[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.HOOFDSTUK XVII.Op den morgen van den 15denApril 1838, stonden Gert Maritz en Charel Cilliers met eenige andere der Emigranten, die in het lager waren teruggebleven, aan den buitenkant der wagenkring een praatje te houden, toen op eens een der Boeren uitriep: „Daar komen onze menschen al terug.” Men zag in de richting, die de spreker aanwees en bespeurde op het randje de eerste voorrijders van het terugkeerende commando, zoowat drieduizend treden ver. Het nieuws verspreidde zich door het lager, en spoedig was elke man, elke vrouw, elk kind daarbuiten.„Waarom rij hullie dan zoo langzaam,” riep Gert Maritz ongeduldig uit.[175]„Daar is groot fout, geloof mij oom Gert,” zeide Cilliers ernstig, die ook bespeurd had dat het commando in langzamen stap het lager naderde.Eindelijk was het bij het lager, na verloop van een tijd, die aan de angstig wachtenden wel twee uur scheen. Hendrik Potgieter reed voorop, en Cilliers trad met een weê voorgevoel op hem toe, en groette hem.„Wat is dit, neef Hendrik,” vroeg hij langzaam en ernstig, en de menschen, zoowel mannen als vrouwen verdrongen zich om het antwoord te vernemen.„Oom, die Zulu’s hêt ons in een hinderlaag geleid; ons hêt al ons paarden en goed verloren, en tien van ons zijn in het gevecht gevallen, en daaronder Piet Uys, de drie Malans, en—”Een ontzettende gil eener vrouw deed zich hooren en men hoorde een geroep van „til haar op! breng haar naar die tent! geef haar lucht!” Het was de arme Martje. Zij had zich door de menigte heen gewrongen om het nieuws van Hendrik Potgieter te hooren, en zij had gehoord dat dedrieMalans in het gevecht waren gesneuveld. David was gevallen! David was dood! Die eene gedachte schoot als een bliksemstraal door het brein der jonge vrouw, en alles was toen duister om haar. In een hevige flauwte zonk zij als dood ter aarde.[176]Men tilde haar op, en droeg haar naar hare eigen tent, waar men haar op het bed nederlegde, en alle mogelijke middelen te baat nam om haar uit hare verdooving te wekken. Maar te vergeefs; zij bleef als dood daar liggen. Een aantal vrouwen trokken haar de kleederen van het lijf, en men probeerde een aantal nieuwe middelen, en volgde honderd raadgevingen, doch geen hunner scheen het arme kind tot bewustzijn te kunnen terugroepen. Dien avond kreeg zij een hevige koorts, en verergerde haar toestand. Het scheen werkelijk alsof de jonge vrouw haren geliefden David niet lang zou overleven. Doch de zorg van hare ouders, en van de vele vrienden, die hun behulpzaam waren, redde het leven van Martje; na een ziekte van meer dan drie weken opende zij voor het eerst hare oogen. Beter ware het misschien geweest zoo zij gestorven ware, want—Martje was hopeloos krankzinnig. Zij herstelde wel in krachten doch het jeugdig vuur harer oogen was verdwenen; zij had slechts een glazen blik, en geen woord kwam uit haren mond als slechts één vraag—waar is David?Geachte lezer ik nader het einde van dit verhaal.Veel zou ik u nog kunnen verhalen over die dappere voorouders der tegenwoordigen Vrijstaters en Transvalers; menig mooi tafereel uit hunne geschiedenis[177]zou ik u nog kunnen aantoonen; doch tijd en gelegenheid ontbreken voor het oogenblik. Slechts dit kan ik u zeggen; dat in December 1838 de Emigranten een vreeselijke wraak namen op Dingaan, en dat op 16 December 1838 bij Bloedrivier, zij eenmaal voor goed Dingaans macht vernielden. Mogelijk zullen wij u later iets meer van dien tijd vertellen, want ons jonger geslacht weet, helaas! te weinig, veel te weinig van de geschiedenis van ons Land en ons Volk.[178]
[Inhoud]HOOFDSTUK XVII.HOOFDSTUK XVII.Op den morgen van den 15denApril 1838, stonden Gert Maritz en Charel Cilliers met eenige andere der Emigranten, die in het lager waren teruggebleven, aan den buitenkant der wagenkring een praatje te houden, toen op eens een der Boeren uitriep: „Daar komen onze menschen al terug.” Men zag in de richting, die de spreker aanwees en bespeurde op het randje de eerste voorrijders van het terugkeerende commando, zoowat drieduizend treden ver. Het nieuws verspreidde zich door het lager, en spoedig was elke man, elke vrouw, elk kind daarbuiten.„Waarom rij hullie dan zoo langzaam,” riep Gert Maritz ongeduldig uit.[175]„Daar is groot fout, geloof mij oom Gert,” zeide Cilliers ernstig, die ook bespeurd had dat het commando in langzamen stap het lager naderde.Eindelijk was het bij het lager, na verloop van een tijd, die aan de angstig wachtenden wel twee uur scheen. Hendrik Potgieter reed voorop, en Cilliers trad met een weê voorgevoel op hem toe, en groette hem.„Wat is dit, neef Hendrik,” vroeg hij langzaam en ernstig, en de menschen, zoowel mannen als vrouwen verdrongen zich om het antwoord te vernemen.„Oom, die Zulu’s hêt ons in een hinderlaag geleid; ons hêt al ons paarden en goed verloren, en tien van ons zijn in het gevecht gevallen, en daaronder Piet Uys, de drie Malans, en—”Een ontzettende gil eener vrouw deed zich hooren en men hoorde een geroep van „til haar op! breng haar naar die tent! geef haar lucht!” Het was de arme Martje. Zij had zich door de menigte heen gewrongen om het nieuws van Hendrik Potgieter te hooren, en zij had gehoord dat dedrieMalans in het gevecht waren gesneuveld. David was gevallen! David was dood! Die eene gedachte schoot als een bliksemstraal door het brein der jonge vrouw, en alles was toen duister om haar. In een hevige flauwte zonk zij als dood ter aarde.[176]Men tilde haar op, en droeg haar naar hare eigen tent, waar men haar op het bed nederlegde, en alle mogelijke middelen te baat nam om haar uit hare verdooving te wekken. Maar te vergeefs; zij bleef als dood daar liggen. Een aantal vrouwen trokken haar de kleederen van het lijf, en men probeerde een aantal nieuwe middelen, en volgde honderd raadgevingen, doch geen hunner scheen het arme kind tot bewustzijn te kunnen terugroepen. Dien avond kreeg zij een hevige koorts, en verergerde haar toestand. Het scheen werkelijk alsof de jonge vrouw haren geliefden David niet lang zou overleven. Doch de zorg van hare ouders, en van de vele vrienden, die hun behulpzaam waren, redde het leven van Martje; na een ziekte van meer dan drie weken opende zij voor het eerst hare oogen. Beter ware het misschien geweest zoo zij gestorven ware, want—Martje was hopeloos krankzinnig. Zij herstelde wel in krachten doch het jeugdig vuur harer oogen was verdwenen; zij had slechts een glazen blik, en geen woord kwam uit haren mond als slechts één vraag—waar is David?Geachte lezer ik nader het einde van dit verhaal.Veel zou ik u nog kunnen verhalen over die dappere voorouders der tegenwoordigen Vrijstaters en Transvalers; menig mooi tafereel uit hunne geschiedenis[177]zou ik u nog kunnen aantoonen; doch tijd en gelegenheid ontbreken voor het oogenblik. Slechts dit kan ik u zeggen; dat in December 1838 de Emigranten een vreeselijke wraak namen op Dingaan, en dat op 16 December 1838 bij Bloedrivier, zij eenmaal voor goed Dingaans macht vernielden. Mogelijk zullen wij u later iets meer van dien tijd vertellen, want ons jonger geslacht weet, helaas! te weinig, veel te weinig van de geschiedenis van ons Land en ons Volk.[178]
HOOFDSTUK XVII.HOOFDSTUK XVII.
HOOFDSTUK XVII.
Op den morgen van den 15denApril 1838, stonden Gert Maritz en Charel Cilliers met eenige andere der Emigranten, die in het lager waren teruggebleven, aan den buitenkant der wagenkring een praatje te houden, toen op eens een der Boeren uitriep: „Daar komen onze menschen al terug.” Men zag in de richting, die de spreker aanwees en bespeurde op het randje de eerste voorrijders van het terugkeerende commando, zoowat drieduizend treden ver. Het nieuws verspreidde zich door het lager, en spoedig was elke man, elke vrouw, elk kind daarbuiten.„Waarom rij hullie dan zoo langzaam,” riep Gert Maritz ongeduldig uit.[175]„Daar is groot fout, geloof mij oom Gert,” zeide Cilliers ernstig, die ook bespeurd had dat het commando in langzamen stap het lager naderde.Eindelijk was het bij het lager, na verloop van een tijd, die aan de angstig wachtenden wel twee uur scheen. Hendrik Potgieter reed voorop, en Cilliers trad met een weê voorgevoel op hem toe, en groette hem.„Wat is dit, neef Hendrik,” vroeg hij langzaam en ernstig, en de menschen, zoowel mannen als vrouwen verdrongen zich om het antwoord te vernemen.„Oom, die Zulu’s hêt ons in een hinderlaag geleid; ons hêt al ons paarden en goed verloren, en tien van ons zijn in het gevecht gevallen, en daaronder Piet Uys, de drie Malans, en—”Een ontzettende gil eener vrouw deed zich hooren en men hoorde een geroep van „til haar op! breng haar naar die tent! geef haar lucht!” Het was de arme Martje. Zij had zich door de menigte heen gewrongen om het nieuws van Hendrik Potgieter te hooren, en zij had gehoord dat dedrieMalans in het gevecht waren gesneuveld. David was gevallen! David was dood! Die eene gedachte schoot als een bliksemstraal door het brein der jonge vrouw, en alles was toen duister om haar. In een hevige flauwte zonk zij als dood ter aarde.[176]Men tilde haar op, en droeg haar naar hare eigen tent, waar men haar op het bed nederlegde, en alle mogelijke middelen te baat nam om haar uit hare verdooving te wekken. Maar te vergeefs; zij bleef als dood daar liggen. Een aantal vrouwen trokken haar de kleederen van het lijf, en men probeerde een aantal nieuwe middelen, en volgde honderd raadgevingen, doch geen hunner scheen het arme kind tot bewustzijn te kunnen terugroepen. Dien avond kreeg zij een hevige koorts, en verergerde haar toestand. Het scheen werkelijk alsof de jonge vrouw haren geliefden David niet lang zou overleven. Doch de zorg van hare ouders, en van de vele vrienden, die hun behulpzaam waren, redde het leven van Martje; na een ziekte van meer dan drie weken opende zij voor het eerst hare oogen. Beter ware het misschien geweest zoo zij gestorven ware, want—Martje was hopeloos krankzinnig. Zij herstelde wel in krachten doch het jeugdig vuur harer oogen was verdwenen; zij had slechts een glazen blik, en geen woord kwam uit haren mond als slechts één vraag—waar is David?Geachte lezer ik nader het einde van dit verhaal.Veel zou ik u nog kunnen verhalen over die dappere voorouders der tegenwoordigen Vrijstaters en Transvalers; menig mooi tafereel uit hunne geschiedenis[177]zou ik u nog kunnen aantoonen; doch tijd en gelegenheid ontbreken voor het oogenblik. Slechts dit kan ik u zeggen; dat in December 1838 de Emigranten een vreeselijke wraak namen op Dingaan, en dat op 16 December 1838 bij Bloedrivier, zij eenmaal voor goed Dingaans macht vernielden. Mogelijk zullen wij u later iets meer van dien tijd vertellen, want ons jonger geslacht weet, helaas! te weinig, veel te weinig van de geschiedenis van ons Land en ons Volk.[178]
Op den morgen van den 15denApril 1838, stonden Gert Maritz en Charel Cilliers met eenige andere der Emigranten, die in het lager waren teruggebleven, aan den buitenkant der wagenkring een praatje te houden, toen op eens een der Boeren uitriep: „Daar komen onze menschen al terug.” Men zag in de richting, die de spreker aanwees en bespeurde op het randje de eerste voorrijders van het terugkeerende commando, zoowat drieduizend treden ver. Het nieuws verspreidde zich door het lager, en spoedig was elke man, elke vrouw, elk kind daarbuiten.
„Waarom rij hullie dan zoo langzaam,” riep Gert Maritz ongeduldig uit.[175]
„Daar is groot fout, geloof mij oom Gert,” zeide Cilliers ernstig, die ook bespeurd had dat het commando in langzamen stap het lager naderde.
Eindelijk was het bij het lager, na verloop van een tijd, die aan de angstig wachtenden wel twee uur scheen. Hendrik Potgieter reed voorop, en Cilliers trad met een weê voorgevoel op hem toe, en groette hem.
„Wat is dit, neef Hendrik,” vroeg hij langzaam en ernstig, en de menschen, zoowel mannen als vrouwen verdrongen zich om het antwoord te vernemen.
„Oom, die Zulu’s hêt ons in een hinderlaag geleid; ons hêt al ons paarden en goed verloren, en tien van ons zijn in het gevecht gevallen, en daaronder Piet Uys, de drie Malans, en—”
Een ontzettende gil eener vrouw deed zich hooren en men hoorde een geroep van „til haar op! breng haar naar die tent! geef haar lucht!” Het was de arme Martje. Zij had zich door de menigte heen gewrongen om het nieuws van Hendrik Potgieter te hooren, en zij had gehoord dat dedrieMalans in het gevecht waren gesneuveld. David was gevallen! David was dood! Die eene gedachte schoot als een bliksemstraal door het brein der jonge vrouw, en alles was toen duister om haar. In een hevige flauwte zonk zij als dood ter aarde.[176]
Men tilde haar op, en droeg haar naar hare eigen tent, waar men haar op het bed nederlegde, en alle mogelijke middelen te baat nam om haar uit hare verdooving te wekken. Maar te vergeefs; zij bleef als dood daar liggen. Een aantal vrouwen trokken haar de kleederen van het lijf, en men probeerde een aantal nieuwe middelen, en volgde honderd raadgevingen, doch geen hunner scheen het arme kind tot bewustzijn te kunnen terugroepen. Dien avond kreeg zij een hevige koorts, en verergerde haar toestand. Het scheen werkelijk alsof de jonge vrouw haren geliefden David niet lang zou overleven. Doch de zorg van hare ouders, en van de vele vrienden, die hun behulpzaam waren, redde het leven van Martje; na een ziekte van meer dan drie weken opende zij voor het eerst hare oogen. Beter ware het misschien geweest zoo zij gestorven ware, want—Martje was hopeloos krankzinnig. Zij herstelde wel in krachten doch het jeugdig vuur harer oogen was verdwenen; zij had slechts een glazen blik, en geen woord kwam uit haren mond als slechts één vraag—waar is David?
Geachte lezer ik nader het einde van dit verhaal.
Veel zou ik u nog kunnen verhalen over die dappere voorouders der tegenwoordigen Vrijstaters en Transvalers; menig mooi tafereel uit hunne geschiedenis[177]zou ik u nog kunnen aantoonen; doch tijd en gelegenheid ontbreken voor het oogenblik. Slechts dit kan ik u zeggen; dat in December 1838 de Emigranten een vreeselijke wraak namen op Dingaan, en dat op 16 December 1838 bij Bloedrivier, zij eenmaal voor goed Dingaans macht vernielden. Mogelijk zullen wij u later iets meer van dien tijd vertellen, want ons jonger geslacht weet, helaas! te weinig, veel te weinig van de geschiedenis van ons Land en ons Volk.[178]