HOOFDSTUK VIII.

[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.HOOFDSTUK VIII.Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10denJanuari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief zond nu eenige[82]klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen, met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen; blijkbaar[83]een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche.De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins, dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nogOngeluks-krans.Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden, om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den weg nog wat te verbeteren. Op den 16denJanuari waren alle wagens de Drakensbergen overgetrokken, en had men geen[84]ander ongeluk te betreuren dan het zooeven gemelde.Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en deBushmansrivieren. Hier besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan.Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan.Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te schieten, en ook moest voor[85]het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het regelen van alles.Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was, aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan hem het beloofde land zou toekennen.Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan. Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen.Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen,[86]en dat hij volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27stenFebruari als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd. Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.” Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn, maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief ten laatste er in toestemde.Vroeg in den morgen van den 26stenFebr. kwamen er drie ruiters aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen. Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief[87]den volgenden dag naar Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om te vertrekken.[88]

[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.HOOFDSTUK VIII.Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10denJanuari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief zond nu eenige[82]klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen, met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen; blijkbaar[83]een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche.De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins, dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nogOngeluks-krans.Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden, om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den weg nog wat te verbeteren. Op den 16denJanuari waren alle wagens de Drakensbergen overgetrokken, en had men geen[84]ander ongeluk te betreuren dan het zooeven gemelde.Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en deBushmansrivieren. Hier besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan.Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan.Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te schieten, en ook moest voor[85]het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het regelen van alles.Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was, aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan hem het beloofde land zou toekennen.Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan. Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen.Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen,[86]en dat hij volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27stenFebruari als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd. Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.” Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn, maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief ten laatste er in toestemde.Vroeg in den morgen van den 26stenFebr. kwamen er drie ruiters aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen. Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief[87]den volgenden dag naar Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om te vertrekken.[88]

HOOFDSTUK VIII.HOOFDSTUK VIII.

HOOFDSTUK VIII.

Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10denJanuari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief zond nu eenige[82]klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen, met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen; blijkbaar[83]een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche.De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins, dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nogOngeluks-krans.Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden, om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den weg nog wat te verbeteren. Op den 16denJanuari waren alle wagens de Drakensbergen overgetrokken, en had men geen[84]ander ongeluk te betreuren dan het zooeven gemelde.Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en deBushmansrivieren. Hier besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan.Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan.Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te schieten, en ook moest voor[85]het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het regelen van alles.Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was, aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan hem het beloofde land zou toekennen.Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan. Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen.Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen,[86]en dat hij volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27stenFebruari als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd. Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.” Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn, maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief ten laatste er in toestemde.Vroeg in den morgen van den 26stenFebr. kwamen er drie ruiters aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen. Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief[87]den volgenden dag naar Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om te vertrekken.[88]

Wij zullen onze lezers niet vermoeien met eene langdurige beschrijving van den trek naar Natal; maar slechts hier en daar wat er van aanstippen. Men trok slechts langzaam voort, want de wagens waren zwaar geladen, en men moest het vee de noodige rust geven, en de troepen schapen en bokken konden zich slechts langzaam bewegen. Daarbij kwam dat in het begin van Januari het eenige dagen hard regende, en men gedurende die dagen moest stil liggen. Het was dan ook reeds den 10denJanuari 1838 toen men aan den voet van de Drakensbergen kwam. Retief zond nu eenige[82]klompjes menschen vooruit om te onderzoeken waar men het gebergte het beste kon overgaan met de zware wagens. Men vond spoedig een pas (de tegenwoordige van Reenens pas), maar het was noodig dat er eerst wat aan gewerkt zou worden voor hij begaanbaar was. Met macht en wil ging men dan ook aan het werk, en op den vierden dag kon Retief dan ook reeds order geven tot het vertrek. De eene helft van den trek ging eerst over, want de weg was zoo steil en de wagens zoo zwaar, dat men voor de meesten van hen dubbele spannen ossen moest gebruiken. Zwoegend en hijgend trokken de arme dieren de zware gevaarten stapje voor stapje voort, en de zweepen hielden niet op met klappen. Doch men kwam goed en wel boven op den kam van het gebergte, en nu deed zich een heerlijk schouwspel aan de Emigranten voor. Van af hunne hoogte zagen zij neder op een der prachtigste landen der wereld, vol zacht glooiende heuvelen, met prachtig gras bedekt, en met planten versierd, die zij nooit hadden gezien, en waarvan zij zelfs de namen niet kenden. En tusschen die heuvelen kronkelden zich rivieren en beken, terwijl hier en daar groote boomen hunne trotsche kronen ten hemel verhieven. Een geheel ander land en een geheel ander klimaat dan aan de andere zijde der Drakensbergen; blijkbaar[83]een vruchtbaarder en prachtiger land dan het Winburgsche.

De weg ging nu berg af en was zeer steil. Men moest de wagens zoo sterk mogelijk met kettingen remmen, en somtijds waren de hangen zoo schuins, dat men met riemen de wagens moest vasthouden, ten einde te beletten dat zij omsloegen in de steile afgronden. Gevaarlijk was het dan ook inderdaad, en meer dan eens had er bijna een ongeluk plaats. Één ongeluk vond werkelijk plaats, bij een zeer slechte plek, op een steilen krans. De remketting van een der wagens brak, en de wagen, die toen niet door de achterossen kon geregeerd worden, holde onwederstaanbaar voort, en den tweehonderd voet hoogen krans af. Eene vrouw, en vier kinderen werden met den wagen medegesleept, en vonden op vreeselijke wijze den dood. Tot op heden noemt men die plek nogOngeluks-krans.

Eindelijk kwam men aan op de vlakte, en hier werden de eerste wagens in lager getrokken, en de ossen met een aantal van het volk teruggezonden, om de andere helft der wagens te gaan halen. Retief en eenige anderen gingen ook terug, om het opzicht te voeren, en op eenige plekken den weg nog wat te verbeteren. Op den 16denJanuari waren alle wagens de Drakensbergen overgetrokken, en had men geen[84]ander ongeluk te betreuren dan het zooeven gemelde.

Na een paar dagen rustens trok men voort, totdat men in een prachtige landstreek kwam tusschen de Blauwkrantz- en deBushmansrivieren. Hier besloot Retief vooreerst te blijven, totdat Dingaan hem de landstreek zou hebben aangewezen, die hij aan de Emigranten wilde afstaan.

Wegens het groote aantal wagens, en het vele vee was dit ondoenlijk, om een groot lager te vormen, en men kwam dus overeen om zich te verdeelen in verschillende kleinere lagers. Retief bleef met de families Cilliers, Joubert, Malan, Greyling en een tiental anderen, met zoowat honderdtwintig wagens bij de Blauwkrantz-rivier; de anderen sloegen op niet verren afstand van elkander, kleinere lagers op, tot aan de wallen van de meer oostelijke Bushmans-rivier. Bij deze rivier ging ook Joshua Joubert, de broeder van Martje’s vader, wonen, maar Frans Joubert bleef in het kamp van Retief, tot groote vreugde van David, die reeds bang begon te worden dat zijne geliefde van hem zou weggaan.

Er was vooreerst heel wat werk in de nieuwe lagers. Wagens moesten gerepareerd worden, want zij hadden veel geleden door den tocht over de bergen; voor proviand moest gezorgd worden en er viel dus heel wat te schieten, en ook moest voor[85]het vee gezorgd worden. Gedurende de eerste dagen was men dus druk bezig en vooral Retief had veel te doen met het regelen van alles.

Doch Retief begon nu haastig te worden om nog een bezoek aan Dingaan te gaan brengen, en het gestolen vee, dat van Sikonyella afgenomen was, aan den Zulukoning terug te brengen, waarna hij verwachtte, dat Dingaan hem het beloofde land zou toekennen.

Doch in het lager van Retief zelve, en onder de Emigranten in het algemeen, ontstond er een gevoel dat men Retief niet moest laten gaan. Men kon niet weten wat er kon gebeuren, zeiden de meesten en Retief moest liever thuis blijven, en anderen in zijn plek sturen.

Ook Charel Cilliers en Gert Maritz waren van dit gevoelen, en zij gaven dit dan ook aan den Kommandant-Generaal te kennen. Doch Retief wilde hiervan niets weten. Hij zeide, dat indien hij iemand anders in zijn plek zond, Dingaan zich beleedigd kon voelen en suspicie kon krijgen tegen de Emigranten. Te vergeefs boden Gert Maritz, Charel Cilliers en Frans Joubert zich aan om in zijne plaats te gaan; te vergeefs smeekte zijne vrouw hem zich toch niet weder in de macht van Dingaan te begeven. Retief zeide, dat hij zijn plicht zou doen,[86]en dat hij volstrekt niet vreesde, dat Dingaan hem iets zou doen. Doch op sterk aandringen van al de Emigranten stemde hij er eindelijk in toe, om een sterk escort samen te nemen, en daarop bepaalde hij den 27stenFebruari als den dag van zijn vertrek. Zestig van de flukste kerels zocht hij uit als escort, en daaronder waren natuurlijk David Malan en Abraham Greyling, alsmede de jongste zoon van Charel Cilliers, Pieter genaamd. Ook zouden omtrent dertig kleurlingen samengaan als „achterrijders.” Willem wilde Retief thuis laten om zijne vrouw tot assistentie te zijn, maar de trouwe jongen hield zoolang aan om samen te gaan, dat Retief ten laatste er in toestemde.

Vroeg in den morgen van den 26stenFebr. kwamen er drie ruiters aanrijden naar Retiefs lager. Het waren Thomas Holstead en George Biggar van Durban en een achterrijder. De twee Engelschen waren overgekomen om handelsbetrekkingen met de Boeren aan te knoopen, daar zij wisten dat deze thans al het noodige van Durban zouden krijgen. Vooral was dit het geval met George Biggar, wiens vader een groote handelsbezigheid te Durban dreef. Met Holstead was Retief reeds goed bekend, want deze had bij de vorige gelegenheid als gids gediend naar Umkungunhlovu. Toen hij vernam, dat Retief[87]den volgenden dag naar Dingaans kraal wilde gaan, bood hij weder zijne diensten als zoodanig aan, en deze werden gretig aangenomen, daar er niemand anders was, die de Zulutaal verstond, of den rechtstreekschen weg naar Umkungunhlovu kende. De gereedheid, waarmede Holstead zijn aanbod maakte, gepaard met het feit, dat hij reeds dertien jaar in Natal was en den Zulukoning goed kende, veroorzaakte dat de Emigranten eenigszins gerustgesteld werden. Zoo maakte Retief en de zijnen dan ook alles in gereedheid om te vertrekken.[88]


Back to IndexNext