[Inhoud]HOOFDSTUK I.HOOFDSTUK I.Op de groote vlakte tusschen de plek, waar tegenwoordig de Wets Dorp staat en den trotschen berg Thaba ’Nchu, bewoog zich op den 2denApril 1837 een lange trein wagens.Voorop reden een tiental ruiters, allen met het geweer op den zadelknop rustende, terwijl kruithoorn en kogeltasch hen over de schouders hingen. Dan volgden de wagens, zoowat veertig in getal; zware, logge gevaarten, doch ijzersterk, en sommige bespannen met zestien, andere met achttien langhoornige ossen, welken laatsten men het kon aanzien, dat zij zware vrachten trokken. Ten laatste volgden[2]er een tal van beesten, paarden en schapen, gedreven door kleurlingen, sommigen te paard, anderen te voet, terwijl ook eenige blanken te paard links en rechts van het vee reden, evengoed gewapend als zij, die de voorhoede vormden. De weg was droog en zanderig, en de wielen der wagens sneden er diepe sporen in. Een eigenlijk gebaande weg was er niet; slechts een paar wagensporen slingerden zich door het hoog wuivende gras.De geheele omgeving bewees dat men zich in een woest, half bewoond land bevond; ja, men zou bijna zeggen een geheel onbewoond land. Geen enkele menschenwoning vertoonde zich aan het oog; slechts hier en daar zag men eenige oude, verwoeste Kaffer-kralen, waarbij dikwijls menschelijke geraamten of beenderen lagen. Die geraamten waren de overblijfselen der bewoners dier Kaffer-kralen, welke de slachtoffers geworden waren van de woeste krijgers van Moselikatse, den geduchten koning der Matabeles. Waar diens benden strooptochten hadden gehouden, werd geen menschelijk wezen meer gevonden; slechts dood en verderf lieten zij achter zich. Verder zag men niets dan hoog opwuivend gras, en ontelbare troepen van wilde bokken van allerlei soort. Dáár pronkten duizenden van springbokken; hier weidden een dertigtal gemsbokken, die nu en dan, als uit[3]nieuwsgierigheid hunne koppen optilden, zoodat hunne lange horens op hunne ruggen lagen; daar weder stond een troepje blauwe wildebeesten, bewaakt door een paar oude bullen, die er norsch en kwaadaardig uitzagen; en wat verder stapten met statigen tred een tiental elanden, met eene houding die duidelijk te kennen gaf, dat zij van dat „kleine wild” geen notitie namen.Maar er was ook ander wild van min vreedzamen aard, dat zich echter thans niet vertoonde, doch zich schuilhield totdat de duisternis de aarde zou bedekt hebben. Indien gij daar langs die spruit ging, zoudt gij den leeuw, zijne echtgenoote en zijne welpen zien, uitgestrekt op den grond tusschen het hooge riet, uitrustende van den nachtelijken strooptocht. En daar, in die groote gaten in den grond, houden zich de wolf en de jakhals op, wachtende tot het vallen van den avond, om de overblijfselen te genieten van den maaltijd van den koning der dieren. Gras, steeds gras, van allerlei soort en grootte, dat is wat het landschap u aanbiedt, behalve de tot vijf voet hooge mierenhoopen, die bij duizenden het veld bedekken, en het voedsel verschaffen aan het aardvarken. In de verte, ten noorden, verheft zichThaba ’Nchuals een reusachtig rotsblok grijs-blauw afstekend tegen den donkerblauwen hemel.[4]Doch laten wij de natuur, en wenden wij ons tot den mensch, en wel tot die twee mannen, die daar op de wagenkist van den eersten wagen zitten. De eene is een jong man, van zoo wat 20 jaren. Zijn baard begint uit te komen, en op zijn bovenlippen merkt gij een dun snorbaardje. Hij is een ferme jonge Afrikaner, sterk en krachtig gebouwd, en hoewel zijn gelaat er zeer goedaardig uitziet, zoudt gij toch liever met hem samen eten dan samen vechten. Hij heeft een geweldig langen zweepstok in zijne handen, met de zweep waarvan hij soms klapt, dat de lucht er van davert, en de springbokken er van schrikken, en nu en dan roept hij uit: „Zwartland! Donkerland! Wildeman! trek, kerels; nog een paar dagen, dan kan jullie rust.” En de ossen, die zijn stem kennen en hem duidelijk verstaan, versnellen voor een oogenblik hunnen stap, om dan weder zwoegend en blazend hun ouden tred aan te nemen.„Stadig maar, Abraham” zegt de man, die naast hem op de wagenkist zit, „die pad is zwaar, en dit is opdraans.”De spreker is heel wat ouder dan de jonge man, dien wij zoo even beschreven hebben. Blijkbaar is hij een man dicht bij de vijftig, en tusschen de gitzwarte haren van zijn zware baard en snorbaard, vertoont zich hier en daar een grijs haartje. Maar[5]zijn gestalte is nog forsch en krachtig, en zijne schitterende zwarte oogen zijn levendig en vol vuur, en schijnen geen oogenblik stil in hunne kassen te staan. Zijn voorhoofd is hoog, doch gerimpeld, of laat mij liever zeggen, saamgetrokken tusschen de wenkbrauwen, want die rimpels zijn niet het gevolg van ouderdom, maar van zorg en zware gedachten. Tusschen zijn knieën houdt hij een geweldig groote „Sanna” vast, een dier roers, die kogels van zes op een pond schieten, en die gewoonlijk gebruikt worden om groot wild te schieten. Kruidhoorn en kogeltasch hangen ook hem over de schouders, maar niettegenstaande dit, dampt hij rustig voort uit een groote steenen pijp, waarvan het mondstuk kunstig uit hoorn gesneden is.De jongere man is Abraham Greyling; de oudere is zijn oom Pieter Retief, de leider van dezen trek, en voor ik verder ga, moet ik u het een en ander mededeelen van dezen man; want elk Afrikaner, wiens hart op de rechte plek klopt, kan niet anders dan met eerbied den naam van den grooten aanvoerder der Boeren noemen. Pieter Retief werd geboren op eene plaats nabij Wellington, en was een afstammeling van de oude Hugenoten of Fransche Vluchtelingen, die in 1688 naar Zuid-Afrika kwamen. Doch het stille bedaarde leven in het Westen[6]viel niet in den smaak van den rusteloozen, moedigen jongeling, en reeds vroeg trok hij oostwaarts en vestigde zich in de buurt van het tegenwoordige Grahamstown, en daar woonde hij toen in 1820 de Engelsche Settlers in Algoa Baai landden. Retief zag toen kans om geld te maken, en verkreeg van het Gouvernement het contract om de Settlers met de noodige voedingsmiddelen te voorzien. Niet alleen slaagde hij er in om een aardig sommetje hiermede te verdienen, maar hij geraakte ook in nadere aanraking met de Settlers, en won heel spoedig hunne achting. Ongelukkig echter waagde Retief zich aan bouwspeculaties. Hij kocht erven in de nieuw aangelegde dorpen der Settlers, bouwde er huizen op, maar verloor veel geld op deze wijze. Daarna verkocht hij zijne woonplaats en vestigde zich in 1830 in de Winterbergen. Ongetwijfeld zou het hem hier goed zijn gegaan, ware het niet dat in 1834 de Kafferoorlog uitbrak, die allen grensbewoners groote verliezen toebracht. Retief werd, bij het uitbreken van den oorlog, dadelijk gekozen tot Kommandant van zijn district, en zijne dapperheid en beleid bewezen dat zijne medeburgers geene slechte keuze hadden gedaan. Toen de oorlog voorbij was, was Retief armer dan te voren. Viel dit hem zwaar, nog zwaarder was het hem om te zien welke schandelijke politiek de Engelsche[7]regeering voerde tegenover de Kaffers, die den oorlog hadden veroorzaakt. De belangen en rechten der arme grensboeren werden geheel verwaarloosd, en in plaats van de Kaffers op hun plek te brengen en hun hun land te ontnemen, gaf het Gouvernement integendeel hun nog een strook grond, die reeds jarenlang aan de Kolonie had behoord. Retief begreep dat zulk eene handelwijze geheel verkeerd was tegenover de Kaffers, en dat noch leven noch eigendom der grensboeren op die wijze sekuur was. In overeenstemming met zijn gevoelen schreef hij een brief aan den Luitenant Gouverneur, den heer Stockenström, de gevaarlijke gevolgen van zulke politiek aanwijzende. Op dien brief ontving hij een scherp, onbeleefd antwoord. Juist in dien tijd hadden een aantal Winterbergsche boeren het plan opgevat, om evenals Potgieter en Maritz, hun geluk te gaan zoeken aan de andere zijde van de Oranjerivier, buiten de grenspalen der Kaapkolonie; en Retief verbolgen over de hem aangedane beleediging, besloot zich bij hen aan te sluiten. Dadelijk koos men hem als leider van den trek. Voor zijn vertrek deed Retief een document optrekken en in deGrahamstownJournal publiceeren, waarin hij kort en duidelijk de redenen uiteenzette, waarom de Emigranten de Kolonie verlieten.In het laatst van Januari 1837 begaf hij zich[8]op weg met zijne metgezellen; tellende de trek 108 blanke personen, en een aantal gekleurde dienstboden.Aldus kwam het dat wij Pieter Retief en zijn neef Abraham Greyling op den wagen vonden zitten in de grasvlakten aan gene zijde van de Oranjerivier.Het was reeds laat in den namiddag en de zon daalde snel naar het westen. Retief begon dan ook rond te zien naar een geschikte plek om den nacht door te brengen.„Abraham, daar ander kant de spruit bij die doornboomen zal ons uitspannen,” zeide hij tot zijn neef en zijn stem verheffende, riep hij luid: „David.” Op dit geroep kwam een jong man, die in de voorhoede bij de andere paardenruiters reed, snel aangereden.„David, rijd een beetje naar voren, en kijk of daar bij die klompie boomen water in de spruit is. Als daar niet water is, moet jij langs de spruit rijden, en kijken of jij niet een gat water ziet. Ons moet daar ergens uitspannen.”David Malan, een flinke jonge kerel van 19 jaar, liet zich dit niet tweemaal zeggen, maar zijn paard de teugels gevende, reed hij zijne makkers snel voorbij en bracht binnen tien minuten de tijding terug, dat kort onderkant de doornboomen er een groot gat water stond.De wagens waren spoedig de drift der spruit door,[9]en daarop werd uitgespannen. Terwijl de arme ossen naar het water liepen om hunnen dorst te lesschen, gaf Retief de order: „Lager maken.” Daarop volgde er een bezige drukte. Met vereende krachten werden de wagens in een grooten kring getrokken, zoo, dat de disselboom van den eenen wagen onder den daarvoor staanden wagen terecht kwam. Wel is waar vreesde Retief geen aanval van vijandige Kaffers, maar men was in een vreemd land en moest voorzorgsmaatregelen nemen, en bovendien had men ook rekening te houden met de wilde dieren des velds.Toen het lager gevormd was, klommen de vrouwen en kinderen uit de wagens; water werd uit de spruit gehaald, en een hoop takken uit de doornboomen gekapt voor „vuurmaakgoed.” Een halfuur daarna kookten de koffieketels en verspreidde er zich een aangename geur van gebraden wildvleesch.Terwijl de vrouwen hiermede bezig waren, gingen de mannen naar het vee. Beesten, paarden en schapen werden gedrenkt, en toen bij elkander gejaagd.„Kerels,” zeide Retief, „jullie zal van avond goed wacht moeten houden. Daar is niet hout hier om een kraal te maken, en die vee zal zoo buiten moeten slapen. De eene helft van het volk zal moet wacht houden tot twaalf uur, en twaalf van jullie[10]kerels zal met hen moeten opzitten; de andere helft van het volk en nog ander twaalf van jullie zal hullie dan moet aflossen tot dagbreek. Maar jullie moet oppassen dat jullie die vee bij malkaar houd, want anders is die leeuwen van nacht tusschen ons. En om die vee moet jullie groote vuren branden. Een spul van die volk moet gaan houtkappen bij die klompie doornboomen. Neef Stefanus (dit tot Stefanus Viljoen) ga jij toch een beetje met die volk samen, en laat hen net zooveel hout kappen als hullie kan.„Oom Piet (dit tot Piet Greyling, die als een soort veldkornet ageerde) stel een beetje vierentwintig man aan om van nacht wacht te houden.”Kort daarop was het volk hard bezig om de doornboomen kort en klein te slaan, en Oom Piet Greyling riep vierentwintig namen uit, en verdeelde ze in twee wachten. „Hans,” zeide hij tot een vreeselijk langen kerel, die dan ook den bijnaam van Lang Hans Malan droeg, „jij is van avond korporaal van die eerste wacht en Frans Joubert, jij is korporaal van die tweede wacht. En jullie past net op dat die gedierte niet tusschen die vee komt, anders zal de Kommandant leelijk met jullie raas.”De zon was een half uur daarna onder, en wierp hare laatste stralen op een niet onaardig tooneel. Binnen in het lager zaten of lagen de mannen koffie[11]te drinken en vleesch te eten. Vorken waren niet volop, maar dat kwam er ook minder op aan; de jongeren namen het vleesch tusschen hunne vingers, sneden dat met hunne zakmessen in reepen, of kloven de soppige ribbetjes af. De vrouwen zaten daartusschen op veldstoeltjes of bedienden de mannen, en hier hoorde men: „Tante Anne, geef me nog een ribbetje,” terwijl een ander zeide: „Mika, schenk nog koffie, kind; ik heb banja dorst.”Het begon juist te schemeren, toen Piet Greylings stem, als een bazuin gehoord werd, zeggende: „Toe, jullie kerels van die eerste wacht, dit is jullie tijd.” En de eerste twaalf grepen hunne geweren, kruid en kogeltasch, vulden hunne tabakszakken, staken toen een pijp op, en begaven zich op hunnen post. Korporaal Hans Malan wees ieder zijn plek aan, en waarschuwde hen om op het volk te passen, dat rondom een twintigtal helder brandende vuren zat, en het vee binnen den kring hield. Het stomme vee was echter aan deze behandeling gewoon, en alsof het wist, dat er buiten den kring gevaar voor hun leven bestond, legde het zich rustig neder. In het lager werd alles langzamerhand stiller en stiller, en eindelijk hoorde men niets anders dan het knetteren van het brandende hout, het proesten van het vee en het snorken der in de wagens slapenden. Doch[12]op eens deed zich een gebrul hooren als van een ver rollenden donder, hetwelk gevolgd werd door nog één en nog één. De leeuwen waren ontwaakt en trakteerden nu de trekkers op een brulconcert. De wachten gaven het volk order om de vuren helder in brand te houden, en hielpen om de beesten, die thans verschrikt opgesprongen waren, binnen den kring te houden. Boms! daar klonk een schot. „Wat is dit? Wat is dit?” klonk uit de wagens van veertig stemmen. „Dit’s niks nie, Oom Pieter,” riep David Malan, die ook in de eerste wacht was;„dit’s net een leeuw wat wou inkom. Maar hij het die kogel.”En hij stapte naar den dooden dierenkoning, die in werkelijkheid den kogel had, dwars door het hart. David had hem door het lange gras zien kruipen, dicht tusschen twee der vuren, op nog geen tien treden van hem, en in het onzekere licht had hij hem het doodschot gegeven.Hoewel de leeuwen nog steeds brulden, en de wolven en jakhalzen in het concert samenhuilden, waagde geen der dieren dien avond meer een aanval, en toen de opkomende morgenster den aanbrekenden dageraad aankondigde, was er zelfs niet een schaap verloren.Hoe menigen nacht, angstiger en banger dan deze[13]hebben die dappere voortrekkers niet doorgebracht! En wij, die thans rustig in onze bedden slapen in het land door hen voor ons bewoonbaar gemaakt, hoe weinig denken wij er aan, wat onze voorouders geleden en hoe zij gestreden hebben![14]
[Inhoud]HOOFDSTUK I.HOOFDSTUK I.Op de groote vlakte tusschen de plek, waar tegenwoordig de Wets Dorp staat en den trotschen berg Thaba ’Nchu, bewoog zich op den 2denApril 1837 een lange trein wagens.Voorop reden een tiental ruiters, allen met het geweer op den zadelknop rustende, terwijl kruithoorn en kogeltasch hen over de schouders hingen. Dan volgden de wagens, zoowat veertig in getal; zware, logge gevaarten, doch ijzersterk, en sommige bespannen met zestien, andere met achttien langhoornige ossen, welken laatsten men het kon aanzien, dat zij zware vrachten trokken. Ten laatste volgden[2]er een tal van beesten, paarden en schapen, gedreven door kleurlingen, sommigen te paard, anderen te voet, terwijl ook eenige blanken te paard links en rechts van het vee reden, evengoed gewapend als zij, die de voorhoede vormden. De weg was droog en zanderig, en de wielen der wagens sneden er diepe sporen in. Een eigenlijk gebaande weg was er niet; slechts een paar wagensporen slingerden zich door het hoog wuivende gras.De geheele omgeving bewees dat men zich in een woest, half bewoond land bevond; ja, men zou bijna zeggen een geheel onbewoond land. Geen enkele menschenwoning vertoonde zich aan het oog; slechts hier en daar zag men eenige oude, verwoeste Kaffer-kralen, waarbij dikwijls menschelijke geraamten of beenderen lagen. Die geraamten waren de overblijfselen der bewoners dier Kaffer-kralen, welke de slachtoffers geworden waren van de woeste krijgers van Moselikatse, den geduchten koning der Matabeles. Waar diens benden strooptochten hadden gehouden, werd geen menschelijk wezen meer gevonden; slechts dood en verderf lieten zij achter zich. Verder zag men niets dan hoog opwuivend gras, en ontelbare troepen van wilde bokken van allerlei soort. Dáár pronkten duizenden van springbokken; hier weidden een dertigtal gemsbokken, die nu en dan, als uit[3]nieuwsgierigheid hunne koppen optilden, zoodat hunne lange horens op hunne ruggen lagen; daar weder stond een troepje blauwe wildebeesten, bewaakt door een paar oude bullen, die er norsch en kwaadaardig uitzagen; en wat verder stapten met statigen tred een tiental elanden, met eene houding die duidelijk te kennen gaf, dat zij van dat „kleine wild” geen notitie namen.Maar er was ook ander wild van min vreedzamen aard, dat zich echter thans niet vertoonde, doch zich schuilhield totdat de duisternis de aarde zou bedekt hebben. Indien gij daar langs die spruit ging, zoudt gij den leeuw, zijne echtgenoote en zijne welpen zien, uitgestrekt op den grond tusschen het hooge riet, uitrustende van den nachtelijken strooptocht. En daar, in die groote gaten in den grond, houden zich de wolf en de jakhals op, wachtende tot het vallen van den avond, om de overblijfselen te genieten van den maaltijd van den koning der dieren. Gras, steeds gras, van allerlei soort en grootte, dat is wat het landschap u aanbiedt, behalve de tot vijf voet hooge mierenhoopen, die bij duizenden het veld bedekken, en het voedsel verschaffen aan het aardvarken. In de verte, ten noorden, verheft zichThaba ’Nchuals een reusachtig rotsblok grijs-blauw afstekend tegen den donkerblauwen hemel.[4]Doch laten wij de natuur, en wenden wij ons tot den mensch, en wel tot die twee mannen, die daar op de wagenkist van den eersten wagen zitten. De eene is een jong man, van zoo wat 20 jaren. Zijn baard begint uit te komen, en op zijn bovenlippen merkt gij een dun snorbaardje. Hij is een ferme jonge Afrikaner, sterk en krachtig gebouwd, en hoewel zijn gelaat er zeer goedaardig uitziet, zoudt gij toch liever met hem samen eten dan samen vechten. Hij heeft een geweldig langen zweepstok in zijne handen, met de zweep waarvan hij soms klapt, dat de lucht er van davert, en de springbokken er van schrikken, en nu en dan roept hij uit: „Zwartland! Donkerland! Wildeman! trek, kerels; nog een paar dagen, dan kan jullie rust.” En de ossen, die zijn stem kennen en hem duidelijk verstaan, versnellen voor een oogenblik hunnen stap, om dan weder zwoegend en blazend hun ouden tred aan te nemen.„Stadig maar, Abraham” zegt de man, die naast hem op de wagenkist zit, „die pad is zwaar, en dit is opdraans.”De spreker is heel wat ouder dan de jonge man, dien wij zoo even beschreven hebben. Blijkbaar is hij een man dicht bij de vijftig, en tusschen de gitzwarte haren van zijn zware baard en snorbaard, vertoont zich hier en daar een grijs haartje. Maar[5]zijn gestalte is nog forsch en krachtig, en zijne schitterende zwarte oogen zijn levendig en vol vuur, en schijnen geen oogenblik stil in hunne kassen te staan. Zijn voorhoofd is hoog, doch gerimpeld, of laat mij liever zeggen, saamgetrokken tusschen de wenkbrauwen, want die rimpels zijn niet het gevolg van ouderdom, maar van zorg en zware gedachten. Tusschen zijn knieën houdt hij een geweldig groote „Sanna” vast, een dier roers, die kogels van zes op een pond schieten, en die gewoonlijk gebruikt worden om groot wild te schieten. Kruidhoorn en kogeltasch hangen ook hem over de schouders, maar niettegenstaande dit, dampt hij rustig voort uit een groote steenen pijp, waarvan het mondstuk kunstig uit hoorn gesneden is.De jongere man is Abraham Greyling; de oudere is zijn oom Pieter Retief, de leider van dezen trek, en voor ik verder ga, moet ik u het een en ander mededeelen van dezen man; want elk Afrikaner, wiens hart op de rechte plek klopt, kan niet anders dan met eerbied den naam van den grooten aanvoerder der Boeren noemen. Pieter Retief werd geboren op eene plaats nabij Wellington, en was een afstammeling van de oude Hugenoten of Fransche Vluchtelingen, die in 1688 naar Zuid-Afrika kwamen. Doch het stille bedaarde leven in het Westen[6]viel niet in den smaak van den rusteloozen, moedigen jongeling, en reeds vroeg trok hij oostwaarts en vestigde zich in de buurt van het tegenwoordige Grahamstown, en daar woonde hij toen in 1820 de Engelsche Settlers in Algoa Baai landden. Retief zag toen kans om geld te maken, en verkreeg van het Gouvernement het contract om de Settlers met de noodige voedingsmiddelen te voorzien. Niet alleen slaagde hij er in om een aardig sommetje hiermede te verdienen, maar hij geraakte ook in nadere aanraking met de Settlers, en won heel spoedig hunne achting. Ongelukkig echter waagde Retief zich aan bouwspeculaties. Hij kocht erven in de nieuw aangelegde dorpen der Settlers, bouwde er huizen op, maar verloor veel geld op deze wijze. Daarna verkocht hij zijne woonplaats en vestigde zich in 1830 in de Winterbergen. Ongetwijfeld zou het hem hier goed zijn gegaan, ware het niet dat in 1834 de Kafferoorlog uitbrak, die allen grensbewoners groote verliezen toebracht. Retief werd, bij het uitbreken van den oorlog, dadelijk gekozen tot Kommandant van zijn district, en zijne dapperheid en beleid bewezen dat zijne medeburgers geene slechte keuze hadden gedaan. Toen de oorlog voorbij was, was Retief armer dan te voren. Viel dit hem zwaar, nog zwaarder was het hem om te zien welke schandelijke politiek de Engelsche[7]regeering voerde tegenover de Kaffers, die den oorlog hadden veroorzaakt. De belangen en rechten der arme grensboeren werden geheel verwaarloosd, en in plaats van de Kaffers op hun plek te brengen en hun hun land te ontnemen, gaf het Gouvernement integendeel hun nog een strook grond, die reeds jarenlang aan de Kolonie had behoord. Retief begreep dat zulk eene handelwijze geheel verkeerd was tegenover de Kaffers, en dat noch leven noch eigendom der grensboeren op die wijze sekuur was. In overeenstemming met zijn gevoelen schreef hij een brief aan den Luitenant Gouverneur, den heer Stockenström, de gevaarlijke gevolgen van zulke politiek aanwijzende. Op dien brief ontving hij een scherp, onbeleefd antwoord. Juist in dien tijd hadden een aantal Winterbergsche boeren het plan opgevat, om evenals Potgieter en Maritz, hun geluk te gaan zoeken aan de andere zijde van de Oranjerivier, buiten de grenspalen der Kaapkolonie; en Retief verbolgen over de hem aangedane beleediging, besloot zich bij hen aan te sluiten. Dadelijk koos men hem als leider van den trek. Voor zijn vertrek deed Retief een document optrekken en in deGrahamstownJournal publiceeren, waarin hij kort en duidelijk de redenen uiteenzette, waarom de Emigranten de Kolonie verlieten.In het laatst van Januari 1837 begaf hij zich[8]op weg met zijne metgezellen; tellende de trek 108 blanke personen, en een aantal gekleurde dienstboden.Aldus kwam het dat wij Pieter Retief en zijn neef Abraham Greyling op den wagen vonden zitten in de grasvlakten aan gene zijde van de Oranjerivier.Het was reeds laat in den namiddag en de zon daalde snel naar het westen. Retief begon dan ook rond te zien naar een geschikte plek om den nacht door te brengen.„Abraham, daar ander kant de spruit bij die doornboomen zal ons uitspannen,” zeide hij tot zijn neef en zijn stem verheffende, riep hij luid: „David.” Op dit geroep kwam een jong man, die in de voorhoede bij de andere paardenruiters reed, snel aangereden.„David, rijd een beetje naar voren, en kijk of daar bij die klompie boomen water in de spruit is. Als daar niet water is, moet jij langs de spruit rijden, en kijken of jij niet een gat water ziet. Ons moet daar ergens uitspannen.”David Malan, een flinke jonge kerel van 19 jaar, liet zich dit niet tweemaal zeggen, maar zijn paard de teugels gevende, reed hij zijne makkers snel voorbij en bracht binnen tien minuten de tijding terug, dat kort onderkant de doornboomen er een groot gat water stond.De wagens waren spoedig de drift der spruit door,[9]en daarop werd uitgespannen. Terwijl de arme ossen naar het water liepen om hunnen dorst te lesschen, gaf Retief de order: „Lager maken.” Daarop volgde er een bezige drukte. Met vereende krachten werden de wagens in een grooten kring getrokken, zoo, dat de disselboom van den eenen wagen onder den daarvoor staanden wagen terecht kwam. Wel is waar vreesde Retief geen aanval van vijandige Kaffers, maar men was in een vreemd land en moest voorzorgsmaatregelen nemen, en bovendien had men ook rekening te houden met de wilde dieren des velds.Toen het lager gevormd was, klommen de vrouwen en kinderen uit de wagens; water werd uit de spruit gehaald, en een hoop takken uit de doornboomen gekapt voor „vuurmaakgoed.” Een halfuur daarna kookten de koffieketels en verspreidde er zich een aangename geur van gebraden wildvleesch.Terwijl de vrouwen hiermede bezig waren, gingen de mannen naar het vee. Beesten, paarden en schapen werden gedrenkt, en toen bij elkander gejaagd.„Kerels,” zeide Retief, „jullie zal van avond goed wacht moeten houden. Daar is niet hout hier om een kraal te maken, en die vee zal zoo buiten moeten slapen. De eene helft van het volk zal moet wacht houden tot twaalf uur, en twaalf van jullie[10]kerels zal met hen moeten opzitten; de andere helft van het volk en nog ander twaalf van jullie zal hullie dan moet aflossen tot dagbreek. Maar jullie moet oppassen dat jullie die vee bij malkaar houd, want anders is die leeuwen van nacht tusschen ons. En om die vee moet jullie groote vuren branden. Een spul van die volk moet gaan houtkappen bij die klompie doornboomen. Neef Stefanus (dit tot Stefanus Viljoen) ga jij toch een beetje met die volk samen, en laat hen net zooveel hout kappen als hullie kan.„Oom Piet (dit tot Piet Greyling, die als een soort veldkornet ageerde) stel een beetje vierentwintig man aan om van nacht wacht te houden.”Kort daarop was het volk hard bezig om de doornboomen kort en klein te slaan, en Oom Piet Greyling riep vierentwintig namen uit, en verdeelde ze in twee wachten. „Hans,” zeide hij tot een vreeselijk langen kerel, die dan ook den bijnaam van Lang Hans Malan droeg, „jij is van avond korporaal van die eerste wacht en Frans Joubert, jij is korporaal van die tweede wacht. En jullie past net op dat die gedierte niet tusschen die vee komt, anders zal de Kommandant leelijk met jullie raas.”De zon was een half uur daarna onder, en wierp hare laatste stralen op een niet onaardig tooneel. Binnen in het lager zaten of lagen de mannen koffie[11]te drinken en vleesch te eten. Vorken waren niet volop, maar dat kwam er ook minder op aan; de jongeren namen het vleesch tusschen hunne vingers, sneden dat met hunne zakmessen in reepen, of kloven de soppige ribbetjes af. De vrouwen zaten daartusschen op veldstoeltjes of bedienden de mannen, en hier hoorde men: „Tante Anne, geef me nog een ribbetje,” terwijl een ander zeide: „Mika, schenk nog koffie, kind; ik heb banja dorst.”Het begon juist te schemeren, toen Piet Greylings stem, als een bazuin gehoord werd, zeggende: „Toe, jullie kerels van die eerste wacht, dit is jullie tijd.” En de eerste twaalf grepen hunne geweren, kruid en kogeltasch, vulden hunne tabakszakken, staken toen een pijp op, en begaven zich op hunnen post. Korporaal Hans Malan wees ieder zijn plek aan, en waarschuwde hen om op het volk te passen, dat rondom een twintigtal helder brandende vuren zat, en het vee binnen den kring hield. Het stomme vee was echter aan deze behandeling gewoon, en alsof het wist, dat er buiten den kring gevaar voor hun leven bestond, legde het zich rustig neder. In het lager werd alles langzamerhand stiller en stiller, en eindelijk hoorde men niets anders dan het knetteren van het brandende hout, het proesten van het vee en het snorken der in de wagens slapenden. Doch[12]op eens deed zich een gebrul hooren als van een ver rollenden donder, hetwelk gevolgd werd door nog één en nog één. De leeuwen waren ontwaakt en trakteerden nu de trekkers op een brulconcert. De wachten gaven het volk order om de vuren helder in brand te houden, en hielpen om de beesten, die thans verschrikt opgesprongen waren, binnen den kring te houden. Boms! daar klonk een schot. „Wat is dit? Wat is dit?” klonk uit de wagens van veertig stemmen. „Dit’s niks nie, Oom Pieter,” riep David Malan, die ook in de eerste wacht was;„dit’s net een leeuw wat wou inkom. Maar hij het die kogel.”En hij stapte naar den dooden dierenkoning, die in werkelijkheid den kogel had, dwars door het hart. David had hem door het lange gras zien kruipen, dicht tusschen twee der vuren, op nog geen tien treden van hem, en in het onzekere licht had hij hem het doodschot gegeven.Hoewel de leeuwen nog steeds brulden, en de wolven en jakhalzen in het concert samenhuilden, waagde geen der dieren dien avond meer een aanval, en toen de opkomende morgenster den aanbrekenden dageraad aankondigde, was er zelfs niet een schaap verloren.Hoe menigen nacht, angstiger en banger dan deze[13]hebben die dappere voortrekkers niet doorgebracht! En wij, die thans rustig in onze bedden slapen in het land door hen voor ons bewoonbaar gemaakt, hoe weinig denken wij er aan, wat onze voorouders geleden en hoe zij gestreden hebben![14]
HOOFDSTUK I.HOOFDSTUK I.
HOOFDSTUK I.
Op de groote vlakte tusschen de plek, waar tegenwoordig de Wets Dorp staat en den trotschen berg Thaba ’Nchu, bewoog zich op den 2denApril 1837 een lange trein wagens.Voorop reden een tiental ruiters, allen met het geweer op den zadelknop rustende, terwijl kruithoorn en kogeltasch hen over de schouders hingen. Dan volgden de wagens, zoowat veertig in getal; zware, logge gevaarten, doch ijzersterk, en sommige bespannen met zestien, andere met achttien langhoornige ossen, welken laatsten men het kon aanzien, dat zij zware vrachten trokken. Ten laatste volgden[2]er een tal van beesten, paarden en schapen, gedreven door kleurlingen, sommigen te paard, anderen te voet, terwijl ook eenige blanken te paard links en rechts van het vee reden, evengoed gewapend als zij, die de voorhoede vormden. De weg was droog en zanderig, en de wielen der wagens sneden er diepe sporen in. Een eigenlijk gebaande weg was er niet; slechts een paar wagensporen slingerden zich door het hoog wuivende gras.De geheele omgeving bewees dat men zich in een woest, half bewoond land bevond; ja, men zou bijna zeggen een geheel onbewoond land. Geen enkele menschenwoning vertoonde zich aan het oog; slechts hier en daar zag men eenige oude, verwoeste Kaffer-kralen, waarbij dikwijls menschelijke geraamten of beenderen lagen. Die geraamten waren de overblijfselen der bewoners dier Kaffer-kralen, welke de slachtoffers geworden waren van de woeste krijgers van Moselikatse, den geduchten koning der Matabeles. Waar diens benden strooptochten hadden gehouden, werd geen menschelijk wezen meer gevonden; slechts dood en verderf lieten zij achter zich. Verder zag men niets dan hoog opwuivend gras, en ontelbare troepen van wilde bokken van allerlei soort. Dáár pronkten duizenden van springbokken; hier weidden een dertigtal gemsbokken, die nu en dan, als uit[3]nieuwsgierigheid hunne koppen optilden, zoodat hunne lange horens op hunne ruggen lagen; daar weder stond een troepje blauwe wildebeesten, bewaakt door een paar oude bullen, die er norsch en kwaadaardig uitzagen; en wat verder stapten met statigen tred een tiental elanden, met eene houding die duidelijk te kennen gaf, dat zij van dat „kleine wild” geen notitie namen.Maar er was ook ander wild van min vreedzamen aard, dat zich echter thans niet vertoonde, doch zich schuilhield totdat de duisternis de aarde zou bedekt hebben. Indien gij daar langs die spruit ging, zoudt gij den leeuw, zijne echtgenoote en zijne welpen zien, uitgestrekt op den grond tusschen het hooge riet, uitrustende van den nachtelijken strooptocht. En daar, in die groote gaten in den grond, houden zich de wolf en de jakhals op, wachtende tot het vallen van den avond, om de overblijfselen te genieten van den maaltijd van den koning der dieren. Gras, steeds gras, van allerlei soort en grootte, dat is wat het landschap u aanbiedt, behalve de tot vijf voet hooge mierenhoopen, die bij duizenden het veld bedekken, en het voedsel verschaffen aan het aardvarken. In de verte, ten noorden, verheft zichThaba ’Nchuals een reusachtig rotsblok grijs-blauw afstekend tegen den donkerblauwen hemel.[4]Doch laten wij de natuur, en wenden wij ons tot den mensch, en wel tot die twee mannen, die daar op de wagenkist van den eersten wagen zitten. De eene is een jong man, van zoo wat 20 jaren. Zijn baard begint uit te komen, en op zijn bovenlippen merkt gij een dun snorbaardje. Hij is een ferme jonge Afrikaner, sterk en krachtig gebouwd, en hoewel zijn gelaat er zeer goedaardig uitziet, zoudt gij toch liever met hem samen eten dan samen vechten. Hij heeft een geweldig langen zweepstok in zijne handen, met de zweep waarvan hij soms klapt, dat de lucht er van davert, en de springbokken er van schrikken, en nu en dan roept hij uit: „Zwartland! Donkerland! Wildeman! trek, kerels; nog een paar dagen, dan kan jullie rust.” En de ossen, die zijn stem kennen en hem duidelijk verstaan, versnellen voor een oogenblik hunnen stap, om dan weder zwoegend en blazend hun ouden tred aan te nemen.„Stadig maar, Abraham” zegt de man, die naast hem op de wagenkist zit, „die pad is zwaar, en dit is opdraans.”De spreker is heel wat ouder dan de jonge man, dien wij zoo even beschreven hebben. Blijkbaar is hij een man dicht bij de vijftig, en tusschen de gitzwarte haren van zijn zware baard en snorbaard, vertoont zich hier en daar een grijs haartje. Maar[5]zijn gestalte is nog forsch en krachtig, en zijne schitterende zwarte oogen zijn levendig en vol vuur, en schijnen geen oogenblik stil in hunne kassen te staan. Zijn voorhoofd is hoog, doch gerimpeld, of laat mij liever zeggen, saamgetrokken tusschen de wenkbrauwen, want die rimpels zijn niet het gevolg van ouderdom, maar van zorg en zware gedachten. Tusschen zijn knieën houdt hij een geweldig groote „Sanna” vast, een dier roers, die kogels van zes op een pond schieten, en die gewoonlijk gebruikt worden om groot wild te schieten. Kruidhoorn en kogeltasch hangen ook hem over de schouders, maar niettegenstaande dit, dampt hij rustig voort uit een groote steenen pijp, waarvan het mondstuk kunstig uit hoorn gesneden is.De jongere man is Abraham Greyling; de oudere is zijn oom Pieter Retief, de leider van dezen trek, en voor ik verder ga, moet ik u het een en ander mededeelen van dezen man; want elk Afrikaner, wiens hart op de rechte plek klopt, kan niet anders dan met eerbied den naam van den grooten aanvoerder der Boeren noemen. Pieter Retief werd geboren op eene plaats nabij Wellington, en was een afstammeling van de oude Hugenoten of Fransche Vluchtelingen, die in 1688 naar Zuid-Afrika kwamen. Doch het stille bedaarde leven in het Westen[6]viel niet in den smaak van den rusteloozen, moedigen jongeling, en reeds vroeg trok hij oostwaarts en vestigde zich in de buurt van het tegenwoordige Grahamstown, en daar woonde hij toen in 1820 de Engelsche Settlers in Algoa Baai landden. Retief zag toen kans om geld te maken, en verkreeg van het Gouvernement het contract om de Settlers met de noodige voedingsmiddelen te voorzien. Niet alleen slaagde hij er in om een aardig sommetje hiermede te verdienen, maar hij geraakte ook in nadere aanraking met de Settlers, en won heel spoedig hunne achting. Ongelukkig echter waagde Retief zich aan bouwspeculaties. Hij kocht erven in de nieuw aangelegde dorpen der Settlers, bouwde er huizen op, maar verloor veel geld op deze wijze. Daarna verkocht hij zijne woonplaats en vestigde zich in 1830 in de Winterbergen. Ongetwijfeld zou het hem hier goed zijn gegaan, ware het niet dat in 1834 de Kafferoorlog uitbrak, die allen grensbewoners groote verliezen toebracht. Retief werd, bij het uitbreken van den oorlog, dadelijk gekozen tot Kommandant van zijn district, en zijne dapperheid en beleid bewezen dat zijne medeburgers geene slechte keuze hadden gedaan. Toen de oorlog voorbij was, was Retief armer dan te voren. Viel dit hem zwaar, nog zwaarder was het hem om te zien welke schandelijke politiek de Engelsche[7]regeering voerde tegenover de Kaffers, die den oorlog hadden veroorzaakt. De belangen en rechten der arme grensboeren werden geheel verwaarloosd, en in plaats van de Kaffers op hun plek te brengen en hun hun land te ontnemen, gaf het Gouvernement integendeel hun nog een strook grond, die reeds jarenlang aan de Kolonie had behoord. Retief begreep dat zulk eene handelwijze geheel verkeerd was tegenover de Kaffers, en dat noch leven noch eigendom der grensboeren op die wijze sekuur was. In overeenstemming met zijn gevoelen schreef hij een brief aan den Luitenant Gouverneur, den heer Stockenström, de gevaarlijke gevolgen van zulke politiek aanwijzende. Op dien brief ontving hij een scherp, onbeleefd antwoord. Juist in dien tijd hadden een aantal Winterbergsche boeren het plan opgevat, om evenals Potgieter en Maritz, hun geluk te gaan zoeken aan de andere zijde van de Oranjerivier, buiten de grenspalen der Kaapkolonie; en Retief verbolgen over de hem aangedane beleediging, besloot zich bij hen aan te sluiten. Dadelijk koos men hem als leider van den trek. Voor zijn vertrek deed Retief een document optrekken en in deGrahamstownJournal publiceeren, waarin hij kort en duidelijk de redenen uiteenzette, waarom de Emigranten de Kolonie verlieten.In het laatst van Januari 1837 begaf hij zich[8]op weg met zijne metgezellen; tellende de trek 108 blanke personen, en een aantal gekleurde dienstboden.Aldus kwam het dat wij Pieter Retief en zijn neef Abraham Greyling op den wagen vonden zitten in de grasvlakten aan gene zijde van de Oranjerivier.Het was reeds laat in den namiddag en de zon daalde snel naar het westen. Retief begon dan ook rond te zien naar een geschikte plek om den nacht door te brengen.„Abraham, daar ander kant de spruit bij die doornboomen zal ons uitspannen,” zeide hij tot zijn neef en zijn stem verheffende, riep hij luid: „David.” Op dit geroep kwam een jong man, die in de voorhoede bij de andere paardenruiters reed, snel aangereden.„David, rijd een beetje naar voren, en kijk of daar bij die klompie boomen water in de spruit is. Als daar niet water is, moet jij langs de spruit rijden, en kijken of jij niet een gat water ziet. Ons moet daar ergens uitspannen.”David Malan, een flinke jonge kerel van 19 jaar, liet zich dit niet tweemaal zeggen, maar zijn paard de teugels gevende, reed hij zijne makkers snel voorbij en bracht binnen tien minuten de tijding terug, dat kort onderkant de doornboomen er een groot gat water stond.De wagens waren spoedig de drift der spruit door,[9]en daarop werd uitgespannen. Terwijl de arme ossen naar het water liepen om hunnen dorst te lesschen, gaf Retief de order: „Lager maken.” Daarop volgde er een bezige drukte. Met vereende krachten werden de wagens in een grooten kring getrokken, zoo, dat de disselboom van den eenen wagen onder den daarvoor staanden wagen terecht kwam. Wel is waar vreesde Retief geen aanval van vijandige Kaffers, maar men was in een vreemd land en moest voorzorgsmaatregelen nemen, en bovendien had men ook rekening te houden met de wilde dieren des velds.Toen het lager gevormd was, klommen de vrouwen en kinderen uit de wagens; water werd uit de spruit gehaald, en een hoop takken uit de doornboomen gekapt voor „vuurmaakgoed.” Een halfuur daarna kookten de koffieketels en verspreidde er zich een aangename geur van gebraden wildvleesch.Terwijl de vrouwen hiermede bezig waren, gingen de mannen naar het vee. Beesten, paarden en schapen werden gedrenkt, en toen bij elkander gejaagd.„Kerels,” zeide Retief, „jullie zal van avond goed wacht moeten houden. Daar is niet hout hier om een kraal te maken, en die vee zal zoo buiten moeten slapen. De eene helft van het volk zal moet wacht houden tot twaalf uur, en twaalf van jullie[10]kerels zal met hen moeten opzitten; de andere helft van het volk en nog ander twaalf van jullie zal hullie dan moet aflossen tot dagbreek. Maar jullie moet oppassen dat jullie die vee bij malkaar houd, want anders is die leeuwen van nacht tusschen ons. En om die vee moet jullie groote vuren branden. Een spul van die volk moet gaan houtkappen bij die klompie doornboomen. Neef Stefanus (dit tot Stefanus Viljoen) ga jij toch een beetje met die volk samen, en laat hen net zooveel hout kappen als hullie kan.„Oom Piet (dit tot Piet Greyling, die als een soort veldkornet ageerde) stel een beetje vierentwintig man aan om van nacht wacht te houden.”Kort daarop was het volk hard bezig om de doornboomen kort en klein te slaan, en Oom Piet Greyling riep vierentwintig namen uit, en verdeelde ze in twee wachten. „Hans,” zeide hij tot een vreeselijk langen kerel, die dan ook den bijnaam van Lang Hans Malan droeg, „jij is van avond korporaal van die eerste wacht en Frans Joubert, jij is korporaal van die tweede wacht. En jullie past net op dat die gedierte niet tusschen die vee komt, anders zal de Kommandant leelijk met jullie raas.”De zon was een half uur daarna onder, en wierp hare laatste stralen op een niet onaardig tooneel. Binnen in het lager zaten of lagen de mannen koffie[11]te drinken en vleesch te eten. Vorken waren niet volop, maar dat kwam er ook minder op aan; de jongeren namen het vleesch tusschen hunne vingers, sneden dat met hunne zakmessen in reepen, of kloven de soppige ribbetjes af. De vrouwen zaten daartusschen op veldstoeltjes of bedienden de mannen, en hier hoorde men: „Tante Anne, geef me nog een ribbetje,” terwijl een ander zeide: „Mika, schenk nog koffie, kind; ik heb banja dorst.”Het begon juist te schemeren, toen Piet Greylings stem, als een bazuin gehoord werd, zeggende: „Toe, jullie kerels van die eerste wacht, dit is jullie tijd.” En de eerste twaalf grepen hunne geweren, kruid en kogeltasch, vulden hunne tabakszakken, staken toen een pijp op, en begaven zich op hunnen post. Korporaal Hans Malan wees ieder zijn plek aan, en waarschuwde hen om op het volk te passen, dat rondom een twintigtal helder brandende vuren zat, en het vee binnen den kring hield. Het stomme vee was echter aan deze behandeling gewoon, en alsof het wist, dat er buiten den kring gevaar voor hun leven bestond, legde het zich rustig neder. In het lager werd alles langzamerhand stiller en stiller, en eindelijk hoorde men niets anders dan het knetteren van het brandende hout, het proesten van het vee en het snorken der in de wagens slapenden. Doch[12]op eens deed zich een gebrul hooren als van een ver rollenden donder, hetwelk gevolgd werd door nog één en nog één. De leeuwen waren ontwaakt en trakteerden nu de trekkers op een brulconcert. De wachten gaven het volk order om de vuren helder in brand te houden, en hielpen om de beesten, die thans verschrikt opgesprongen waren, binnen den kring te houden. Boms! daar klonk een schot. „Wat is dit? Wat is dit?” klonk uit de wagens van veertig stemmen. „Dit’s niks nie, Oom Pieter,” riep David Malan, die ook in de eerste wacht was;„dit’s net een leeuw wat wou inkom. Maar hij het die kogel.”En hij stapte naar den dooden dierenkoning, die in werkelijkheid den kogel had, dwars door het hart. David had hem door het lange gras zien kruipen, dicht tusschen twee der vuren, op nog geen tien treden van hem, en in het onzekere licht had hij hem het doodschot gegeven.Hoewel de leeuwen nog steeds brulden, en de wolven en jakhalzen in het concert samenhuilden, waagde geen der dieren dien avond meer een aanval, en toen de opkomende morgenster den aanbrekenden dageraad aankondigde, was er zelfs niet een schaap verloren.Hoe menigen nacht, angstiger en banger dan deze[13]hebben die dappere voortrekkers niet doorgebracht! En wij, die thans rustig in onze bedden slapen in het land door hen voor ons bewoonbaar gemaakt, hoe weinig denken wij er aan, wat onze voorouders geleden en hoe zij gestreden hebben![14]
Op de groote vlakte tusschen de plek, waar tegenwoordig de Wets Dorp staat en den trotschen berg Thaba ’Nchu, bewoog zich op den 2denApril 1837 een lange trein wagens.
Voorop reden een tiental ruiters, allen met het geweer op den zadelknop rustende, terwijl kruithoorn en kogeltasch hen over de schouders hingen. Dan volgden de wagens, zoowat veertig in getal; zware, logge gevaarten, doch ijzersterk, en sommige bespannen met zestien, andere met achttien langhoornige ossen, welken laatsten men het kon aanzien, dat zij zware vrachten trokken. Ten laatste volgden[2]er een tal van beesten, paarden en schapen, gedreven door kleurlingen, sommigen te paard, anderen te voet, terwijl ook eenige blanken te paard links en rechts van het vee reden, evengoed gewapend als zij, die de voorhoede vormden. De weg was droog en zanderig, en de wielen der wagens sneden er diepe sporen in. Een eigenlijk gebaande weg was er niet; slechts een paar wagensporen slingerden zich door het hoog wuivende gras.
De geheele omgeving bewees dat men zich in een woest, half bewoond land bevond; ja, men zou bijna zeggen een geheel onbewoond land. Geen enkele menschenwoning vertoonde zich aan het oog; slechts hier en daar zag men eenige oude, verwoeste Kaffer-kralen, waarbij dikwijls menschelijke geraamten of beenderen lagen. Die geraamten waren de overblijfselen der bewoners dier Kaffer-kralen, welke de slachtoffers geworden waren van de woeste krijgers van Moselikatse, den geduchten koning der Matabeles. Waar diens benden strooptochten hadden gehouden, werd geen menschelijk wezen meer gevonden; slechts dood en verderf lieten zij achter zich. Verder zag men niets dan hoog opwuivend gras, en ontelbare troepen van wilde bokken van allerlei soort. Dáár pronkten duizenden van springbokken; hier weidden een dertigtal gemsbokken, die nu en dan, als uit[3]nieuwsgierigheid hunne koppen optilden, zoodat hunne lange horens op hunne ruggen lagen; daar weder stond een troepje blauwe wildebeesten, bewaakt door een paar oude bullen, die er norsch en kwaadaardig uitzagen; en wat verder stapten met statigen tred een tiental elanden, met eene houding die duidelijk te kennen gaf, dat zij van dat „kleine wild” geen notitie namen.
Maar er was ook ander wild van min vreedzamen aard, dat zich echter thans niet vertoonde, doch zich schuilhield totdat de duisternis de aarde zou bedekt hebben. Indien gij daar langs die spruit ging, zoudt gij den leeuw, zijne echtgenoote en zijne welpen zien, uitgestrekt op den grond tusschen het hooge riet, uitrustende van den nachtelijken strooptocht. En daar, in die groote gaten in den grond, houden zich de wolf en de jakhals op, wachtende tot het vallen van den avond, om de overblijfselen te genieten van den maaltijd van den koning der dieren. Gras, steeds gras, van allerlei soort en grootte, dat is wat het landschap u aanbiedt, behalve de tot vijf voet hooge mierenhoopen, die bij duizenden het veld bedekken, en het voedsel verschaffen aan het aardvarken. In de verte, ten noorden, verheft zichThaba ’Nchuals een reusachtig rotsblok grijs-blauw afstekend tegen den donkerblauwen hemel.[4]
Doch laten wij de natuur, en wenden wij ons tot den mensch, en wel tot die twee mannen, die daar op de wagenkist van den eersten wagen zitten. De eene is een jong man, van zoo wat 20 jaren. Zijn baard begint uit te komen, en op zijn bovenlippen merkt gij een dun snorbaardje. Hij is een ferme jonge Afrikaner, sterk en krachtig gebouwd, en hoewel zijn gelaat er zeer goedaardig uitziet, zoudt gij toch liever met hem samen eten dan samen vechten. Hij heeft een geweldig langen zweepstok in zijne handen, met de zweep waarvan hij soms klapt, dat de lucht er van davert, en de springbokken er van schrikken, en nu en dan roept hij uit: „Zwartland! Donkerland! Wildeman! trek, kerels; nog een paar dagen, dan kan jullie rust.” En de ossen, die zijn stem kennen en hem duidelijk verstaan, versnellen voor een oogenblik hunnen stap, om dan weder zwoegend en blazend hun ouden tred aan te nemen.
„Stadig maar, Abraham” zegt de man, die naast hem op de wagenkist zit, „die pad is zwaar, en dit is opdraans.”
De spreker is heel wat ouder dan de jonge man, dien wij zoo even beschreven hebben. Blijkbaar is hij een man dicht bij de vijftig, en tusschen de gitzwarte haren van zijn zware baard en snorbaard, vertoont zich hier en daar een grijs haartje. Maar[5]zijn gestalte is nog forsch en krachtig, en zijne schitterende zwarte oogen zijn levendig en vol vuur, en schijnen geen oogenblik stil in hunne kassen te staan. Zijn voorhoofd is hoog, doch gerimpeld, of laat mij liever zeggen, saamgetrokken tusschen de wenkbrauwen, want die rimpels zijn niet het gevolg van ouderdom, maar van zorg en zware gedachten. Tusschen zijn knieën houdt hij een geweldig groote „Sanna” vast, een dier roers, die kogels van zes op een pond schieten, en die gewoonlijk gebruikt worden om groot wild te schieten. Kruidhoorn en kogeltasch hangen ook hem over de schouders, maar niettegenstaande dit, dampt hij rustig voort uit een groote steenen pijp, waarvan het mondstuk kunstig uit hoorn gesneden is.
De jongere man is Abraham Greyling; de oudere is zijn oom Pieter Retief, de leider van dezen trek, en voor ik verder ga, moet ik u het een en ander mededeelen van dezen man; want elk Afrikaner, wiens hart op de rechte plek klopt, kan niet anders dan met eerbied den naam van den grooten aanvoerder der Boeren noemen. Pieter Retief werd geboren op eene plaats nabij Wellington, en was een afstammeling van de oude Hugenoten of Fransche Vluchtelingen, die in 1688 naar Zuid-Afrika kwamen. Doch het stille bedaarde leven in het Westen[6]viel niet in den smaak van den rusteloozen, moedigen jongeling, en reeds vroeg trok hij oostwaarts en vestigde zich in de buurt van het tegenwoordige Grahamstown, en daar woonde hij toen in 1820 de Engelsche Settlers in Algoa Baai landden. Retief zag toen kans om geld te maken, en verkreeg van het Gouvernement het contract om de Settlers met de noodige voedingsmiddelen te voorzien. Niet alleen slaagde hij er in om een aardig sommetje hiermede te verdienen, maar hij geraakte ook in nadere aanraking met de Settlers, en won heel spoedig hunne achting. Ongelukkig echter waagde Retief zich aan bouwspeculaties. Hij kocht erven in de nieuw aangelegde dorpen der Settlers, bouwde er huizen op, maar verloor veel geld op deze wijze. Daarna verkocht hij zijne woonplaats en vestigde zich in 1830 in de Winterbergen. Ongetwijfeld zou het hem hier goed zijn gegaan, ware het niet dat in 1834 de Kafferoorlog uitbrak, die allen grensbewoners groote verliezen toebracht. Retief werd, bij het uitbreken van den oorlog, dadelijk gekozen tot Kommandant van zijn district, en zijne dapperheid en beleid bewezen dat zijne medeburgers geene slechte keuze hadden gedaan. Toen de oorlog voorbij was, was Retief armer dan te voren. Viel dit hem zwaar, nog zwaarder was het hem om te zien welke schandelijke politiek de Engelsche[7]regeering voerde tegenover de Kaffers, die den oorlog hadden veroorzaakt. De belangen en rechten der arme grensboeren werden geheel verwaarloosd, en in plaats van de Kaffers op hun plek te brengen en hun hun land te ontnemen, gaf het Gouvernement integendeel hun nog een strook grond, die reeds jarenlang aan de Kolonie had behoord. Retief begreep dat zulk eene handelwijze geheel verkeerd was tegenover de Kaffers, en dat noch leven noch eigendom der grensboeren op die wijze sekuur was. In overeenstemming met zijn gevoelen schreef hij een brief aan den Luitenant Gouverneur, den heer Stockenström, de gevaarlijke gevolgen van zulke politiek aanwijzende. Op dien brief ontving hij een scherp, onbeleefd antwoord. Juist in dien tijd hadden een aantal Winterbergsche boeren het plan opgevat, om evenals Potgieter en Maritz, hun geluk te gaan zoeken aan de andere zijde van de Oranjerivier, buiten de grenspalen der Kaapkolonie; en Retief verbolgen over de hem aangedane beleediging, besloot zich bij hen aan te sluiten. Dadelijk koos men hem als leider van den trek. Voor zijn vertrek deed Retief een document optrekken en in deGrahamstownJournal publiceeren, waarin hij kort en duidelijk de redenen uiteenzette, waarom de Emigranten de Kolonie verlieten.In het laatst van Januari 1837 begaf hij zich[8]op weg met zijne metgezellen; tellende de trek 108 blanke personen, en een aantal gekleurde dienstboden.
Aldus kwam het dat wij Pieter Retief en zijn neef Abraham Greyling op den wagen vonden zitten in de grasvlakten aan gene zijde van de Oranjerivier.
Het was reeds laat in den namiddag en de zon daalde snel naar het westen. Retief begon dan ook rond te zien naar een geschikte plek om den nacht door te brengen.
„Abraham, daar ander kant de spruit bij die doornboomen zal ons uitspannen,” zeide hij tot zijn neef en zijn stem verheffende, riep hij luid: „David.” Op dit geroep kwam een jong man, die in de voorhoede bij de andere paardenruiters reed, snel aangereden.
„David, rijd een beetje naar voren, en kijk of daar bij die klompie boomen water in de spruit is. Als daar niet water is, moet jij langs de spruit rijden, en kijken of jij niet een gat water ziet. Ons moet daar ergens uitspannen.”
David Malan, een flinke jonge kerel van 19 jaar, liet zich dit niet tweemaal zeggen, maar zijn paard de teugels gevende, reed hij zijne makkers snel voorbij en bracht binnen tien minuten de tijding terug, dat kort onderkant de doornboomen er een groot gat water stond.
De wagens waren spoedig de drift der spruit door,[9]en daarop werd uitgespannen. Terwijl de arme ossen naar het water liepen om hunnen dorst te lesschen, gaf Retief de order: „Lager maken.” Daarop volgde er een bezige drukte. Met vereende krachten werden de wagens in een grooten kring getrokken, zoo, dat de disselboom van den eenen wagen onder den daarvoor staanden wagen terecht kwam. Wel is waar vreesde Retief geen aanval van vijandige Kaffers, maar men was in een vreemd land en moest voorzorgsmaatregelen nemen, en bovendien had men ook rekening te houden met de wilde dieren des velds.
Toen het lager gevormd was, klommen de vrouwen en kinderen uit de wagens; water werd uit de spruit gehaald, en een hoop takken uit de doornboomen gekapt voor „vuurmaakgoed.” Een halfuur daarna kookten de koffieketels en verspreidde er zich een aangename geur van gebraden wildvleesch.
Terwijl de vrouwen hiermede bezig waren, gingen de mannen naar het vee. Beesten, paarden en schapen werden gedrenkt, en toen bij elkander gejaagd.
„Kerels,” zeide Retief, „jullie zal van avond goed wacht moeten houden. Daar is niet hout hier om een kraal te maken, en die vee zal zoo buiten moeten slapen. De eene helft van het volk zal moet wacht houden tot twaalf uur, en twaalf van jullie[10]kerels zal met hen moeten opzitten; de andere helft van het volk en nog ander twaalf van jullie zal hullie dan moet aflossen tot dagbreek. Maar jullie moet oppassen dat jullie die vee bij malkaar houd, want anders is die leeuwen van nacht tusschen ons. En om die vee moet jullie groote vuren branden. Een spul van die volk moet gaan houtkappen bij die klompie doornboomen. Neef Stefanus (dit tot Stefanus Viljoen) ga jij toch een beetje met die volk samen, en laat hen net zooveel hout kappen als hullie kan.
„Oom Piet (dit tot Piet Greyling, die als een soort veldkornet ageerde) stel een beetje vierentwintig man aan om van nacht wacht te houden.”
Kort daarop was het volk hard bezig om de doornboomen kort en klein te slaan, en Oom Piet Greyling riep vierentwintig namen uit, en verdeelde ze in twee wachten. „Hans,” zeide hij tot een vreeselijk langen kerel, die dan ook den bijnaam van Lang Hans Malan droeg, „jij is van avond korporaal van die eerste wacht en Frans Joubert, jij is korporaal van die tweede wacht. En jullie past net op dat die gedierte niet tusschen die vee komt, anders zal de Kommandant leelijk met jullie raas.”
De zon was een half uur daarna onder, en wierp hare laatste stralen op een niet onaardig tooneel. Binnen in het lager zaten of lagen de mannen koffie[11]te drinken en vleesch te eten. Vorken waren niet volop, maar dat kwam er ook minder op aan; de jongeren namen het vleesch tusschen hunne vingers, sneden dat met hunne zakmessen in reepen, of kloven de soppige ribbetjes af. De vrouwen zaten daartusschen op veldstoeltjes of bedienden de mannen, en hier hoorde men: „Tante Anne, geef me nog een ribbetje,” terwijl een ander zeide: „Mika, schenk nog koffie, kind; ik heb banja dorst.”
Het begon juist te schemeren, toen Piet Greylings stem, als een bazuin gehoord werd, zeggende: „Toe, jullie kerels van die eerste wacht, dit is jullie tijd.” En de eerste twaalf grepen hunne geweren, kruid en kogeltasch, vulden hunne tabakszakken, staken toen een pijp op, en begaven zich op hunnen post. Korporaal Hans Malan wees ieder zijn plek aan, en waarschuwde hen om op het volk te passen, dat rondom een twintigtal helder brandende vuren zat, en het vee binnen den kring hield. Het stomme vee was echter aan deze behandeling gewoon, en alsof het wist, dat er buiten den kring gevaar voor hun leven bestond, legde het zich rustig neder. In het lager werd alles langzamerhand stiller en stiller, en eindelijk hoorde men niets anders dan het knetteren van het brandende hout, het proesten van het vee en het snorken der in de wagens slapenden. Doch[12]op eens deed zich een gebrul hooren als van een ver rollenden donder, hetwelk gevolgd werd door nog één en nog één. De leeuwen waren ontwaakt en trakteerden nu de trekkers op een brulconcert. De wachten gaven het volk order om de vuren helder in brand te houden, en hielpen om de beesten, die thans verschrikt opgesprongen waren, binnen den kring te houden. Boms! daar klonk een schot. „Wat is dit? Wat is dit?” klonk uit de wagens van veertig stemmen. „Dit’s niks nie, Oom Pieter,” riep David Malan, die ook in de eerste wacht was;„dit’s net een leeuw wat wou inkom. Maar hij het die kogel.”
En hij stapte naar den dooden dierenkoning, die in werkelijkheid den kogel had, dwars door het hart. David had hem door het lange gras zien kruipen, dicht tusschen twee der vuren, op nog geen tien treden van hem, en in het onzekere licht had hij hem het doodschot gegeven.
Hoewel de leeuwen nog steeds brulden, en de wolven en jakhalzen in het concert samenhuilden, waagde geen der dieren dien avond meer een aanval, en toen de opkomende morgenster den aanbrekenden dageraad aankondigde, was er zelfs niet een schaap verloren.
Hoe menigen nacht, angstiger en banger dan deze[13]hebben die dappere voortrekkers niet doorgebracht! En wij, die thans rustig in onze bedden slapen in het land door hen voor ons bewoonbaar gemaakt, hoe weinig denken wij er aan, wat onze voorouders geleden en hoe zij gestreden hebben![14]