven verhef.121Ik zagElectramet vele gezellen, onder welken ik herkende Hector en Aeneas en den Cesar gewapend met de adelaars oogen.124Van de andere zijde zag ik Camilla en Penthesilea; ik zag den koning Latinus, die met Lavinia, zijne dochter gezeten was.127Ik zag dien Brutus, die Tarquinius verjoeg, Lucretia, Julia, Marcia en Cornelia en alleen aan eenen kant zag ik Saladijn.130Nadat ik de oogleden een weinig had opgeslagen zag ik den Meester van degenen die weten, zitten tusschen eene school en volgelingen-stoet van filosofen.133Allen bewonderden hem, allen deden hem eer. Daar zag ik èn Socrates èn Plato, die vóór de anderen dichter bij hem stonden;136Democritus, die de wereld op het toeval zet, Diogenes, Anaxagoras en Thales, Empedocles, Heraclitus en Zeno.139En ik zag den goeden verzamelaar van de hoedanigheid (der kruiden), Dioscurides bedoel ik; ik zag Orpheus, Tullius en Linus en Seneca den zedeleeraar;142Euclides den wiskunstenaar en Ptolemaeus,Hippocrates, Ibn Sinà en Galenus, Ibn Rasch die het groote commentaar maakte.145Ik kan niet van allen ten volle verhalen, omdat het lange thema mij zoozeer voortjaagt, dat vele malen het zeggen te kort schiet bij de zaak.148Het gezelschap van zessen scheidde zich in tweeën; wel anderen weg leidt de wijze Leidsman mij òp, de rustige lucht uit, de lucht in, die siddert;151en ik kom in dat deel waar niet is wat licht geeft.Vijfde Zang.Tweede ommegang.1–24. Ontmoeting met de Helle-dichter, Minos.25–72. De wervelwind, die de zondaren des vleesches voortzweept.73–einde. Ontmoeting met de in dien wind voortgedragene Francesca en Paolo.1Zoo daalde ik van den eersten ommegang neder in den tweeden, die minder ruimte omgordt en zooveel te meer pijn, die prikkelt tot gejank.4Daar staat Minos huiveringwekkend en grijnst, onderzoek doet hij van elks schuld bij het binnentreden; hij oordeelt en wijst eene plaats aan, naarmate hij zich omkringt.7Ik zeg dat wanneer de onzalig geboren ziel hem tevoren komt, zij alles opbiecht en die kenner der zonden10ziet hoedanig eene plaats van de hel haar toekomende is; hij omringt zich met den staart zoovele malen als hij wil dat zij trappen af worde gezonden.13Altijd staan er velen voor hem: ze gaan elk op haar beurt tot het oordeel; ze spreken en hooren en voorts worden zij naar beneden geworpen.16„Gij daar, die tot het pijnlijk gasthuis komt,” schreeuwde Minos tot mij, aflatend van de uitoefening van zoo groot ambt:19„Zie toe hoe gij binnentreedt en op wien gij vertrouwt; de breedheid des binnentredens verleide u niet.” En mijn gids tot hem: „waarom schreeuwt ook gij?22Verlet hem niet den door hooger macht besloten gang: aldus wordt het gewild, daar waar gekund wordt dat wat gewild wordt en meer (moet gij) niet vragen.”25Nu beginnen de jammertonen zich door mij te doen hooren: nu ben ik gekomen daar waar veel klacht mij slaat.28Ik kwam in eene plaats, die van alle licht stom was, maar die loeide als de zee loeit bij storm, wanneer zij van tegenstrijdige winden wordt bestreden.31De helsche wervelwind, die nooit rust, voert de geesten mede met hare werveling, hinderlijk ze wentelend en doende stooten.34Wanneer zij komen voor aan de instorting (dan zijn) daar gejank, jammerklacht en kreet: zij vloeken daar het goddelijke vermogen.37Ik verstond dat tot dusdanige marteling veroordeeld waren de vleeschelijke zondaren en die de rede onderdaan maakten aan de begeerte.40Gelijk de vleugelen de spreeuwen voortdragen in den kouden tijd, in breeden en vollen zwerm, zoo (droeg) die wind de slechte geesten.43Ginds heen, hierheen en neer en op voert hij ze;geene hoop troost ze ooit laat staan op verpoozing maar (zelfs niet) op minder marteling.46En gelijk de kraanvogels gaan, zingende hùnne treurliederen, zich in de lucht schikkende tot zoo lange rij, zóó zag ik komen, de kreten rekkende,49schimmen gedreven door de gezegde straf: waarom ik zeide: „Meester, wie zijn gindsche volkeren, welken de zwarte lucht zoo geeselt?”52„De eerste van degenen, van wie gij berichten wilt weten,” zeide gene toen tot mij: „was keizerin van vele tongen.55Tot de ondeugd der weelderigheid was zij zoo losgebroken dat zij, wat lustte, geoorloofd maakte in hare wetten om de blaam op te heffen, waartoe zij was gekomen.58Zij is Semiramis, van wie men leest dat zij te zuigen gaf aan Ninus en diens vrouw was; zij bezat het land dat de Sultan regeert.61De tweedeis degene die zich, minziek, ontlijfde en haartrouwbrak aan de asche van Sichaeus: dan komtCleopatra, de weeldrige.”64Helena zag ik door wie zoo lange, benarde tijd verliep en zag den grooten Achilles, die uit liefde tot aan het einde streed.67Ik zag Paris, Tristram... en meer dan duizend toonde hij mij (en hij noemde ze mij) met den vinger, welken de Liefde uit ons leven deed verscheiden.70Nadat ik mijnen Leermeester, had hooren noemen de vrouwen en de ridders van voorheen, vermeesterde mijn medelijden en ik was bijna verbijsterd.73Ik begon: „Dichter, wel geerne zoude ik spreken tot die twee, die te zamen gaan en schijnen zoo licht op den wind te zijn.”76En hij tot mij: „Gij zult zien wanneer zij onsnaderbij zullen zijn; en gij dan, smeek ze bij die liefde, die ze leidt, en zij zullen komen.”79Zoodra als de wind ze naar ons henen vlijt, ontgon ik de stem: „O geteisterde zielen, komt tot ons om te spreken indien geen ander het verbiedt.”82Gelijk duiven, door de begeerte geroepen, met de vleugels open en stil naar het zoete nest vliegen op de lucht, door het willen gedragen,85zoo gingen zij naar buiten uit de schare, waarin Dido is, komende tot ons door de kwaadwillige lucht: zóó sterk was de innige bede.88„O! genaderijk en welwillend wezen, dat gaat door de donkere lucht bezoekende ons, die de wereld verfden met bloed.91Indien de koning des heelals ons bevriend ware, zouden wij hem bidden voor uwen vrede, nademaal gij erbarmen hebt met onzen bitteren ramp.94Van dat wat te hooren en te spreken u gevalt, zullen wij hooren en spreken tot u, zoolang de wind, gelijk hij nu doet, zwijgt.97Het land daar ik geboren was, ligt op de zeekust waar de Po afzakt om vrede te hebben met zijne volgelingen.100Liefde, die ras aan ’t edel hart zich hecht, nam dezen in voor de schoone gestaltenis, die mij ontnomen werd en de wijze waarop, schendt mij nog.103Liefde, die geenen beminden het minnen kwijtscheldt, had, doordat ik hem behaagde, zoo sterken vat op mij, dat, zooals gij ziet hij mij nog niet verlaat.106De liefde bracht ons (beiden) tot éénen dood:Kaïnawacht wie ons leven uitbluschte.” Die woorden werden ons van hen toe-gedragen.109Over wat ik gehoord had van die geschondene zielen, neigde ik ’t hoofd en zoolang hield ik’t omlaag totdat de Dichter tot mij zeide; „waar denkt gij aan?”112Wanneer ik antwoordde, begon ik: „Wee, wee, hoe zoete gedachten, hoe groote begeerten, brachten genen tot den heilloozen stap!”115Voorts wendde ik mij tot hen en ik sprak; ik begon: „Francesca, uwe martelingen maken tot weenens toe mij droef en medelijdend.118Maar zeg mij: ten tijde der zoete begeerten aan wien en hoe vergunde de liefde, dat gij de twijfelachtige begeerten leerdet kennen?”121En zij tot mij: „geen grooter smart dan in de ellende den tijd des geluks te gedenken: en dat weet uw leermeester.124Maar zoo gij zoo groote begeerte hebt om den eersten oorsprong van onze liefde te leeren kennen, dan zal ik doen, gelijk degene, die weent en spreekt.127Wij lazen eenen dag voor vermaak van Lancelot hoe de liefde hem neep: wij waren alleen en zonder eenigen argwaan.130Meerdere malen deed die lezing ons de oogen blikkeren en ontverfde zij ons ’t gelaat: maar één punt alleen was het dat ons overwon.133Wanneer wij lazen dat het begeerde glimlachjen gekust werd door zoo’n grooten minnaar, toen kuste die nooit van mij gescheiden moge worden,136mij den gansch trillenden mond:Galeottowas het boek en die het geschreven had: dien dag hebben wij niet verder gelezen.”139Terwijl de eene geest dit zeide, weende de andere zoozeer dat ik van erbarmen buiten mij geraakte, alsof ik gestorven ware;142En ik viel zooals een dood lichaam valt.

Eerste Zang.Inleiding tot het geheele Werk.Des Dichters ontmoeting met de schim van Virgilius.1Ophet midden van den weg onzes levens, hervond ik mij in een donker woud, omdat de Rechte Weg verloren was.4Wee, hoe harde zaak is het te zeggen hoe het was dat woeste, stekelige en onbegaanbare woud, dat in de gedachte mij de vrees hernieuwt.7Zoo bitter is het, dat weinig bitterder is de dood: maar om te handelen van het Goed, dat ik daar vond, zal ik spreken, van de andere dingen, die ik daar gewaar werd.10Ik weet niet wèl te herzeggen, hoe ik er binnen gekomen ben; zóó vol was ik van slaap op dat tijds-punt, toen ik den Waarachtigen Weg verliet.13Maar nadat ik aan den voet van een heuvel was gekomen, daar waar die vallei eindigde, die mij het hart met vrees had gestoken,16oogde ik naar omhoog en ik zag zijne schouderen reeds bekleed met de stralen vandie planeet, die ’n ander recht leidt op alle wegen.19Toen was de vrees een weinig gestild, die in het meer mijns harten den nacht verduurd had, dien ik in zoo groote erbarmelijkheid had doorgebracht.22En zooals degene, die, met benauwden adem uit de zee aan den oever gekomen, zich omwendt naar het gevaarlijke water, en spiedt;25zóó wendde mijn geest, die nog vluchtende was, zich weer terug om den doorweg te bezien, die geen persoon levend laat.28Nadat ik het vermoeide lichaam daar had doen uitrusten hernam ik de reis door het verlaten oord, zóodat de staande voet altijd de laagste was.31En zie, omtrent bij het beginnen der helling, een lichte en zeer vluggelosch, die gedekt was met gevlekten pels.34En hij ging me niet weg voor mijn gezicht; maar hinderde zóózeer mijnen gang, dat ik, om terug te gaan, mij meerdere keeren keerde.37De tijd was in het begin van den morgen; en de zon verrees met die sterren, die met hem waren, wanneer de goddelijke liefde40voor het eerst deze fraaie dingen bewoog; zoodat, om goed te hopen van dat wilde dier met het kakel-bonte vel, aanleiding mij waren43het uur des daags en het zoete saisoen: maar niet zóó dat geen vreeze mij zou gegeven hebben het gezicht, dat mij verscheen, van eenen leeuw.46Deze docht mij dat tegen mij kwam met hoogen kop en met dollen honger; zoodat me docht dat de lucht er van sidderde.49En eene wolvin, die met alle begeerten scheenbelast in hare magerheid, en vele menschen reeds in verdriet deed leven.52Deze bezorgde mij zoo groote zwarigheid door de vreeze, die uitging van haar gezicht, dat ik de hoop op de hoogte verloor.55En gelijk is degene, die gaarne wint, en de tijd komt die hem doet verliezen, zoodat hij in alle zijne gedachten weent en zich bedroeft;58zóó maakte mij dat rustelooze beest, dat, mij tegenkomend, bij weinig tegelijk mij terug-drong daarheen waarde zon zwijgt.61Terwijl ik in de laagte terug-viel, had zich voor mijne oogen vertoond, een die door lang stil-zwijgen sprakeloos scheen.64Wanneer ik dezen in de groote woestenij zag, toen: „Erbarm u mijner,” riep ik tot hem: „wat gij ook zijt, of schim of wezenlijk mensch.”67Hij antwoordde mij: „Geen mensch; mensch was ik voorheen, en mijne ouders waren Lombarden, en beider vaderstad was Mantua.70Ik werd geboren onder Julius,hoewel het te laat was; en ik leefde te Rome onder den goeden Augustus, ten tijde der valsche en leugenachtige goden.73Dichter was ik en ik zong van dien rechtvaardigen zoon van Anchises, die van het Trojaansche land kwam, nadat het trotsche Ilium verbrand was.76Maar gij, waarom keert gij naar zoo groote verdrietelijkheid terug? Waarom bestijgt gij niet den vermakelijken berg, die begin en aanleiding is van alle vreugde?”79„O! zijt gij die Virgilius en die bron, die zoo milden stroom van spreken vergiet?” antwoordde ik hem met beschaamd voorhoofd.82„O eer en licht der andere dichters, dat nu mijn lange studie en mijn groote liefde (bij u) gelden, die mij uw boekrol hebben doen doorzoeken.85Gij zijt mijn meester en mijn leidsman; gij alleen zijt het, van wien ik den schoonen stijl genomen heb, die mij eere gemaakt heeft.88Zie het beest, voor hetwelk ik mij keerde: help mij daartegen, befaamde wijze, daar het mij aderen en polsen doet trillen.”91„Het past u eenen anderen weg te houden,” antwoordde hij, toen hij zag dat ik weende: „indien gij uit dit woeste oord wilt ontkomen;94daar dit beest, om het welk gij schreeuwt, ’n ander niet langs zijnen weg laat doorgaan, maar hem zoozeer belemmert dat hij hem doodt.97En het heeft zoo slechten en schuldigen aard, dat het nooit zijn begeerig willen verzaakt, en na de voedering meer honger heeft dan te voren.100Velen zijn de dieren, met wie zij zich paart, en nog meerderen zullen het er zijn, totdat deHazewindzal komen, die het zal doen sterven van pijn.103Deze zal zich niet voeden met stof of klatergoud, maar met wijsheid, liefde en deugd, en zijne geboorte zal zijn tusschen vilt en vilt.106Van dit vernederd Italië zal hij het heil worden, voor hetwelk de maagd Camilla, Euryalus en Turnus en Nisus in wonden gestorven zijn.109Hij zal haar nàzetten door alle hoeven, tot hij haar in de Hel zal hebben teruggebracht, van waar de Eerste Nijd haar heeft uitgezonden.112Van waar ik voor uw best-wil denk en oordeel dat gij mij volget, en ik zal uw gids zijn en ik zal u van hier trekken door de eeuwige plaats,115waar gij het wanhopig getier zult hooren, waargij de treurende geesten zult zien van voorheen, daar elk den tweeden dood beweent.118En gij zult zien degenen, die tevreden zijn in het vuur, omdat zij hopen te komen, wanneer het ook zij, bij de gelukzalige volkeren.121Tot dewelken, indien gij voorder tot hen zult willen opstijgen, daartoe zal er eene ziel zijn waardiger dan ik; met haar zal ik u laten bij mijn scheiden;124daar die Keizer, die daarboven regeert, òmdat ik rebellisch was aan zijne wetten, niet wil dat men tot Zijne stad door mij komt.127In alle deelen heerscht hij en dáár is hij koning, daar is zijne stad en zijn hooge zetel: o gelukkig degene, dien hij daar uitverkiest!”130En ik tot hem: „Dichter, ik vraag u bij genen God, dien gij niet gekend hebt, òpdat ik dit kwaad en erger ontvluchte,133dat gij mij leidet daar waar gij zeidet, zoo dat ik zie de Poort van Sint Pieter, en diegenen, die gij als zoo bedrukt voorsteldet.”136Toen schreed hij voort en ik hield mij achter hem.

Inleiding tot het geheele Werk.Des Dichters ontmoeting met de schim van Virgilius.

Inleiding tot het geheele Werk.

Des Dichters ontmoeting met de schim van Virgilius.

1Ophet midden van den weg onzes levens, hervond ik mij in een donker woud, omdat de Rechte Weg verloren was.

4Wee, hoe harde zaak is het te zeggen hoe het was dat woeste, stekelige en onbegaanbare woud, dat in de gedachte mij de vrees hernieuwt.

7Zoo bitter is het, dat weinig bitterder is de dood: maar om te handelen van het Goed, dat ik daar vond, zal ik spreken, van de andere dingen, die ik daar gewaar werd.

10Ik weet niet wèl te herzeggen, hoe ik er binnen gekomen ben; zóó vol was ik van slaap op dat tijds-punt, toen ik den Waarachtigen Weg verliet.

13Maar nadat ik aan den voet van een heuvel was gekomen, daar waar die vallei eindigde, die mij het hart met vrees had gestoken,

16oogde ik naar omhoog en ik zag zijne schouderen reeds bekleed met de stralen vandie planeet, die ’n ander recht leidt op alle wegen.

19Toen was de vrees een weinig gestild, die in het meer mijns harten den nacht verduurd had, dien ik in zoo groote erbarmelijkheid had doorgebracht.

22En zooals degene, die, met benauwden adem uit de zee aan den oever gekomen, zich omwendt naar het gevaarlijke water, en spiedt;

25zóó wendde mijn geest, die nog vluchtende was, zich weer terug om den doorweg te bezien, die geen persoon levend laat.

28Nadat ik het vermoeide lichaam daar had doen uitrusten hernam ik de reis door het verlaten oord, zóodat de staande voet altijd de laagste was.

31En zie, omtrent bij het beginnen der helling, een lichte en zeer vluggelosch, die gedekt was met gevlekten pels.

34En hij ging me niet weg voor mijn gezicht; maar hinderde zóózeer mijnen gang, dat ik, om terug te gaan, mij meerdere keeren keerde.

37De tijd was in het begin van den morgen; en de zon verrees met die sterren, die met hem waren, wanneer de goddelijke liefde

40voor het eerst deze fraaie dingen bewoog; zoodat, om goed te hopen van dat wilde dier met het kakel-bonte vel, aanleiding mij waren

43het uur des daags en het zoete saisoen: maar niet zóó dat geen vreeze mij zou gegeven hebben het gezicht, dat mij verscheen, van eenen leeuw.

46Deze docht mij dat tegen mij kwam met hoogen kop en met dollen honger; zoodat me docht dat de lucht er van sidderde.

49En eene wolvin, die met alle begeerten scheenbelast in hare magerheid, en vele menschen reeds in verdriet deed leven.

52Deze bezorgde mij zoo groote zwarigheid door de vreeze, die uitging van haar gezicht, dat ik de hoop op de hoogte verloor.

55En gelijk is degene, die gaarne wint, en de tijd komt die hem doet verliezen, zoodat hij in alle zijne gedachten weent en zich bedroeft;

58zóó maakte mij dat rustelooze beest, dat, mij tegenkomend, bij weinig tegelijk mij terug-drong daarheen waarde zon zwijgt.

61Terwijl ik in de laagte terug-viel, had zich voor mijne oogen vertoond, een die door lang stil-zwijgen sprakeloos scheen.

64Wanneer ik dezen in de groote woestenij zag, toen: „Erbarm u mijner,” riep ik tot hem: „wat gij ook zijt, of schim of wezenlijk mensch.”

67Hij antwoordde mij: „Geen mensch; mensch was ik voorheen, en mijne ouders waren Lombarden, en beider vaderstad was Mantua.

70Ik werd geboren onder Julius,hoewel het te laat was; en ik leefde te Rome onder den goeden Augustus, ten tijde der valsche en leugenachtige goden.

73Dichter was ik en ik zong van dien rechtvaardigen zoon van Anchises, die van het Trojaansche land kwam, nadat het trotsche Ilium verbrand was.

76Maar gij, waarom keert gij naar zoo groote verdrietelijkheid terug? Waarom bestijgt gij niet den vermakelijken berg, die begin en aanleiding is van alle vreugde?”

79„O! zijt gij die Virgilius en die bron, die zoo milden stroom van spreken vergiet?” antwoordde ik hem met beschaamd voorhoofd.

82„O eer en licht der andere dichters, dat nu mijn lange studie en mijn groote liefde (bij u) gelden, die mij uw boekrol hebben doen doorzoeken.

85Gij zijt mijn meester en mijn leidsman; gij alleen zijt het, van wien ik den schoonen stijl genomen heb, die mij eere gemaakt heeft.

88Zie het beest, voor hetwelk ik mij keerde: help mij daartegen, befaamde wijze, daar het mij aderen en polsen doet trillen.”

91„Het past u eenen anderen weg te houden,” antwoordde hij, toen hij zag dat ik weende: „indien gij uit dit woeste oord wilt ontkomen;

94daar dit beest, om het welk gij schreeuwt, ’n ander niet langs zijnen weg laat doorgaan, maar hem zoozeer belemmert dat hij hem doodt.

97En het heeft zoo slechten en schuldigen aard, dat het nooit zijn begeerig willen verzaakt, en na de voedering meer honger heeft dan te voren.

100Velen zijn de dieren, met wie zij zich paart, en nog meerderen zullen het er zijn, totdat deHazewindzal komen, die het zal doen sterven van pijn.

103Deze zal zich niet voeden met stof of klatergoud, maar met wijsheid, liefde en deugd, en zijne geboorte zal zijn tusschen vilt en vilt.

106Van dit vernederd Italië zal hij het heil worden, voor hetwelk de maagd Camilla, Euryalus en Turnus en Nisus in wonden gestorven zijn.

109Hij zal haar nàzetten door alle hoeven, tot hij haar in de Hel zal hebben teruggebracht, van waar de Eerste Nijd haar heeft uitgezonden.

112Van waar ik voor uw best-wil denk en oordeel dat gij mij volget, en ik zal uw gids zijn en ik zal u van hier trekken door de eeuwige plaats,

115waar gij het wanhopig getier zult hooren, waargij de treurende geesten zult zien van voorheen, daar elk den tweeden dood beweent.

118En gij zult zien degenen, die tevreden zijn in het vuur, omdat zij hopen te komen, wanneer het ook zij, bij de gelukzalige volkeren.

121Tot dewelken, indien gij voorder tot hen zult willen opstijgen, daartoe zal er eene ziel zijn waardiger dan ik; met haar zal ik u laten bij mijn scheiden;

124daar die Keizer, die daarboven regeert, òmdat ik rebellisch was aan zijne wetten, niet wil dat men tot Zijne stad door mij komt.

127In alle deelen heerscht hij en dáár is hij koning, daar is zijne stad en zijn hooge zetel: o gelukkig degene, dien hij daar uitverkiest!”

130En ik tot hem: „Dichter, ik vraag u bij genen God, dien gij niet gekend hebt, òpdat ik dit kwaad en erger ontvluchte,

133dat gij mij leidet daar waar gij zeidet, zoo dat ik zie de Poort van Sint Pieter, en diegenen, die gij als zoo bedrukt voorsteldet.”

136Toen schreed hij voort en ik hield mij achter hem.

Tweede Zang.Vervolg der algemeene Inleiding; hoe Virgilius den lafhartigen Dante bestraft en bemoedigt door een verhaal van wie hem heeft gezonden; en hoe Dante zich ten slotte aan de leiding van den in het Heidendom gestorvene overgeeft.1De dag ging heen, en de bruine lucht nam de zielen, die op de aarde zijn, weg van hun bekommernissen; en ik alleen4bereidde mij om de warrigheid te doorstaan zoowel van den weg als van de erbarmelijkheid, welke degeestzal verhalen, die niet dwaalt.7O Muzen, o diepe ingeborenheid, nu helpt mij; o geest die opschreeft dat wat ik zag, hier zal uw adeldom blijken.10Ik begon: „Dichter, gij die mij leidt, schouw mijne deugdelijkheid, òf zij vermogend is, vóór gij mij aan den hoogen gang vertrouwt.13Gij zegt dat de vader vanSilvius, nog verderfelijk tot onsterfelijk leven ging enzinnelijkwas.15Daarom, indien de Tegenstander van alle kwaadhemhoffelijkwas, denkend het hooge uitwerksel, dat moest uitgaan van hem en hetwieen hetwat,19dan dunkt hij niet onwaardig aan den man van verstand; daar hij van het al-voedend Romeèn van hare heerschappij in den vasten Hemel des Lichts tot vader gekoren was:22welke beide(om de waarheid te willen zeggen) gevestigd werden voor de heilige plaats, waar zetelt de opvolger van hun grooteren Petrus.25Op dien tocht, waarvan gij hem den roem geeft, vernam hij dingen, die oorzaak werden van zijne overwinning en van den pauselijken mantel.28Voorts ging daarhenen hetUitverkoren Vat, om van daar vertroosting te halen voor dat geloof, hetwelk het beginsel is voor den weg der redding.31Maar ik, waarom daar te komen? Of wie staat het toe? Geen Aeneas, geen Paulus ben ik. Noch ik, noch een ander gelooft mij waardig daartoe.34Daarom indien ik mij verloop om daar te komen, vrees ik dat mijne komst dwaasheid zij; wees wijs en versta dit beter dan ik het beredeneer.”37En gelijk degene is, die niet wil dat wat hij gewild heeft, en door nieuwe gedachten zijn voornemen verandert, zoo dat hij zich gansch verwijdert van het beginnen;40tot zoo éénen maakte ik mij op die donkere helling: waardoor ik, denkende, de onderneming liet varen, die in het beginnen zoo vlug was geweest.43„Indien ik wel uwe woorden heb begrepen,” antwoordde die schim des Grootmoedigen; „dan is uwe ziel met lafheid besmet:46de welke vele malen den mensch bezwaart, zóódatzij van eenige eerlijke onderneming hem afwendt, als droch-gezichten een beest, wanneer het duistert.49Opdat gij u van deze vreeze bevrijdet, zal ik u zeggen, waarom ik gekomen ben en wat ik verstaan heb, op het eerste oogenblik, dat mij uwes deerde.52Ik was tusschen degenen, die zwevende zijn, en eene zalige en schoone Vrouwe riep mij, zóó dat ik haar vroeg te gebieden.55Hare oogen lichtten meer danDe Ster: en zij begon zoetelijk en zachtelijk, met engelsche stem, in hare sprake te zeggen:58„OhoofscheMantuaansche ziel, van wie de faam nog in de wereld duurt, en duren zal zoolang de wereld duren zal,61de vriend van mij en niet van fortuin, is in het verlaten oord zoo verbijsterd in zijnen weg, dat hij van angst is omgekeerd:64en ik vrees, dat hij reeds zóó verdwaald is, dat ik te laat voor zijn onderstand ben opgestaan, naar hetgene ik van hem in den Hemel heb gehoord.67Wel òp nu en met uwe wel-voorziene sprake en met dat wat hij noodig heeft voor zijn bevrijden, help hem zóó dat ik er van getroost zij.70Ik ben Beatrice, die u doe gaan: ik kom van die plaats waarhenen ik weder te keeren begeer: en Liefde bewoog mij, die mij ook doet spreken.73Wanneer ik weder voor mijnen Heere zal zijn, zal ik mij dikwijls bij Hem over u beroemen.” Toen zweeg zij en voorder begon ik:76„O vrouw van dat vermogen, door hetwelk alleen de menschelijke soort te boven gaat al wat omvat is doordien hemel, wiens ommetrekken de kleinste zijn,79zóózeer gevalt mij uw bevel dat het gehoorzamen, ook indien het reeds (in uitvoering) ware, mij te traag is: gij hebt niet meer van noode mij uwe begeerte te openbaren.82Maar zeg mij de reden, dat gij u niet ontziet hier beneden in dit midden-punt af te dalen uit die ruime plaats, waarhenen te keeren gij (van begeerte) brandt.”85„Vermits gij dit zoo grondig verlangt te weten, zal ik u kortelijk zeggen,” antwoordde zij mij: „waarom ik niet vrees hier binnen te komen.88Vreezen moet men alleen die dingen, welke vermogen hebben iemand kwaad te doen; de andere niet, omdat zij niet vreeselijk zijn.91Ik ben door God gemaakt—Hem de dank—zóódanig, dat uwe ellende mij niet raakt, noch vlam van dien brand mij bespringt.94Eene edele vrouweis in den hemel, die zich erbarmt over dat beletsel, waarhenen ik u zend, zoodat zij hard oordeel daarboven verbreekt.97Deze verzocht Lucie in haar verzoek en zeide: „Nu heeft uw getrouwe u van noode, en bij u beveel ik hem aan.”100Lucie, vijandin van al wat wreed is, verrees en kwam tot die plaats waar ik was, die neergezeten was metRachel, de in de oudheid (gestorvene).103Zij zei: „Beatrice, waarachtige eer van God, waarom komt gij niet te hulp hem, die u zoo zeer heeft bemind, dat hij door u de schare der gewonen te buiten ging?106Hoort gij niet de erbarmelijkheid van zijn klacht? Ziet gij, niet den dood, die hem bestrijdt aan die rivier waarmede de zee zich niet verrijkt?”109In de wereld waren nooit menschen zóó vlug omhun voordeel te doen en hun nadeel te ontvluchten, als ik, nadat zulke woorden gesproken waren,112hier om laag kwam van mijnen gelukzaligen zetel, mij vertrouwend op uw eerlijk spreken, dat u eert en hen die het hebben gehoord.”115Nadat zij mij aldus rede gegeven had, draaide zij weenend de lichtende oogen; waardoor zij mij vlugger maakte tot het komen:118en ik ben tot u gekomen zooals zij dat wilde; tegenover dat wilde dier heb ik u opgericht, hetwelk u den korten toegang tot den schoonen berg benam.121Dus wat is er? Waarom, waarom blijft gij staan? Waarom voedt gij zoo groote lafheid in het hart? Waarom hebt gij geen durf en geen vrijmoedigheid,124vermits zoodanige drie vrouwen gebenedijde om u bezorgd zijn in het hof des hemels, en mijn spreken u zoo groot goed belooft?”127Gelijk de bloempjes, door de nachtvorst geneigd en gesloten, wanneer de Zon ze beschijnt, zich gansch open oprichten op hunnen stengel,130zoo maakte ik mij op uit mijne matte krachten; en zoo goede moed liep mij in het hart, dat ik begon als een frank mensch:133„O erbarmingsvolle zij die mij te hulp snelde, o hoffelijke gij, die zoo snel gehoorzaamdet aan de waarachtige woorden die zij u toestak!136Gij hebt me door uwe woorden het hart zoo zeer met begeerte toebereid om te komen, dat ik gekeerd ben tot mijn eerste voornemen.139Dan ga, daar een zelfde willen van ons beiden is, gij mijn gids, mijn heer en mijn meester.” Zoo zeide ik en nadat hij zich had opgemaakt,142trad ik binnen langs eenen diepen en woesten weg.

Vervolg der algemeene Inleiding; hoe Virgilius den lafhartigen Dante bestraft en bemoedigt door een verhaal van wie hem heeft gezonden; en hoe Dante zich ten slotte aan de leiding van den in het Heidendom gestorvene overgeeft.

Vervolg der algemeene Inleiding; hoe Virgilius den lafhartigen Dante bestraft en bemoedigt door een verhaal van wie hem heeft gezonden; en hoe Dante zich ten slotte aan de leiding van den in het Heidendom gestorvene overgeeft.

1De dag ging heen, en de bruine lucht nam de zielen, die op de aarde zijn, weg van hun bekommernissen; en ik alleen

4bereidde mij om de warrigheid te doorstaan zoowel van den weg als van de erbarmelijkheid, welke degeestzal verhalen, die niet dwaalt.

7O Muzen, o diepe ingeborenheid, nu helpt mij; o geest die opschreeft dat wat ik zag, hier zal uw adeldom blijken.

10Ik begon: „Dichter, gij die mij leidt, schouw mijne deugdelijkheid, òf zij vermogend is, vóór gij mij aan den hoogen gang vertrouwt.

13Gij zegt dat de vader vanSilvius, nog verderfelijk tot onsterfelijk leven ging enzinnelijkwas.

15Daarom, indien de Tegenstander van alle kwaadhemhoffelijkwas, denkend het hooge uitwerksel, dat moest uitgaan van hem en hetwieen hetwat,

19dan dunkt hij niet onwaardig aan den man van verstand; daar hij van het al-voedend Romeèn van hare heerschappij in den vasten Hemel des Lichts tot vader gekoren was:

22welke beide(om de waarheid te willen zeggen) gevestigd werden voor de heilige plaats, waar zetelt de opvolger van hun grooteren Petrus.

25Op dien tocht, waarvan gij hem den roem geeft, vernam hij dingen, die oorzaak werden van zijne overwinning en van den pauselijken mantel.

28Voorts ging daarhenen hetUitverkoren Vat, om van daar vertroosting te halen voor dat geloof, hetwelk het beginsel is voor den weg der redding.

31Maar ik, waarom daar te komen? Of wie staat het toe? Geen Aeneas, geen Paulus ben ik. Noch ik, noch een ander gelooft mij waardig daartoe.

34Daarom indien ik mij verloop om daar te komen, vrees ik dat mijne komst dwaasheid zij; wees wijs en versta dit beter dan ik het beredeneer.”

37En gelijk degene is, die niet wil dat wat hij gewild heeft, en door nieuwe gedachten zijn voornemen verandert, zoo dat hij zich gansch verwijdert van het beginnen;

40tot zoo éénen maakte ik mij op die donkere helling: waardoor ik, denkende, de onderneming liet varen, die in het beginnen zoo vlug was geweest.

43„Indien ik wel uwe woorden heb begrepen,” antwoordde die schim des Grootmoedigen; „dan is uwe ziel met lafheid besmet:

46de welke vele malen den mensch bezwaart, zóódatzij van eenige eerlijke onderneming hem afwendt, als droch-gezichten een beest, wanneer het duistert.

49Opdat gij u van deze vreeze bevrijdet, zal ik u zeggen, waarom ik gekomen ben en wat ik verstaan heb, op het eerste oogenblik, dat mij uwes deerde.

52Ik was tusschen degenen, die zwevende zijn, en eene zalige en schoone Vrouwe riep mij, zóó dat ik haar vroeg te gebieden.

55Hare oogen lichtten meer danDe Ster: en zij begon zoetelijk en zachtelijk, met engelsche stem, in hare sprake te zeggen:

58„OhoofscheMantuaansche ziel, van wie de faam nog in de wereld duurt, en duren zal zoolang de wereld duren zal,

61de vriend van mij en niet van fortuin, is in het verlaten oord zoo verbijsterd in zijnen weg, dat hij van angst is omgekeerd:

64en ik vrees, dat hij reeds zóó verdwaald is, dat ik te laat voor zijn onderstand ben opgestaan, naar hetgene ik van hem in den Hemel heb gehoord.

67Wel òp nu en met uwe wel-voorziene sprake en met dat wat hij noodig heeft voor zijn bevrijden, help hem zóó dat ik er van getroost zij.

70Ik ben Beatrice, die u doe gaan: ik kom van die plaats waarhenen ik weder te keeren begeer: en Liefde bewoog mij, die mij ook doet spreken.

73Wanneer ik weder voor mijnen Heere zal zijn, zal ik mij dikwijls bij Hem over u beroemen.” Toen zweeg zij en voorder begon ik:

76„O vrouw van dat vermogen, door hetwelk alleen de menschelijke soort te boven gaat al wat omvat is doordien hemel, wiens ommetrekken de kleinste zijn,

79zóózeer gevalt mij uw bevel dat het gehoorzamen, ook indien het reeds (in uitvoering) ware, mij te traag is: gij hebt niet meer van noode mij uwe begeerte te openbaren.

82Maar zeg mij de reden, dat gij u niet ontziet hier beneden in dit midden-punt af te dalen uit die ruime plaats, waarhenen te keeren gij (van begeerte) brandt.”

85„Vermits gij dit zoo grondig verlangt te weten, zal ik u kortelijk zeggen,” antwoordde zij mij: „waarom ik niet vrees hier binnen te komen.

88Vreezen moet men alleen die dingen, welke vermogen hebben iemand kwaad te doen; de andere niet, omdat zij niet vreeselijk zijn.

91Ik ben door God gemaakt—Hem de dank—zóódanig, dat uwe ellende mij niet raakt, noch vlam van dien brand mij bespringt.

94Eene edele vrouweis in den hemel, die zich erbarmt over dat beletsel, waarhenen ik u zend, zoodat zij hard oordeel daarboven verbreekt.

97Deze verzocht Lucie in haar verzoek en zeide: „Nu heeft uw getrouwe u van noode, en bij u beveel ik hem aan.”

100Lucie, vijandin van al wat wreed is, verrees en kwam tot die plaats waar ik was, die neergezeten was metRachel, de in de oudheid (gestorvene).

103Zij zei: „Beatrice, waarachtige eer van God, waarom komt gij niet te hulp hem, die u zoo zeer heeft bemind, dat hij door u de schare der gewonen te buiten ging?

106Hoort gij niet de erbarmelijkheid van zijn klacht? Ziet gij, niet den dood, die hem bestrijdt aan die rivier waarmede de zee zich niet verrijkt?”

109In de wereld waren nooit menschen zóó vlug omhun voordeel te doen en hun nadeel te ontvluchten, als ik, nadat zulke woorden gesproken waren,

112hier om laag kwam van mijnen gelukzaligen zetel, mij vertrouwend op uw eerlijk spreken, dat u eert en hen die het hebben gehoord.”

115Nadat zij mij aldus rede gegeven had, draaide zij weenend de lichtende oogen; waardoor zij mij vlugger maakte tot het komen:

118en ik ben tot u gekomen zooals zij dat wilde; tegenover dat wilde dier heb ik u opgericht, hetwelk u den korten toegang tot den schoonen berg benam.

121Dus wat is er? Waarom, waarom blijft gij staan? Waarom voedt gij zoo groote lafheid in het hart? Waarom hebt gij geen durf en geen vrijmoedigheid,

124vermits zoodanige drie vrouwen gebenedijde om u bezorgd zijn in het hof des hemels, en mijn spreken u zoo groot goed belooft?”

127Gelijk de bloempjes, door de nachtvorst geneigd en gesloten, wanneer de Zon ze beschijnt, zich gansch open oprichten op hunnen stengel,

130zoo maakte ik mij op uit mijne matte krachten; en zoo goede moed liep mij in het hart, dat ik begon als een frank mensch:

133„O erbarmingsvolle zij die mij te hulp snelde, o hoffelijke gij, die zoo snel gehoorzaamdet aan de waarachtige woorden die zij u toestak!

136Gij hebt me door uwe woorden het hart zoo zeer met begeerte toebereid om te komen, dat ik gekeerd ben tot mijn eerste voornemen.

139Dan ga, daar een zelfde willen van ons beiden is, gij mijn gids, mijn heer en mijn meester.” Zoo zeide ik en nadat hij zich had opgemaakt,

142trad ik binnen langs eenen diepen en woesten weg.

Derde Zang.1–69. De poort en het voorhof der Hel; degenen die noch goed, noch slecht zijn geweest.70–einde. De zielen ter overvaart van den Acheron bereid. Ontmoeting met Charon.1„Door mij gaat men in tot de treurende stad, door mij gaat men in tot de eeuwige pijn, door mij gaat men te midden van het verlorene volk.4Gerechtigheid bewoog mijnen hoogen Maker, gemaakt heeft mij de goddelijke Macht, de hoogste Wijsheid en de eerste Liefde.7Vóór mij waren geene dingen geschapen, tenzij de eeuwige, en ik duur eeuwig: laat af van alle hoop, gij die hier binnen treedt.”10Deze woorden van donkere verwe zag ik geschreven aan het hoofd van eene poort; waarom ik (zeide): „Meester, hun zin is hard voor mij.”13En hij tot mij als een bezonnen persoon: „Hier voegt het af te laten van allen achterdocht; alle lafheid voegt het dat hier gestorven zij.16Wij zijn gekomen tot de plaats waar ik u gezegdheb dat gij zien zoudt de treurende volkeren, die het goede des verstands hebben verloren.”19En nadat hij zijne hand op de mijne had gelegd met blijd gelaat, waaraan ik mij vertroostte, bracht hij mij binnen de geheim gehoudene dingen.22Daar weerklonken zuchten, klachten en hooge gillen door de lucht zonder sterren, waardoor ik bij het beginnen ervan weende.25Verscheidene tongen, gruwelijke talen, woorden van pijn, toonen van toorn, stemmen hooge en schorre, en een geklop van handen mèt dezen,28maakten een gedruisch, hetwelk altijd wielt in die lucht zonder weersgesteldheid getint, gelijk het zand wielt, wanneer de wervelwind blaast.31En ik, wiens hoofd door verbijstering omgord was, zeide: „Meester, wat is dat hetwelk ik hoor? en welk volk is het dat zóó verwonnen schijnt in de pijn.”34En hij tot mij: „Deze ellendige wijze houden de droeve zielen dergenen, die leefden zonder smaad en zonder roem.37Zij zijn gemengd onder dien landzieken rei der engelen, die niet rebelleerden, noch trouw waren aan God, maar op zich zelven stonden.40De hemelen joegen ze uit, om niet (door hen) minder schoon te zijn, noch heeft de diepe Hel ze opgenomen daar de schuldigen door hen eenige reden tot roemen zouden hebben.”43En ik tot hem: „Meester, wat is er zoo zwaar voor hen, dat hen zoo krachtig doet weeklagen?” Hij antwoordde: „Ik zal het u zeer korteling zeggen.46Dezen hebben geen hoop op den dood; en hun blinde leven is zóó laag, dat zij afgunstig zijn op alle andere lot.49De wereld laat geen roep van hen zijn; Erbarming en Rechtvaardigheid wijst ze af; spreken wij niet van hen, maar schouw en ga voorbij.”52En schouwende zag ik een banier, die zoo snel in eenen kring rondliep, dat ze mij tot alle rust onbekwaam docht:55en daar achter kwam zóó lange sleep van menschen, dat ik niet geloofd zou hebben dat de dood er zóó velen had ònt-maakt.58Nadat ik er éénen had herkend, keek ik, en ik zag de gelijkenisdesgenen, die uit lafheid de groote weigering had gedaan.61Onmiddellijk begreep ik en was ik verzekerd dat dat de schare was der landzieken, aan God ongevallig en aan Zijne vijanden.64Die verworpelingen, die nooit levend waren, waren naakt en zeer gestoken door muggen en wespen, die daar waren.67Zij besproeiden hun het gelaat met bloed, dat vermengd met tranen, aan hunne voeten door walgelijke wormen werd gegaêrd.70En nadat ik mij tot het verder zien had begeven, zag ik menschen aan den oever van eenen grooten stroom, waarom ik zeide: „Meester, nu vergun mij73dat ik wete welke ze zijn, en welke inzetting ze zoo bereid tot oversteken doet schijnen, naar ik het kan onderscheiden bij het flauwe licht.”76En hij tot mij: „Deze dingen zullen u bekend worden, wanneer wij onze stappen zullen hebben gezet op den doodschen oever-rand van den Acheron.”79Toen met de oogen beschaamd en nedergeslagen, vreezende dat mijn spreken hem bezwaarlijk was geweest, heb ik mij tot aan den stroom van spreken onthouden.82En zie daar tot ons komen te scheep een oude, wit door het oude haar, schreeuwende: „Wee u! slechte zielen:85hoopt niet ooit den hemel te zien: ik kom om u te brengen naar den anderen oever, in de eeuwige duisternissen, in het heete en in het koude:88en gij die hier zijt, levende ziel, scheid u af van dezen, die dood zijn.” Maar toen hij zag dat ik mij niet afscheidde,91zeide hij: „Langs andere wegen, door andere havenen zult gij aan den oever komen, niet hier: om over te steken, voegt het dat lichter hout u drage.”94En de Gids tot hem: „Charon, vertoorn u niet; aldus wordt het gewild, waar gekund wordt wat wordt gewild en meer (moet gij) niet vragen.”97Toen waren de wollige wangen stil van den schipper op den loodkleurigen poel, die rond de oogen raderen van vlammen had.100Maar die schimmen, die moede en naakt waren, verschoten van kleur en klapperden met de tanden, zoodra als zij de rauwe woorden hadden verstaan.103Zij vloekten God en hunne ouders, het menschelijk geslacht, de plaats, den tijd en het zaad hunner zaaiing en hunner geboorte.106Dan gingen zij allen te zamen, heftig weenende, naar den onherbergzamen oever, welke ieder mensch wacht, die God niet vreest.109Charon, de demon met oogen van vuurkool, ze wenkend, vergadert ze allen en slaat met den riem al wie zich vertraagt.112Zooals in den herfst de bladeren zich los-maken, het eene na het ander, totdat de tak al zijnen tooi der aarde hèr-geeft,115evenzoo (verging het) den kwaden zade van Adam: zij werpen zich af van die kust een voor een op de wenken (van Charon) als de vogel op des lokvogels roep.118Zoo gaan zij henen over het bruine water, en voor dat zij aan gindsche zijde zijn uitgestapt, vergadert zich weder aan deze zijde een nieuwe schaar.121„Zoon mijn,” zeide de hoofsche Meester: „degenen, die sterven in den toorn van God, zij komen hier allen te zamen van alle land;124en vaardig zijn zij om den stroom over te steken, omdat de Goddelijke Gerechtigheid ze prikkelt, zoodat hun vrees zich verkeert in begeerte.127Hier steekt nooit goede ziel over: en daarom, indien Charon zich over u vertoornt, dan kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt.”130Toen dit uitgesproken was sidderde het ongure landschap zoo krachtig, dat van den schrik mijn geest mij nog in zweet doet baden.133De tranenvolle aarde liet een wind los, welken bloedrood licht als van een bliksem verlichtte, hetwelk mij alle bezinning overwon;136en ik viel als een mensch, welken slaap bevangt.

1–69. De poort en het voorhof der Hel; degenen die noch goed, noch slecht zijn geweest.70–einde. De zielen ter overvaart van den Acheron bereid. Ontmoeting met Charon.

1–69. De poort en het voorhof der Hel; degenen die noch goed, noch slecht zijn geweest.

70–einde. De zielen ter overvaart van den Acheron bereid. Ontmoeting met Charon.

1„Door mij gaat men in tot de treurende stad, door mij gaat men in tot de eeuwige pijn, door mij gaat men te midden van het verlorene volk.

4Gerechtigheid bewoog mijnen hoogen Maker, gemaakt heeft mij de goddelijke Macht, de hoogste Wijsheid en de eerste Liefde.

7Vóór mij waren geene dingen geschapen, tenzij de eeuwige, en ik duur eeuwig: laat af van alle hoop, gij die hier binnen treedt.”

10Deze woorden van donkere verwe zag ik geschreven aan het hoofd van eene poort; waarom ik (zeide): „Meester, hun zin is hard voor mij.”

13En hij tot mij als een bezonnen persoon: „Hier voegt het af te laten van allen achterdocht; alle lafheid voegt het dat hier gestorven zij.

16Wij zijn gekomen tot de plaats waar ik u gezegdheb dat gij zien zoudt de treurende volkeren, die het goede des verstands hebben verloren.”

19En nadat hij zijne hand op de mijne had gelegd met blijd gelaat, waaraan ik mij vertroostte, bracht hij mij binnen de geheim gehoudene dingen.

22Daar weerklonken zuchten, klachten en hooge gillen door de lucht zonder sterren, waardoor ik bij het beginnen ervan weende.

25Verscheidene tongen, gruwelijke talen, woorden van pijn, toonen van toorn, stemmen hooge en schorre, en een geklop van handen mèt dezen,

28maakten een gedruisch, hetwelk altijd wielt in die lucht zonder weersgesteldheid getint, gelijk het zand wielt, wanneer de wervelwind blaast.

31En ik, wiens hoofd door verbijstering omgord was, zeide: „Meester, wat is dat hetwelk ik hoor? en welk volk is het dat zóó verwonnen schijnt in de pijn.”

34En hij tot mij: „Deze ellendige wijze houden de droeve zielen dergenen, die leefden zonder smaad en zonder roem.

37Zij zijn gemengd onder dien landzieken rei der engelen, die niet rebelleerden, noch trouw waren aan God, maar op zich zelven stonden.

40De hemelen joegen ze uit, om niet (door hen) minder schoon te zijn, noch heeft de diepe Hel ze opgenomen daar de schuldigen door hen eenige reden tot roemen zouden hebben.”

43En ik tot hem: „Meester, wat is er zoo zwaar voor hen, dat hen zoo krachtig doet weeklagen?” Hij antwoordde: „Ik zal het u zeer korteling zeggen.

46Dezen hebben geen hoop op den dood; en hun blinde leven is zóó laag, dat zij afgunstig zijn op alle andere lot.

49De wereld laat geen roep van hen zijn; Erbarming en Rechtvaardigheid wijst ze af; spreken wij niet van hen, maar schouw en ga voorbij.”

52En schouwende zag ik een banier, die zoo snel in eenen kring rondliep, dat ze mij tot alle rust onbekwaam docht:

55en daar achter kwam zóó lange sleep van menschen, dat ik niet geloofd zou hebben dat de dood er zóó velen had ònt-maakt.

58Nadat ik er éénen had herkend, keek ik, en ik zag de gelijkenisdesgenen, die uit lafheid de groote weigering had gedaan.

61Onmiddellijk begreep ik en was ik verzekerd dat dat de schare was der landzieken, aan God ongevallig en aan Zijne vijanden.

64Die verworpelingen, die nooit levend waren, waren naakt en zeer gestoken door muggen en wespen, die daar waren.

67Zij besproeiden hun het gelaat met bloed, dat vermengd met tranen, aan hunne voeten door walgelijke wormen werd gegaêrd.

70En nadat ik mij tot het verder zien had begeven, zag ik menschen aan den oever van eenen grooten stroom, waarom ik zeide: „Meester, nu vergun mij

73dat ik wete welke ze zijn, en welke inzetting ze zoo bereid tot oversteken doet schijnen, naar ik het kan onderscheiden bij het flauwe licht.”

76En hij tot mij: „Deze dingen zullen u bekend worden, wanneer wij onze stappen zullen hebben gezet op den doodschen oever-rand van den Acheron.”

79Toen met de oogen beschaamd en nedergeslagen, vreezende dat mijn spreken hem bezwaarlijk was geweest, heb ik mij tot aan den stroom van spreken onthouden.

82En zie daar tot ons komen te scheep een oude, wit door het oude haar, schreeuwende: „Wee u! slechte zielen:

85hoopt niet ooit den hemel te zien: ik kom om u te brengen naar den anderen oever, in de eeuwige duisternissen, in het heete en in het koude:

88en gij die hier zijt, levende ziel, scheid u af van dezen, die dood zijn.” Maar toen hij zag dat ik mij niet afscheidde,

91zeide hij: „Langs andere wegen, door andere havenen zult gij aan den oever komen, niet hier: om over te steken, voegt het dat lichter hout u drage.”

94En de Gids tot hem: „Charon, vertoorn u niet; aldus wordt het gewild, waar gekund wordt wat wordt gewild en meer (moet gij) niet vragen.”

97Toen waren de wollige wangen stil van den schipper op den loodkleurigen poel, die rond de oogen raderen van vlammen had.

100Maar die schimmen, die moede en naakt waren, verschoten van kleur en klapperden met de tanden, zoodra als zij de rauwe woorden hadden verstaan.

103Zij vloekten God en hunne ouders, het menschelijk geslacht, de plaats, den tijd en het zaad hunner zaaiing en hunner geboorte.

106Dan gingen zij allen te zamen, heftig weenende, naar den onherbergzamen oever, welke ieder mensch wacht, die God niet vreest.

109Charon, de demon met oogen van vuurkool, ze wenkend, vergadert ze allen en slaat met den riem al wie zich vertraagt.

112Zooals in den herfst de bladeren zich los-maken, het eene na het ander, totdat de tak al zijnen tooi der aarde hèr-geeft,

115evenzoo (verging het) den kwaden zade van Adam: zij werpen zich af van die kust een voor een op de wenken (van Charon) als de vogel op des lokvogels roep.

118Zoo gaan zij henen over het bruine water, en voor dat zij aan gindsche zijde zijn uitgestapt, vergadert zich weder aan deze zijde een nieuwe schaar.

121„Zoon mijn,” zeide de hoofsche Meester: „degenen, die sterven in den toorn van God, zij komen hier allen te zamen van alle land;

124en vaardig zijn zij om den stroom over te steken, omdat de Goddelijke Gerechtigheid ze prikkelt, zoodat hun vrees zich verkeert in begeerte.

127Hier steekt nooit goede ziel over: en daarom, indien Charon zich over u vertoornt, dan kunt gij wel weten wat zijn spreken beduidt.”

130Toen dit uitgesproken was sidderde het ongure landschap zoo krachtig, dat van den schrik mijn geest mij nog in zweet doet baden.

133De tranenvolle aarde liet een wind los, welken bloedrood licht als van een bliksem verlichtte, hetwelk mij alle bezinning overwon;

136en ik viel als een mensch, welken slaap bevangt.

Vierde Zang.Eerste ommegang.1–66. Na de overvaart van den Acheron, slapend door Dante volbracht, komt hij bij de zielen van hen die zonder schuld, doch buiten het christendom gestorven zijn.67–einde. In een schoonen burcht bezoekt Dante de zielen der groote roemrijke Heidenen.1Den diepen slaap in mijn hoofd brak mij een zware donderslag, zóódat ik sidderde als iemand, die met geweld is gewekt,4en recht opgestaan, draaide ik het verkwikte oog in het rond en ik keek scherp om de plaats te verkennen waar ik was.7Waarheid is dat ik mij op de rand bevond van de smartelijke vallei des afgronds, die den donder gaart van oneindige jammerkreten.10Donker en diep was zij en van zoo dikke dampen vol dat ik, door den blik op den bodem te vesten, er geen enkel ding kon onderscheiden.13„Nu laten wij nederdalen in de blinde wereld,”begon de Dichter gansch verbleekt: „ik zal de eerste zijn en gij zult de tweede zijn.”16En ik die zijne kleur had opgemerkt, zeide: „Hoe zal ik gaan, wanneer gij verschrikt, gij die mijn aarzelen tot troost pleegt te zijn?”19En hij tot mij: „De doodspijn van de volkeren, die daar beneden zijn, verft me op het gelaat die erbarming, die gij voor vrees aanmerkt.22Gaan wij, daar de lange weg ons noopt.” Zoo maakte hij zich op en zoo deed hij mij binnen-treden in den eersten ommegang, die den afgrond omgordt.25Daar, naar wat men hooren kon, was geen klacht dan die van zuchten, welke de eeuwige lucht deden trillen:28en dat kwam voort van de smart zonder martelingen, die de scharen hadden, welke velen en groot waren, van kinderen, van vrouwen en van mannen.31De goede Meester zeide tot mij: „Gij, vraagt gij niet welke geesten dezen zijn, die gij ziet? Nu wil ik dat gij wetet vóór gij verder gaat,34dat zij niet hebben gezondigd: en indien zij verdiensten hebben, voldoet dat niet, daar zij geen doop hebben gehad, dewelke is de Poort van het geloof, dat gij gelooft:37en al waren zij vóór het Christendom, ze hebben God niet op de verschuldigde wijze aangebeden; en tot de zoodanigen behoor ook ik zelf.40Door zoodanige tekortkomingen en niet door een andere schuld zijn wij verloren, en slechts in zooverre gepijnigd, datWij zonder Hoop inBEGEERTE LEVEN.”43Groote smart beving mij in het hart toen ik dit verstond, omdat ik menschen van groote deugd herkende, die op dienZoomzwevende waren.46„Zeg mij, mijn Meester, zeg mij, Heer,” begon ik, om zeker te zijn van dat geloof dat alle dwaling overwint:49„kwam hier ooit iemand uit, of door eigen verdienste of door die eens anderen, zoodat hij later zalig was?” En hij, die mijn bedektelijk spreken begreep,52antwoordde: „Ik was nieuw in dezen toestand, wanneer ik hier eenen Machthebbende zag komen met teeken van overwinning gekroond.55Hij toog van hier de schim des eersten ouders, van Abel zijnen zoon en die van Noach, van Mozes, wetgever en gehoorzame,58den gehoorzamen Abraham, den aartsvader, en koning David, Israël met zijn vader en zijne zonen en Rachel, voor wiehijzooveel deed61en andre velen; en hij maakte ze gelukzalig, en ik wil dat gij wetet dat vóór dezen geene menschelijke zielen behouden werden.”64En omdat hij sprak, daarom hielden wij niet op met loopen, maar wij gingen evenzeer het woud door, het dichte woud van geesten bedoel ik.67Nog was onze (afgelegde) weg aan deze zijde der hoogte niet lang, wanneer ik een vuur zag, hetwelk eenen halven kring op de duisternissen won.70Wij waren er nog een weinig van verwijderd, maar niet zoo dat ik niet voor een deel kon onderscheiden dat eerwaardige lieden die plaats bezet hielden.73„O Gij, die alle wetenschap en kunst eert, dezen wie zijn ze, die zoo groote eerwaardigheid hebben, die ze afscheidt van de wijze der anderen?”76En hij tot mij: „De eervolle naam, die van hen luidt boven in uw leven, verwerft hun in den hemel genade, welke hen zóózeer bevoorrecht.”79Ondertusschen werd door mij eene stem gehoord: „Eert den hoogen Dichter, zijne schimme keert weder, die verscheiden was.”82Toen de stem had opgehouden en stil was, zag ik vier groote schimmen tot ons naderen: een voorkomen hadden zij noch droef noch blijd.85De goede Meester begon tot mij te zeggen: „Bewonder genen met dat zwaard in de hand, die de (andere) drie voorgaat zóó als een vorst.88Dat is Homerus, oppermachtig dichter, de tweede is Horatius de satiricus, die komt, Ovidus is de derde, en Lucanus is de laatste.91Omdat elk (van hen) met mij overéénkomt in den naam, welken die éénstemmige stem deed hooren, doen zij mij eerbetooning en daarin doen zij wèl.”94Zoo zag ik zich vereenigen die schoone school van dien heer van het hooge gezang, die boven de anderen als een arend vliegt.97Nadat zij een weinig onder elkander hadden geredeneerd, wendden zij zich tot mij met groetend gebaar: en mijn Meester glimlachte over zóóveel (eer).100En nog meer eer—wel veel—deden zij mij, daar zij mij maakten (tot éénen) van hunne schare, zoodat ik de zesde was tusschen zoo hooge wijsheid.103Zoo gingen wij voort tot aan het licht, dingen sprekende, welke het schoon is te zwijgen, gelijk het daar schoon was ze te spreken, daar waar ik was.106Wij kwamen aan den voet van een edel kasteel, zeven keeren omkringd door hooge muren, rondom verdedigd door eenen schoonen stroom.109Dezen gingen wij over als vasten grond; door zeven poorten trad ik binnen met die wijzen;wij kwamen op eene weide, met frisch groen gewas.112Menschen waren daar met trage en ernstige oogen, met groot gezag in hun voorkomen; zij spraken schaars met welluidende stemmen.115Wij trokken ons terug naar een der zijden op eene opene plaats, licht en hoog, zoodat zij allen daar gezien konden worden.118Daar van rechttegenover op den groenen bank, werden mij de groote geesten vertoond, zoodat ik van ze te zien mij in mij zelven verhef.121Ik zagElectramet vele gezellen, onder welken ik herkende Hector en Aeneas en den Cesar gewapend met de adelaars oogen.124Van de andere zijde zag ik Camilla en Penthesilea; ik zag den koning Latinus, die met Lavinia, zijne dochter gezeten was.127Ik zag dien Brutus, die Tarquinius verjoeg, Lucretia, Julia, Marcia en Cornelia en alleen aan eenen kant zag ik Saladijn.130Nadat ik de oogleden een weinig had opgeslagen zag ik den Meester van degenen die weten, zitten tusschen eene school en volgelingen-stoet van filosofen.133Allen bewonderden hem, allen deden hem eer. Daar zag ik èn Socrates èn Plato, die vóór de anderen dichter bij hem stonden;136Democritus, die de wereld op het toeval zet, Diogenes, Anaxagoras en Thales, Empedocles, Heraclitus en Zeno.139En ik zag den goeden verzamelaar van de hoedanigheid (der kruiden), Dioscurides bedoel ik; ik zag Orpheus, Tullius en Linus en Seneca den zedeleeraar;142Euclides den wiskunstenaar en Ptolemaeus,Hippocrates, Ibn Sinà en Galenus, Ibn Rasch die het groote commentaar maakte.145Ik kan niet van allen ten volle verhalen, omdat het lange thema mij zoozeer voortjaagt, dat vele malen het zeggen te kort schiet bij de zaak.148Het gezelschap van zessen scheidde zich in tweeën; wel anderen weg leidt de wijze Leidsman mij òp, de rustige lucht uit, de lucht in, die siddert;151en ik kom in dat deel waar niet is wat licht geeft.

Eerste ommegang.1–66. Na de overvaart van den Acheron, slapend door Dante volbracht, komt hij bij de zielen van hen die zonder schuld, doch buiten het christendom gestorven zijn.67–einde. In een schoonen burcht bezoekt Dante de zielen der groote roemrijke Heidenen.

Eerste ommegang.

1–66. Na de overvaart van den Acheron, slapend door Dante volbracht, komt hij bij de zielen van hen die zonder schuld, doch buiten het christendom gestorven zijn.

67–einde. In een schoonen burcht bezoekt Dante de zielen der groote roemrijke Heidenen.

1Den diepen slaap in mijn hoofd brak mij een zware donderslag, zóódat ik sidderde als iemand, die met geweld is gewekt,

4en recht opgestaan, draaide ik het verkwikte oog in het rond en ik keek scherp om de plaats te verkennen waar ik was.

7Waarheid is dat ik mij op de rand bevond van de smartelijke vallei des afgronds, die den donder gaart van oneindige jammerkreten.

10Donker en diep was zij en van zoo dikke dampen vol dat ik, door den blik op den bodem te vesten, er geen enkel ding kon onderscheiden.

13„Nu laten wij nederdalen in de blinde wereld,”begon de Dichter gansch verbleekt: „ik zal de eerste zijn en gij zult de tweede zijn.”

16En ik die zijne kleur had opgemerkt, zeide: „Hoe zal ik gaan, wanneer gij verschrikt, gij die mijn aarzelen tot troost pleegt te zijn?”

19En hij tot mij: „De doodspijn van de volkeren, die daar beneden zijn, verft me op het gelaat die erbarming, die gij voor vrees aanmerkt.

22Gaan wij, daar de lange weg ons noopt.” Zoo maakte hij zich op en zoo deed hij mij binnen-treden in den eersten ommegang, die den afgrond omgordt.

25Daar, naar wat men hooren kon, was geen klacht dan die van zuchten, welke de eeuwige lucht deden trillen:

28en dat kwam voort van de smart zonder martelingen, die de scharen hadden, welke velen en groot waren, van kinderen, van vrouwen en van mannen.

31De goede Meester zeide tot mij: „Gij, vraagt gij niet welke geesten dezen zijn, die gij ziet? Nu wil ik dat gij wetet vóór gij verder gaat,

34dat zij niet hebben gezondigd: en indien zij verdiensten hebben, voldoet dat niet, daar zij geen doop hebben gehad, dewelke is de Poort van het geloof, dat gij gelooft:

37en al waren zij vóór het Christendom, ze hebben God niet op de verschuldigde wijze aangebeden; en tot de zoodanigen behoor ook ik zelf.

40Door zoodanige tekortkomingen en niet door een andere schuld zijn wij verloren, en slechts in zooverre gepijnigd, datWij zonder Hoop inBEGEERTE LEVEN.”

43Groote smart beving mij in het hart toen ik dit verstond, omdat ik menschen van groote deugd herkende, die op dienZoomzwevende waren.

46„Zeg mij, mijn Meester, zeg mij, Heer,” begon ik, om zeker te zijn van dat geloof dat alle dwaling overwint:

49„kwam hier ooit iemand uit, of door eigen verdienste of door die eens anderen, zoodat hij later zalig was?” En hij, die mijn bedektelijk spreken begreep,

52antwoordde: „Ik was nieuw in dezen toestand, wanneer ik hier eenen Machthebbende zag komen met teeken van overwinning gekroond.

55Hij toog van hier de schim des eersten ouders, van Abel zijnen zoon en die van Noach, van Mozes, wetgever en gehoorzame,

58den gehoorzamen Abraham, den aartsvader, en koning David, Israël met zijn vader en zijne zonen en Rachel, voor wiehijzooveel deed

61en andre velen; en hij maakte ze gelukzalig, en ik wil dat gij wetet dat vóór dezen geene menschelijke zielen behouden werden.”

64En omdat hij sprak, daarom hielden wij niet op met loopen, maar wij gingen evenzeer het woud door, het dichte woud van geesten bedoel ik.

67Nog was onze (afgelegde) weg aan deze zijde der hoogte niet lang, wanneer ik een vuur zag, hetwelk eenen halven kring op de duisternissen won.

70Wij waren er nog een weinig van verwijderd, maar niet zoo dat ik niet voor een deel kon onderscheiden dat eerwaardige lieden die plaats bezet hielden.

73„O Gij, die alle wetenschap en kunst eert, dezen wie zijn ze, die zoo groote eerwaardigheid hebben, die ze afscheidt van de wijze der anderen?”

76En hij tot mij: „De eervolle naam, die van hen luidt boven in uw leven, verwerft hun in den hemel genade, welke hen zóózeer bevoorrecht.”

79Ondertusschen werd door mij eene stem gehoord: „Eert den hoogen Dichter, zijne schimme keert weder, die verscheiden was.”

82Toen de stem had opgehouden en stil was, zag ik vier groote schimmen tot ons naderen: een voorkomen hadden zij noch droef noch blijd.

85De goede Meester begon tot mij te zeggen: „Bewonder genen met dat zwaard in de hand, die de (andere) drie voorgaat zóó als een vorst.

88Dat is Homerus, oppermachtig dichter, de tweede is Horatius de satiricus, die komt, Ovidus is de derde, en Lucanus is de laatste.

91Omdat elk (van hen) met mij overéénkomt in den naam, welken die éénstemmige stem deed hooren, doen zij mij eerbetooning en daarin doen zij wèl.”

94Zoo zag ik zich vereenigen die schoone school van dien heer van het hooge gezang, die boven de anderen als een arend vliegt.

97Nadat zij een weinig onder elkander hadden geredeneerd, wendden zij zich tot mij met groetend gebaar: en mijn Meester glimlachte over zóóveel (eer).

100En nog meer eer—wel veel—deden zij mij, daar zij mij maakten (tot éénen) van hunne schare, zoodat ik de zesde was tusschen zoo hooge wijsheid.

103Zoo gingen wij voort tot aan het licht, dingen sprekende, welke het schoon is te zwijgen, gelijk het daar schoon was ze te spreken, daar waar ik was.

106Wij kwamen aan den voet van een edel kasteel, zeven keeren omkringd door hooge muren, rondom verdedigd door eenen schoonen stroom.

109Dezen gingen wij over als vasten grond; door zeven poorten trad ik binnen met die wijzen;wij kwamen op eene weide, met frisch groen gewas.

112Menschen waren daar met trage en ernstige oogen, met groot gezag in hun voorkomen; zij spraken schaars met welluidende stemmen.

115Wij trokken ons terug naar een der zijden op eene opene plaats, licht en hoog, zoodat zij allen daar gezien konden worden.

118Daar van rechttegenover op den groenen bank, werden mij de groote geesten vertoond, zoodat ik van ze te zien mij in mij zelven verhef.

121Ik zagElectramet vele gezellen, onder welken ik herkende Hector en Aeneas en den Cesar gewapend met de adelaars oogen.

124Van de andere zijde zag ik Camilla en Penthesilea; ik zag den koning Latinus, die met Lavinia, zijne dochter gezeten was.

127Ik zag dien Brutus, die Tarquinius verjoeg, Lucretia, Julia, Marcia en Cornelia en alleen aan eenen kant zag ik Saladijn.

130Nadat ik de oogleden een weinig had opgeslagen zag ik den Meester van degenen die weten, zitten tusschen eene school en volgelingen-stoet van filosofen.

133Allen bewonderden hem, allen deden hem eer. Daar zag ik èn Socrates èn Plato, die vóór de anderen dichter bij hem stonden;

136Democritus, die de wereld op het toeval zet, Diogenes, Anaxagoras en Thales, Empedocles, Heraclitus en Zeno.

139En ik zag den goeden verzamelaar van de hoedanigheid (der kruiden), Dioscurides bedoel ik; ik zag Orpheus, Tullius en Linus en Seneca den zedeleeraar;

142Euclides den wiskunstenaar en Ptolemaeus,Hippocrates, Ibn Sinà en Galenus, Ibn Rasch die het groote commentaar maakte.

145Ik kan niet van allen ten volle verhalen, omdat het lange thema mij zoozeer voortjaagt, dat vele malen het zeggen te kort schiet bij de zaak.

148Het gezelschap van zessen scheidde zich in tweeën; wel anderen weg leidt de wijze Leidsman mij òp, de rustige lucht uit, de lucht in, die siddert;

151en ik kom in dat deel waar niet is wat licht geeft.

Vijfde Zang.Tweede ommegang.1–24. Ontmoeting met de Helle-dichter, Minos.25–72. De wervelwind, die de zondaren des vleesches voortzweept.73–einde. Ontmoeting met de in dien wind voortgedragene Francesca en Paolo.1Zoo daalde ik van den eersten ommegang neder in den tweeden, die minder ruimte omgordt en zooveel te meer pijn, die prikkelt tot gejank.4Daar staat Minos huiveringwekkend en grijnst, onderzoek doet hij van elks schuld bij het binnentreden; hij oordeelt en wijst eene plaats aan, naarmate hij zich omkringt.7Ik zeg dat wanneer de onzalig geboren ziel hem tevoren komt, zij alles opbiecht en die kenner der zonden10ziet hoedanig eene plaats van de hel haar toekomende is; hij omringt zich met den staart zoovele malen als hij wil dat zij trappen af worde gezonden.13Altijd staan er velen voor hem: ze gaan elk op haar beurt tot het oordeel; ze spreken en hooren en voorts worden zij naar beneden geworpen.16„Gij daar, die tot het pijnlijk gasthuis komt,” schreeuwde Minos tot mij, aflatend van de uitoefening van zoo groot ambt:19„Zie toe hoe gij binnentreedt en op wien gij vertrouwt; de breedheid des binnentredens verleide u niet.” En mijn gids tot hem: „waarom schreeuwt ook gij?22Verlet hem niet den door hooger macht besloten gang: aldus wordt het gewild, daar waar gekund wordt dat wat gewild wordt en meer (moet gij) niet vragen.”25Nu beginnen de jammertonen zich door mij te doen hooren: nu ben ik gekomen daar waar veel klacht mij slaat.28Ik kwam in eene plaats, die van alle licht stom was, maar die loeide als de zee loeit bij storm, wanneer zij van tegenstrijdige winden wordt bestreden.31De helsche wervelwind, die nooit rust, voert de geesten mede met hare werveling, hinderlijk ze wentelend en doende stooten.34Wanneer zij komen voor aan de instorting (dan zijn) daar gejank, jammerklacht en kreet: zij vloeken daar het goddelijke vermogen.37Ik verstond dat tot dusdanige marteling veroordeeld waren de vleeschelijke zondaren en die de rede onderdaan maakten aan de begeerte.40Gelijk de vleugelen de spreeuwen voortdragen in den kouden tijd, in breeden en vollen zwerm, zoo (droeg) die wind de slechte geesten.43Ginds heen, hierheen en neer en op voert hij ze;geene hoop troost ze ooit laat staan op verpoozing maar (zelfs niet) op minder marteling.46En gelijk de kraanvogels gaan, zingende hùnne treurliederen, zich in de lucht schikkende tot zoo lange rij, zóó zag ik komen, de kreten rekkende,49schimmen gedreven door de gezegde straf: waarom ik zeide: „Meester, wie zijn gindsche volkeren, welken de zwarte lucht zoo geeselt?”52„De eerste van degenen, van wie gij berichten wilt weten,” zeide gene toen tot mij: „was keizerin van vele tongen.55Tot de ondeugd der weelderigheid was zij zoo losgebroken dat zij, wat lustte, geoorloofd maakte in hare wetten om de blaam op te heffen, waartoe zij was gekomen.58Zij is Semiramis, van wie men leest dat zij te zuigen gaf aan Ninus en diens vrouw was; zij bezat het land dat de Sultan regeert.61De tweedeis degene die zich, minziek, ontlijfde en haartrouwbrak aan de asche van Sichaeus: dan komtCleopatra, de weeldrige.”64Helena zag ik door wie zoo lange, benarde tijd verliep en zag den grooten Achilles, die uit liefde tot aan het einde streed.67Ik zag Paris, Tristram... en meer dan duizend toonde hij mij (en hij noemde ze mij) met den vinger, welken de Liefde uit ons leven deed verscheiden.70Nadat ik mijnen Leermeester, had hooren noemen de vrouwen en de ridders van voorheen, vermeesterde mijn medelijden en ik was bijna verbijsterd.73Ik begon: „Dichter, wel geerne zoude ik spreken tot die twee, die te zamen gaan en schijnen zoo licht op den wind te zijn.”76En hij tot mij: „Gij zult zien wanneer zij onsnaderbij zullen zijn; en gij dan, smeek ze bij die liefde, die ze leidt, en zij zullen komen.”79Zoodra als de wind ze naar ons henen vlijt, ontgon ik de stem: „O geteisterde zielen, komt tot ons om te spreken indien geen ander het verbiedt.”82Gelijk duiven, door de begeerte geroepen, met de vleugels open en stil naar het zoete nest vliegen op de lucht, door het willen gedragen,85zoo gingen zij naar buiten uit de schare, waarin Dido is, komende tot ons door de kwaadwillige lucht: zóó sterk was de innige bede.88„O! genaderijk en welwillend wezen, dat gaat door de donkere lucht bezoekende ons, die de wereld verfden met bloed.91Indien de koning des heelals ons bevriend ware, zouden wij hem bidden voor uwen vrede, nademaal gij erbarmen hebt met onzen bitteren ramp.94Van dat wat te hooren en te spreken u gevalt, zullen wij hooren en spreken tot u, zoolang de wind, gelijk hij nu doet, zwijgt.97Het land daar ik geboren was, ligt op de zeekust waar de Po afzakt om vrede te hebben met zijne volgelingen.100Liefde, die ras aan ’t edel hart zich hecht, nam dezen in voor de schoone gestaltenis, die mij ontnomen werd en de wijze waarop, schendt mij nog.103Liefde, die geenen beminden het minnen kwijtscheldt, had, doordat ik hem behaagde, zoo sterken vat op mij, dat, zooals gij ziet hij mij nog niet verlaat.106De liefde bracht ons (beiden) tot éénen dood:Kaïnawacht wie ons leven uitbluschte.” Die woorden werden ons van hen toe-gedragen.109Over wat ik gehoord had van die geschondene zielen, neigde ik ’t hoofd en zoolang hield ik’t omlaag totdat de Dichter tot mij zeide; „waar denkt gij aan?”112Wanneer ik antwoordde, begon ik: „Wee, wee, hoe zoete gedachten, hoe groote begeerten, brachten genen tot den heilloozen stap!”115Voorts wendde ik mij tot hen en ik sprak; ik begon: „Francesca, uwe martelingen maken tot weenens toe mij droef en medelijdend.118Maar zeg mij: ten tijde der zoete begeerten aan wien en hoe vergunde de liefde, dat gij de twijfelachtige begeerten leerdet kennen?”121En zij tot mij: „geen grooter smart dan in de ellende den tijd des geluks te gedenken: en dat weet uw leermeester.124Maar zoo gij zoo groote begeerte hebt om den eersten oorsprong van onze liefde te leeren kennen, dan zal ik doen, gelijk degene, die weent en spreekt.127Wij lazen eenen dag voor vermaak van Lancelot hoe de liefde hem neep: wij waren alleen en zonder eenigen argwaan.130Meerdere malen deed die lezing ons de oogen blikkeren en ontverfde zij ons ’t gelaat: maar één punt alleen was het dat ons overwon.133Wanneer wij lazen dat het begeerde glimlachjen gekust werd door zoo’n grooten minnaar, toen kuste die nooit van mij gescheiden moge worden,136mij den gansch trillenden mond:Galeottowas het boek en die het geschreven had: dien dag hebben wij niet verder gelezen.”139Terwijl de eene geest dit zeide, weende de andere zoozeer dat ik van erbarmen buiten mij geraakte, alsof ik gestorven ware;142En ik viel zooals een dood lichaam valt.

Tweede ommegang.1–24. Ontmoeting met de Helle-dichter, Minos.25–72. De wervelwind, die de zondaren des vleesches voortzweept.73–einde. Ontmoeting met de in dien wind voortgedragene Francesca en Paolo.

Tweede ommegang.

1–24. Ontmoeting met de Helle-dichter, Minos.

25–72. De wervelwind, die de zondaren des vleesches voortzweept.

73–einde. Ontmoeting met de in dien wind voortgedragene Francesca en Paolo.

1Zoo daalde ik van den eersten ommegang neder in den tweeden, die minder ruimte omgordt en zooveel te meer pijn, die prikkelt tot gejank.

4Daar staat Minos huiveringwekkend en grijnst, onderzoek doet hij van elks schuld bij het binnentreden; hij oordeelt en wijst eene plaats aan, naarmate hij zich omkringt.

7Ik zeg dat wanneer de onzalig geboren ziel hem tevoren komt, zij alles opbiecht en die kenner der zonden

10ziet hoedanig eene plaats van de hel haar toekomende is; hij omringt zich met den staart zoovele malen als hij wil dat zij trappen af worde gezonden.

13Altijd staan er velen voor hem: ze gaan elk op haar beurt tot het oordeel; ze spreken en hooren en voorts worden zij naar beneden geworpen.

16„Gij daar, die tot het pijnlijk gasthuis komt,” schreeuwde Minos tot mij, aflatend van de uitoefening van zoo groot ambt:

19„Zie toe hoe gij binnentreedt en op wien gij vertrouwt; de breedheid des binnentredens verleide u niet.” En mijn gids tot hem: „waarom schreeuwt ook gij?

22Verlet hem niet den door hooger macht besloten gang: aldus wordt het gewild, daar waar gekund wordt dat wat gewild wordt en meer (moet gij) niet vragen.”

25Nu beginnen de jammertonen zich door mij te doen hooren: nu ben ik gekomen daar waar veel klacht mij slaat.

28Ik kwam in eene plaats, die van alle licht stom was, maar die loeide als de zee loeit bij storm, wanneer zij van tegenstrijdige winden wordt bestreden.

31De helsche wervelwind, die nooit rust, voert de geesten mede met hare werveling, hinderlijk ze wentelend en doende stooten.

34Wanneer zij komen voor aan de instorting (dan zijn) daar gejank, jammerklacht en kreet: zij vloeken daar het goddelijke vermogen.

37Ik verstond dat tot dusdanige marteling veroordeeld waren de vleeschelijke zondaren en die de rede onderdaan maakten aan de begeerte.

40Gelijk de vleugelen de spreeuwen voortdragen in den kouden tijd, in breeden en vollen zwerm, zoo (droeg) die wind de slechte geesten.

43Ginds heen, hierheen en neer en op voert hij ze;geene hoop troost ze ooit laat staan op verpoozing maar (zelfs niet) op minder marteling.

46En gelijk de kraanvogels gaan, zingende hùnne treurliederen, zich in de lucht schikkende tot zoo lange rij, zóó zag ik komen, de kreten rekkende,

49schimmen gedreven door de gezegde straf: waarom ik zeide: „Meester, wie zijn gindsche volkeren, welken de zwarte lucht zoo geeselt?”

52„De eerste van degenen, van wie gij berichten wilt weten,” zeide gene toen tot mij: „was keizerin van vele tongen.

55Tot de ondeugd der weelderigheid was zij zoo losgebroken dat zij, wat lustte, geoorloofd maakte in hare wetten om de blaam op te heffen, waartoe zij was gekomen.

58Zij is Semiramis, van wie men leest dat zij te zuigen gaf aan Ninus en diens vrouw was; zij bezat het land dat de Sultan regeert.

61De tweedeis degene die zich, minziek, ontlijfde en haartrouwbrak aan de asche van Sichaeus: dan komtCleopatra, de weeldrige.”

64Helena zag ik door wie zoo lange, benarde tijd verliep en zag den grooten Achilles, die uit liefde tot aan het einde streed.

67Ik zag Paris, Tristram... en meer dan duizend toonde hij mij (en hij noemde ze mij) met den vinger, welken de Liefde uit ons leven deed verscheiden.

70Nadat ik mijnen Leermeester, had hooren noemen de vrouwen en de ridders van voorheen, vermeesterde mijn medelijden en ik was bijna verbijsterd.

73Ik begon: „Dichter, wel geerne zoude ik spreken tot die twee, die te zamen gaan en schijnen zoo licht op den wind te zijn.”

76En hij tot mij: „Gij zult zien wanneer zij onsnaderbij zullen zijn; en gij dan, smeek ze bij die liefde, die ze leidt, en zij zullen komen.”

79Zoodra als de wind ze naar ons henen vlijt, ontgon ik de stem: „O geteisterde zielen, komt tot ons om te spreken indien geen ander het verbiedt.”

82Gelijk duiven, door de begeerte geroepen, met de vleugels open en stil naar het zoete nest vliegen op de lucht, door het willen gedragen,

85zoo gingen zij naar buiten uit de schare, waarin Dido is, komende tot ons door de kwaadwillige lucht: zóó sterk was de innige bede.

88„O! genaderijk en welwillend wezen, dat gaat door de donkere lucht bezoekende ons, die de wereld verfden met bloed.

91Indien de koning des heelals ons bevriend ware, zouden wij hem bidden voor uwen vrede, nademaal gij erbarmen hebt met onzen bitteren ramp.

94Van dat wat te hooren en te spreken u gevalt, zullen wij hooren en spreken tot u, zoolang de wind, gelijk hij nu doet, zwijgt.

97Het land daar ik geboren was, ligt op de zeekust waar de Po afzakt om vrede te hebben met zijne volgelingen.

100Liefde, die ras aan ’t edel hart zich hecht, nam dezen in voor de schoone gestaltenis, die mij ontnomen werd en de wijze waarop, schendt mij nog.

103Liefde, die geenen beminden het minnen kwijtscheldt, had, doordat ik hem behaagde, zoo sterken vat op mij, dat, zooals gij ziet hij mij nog niet verlaat.

106De liefde bracht ons (beiden) tot éénen dood:Kaïnawacht wie ons leven uitbluschte.” Die woorden werden ons van hen toe-gedragen.

109Over wat ik gehoord had van die geschondene zielen, neigde ik ’t hoofd en zoolang hield ik’t omlaag totdat de Dichter tot mij zeide; „waar denkt gij aan?”

112Wanneer ik antwoordde, begon ik: „Wee, wee, hoe zoete gedachten, hoe groote begeerten, brachten genen tot den heilloozen stap!”

115Voorts wendde ik mij tot hen en ik sprak; ik begon: „Francesca, uwe martelingen maken tot weenens toe mij droef en medelijdend.

118Maar zeg mij: ten tijde der zoete begeerten aan wien en hoe vergunde de liefde, dat gij de twijfelachtige begeerten leerdet kennen?”

121En zij tot mij: „geen grooter smart dan in de ellende den tijd des geluks te gedenken: en dat weet uw leermeester.

124Maar zoo gij zoo groote begeerte hebt om den eersten oorsprong van onze liefde te leeren kennen, dan zal ik doen, gelijk degene, die weent en spreekt.

127Wij lazen eenen dag voor vermaak van Lancelot hoe de liefde hem neep: wij waren alleen en zonder eenigen argwaan.

130Meerdere malen deed die lezing ons de oogen blikkeren en ontverfde zij ons ’t gelaat: maar één punt alleen was het dat ons overwon.

133Wanneer wij lazen dat het begeerde glimlachjen gekust werd door zoo’n grooten minnaar, toen kuste die nooit van mij gescheiden moge worden,

136mij den gansch trillenden mond:Galeottowas het boek en die het geschreven had: dien dag hebben wij niet verder gelezen.”

139Terwijl de eene geest dit zeide, weende de andere zoozeer dat ik van erbarmen buiten mij geraakte, alsof ik gestorven ware;

142En ik viel zooals een dood lichaam valt.


Back to IndexNext