Voortzetting van den derden omgang en aankomst op den vierden.
Wanneer de Dichters buiten den rook zijn gekomen, wordt Alighieri van nieuws in eene verrukking gebracht, gedurende welke hij verscheidene voorbeelden van gramstorigheid ziet. Hem wekt het bliksemende licht van eenen Engel, die hen richt naar de trap, waarlangs men tot den vierden ommegang opstijgt; óp dezen gekomen, kunnen zij geen schrede meer doen wegens den nacht, die hen overvalt. Dan toont Virgilius, om geen tijd te verliezen, zijnen Leerling aan hoe Liefde begin is van alle deugd en van alle ondeugd.
1Herinner u, lezer; zoo ooit in de Alpen een nevel u omving, dóór welken ge zaagt niet anders dan een mol door het vel [van zijn oogen];
4hoe dan, wanneer de vochte en dikke dampen zich beginnen te verdunnen, de schijf der Zon zwak door ze henen dringt;
7en het wordt uwer verbeelding licht te geraken tot het zien, hoe ik in het eerst herzag de zon, die reeds aan het dalen was.
10Aldus, parende mijne schreden aan de getrouwe schreden van mijnen Meester, kwam ik naar buiten uit zoodanige wolk, tot de zonnestralen, reeds gestorven in de lage streken.
13O verbeeldingskracht, die ons menig keer zoo zeer buiten [ons zelven] rukt, dat een mensch het niet bemerkt, dat duizend trompetten rond hem schetteren,
16wat beweegt u, zoo de zinnen u niets bieden? Licht beweegt u, dat in den hemel zich formeert, òf door zich zelf [gedreven], òf door [Gods] wil, die het omlaag stiert.
19Van de onmeedoogendheid van haar, die van gedaante verwisselde tot dien vogel, die het meest in het zingen zich vermeit, verscheen me in de verbeelding de gelijkenis.
22En hier was mijn geest zoo binnen-in zich opgesloten, dat er van buiten niets kwam, dat door hem werd opgenomen.
25Voorts daalde daar neder in mijne opgetogen fantasie een gekruisigde, norsch en trotsch in zijn aangezicht en aldus stierf hij.
28Rondom hem was de groote Assuerus, Esther, zijne vrouw, en de gerechte Mordechai, die zóó uit-één-stuk was in spreken en in daden.
31En toen deze verbeelding van zelve uit-een-spatte als een bel, die water te kort komt, onder hetwelk zij zich formeerde;
34kwam voor mijn gezicht ópeen meisje, dat heftig weende en zeide: „O Koningin, waarom hebt gij uit toorn niet willen zijn?
37Gij hebt u gedood om niet Lavinia te verliezen;nu hebt gij mij verloren: ik ben het, die rouw eerder om uw verlies, dan om dat van een ander.”
40Gelijk de slaap breekt, wanneer plots nieuw licht het gesloten oog treft, en [de slaap] gebroken zijnde, eerst tegenstribbelt voor hij gansch vervliegt:
43zóó viel mijne verbeelding naar omlaag, zoodra een licht mijn gelaat trof, veel grooter dan dat hetwelk naar onze gewoonte is.
46Ik keerde mij om te zien waar ik was, wanneer eene stem zeide: „Hier stijgt men,” welke van elke andere aandacht mij aftrok;
49en maaktemijne begeerte zóó sterkom te zien wie hij was, die sprak, [als die begeerte] die nooit rust zoo zij niet het gewenschte voor oogen krijgt.
52Maar gelijk tegenover de zon, die ons gezicht bezwaart, en door overdaad haar eigen gelaat omsluiert, zoo ook hier schoot mijn vermogen te kort.
55„Deze is een goddelijke geest, die op den weg des stijgens ons richt zonder bede, en met zijn licht zich zelven verbergt.
58Hij doelt met óns, gelijk de mensch met zich-zelven doet: daar degene, die de bede wacht, al ziet hij de behoefte, zich reeds kwaadwillig aan het weigeren begeeft.
61Laten we nu onzen voet naar zoo hooge nooding zetten; haasten wij ons te stijgen voor dat het duistert, daar het daarna niet zoude kunnen, zoo de dag niet keert.”
64Alzoo sprak mijn gids; en ik en hij, wij richtten onze schreden tot eene trap: en zoodra ik aan de eerste trede was,
67voelde ik nabij mij als het bewegen van een vleugel, en het waaieren ervan in mijn aangezicht, en het zeggen: „Gelukzalig zijn de vreedzamen, die zijn zonder kwaden toorn.”
70Reeds waren boven ons zóó ver opgerezen de laatste stralen, op welke de nacht volgt, dat de sterren verschenen van meer dan éénen kant.
73„O mijnedeugd, waarom vervliegt ge aldus,” zeide ik tot mij-zelven, daar ik de beweegkracht van mijne beenen voelde tot stilstand gebracht.
76Wij waren daar waar de trap niet meer steeg, en wij stonden stil, als een schip, dat aan het strand aankomt.
79En ik wachtte een weinig of ik iets hoorde op den nieuwen omgang; voorts keerde ik mijn tot mijnen Meester, en zeide:
82„Mijn zoete Vader, zeg van welk vergrijp loutert men zich hier, op dezen omgang, waar wij zijn. Indien de voet staat, laat daarom nog niet uw spreken stil staan.”
85En hij tot mij: „De liefde tot het goede, te kort schietend bij wat zij moet, wordt hier aangevuld, hier slaat men weer den kwalijk vertraagden riem.
88Maar opdat gij nog duidelijker begrijpt, keer uwen geest tot mij, en gij zult eenige goede vrucht krijgen van ons vertoef.
91NochSchepper, noch schepsel was ooit,” begon hij: „mijn zoon zonder liefde, òf natuurlijke òf van den geest: en dat weet gij.
94De natuurlijke was altijd zonder dwaling: maar de andere kan dwalen door een kwaad voorwerp, of door te veel of door te weinig kracht.
97Zoolang zij op deeerstegoederenis gericht en in de goederen van den tweeden rang zichzelvenmatigt, kan er geen reden zijn voor schuldig vermaak;
100maar wanneer zij zich draait tot het kwade, of met te veel zorg zich naar aardsche goederen richt, of met minder dan pas heeft, loopt naar het goed, dan gaat het maaksel te werk tegen zijn Maker.
103Hieruit kunt gij begrijpen dat het gevalt dat Liefde in u het zaad is van alle deugd èn van elke werkzaamheid, die straf verdient.
106Welnu, daar liefde niet kan afzien van het wèlzijn van haren drager, zijn de dingen beveiligd voor eigen haat.
109En omdat niets gedacht kan worden gescheiden van of bestaande buiten deEerste Oorzaak, is elke zielsaandoening verre van Die te haten.
112Blijft over, zoo ik, verdeelende, wel beschouwe, dat het kwade 't welk bemind wordt, dat van den naaste is en die liefde wordt op drie manierenin uw kleigeboren.
115Er zijn er, die hopen uit te munten, doordat hun buurman vernederd is, en alleen dáárom begeeren dat hij van zijne grootheid omlaag gehaald wordt.
118Er zijn er die macht, aanzien, eer en roem vreezen te verliezen, doordat een ander stijgt, waarom zij zich zoo bedroeven dat ze het tegendeel begeeren:
121en er zijn er die door [hun aangedaan] onrecht blijken zóó gegriefd te worden, zoodat ze begeerig worden naar wraak; en met eenen zoodanige gebeurt het dat hij zich het kwade met geneugt voorspiegelt.
124Deze drie-ledige liefde wordtdaar omlaagbeweend; nu wil ik dat gij tot begrip koomt van de andere, die het Goede naijlt, maar zonder de goede mate.
127Een ieder grijpt in den blinde naarEén Goed, opdat zijne ziel daarin vrede vinde, en begeert het: waarom ieder zich inspant om dat te bereiken.
130Indien trage liefde u trekt om te zien en om het te verkrijgen, dan na rechtmatig berouw martelt u deze bergrand.
133Een ander goed is er dat den mensch niet gelukkig maakt; het is niet de gelukzaligheid; het is niet de goede essentie, die de wortel is van alle goede vrucht.
136De liefde, die zich al te zeer aanditgoedovergeeft, wordt boven ons over drie ommegangen beweend; maar hoe die drie-deeling worde verklaard,
139dat zwijge ik, opdat gij het zelf onderzoekt.”
Door zijnen kweekeling ondervraagd, verklaart Virgilius de natuur der liefde, en hoe de ziel door de rede en den vrijen wil hare neigingen beheerscht. Voorts komt een drom van zielen die zich louteren van de traagheid, naderijlende den Dichteren te gemoet, en twee vóór de anderen herinneren voorbeelden van deugd, tegengesteld aan hunne zonde. De Abt van San Zeno kondigt onheilspellende weeën aan voor Alberto della Scala; en achter hem halen twee zielen eenige voorbeelden aan van de slechte uitwerkselen van traagheid. Zachtjes aan slaapt Dante in.
1De hooge Leeraar had een einde aan zijne redeneering gemaakt, en aandachtig keek hij in mijn aangezicht of ik tevreden bleek.
4En ik, wien nieuwe dorst nog stak, ik zweeg van buiten en zeide van binnen: „Wellicht wordt het te vele vragen, dat ik doe, hem lastig.”
7Maar die waarheidlievende vader, die het beschroomdeverlangen ontwaarde, dat niet werd geopenbaard, gaf, sprekende, mij moed tot spreken.
10Waarom ik: „Meester, mijn zien verlevendigt zich dermate in uw licht, dat ik duidelijk onderscheide al wat uwe redeneering bevat of beschrijft:
13waarom ik u bid, dierbare Vader, dat gij mij de Liefde verklaart, tot welke gij alle goed-doen en zijn tegen-deel herleidt.”
16„Richt,” zeide hij: „naar mij de scherpe lichten van uw begrip, en u zal duidelijk worden de dwaling der blinden, die zich zelven tot gidsen maken.
19De ziel, die geschapen is bereid tot beminnen, laat zich leiden tot elk ding, dat behaagt, zoodra zij door welgevallen is gewekt tot daad.
22Uw begripsvermogen krijgt beeldingen van iets dat waarachtigis, en ontvouwt het binnen in u, zoodat de ziel er het aangezicht naar wendt.
25En indien zij, daarop gericht, zich derwaarts neigt, dan is dat neigen liefde, dan is dat natuur, die door het welgevallenop nieuwzich in u bindt.
28Voorts gelijk het vuur zich ten hoogen beweegt, door zijnvorm, die geboren is om te stijgen daarheen waar hij langer bij zijne grondstoffe volhardt;
31zoo geraakt de [door liefde] bevangen ziel tot begeeren, hetwelk is een geestelijk bewegen; en zij rust niet, voordat het beminde voorwerp haar doet genieten.
34Nu kan u blijken hoe zeer de waarheid verborgen is voor degenen, die beweren dat elke liefde een prijzenswaardig ding is;
37omdat misschien haregrondstoffealtijd schijnt goed te zijn; maar niet elk stempelmerk is goed, hoe goed ook het lak zij.
40„Uwe woorden en mijn volgzame geest,” antwoordde ik hem, „hebben mij de liefde ontdekt; maar dat heeft mij te meer met twijfel gedrenkt:
43dat, indien liefde ons van buiten wordt geboden, en de ziel niet met anderen tred loopt, het niet háár verdienste is of zij recht of krom gaat.”
46En hij tot mij: „Zoo verre rede hier ziet, kan ik het u zeggen; wat verder is, hetwelk een werk des geloovens is, verwacht dat van Beatrice.
49Elkezelfstandige vorm, die onderscheiden is van de stof en er mede vereenigd is, heeft in zich vergaard een speciaal vermogen;
52hetwelk zonder te werken niet wordt opgemerkt, en zich slechts toont door hetgeen het uitwerkt, gelijk het leven in de plant [zich vertoont] door de groene loovers.
55Daarom, vanwaar het inzicht in deeerste begrippenkomt, dat weet niemand, en de begeerte naar de eerst begeerde dingen,
58welke in u zijn gelijk het instinkt in de bijen om haren honig te maken; en die eerste wil is niet onderhevig aan lof of blaam.
61Dan, omdat aan dát vermogen elk ander vermogen verbonden is, is udat vermogenaangeboren, dat beraadt en dendrempel des toestemmensmoet bezet houden.
64Dat is het beginsel in u, waar men gelegenheid krijgt om zich verdienstelijk te maken, al naar het goede of slechte liefden toelaat of verwerpt.
67Degenen, die, redeneerende, tot den bodem gingen,ontwaarden die aangeboren vrijheid; waarom zij der menschen wereld de zedelijkheid lieten.
70Stellen we dus dat uit noodzaak elke liefde opstaat die binnen in u ontstoken wordt, dan is toch in u de macht die te weerhouden.
73Met het edele vermogen bedoelt Beatrice den vrijen wil, dus geef acht dat gij dat in gedachte houdt, wanneer zij zich ertoe op maakt u daarvan te spreken.”
76De maan,bijna tot middernacht verlaat, deed de sterren aan ons dunner-gezaaid toeschijnen, en was als een ketel die gansch gloeiend staat;
79en zij liep tegen den hemel in,langs die banen, welke de zon in vlammen zet dan wanneer die van Rome haar zien tusschen Sardijnen en Corsicanen, daar zij ondergaat.
82En die edele schimme, om wiePietolameer dan de Mantuaansche stad wordt genoemd, had de vracht van mijn last afgelegd.
85Waarom ik, die de opene en vlakke redeneering over mijne vragen had geoogst, stond als iemand, die al insluimerende zwijmelt.
88Maar die slaperigheid werd me ontnomen—plotseling—door luiden, die reeds achter onze schouders op ons af waren gekomen.
91En gelijk voorheen Ismenus en Asopus des nachts langs zich razernij en jacht zagen, altoos wanneer de Thebanen Bacchus van noode hadden;
94zoo een laat langs dien ommegang haar sikkelvormigen gang gaan, [te oordeelen] naar hetgeen ik zag van hen die kwamen, wie het goede verlangen en de rechtmatige begeerte berijdt.
97Dra waren zij bij ons, daar die gansche groote schare rennende aankwam; en twee voor-op schreeuwden weenende:
100„Maria snelde met haast ten berge; enCaesar, om Ilerda te onderjukken, trof Marsilia en snelde toen in Spanje.”
103„Snel, snel, dat de tijd niet verloren ga door te weinig liefde”, riepen die anderen achter; „daar ijver om goed te doen de genade doet hergroenen.”
106„O lieden, in wie de heftige hittigheid thans vergeldt wellicht zorgeloosheid en traagheid door u uit lauwheid in het goeddoen bedreven,
109deze, die leeft [en voorwaar ik bedrieg u niet] wil naar boven, zoodra de zon ons weder licht; daarom zegt ons waar de toegang dichtbij is.”
112Dit waren de woorden: van mijnen Gids; en één van die Geestenzeide: „Kom achter ons, daar ge de opening vinden zult.
115Wij zijn van verlangen om ons te bewegen zóó volle, dat stilstaan we niet kunnen; daarom vergeef, dat onze rechtvaardigheid boerschheid meebrengt.
118Ik was abt in [het klooster van] San Zeno te Verona, onder de regeering van den goeden Barbarossa, van wien Milaan nog met droefenis praat.
121En zoo één heeft reeds den éénen voet in het graf, die dra dat klooster zal beweenen, en treurig zal zijn daar macht te hebben gehad;
124daar hij zijnen zoon, kwalijk van lijf, en meer nog van ziel, en kwalijk geboren, gezet heeft in de plaats van zijnen waarachtigen herder.”
127Ik weet niet of hij meer zeide, of dat hij zweeg, zooverre reeds was hij ons voorbij geloopen; maar dát hoorde ik en dat vast te houden geviel mij.
130En gene, die mij bij elk werk was te hulp gekomen,zeide: „Wend u daarheen, zie er getweeën komen, gevend der traagheid den beet.”
133Zij riepen allen na: „Eer warenalle de lieden gestorven, voor wie de zee zich opende, dan dat de Jordaan zijne erven zag.
136En die,die niet de moeienis droegen tot het eindemet den zoon van Anchises, gaven zich zelven aan een leven zonder roem.”
139Voorts wanneer die schimmen zóó verre van ons gescheiden waren, dat ze niet meer konden worden gezien, vestte zich een nieuw gedacht binnen in mij,
142van welke weer andere en verschillende geboren werden, en zoozeer zwijmelde ik van de ééne naar de andere, dat de oogen uit welgevallen zich sloten,
145en ik het gedacht in droomen veranderde.
Hierin wordt beschreven het mysterieuze Gezicht, dat kort voor den dageraad aan Alighieri, als hij slaapt, zich vertoont. De Dichters bestijgen den vijfden Ommegang waar de zielen, liggende en met het aangezicht naar de aarde gekeerd, de zonde der gierigheid beweenen. Zij komen tot Adrianus V uit het huis Fieschi, die op de vraag van Alighieri antwoord geeft.
1Te dier stonde, wanneer de warmte des daags niet meerde koude der maankan lauw maken, verwonnen door de Aarde of somtijds door Saturnus;
4wanneerde geomantenhun grootste geluk zien in het Oosten, voor den dageraad, opkomend langs den weg, die nog maar kort donker blijft;
7kwam mij in den droom te voren eene stamelende vrouw, met de oogen loensch en boven de voeten verdraaid, met de handen verminkt en bleek van kleur.
10Ik staarde haar aan; en, gelijk de Zon troost de koude ledematen, welke de nacht(koude) bezwaart, zoo maakte mijn blik haar los
13de tong en voorts maaktehijhaar gansch recht in korten tijd en het vervaalde gelaat kleurde hij zóó als liefde het wil.
16Nadat zij aldus de spraak óntbonden had, begon zij te zingen zóó, dat ik met moeite mijne aandacht van haar zou hebben afgewend.
19„Ik ben,” zong zij: „ik ben de zoete Sirene, die de zeelieden midden op zeedoe verdwalen; zóó vol ben ik van welbehagen om waar te nemen.
22Ik hebUlysses van zijn zwerftocht naar mijnen zang afgeleid; en wie met mij zich vergemeenzaamt, zelden gaat hij van mij, zoo zeer paai ik hem gansch.”
25Nog was haar mond niet gesloten, wanneereene vrouw verscheen, heilig en vlug, langs mij om gene ontsteld te maken.
28„O Virgilius, Virgilius, wie is deze?” zeide zij verontwaardigd; en hij kwam, met de oogen stadig gericht op die eerbare.
31Zijgreep de andere en opende haar van voren de kleederen, ze scheurende, en toonde mij haar buik; die wekte mij door den stank, die er van uitging.
34Ik keerde de oogen [tot hem]; en de goede Virgilius zeide: „Minstens drie [wek]-woorden heb ik tot u gesproken: sta-op en kom, vinden wij de poort, door welke gij binnen-ga.”
37Ik rees op, en alle de ommegangen van den heiligen berg waren reeds vol van den hoogen dag, en wij gingen met de nieuwe Zonop onze lendenen.
40Hem volgende, droeg ik mijn voorhoofd gelijkdegene, die het beladen heeft met gedachten, en van zich een halven boog van een brug maakt;
43wanneer ik: „Komt, hier treedt men in,” zeggen hoorde op zachte en welwillende wijze, zooals men het niet hoort in deze sterfelijke streek.
46Met de vleugelen geopend, die schenen te zijn van een zwaan, richtte ons naar boven degene, die aldus tot ons sprak, tusschen die twee wanden van harde rots-steen.
49Voorts bewoog hij de vlerken en waaierde ons, verzekerende dat gelukzalig zijn wie treuren [qui lugent], daar hunne zielen het vertroosten zullen vinden.
52„Wat hebt gij dat gij staêg naar de aarde staart?” begon mijn Gids tot mij te zeggen, en wij beiden waren [slechts] weinig boven den Engel opgestegen.
55En ik: „Met zóó groote achterdocht doet mij gaan een nieuw gezicht, dat mij tot zich trekt, zóó dat ik mij niet van de gedachte los kan maken.”
58„Zaagt ge,” zeide hij: „die oude tooveres, die alleen nog boven ons wordt beweend? Zaagt ge hoe de mensch zich van haar losmaakt?
61Dit zij u genoeg, en zet de hielen op den grond, en richt de oogen weer omhoog naar datlok-aas, dat de eeuwige Koning doet draaien met de groote raderen.”
64Gelijk de valk, die eerst op de voeten rondschouwt, voorts zich draait naar den kreet [des valkeniers] en zich uitstrekt, door de begeerte naar het voeder, dat hem daar lokt;
67zóó maakte ik mij zelven, en zóó, over zoo grooten afstand als waarover de rots zich splijt om doorgang te geven aan wie naar boven gaat,ging ik verder tot daar waar men weer het rondgaan krijgt.
70Zoodra ik op den vijfden ommegang was naar buiten getreden, zag ik daarop luiden, die weenden, liggende op den grond gansch omlaag gekeerd.
73„Adhaesit pavimento anima mea” [mijne ziel kleefde aan het plaveisel] hoorde ik dat zij zeiden met zoo diepe zuchten, dat het woord ternauwernood werd gehoord.
76„O uitverkorenen van God, wier lijden èn gerechtigheid èn hoop minder hard maken, richt ons naar de hooge opstijgingen.”
79„Indien gij lieden komt, van het liggen vrij-gesteld, en gij den weg ten vroegste wilt vinden, laat uw rechterzijden aan de buiten-zijde zijn.”
82Zóó bad de Dichter, en zóó werd ons een weinig voor ons uit geantwoord; waarom ik, al sprekende, lette op het overige, dat verborgen was.
85En ik wendde toen de oogen tot den Heere mijn; waarop hij mij toestond, met blijd gebaarde, dat waarom de aanblik der begeerte [in mij] hem vroeg.
88Nadat ik met mij handelen kon naar mijnen zin, begaf ik mij boven dat schepsel, welks woorden mij oplettend hadden gemaakt,
91zeggende: „Geest, in wien het weenen tot rijpheid brengt datgene, zonder het welk men niet tot God kan keeren, staak een weinig voor mij uwegrootere zorg.
94Wie waart gij, en waarom hebt gij de ruggen naar boven gekeerd, zeg het mij, en of gij wilt dat ik voor u eenig ding gedaan krijge daar, van waar ik levend opging.”
97En hij tot mij: „Waarom de hemel onze achterdeelen naar zich keert, dat zult gij weten: maar eerst,scias quod ego fui successor Petri[weet dat ik was opvolger van Petrus].
100Tusschen Siestri en Chiaveri daalteen schoone stroom, en van zijnen naam leidt de titel van mijn bloed zijn oorsprong af.
103Eene maand en weinig meer ervoer ik hoe de groote mantel weegt hem, die voor het slijk hem bewaart, zoodat een veder lijken alle andere lasten.
106Mijne bekeering, wee mij! was traag; maar toen ik tot Herder van Rome was gemaakt, ontdekte ik het bedriegelijke leven.
109Ik zag dat daar het hart niet tot rust kwam, en dat men niet verder kon stijgen in dat leven; waarom naarditleven in mij de liefde ontbrandde.
112Tot op dat tijdstip was mijne ziel ellendig en van God vervreemd, naar het al begeerig; en, zooals gij ziet, word ik er voor gestraft.
115Dat wat gierigheid doet, wordt hier vertoond in de loutering der omgekeerde zielen, en geene bitterder boete heeft de berg.
118Zooals ons oog zich niet ophief ten hoogen, daar het was gevest op de aardsche zaken, zóó heeft gerechtigheid hier op den grond het ondergedompeld.
121Gelijk gierigheid onze liefde tot al het goede uitdoofde, waardoor alle arbeid te loor ging, zóó houdt gerechtigheid hier ons bekneld,
124aan de voeten en aan de handen gebonden en vast gehouden; en hoelang het 't welbehagen zal zijn des gerechten Heeren, zóó lang zullen wij blijven onbewegelijk en uitgestrekt.
127Geknield had ik mij, en wilde spreken; maar toen ik begon en hij, alleen door te hooren, mijn eerbiedenis gewaar wierd:
130„Welke oorzaak,” zeide hij: „heeft u aldus gekromd?” En ik tot hem: „Wegens uwe waardigheid noopte mij daartoe mijn geweten.”
133„Zet de beenen recht en hef u op, broeder,” antwoordde hij: „dwaal niet, ik ben een medeslaaf met u en met de anderen voor ééne macht.”
136Zoo gij ooit dat heilig evangelie-woord, dat zegtneque nubent, hebt vernomen, kunt gij goed zien, waarom ik aldus redeneer.
139Ga nu heen; ik wil niet dat gij u meer ophoudt, daar uw blijven mijn weenen bemoeilijkt, waarmede ik tot rijpheid breng dat watgij gezegd hebt.
142Eene nicht heb ik in het gindsche leven, die den naam heeft Alagia, goed uit zich zelve, als maar niet ons huis haar slecht maakt door het voorbeeld;
145en zij alléén is mij daar ginds gebleven.
Paus Adriaan verlaten hebbende en langs dien Ommegang den weg vervolgende, hooren zij eene ziel eenige beroemde voorbeelden vermelden van deugden, die het tegendeel zijn van Gierigheid. Dante nadert haar, en haar gevraagd hebbende wie zij is en waarom zij alleen die daden verheft, hoort hij van haar dat zij is Hugo Capet èn eenen heftigen uitval op de ondeugden en de ongerechtigheden van zijne nakomelingschap. Voorts dient zij hem op zijn andere vraag, en verhaalt hem voorbeelden, welke in den nacht daar worden herhaald tot verschrikking der gierigen. De Berg schudt en van alle kanten verheft zich een lied van zegepraal; waarom in Alighieri ontwaakt een stekende begeerte om te leeren kennen de oorzaak van zoo groot eene nieuwigheid.
1Tegen beteren wil strijdt kwade wil, vandaar dat tegen mijn gevallen, om hèm te gevallen, ik de nog niet verzadigde spons uit het water trok.
4Ik bewoog mij, en mijn Gids bewoog zich over de onbezette plaatsen langs den rotswand, gelijkmen over eenen muur gaat strijkelings langs de meerlen;
7daar de lieden, die drop voor drop uitgieten door de oogen het kwaad, dat de gansche wereld bezet, aan de andere zijde te zeer den buitenkant naderen.
10Gemaledijd zijt gij, oude wolvin, die meer dan alle de andere beesten buit hebt, wegens uwen bodemloozen honger.
13O Hemel, door wiens ommegaan men schijnt te gelooven dat de toestanden hier beneden veranderen, wanneer zal komen degene, door wien weggaat deze wolvin?
16Wij gingen met trage en schaarsche schreden, en ik met de aandacht gericht op de schimmen, die ik bemerkte dat erbarmelijk weenden en jammerden;
19En bij geval hoorde ik: „Zoete Maria!” vóór ons zóó klagelijk roepen als eene vrouw doet, die in barensnood is;
22en aldus voortgaan: „Zoo arm waart gij, als men zien kan aan die herberging, waar gij uwe heilige dracht nederlegdet.”
25Vervolgens hoorde ik: „O goede Fabricius, gij wildet liever deugd met armoede dan grooten rijkdom met ondeugd bezitten.”
28Deze woorden hadden mij zoo bevallen, dat ik mij verder begaf om kennis te hebben van dien geest, uit wien zij schenen te zijn gekomen.
31Hij sprak ook van de mildheid, welke Nicolaas den maagden deed om hare jeugd tot eere te leiden.
34„O ziele, die zoo goed spreekt, zeg mij wie gij zijt,” zeide ik: „en waarom gij alleen deze verdiende loftuitingen hernieuwt?
37Uw woord zij niet zonder loon, als ik terug keer om den korten weg te voleinden van dat leven, dat naar het einde vliegt.”
40En hij: „Ik zal het u zeggen, niet om den troost, dien ik van ginds wacht, maar omdat zóó groote genade in U licht voordat gij dood zijt.
43Ik was de wortel van die kwade plant, die gansch Christen-land overschaduwt, zóó dat goede vrucht schaars er uit ontspruit.
46Maar zoo Douais, Gent, Rijssel en Brugge vermochten, zoude er weldra wraak over zijn; en ik vraag die aan Hem, die alles richt.
49Genoemd werd ik daarginds Hugo Capet: van mij zijn geboren de Philippen en Lodewijken, door wie nieuwlings Frankrijk is geregeerd.
52Ik was de zoon van eenen slachter van Parijs: wanneer het met de oude koningen gedaan liep, allen behalve éénen, die zich gekleed had in de grauwe stof,
55vond ik in mijne handen gegrepen den toom van het bestuur des rijks, en dat ik zoo groote macht van nieuws gekregen had en zoo rijk was aan vrienden,
58dat ik tot de verweeuwde kroon het hoofd van mijnen zoon zag bevorderd, bij wien de geheiligde beenderen van genen begonnen.
61Zoolang nog de groote schenking van Provence niet aan mijn bloed de schamelheid had ontnomen, vermocht het weinig, maar deed het geen kwaad.
64Sinds dien begon het met geweld en logen zijnen roof; en voortstot boete, nam hij Ponthieu en Normandië en Gascogne.
67Karelkwam in Italië entot boetemaakte hij een slachtoffer van Conradijn; en voorts stuurdehij Thomas tot den hemel terugtot boete.
70Nog niet veel daarna zie ik den tijd, die eenentweeden Kareluit Frankrijk toog, om nog beter zich en de zijnen te doen leeren kennen.
73Zonder wapenen ging hij er uit, en alleen met die lans, waarmede Judas zich weerde; en die punt hij zóódanig, dat ze Florence de pens doet barsten.
76Vandaar zal hij geen land, maar zonde en schande winnen, voor hem te zwaarder als hij lichter zulke schade voor anderen tilde.
79Den ander, die voorheen als krijgsgevangene ontscheepte, zie ik zijne dochter verkoopen en er verdragen mee bedingen, als zeeroovers doen met andere slavinnen.
82O hebzucht, wat kunt gij er nog erger van maken, daar gij mijn bloed zoo zeer te uwaart hebt getrokken, dat het niet geeft om zijn eigen vleesch?
85Dat nog minder schijne het komende en het gedane leed, zie ik de lelie in Alagna binnenkomen en, in zijn Stedehouder, Christusworden gevangen genomen.
88Ik zie hem andermaal bespot worden; ik zie de edik en gal vernieuwd worden en (hem) tusschen nieuwe boosdoeners dooden.
91Ik zie den nieuwen Pilatus zóó wreed, dat dit hem niet verzaadt, maar zonder verlof brengt hijin den tempelde begeerige zielen.
94O Heer mijn, wanneer zal ik blijde zijn te zien wraak, die, verholen, zoet maakt den toorn van uw geheimenis?
97Dat wat ik zeide van dieeenige verloofde van den Heiligen Geest, en die u deed u te mijwaart richten om eenige verklaring,
100is slechts zóó lang gevoegd naar onze bede, als de dag duurt; maar wanneer het nacht wordt, vernemen we tegengestelden klank ter afwisseling.
103Dan herhalen wij [de daad van]Pygmalion, wien tot verrader, roover en moordenaar zijne begeerte maakte, op goud belust;
106en het ongeluk van den begeerigen Midas, dat volgde op zijn hebzuchtige vraag, om welke het wel altijd te lachen voegt.
109Van den dwazenAcamgedenkt voorts een ieder, hoe zijn buit was, zoodat het schijnt of de toorn van Jozua nog hier hem bijt.
112Voorts beschuldigen wij met haren manSafira: wij prijzen de speer-stooten, die Heliodorus kreeg; en in kwade faam omwaart den ganschen berg
115Polymnester, diePolydorusdoodde. Ten laatsten roept men ons toe: „Crassus, zeg ons, gij die het weet, van welken smaak het goud is.”
118Deze spreekt luid, gene zachtkens, volgens de aandoening, die ons te spreken noopt nu tot heftiger, dan tot kalmere uiting.
121Daarom voor het goed, dat des daags hier zich laat hooren, was ik hier niet alleen; maarhier nabij verhief geen ander de stem.”
124Wij waren reeds van hem vertrokken om zooverre op den weg verder te komen, als aan ons vermogen was vergund;
127wanneer ik voelde, als een ding dat valt, den berg beven; van daar dat eene huivering mij beving, als te bevangen pleegt dengene, die ten doode gaat.
130Voorzeker schudde niet zóó hevigDelos, voordat Latona daar haar nest maakte om de beide oogen des hemels te baren.
133Voorts begon van alle kanten een kreet zóó dat de Meester zich te mij waart wendde, zeggende: „Wees niet wankelmoedig, zoolang ik u geleid.”
136„Eere zij God”: zeiden allen, „in den hoogen” naar wat ik van dichte bij vernam, vanwaar de kreet kon verstaan worden.
139Wij bleven staan onbewegelijk en in afwachting, als de herders, die voor het eerst dien zang hoorden, totdat het beven ophield en die zang werd afgezongen.
142Voorts hervatten wij onzen heiligen weg, ziende naar de schimmen, die ter aarde lagen, reeds wedergekeerd tot hun gewone geween.
145Geene onwetendheid maakte ooit met zulk eene kwelling mij begeerig tot weten, als mijne heugenis daarin niet dwaalt,
148als ik me toescheen toen al denkende te hebben, noch bij het haastig voorwaarts gaan, durfde ik het vragen,
150noch uit me zelven konde ik er iets van zien. Zóó ging ik verder, beschroomd en peinzend.
Nu Dante, te midden der louterende zielen, al nader en nader zijne eigene loutering komt en de berg weldra, van vreugde over Dante's loutering—zooals inXXIwordt uitgelegd—beven zal, geeft de verschijning van Hugo Capet Dante gelegenheid zijne verbittering te uiten tegen de Fransche Koningen, Hugo's afstammelingen, allermeest tegen Karel van Valois (vs. 70–78) die in 1301 zonder leger in Italië gekomen, door Paus Bonifacius in staat werd gesteld een leger te werven en daarmede Florence bezette,de partij der Witten deed vallen en Dante's ballingschap veroorzaakte.
Ook is merkwaardig hoe Dante zijne verontwaardiging uitspreekt over het gevangen nemen van dienzelfden Bonifacius door Philips den Schoonen. Immers over de handelwijze van dezen Paus was Dante ten zeerst vertoornd; toch deed zijn onwrikbare eerbied voor het Pausdom hem in deze gevangenneming een gruwel-daad zien.