Hoofdstuk VII.

Hoofdstuk VII.Wetgeving in het Buitenland.§ 1. Engeland.’t Keerpunt tusschen het ongehinderd voortwerken der meisjes-handelaars en het oogenblik, dat men pogingen in ’t werk stelde om de feiten door hen bedreven tegen te gaan, dagteekent ongeveer van het jaar 1880. Naar aanleiding van de ontdekking eener op groote schaal bestaande uitvoer van Engelsche meisjes voor de Belgische bordeelen, werden de gemoederen in Engeland en vandaar uit ook op ’t Continent wakker geschud.In Engeland besloot men ’t eerste alle moeite te doen paal en perk te stellen aan dezen handel. Juist daaraan is mijn plan toe te schrijven, ’t eerst de middelen, die Engeland ten dienste staan ter bestrijding van dezen handel, na te gaan.De bordeelen, die door de omstandigheid, dat de misleide vrouwen daarin gelokt worden,—althans wat den heden ten dage meest voorkomenden vorm van dien handel aangaat—een zoo gewichtige rol spelen indeze kwestie, waren reeds vroeger in Engeland verboden. Doch niet uitdrukkelijk. De Common Law vatte ze samen met huizen van hasardspel e. a. onder den naam van “Disorderly houses”. De grond voor de strafbaarheid was dan ook bij de bordeelen dezelfde als bij die andere huizen.“The keeping of a brothel is indictable as a common nuisance because it endangers the public peace by drawing together dissolute anddebauchedpersons and also has a tendency to corrupt the manners of both sexes by such an open profession of lewdness.” (Russel on Crimesvol I pag. 427).Een gewichtig argument voor de voorstanders van de opheffing van bordeelen n.l. een waarschijnlijke groote vermindering van den omvang van den blanke slavinnenhandel, gold toen dus nog niet.Dit argument zal wel degelijk voorgezeten hebben toen bijStatuted Lawin 1885, een wet, die ’t gevolg was van de beweging om maatregelen te treffen tegen placeurs en consorten, ook de bordeelen uitdrukkelijk werden verboden.’t Is de wet van 14 Aug. 1885: “An act to make further provision for the protection of women and girls, the suppression of brothels and other purposes.” Deze wet wordt gewoonlijk geciteerd als “The Criminal Law Amendment Act 1885,” (48 and 49 Vict. Ch. 69), hetgeen volgens art. 1 geoorloofd is.Part II handelt over the “Suppression of Brothels.” Section 13 luidt:Any person, who1. keeps or manages or acts or assists in the management of a brothel, or2. being the tenant, lessee, or occupier of any premises knowingly permits such premises or any part thereof to be used as a brothel or for the purposes of habitual prostitution, or3. being the lessor, or landlord of any premises or the agent of such lessor or landlord, lets the same or any part thereof with the knowledge that such premises or some part thereof are or is to be used as a brothel or is wilfully a party to the continued use of such premises or any part thereof as a brothel,shall etc.Een bordeel wordt door Stephen in zijnDigest Crim. Lawpag. 110 gedefinieërd als een “a house or room, or set of rooms, in any house, kept for the purposes of prostitution.”Op alle mogelijke wijzen wordt het leven ontnomen aan de bordeelen; en bij overtreding zal in den regel wel niet één de kracht der wet gevoelen doch meer dan een: b. v. de houder, de beheerder van een bordeel, en dan de huisheer, indien hij er van op de hoogte is, dat zijn perceel voor dat doel gebruikt wordt.1De onderdrukking der bordeelen geschiedt daardoor op gestrenge wijze.Dus volgens Engelsche wet geen bordeelen; volgens velen een totale knak aan den binnenlandschen meisjeshandel, waardoor geheel overbodig wordt iedere andere repressie. Doch niet aldus de Engelsche wetgever. Niet blind voor de omstandigheid, dat dit maatschappelijk feit ondanks alle krachtige maatregelen van repressie zoolang de mensch mensch is, toch zal blijven bestaan, al is het niet in den vorm van de hedendaagsche bordeelen, dan toch zeker in een anderen vorm, beiden evenwel hetzelfde doel beoogende, heeft hij ’t toch noodig geoordeeld eene bepaling in de wet op te nemen, die den binnenlandschen meisjeshandel treft, al is deze ook juridisch onbestaanbaar.Daarnevens moest natuurlijk ook de buitenlandsche meisjeshandel strafbaar gesteld worden en is dit ook geschied.Part I of the Criminal Law Amendment Act 1885handelt over de Protection of Women and Girls.Section 2 luidt:Any person who2. Procures or attempts to procure any woman or girl to become, either within or without the Queen’s dominions, a common prostitute; or3. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave the United Kingdom, with intent, that she may become an inmate of a brothel elsewhere; or4. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave her usual place of abode in the United Kingdom (such place not being a brothel) with intent that she may, for the purposes of prostitution, become an inmateof a brothel within or without the Queen’s dominions, shall be guilty etc.Vóór het bestaan van deze strafbepalingen, dus vóór 1885, was decommon lawin Engeland, dat alsmisdemeanour(délit) gestraft werd het feit, dat 2 of meer personen gezamentlijk het plan beraamden, de verleiding of de ontucht van een vrouw of meisje te veroorzaken of teweeg te brengen, dat een vrouw zich aan een leven van prostitutie overgeeft.De Heer Craies deelt in zijn Rapport op ’t Congres te Londen mede, dat deze gewoonte wel lang heeft gegolden, maar de vervolgingen zelden plaats hadden, daar de vereeniging van 2 of meer personen een bestanddeel was van het delikt.De boven geciteerde bepalingen van de wet van 1885 zijn zeer streng, althans voor hem, die op ’t standpunt staat van de bestrijding van den meisjeshandel. Doch dit is dan ook niet het eenig doel der wet, daar volgens het intitulé zij behalve eenige andere doeleinden the Protection of Women and Girls beoogt. Ook van dit ruimer doel uitgaande, is de wet te streng. De Engelsche wetgever had haar kunnen tituleeren als de wet tot handhaving en bescherming der goede zeden in de maatschappij. De bepalingen nemen natuurlijk over ’t algemeen in haar hoede de eerbaarheid etc. der individueele vrouwen en meisjes en daardoor ook indirect de bescherming der goede zeden in de maatschappij. Gevallen, waarbij geen sprake is van bescherming der eerbaarheid eener vrouw, vallen evenwel ookonder de strafbepaling van dit artikel en dit geeft mij aanleiding te zeggen, dat ik de wet van 1885 te ruim gesteld vind en dat zij meer omvat dan het opschrift der wet recht geeft te verwachten. De behandeling der verschillende nos van art. 2 zal dit aantoonen.De drie laatste nos van art. 2 die den meisjeshandel treffen geven een vreemden indruk. Als men 3 bepalingen ziet, mag men toch wel verwachten, dat ze alle drie verschillende handelingen treffen. ’t Kan dan natuurlijk wel eens voorkomen, dat er concursus idealis plaats heeft, doch dit blijve buiten beschouwing. Hoe men dan ook deze 3 bepalingen beziet, er blijft slechts over tot de conclusie te komen dat ’t geven van deze 3 nos eene overbodige weelde is, die vooral in een wet niet te pas komt.Een placeur, die den binnenlandschen meisjeshandel drijft, valt onder art. 22º. en 4º.; hij, die zich bezig houdt met den buitenlandschen meisjeshandel wordt getroffen door art. 22º., 3º. en 4º.’t Is mij onbegrijpelijk, waaraan deze overvloed van bepalingen toe te schrijven is, terwijl ze ieder afzonderlijk onnoodig zoo ruim gesteld zijn, dat handelingen die straffeloos moesten blijven, getroffen worden.Afzonderlijke handelingen worden gestraft; zeer goed, doch daarbij ware vereischt verzwaring van straf, indien die handelingen bedreven worden als beroep en in geval van recidive en verder ontbreekt strafverzwaring voor den zooveel zwaarderen vorm van den meisjeshandel nl. het lokken naar den vreemde. De Engelsche wet geeft voor dit alles eene zelfde strafbepaling enwel gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar met of zonder dwangarbeid.Art. 22º.De poging tot het misdrijf wordt gelijkelijk gestraft als het misdrijf zelf. Evenzoo bij 23º. Een bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren wordt niet vereischt; in 22º.bij poging moet toch een opzettelijk handelen voor dat doel bewezen worden. Het misdrijf is voltooid, indien de vrouw of het meisje een prostituée geworden is.Moeilijk kan het bewijs zijn, indien het zich overgeven aan de prostitutie in den vreemde plaats heeft, doch dan kan men wellicht onder een volgend lid vallen, zonder dat bewezen zij, dat werkelijk het zich prostitueeren hebbe plaats gehad, mits dan het oogmerk bewezen zij.Art. 22º.laat evenzeer als de beide volgende leden van het artikel in het midden, welke middelen aangewend zijn.Onverschillig is het voor dit misdrijf, of de vrouw nog onschuldig is of niet.Op welke wijze en waar het meisje zich aan de prostitutie overgeeft is eveneens van geen belang. Het is zeer juist ingezien, daar toch voor den meisjeshandel het lokken in een bordeel geen vereischte is.Art. 23º.Het misdrijf is voltooid, zoodra het meisje of de vrouw het koninkrijk verlaat om gevolg te geven aan haar besluit, dat gevormd is op aandrang van hem, die ’t oogmerk heeft haar in het buitenland aan een ontuchtig leven in een bordeel over te leveren.Werkelijk een zeer strenge bepaling! Het ware karakter van den meisjeshandel heeft men blijkbaar bij het maken der wet niet genoeg in het oog gehouden. Wat maakt dien handel toch zoo afkeurenswaardig? Dit is de omstandigheid dat de placeur het oogmerk heeft zijn slachtoffer aan de prostitutie over te leveren doch haar tevens dit oogmerk verzwijgt Van een dusdanig deliktsbestanddeel is in deze 3 strafbepalingen geen spoor aan te treffen. Zelfs het eigen initiatief, de eigen dringende wil der vrouw kan voor hem of haar, die op dat verzoek bemiddeling biedt en hulp verschaft, de strafbaarheid niet opheffen. Dit geldt zoowel voor lid 3 als voor lid 2 en 4.Vervolgd wordt b.v. een heer, die in het belang van eene prostituée te Londen, voor wier gezondheid de Londensche lucht nadeelig is, haar behulpzaam is of haar overhaalt om in het gezondere Liverpool haar leven voort te zetten. En dit zonder eenig winstbejag, slechts met een zuiver altruistische bedoeling. Eveneens straft de wet hem of haar, die eene prostituée op haar uitdrukkelijk verlangen eene plaats bezorgt in een binnen- of buitenlandsch bordeel, ’t Spreekt van zelf dat dit te veel ingrijpt in de individueele vrijheid van doen en laten.Art. 24o.Deze bepaling vult voor een deel art. 22o.aan, in zooverre, dat wanneer in een speciaal geval het misdadig oogmerk bewezen is, de dader reeds strafbaar is, zoodra ten gevolge van zijn aandrang de vrouw haar huidig verblijf verlaat.’t Andere gedeelte van dit voorschrift valt geheel onderart 23º. met uitzondering van het geval, dat de vrouw volgens dit lid van ’t artikel (24º.) zich niet reeds in een bordeel mag bevinden. Dit is althans mijn meening; of zou men zoo scherpzinnig mogen zijn om aan te nemen, dat de strafbaarheid in art 23º.pas begint, op het oogenblik, dat zij “leaves the United Kingdom” terwijl in art. 24º.de strafwet reeds werkt, wanneer zij “leaves her usual of abode in theUnitedKingdom?”’t Is mogelijk. M. i. kunnen de woorden van art. 23º.“With intent that she may become an inmate of a brothel elsewhere” niets anders beteekenen dan die van art. 24º.“With intent that she may,for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within or without the Queen’s dominions.” Het woord “inmate” kan toch slechts betrekking hebben op eene pensionnaire van een bordeel; ik noem b. v. een dienstmeisje of werkster in een bordeel niet een “inmate of a brothel.”Art. 2 ^4º.treft niet den bordeelhouder, die een meisje overhaalt in zijn bordeel in dienst te gaan, terwijl hij den waren aard van het huis verbergt. Ofschoon zij aldaar spoedig meegesleept zal worden in het leven van ontucht, ontbreekt het vereischte, datshe may “for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel”; indien evenwel de intentie bestond, zal deze in casu onbewijsbaar zijn.Het eerste lid van art. 2 luidt:Any person, who1. Procures or attempts to procure any girl or woman under twenty one years of age, not being a common prostitute, or of known immoral character, to haveunlawful carnalconnectioneither within or without the Queen’s dominions, with any other person or persons.Dit lid van art. 2 treft de eenvoudige koppelarij.Een zeer belangrijk en interessante bepaling uit deCriminal Law Amendment Act 1885is art. 8.Gestraft wordt hij, die een vrouw of meisje tegen haar wil in een bordeel houdt, of in een huis met ’t oogmerk, dat zij “unlawfully” vleeschelijke gemeenschap heeft met een man.Verder wordt ieder vermoed zich aan deze “misdemeanour” schuldig te maken, die met ’t oogmerk de vrouw te dwingen in het bordeel of in dat huis te blijven haar kleederen wegneemt.Ook hij, die in ’t geval, dat aan die vrouw kleederen geleend of verschaft zijn door den bordeelhouder of anderen, haar dreigt met een gerechtelijke vervolging, indien zij zich met de aldus geleende of verschafte kleederen verwijdert.Ten slotte bepaalt het artikel, dat noch ten civiele noch ten crimineele vervolgd zal worden eene vrouw, die dergelijke kleedingstukken weggenomen heeft of in wier bezit deze gevonden zijn. Voorzoover zij althans noodig waren om haar in staat te stellen het bordeel of een ander huis te verlaten.Met betrekking tot bovengenoemde bepalingen bevat deCrim. L. Am. Act 1885nog eenige processuëele voorschriften, waaronder het recht om woningen binnen te treden en regelen van bewijs.Daar de meeste uitleveringstractaten tusschen het Vereenigd Koninkrijk en andere Staten dateeren vanvóor 1885, zijn de strafbare feiten uit de Crim. Law Am. Act. niet daarin opgenomen.Het tractaat met Rusland uit 1886 bevat er enkele van. De omstandigheid, dat niet alle Staten dergelijke bepalingen in hun strafwetgevingen bezitten, sluit voorloopig de opname van den handel in blanke slavinnen in de uitleveringstractaten met die landen uit. (Rapport van den Heer Craies, Londensch Congres 1899.)DeCustomshebben volgens de vreemdelingenwet van 1836 de bevoegdheid een lijst te vragen van alle vreemdelingen, die in de Engelsche havens aankomen. Dit wordt gedaan ter wille van de statistiek, want de Engelsche wet staat niet toe een vreemdeling het land uit te zetten, hoe wenschelijk ’t ook zij. Doch de bepaling kan ook dienstbaar gemaakt worden om op ’t spoor te geraken van invoer in Engeland met ontuchtige oogmerken (id.)Bij de behandeling der Nederlandsche bronnen vermeldde ik reeds, dat de politie het publiek wel eens waarschuwt tegen de praktijken der placeurs en dienstbureaux. De Engelsche politie laat dit integendeel geheel over aan de philanthropische vereenigingen.De Engelsche consuls in den vreemde bemoeien zich ook met de bestrijding van den blanke slavinnenhandel doch slechts dan, wanneer het Engelsche onderdanen geldt; het uitgangspunt voor hunbemoeiingenis dus niet de bestrijding van den meisjeshandel, maar wel de zorg voor behoeftige en verlaten landgenooten.§ 2. Duitschland.De rechtsorde in het Duitsche Rijk is vrij goed gewapend tegen hen, die haar op de besproken wijze in gevaar trachten te brengen en aantasten. Het Strafwetboek van 31 Mei 1870, oorspronkelijk voor den Noord-Duitschen Bond bestemd, werd door de wet van 45 Mei 1871 hetStrafgesetzbuch für das Deutsche Reich. Het geheele strafwetboek werd na eenige veranderingen den 26 Febr. 1876 nogmaals in hetReichsgesetzblattopenbaar gemaakt.De artikelen uit dit wetboek, die in verband met dit onderwerp bijzondere aandacht verdienen, zijn de artikelen 180 en 181.Zij luiden aldus:Art. 180. “Wer gewohnheitsmässig oder aus Eigennutz durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet, wird wegen Kuppelei mit Gefängniss bestraft; auch kann auf Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte, sowie auf Zulässigkeit von Polizei-Aufsicht erkannt werden.Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie wedergewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:1. um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind, oder2. der Schuldige zu den Personen, etc. etc.Deze artikelen toonen bij den eersten oogopslag een aanmerkelijk verschil met de meeste koppelarij-artikelen der moderne strafwetgevingen. Zij gaan uit van een in bescherming nemen der goede zeden, onverschillig van wien ook; de meeste strafwetten toch beschouwen de koppelarij als een soort bescherming van minderjarigen. Deze beperking is niet te vinden in de artt. 180 en 181, voorzoover ik ze citeerde.Olshausen distilleert uit deze beide artikelen het begrip koppelarij. “Kuppelei betreibt derjenige welcher durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.” Er dient op gelet te worden, dit is het begrip; en zoo enkelvoudig als het hier gesteld is, stelt de wetgever het niet strafbaar.Voor hetVergehenvan art. 180 vordert de wet dat deKuppelei gewohnheitsmässig of aus Eigennutzgeschiedt; voor hetVerbrechenvan 1811o.dat “hinterlistige Kunstgriffe” aangewend zijn. In hoeverre er sprake kan zijn vanVorschub leistenis quaestio facti. Doch dit moet geschieden òf doorVermittelungvan den dader òf doorVerschaffung von Gelegenheit.“Durch Vermittelung wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Personen günstigere Voraussetzungengeschaffen werden” (Olshausen ad art. 180).“Durch Gewährung von Gelegenheit und durch Verschaffung von Gelegenheit wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Ortes günstigere Voraussetzungen geschaffen werden (id.)”En wat de dolus betreft, zoo besliste het Reichsgericht: “Der Dolus der Kuppelei erfordert dasBewusstsein, dass durch die geübte Vermittelungsthätigkeit oder Gelegenheitsmacherei Handelungen befördert werden, welche objectiv sich als Unzucht darstellen. (RG. 10 Oct. 1882.)”Dolus eventualis is evenzeer voldoende.Voor voltooiing van het misdrijf, bij art. 180 strafbaar gesteld, is het niet noodig, dat werkelijk ontucht gepleegd zij.Von Liszt (Lehrbuchpag. 395) zegt:“Die Vollendung ist erst gegeben wenn durch Vermittelung usw. thatsächlich günstigere Bedingungen geschaffen sind. Die Verhandlungen des Bordellwirts mit den anzuwerbenden Mädchen erscheinen mithin als Vorbereitungshandlungen zür Vermittlung, die Eröffnung von Gelegenheit. Erfolgte Unzucht ist nicht erforderlich.”Het Duitsche Strafwetboek treft door art. 180 den bordeelhouder. Het bestaan van bordeelen, al dan niet door de politie gereglementeerd, is verboden.Sous-entendumoet dus ook de binnenlandsche meisjeshandel onbestaanbaar zijn.Doch gesteld het geval, dat er toch een bordeel in strijd met de wet bestaat, en dat daarvoor meisjes dooreen placeur geleverd worden, dan wordt wel de bordeelhouder gestraft, doch alleen voor het feit, dat hij gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht. De misleider der meisjes loopt vrij rond. Is ’t soms mogelijk, dat ook ten opzichte van hem met de artt. 180 en 181 gerechtigheid geschiede?Wanneer placeur en bordeelhouder éen en dezelfde persoon zijn, is toepassing van art 180 mogelijk.In de andere gevallen is het de vraag of de placeur voor het begrip “koppelarij” kan gezegd wordender ontucht Vorschub zu leisten durch seine Vermittlung.Na zijne hierboven geciteerde verklaring wat onderVermittlungmoet verstaan worden, zegt Olshausen “Die Thätigkeit muss somit auf das Zusammenbringen dieser Personen gerichtet sein, gleichgültig, ob unmittelbar, wie bei der seitens eines Dienstmannes geschehenden Zuführung eines Fremden zu einer öffentlichen Person, oder ob mittelbar, wie bei der Anwerbung bezw. Ueberführung von Frauenspersonen für ein Bordell.”’t Is zoo, de werkzaamheid van den meisjeshandelaar is eene indirecte, doch voor zijne strafbaarheid zou dan nog vereischt zijn hetgewohnheitsmässighandelen of het handelenaus Eigennutz. Dit punt vindt echter zijne voor- en tegenstanders. In gelijken zin besliste het Preusische Ober-Tribunal den 14 Nov. 1873: “de aanbieding van een meisje om in het bordeel van een derde te gaan is voltooide koppelarij.”Aan den anderen kant besliste het Reichsgericht dat het te vergeefs aanbieden van meisjes ter opname in een bordeel is straffelooze poging, (23 Sept. 1880)(id. Lübeck, 7 Mei 1870). Een arrest van hetReichsgerichtvan den 15 Mei 1880 vorderde, dat voor de strafbaarheid ’t aanbod aangenomen moest zijn. Onnoodig is dan werkelijke intrede in het bordeel of nadere condities met den bordeelhouder. Voordat ik in dezen strijd partij kies, wensch ik aan te geven, dat het zeer waarschijnlijk is, dat bij de overreiking van het eerste ontwerp van het strafwetboek op den 31 Juli 1869 aan den Rijkskanselier in het ontwerpartikel der koppelarij aan geen strafbaarstelling van den meisjeshandel gedacht is.Zal dus de blanke slavinnenhandelaar onder het bereik van art. 180 kunnen vallen, dan moet zijn daad allereerst het begrip koppelarij voldoen. “Kuppelei betreibt derjenige, welcher durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.”’t Is waar, deze definitie spreekt niet van een directe of indirecte bemiddeling; ze laat dit geheel in ’t midden. ’t Behoeft geen betoog, dat het artikel zeer zeker aan de behoefte voldoet indien iedere indirecte bemiddeling daaronder valt. Doch tot hoever moet men dan hiermede gaan? Toepassing van den dolus eventualis aangenomen, zou het art. de individueele vrijheid gevaarlijk beperken en veelal juist die personen in bescherming nemen die door hun zorgeloosheid de bescherming der strafwet niet verdienen.Doch dit laatste kan geen afdoend argument zijn om de indirecte bemiddeling uit te sluiten. Mijns inziens kan echter indirecteVermittelungniet voldoenaan de etymologische beteekenis van het woordkoppelen. Dit istot een koppel binden; duidelijk is het, dat de placeur dit niet doet, wel werkt hij er toe mede. Nu zou de strafwet wel een ruimere beteekenis kunnen hechten aan dat begrip, doch dan ware eerste vereischte, dat zij dit ook bepaaldelijk uitdrukte. En dit geschiedt nergens. Historisch zou dit begrip koppelarij, zonderuitdrukkelijkeuitbreiding, niet voldoen aan het begrip lenocinium, dat men in de koppelarij-artikelen steeds heeft willen neerleggen. Er wordt dus mijns inziens aan dit artikel een uitbreiding gegeven, die om verschillende redenen ongeoorloofd is. Het gevolg van deze engere interpretatie zouden dus zijn de gewone bezwaren verbonden aan de koppelarij-artikelen, die niet bestemd zijn voor de bestraffing der placeurs e. a., doch door wier toepassing men hen toch wil treffen. We moeten hen dan straffen alsBeihülfenvan hen, die strafbaar zijn wegens art. 180. We ondervinden de gewone moeilijkheden verbonden aan den accessoiren aard der medeplichtigheid, en we zullen gewaar worden, dat die gevaarlijke individuen door de mazen der strafwet heensluipen.Ik kan mij dus zeer wel begrijpen eene interpretatie, waartegen de bewoordingen van art. 180 zich niet rechtstreeks verzetten, en welke aan de behoefte voldoet.De meeste criminalisten interpreteeren het artikel dan ook aldus; von Liszt, Olshausen, Oppenhoff e. a.Wanneer dan het begripkoppelarijin dien ruimen zin uitgelegd wordt, bestaat in art. 1811o.een geducht wapen tegen den binnenlandschen meisjeshandel.Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird, mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:1. Um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind.Dit artikel vordert 1. dat de ontucht bevorderd is; 2. dat dit geschied is door aanwending van “hinterlistige Kunstgriffe.”De “hinterlistige Kunstgriffe” zijn het juist die bij den meisjeshandel zoo’n grooten rol spelen.“Unter Kunstgriffen sind Handlungen ähnlicher Art zu verstehen, wie sie von Taschenkünstlern angewendet werden, d.h. geschickt angewendete auf Täuschung berechneteMassnahmen.”“Hinterlist ist—nach Grimm’s Wörterbuch—Kunst hinter Jemandes Rücken zu dessen Schaden angewendet, verstäckte Arglist. Zu der Arglist tritt also noch das Moment hinzu, das die Thätigkeit eine versteckte ist, so dass der andere Theil die List womöglich erst dann erkennt, wenn ihr Zweck erreicht oder wenigstens gesichert ist.”“Dass die hinterlistigen Kunstgriffen eine Täuschung hervorgebracht haben ist nicht erforderlich.”Aldus Olshausen ad art. 1811º.Oppenhoff ad art. 181 geeft de volgende verklaring vanhinterlistige Kunstgriffen:“Unter “hinterlistigen Kunstgriffen” sind alle listigen Vorkehrungen zu verstehen, durch welcheJemandgeneigt gemacht wird an Orte zu kommen, wo Unzucht getrieben werden soll, oder sich Anderen zu Unzucht Preis zugeben, z.B. Verlockungen an einsame Orte, Vorspiegelung glänzender Zukunft, Missbrauch angesehener Namen, Beibringung aufregender Getränke etc.(Dresden. 17 Sept. ’77.)Von Liszt (Lehrbuch § 108 III 2) zegt: “also die Erregung oder Unterhaltung eines Irrtums durch Vorspiegelung falscher, Unterdrückung oder Entstellung wahrer Thatsachen, z.B. Versetzung in Trunkenheit, Verlockung unter den Vorwand, der Frauensperson eine Anstellung oder einen Dienstplatz zu verschaffen. Mit der Vorschubleistung (meist mit dem Kunstgriff) vollendet.”Zeer helder stelt von Liszt ons deze feiten voor oogen. Ze vormen allen bestanddeelen van een daad van blanke slavinnenhandel.Alle tusschenpersonen, die achtereenvolgens werkzaam zijn om het plan ten uitvoer te brengen, dat voltooid is door de overreiking van levende koopwaar door den laatste aan den bordeelhouder, zijn evenzeer strafbaar. Zoowel hij, die het meisje overhaalde door valsche voorspiegelingen en mooie woorden als degene, die haar van dezen overneemt en of aan een derde overlevert, die voor ’t verder vervoer zorgt, of aan den bordeelhoudenden kooper, al zegt hij geen woord, dat het meisje eenigszins op een dwaalspoor zou kunnen brengen of houden. Juist dit zwijgen, waar spreken plicht was, moet ook onder dehinterlistige Kunstgriffengerangschikt worden. Doch er moet dan bewezen zijn, dat de persoon in kwestie op de hoogte was van de omstandigheden, zoodat zijn opzet daaruit blijkt (ook doluseventualis). Dat kan b.v. geschieden als gebleken is, dat hij met zijn voorganger een afspraak had etc. etc. Er mag geen twijfel bestaan, dat hij te goeder trouw zou gemeend hebben, dat het meisje van alle omstandigheden op de hoogte was, waarmede hij zijn zwijgen zou kunnen rechtvaardigen.De “hinterlistige Kunstgriffe” van art. 1811º.zijn voor het strafbaar feit strafbepalend; ze zijn ten opzichte van het strafbaar feit van art. 180 niet strafverzwarend. Hierop te wijzen is in zooverre ook van groot belang dat een bordeelhouder, die zijn eigen pensionnaires recruteert, niet zal vallen alleen onder het zwaarder gestraft wordend feit van art. 1801o., maar zal vervolgd worden èn wegens art. 180 èn wegens art. 1811o.:concursus realisheeft plaats.Voorvoltooiingis het geen vereischte, dat er ontucht gepleegd zij; zooals von Liszt zegt: “Mit der Vorschubleistung, meist mit dem Kunstgriff vollendet.” Het misdrijf van den meisjeshandelaar bepaalt zich dan ook tot de aanwending der bedriegelijke middelen. Uit het opzet om door deze de ontucht te bevorderen blijkt voldoende het bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren; de verzwijging van dit oogmerk moet hier onder de “listige Kunstgriffen” begrepen worden. Art. 1811o.vordert deze beide vereischten niet uitdrukkelijk als bestanddeelen van het strafbaar feit.Dit heeft ten gevolge, dat de “hinterlistige Kunstgriffe” ook in anderen zin aangewend kunnen zijn, zoodat het feit geheel valt buiten den kring van den eigenlijken blanke slavinnenhandel: b. v. misleidingten opzichte van het loon etc, waardoor eene prostituée zich laat overhalen pensionnaire van een bordeel te worden.Het is duidelijk, dat ook de buitenlandsche handel, bestaande in den export van vrouwen door dit artikel getroffen wordt, in zooverre deze althans in het land zelf plaats grijpt. Buiten ’t bereik van art. 1801o.valt hij, die met de aanwending der bedriegelijke middelen pas aan de overzijde der grens begint.Natuurlijk vordert de levering van het bewijsmateriaal groote moeielijkheden; nl. in hoeverre werkelijk die kunstgrepen gebezigd zijn om de ontucht te bevorderen; daar de rechter ten opzichte van het feit, dat in den vreemde werkelijk de vrouw aan een ontuchtig leven zou overgeleverd zijn, in de meeste gevallen een non liquet zal moeten uitspreken, zal de beklaagde in die gevallen vrijgesproken moeten worden.Het Duitsche Strafwetboek bevat onder no. 6 van art. 361 de volgende bepaling:Mit Haft wird gestraft:6. eine Weibsperson, welche ohne solchen (i. e. polizeilichen) Aufsicht unterstellt zu sein, gewerbsmässig Unzucht treibt.’t Is mogelijk, dat deze bepaling ten opzichte van de misleide meisjes beschermend zou kunnen werken, doch mijns inziens zal zij in de praktijk weinig uitrichten, daar zij wel met succes ontdoken zal worden in die gevallen, in welke misbruiken aan ’t licht zouden kunnen komen.Nadat reeds meer dan eens in den Duitschen Rijksdagdoor afgevaardigden het bestaan van denmeisjeshandelwas ter sprake gebracht, (o. a. door den Heer A. Bebel naar aanleiding van de door Nederland met Oostenrijk-Hongarije en te voren met België uitgewisselde verklaringen) werd bij de 2delezing van het ontwerp-wet “Ueber das Auswanderungswesen” op voorstel van de afgevaardigden Graaf von Kanitz-Podangen en Aug. Bebel een artikel 48 in die wet gevoegd. (Zitting van 6 Mei 1897). Dit artikel met de eindredactie volgens amendement van de afgevaardigden Dr. Bachem en Dr. von Buchka bij de 3delezing werd den 8 Mei 1897 met groote meerderheid door den Rijksdag aangenomen. Het luidt als volgt.Art. 48 van Das Reichsgesetz über das Auswanderungswesen vom 9 Juni 1807:“Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke, sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen, mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren bestraft. Neben der Zuchthausstrafe ist der Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte auszusprechen; auch kann zugleich auf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstauzend Mark sowie auf Zulässigkeit von Polizei-aufsicht erkannt werden.“Dieselben Strafvorschriften finden auf Denjenigen Anwendung, welcher mit Kenntniss des vom Thäter in solcher Weise vervolgten Zweckes die Auswanderung der Frauensperson vorsätzlich befördert; sind mildernde Umstände vorhanden, so tritt Gefängnisstrafe nicht unter drei Monaten ein, neben welcherauf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstausend Mark erkannt werden kann.”Eenige verbazing een dergelijk artikel in deze wet te vinden is voorzeker niet ongemotiveerd. Het is het laatste artikel van Hoofdstuk VIII, dat de “Strafbestimmungen” inhoudt ter sanctioneering en als waarborg voor de nakoming van de verplichtingen in deze wet opgelegd. ’t Zijn dus uitsluitend sancties van bepalingen van administratief-rechterlijk karakter en inzooverre gaat art. 48 de perken dezer wet te buiten; deze bepaling behoord onder de “eigenlijke strafwetten” gerangschikt te worden. Deze wet vordert een verlof voor de oprichting van emigratiekantoren en voor de medewerking als agent daaraan. Zij beoogt een waarborg, dat zij,dieemigreerenwillen, niet aan de genade worden overgeleverd der emigratiebureaux, b.v. door ’t voorschrift dat altijd een schriftelijk contract vereischt is.Hiernaast mag genoemd worden art. 144 van het Strafwetboek, dat aldus luidt:Art. 144. Wer es sich zum Geschäfte macht Deutsche unter Vorspiegelung falscher Thatsachen oder wissentlich mit unbegründeten Angaben oder durch andere aufTäuschungberechnete Mittel zur Auswanderung zu verleiten, wird mit Gefängniss von einem Monat bis zu zwei Jahren bestraft.”Dit artikel kan, wanneer de omstandigheden van dien aard zijn, den internationale meisjeshandelaar treffen, doch niet voor een op zich zelf staande daad; de straf is onbeduidend vergeleken bij die van art. 48.Een op deugdelijke grondslagen berustende wet op emigratiekantoren en emigratieagenten moet zonder twijfel bij uitstek gunstig werken en veel kwade praktijken en misbruiken tegenover de emigreerenden en in ’t algemeen tegenover de bevolking, die door hen tot emigreeren wordt overgehaald, tegengaan.In ieder geval is een artikel als § 48 gerechtvaardigd; het combineert 2 vergrijpen: een tegen de zeden en een tegen de plichten van het emigratiebureau of van den agent. Daarom is de zwaardere strafbepaling ook volkomen gewettigd; zwaarder zoowel vergeleken bij de koppelarij-artikelen als vergeleken bij de artikelen die verwaarloozing der verplichtingen der emigratiekantoren e.a. moeten verhoeden.Art. 48 eerste lid vordert:1. De verleiding van een vrouw om naar den vreemde te gaan.2. Een bijkomend oogmerk om haar aan een leven van prostitutie over te leveren.3. Opzettelijke verzwijging (arglistige Verschweigung) van dit oogmerk.’t Kan niet ontkend worden, dat de Duitsche wetgever bij uitstek geslaagd is in de opsomming van de elementen, die eigen zijn aan de handelingen der meisjeshandelaars. We telden dan ook reeds 1897 bij de totstandkoming van dit artikel; vele jaren lang waren Regeering en overheid reeds van particuliere zijde in kennis gesteld met den waren aard van deze wandaden en met de omstandigheden, waaronder ze gepleegd worden.Onverschillig is het voor ditVerbrechenof de vrouwonschuldig, eerbaar was of niet. Zelfs de prostituée wordt in bescherming genomen; zonder twijfel zal in casu deze omstandigheid op de strafmate van invloed zijn.De vrouw, onverschillig, van welken leeftijd zij moge zijn, moet—wil het delict voltooid zijn—verleid zijn naar den vreemde te gaan; door de handelingen van den dader moet zij het plan hebben opgevat het land uit te gaan. Dat dit in werkelijkheid geschied zij, wordt voor dit misdrijf niet vereischt. De dader kan op alle mogelijke wijzen haar tot dit plan brengen; de wet bindt niet door het vereischte van bepaalde middelen (c. f. art. 144 Duitsche Strafwetboek). Het zal evenwel steeds een middel moeten zijn dat er op berekend is de ware feiten te verbergen. Dit ligt in de woorden “arglistiger” en “verleiten”. Heeft de vrouw nog niet het plan opgevat het land te verlaten als gevolg van het streven van den dader, dan kan slechts sprake zijn van strafbare poging, mits de overige vereischten voor dezen deliktsvorm aanwezig zijn.Bewezen moet worden het bijkomend oogmerk, dat het doel bestond de vrouw aan een leven van prostitutie over te leveren. Dit oogmerk is vereischt zoowel voor het voltooide delikt als voor de poging en het behoeft in geen van beide gevallen bereikt te wezen. Zeer terecht is het zoo algemeen mogelijk uitgedrukt: de overlevering aan de prostitutie en is ’t dus onverschillig of de ontucht in een bordeel of daarbuiten bedreven zou worden. Doch het blijft vereischte dat de ontucht “gewerbsmässig” bedreven zou zijn.Ten slotte moet dit oogmerk arglistig verzwegen zijn.”Mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes”, zegt de tekst. Dus een zwijgen is voldoende, het moet opzettelijk geschieden om tot het doel nader te komen, zonder het zwijgen moet de vrouw er niet toe komen het voornemen op te vatten het land te verlaten. Positieve handelingen om het oogmerk te verbergen, alhoewel mogelijk, zijn onnoodig. Deze handelingen zulleneventueelmisleidende, bedriegende zijn.Meende de dader,—hoewel ten onrechte—dat het de eigen wil der vrouw is zich in het buitenland aan de ontucht over te leveren, dan mist het delict een zijner elementen: er bestaat geen opzet,de “arglistige Verschweigung” ontbreekt.Het 2delid van art. 48 bevat een begunstiging na het plegen van het delict. De hulpverleening vóor of bij het plegen van het strafbare feit wordt naar de gewone regelen berecht en gestraft.Dit 2delid treft hem, die anders niet gestraft zou kunnen worden noch als dader noch als medeplichtige van het misdrijf van art. 48 eerste lid, omdat voor beide gevallen eenige delictsbestanddeelen gemist worden en voor het laatste de juridische vereischten ontbreken. Hij toch die de vrouw van den vader overneemt om haar verder naar de plaats van bestemming geheel of gedeeltelijk te brengen, kan niet gezegd worden dat hij haar “zur Auswanderung verleitet.”Bestanddeelen van het delict van art. 48 2delid zijn:1. Bekendheid met het door den dader beoogde doel, zooals dit arglistig verzwegen is.2. Het opzettelijk bevorderen, dat de vrouw het land verlaat.Het moet eene opzettelijke handeling zijn; dolus eventualis is voldoende.Het delict heeft dus plaats, nadat “die Verleitung zur Auswanderung” reeds geschied is.De afgevaardigde Bachem stelde in den Rijksdag als voorbeeld den emigratieagent, die om de provisie te verdienen, den meisjeshandelaar en het meisje de passagekaarten voor de boot verkoopt, terwijl hij bekend is met de bestaande verhoudingen.Zoowel op het delikt van het eerste als op dat van het tweede lid staat als straf gesteld: tuchthuisstraf van hoogstens 5 jaren. Daarnevens kan facultatief uitgesproken worden verlies “der bürgerlichen Ehrenrechte”, geldboete van 150 tot 600 Mark en het stellen onder politietoezicht. Evenwel laat art. 48 2elid toe voor dat delikt uit te spreken gevangenisstraf van minstens drie maanden waarnevens facultatief geldboete van 150 tot 6000 mark, indien er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Wat onder die verzachtende omstandigheden te verstaan is, zoo blijkt uit de beraadslagingen, dat men daaronder ook den dolus eventualis begreep. Voorzeker nog al vreemd.Dienstig om in ’t algemeen den meisjeshandel te onderdrukken en om in bijzondere gevallen de justitie en politie op ’t spoor te doen komen van gevallen van dezen aard is § 70 no. 10 van het besluit van den Bondsraad, betreffende de uitrusting van vaartuigen, waarop zich vooral emigreerende personen bevinden.Het artikel schrijft den schipper voor om voor het geval zich aan boord vrouwen bevinden, die vermoed worden slachtoffers van een placeur te zijn, den Duitschen Consul van de plaats, waar zij debarqueeren, zoo spoedig mogelijk namen, nationaliteit en doel der reis van deze vrouwen en hare begeleiders mede te deelen.Doch ook buitendien is den diplomatieke vertegenwoordigers van den consulaten strenge waakzaamheid opgedragen ten opzichte van den internationalen meisjeshandel.Wij zien, dat Duitschland een open oog heeft voor die belangen, die in deze kwestie op het spel staan. Ook reeds vóór het tot stand komen van deze wet van ’97 heeft het getracht in den nood te voorzien. We maakten reeds kennis met de verklaring, die den 15 Nov. 1889 tusschen het Duitsche Rijk en Nederland is uitgewisseld (wet 15 April 1891 Stsbl. 85).Een gelijksoortige verklaring wisselde Duitschland den 4 Sept. 1890 met België uit.“Déclaration conclue à Berlin entre la Belgique et l’Allemagne concernant le repatriement de certaines prostituées”. Approuvée par la loi du 27 Juillet 1891.—Echange ratifié, Berlin 25 Juillet 1891. Le procès-verbal de cet echange constate qu’il a été convenu alors de réserver à chacune des parties contractantes “la faculté de faire cesser, à l’expiration de six mois, après en avoir donné avis, les effets de la déclaration”. (Conférence internationale pour la prophylaxie de la syphilis et des maladies vénériennes, Bruxelles Septembre 1899. Notice de M. Emile Beco, Belgique.)De 7 artikelen van deze verklaring luiden:Art. 1. Les parties contractantes s’engagent à concourir dans les limites légales à ce que les femmes et les filles appartenant à l’un des deux pays, et qui se livrent dans l’autre à la prostitution, soient soumises à un interrogatoire, afin de constater d’où elles viennent et qui les a déterminés à quitter leur pays.Le procès-verbaux dressés à ce sujet seront communiqués aux autorités du pays auquel les dites femmes et filles appartiennent.Art. 2. Les parties contractantes s’engagent aussi à concourir autant que possible, dans les limites légales à ce que celles de ces femmes et filles, qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la prostitution, soient sur leur demande ou sur la demande des personnes ayant autorité sur elles, renvoyées du pays où elles se trouvent et conduites à la frontière de leur pays natal.Art. 3. Les parties contractantes s’engagenten outre, à prêter leur concours, autant que possible, dans les limites légales, pour que les filles, encore mineures selon les lois de leur pays, qui se livrent de leur progre gré à la prostitution dans l’autre pays, soient sur la demande de leurs parents ou tuteurs renvoyées dans leur pays d’origine.Art. 4. Avant d’effectuer le renvoi d’une des personnes mentionnées dans les articles 2 et 3, l’administration qui en est chargée adressera, par l’intermédiaire des autorités du pays, auquel la personne en question appartient, un avis aux personnes, qui ont autorité sur celle-ci, indiquant la date, à laquelle le renvoi aura lieu et la localité à laquelle la femme ou fille sera dirigée.Art. 5. La correspondance entre les autorités des deux pays relative à ce renvoi, se fera autant quepossiblepar voie directe.Art. 6. Dans le cas, ou les frais occasionnés par l’entretien et le renvoi jusqu’à la frontière de ces femmes et filles ne pourront être remboursés par les femmes et filles elles-mêmes ou par leurs maris, parents ou tuteurs,ou ne devront pas l’êtrepar les ténanciers, ils restent à la charge de l’Etat, qui a effectué le renvoi.Art. 7. La présente déclaration sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Berlin.Deze verklaring met België uitgewisseld is geheel gelijkluidend met die, welke Duitschland kort te voren met Nederland uitwisselde. De op- of aanmerkingen, die ik mij dus bij de behandeling van deze laatste verklaring veroorloofde, zijn ook hier van kracht, voor zoover het verschil in wetgeving dit niet uitsluit. Er is slechts eene verandering te constateeren in art. 6 van de verklaring tusschen Duitschland en België. ’t Is de invoeging van de woorden “ou ne devront pas pas l’être par les ténanciers”, die in onze verklaring ontbreken. Ze stellen evenwel niets nieuws. ’t Is toch duidelijk, wanneer de bordeelhouders zich verplicht hadden de kosten der terugreis te restitueeren, (dit is mogelijk om het meisje of de vrouw eerder over te kunnen halen haar land te verlaten en haar meer vertrouwen in te boezemen, alhoewel de bordeelhouder in den aanvang natuurlijk toch voornemens was zichniet aan deze verplichting te houden) dat deze ook rechtens gevorderd kunnen worden. De Staat schiet de gelden voor. Wellicht stelt dit artikel een recht van den Staat daar om rechtstreeks den bordeelhouder voor de kosten der terugreis aan te spreken, die deze aan het misleide meisje schuldig was.Bij ’t slot mijner beschouwingen van het Duitsche recht in verband met den blanke slavinnenhandel worde nog gememoreerd, dat voor de uitleveringstractaten het bestaan van strafbepalingen tegen den meisjeshandel van zeer gering belang is, daar in dergelijke tractaten steeds een principe van reciprociteit op den voorgrond staat, en de meeste strafwetgevingen in de behoefte aan dusdanige bepalingen nog niet hebben voorzien.Zoo spreekt het uitleveringstractaat tusschen Duitschland en Nederland van 2 Nov. 1897, Staatsblad 211 onder no. 8 van art. 1 wel zeer algemeen van “koppelarij” doch in alinea 1 van het artikel wordt bepaald dat slechts dan uitlevering voor de na te melden strafbare feiten plaats heeft, indien het gepleegde feit ook strafbaar is in het land, van hetwelk de uitlevering gevraagd wordt.

Hoofdstuk VII.Wetgeving in het Buitenland.§ 1. Engeland.’t Keerpunt tusschen het ongehinderd voortwerken der meisjes-handelaars en het oogenblik, dat men pogingen in ’t werk stelde om de feiten door hen bedreven tegen te gaan, dagteekent ongeveer van het jaar 1880. Naar aanleiding van de ontdekking eener op groote schaal bestaande uitvoer van Engelsche meisjes voor de Belgische bordeelen, werden de gemoederen in Engeland en vandaar uit ook op ’t Continent wakker geschud.In Engeland besloot men ’t eerste alle moeite te doen paal en perk te stellen aan dezen handel. Juist daaraan is mijn plan toe te schrijven, ’t eerst de middelen, die Engeland ten dienste staan ter bestrijding van dezen handel, na te gaan.De bordeelen, die door de omstandigheid, dat de misleide vrouwen daarin gelokt worden,—althans wat den heden ten dage meest voorkomenden vorm van dien handel aangaat—een zoo gewichtige rol spelen indeze kwestie, waren reeds vroeger in Engeland verboden. Doch niet uitdrukkelijk. De Common Law vatte ze samen met huizen van hasardspel e. a. onder den naam van “Disorderly houses”. De grond voor de strafbaarheid was dan ook bij de bordeelen dezelfde als bij die andere huizen.“The keeping of a brothel is indictable as a common nuisance because it endangers the public peace by drawing together dissolute anddebauchedpersons and also has a tendency to corrupt the manners of both sexes by such an open profession of lewdness.” (Russel on Crimesvol I pag. 427).Een gewichtig argument voor de voorstanders van de opheffing van bordeelen n.l. een waarschijnlijke groote vermindering van den omvang van den blanke slavinnenhandel, gold toen dus nog niet.Dit argument zal wel degelijk voorgezeten hebben toen bijStatuted Lawin 1885, een wet, die ’t gevolg was van de beweging om maatregelen te treffen tegen placeurs en consorten, ook de bordeelen uitdrukkelijk werden verboden.’t Is de wet van 14 Aug. 1885: “An act to make further provision for the protection of women and girls, the suppression of brothels and other purposes.” Deze wet wordt gewoonlijk geciteerd als “The Criminal Law Amendment Act 1885,” (48 and 49 Vict. Ch. 69), hetgeen volgens art. 1 geoorloofd is.Part II handelt over the “Suppression of Brothels.” Section 13 luidt:Any person, who1. keeps or manages or acts or assists in the management of a brothel, or2. being the tenant, lessee, or occupier of any premises knowingly permits such premises or any part thereof to be used as a brothel or for the purposes of habitual prostitution, or3. being the lessor, or landlord of any premises or the agent of such lessor or landlord, lets the same or any part thereof with the knowledge that such premises or some part thereof are or is to be used as a brothel or is wilfully a party to the continued use of such premises or any part thereof as a brothel,shall etc.Een bordeel wordt door Stephen in zijnDigest Crim. Lawpag. 110 gedefinieërd als een “a house or room, or set of rooms, in any house, kept for the purposes of prostitution.”Op alle mogelijke wijzen wordt het leven ontnomen aan de bordeelen; en bij overtreding zal in den regel wel niet één de kracht der wet gevoelen doch meer dan een: b. v. de houder, de beheerder van een bordeel, en dan de huisheer, indien hij er van op de hoogte is, dat zijn perceel voor dat doel gebruikt wordt.1De onderdrukking der bordeelen geschiedt daardoor op gestrenge wijze.Dus volgens Engelsche wet geen bordeelen; volgens velen een totale knak aan den binnenlandschen meisjeshandel, waardoor geheel overbodig wordt iedere andere repressie. Doch niet aldus de Engelsche wetgever. Niet blind voor de omstandigheid, dat dit maatschappelijk feit ondanks alle krachtige maatregelen van repressie zoolang de mensch mensch is, toch zal blijven bestaan, al is het niet in den vorm van de hedendaagsche bordeelen, dan toch zeker in een anderen vorm, beiden evenwel hetzelfde doel beoogende, heeft hij ’t toch noodig geoordeeld eene bepaling in de wet op te nemen, die den binnenlandschen meisjeshandel treft, al is deze ook juridisch onbestaanbaar.Daarnevens moest natuurlijk ook de buitenlandsche meisjeshandel strafbaar gesteld worden en is dit ook geschied.Part I of the Criminal Law Amendment Act 1885handelt over de Protection of Women and Girls.Section 2 luidt:Any person who2. Procures or attempts to procure any woman or girl to become, either within or without the Queen’s dominions, a common prostitute; or3. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave the United Kingdom, with intent, that she may become an inmate of a brothel elsewhere; or4. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave her usual place of abode in the United Kingdom (such place not being a brothel) with intent that she may, for the purposes of prostitution, become an inmateof a brothel within or without the Queen’s dominions, shall be guilty etc.Vóór het bestaan van deze strafbepalingen, dus vóór 1885, was decommon lawin Engeland, dat alsmisdemeanour(délit) gestraft werd het feit, dat 2 of meer personen gezamentlijk het plan beraamden, de verleiding of de ontucht van een vrouw of meisje te veroorzaken of teweeg te brengen, dat een vrouw zich aan een leven van prostitutie overgeeft.De Heer Craies deelt in zijn Rapport op ’t Congres te Londen mede, dat deze gewoonte wel lang heeft gegolden, maar de vervolgingen zelden plaats hadden, daar de vereeniging van 2 of meer personen een bestanddeel was van het delikt.De boven geciteerde bepalingen van de wet van 1885 zijn zeer streng, althans voor hem, die op ’t standpunt staat van de bestrijding van den meisjeshandel. Doch dit is dan ook niet het eenig doel der wet, daar volgens het intitulé zij behalve eenige andere doeleinden the Protection of Women and Girls beoogt. Ook van dit ruimer doel uitgaande, is de wet te streng. De Engelsche wetgever had haar kunnen tituleeren als de wet tot handhaving en bescherming der goede zeden in de maatschappij. De bepalingen nemen natuurlijk over ’t algemeen in haar hoede de eerbaarheid etc. der individueele vrouwen en meisjes en daardoor ook indirect de bescherming der goede zeden in de maatschappij. Gevallen, waarbij geen sprake is van bescherming der eerbaarheid eener vrouw, vallen evenwel ookonder de strafbepaling van dit artikel en dit geeft mij aanleiding te zeggen, dat ik de wet van 1885 te ruim gesteld vind en dat zij meer omvat dan het opschrift der wet recht geeft te verwachten. De behandeling der verschillende nos van art. 2 zal dit aantoonen.De drie laatste nos van art. 2 die den meisjeshandel treffen geven een vreemden indruk. Als men 3 bepalingen ziet, mag men toch wel verwachten, dat ze alle drie verschillende handelingen treffen. ’t Kan dan natuurlijk wel eens voorkomen, dat er concursus idealis plaats heeft, doch dit blijve buiten beschouwing. Hoe men dan ook deze 3 bepalingen beziet, er blijft slechts over tot de conclusie te komen dat ’t geven van deze 3 nos eene overbodige weelde is, die vooral in een wet niet te pas komt.Een placeur, die den binnenlandschen meisjeshandel drijft, valt onder art. 22º. en 4º.; hij, die zich bezig houdt met den buitenlandschen meisjeshandel wordt getroffen door art. 22º., 3º. en 4º.’t Is mij onbegrijpelijk, waaraan deze overvloed van bepalingen toe te schrijven is, terwijl ze ieder afzonderlijk onnoodig zoo ruim gesteld zijn, dat handelingen die straffeloos moesten blijven, getroffen worden.Afzonderlijke handelingen worden gestraft; zeer goed, doch daarbij ware vereischt verzwaring van straf, indien die handelingen bedreven worden als beroep en in geval van recidive en verder ontbreekt strafverzwaring voor den zooveel zwaarderen vorm van den meisjeshandel nl. het lokken naar den vreemde. De Engelsche wet geeft voor dit alles eene zelfde strafbepaling enwel gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar met of zonder dwangarbeid.Art. 22º.De poging tot het misdrijf wordt gelijkelijk gestraft als het misdrijf zelf. Evenzoo bij 23º. Een bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren wordt niet vereischt; in 22º.bij poging moet toch een opzettelijk handelen voor dat doel bewezen worden. Het misdrijf is voltooid, indien de vrouw of het meisje een prostituée geworden is.Moeilijk kan het bewijs zijn, indien het zich overgeven aan de prostitutie in den vreemde plaats heeft, doch dan kan men wellicht onder een volgend lid vallen, zonder dat bewezen zij, dat werkelijk het zich prostitueeren hebbe plaats gehad, mits dan het oogmerk bewezen zij.Art. 22º.laat evenzeer als de beide volgende leden van het artikel in het midden, welke middelen aangewend zijn.Onverschillig is het voor dit misdrijf, of de vrouw nog onschuldig is of niet.Op welke wijze en waar het meisje zich aan de prostitutie overgeeft is eveneens van geen belang. Het is zeer juist ingezien, daar toch voor den meisjeshandel het lokken in een bordeel geen vereischte is.Art. 23º.Het misdrijf is voltooid, zoodra het meisje of de vrouw het koninkrijk verlaat om gevolg te geven aan haar besluit, dat gevormd is op aandrang van hem, die ’t oogmerk heeft haar in het buitenland aan een ontuchtig leven in een bordeel over te leveren.Werkelijk een zeer strenge bepaling! Het ware karakter van den meisjeshandel heeft men blijkbaar bij het maken der wet niet genoeg in het oog gehouden. Wat maakt dien handel toch zoo afkeurenswaardig? Dit is de omstandigheid dat de placeur het oogmerk heeft zijn slachtoffer aan de prostitutie over te leveren doch haar tevens dit oogmerk verzwijgt Van een dusdanig deliktsbestanddeel is in deze 3 strafbepalingen geen spoor aan te treffen. Zelfs het eigen initiatief, de eigen dringende wil der vrouw kan voor hem of haar, die op dat verzoek bemiddeling biedt en hulp verschaft, de strafbaarheid niet opheffen. Dit geldt zoowel voor lid 3 als voor lid 2 en 4.Vervolgd wordt b.v. een heer, die in het belang van eene prostituée te Londen, voor wier gezondheid de Londensche lucht nadeelig is, haar behulpzaam is of haar overhaalt om in het gezondere Liverpool haar leven voort te zetten. En dit zonder eenig winstbejag, slechts met een zuiver altruistische bedoeling. Eveneens straft de wet hem of haar, die eene prostituée op haar uitdrukkelijk verlangen eene plaats bezorgt in een binnen- of buitenlandsch bordeel, ’t Spreekt van zelf dat dit te veel ingrijpt in de individueele vrijheid van doen en laten.Art. 24o.Deze bepaling vult voor een deel art. 22o.aan, in zooverre, dat wanneer in een speciaal geval het misdadig oogmerk bewezen is, de dader reeds strafbaar is, zoodra ten gevolge van zijn aandrang de vrouw haar huidig verblijf verlaat.’t Andere gedeelte van dit voorschrift valt geheel onderart 23º. met uitzondering van het geval, dat de vrouw volgens dit lid van ’t artikel (24º.) zich niet reeds in een bordeel mag bevinden. Dit is althans mijn meening; of zou men zoo scherpzinnig mogen zijn om aan te nemen, dat de strafbaarheid in art 23º.pas begint, op het oogenblik, dat zij “leaves the United Kingdom” terwijl in art. 24º.de strafwet reeds werkt, wanneer zij “leaves her usual of abode in theUnitedKingdom?”’t Is mogelijk. M. i. kunnen de woorden van art. 23º.“With intent that she may become an inmate of a brothel elsewhere” niets anders beteekenen dan die van art. 24º.“With intent that she may,for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within or without the Queen’s dominions.” Het woord “inmate” kan toch slechts betrekking hebben op eene pensionnaire van een bordeel; ik noem b. v. een dienstmeisje of werkster in een bordeel niet een “inmate of a brothel.”Art. 2 ^4º.treft niet den bordeelhouder, die een meisje overhaalt in zijn bordeel in dienst te gaan, terwijl hij den waren aard van het huis verbergt. Ofschoon zij aldaar spoedig meegesleept zal worden in het leven van ontucht, ontbreekt het vereischte, datshe may “for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel”; indien evenwel de intentie bestond, zal deze in casu onbewijsbaar zijn.Het eerste lid van art. 2 luidt:Any person, who1. Procures or attempts to procure any girl or woman under twenty one years of age, not being a common prostitute, or of known immoral character, to haveunlawful carnalconnectioneither within or without the Queen’s dominions, with any other person or persons.Dit lid van art. 2 treft de eenvoudige koppelarij.Een zeer belangrijk en interessante bepaling uit deCriminal Law Amendment Act 1885is art. 8.Gestraft wordt hij, die een vrouw of meisje tegen haar wil in een bordeel houdt, of in een huis met ’t oogmerk, dat zij “unlawfully” vleeschelijke gemeenschap heeft met een man.Verder wordt ieder vermoed zich aan deze “misdemeanour” schuldig te maken, die met ’t oogmerk de vrouw te dwingen in het bordeel of in dat huis te blijven haar kleederen wegneemt.Ook hij, die in ’t geval, dat aan die vrouw kleederen geleend of verschaft zijn door den bordeelhouder of anderen, haar dreigt met een gerechtelijke vervolging, indien zij zich met de aldus geleende of verschafte kleederen verwijdert.Ten slotte bepaalt het artikel, dat noch ten civiele noch ten crimineele vervolgd zal worden eene vrouw, die dergelijke kleedingstukken weggenomen heeft of in wier bezit deze gevonden zijn. Voorzoover zij althans noodig waren om haar in staat te stellen het bordeel of een ander huis te verlaten.Met betrekking tot bovengenoemde bepalingen bevat deCrim. L. Am. Act 1885nog eenige processuëele voorschriften, waaronder het recht om woningen binnen te treden en regelen van bewijs.Daar de meeste uitleveringstractaten tusschen het Vereenigd Koninkrijk en andere Staten dateeren vanvóor 1885, zijn de strafbare feiten uit de Crim. Law Am. Act. niet daarin opgenomen.Het tractaat met Rusland uit 1886 bevat er enkele van. De omstandigheid, dat niet alle Staten dergelijke bepalingen in hun strafwetgevingen bezitten, sluit voorloopig de opname van den handel in blanke slavinnen in de uitleveringstractaten met die landen uit. (Rapport van den Heer Craies, Londensch Congres 1899.)DeCustomshebben volgens de vreemdelingenwet van 1836 de bevoegdheid een lijst te vragen van alle vreemdelingen, die in de Engelsche havens aankomen. Dit wordt gedaan ter wille van de statistiek, want de Engelsche wet staat niet toe een vreemdeling het land uit te zetten, hoe wenschelijk ’t ook zij. Doch de bepaling kan ook dienstbaar gemaakt worden om op ’t spoor te geraken van invoer in Engeland met ontuchtige oogmerken (id.)Bij de behandeling der Nederlandsche bronnen vermeldde ik reeds, dat de politie het publiek wel eens waarschuwt tegen de praktijken der placeurs en dienstbureaux. De Engelsche politie laat dit integendeel geheel over aan de philanthropische vereenigingen.De Engelsche consuls in den vreemde bemoeien zich ook met de bestrijding van den blanke slavinnenhandel doch slechts dan, wanneer het Engelsche onderdanen geldt; het uitgangspunt voor hunbemoeiingenis dus niet de bestrijding van den meisjeshandel, maar wel de zorg voor behoeftige en verlaten landgenooten.§ 2. Duitschland.De rechtsorde in het Duitsche Rijk is vrij goed gewapend tegen hen, die haar op de besproken wijze in gevaar trachten te brengen en aantasten. Het Strafwetboek van 31 Mei 1870, oorspronkelijk voor den Noord-Duitschen Bond bestemd, werd door de wet van 45 Mei 1871 hetStrafgesetzbuch für das Deutsche Reich. Het geheele strafwetboek werd na eenige veranderingen den 26 Febr. 1876 nogmaals in hetReichsgesetzblattopenbaar gemaakt.De artikelen uit dit wetboek, die in verband met dit onderwerp bijzondere aandacht verdienen, zijn de artikelen 180 en 181.Zij luiden aldus:Art. 180. “Wer gewohnheitsmässig oder aus Eigennutz durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet, wird wegen Kuppelei mit Gefängniss bestraft; auch kann auf Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte, sowie auf Zulässigkeit von Polizei-Aufsicht erkannt werden.Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie wedergewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:1. um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind, oder2. der Schuldige zu den Personen, etc. etc.Deze artikelen toonen bij den eersten oogopslag een aanmerkelijk verschil met de meeste koppelarij-artikelen der moderne strafwetgevingen. Zij gaan uit van een in bescherming nemen der goede zeden, onverschillig van wien ook; de meeste strafwetten toch beschouwen de koppelarij als een soort bescherming van minderjarigen. Deze beperking is niet te vinden in de artt. 180 en 181, voorzoover ik ze citeerde.Olshausen distilleert uit deze beide artikelen het begrip koppelarij. “Kuppelei betreibt derjenige welcher durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.” Er dient op gelet te worden, dit is het begrip; en zoo enkelvoudig als het hier gesteld is, stelt de wetgever het niet strafbaar.Voor hetVergehenvan art. 180 vordert de wet dat deKuppelei gewohnheitsmässig of aus Eigennutzgeschiedt; voor hetVerbrechenvan 1811o.dat “hinterlistige Kunstgriffe” aangewend zijn. In hoeverre er sprake kan zijn vanVorschub leistenis quaestio facti. Doch dit moet geschieden òf doorVermittelungvan den dader òf doorVerschaffung von Gelegenheit.“Durch Vermittelung wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Personen günstigere Voraussetzungengeschaffen werden” (Olshausen ad art. 180).“Durch Gewährung von Gelegenheit und durch Verschaffung von Gelegenheit wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Ortes günstigere Voraussetzungen geschaffen werden (id.)”En wat de dolus betreft, zoo besliste het Reichsgericht: “Der Dolus der Kuppelei erfordert dasBewusstsein, dass durch die geübte Vermittelungsthätigkeit oder Gelegenheitsmacherei Handelungen befördert werden, welche objectiv sich als Unzucht darstellen. (RG. 10 Oct. 1882.)”Dolus eventualis is evenzeer voldoende.Voor voltooiing van het misdrijf, bij art. 180 strafbaar gesteld, is het niet noodig, dat werkelijk ontucht gepleegd zij.Von Liszt (Lehrbuchpag. 395) zegt:“Die Vollendung ist erst gegeben wenn durch Vermittelung usw. thatsächlich günstigere Bedingungen geschaffen sind. Die Verhandlungen des Bordellwirts mit den anzuwerbenden Mädchen erscheinen mithin als Vorbereitungshandlungen zür Vermittlung, die Eröffnung von Gelegenheit. Erfolgte Unzucht ist nicht erforderlich.”Het Duitsche Strafwetboek treft door art. 180 den bordeelhouder. Het bestaan van bordeelen, al dan niet door de politie gereglementeerd, is verboden.Sous-entendumoet dus ook de binnenlandsche meisjeshandel onbestaanbaar zijn.Doch gesteld het geval, dat er toch een bordeel in strijd met de wet bestaat, en dat daarvoor meisjes dooreen placeur geleverd worden, dan wordt wel de bordeelhouder gestraft, doch alleen voor het feit, dat hij gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht. De misleider der meisjes loopt vrij rond. Is ’t soms mogelijk, dat ook ten opzichte van hem met de artt. 180 en 181 gerechtigheid geschiede?Wanneer placeur en bordeelhouder éen en dezelfde persoon zijn, is toepassing van art 180 mogelijk.In de andere gevallen is het de vraag of de placeur voor het begrip “koppelarij” kan gezegd wordender ontucht Vorschub zu leisten durch seine Vermittlung.Na zijne hierboven geciteerde verklaring wat onderVermittlungmoet verstaan worden, zegt Olshausen “Die Thätigkeit muss somit auf das Zusammenbringen dieser Personen gerichtet sein, gleichgültig, ob unmittelbar, wie bei der seitens eines Dienstmannes geschehenden Zuführung eines Fremden zu einer öffentlichen Person, oder ob mittelbar, wie bei der Anwerbung bezw. Ueberführung von Frauenspersonen für ein Bordell.”’t Is zoo, de werkzaamheid van den meisjeshandelaar is eene indirecte, doch voor zijne strafbaarheid zou dan nog vereischt zijn hetgewohnheitsmässighandelen of het handelenaus Eigennutz. Dit punt vindt echter zijne voor- en tegenstanders. In gelijken zin besliste het Preusische Ober-Tribunal den 14 Nov. 1873: “de aanbieding van een meisje om in het bordeel van een derde te gaan is voltooide koppelarij.”Aan den anderen kant besliste het Reichsgericht dat het te vergeefs aanbieden van meisjes ter opname in een bordeel is straffelooze poging, (23 Sept. 1880)(id. Lübeck, 7 Mei 1870). Een arrest van hetReichsgerichtvan den 15 Mei 1880 vorderde, dat voor de strafbaarheid ’t aanbod aangenomen moest zijn. Onnoodig is dan werkelijke intrede in het bordeel of nadere condities met den bordeelhouder. Voordat ik in dezen strijd partij kies, wensch ik aan te geven, dat het zeer waarschijnlijk is, dat bij de overreiking van het eerste ontwerp van het strafwetboek op den 31 Juli 1869 aan den Rijkskanselier in het ontwerpartikel der koppelarij aan geen strafbaarstelling van den meisjeshandel gedacht is.Zal dus de blanke slavinnenhandelaar onder het bereik van art. 180 kunnen vallen, dan moet zijn daad allereerst het begrip koppelarij voldoen. “Kuppelei betreibt derjenige, welcher durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.”’t Is waar, deze definitie spreekt niet van een directe of indirecte bemiddeling; ze laat dit geheel in ’t midden. ’t Behoeft geen betoog, dat het artikel zeer zeker aan de behoefte voldoet indien iedere indirecte bemiddeling daaronder valt. Doch tot hoever moet men dan hiermede gaan? Toepassing van den dolus eventualis aangenomen, zou het art. de individueele vrijheid gevaarlijk beperken en veelal juist die personen in bescherming nemen die door hun zorgeloosheid de bescherming der strafwet niet verdienen.Doch dit laatste kan geen afdoend argument zijn om de indirecte bemiddeling uit te sluiten. Mijns inziens kan echter indirecteVermittelungniet voldoenaan de etymologische beteekenis van het woordkoppelen. Dit istot een koppel binden; duidelijk is het, dat de placeur dit niet doet, wel werkt hij er toe mede. Nu zou de strafwet wel een ruimere beteekenis kunnen hechten aan dat begrip, doch dan ware eerste vereischte, dat zij dit ook bepaaldelijk uitdrukte. En dit geschiedt nergens. Historisch zou dit begrip koppelarij, zonderuitdrukkelijkeuitbreiding, niet voldoen aan het begrip lenocinium, dat men in de koppelarij-artikelen steeds heeft willen neerleggen. Er wordt dus mijns inziens aan dit artikel een uitbreiding gegeven, die om verschillende redenen ongeoorloofd is. Het gevolg van deze engere interpretatie zouden dus zijn de gewone bezwaren verbonden aan de koppelarij-artikelen, die niet bestemd zijn voor de bestraffing der placeurs e. a., doch door wier toepassing men hen toch wil treffen. We moeten hen dan straffen alsBeihülfenvan hen, die strafbaar zijn wegens art. 180. We ondervinden de gewone moeilijkheden verbonden aan den accessoiren aard der medeplichtigheid, en we zullen gewaar worden, dat die gevaarlijke individuen door de mazen der strafwet heensluipen.Ik kan mij dus zeer wel begrijpen eene interpretatie, waartegen de bewoordingen van art. 180 zich niet rechtstreeks verzetten, en welke aan de behoefte voldoet.De meeste criminalisten interpreteeren het artikel dan ook aldus; von Liszt, Olshausen, Oppenhoff e. a.Wanneer dan het begripkoppelarijin dien ruimen zin uitgelegd wordt, bestaat in art. 1811o.een geducht wapen tegen den binnenlandschen meisjeshandel.Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird, mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:1. Um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind.Dit artikel vordert 1. dat de ontucht bevorderd is; 2. dat dit geschied is door aanwending van “hinterlistige Kunstgriffe.”De “hinterlistige Kunstgriffe” zijn het juist die bij den meisjeshandel zoo’n grooten rol spelen.“Unter Kunstgriffen sind Handlungen ähnlicher Art zu verstehen, wie sie von Taschenkünstlern angewendet werden, d.h. geschickt angewendete auf Täuschung berechneteMassnahmen.”“Hinterlist ist—nach Grimm’s Wörterbuch—Kunst hinter Jemandes Rücken zu dessen Schaden angewendet, verstäckte Arglist. Zu der Arglist tritt also noch das Moment hinzu, das die Thätigkeit eine versteckte ist, so dass der andere Theil die List womöglich erst dann erkennt, wenn ihr Zweck erreicht oder wenigstens gesichert ist.”“Dass die hinterlistigen Kunstgriffen eine Täuschung hervorgebracht haben ist nicht erforderlich.”Aldus Olshausen ad art. 1811º.Oppenhoff ad art. 181 geeft de volgende verklaring vanhinterlistige Kunstgriffen:“Unter “hinterlistigen Kunstgriffen” sind alle listigen Vorkehrungen zu verstehen, durch welcheJemandgeneigt gemacht wird an Orte zu kommen, wo Unzucht getrieben werden soll, oder sich Anderen zu Unzucht Preis zugeben, z.B. Verlockungen an einsame Orte, Vorspiegelung glänzender Zukunft, Missbrauch angesehener Namen, Beibringung aufregender Getränke etc.(Dresden. 17 Sept. ’77.)Von Liszt (Lehrbuch § 108 III 2) zegt: “also die Erregung oder Unterhaltung eines Irrtums durch Vorspiegelung falscher, Unterdrückung oder Entstellung wahrer Thatsachen, z.B. Versetzung in Trunkenheit, Verlockung unter den Vorwand, der Frauensperson eine Anstellung oder einen Dienstplatz zu verschaffen. Mit der Vorschubleistung (meist mit dem Kunstgriff) vollendet.”Zeer helder stelt von Liszt ons deze feiten voor oogen. Ze vormen allen bestanddeelen van een daad van blanke slavinnenhandel.Alle tusschenpersonen, die achtereenvolgens werkzaam zijn om het plan ten uitvoer te brengen, dat voltooid is door de overreiking van levende koopwaar door den laatste aan den bordeelhouder, zijn evenzeer strafbaar. Zoowel hij, die het meisje overhaalde door valsche voorspiegelingen en mooie woorden als degene, die haar van dezen overneemt en of aan een derde overlevert, die voor ’t verder vervoer zorgt, of aan den bordeelhoudenden kooper, al zegt hij geen woord, dat het meisje eenigszins op een dwaalspoor zou kunnen brengen of houden. Juist dit zwijgen, waar spreken plicht was, moet ook onder dehinterlistige Kunstgriffengerangschikt worden. Doch er moet dan bewezen zijn, dat de persoon in kwestie op de hoogte was van de omstandigheden, zoodat zijn opzet daaruit blijkt (ook doluseventualis). Dat kan b.v. geschieden als gebleken is, dat hij met zijn voorganger een afspraak had etc. etc. Er mag geen twijfel bestaan, dat hij te goeder trouw zou gemeend hebben, dat het meisje van alle omstandigheden op de hoogte was, waarmede hij zijn zwijgen zou kunnen rechtvaardigen.De “hinterlistige Kunstgriffe” van art. 1811º.zijn voor het strafbaar feit strafbepalend; ze zijn ten opzichte van het strafbaar feit van art. 180 niet strafverzwarend. Hierop te wijzen is in zooverre ook van groot belang dat een bordeelhouder, die zijn eigen pensionnaires recruteert, niet zal vallen alleen onder het zwaarder gestraft wordend feit van art. 1801o., maar zal vervolgd worden èn wegens art. 180 èn wegens art. 1811o.:concursus realisheeft plaats.Voorvoltooiingis het geen vereischte, dat er ontucht gepleegd zij; zooals von Liszt zegt: “Mit der Vorschubleistung, meist mit dem Kunstgriff vollendet.” Het misdrijf van den meisjeshandelaar bepaalt zich dan ook tot de aanwending der bedriegelijke middelen. Uit het opzet om door deze de ontucht te bevorderen blijkt voldoende het bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren; de verzwijging van dit oogmerk moet hier onder de “listige Kunstgriffen” begrepen worden. Art. 1811o.vordert deze beide vereischten niet uitdrukkelijk als bestanddeelen van het strafbaar feit.Dit heeft ten gevolge, dat de “hinterlistige Kunstgriffe” ook in anderen zin aangewend kunnen zijn, zoodat het feit geheel valt buiten den kring van den eigenlijken blanke slavinnenhandel: b. v. misleidingten opzichte van het loon etc, waardoor eene prostituée zich laat overhalen pensionnaire van een bordeel te worden.Het is duidelijk, dat ook de buitenlandsche handel, bestaande in den export van vrouwen door dit artikel getroffen wordt, in zooverre deze althans in het land zelf plaats grijpt. Buiten ’t bereik van art. 1801o.valt hij, die met de aanwending der bedriegelijke middelen pas aan de overzijde der grens begint.Natuurlijk vordert de levering van het bewijsmateriaal groote moeielijkheden; nl. in hoeverre werkelijk die kunstgrepen gebezigd zijn om de ontucht te bevorderen; daar de rechter ten opzichte van het feit, dat in den vreemde werkelijk de vrouw aan een ontuchtig leven zou overgeleverd zijn, in de meeste gevallen een non liquet zal moeten uitspreken, zal de beklaagde in die gevallen vrijgesproken moeten worden.Het Duitsche Strafwetboek bevat onder no. 6 van art. 361 de volgende bepaling:Mit Haft wird gestraft:6. eine Weibsperson, welche ohne solchen (i. e. polizeilichen) Aufsicht unterstellt zu sein, gewerbsmässig Unzucht treibt.’t Is mogelijk, dat deze bepaling ten opzichte van de misleide meisjes beschermend zou kunnen werken, doch mijns inziens zal zij in de praktijk weinig uitrichten, daar zij wel met succes ontdoken zal worden in die gevallen, in welke misbruiken aan ’t licht zouden kunnen komen.Nadat reeds meer dan eens in den Duitschen Rijksdagdoor afgevaardigden het bestaan van denmeisjeshandelwas ter sprake gebracht, (o. a. door den Heer A. Bebel naar aanleiding van de door Nederland met Oostenrijk-Hongarije en te voren met België uitgewisselde verklaringen) werd bij de 2delezing van het ontwerp-wet “Ueber das Auswanderungswesen” op voorstel van de afgevaardigden Graaf von Kanitz-Podangen en Aug. Bebel een artikel 48 in die wet gevoegd. (Zitting van 6 Mei 1897). Dit artikel met de eindredactie volgens amendement van de afgevaardigden Dr. Bachem en Dr. von Buchka bij de 3delezing werd den 8 Mei 1897 met groote meerderheid door den Rijksdag aangenomen. Het luidt als volgt.Art. 48 van Das Reichsgesetz über das Auswanderungswesen vom 9 Juni 1807:“Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke, sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen, mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren bestraft. Neben der Zuchthausstrafe ist der Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte auszusprechen; auch kann zugleich auf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstauzend Mark sowie auf Zulässigkeit von Polizei-aufsicht erkannt werden.“Dieselben Strafvorschriften finden auf Denjenigen Anwendung, welcher mit Kenntniss des vom Thäter in solcher Weise vervolgten Zweckes die Auswanderung der Frauensperson vorsätzlich befördert; sind mildernde Umstände vorhanden, so tritt Gefängnisstrafe nicht unter drei Monaten ein, neben welcherauf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstausend Mark erkannt werden kann.”Eenige verbazing een dergelijk artikel in deze wet te vinden is voorzeker niet ongemotiveerd. Het is het laatste artikel van Hoofdstuk VIII, dat de “Strafbestimmungen” inhoudt ter sanctioneering en als waarborg voor de nakoming van de verplichtingen in deze wet opgelegd. ’t Zijn dus uitsluitend sancties van bepalingen van administratief-rechterlijk karakter en inzooverre gaat art. 48 de perken dezer wet te buiten; deze bepaling behoord onder de “eigenlijke strafwetten” gerangschikt te worden. Deze wet vordert een verlof voor de oprichting van emigratiekantoren en voor de medewerking als agent daaraan. Zij beoogt een waarborg, dat zij,dieemigreerenwillen, niet aan de genade worden overgeleverd der emigratiebureaux, b.v. door ’t voorschrift dat altijd een schriftelijk contract vereischt is.Hiernaast mag genoemd worden art. 144 van het Strafwetboek, dat aldus luidt:Art. 144. Wer es sich zum Geschäfte macht Deutsche unter Vorspiegelung falscher Thatsachen oder wissentlich mit unbegründeten Angaben oder durch andere aufTäuschungberechnete Mittel zur Auswanderung zu verleiten, wird mit Gefängniss von einem Monat bis zu zwei Jahren bestraft.”Dit artikel kan, wanneer de omstandigheden van dien aard zijn, den internationale meisjeshandelaar treffen, doch niet voor een op zich zelf staande daad; de straf is onbeduidend vergeleken bij die van art. 48.Een op deugdelijke grondslagen berustende wet op emigratiekantoren en emigratieagenten moet zonder twijfel bij uitstek gunstig werken en veel kwade praktijken en misbruiken tegenover de emigreerenden en in ’t algemeen tegenover de bevolking, die door hen tot emigreeren wordt overgehaald, tegengaan.In ieder geval is een artikel als § 48 gerechtvaardigd; het combineert 2 vergrijpen: een tegen de zeden en een tegen de plichten van het emigratiebureau of van den agent. Daarom is de zwaardere strafbepaling ook volkomen gewettigd; zwaarder zoowel vergeleken bij de koppelarij-artikelen als vergeleken bij de artikelen die verwaarloozing der verplichtingen der emigratiekantoren e.a. moeten verhoeden.Art. 48 eerste lid vordert:1. De verleiding van een vrouw om naar den vreemde te gaan.2. Een bijkomend oogmerk om haar aan een leven van prostitutie over te leveren.3. Opzettelijke verzwijging (arglistige Verschweigung) van dit oogmerk.’t Kan niet ontkend worden, dat de Duitsche wetgever bij uitstek geslaagd is in de opsomming van de elementen, die eigen zijn aan de handelingen der meisjeshandelaars. We telden dan ook reeds 1897 bij de totstandkoming van dit artikel; vele jaren lang waren Regeering en overheid reeds van particuliere zijde in kennis gesteld met den waren aard van deze wandaden en met de omstandigheden, waaronder ze gepleegd worden.Onverschillig is het voor ditVerbrechenof de vrouwonschuldig, eerbaar was of niet. Zelfs de prostituée wordt in bescherming genomen; zonder twijfel zal in casu deze omstandigheid op de strafmate van invloed zijn.De vrouw, onverschillig, van welken leeftijd zij moge zijn, moet—wil het delict voltooid zijn—verleid zijn naar den vreemde te gaan; door de handelingen van den dader moet zij het plan hebben opgevat het land uit te gaan. Dat dit in werkelijkheid geschied zij, wordt voor dit misdrijf niet vereischt. De dader kan op alle mogelijke wijzen haar tot dit plan brengen; de wet bindt niet door het vereischte van bepaalde middelen (c. f. art. 144 Duitsche Strafwetboek). Het zal evenwel steeds een middel moeten zijn dat er op berekend is de ware feiten te verbergen. Dit ligt in de woorden “arglistiger” en “verleiten”. Heeft de vrouw nog niet het plan opgevat het land te verlaten als gevolg van het streven van den dader, dan kan slechts sprake zijn van strafbare poging, mits de overige vereischten voor dezen deliktsvorm aanwezig zijn.Bewezen moet worden het bijkomend oogmerk, dat het doel bestond de vrouw aan een leven van prostitutie over te leveren. Dit oogmerk is vereischt zoowel voor het voltooide delikt als voor de poging en het behoeft in geen van beide gevallen bereikt te wezen. Zeer terecht is het zoo algemeen mogelijk uitgedrukt: de overlevering aan de prostitutie en is ’t dus onverschillig of de ontucht in een bordeel of daarbuiten bedreven zou worden. Doch het blijft vereischte dat de ontucht “gewerbsmässig” bedreven zou zijn.Ten slotte moet dit oogmerk arglistig verzwegen zijn.”Mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes”, zegt de tekst. Dus een zwijgen is voldoende, het moet opzettelijk geschieden om tot het doel nader te komen, zonder het zwijgen moet de vrouw er niet toe komen het voornemen op te vatten het land te verlaten. Positieve handelingen om het oogmerk te verbergen, alhoewel mogelijk, zijn onnoodig. Deze handelingen zulleneventueelmisleidende, bedriegende zijn.Meende de dader,—hoewel ten onrechte—dat het de eigen wil der vrouw is zich in het buitenland aan de ontucht over te leveren, dan mist het delict een zijner elementen: er bestaat geen opzet,de “arglistige Verschweigung” ontbreekt.Het 2delid van art. 48 bevat een begunstiging na het plegen van het delict. De hulpverleening vóor of bij het plegen van het strafbare feit wordt naar de gewone regelen berecht en gestraft.Dit 2delid treft hem, die anders niet gestraft zou kunnen worden noch als dader noch als medeplichtige van het misdrijf van art. 48 eerste lid, omdat voor beide gevallen eenige delictsbestanddeelen gemist worden en voor het laatste de juridische vereischten ontbreken. Hij toch die de vrouw van den vader overneemt om haar verder naar de plaats van bestemming geheel of gedeeltelijk te brengen, kan niet gezegd worden dat hij haar “zur Auswanderung verleitet.”Bestanddeelen van het delict van art. 48 2delid zijn:1. Bekendheid met het door den dader beoogde doel, zooals dit arglistig verzwegen is.2. Het opzettelijk bevorderen, dat de vrouw het land verlaat.Het moet eene opzettelijke handeling zijn; dolus eventualis is voldoende.Het delict heeft dus plaats, nadat “die Verleitung zur Auswanderung” reeds geschied is.De afgevaardigde Bachem stelde in den Rijksdag als voorbeeld den emigratieagent, die om de provisie te verdienen, den meisjeshandelaar en het meisje de passagekaarten voor de boot verkoopt, terwijl hij bekend is met de bestaande verhoudingen.Zoowel op het delikt van het eerste als op dat van het tweede lid staat als straf gesteld: tuchthuisstraf van hoogstens 5 jaren. Daarnevens kan facultatief uitgesproken worden verlies “der bürgerlichen Ehrenrechte”, geldboete van 150 tot 600 Mark en het stellen onder politietoezicht. Evenwel laat art. 48 2elid toe voor dat delikt uit te spreken gevangenisstraf van minstens drie maanden waarnevens facultatief geldboete van 150 tot 6000 mark, indien er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Wat onder die verzachtende omstandigheden te verstaan is, zoo blijkt uit de beraadslagingen, dat men daaronder ook den dolus eventualis begreep. Voorzeker nog al vreemd.Dienstig om in ’t algemeen den meisjeshandel te onderdrukken en om in bijzondere gevallen de justitie en politie op ’t spoor te doen komen van gevallen van dezen aard is § 70 no. 10 van het besluit van den Bondsraad, betreffende de uitrusting van vaartuigen, waarop zich vooral emigreerende personen bevinden.Het artikel schrijft den schipper voor om voor het geval zich aan boord vrouwen bevinden, die vermoed worden slachtoffers van een placeur te zijn, den Duitschen Consul van de plaats, waar zij debarqueeren, zoo spoedig mogelijk namen, nationaliteit en doel der reis van deze vrouwen en hare begeleiders mede te deelen.Doch ook buitendien is den diplomatieke vertegenwoordigers van den consulaten strenge waakzaamheid opgedragen ten opzichte van den internationalen meisjeshandel.Wij zien, dat Duitschland een open oog heeft voor die belangen, die in deze kwestie op het spel staan. Ook reeds vóór het tot stand komen van deze wet van ’97 heeft het getracht in den nood te voorzien. We maakten reeds kennis met de verklaring, die den 15 Nov. 1889 tusschen het Duitsche Rijk en Nederland is uitgewisseld (wet 15 April 1891 Stsbl. 85).Een gelijksoortige verklaring wisselde Duitschland den 4 Sept. 1890 met België uit.“Déclaration conclue à Berlin entre la Belgique et l’Allemagne concernant le repatriement de certaines prostituées”. Approuvée par la loi du 27 Juillet 1891.—Echange ratifié, Berlin 25 Juillet 1891. Le procès-verbal de cet echange constate qu’il a été convenu alors de réserver à chacune des parties contractantes “la faculté de faire cesser, à l’expiration de six mois, après en avoir donné avis, les effets de la déclaration”. (Conférence internationale pour la prophylaxie de la syphilis et des maladies vénériennes, Bruxelles Septembre 1899. Notice de M. Emile Beco, Belgique.)De 7 artikelen van deze verklaring luiden:Art. 1. Les parties contractantes s’engagent à concourir dans les limites légales à ce que les femmes et les filles appartenant à l’un des deux pays, et qui se livrent dans l’autre à la prostitution, soient soumises à un interrogatoire, afin de constater d’où elles viennent et qui les a déterminés à quitter leur pays.Le procès-verbaux dressés à ce sujet seront communiqués aux autorités du pays auquel les dites femmes et filles appartiennent.Art. 2. Les parties contractantes s’engagent aussi à concourir autant que possible, dans les limites légales à ce que celles de ces femmes et filles, qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la prostitution, soient sur leur demande ou sur la demande des personnes ayant autorité sur elles, renvoyées du pays où elles se trouvent et conduites à la frontière de leur pays natal.Art. 3. Les parties contractantes s’engagenten outre, à prêter leur concours, autant que possible, dans les limites légales, pour que les filles, encore mineures selon les lois de leur pays, qui se livrent de leur progre gré à la prostitution dans l’autre pays, soient sur la demande de leurs parents ou tuteurs renvoyées dans leur pays d’origine.Art. 4. Avant d’effectuer le renvoi d’une des personnes mentionnées dans les articles 2 et 3, l’administration qui en est chargée adressera, par l’intermédiaire des autorités du pays, auquel la personne en question appartient, un avis aux personnes, qui ont autorité sur celle-ci, indiquant la date, à laquelle le renvoi aura lieu et la localité à laquelle la femme ou fille sera dirigée.Art. 5. La correspondance entre les autorités des deux pays relative à ce renvoi, se fera autant quepossiblepar voie directe.Art. 6. Dans le cas, ou les frais occasionnés par l’entretien et le renvoi jusqu’à la frontière de ces femmes et filles ne pourront être remboursés par les femmes et filles elles-mêmes ou par leurs maris, parents ou tuteurs,ou ne devront pas l’êtrepar les ténanciers, ils restent à la charge de l’Etat, qui a effectué le renvoi.Art. 7. La présente déclaration sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Berlin.Deze verklaring met België uitgewisseld is geheel gelijkluidend met die, welke Duitschland kort te voren met Nederland uitwisselde. De op- of aanmerkingen, die ik mij dus bij de behandeling van deze laatste verklaring veroorloofde, zijn ook hier van kracht, voor zoover het verschil in wetgeving dit niet uitsluit. Er is slechts eene verandering te constateeren in art. 6 van de verklaring tusschen Duitschland en België. ’t Is de invoeging van de woorden “ou ne devront pas pas l’être par les ténanciers”, die in onze verklaring ontbreken. Ze stellen evenwel niets nieuws. ’t Is toch duidelijk, wanneer de bordeelhouders zich verplicht hadden de kosten der terugreis te restitueeren, (dit is mogelijk om het meisje of de vrouw eerder over te kunnen halen haar land te verlaten en haar meer vertrouwen in te boezemen, alhoewel de bordeelhouder in den aanvang natuurlijk toch voornemens was zichniet aan deze verplichting te houden) dat deze ook rechtens gevorderd kunnen worden. De Staat schiet de gelden voor. Wellicht stelt dit artikel een recht van den Staat daar om rechtstreeks den bordeelhouder voor de kosten der terugreis aan te spreken, die deze aan het misleide meisje schuldig was.Bij ’t slot mijner beschouwingen van het Duitsche recht in verband met den blanke slavinnenhandel worde nog gememoreerd, dat voor de uitleveringstractaten het bestaan van strafbepalingen tegen den meisjeshandel van zeer gering belang is, daar in dergelijke tractaten steeds een principe van reciprociteit op den voorgrond staat, en de meeste strafwetgevingen in de behoefte aan dusdanige bepalingen nog niet hebben voorzien.Zoo spreekt het uitleveringstractaat tusschen Duitschland en Nederland van 2 Nov. 1897, Staatsblad 211 onder no. 8 van art. 1 wel zeer algemeen van “koppelarij” doch in alinea 1 van het artikel wordt bepaald dat slechts dan uitlevering voor de na te melden strafbare feiten plaats heeft, indien het gepleegde feit ook strafbaar is in het land, van hetwelk de uitlevering gevraagd wordt.

§ 1. Engeland.’t Keerpunt tusschen het ongehinderd voortwerken der meisjes-handelaars en het oogenblik, dat men pogingen in ’t werk stelde om de feiten door hen bedreven tegen te gaan, dagteekent ongeveer van het jaar 1880. Naar aanleiding van de ontdekking eener op groote schaal bestaande uitvoer van Engelsche meisjes voor de Belgische bordeelen, werden de gemoederen in Engeland en vandaar uit ook op ’t Continent wakker geschud.In Engeland besloot men ’t eerste alle moeite te doen paal en perk te stellen aan dezen handel. Juist daaraan is mijn plan toe te schrijven, ’t eerst de middelen, die Engeland ten dienste staan ter bestrijding van dezen handel, na te gaan.De bordeelen, die door de omstandigheid, dat de misleide vrouwen daarin gelokt worden,—althans wat den heden ten dage meest voorkomenden vorm van dien handel aangaat—een zoo gewichtige rol spelen indeze kwestie, waren reeds vroeger in Engeland verboden. Doch niet uitdrukkelijk. De Common Law vatte ze samen met huizen van hasardspel e. a. onder den naam van “Disorderly houses”. De grond voor de strafbaarheid was dan ook bij de bordeelen dezelfde als bij die andere huizen.“The keeping of a brothel is indictable as a common nuisance because it endangers the public peace by drawing together dissolute anddebauchedpersons and also has a tendency to corrupt the manners of both sexes by such an open profession of lewdness.” (Russel on Crimesvol I pag. 427).Een gewichtig argument voor de voorstanders van de opheffing van bordeelen n.l. een waarschijnlijke groote vermindering van den omvang van den blanke slavinnenhandel, gold toen dus nog niet.Dit argument zal wel degelijk voorgezeten hebben toen bijStatuted Lawin 1885, een wet, die ’t gevolg was van de beweging om maatregelen te treffen tegen placeurs en consorten, ook de bordeelen uitdrukkelijk werden verboden.’t Is de wet van 14 Aug. 1885: “An act to make further provision for the protection of women and girls, the suppression of brothels and other purposes.” Deze wet wordt gewoonlijk geciteerd als “The Criminal Law Amendment Act 1885,” (48 and 49 Vict. Ch. 69), hetgeen volgens art. 1 geoorloofd is.Part II handelt over the “Suppression of Brothels.” Section 13 luidt:Any person, who1. keeps or manages or acts or assists in the management of a brothel, or2. being the tenant, lessee, or occupier of any premises knowingly permits such premises or any part thereof to be used as a brothel or for the purposes of habitual prostitution, or3. being the lessor, or landlord of any premises or the agent of such lessor or landlord, lets the same or any part thereof with the knowledge that such premises or some part thereof are or is to be used as a brothel or is wilfully a party to the continued use of such premises or any part thereof as a brothel,shall etc.Een bordeel wordt door Stephen in zijnDigest Crim. Lawpag. 110 gedefinieërd als een “a house or room, or set of rooms, in any house, kept for the purposes of prostitution.”Op alle mogelijke wijzen wordt het leven ontnomen aan de bordeelen; en bij overtreding zal in den regel wel niet één de kracht der wet gevoelen doch meer dan een: b. v. de houder, de beheerder van een bordeel, en dan de huisheer, indien hij er van op de hoogte is, dat zijn perceel voor dat doel gebruikt wordt.1De onderdrukking der bordeelen geschiedt daardoor op gestrenge wijze.Dus volgens Engelsche wet geen bordeelen; volgens velen een totale knak aan den binnenlandschen meisjeshandel, waardoor geheel overbodig wordt iedere andere repressie. Doch niet aldus de Engelsche wetgever. Niet blind voor de omstandigheid, dat dit maatschappelijk feit ondanks alle krachtige maatregelen van repressie zoolang de mensch mensch is, toch zal blijven bestaan, al is het niet in den vorm van de hedendaagsche bordeelen, dan toch zeker in een anderen vorm, beiden evenwel hetzelfde doel beoogende, heeft hij ’t toch noodig geoordeeld eene bepaling in de wet op te nemen, die den binnenlandschen meisjeshandel treft, al is deze ook juridisch onbestaanbaar.Daarnevens moest natuurlijk ook de buitenlandsche meisjeshandel strafbaar gesteld worden en is dit ook geschied.Part I of the Criminal Law Amendment Act 1885handelt over de Protection of Women and Girls.Section 2 luidt:Any person who2. Procures or attempts to procure any woman or girl to become, either within or without the Queen’s dominions, a common prostitute; or3. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave the United Kingdom, with intent, that she may become an inmate of a brothel elsewhere; or4. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave her usual place of abode in the United Kingdom (such place not being a brothel) with intent that she may, for the purposes of prostitution, become an inmateof a brothel within or without the Queen’s dominions, shall be guilty etc.Vóór het bestaan van deze strafbepalingen, dus vóór 1885, was decommon lawin Engeland, dat alsmisdemeanour(délit) gestraft werd het feit, dat 2 of meer personen gezamentlijk het plan beraamden, de verleiding of de ontucht van een vrouw of meisje te veroorzaken of teweeg te brengen, dat een vrouw zich aan een leven van prostitutie overgeeft.De Heer Craies deelt in zijn Rapport op ’t Congres te Londen mede, dat deze gewoonte wel lang heeft gegolden, maar de vervolgingen zelden plaats hadden, daar de vereeniging van 2 of meer personen een bestanddeel was van het delikt.De boven geciteerde bepalingen van de wet van 1885 zijn zeer streng, althans voor hem, die op ’t standpunt staat van de bestrijding van den meisjeshandel. Doch dit is dan ook niet het eenig doel der wet, daar volgens het intitulé zij behalve eenige andere doeleinden the Protection of Women and Girls beoogt. Ook van dit ruimer doel uitgaande, is de wet te streng. De Engelsche wetgever had haar kunnen tituleeren als de wet tot handhaving en bescherming der goede zeden in de maatschappij. De bepalingen nemen natuurlijk over ’t algemeen in haar hoede de eerbaarheid etc. der individueele vrouwen en meisjes en daardoor ook indirect de bescherming der goede zeden in de maatschappij. Gevallen, waarbij geen sprake is van bescherming der eerbaarheid eener vrouw, vallen evenwel ookonder de strafbepaling van dit artikel en dit geeft mij aanleiding te zeggen, dat ik de wet van 1885 te ruim gesteld vind en dat zij meer omvat dan het opschrift der wet recht geeft te verwachten. De behandeling der verschillende nos van art. 2 zal dit aantoonen.De drie laatste nos van art. 2 die den meisjeshandel treffen geven een vreemden indruk. Als men 3 bepalingen ziet, mag men toch wel verwachten, dat ze alle drie verschillende handelingen treffen. ’t Kan dan natuurlijk wel eens voorkomen, dat er concursus idealis plaats heeft, doch dit blijve buiten beschouwing. Hoe men dan ook deze 3 bepalingen beziet, er blijft slechts over tot de conclusie te komen dat ’t geven van deze 3 nos eene overbodige weelde is, die vooral in een wet niet te pas komt.Een placeur, die den binnenlandschen meisjeshandel drijft, valt onder art. 22º. en 4º.; hij, die zich bezig houdt met den buitenlandschen meisjeshandel wordt getroffen door art. 22º., 3º. en 4º.’t Is mij onbegrijpelijk, waaraan deze overvloed van bepalingen toe te schrijven is, terwijl ze ieder afzonderlijk onnoodig zoo ruim gesteld zijn, dat handelingen die straffeloos moesten blijven, getroffen worden.Afzonderlijke handelingen worden gestraft; zeer goed, doch daarbij ware vereischt verzwaring van straf, indien die handelingen bedreven worden als beroep en in geval van recidive en verder ontbreekt strafverzwaring voor den zooveel zwaarderen vorm van den meisjeshandel nl. het lokken naar den vreemde. De Engelsche wet geeft voor dit alles eene zelfde strafbepaling enwel gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar met of zonder dwangarbeid.Art. 22º.De poging tot het misdrijf wordt gelijkelijk gestraft als het misdrijf zelf. Evenzoo bij 23º. Een bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren wordt niet vereischt; in 22º.bij poging moet toch een opzettelijk handelen voor dat doel bewezen worden. Het misdrijf is voltooid, indien de vrouw of het meisje een prostituée geworden is.Moeilijk kan het bewijs zijn, indien het zich overgeven aan de prostitutie in den vreemde plaats heeft, doch dan kan men wellicht onder een volgend lid vallen, zonder dat bewezen zij, dat werkelijk het zich prostitueeren hebbe plaats gehad, mits dan het oogmerk bewezen zij.Art. 22º.laat evenzeer als de beide volgende leden van het artikel in het midden, welke middelen aangewend zijn.Onverschillig is het voor dit misdrijf, of de vrouw nog onschuldig is of niet.Op welke wijze en waar het meisje zich aan de prostitutie overgeeft is eveneens van geen belang. Het is zeer juist ingezien, daar toch voor den meisjeshandel het lokken in een bordeel geen vereischte is.Art. 23º.Het misdrijf is voltooid, zoodra het meisje of de vrouw het koninkrijk verlaat om gevolg te geven aan haar besluit, dat gevormd is op aandrang van hem, die ’t oogmerk heeft haar in het buitenland aan een ontuchtig leven in een bordeel over te leveren.Werkelijk een zeer strenge bepaling! Het ware karakter van den meisjeshandel heeft men blijkbaar bij het maken der wet niet genoeg in het oog gehouden. Wat maakt dien handel toch zoo afkeurenswaardig? Dit is de omstandigheid dat de placeur het oogmerk heeft zijn slachtoffer aan de prostitutie over te leveren doch haar tevens dit oogmerk verzwijgt Van een dusdanig deliktsbestanddeel is in deze 3 strafbepalingen geen spoor aan te treffen. Zelfs het eigen initiatief, de eigen dringende wil der vrouw kan voor hem of haar, die op dat verzoek bemiddeling biedt en hulp verschaft, de strafbaarheid niet opheffen. Dit geldt zoowel voor lid 3 als voor lid 2 en 4.Vervolgd wordt b.v. een heer, die in het belang van eene prostituée te Londen, voor wier gezondheid de Londensche lucht nadeelig is, haar behulpzaam is of haar overhaalt om in het gezondere Liverpool haar leven voort te zetten. En dit zonder eenig winstbejag, slechts met een zuiver altruistische bedoeling. Eveneens straft de wet hem of haar, die eene prostituée op haar uitdrukkelijk verlangen eene plaats bezorgt in een binnen- of buitenlandsch bordeel, ’t Spreekt van zelf dat dit te veel ingrijpt in de individueele vrijheid van doen en laten.Art. 24o.Deze bepaling vult voor een deel art. 22o.aan, in zooverre, dat wanneer in een speciaal geval het misdadig oogmerk bewezen is, de dader reeds strafbaar is, zoodra ten gevolge van zijn aandrang de vrouw haar huidig verblijf verlaat.’t Andere gedeelte van dit voorschrift valt geheel onderart 23º. met uitzondering van het geval, dat de vrouw volgens dit lid van ’t artikel (24º.) zich niet reeds in een bordeel mag bevinden. Dit is althans mijn meening; of zou men zoo scherpzinnig mogen zijn om aan te nemen, dat de strafbaarheid in art 23º.pas begint, op het oogenblik, dat zij “leaves the United Kingdom” terwijl in art. 24º.de strafwet reeds werkt, wanneer zij “leaves her usual of abode in theUnitedKingdom?”’t Is mogelijk. M. i. kunnen de woorden van art. 23º.“With intent that she may become an inmate of a brothel elsewhere” niets anders beteekenen dan die van art. 24º.“With intent that she may,for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within or without the Queen’s dominions.” Het woord “inmate” kan toch slechts betrekking hebben op eene pensionnaire van een bordeel; ik noem b. v. een dienstmeisje of werkster in een bordeel niet een “inmate of a brothel.”Art. 2 ^4º.treft niet den bordeelhouder, die een meisje overhaalt in zijn bordeel in dienst te gaan, terwijl hij den waren aard van het huis verbergt. Ofschoon zij aldaar spoedig meegesleept zal worden in het leven van ontucht, ontbreekt het vereischte, datshe may “for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel”; indien evenwel de intentie bestond, zal deze in casu onbewijsbaar zijn.Het eerste lid van art. 2 luidt:Any person, who1. Procures or attempts to procure any girl or woman under twenty one years of age, not being a common prostitute, or of known immoral character, to haveunlawful carnalconnectioneither within or without the Queen’s dominions, with any other person or persons.Dit lid van art. 2 treft de eenvoudige koppelarij.Een zeer belangrijk en interessante bepaling uit deCriminal Law Amendment Act 1885is art. 8.Gestraft wordt hij, die een vrouw of meisje tegen haar wil in een bordeel houdt, of in een huis met ’t oogmerk, dat zij “unlawfully” vleeschelijke gemeenschap heeft met een man.Verder wordt ieder vermoed zich aan deze “misdemeanour” schuldig te maken, die met ’t oogmerk de vrouw te dwingen in het bordeel of in dat huis te blijven haar kleederen wegneemt.Ook hij, die in ’t geval, dat aan die vrouw kleederen geleend of verschaft zijn door den bordeelhouder of anderen, haar dreigt met een gerechtelijke vervolging, indien zij zich met de aldus geleende of verschafte kleederen verwijdert.Ten slotte bepaalt het artikel, dat noch ten civiele noch ten crimineele vervolgd zal worden eene vrouw, die dergelijke kleedingstukken weggenomen heeft of in wier bezit deze gevonden zijn. Voorzoover zij althans noodig waren om haar in staat te stellen het bordeel of een ander huis te verlaten.Met betrekking tot bovengenoemde bepalingen bevat deCrim. L. Am. Act 1885nog eenige processuëele voorschriften, waaronder het recht om woningen binnen te treden en regelen van bewijs.Daar de meeste uitleveringstractaten tusschen het Vereenigd Koninkrijk en andere Staten dateeren vanvóor 1885, zijn de strafbare feiten uit de Crim. Law Am. Act. niet daarin opgenomen.Het tractaat met Rusland uit 1886 bevat er enkele van. De omstandigheid, dat niet alle Staten dergelijke bepalingen in hun strafwetgevingen bezitten, sluit voorloopig de opname van den handel in blanke slavinnen in de uitleveringstractaten met die landen uit. (Rapport van den Heer Craies, Londensch Congres 1899.)DeCustomshebben volgens de vreemdelingenwet van 1836 de bevoegdheid een lijst te vragen van alle vreemdelingen, die in de Engelsche havens aankomen. Dit wordt gedaan ter wille van de statistiek, want de Engelsche wet staat niet toe een vreemdeling het land uit te zetten, hoe wenschelijk ’t ook zij. Doch de bepaling kan ook dienstbaar gemaakt worden om op ’t spoor te geraken van invoer in Engeland met ontuchtige oogmerken (id.)Bij de behandeling der Nederlandsche bronnen vermeldde ik reeds, dat de politie het publiek wel eens waarschuwt tegen de praktijken der placeurs en dienstbureaux. De Engelsche politie laat dit integendeel geheel over aan de philanthropische vereenigingen.De Engelsche consuls in den vreemde bemoeien zich ook met de bestrijding van den blanke slavinnenhandel doch slechts dan, wanneer het Engelsche onderdanen geldt; het uitgangspunt voor hunbemoeiingenis dus niet de bestrijding van den meisjeshandel, maar wel de zorg voor behoeftige en verlaten landgenooten.

’t Keerpunt tusschen het ongehinderd voortwerken der meisjes-handelaars en het oogenblik, dat men pogingen in ’t werk stelde om de feiten door hen bedreven tegen te gaan, dagteekent ongeveer van het jaar 1880. Naar aanleiding van de ontdekking eener op groote schaal bestaande uitvoer van Engelsche meisjes voor de Belgische bordeelen, werden de gemoederen in Engeland en vandaar uit ook op ’t Continent wakker geschud.

In Engeland besloot men ’t eerste alle moeite te doen paal en perk te stellen aan dezen handel. Juist daaraan is mijn plan toe te schrijven, ’t eerst de middelen, die Engeland ten dienste staan ter bestrijding van dezen handel, na te gaan.

De bordeelen, die door de omstandigheid, dat de misleide vrouwen daarin gelokt worden,—althans wat den heden ten dage meest voorkomenden vorm van dien handel aangaat—een zoo gewichtige rol spelen indeze kwestie, waren reeds vroeger in Engeland verboden. Doch niet uitdrukkelijk. De Common Law vatte ze samen met huizen van hasardspel e. a. onder den naam van “Disorderly houses”. De grond voor de strafbaarheid was dan ook bij de bordeelen dezelfde als bij die andere huizen.

“The keeping of a brothel is indictable as a common nuisance because it endangers the public peace by drawing together dissolute anddebauchedpersons and also has a tendency to corrupt the manners of both sexes by such an open profession of lewdness.” (Russel on Crimesvol I pag. 427).

Een gewichtig argument voor de voorstanders van de opheffing van bordeelen n.l. een waarschijnlijke groote vermindering van den omvang van den blanke slavinnenhandel, gold toen dus nog niet.

Dit argument zal wel degelijk voorgezeten hebben toen bijStatuted Lawin 1885, een wet, die ’t gevolg was van de beweging om maatregelen te treffen tegen placeurs en consorten, ook de bordeelen uitdrukkelijk werden verboden.

’t Is de wet van 14 Aug. 1885: “An act to make further provision for the protection of women and girls, the suppression of brothels and other purposes.” Deze wet wordt gewoonlijk geciteerd als “The Criminal Law Amendment Act 1885,” (48 and 49 Vict. Ch. 69), hetgeen volgens art. 1 geoorloofd is.

Part II handelt over the “Suppression of Brothels.” Section 13 luidt:

Any person, who

1. keeps or manages or acts or assists in the management of a brothel, or

2. being the tenant, lessee, or occupier of any premises knowingly permits such premises or any part thereof to be used as a brothel or for the purposes of habitual prostitution, or

3. being the lessor, or landlord of any premises or the agent of such lessor or landlord, lets the same or any part thereof with the knowledge that such premises or some part thereof are or is to be used as a brothel or is wilfully a party to the continued use of such premises or any part thereof as a brothel,

shall etc.

Een bordeel wordt door Stephen in zijnDigest Crim. Lawpag. 110 gedefinieërd als een “a house or room, or set of rooms, in any house, kept for the purposes of prostitution.”

Op alle mogelijke wijzen wordt het leven ontnomen aan de bordeelen; en bij overtreding zal in den regel wel niet één de kracht der wet gevoelen doch meer dan een: b. v. de houder, de beheerder van een bordeel, en dan de huisheer, indien hij er van op de hoogte is, dat zijn perceel voor dat doel gebruikt wordt.1

De onderdrukking der bordeelen geschiedt daardoor op gestrenge wijze.

Dus volgens Engelsche wet geen bordeelen; volgens velen een totale knak aan den binnenlandschen meisjeshandel, waardoor geheel overbodig wordt iedere andere repressie. Doch niet aldus de Engelsche wetgever. Niet blind voor de omstandigheid, dat dit maatschappelijk feit ondanks alle krachtige maatregelen van repressie zoolang de mensch mensch is, toch zal blijven bestaan, al is het niet in den vorm van de hedendaagsche bordeelen, dan toch zeker in een anderen vorm, beiden evenwel hetzelfde doel beoogende, heeft hij ’t toch noodig geoordeeld eene bepaling in de wet op te nemen, die den binnenlandschen meisjeshandel treft, al is deze ook juridisch onbestaanbaar.

Daarnevens moest natuurlijk ook de buitenlandsche meisjeshandel strafbaar gesteld worden en is dit ook geschied.

Part I of the Criminal Law Amendment Act 1885handelt over de Protection of Women and Girls.

Section 2 luidt:Any person who

2. Procures or attempts to procure any woman or girl to become, either within or without the Queen’s dominions, a common prostitute; or

3. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave the United Kingdom, with intent, that she may become an inmate of a brothel elsewhere; or

4. Procures or attempts to procure any woman or girl to leave her usual place of abode in the United Kingdom (such place not being a brothel) with intent that she may, for the purposes of prostitution, become an inmateof a brothel within or without the Queen’s dominions, shall be guilty etc.

Vóór het bestaan van deze strafbepalingen, dus vóór 1885, was decommon lawin Engeland, dat alsmisdemeanour(délit) gestraft werd het feit, dat 2 of meer personen gezamentlijk het plan beraamden, de verleiding of de ontucht van een vrouw of meisje te veroorzaken of teweeg te brengen, dat een vrouw zich aan een leven van prostitutie overgeeft.

De Heer Craies deelt in zijn Rapport op ’t Congres te Londen mede, dat deze gewoonte wel lang heeft gegolden, maar de vervolgingen zelden plaats hadden, daar de vereeniging van 2 of meer personen een bestanddeel was van het delikt.

De boven geciteerde bepalingen van de wet van 1885 zijn zeer streng, althans voor hem, die op ’t standpunt staat van de bestrijding van den meisjeshandel. Doch dit is dan ook niet het eenig doel der wet, daar volgens het intitulé zij behalve eenige andere doeleinden the Protection of Women and Girls beoogt. Ook van dit ruimer doel uitgaande, is de wet te streng. De Engelsche wetgever had haar kunnen tituleeren als de wet tot handhaving en bescherming der goede zeden in de maatschappij. De bepalingen nemen natuurlijk over ’t algemeen in haar hoede de eerbaarheid etc. der individueele vrouwen en meisjes en daardoor ook indirect de bescherming der goede zeden in de maatschappij. Gevallen, waarbij geen sprake is van bescherming der eerbaarheid eener vrouw, vallen evenwel ookonder de strafbepaling van dit artikel en dit geeft mij aanleiding te zeggen, dat ik de wet van 1885 te ruim gesteld vind en dat zij meer omvat dan het opschrift der wet recht geeft te verwachten. De behandeling der verschillende nos van art. 2 zal dit aantoonen.

De drie laatste nos van art. 2 die den meisjeshandel treffen geven een vreemden indruk. Als men 3 bepalingen ziet, mag men toch wel verwachten, dat ze alle drie verschillende handelingen treffen. ’t Kan dan natuurlijk wel eens voorkomen, dat er concursus idealis plaats heeft, doch dit blijve buiten beschouwing. Hoe men dan ook deze 3 bepalingen beziet, er blijft slechts over tot de conclusie te komen dat ’t geven van deze 3 nos eene overbodige weelde is, die vooral in een wet niet te pas komt.

Een placeur, die den binnenlandschen meisjeshandel drijft, valt onder art. 22º. en 4º.; hij, die zich bezig houdt met den buitenlandschen meisjeshandel wordt getroffen door art. 22º., 3º. en 4º.

’t Is mij onbegrijpelijk, waaraan deze overvloed van bepalingen toe te schrijven is, terwijl ze ieder afzonderlijk onnoodig zoo ruim gesteld zijn, dat handelingen die straffeloos moesten blijven, getroffen worden.

Afzonderlijke handelingen worden gestraft; zeer goed, doch daarbij ware vereischt verzwaring van straf, indien die handelingen bedreven worden als beroep en in geval van recidive en verder ontbreekt strafverzwaring voor den zooveel zwaarderen vorm van den meisjeshandel nl. het lokken naar den vreemde. De Engelsche wet geeft voor dit alles eene zelfde strafbepaling enwel gevangenisstraf van ten hoogste 2 jaar met of zonder dwangarbeid.

Art. 22º.

De poging tot het misdrijf wordt gelijkelijk gestraft als het misdrijf zelf. Evenzoo bij 23º. Een bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren wordt niet vereischt; in 22º.bij poging moet toch een opzettelijk handelen voor dat doel bewezen worden. Het misdrijf is voltooid, indien de vrouw of het meisje een prostituée geworden is.

Moeilijk kan het bewijs zijn, indien het zich overgeven aan de prostitutie in den vreemde plaats heeft, doch dan kan men wellicht onder een volgend lid vallen, zonder dat bewezen zij, dat werkelijk het zich prostitueeren hebbe plaats gehad, mits dan het oogmerk bewezen zij.

Art. 22º.laat evenzeer als de beide volgende leden van het artikel in het midden, welke middelen aangewend zijn.

Onverschillig is het voor dit misdrijf, of de vrouw nog onschuldig is of niet.

Op welke wijze en waar het meisje zich aan de prostitutie overgeeft is eveneens van geen belang. Het is zeer juist ingezien, daar toch voor den meisjeshandel het lokken in een bordeel geen vereischte is.

Art. 23º.

Het misdrijf is voltooid, zoodra het meisje of de vrouw het koninkrijk verlaat om gevolg te geven aan haar besluit, dat gevormd is op aandrang van hem, die ’t oogmerk heeft haar in het buitenland aan een ontuchtig leven in een bordeel over te leveren.

Werkelijk een zeer strenge bepaling! Het ware karakter van den meisjeshandel heeft men blijkbaar bij het maken der wet niet genoeg in het oog gehouden. Wat maakt dien handel toch zoo afkeurenswaardig? Dit is de omstandigheid dat de placeur het oogmerk heeft zijn slachtoffer aan de prostitutie over te leveren doch haar tevens dit oogmerk verzwijgt Van een dusdanig deliktsbestanddeel is in deze 3 strafbepalingen geen spoor aan te treffen. Zelfs het eigen initiatief, de eigen dringende wil der vrouw kan voor hem of haar, die op dat verzoek bemiddeling biedt en hulp verschaft, de strafbaarheid niet opheffen. Dit geldt zoowel voor lid 3 als voor lid 2 en 4.

Vervolgd wordt b.v. een heer, die in het belang van eene prostituée te Londen, voor wier gezondheid de Londensche lucht nadeelig is, haar behulpzaam is of haar overhaalt om in het gezondere Liverpool haar leven voort te zetten. En dit zonder eenig winstbejag, slechts met een zuiver altruistische bedoeling. Eveneens straft de wet hem of haar, die eene prostituée op haar uitdrukkelijk verlangen eene plaats bezorgt in een binnen- of buitenlandsch bordeel, ’t Spreekt van zelf dat dit te veel ingrijpt in de individueele vrijheid van doen en laten.

Art. 24o.

Deze bepaling vult voor een deel art. 22o.aan, in zooverre, dat wanneer in een speciaal geval het misdadig oogmerk bewezen is, de dader reeds strafbaar is, zoodra ten gevolge van zijn aandrang de vrouw haar huidig verblijf verlaat.

’t Andere gedeelte van dit voorschrift valt geheel onderart 23º. met uitzondering van het geval, dat de vrouw volgens dit lid van ’t artikel (24º.) zich niet reeds in een bordeel mag bevinden. Dit is althans mijn meening; of zou men zoo scherpzinnig mogen zijn om aan te nemen, dat de strafbaarheid in art 23º.pas begint, op het oogenblik, dat zij “leaves the United Kingdom” terwijl in art. 24º.de strafwet reeds werkt, wanneer zij “leaves her usual of abode in theUnitedKingdom?”

’t Is mogelijk. M. i. kunnen de woorden van art. 23º.“With intent that she may become an inmate of a brothel elsewhere” niets anders beteekenen dan die van art. 24º.“With intent that she may,for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel within or without the Queen’s dominions.” Het woord “inmate” kan toch slechts betrekking hebben op eene pensionnaire van een bordeel; ik noem b. v. een dienstmeisje of werkster in een bordeel niet een “inmate of a brothel.”

Art. 2 ^4º.treft niet den bordeelhouder, die een meisje overhaalt in zijn bordeel in dienst te gaan, terwijl hij den waren aard van het huis verbergt. Ofschoon zij aldaar spoedig meegesleept zal worden in het leven van ontucht, ontbreekt het vereischte, datshe may “for the purposes of prostitution, become an inmate of a brothel”; indien evenwel de intentie bestond, zal deze in casu onbewijsbaar zijn.

Het eerste lid van art. 2 luidt:

Any person, who

1. Procures or attempts to procure any girl or woman under twenty one years of age, not being a common prostitute, or of known immoral character, to haveunlawful carnalconnectioneither within or without the Queen’s dominions, with any other person or persons.

Dit lid van art. 2 treft de eenvoudige koppelarij.

Een zeer belangrijk en interessante bepaling uit deCriminal Law Amendment Act 1885is art. 8.

Gestraft wordt hij, die een vrouw of meisje tegen haar wil in een bordeel houdt, of in een huis met ’t oogmerk, dat zij “unlawfully” vleeschelijke gemeenschap heeft met een man.

Verder wordt ieder vermoed zich aan deze “misdemeanour” schuldig te maken, die met ’t oogmerk de vrouw te dwingen in het bordeel of in dat huis te blijven haar kleederen wegneemt.

Ook hij, die in ’t geval, dat aan die vrouw kleederen geleend of verschaft zijn door den bordeelhouder of anderen, haar dreigt met een gerechtelijke vervolging, indien zij zich met de aldus geleende of verschafte kleederen verwijdert.

Ten slotte bepaalt het artikel, dat noch ten civiele noch ten crimineele vervolgd zal worden eene vrouw, die dergelijke kleedingstukken weggenomen heeft of in wier bezit deze gevonden zijn. Voorzoover zij althans noodig waren om haar in staat te stellen het bordeel of een ander huis te verlaten.

Met betrekking tot bovengenoemde bepalingen bevat deCrim. L. Am. Act 1885nog eenige processuëele voorschriften, waaronder het recht om woningen binnen te treden en regelen van bewijs.

Daar de meeste uitleveringstractaten tusschen het Vereenigd Koninkrijk en andere Staten dateeren vanvóor 1885, zijn de strafbare feiten uit de Crim. Law Am. Act. niet daarin opgenomen.

Het tractaat met Rusland uit 1886 bevat er enkele van. De omstandigheid, dat niet alle Staten dergelijke bepalingen in hun strafwetgevingen bezitten, sluit voorloopig de opname van den handel in blanke slavinnen in de uitleveringstractaten met die landen uit. (Rapport van den Heer Craies, Londensch Congres 1899.)

DeCustomshebben volgens de vreemdelingenwet van 1836 de bevoegdheid een lijst te vragen van alle vreemdelingen, die in de Engelsche havens aankomen. Dit wordt gedaan ter wille van de statistiek, want de Engelsche wet staat niet toe een vreemdeling het land uit te zetten, hoe wenschelijk ’t ook zij. Doch de bepaling kan ook dienstbaar gemaakt worden om op ’t spoor te geraken van invoer in Engeland met ontuchtige oogmerken (id.)

Bij de behandeling der Nederlandsche bronnen vermeldde ik reeds, dat de politie het publiek wel eens waarschuwt tegen de praktijken der placeurs en dienstbureaux. De Engelsche politie laat dit integendeel geheel over aan de philanthropische vereenigingen.

De Engelsche consuls in den vreemde bemoeien zich ook met de bestrijding van den blanke slavinnenhandel doch slechts dan, wanneer het Engelsche onderdanen geldt; het uitgangspunt voor hunbemoeiingenis dus niet de bestrijding van den meisjeshandel, maar wel de zorg voor behoeftige en verlaten landgenooten.

§ 2. Duitschland.De rechtsorde in het Duitsche Rijk is vrij goed gewapend tegen hen, die haar op de besproken wijze in gevaar trachten te brengen en aantasten. Het Strafwetboek van 31 Mei 1870, oorspronkelijk voor den Noord-Duitschen Bond bestemd, werd door de wet van 45 Mei 1871 hetStrafgesetzbuch für das Deutsche Reich. Het geheele strafwetboek werd na eenige veranderingen den 26 Febr. 1876 nogmaals in hetReichsgesetzblattopenbaar gemaakt.De artikelen uit dit wetboek, die in verband met dit onderwerp bijzondere aandacht verdienen, zijn de artikelen 180 en 181.Zij luiden aldus:Art. 180. “Wer gewohnheitsmässig oder aus Eigennutz durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet, wird wegen Kuppelei mit Gefängniss bestraft; auch kann auf Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte, sowie auf Zulässigkeit von Polizei-Aufsicht erkannt werden.Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie wedergewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:1. um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind, oder2. der Schuldige zu den Personen, etc. etc.Deze artikelen toonen bij den eersten oogopslag een aanmerkelijk verschil met de meeste koppelarij-artikelen der moderne strafwetgevingen. Zij gaan uit van een in bescherming nemen der goede zeden, onverschillig van wien ook; de meeste strafwetten toch beschouwen de koppelarij als een soort bescherming van minderjarigen. Deze beperking is niet te vinden in de artt. 180 en 181, voorzoover ik ze citeerde.Olshausen distilleert uit deze beide artikelen het begrip koppelarij. “Kuppelei betreibt derjenige welcher durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.” Er dient op gelet te worden, dit is het begrip; en zoo enkelvoudig als het hier gesteld is, stelt de wetgever het niet strafbaar.Voor hetVergehenvan art. 180 vordert de wet dat deKuppelei gewohnheitsmässig of aus Eigennutzgeschiedt; voor hetVerbrechenvan 1811o.dat “hinterlistige Kunstgriffe” aangewend zijn. In hoeverre er sprake kan zijn vanVorschub leistenis quaestio facti. Doch dit moet geschieden òf doorVermittelungvan den dader òf doorVerschaffung von Gelegenheit.“Durch Vermittelung wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Personen günstigere Voraussetzungengeschaffen werden” (Olshausen ad art. 180).“Durch Gewährung von Gelegenheit und durch Verschaffung von Gelegenheit wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Ortes günstigere Voraussetzungen geschaffen werden (id.)”En wat de dolus betreft, zoo besliste het Reichsgericht: “Der Dolus der Kuppelei erfordert dasBewusstsein, dass durch die geübte Vermittelungsthätigkeit oder Gelegenheitsmacherei Handelungen befördert werden, welche objectiv sich als Unzucht darstellen. (RG. 10 Oct. 1882.)”Dolus eventualis is evenzeer voldoende.Voor voltooiing van het misdrijf, bij art. 180 strafbaar gesteld, is het niet noodig, dat werkelijk ontucht gepleegd zij.Von Liszt (Lehrbuchpag. 395) zegt:“Die Vollendung ist erst gegeben wenn durch Vermittelung usw. thatsächlich günstigere Bedingungen geschaffen sind. Die Verhandlungen des Bordellwirts mit den anzuwerbenden Mädchen erscheinen mithin als Vorbereitungshandlungen zür Vermittlung, die Eröffnung von Gelegenheit. Erfolgte Unzucht ist nicht erforderlich.”Het Duitsche Strafwetboek treft door art. 180 den bordeelhouder. Het bestaan van bordeelen, al dan niet door de politie gereglementeerd, is verboden.Sous-entendumoet dus ook de binnenlandsche meisjeshandel onbestaanbaar zijn.Doch gesteld het geval, dat er toch een bordeel in strijd met de wet bestaat, en dat daarvoor meisjes dooreen placeur geleverd worden, dan wordt wel de bordeelhouder gestraft, doch alleen voor het feit, dat hij gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht. De misleider der meisjes loopt vrij rond. Is ’t soms mogelijk, dat ook ten opzichte van hem met de artt. 180 en 181 gerechtigheid geschiede?Wanneer placeur en bordeelhouder éen en dezelfde persoon zijn, is toepassing van art 180 mogelijk.In de andere gevallen is het de vraag of de placeur voor het begrip “koppelarij” kan gezegd wordender ontucht Vorschub zu leisten durch seine Vermittlung.Na zijne hierboven geciteerde verklaring wat onderVermittlungmoet verstaan worden, zegt Olshausen “Die Thätigkeit muss somit auf das Zusammenbringen dieser Personen gerichtet sein, gleichgültig, ob unmittelbar, wie bei der seitens eines Dienstmannes geschehenden Zuführung eines Fremden zu einer öffentlichen Person, oder ob mittelbar, wie bei der Anwerbung bezw. Ueberführung von Frauenspersonen für ein Bordell.”’t Is zoo, de werkzaamheid van den meisjeshandelaar is eene indirecte, doch voor zijne strafbaarheid zou dan nog vereischt zijn hetgewohnheitsmässighandelen of het handelenaus Eigennutz. Dit punt vindt echter zijne voor- en tegenstanders. In gelijken zin besliste het Preusische Ober-Tribunal den 14 Nov. 1873: “de aanbieding van een meisje om in het bordeel van een derde te gaan is voltooide koppelarij.”Aan den anderen kant besliste het Reichsgericht dat het te vergeefs aanbieden van meisjes ter opname in een bordeel is straffelooze poging, (23 Sept. 1880)(id. Lübeck, 7 Mei 1870). Een arrest van hetReichsgerichtvan den 15 Mei 1880 vorderde, dat voor de strafbaarheid ’t aanbod aangenomen moest zijn. Onnoodig is dan werkelijke intrede in het bordeel of nadere condities met den bordeelhouder. Voordat ik in dezen strijd partij kies, wensch ik aan te geven, dat het zeer waarschijnlijk is, dat bij de overreiking van het eerste ontwerp van het strafwetboek op den 31 Juli 1869 aan den Rijkskanselier in het ontwerpartikel der koppelarij aan geen strafbaarstelling van den meisjeshandel gedacht is.Zal dus de blanke slavinnenhandelaar onder het bereik van art. 180 kunnen vallen, dan moet zijn daad allereerst het begrip koppelarij voldoen. “Kuppelei betreibt derjenige, welcher durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.”’t Is waar, deze definitie spreekt niet van een directe of indirecte bemiddeling; ze laat dit geheel in ’t midden. ’t Behoeft geen betoog, dat het artikel zeer zeker aan de behoefte voldoet indien iedere indirecte bemiddeling daaronder valt. Doch tot hoever moet men dan hiermede gaan? Toepassing van den dolus eventualis aangenomen, zou het art. de individueele vrijheid gevaarlijk beperken en veelal juist die personen in bescherming nemen die door hun zorgeloosheid de bescherming der strafwet niet verdienen.Doch dit laatste kan geen afdoend argument zijn om de indirecte bemiddeling uit te sluiten. Mijns inziens kan echter indirecteVermittelungniet voldoenaan de etymologische beteekenis van het woordkoppelen. Dit istot een koppel binden; duidelijk is het, dat de placeur dit niet doet, wel werkt hij er toe mede. Nu zou de strafwet wel een ruimere beteekenis kunnen hechten aan dat begrip, doch dan ware eerste vereischte, dat zij dit ook bepaaldelijk uitdrukte. En dit geschiedt nergens. Historisch zou dit begrip koppelarij, zonderuitdrukkelijkeuitbreiding, niet voldoen aan het begrip lenocinium, dat men in de koppelarij-artikelen steeds heeft willen neerleggen. Er wordt dus mijns inziens aan dit artikel een uitbreiding gegeven, die om verschillende redenen ongeoorloofd is. Het gevolg van deze engere interpretatie zouden dus zijn de gewone bezwaren verbonden aan de koppelarij-artikelen, die niet bestemd zijn voor de bestraffing der placeurs e. a., doch door wier toepassing men hen toch wil treffen. We moeten hen dan straffen alsBeihülfenvan hen, die strafbaar zijn wegens art. 180. We ondervinden de gewone moeilijkheden verbonden aan den accessoiren aard der medeplichtigheid, en we zullen gewaar worden, dat die gevaarlijke individuen door de mazen der strafwet heensluipen.Ik kan mij dus zeer wel begrijpen eene interpretatie, waartegen de bewoordingen van art. 180 zich niet rechtstreeks verzetten, en welke aan de behoefte voldoet.De meeste criminalisten interpreteeren het artikel dan ook aldus; von Liszt, Olshausen, Oppenhoff e. a.Wanneer dan het begripkoppelarijin dien ruimen zin uitgelegd wordt, bestaat in art. 1811o.een geducht wapen tegen den binnenlandschen meisjeshandel.Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird, mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:1. Um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind.Dit artikel vordert 1. dat de ontucht bevorderd is; 2. dat dit geschied is door aanwending van “hinterlistige Kunstgriffe.”De “hinterlistige Kunstgriffe” zijn het juist die bij den meisjeshandel zoo’n grooten rol spelen.“Unter Kunstgriffen sind Handlungen ähnlicher Art zu verstehen, wie sie von Taschenkünstlern angewendet werden, d.h. geschickt angewendete auf Täuschung berechneteMassnahmen.”“Hinterlist ist—nach Grimm’s Wörterbuch—Kunst hinter Jemandes Rücken zu dessen Schaden angewendet, verstäckte Arglist. Zu der Arglist tritt also noch das Moment hinzu, das die Thätigkeit eine versteckte ist, so dass der andere Theil die List womöglich erst dann erkennt, wenn ihr Zweck erreicht oder wenigstens gesichert ist.”“Dass die hinterlistigen Kunstgriffen eine Täuschung hervorgebracht haben ist nicht erforderlich.”Aldus Olshausen ad art. 1811º.Oppenhoff ad art. 181 geeft de volgende verklaring vanhinterlistige Kunstgriffen:“Unter “hinterlistigen Kunstgriffen” sind alle listigen Vorkehrungen zu verstehen, durch welcheJemandgeneigt gemacht wird an Orte zu kommen, wo Unzucht getrieben werden soll, oder sich Anderen zu Unzucht Preis zugeben, z.B. Verlockungen an einsame Orte, Vorspiegelung glänzender Zukunft, Missbrauch angesehener Namen, Beibringung aufregender Getränke etc.(Dresden. 17 Sept. ’77.)Von Liszt (Lehrbuch § 108 III 2) zegt: “also die Erregung oder Unterhaltung eines Irrtums durch Vorspiegelung falscher, Unterdrückung oder Entstellung wahrer Thatsachen, z.B. Versetzung in Trunkenheit, Verlockung unter den Vorwand, der Frauensperson eine Anstellung oder einen Dienstplatz zu verschaffen. Mit der Vorschubleistung (meist mit dem Kunstgriff) vollendet.”Zeer helder stelt von Liszt ons deze feiten voor oogen. Ze vormen allen bestanddeelen van een daad van blanke slavinnenhandel.Alle tusschenpersonen, die achtereenvolgens werkzaam zijn om het plan ten uitvoer te brengen, dat voltooid is door de overreiking van levende koopwaar door den laatste aan den bordeelhouder, zijn evenzeer strafbaar. Zoowel hij, die het meisje overhaalde door valsche voorspiegelingen en mooie woorden als degene, die haar van dezen overneemt en of aan een derde overlevert, die voor ’t verder vervoer zorgt, of aan den bordeelhoudenden kooper, al zegt hij geen woord, dat het meisje eenigszins op een dwaalspoor zou kunnen brengen of houden. Juist dit zwijgen, waar spreken plicht was, moet ook onder dehinterlistige Kunstgriffengerangschikt worden. Doch er moet dan bewezen zijn, dat de persoon in kwestie op de hoogte was van de omstandigheden, zoodat zijn opzet daaruit blijkt (ook doluseventualis). Dat kan b.v. geschieden als gebleken is, dat hij met zijn voorganger een afspraak had etc. etc. Er mag geen twijfel bestaan, dat hij te goeder trouw zou gemeend hebben, dat het meisje van alle omstandigheden op de hoogte was, waarmede hij zijn zwijgen zou kunnen rechtvaardigen.De “hinterlistige Kunstgriffe” van art. 1811º.zijn voor het strafbaar feit strafbepalend; ze zijn ten opzichte van het strafbaar feit van art. 180 niet strafverzwarend. Hierop te wijzen is in zooverre ook van groot belang dat een bordeelhouder, die zijn eigen pensionnaires recruteert, niet zal vallen alleen onder het zwaarder gestraft wordend feit van art. 1801o., maar zal vervolgd worden èn wegens art. 180 èn wegens art. 1811o.:concursus realisheeft plaats.Voorvoltooiingis het geen vereischte, dat er ontucht gepleegd zij; zooals von Liszt zegt: “Mit der Vorschubleistung, meist mit dem Kunstgriff vollendet.” Het misdrijf van den meisjeshandelaar bepaalt zich dan ook tot de aanwending der bedriegelijke middelen. Uit het opzet om door deze de ontucht te bevorderen blijkt voldoende het bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren; de verzwijging van dit oogmerk moet hier onder de “listige Kunstgriffen” begrepen worden. Art. 1811o.vordert deze beide vereischten niet uitdrukkelijk als bestanddeelen van het strafbaar feit.Dit heeft ten gevolge, dat de “hinterlistige Kunstgriffe” ook in anderen zin aangewend kunnen zijn, zoodat het feit geheel valt buiten den kring van den eigenlijken blanke slavinnenhandel: b. v. misleidingten opzichte van het loon etc, waardoor eene prostituée zich laat overhalen pensionnaire van een bordeel te worden.Het is duidelijk, dat ook de buitenlandsche handel, bestaande in den export van vrouwen door dit artikel getroffen wordt, in zooverre deze althans in het land zelf plaats grijpt. Buiten ’t bereik van art. 1801o.valt hij, die met de aanwending der bedriegelijke middelen pas aan de overzijde der grens begint.Natuurlijk vordert de levering van het bewijsmateriaal groote moeielijkheden; nl. in hoeverre werkelijk die kunstgrepen gebezigd zijn om de ontucht te bevorderen; daar de rechter ten opzichte van het feit, dat in den vreemde werkelijk de vrouw aan een ontuchtig leven zou overgeleverd zijn, in de meeste gevallen een non liquet zal moeten uitspreken, zal de beklaagde in die gevallen vrijgesproken moeten worden.Het Duitsche Strafwetboek bevat onder no. 6 van art. 361 de volgende bepaling:Mit Haft wird gestraft:6. eine Weibsperson, welche ohne solchen (i. e. polizeilichen) Aufsicht unterstellt zu sein, gewerbsmässig Unzucht treibt.’t Is mogelijk, dat deze bepaling ten opzichte van de misleide meisjes beschermend zou kunnen werken, doch mijns inziens zal zij in de praktijk weinig uitrichten, daar zij wel met succes ontdoken zal worden in die gevallen, in welke misbruiken aan ’t licht zouden kunnen komen.Nadat reeds meer dan eens in den Duitschen Rijksdagdoor afgevaardigden het bestaan van denmeisjeshandelwas ter sprake gebracht, (o. a. door den Heer A. Bebel naar aanleiding van de door Nederland met Oostenrijk-Hongarije en te voren met België uitgewisselde verklaringen) werd bij de 2delezing van het ontwerp-wet “Ueber das Auswanderungswesen” op voorstel van de afgevaardigden Graaf von Kanitz-Podangen en Aug. Bebel een artikel 48 in die wet gevoegd. (Zitting van 6 Mei 1897). Dit artikel met de eindredactie volgens amendement van de afgevaardigden Dr. Bachem en Dr. von Buchka bij de 3delezing werd den 8 Mei 1897 met groote meerderheid door den Rijksdag aangenomen. Het luidt als volgt.Art. 48 van Das Reichsgesetz über das Auswanderungswesen vom 9 Juni 1807:“Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke, sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen, mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren bestraft. Neben der Zuchthausstrafe ist der Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte auszusprechen; auch kann zugleich auf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstauzend Mark sowie auf Zulässigkeit von Polizei-aufsicht erkannt werden.“Dieselben Strafvorschriften finden auf Denjenigen Anwendung, welcher mit Kenntniss des vom Thäter in solcher Weise vervolgten Zweckes die Auswanderung der Frauensperson vorsätzlich befördert; sind mildernde Umstände vorhanden, so tritt Gefängnisstrafe nicht unter drei Monaten ein, neben welcherauf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstausend Mark erkannt werden kann.”Eenige verbazing een dergelijk artikel in deze wet te vinden is voorzeker niet ongemotiveerd. Het is het laatste artikel van Hoofdstuk VIII, dat de “Strafbestimmungen” inhoudt ter sanctioneering en als waarborg voor de nakoming van de verplichtingen in deze wet opgelegd. ’t Zijn dus uitsluitend sancties van bepalingen van administratief-rechterlijk karakter en inzooverre gaat art. 48 de perken dezer wet te buiten; deze bepaling behoord onder de “eigenlijke strafwetten” gerangschikt te worden. Deze wet vordert een verlof voor de oprichting van emigratiekantoren en voor de medewerking als agent daaraan. Zij beoogt een waarborg, dat zij,dieemigreerenwillen, niet aan de genade worden overgeleverd der emigratiebureaux, b.v. door ’t voorschrift dat altijd een schriftelijk contract vereischt is.Hiernaast mag genoemd worden art. 144 van het Strafwetboek, dat aldus luidt:Art. 144. Wer es sich zum Geschäfte macht Deutsche unter Vorspiegelung falscher Thatsachen oder wissentlich mit unbegründeten Angaben oder durch andere aufTäuschungberechnete Mittel zur Auswanderung zu verleiten, wird mit Gefängniss von einem Monat bis zu zwei Jahren bestraft.”Dit artikel kan, wanneer de omstandigheden van dien aard zijn, den internationale meisjeshandelaar treffen, doch niet voor een op zich zelf staande daad; de straf is onbeduidend vergeleken bij die van art. 48.Een op deugdelijke grondslagen berustende wet op emigratiekantoren en emigratieagenten moet zonder twijfel bij uitstek gunstig werken en veel kwade praktijken en misbruiken tegenover de emigreerenden en in ’t algemeen tegenover de bevolking, die door hen tot emigreeren wordt overgehaald, tegengaan.In ieder geval is een artikel als § 48 gerechtvaardigd; het combineert 2 vergrijpen: een tegen de zeden en een tegen de plichten van het emigratiebureau of van den agent. Daarom is de zwaardere strafbepaling ook volkomen gewettigd; zwaarder zoowel vergeleken bij de koppelarij-artikelen als vergeleken bij de artikelen die verwaarloozing der verplichtingen der emigratiekantoren e.a. moeten verhoeden.Art. 48 eerste lid vordert:1. De verleiding van een vrouw om naar den vreemde te gaan.2. Een bijkomend oogmerk om haar aan een leven van prostitutie over te leveren.3. Opzettelijke verzwijging (arglistige Verschweigung) van dit oogmerk.’t Kan niet ontkend worden, dat de Duitsche wetgever bij uitstek geslaagd is in de opsomming van de elementen, die eigen zijn aan de handelingen der meisjeshandelaars. We telden dan ook reeds 1897 bij de totstandkoming van dit artikel; vele jaren lang waren Regeering en overheid reeds van particuliere zijde in kennis gesteld met den waren aard van deze wandaden en met de omstandigheden, waaronder ze gepleegd worden.Onverschillig is het voor ditVerbrechenof de vrouwonschuldig, eerbaar was of niet. Zelfs de prostituée wordt in bescherming genomen; zonder twijfel zal in casu deze omstandigheid op de strafmate van invloed zijn.De vrouw, onverschillig, van welken leeftijd zij moge zijn, moet—wil het delict voltooid zijn—verleid zijn naar den vreemde te gaan; door de handelingen van den dader moet zij het plan hebben opgevat het land uit te gaan. Dat dit in werkelijkheid geschied zij, wordt voor dit misdrijf niet vereischt. De dader kan op alle mogelijke wijzen haar tot dit plan brengen; de wet bindt niet door het vereischte van bepaalde middelen (c. f. art. 144 Duitsche Strafwetboek). Het zal evenwel steeds een middel moeten zijn dat er op berekend is de ware feiten te verbergen. Dit ligt in de woorden “arglistiger” en “verleiten”. Heeft de vrouw nog niet het plan opgevat het land te verlaten als gevolg van het streven van den dader, dan kan slechts sprake zijn van strafbare poging, mits de overige vereischten voor dezen deliktsvorm aanwezig zijn.Bewezen moet worden het bijkomend oogmerk, dat het doel bestond de vrouw aan een leven van prostitutie over te leveren. Dit oogmerk is vereischt zoowel voor het voltooide delikt als voor de poging en het behoeft in geen van beide gevallen bereikt te wezen. Zeer terecht is het zoo algemeen mogelijk uitgedrukt: de overlevering aan de prostitutie en is ’t dus onverschillig of de ontucht in een bordeel of daarbuiten bedreven zou worden. Doch het blijft vereischte dat de ontucht “gewerbsmässig” bedreven zou zijn.Ten slotte moet dit oogmerk arglistig verzwegen zijn.”Mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes”, zegt de tekst. Dus een zwijgen is voldoende, het moet opzettelijk geschieden om tot het doel nader te komen, zonder het zwijgen moet de vrouw er niet toe komen het voornemen op te vatten het land te verlaten. Positieve handelingen om het oogmerk te verbergen, alhoewel mogelijk, zijn onnoodig. Deze handelingen zulleneventueelmisleidende, bedriegende zijn.Meende de dader,—hoewel ten onrechte—dat het de eigen wil der vrouw is zich in het buitenland aan de ontucht over te leveren, dan mist het delict een zijner elementen: er bestaat geen opzet,de “arglistige Verschweigung” ontbreekt.Het 2delid van art. 48 bevat een begunstiging na het plegen van het delict. De hulpverleening vóor of bij het plegen van het strafbare feit wordt naar de gewone regelen berecht en gestraft.Dit 2delid treft hem, die anders niet gestraft zou kunnen worden noch als dader noch als medeplichtige van het misdrijf van art. 48 eerste lid, omdat voor beide gevallen eenige delictsbestanddeelen gemist worden en voor het laatste de juridische vereischten ontbreken. Hij toch die de vrouw van den vader overneemt om haar verder naar de plaats van bestemming geheel of gedeeltelijk te brengen, kan niet gezegd worden dat hij haar “zur Auswanderung verleitet.”Bestanddeelen van het delict van art. 48 2delid zijn:1. Bekendheid met het door den dader beoogde doel, zooals dit arglistig verzwegen is.2. Het opzettelijk bevorderen, dat de vrouw het land verlaat.Het moet eene opzettelijke handeling zijn; dolus eventualis is voldoende.Het delict heeft dus plaats, nadat “die Verleitung zur Auswanderung” reeds geschied is.De afgevaardigde Bachem stelde in den Rijksdag als voorbeeld den emigratieagent, die om de provisie te verdienen, den meisjeshandelaar en het meisje de passagekaarten voor de boot verkoopt, terwijl hij bekend is met de bestaande verhoudingen.Zoowel op het delikt van het eerste als op dat van het tweede lid staat als straf gesteld: tuchthuisstraf van hoogstens 5 jaren. Daarnevens kan facultatief uitgesproken worden verlies “der bürgerlichen Ehrenrechte”, geldboete van 150 tot 600 Mark en het stellen onder politietoezicht. Evenwel laat art. 48 2elid toe voor dat delikt uit te spreken gevangenisstraf van minstens drie maanden waarnevens facultatief geldboete van 150 tot 6000 mark, indien er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Wat onder die verzachtende omstandigheden te verstaan is, zoo blijkt uit de beraadslagingen, dat men daaronder ook den dolus eventualis begreep. Voorzeker nog al vreemd.Dienstig om in ’t algemeen den meisjeshandel te onderdrukken en om in bijzondere gevallen de justitie en politie op ’t spoor te doen komen van gevallen van dezen aard is § 70 no. 10 van het besluit van den Bondsraad, betreffende de uitrusting van vaartuigen, waarop zich vooral emigreerende personen bevinden.Het artikel schrijft den schipper voor om voor het geval zich aan boord vrouwen bevinden, die vermoed worden slachtoffers van een placeur te zijn, den Duitschen Consul van de plaats, waar zij debarqueeren, zoo spoedig mogelijk namen, nationaliteit en doel der reis van deze vrouwen en hare begeleiders mede te deelen.Doch ook buitendien is den diplomatieke vertegenwoordigers van den consulaten strenge waakzaamheid opgedragen ten opzichte van den internationalen meisjeshandel.Wij zien, dat Duitschland een open oog heeft voor die belangen, die in deze kwestie op het spel staan. Ook reeds vóór het tot stand komen van deze wet van ’97 heeft het getracht in den nood te voorzien. We maakten reeds kennis met de verklaring, die den 15 Nov. 1889 tusschen het Duitsche Rijk en Nederland is uitgewisseld (wet 15 April 1891 Stsbl. 85).Een gelijksoortige verklaring wisselde Duitschland den 4 Sept. 1890 met België uit.“Déclaration conclue à Berlin entre la Belgique et l’Allemagne concernant le repatriement de certaines prostituées”. Approuvée par la loi du 27 Juillet 1891.—Echange ratifié, Berlin 25 Juillet 1891. Le procès-verbal de cet echange constate qu’il a été convenu alors de réserver à chacune des parties contractantes “la faculté de faire cesser, à l’expiration de six mois, après en avoir donné avis, les effets de la déclaration”. (Conférence internationale pour la prophylaxie de la syphilis et des maladies vénériennes, Bruxelles Septembre 1899. Notice de M. Emile Beco, Belgique.)De 7 artikelen van deze verklaring luiden:Art. 1. Les parties contractantes s’engagent à concourir dans les limites légales à ce que les femmes et les filles appartenant à l’un des deux pays, et qui se livrent dans l’autre à la prostitution, soient soumises à un interrogatoire, afin de constater d’où elles viennent et qui les a déterminés à quitter leur pays.Le procès-verbaux dressés à ce sujet seront communiqués aux autorités du pays auquel les dites femmes et filles appartiennent.Art. 2. Les parties contractantes s’engagent aussi à concourir autant que possible, dans les limites légales à ce que celles de ces femmes et filles, qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la prostitution, soient sur leur demande ou sur la demande des personnes ayant autorité sur elles, renvoyées du pays où elles se trouvent et conduites à la frontière de leur pays natal.Art. 3. Les parties contractantes s’engagenten outre, à prêter leur concours, autant que possible, dans les limites légales, pour que les filles, encore mineures selon les lois de leur pays, qui se livrent de leur progre gré à la prostitution dans l’autre pays, soient sur la demande de leurs parents ou tuteurs renvoyées dans leur pays d’origine.Art. 4. Avant d’effectuer le renvoi d’une des personnes mentionnées dans les articles 2 et 3, l’administration qui en est chargée adressera, par l’intermédiaire des autorités du pays, auquel la personne en question appartient, un avis aux personnes, qui ont autorité sur celle-ci, indiquant la date, à laquelle le renvoi aura lieu et la localité à laquelle la femme ou fille sera dirigée.Art. 5. La correspondance entre les autorités des deux pays relative à ce renvoi, se fera autant quepossiblepar voie directe.Art. 6. Dans le cas, ou les frais occasionnés par l’entretien et le renvoi jusqu’à la frontière de ces femmes et filles ne pourront être remboursés par les femmes et filles elles-mêmes ou par leurs maris, parents ou tuteurs,ou ne devront pas l’êtrepar les ténanciers, ils restent à la charge de l’Etat, qui a effectué le renvoi.Art. 7. La présente déclaration sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Berlin.Deze verklaring met België uitgewisseld is geheel gelijkluidend met die, welke Duitschland kort te voren met Nederland uitwisselde. De op- of aanmerkingen, die ik mij dus bij de behandeling van deze laatste verklaring veroorloofde, zijn ook hier van kracht, voor zoover het verschil in wetgeving dit niet uitsluit. Er is slechts eene verandering te constateeren in art. 6 van de verklaring tusschen Duitschland en België. ’t Is de invoeging van de woorden “ou ne devront pas pas l’être par les ténanciers”, die in onze verklaring ontbreken. Ze stellen evenwel niets nieuws. ’t Is toch duidelijk, wanneer de bordeelhouders zich verplicht hadden de kosten der terugreis te restitueeren, (dit is mogelijk om het meisje of de vrouw eerder over te kunnen halen haar land te verlaten en haar meer vertrouwen in te boezemen, alhoewel de bordeelhouder in den aanvang natuurlijk toch voornemens was zichniet aan deze verplichting te houden) dat deze ook rechtens gevorderd kunnen worden. De Staat schiet de gelden voor. Wellicht stelt dit artikel een recht van den Staat daar om rechtstreeks den bordeelhouder voor de kosten der terugreis aan te spreken, die deze aan het misleide meisje schuldig was.Bij ’t slot mijner beschouwingen van het Duitsche recht in verband met den blanke slavinnenhandel worde nog gememoreerd, dat voor de uitleveringstractaten het bestaan van strafbepalingen tegen den meisjeshandel van zeer gering belang is, daar in dergelijke tractaten steeds een principe van reciprociteit op den voorgrond staat, en de meeste strafwetgevingen in de behoefte aan dusdanige bepalingen nog niet hebben voorzien.Zoo spreekt het uitleveringstractaat tusschen Duitschland en Nederland van 2 Nov. 1897, Staatsblad 211 onder no. 8 van art. 1 wel zeer algemeen van “koppelarij” doch in alinea 1 van het artikel wordt bepaald dat slechts dan uitlevering voor de na te melden strafbare feiten plaats heeft, indien het gepleegde feit ook strafbaar is in het land, van hetwelk de uitlevering gevraagd wordt.

De rechtsorde in het Duitsche Rijk is vrij goed gewapend tegen hen, die haar op de besproken wijze in gevaar trachten te brengen en aantasten. Het Strafwetboek van 31 Mei 1870, oorspronkelijk voor den Noord-Duitschen Bond bestemd, werd door de wet van 45 Mei 1871 hetStrafgesetzbuch für das Deutsche Reich. Het geheele strafwetboek werd na eenige veranderingen den 26 Febr. 1876 nogmaals in hetReichsgesetzblattopenbaar gemaakt.

De artikelen uit dit wetboek, die in verband met dit onderwerp bijzondere aandacht verdienen, zijn de artikelen 180 en 181.

Zij luiden aldus:

Art. 180. “Wer gewohnheitsmässig oder aus Eigennutz durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet, wird wegen Kuppelei mit Gefängniss bestraft; auch kann auf Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte, sowie auf Zulässigkeit von Polizei-Aufsicht erkannt werden.

Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie wedergewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:

1. um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind, oder

2. der Schuldige zu den Personen, etc. etc.

Deze artikelen toonen bij den eersten oogopslag een aanmerkelijk verschil met de meeste koppelarij-artikelen der moderne strafwetgevingen. Zij gaan uit van een in bescherming nemen der goede zeden, onverschillig van wien ook; de meeste strafwetten toch beschouwen de koppelarij als een soort bescherming van minderjarigen. Deze beperking is niet te vinden in de artt. 180 en 181, voorzoover ik ze citeerde.

Olshausen distilleert uit deze beide artikelen het begrip koppelarij. “Kuppelei betreibt derjenige welcher durch seine Vermittelung oder durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.” Er dient op gelet te worden, dit is het begrip; en zoo enkelvoudig als het hier gesteld is, stelt de wetgever het niet strafbaar.

Voor hetVergehenvan art. 180 vordert de wet dat deKuppelei gewohnheitsmässig of aus Eigennutzgeschiedt; voor hetVerbrechenvan 1811o.dat “hinterlistige Kunstgriffe” aangewend zijn. In hoeverre er sprake kan zijn vanVorschub leistenis quaestio facti. Doch dit moet geschieden òf doorVermittelungvan den dader òf doorVerschaffung von Gelegenheit.

“Durch Vermittelung wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Personen günstigere Voraussetzungengeschaffen werden” (Olshausen ad art. 180).

“Durch Gewährung von Gelegenheit und durch Verschaffung von Gelegenheit wird Vorschub geleistet, wenn der Unzucht bezüglich der zu ihrer Ausübung in concreto erforderlichen Ortes günstigere Voraussetzungen geschaffen werden (id.)”

En wat de dolus betreft, zoo besliste het Reichsgericht: “Der Dolus der Kuppelei erfordert dasBewusstsein, dass durch die geübte Vermittelungsthätigkeit oder Gelegenheitsmacherei Handelungen befördert werden, welche objectiv sich als Unzucht darstellen. (RG. 10 Oct. 1882.)”Dolus eventualis is evenzeer voldoende.

Voor voltooiing van het misdrijf, bij art. 180 strafbaar gesteld, is het niet noodig, dat werkelijk ontucht gepleegd zij.

Von Liszt (Lehrbuchpag. 395) zegt:

“Die Vollendung ist erst gegeben wenn durch Vermittelung usw. thatsächlich günstigere Bedingungen geschaffen sind. Die Verhandlungen des Bordellwirts mit den anzuwerbenden Mädchen erscheinen mithin als Vorbereitungshandlungen zür Vermittlung, die Eröffnung von Gelegenheit. Erfolgte Unzucht ist nicht erforderlich.”

Het Duitsche Strafwetboek treft door art. 180 den bordeelhouder. Het bestaan van bordeelen, al dan niet door de politie gereglementeerd, is verboden.Sous-entendumoet dus ook de binnenlandsche meisjeshandel onbestaanbaar zijn.

Doch gesteld het geval, dat er toch een bordeel in strijd met de wet bestaat, en dat daarvoor meisjes dooreen placeur geleverd worden, dan wordt wel de bordeelhouder gestraft, doch alleen voor het feit, dat hij gelegenheid geeft tot het plegen van ontucht. De misleider der meisjes loopt vrij rond. Is ’t soms mogelijk, dat ook ten opzichte van hem met de artt. 180 en 181 gerechtigheid geschiede?

Wanneer placeur en bordeelhouder éen en dezelfde persoon zijn, is toepassing van art 180 mogelijk.

In de andere gevallen is het de vraag of de placeur voor het begrip “koppelarij” kan gezegd wordender ontucht Vorschub zu leisten durch seine Vermittlung.

Na zijne hierboven geciteerde verklaring wat onderVermittlungmoet verstaan worden, zegt Olshausen “Die Thätigkeit muss somit auf das Zusammenbringen dieser Personen gerichtet sein, gleichgültig, ob unmittelbar, wie bei der seitens eines Dienstmannes geschehenden Zuführung eines Fremden zu einer öffentlichen Person, oder ob mittelbar, wie bei der Anwerbung bezw. Ueberführung von Frauenspersonen für ein Bordell.”

’t Is zoo, de werkzaamheid van den meisjeshandelaar is eene indirecte, doch voor zijne strafbaarheid zou dan nog vereischt zijn hetgewohnheitsmässighandelen of het handelenaus Eigennutz. Dit punt vindt echter zijne voor- en tegenstanders. In gelijken zin besliste het Preusische Ober-Tribunal den 14 Nov. 1873: “de aanbieding van een meisje om in het bordeel van een derde te gaan is voltooide koppelarij.”

Aan den anderen kant besliste het Reichsgericht dat het te vergeefs aanbieden van meisjes ter opname in een bordeel is straffelooze poging, (23 Sept. 1880)(id. Lübeck, 7 Mei 1870). Een arrest van hetReichsgerichtvan den 15 Mei 1880 vorderde, dat voor de strafbaarheid ’t aanbod aangenomen moest zijn. Onnoodig is dan werkelijke intrede in het bordeel of nadere condities met den bordeelhouder. Voordat ik in dezen strijd partij kies, wensch ik aan te geven, dat het zeer waarschijnlijk is, dat bij de overreiking van het eerste ontwerp van het strafwetboek op den 31 Juli 1869 aan den Rijkskanselier in het ontwerpartikel der koppelarij aan geen strafbaarstelling van den meisjeshandel gedacht is.

Zal dus de blanke slavinnenhandelaar onder het bereik van art. 180 kunnen vallen, dan moet zijn daad allereerst het begrip koppelarij voldoen. “Kuppelei betreibt derjenige, welcher durch Gewährung oder Verschaffung von Gelegenheit der Unzucht Vorschub leistet.”

’t Is waar, deze definitie spreekt niet van een directe of indirecte bemiddeling; ze laat dit geheel in ’t midden. ’t Behoeft geen betoog, dat het artikel zeer zeker aan de behoefte voldoet indien iedere indirecte bemiddeling daaronder valt. Doch tot hoever moet men dan hiermede gaan? Toepassing van den dolus eventualis aangenomen, zou het art. de individueele vrijheid gevaarlijk beperken en veelal juist die personen in bescherming nemen die door hun zorgeloosheid de bescherming der strafwet niet verdienen.

Doch dit laatste kan geen afdoend argument zijn om de indirecte bemiddeling uit te sluiten. Mijns inziens kan echter indirecteVermittelungniet voldoenaan de etymologische beteekenis van het woordkoppelen. Dit istot een koppel binden; duidelijk is het, dat de placeur dit niet doet, wel werkt hij er toe mede. Nu zou de strafwet wel een ruimere beteekenis kunnen hechten aan dat begrip, doch dan ware eerste vereischte, dat zij dit ook bepaaldelijk uitdrukte. En dit geschiedt nergens. Historisch zou dit begrip koppelarij, zonderuitdrukkelijkeuitbreiding, niet voldoen aan het begrip lenocinium, dat men in de koppelarij-artikelen steeds heeft willen neerleggen. Er wordt dus mijns inziens aan dit artikel een uitbreiding gegeven, die om verschillende redenen ongeoorloofd is. Het gevolg van deze engere interpretatie zouden dus zijn de gewone bezwaren verbonden aan de koppelarij-artikelen, die niet bestemd zijn voor de bestraffing der placeurs e. a., doch door wier toepassing men hen toch wil treffen. We moeten hen dan straffen alsBeihülfenvan hen, die strafbaar zijn wegens art. 180. We ondervinden de gewone moeilijkheden verbonden aan den accessoiren aard der medeplichtigheid, en we zullen gewaar worden, dat die gevaarlijke individuen door de mazen der strafwet heensluipen.

Ik kan mij dus zeer wel begrijpen eene interpretatie, waartegen de bewoordingen van art. 180 zich niet rechtstreeks verzetten, en welke aan de behoefte voldoet.

De meeste criminalisten interpreteeren het artikel dan ook aldus; von Liszt, Olshausen, Oppenhoff e. a.

Wanneer dan het begripkoppelarijin dien ruimen zin uitgelegd wordt, bestaat in art. 1811o.een geducht wapen tegen den binnenlandschen meisjeshandel.

Art. 181. Die Kuppelei ist, selbst wenn sie weder gewohnheitsmässig noch aus Eigennutz betrieben wird, mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren zu bestrafen, wenn:

1. Um der Unzucht Vorschub zu leisten, hinterlistige Kunstgriffe angewendet worden sind.

Dit artikel vordert 1. dat de ontucht bevorderd is; 2. dat dit geschied is door aanwending van “hinterlistige Kunstgriffe.”

De “hinterlistige Kunstgriffe” zijn het juist die bij den meisjeshandel zoo’n grooten rol spelen.

“Unter Kunstgriffen sind Handlungen ähnlicher Art zu verstehen, wie sie von Taschenkünstlern angewendet werden, d.h. geschickt angewendete auf Täuschung berechneteMassnahmen.”

“Hinterlist ist—nach Grimm’s Wörterbuch—Kunst hinter Jemandes Rücken zu dessen Schaden angewendet, verstäckte Arglist. Zu der Arglist tritt also noch das Moment hinzu, das die Thätigkeit eine versteckte ist, so dass der andere Theil die List womöglich erst dann erkennt, wenn ihr Zweck erreicht oder wenigstens gesichert ist.”

“Dass die hinterlistigen Kunstgriffen eine Täuschung hervorgebracht haben ist nicht erforderlich.”

Aldus Olshausen ad art. 1811º.

Oppenhoff ad art. 181 geeft de volgende verklaring vanhinterlistige Kunstgriffen:

“Unter “hinterlistigen Kunstgriffen” sind alle listigen Vorkehrungen zu verstehen, durch welcheJemandgeneigt gemacht wird an Orte zu kommen, wo Unzucht getrieben werden soll, oder sich Anderen zu Unzucht Preis zugeben, z.B. Verlockungen an einsame Orte, Vorspiegelung glänzender Zukunft, Missbrauch angesehener Namen, Beibringung aufregender Getränke etc.

(Dresden. 17 Sept. ’77.)

Von Liszt (Lehrbuch § 108 III 2) zegt: “also die Erregung oder Unterhaltung eines Irrtums durch Vorspiegelung falscher, Unterdrückung oder Entstellung wahrer Thatsachen, z.B. Versetzung in Trunkenheit, Verlockung unter den Vorwand, der Frauensperson eine Anstellung oder einen Dienstplatz zu verschaffen. Mit der Vorschubleistung (meist mit dem Kunstgriff) vollendet.”

Zeer helder stelt von Liszt ons deze feiten voor oogen. Ze vormen allen bestanddeelen van een daad van blanke slavinnenhandel.

Alle tusschenpersonen, die achtereenvolgens werkzaam zijn om het plan ten uitvoer te brengen, dat voltooid is door de overreiking van levende koopwaar door den laatste aan den bordeelhouder, zijn evenzeer strafbaar. Zoowel hij, die het meisje overhaalde door valsche voorspiegelingen en mooie woorden als degene, die haar van dezen overneemt en of aan een derde overlevert, die voor ’t verder vervoer zorgt, of aan den bordeelhoudenden kooper, al zegt hij geen woord, dat het meisje eenigszins op een dwaalspoor zou kunnen brengen of houden. Juist dit zwijgen, waar spreken plicht was, moet ook onder dehinterlistige Kunstgriffengerangschikt worden. Doch er moet dan bewezen zijn, dat de persoon in kwestie op de hoogte was van de omstandigheden, zoodat zijn opzet daaruit blijkt (ook doluseventualis). Dat kan b.v. geschieden als gebleken is, dat hij met zijn voorganger een afspraak had etc. etc. Er mag geen twijfel bestaan, dat hij te goeder trouw zou gemeend hebben, dat het meisje van alle omstandigheden op de hoogte was, waarmede hij zijn zwijgen zou kunnen rechtvaardigen.

De “hinterlistige Kunstgriffe” van art. 1811º.zijn voor het strafbaar feit strafbepalend; ze zijn ten opzichte van het strafbaar feit van art. 180 niet strafverzwarend. Hierop te wijzen is in zooverre ook van groot belang dat een bordeelhouder, die zijn eigen pensionnaires recruteert, niet zal vallen alleen onder het zwaarder gestraft wordend feit van art. 1801o., maar zal vervolgd worden èn wegens art. 180 èn wegens art. 1811o.:concursus realisheeft plaats.

Voorvoltooiingis het geen vereischte, dat er ontucht gepleegd zij; zooals von Liszt zegt: “Mit der Vorschubleistung, meist mit dem Kunstgriff vollendet.” Het misdrijf van den meisjeshandelaar bepaalt zich dan ook tot de aanwending der bedriegelijke middelen. Uit het opzet om door deze de ontucht te bevorderen blijkt voldoende het bijkomend oogmerk om de vrouw aan de prostitutie over te leveren; de verzwijging van dit oogmerk moet hier onder de “listige Kunstgriffen” begrepen worden. Art. 1811o.vordert deze beide vereischten niet uitdrukkelijk als bestanddeelen van het strafbaar feit.

Dit heeft ten gevolge, dat de “hinterlistige Kunstgriffe” ook in anderen zin aangewend kunnen zijn, zoodat het feit geheel valt buiten den kring van den eigenlijken blanke slavinnenhandel: b. v. misleidingten opzichte van het loon etc, waardoor eene prostituée zich laat overhalen pensionnaire van een bordeel te worden.

Het is duidelijk, dat ook de buitenlandsche handel, bestaande in den export van vrouwen door dit artikel getroffen wordt, in zooverre deze althans in het land zelf plaats grijpt. Buiten ’t bereik van art. 1801o.valt hij, die met de aanwending der bedriegelijke middelen pas aan de overzijde der grens begint.

Natuurlijk vordert de levering van het bewijsmateriaal groote moeielijkheden; nl. in hoeverre werkelijk die kunstgrepen gebezigd zijn om de ontucht te bevorderen; daar de rechter ten opzichte van het feit, dat in den vreemde werkelijk de vrouw aan een ontuchtig leven zou overgeleverd zijn, in de meeste gevallen een non liquet zal moeten uitspreken, zal de beklaagde in die gevallen vrijgesproken moeten worden.

Het Duitsche Strafwetboek bevat onder no. 6 van art. 361 de volgende bepaling:

Mit Haft wird gestraft:

6. eine Weibsperson, welche ohne solchen (i. e. polizeilichen) Aufsicht unterstellt zu sein, gewerbsmässig Unzucht treibt.

’t Is mogelijk, dat deze bepaling ten opzichte van de misleide meisjes beschermend zou kunnen werken, doch mijns inziens zal zij in de praktijk weinig uitrichten, daar zij wel met succes ontdoken zal worden in die gevallen, in welke misbruiken aan ’t licht zouden kunnen komen.

Nadat reeds meer dan eens in den Duitschen Rijksdagdoor afgevaardigden het bestaan van denmeisjeshandelwas ter sprake gebracht, (o. a. door den Heer A. Bebel naar aanleiding van de door Nederland met Oostenrijk-Hongarije en te voren met België uitgewisselde verklaringen) werd bij de 2delezing van het ontwerp-wet “Ueber das Auswanderungswesen” op voorstel van de afgevaardigden Graaf von Kanitz-Podangen en Aug. Bebel een artikel 48 in die wet gevoegd. (Zitting van 6 Mei 1897). Dit artikel met de eindredactie volgens amendement van de afgevaardigden Dr. Bachem en Dr. von Buchka bij de 3delezing werd den 8 Mei 1897 met groote meerderheid door den Rijksdag aangenomen. Het luidt als volgt.

Art. 48 van Das Reichsgesetz über das Auswanderungswesen vom 9 Juni 1807:

“Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke, sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen, mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet wird mit Zuchthaus bis zu fünf Jahren bestraft. Neben der Zuchthausstrafe ist der Verlust der bürgerlichen Ehrenrechte auszusprechen; auch kann zugleich auf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstauzend Mark sowie auf Zulässigkeit von Polizei-aufsicht erkannt werden.

“Dieselben Strafvorschriften finden auf Denjenigen Anwendung, welcher mit Kenntniss des vom Thäter in solcher Weise vervolgten Zweckes die Auswanderung der Frauensperson vorsätzlich befördert; sind mildernde Umstände vorhanden, so tritt Gefängnisstrafe nicht unter drei Monaten ein, neben welcherauf Geldstrafe von einhundertfünfzig bis zu sechstausend Mark erkannt werden kann.”

Eenige verbazing een dergelijk artikel in deze wet te vinden is voorzeker niet ongemotiveerd. Het is het laatste artikel van Hoofdstuk VIII, dat de “Strafbestimmungen” inhoudt ter sanctioneering en als waarborg voor de nakoming van de verplichtingen in deze wet opgelegd. ’t Zijn dus uitsluitend sancties van bepalingen van administratief-rechterlijk karakter en inzooverre gaat art. 48 de perken dezer wet te buiten; deze bepaling behoord onder de “eigenlijke strafwetten” gerangschikt te worden. Deze wet vordert een verlof voor de oprichting van emigratiekantoren en voor de medewerking als agent daaraan. Zij beoogt een waarborg, dat zij,dieemigreerenwillen, niet aan de genade worden overgeleverd der emigratiebureaux, b.v. door ’t voorschrift dat altijd een schriftelijk contract vereischt is.

Hiernaast mag genoemd worden art. 144 van het Strafwetboek, dat aldus luidt:

Art. 144. Wer es sich zum Geschäfte macht Deutsche unter Vorspiegelung falscher Thatsachen oder wissentlich mit unbegründeten Angaben oder durch andere aufTäuschungberechnete Mittel zur Auswanderung zu verleiten, wird mit Gefängniss von einem Monat bis zu zwei Jahren bestraft.”

Dit artikel kan, wanneer de omstandigheden van dien aard zijn, den internationale meisjeshandelaar treffen, doch niet voor een op zich zelf staande daad; de straf is onbeduidend vergeleken bij die van art. 48.

Een op deugdelijke grondslagen berustende wet op emigratiekantoren en emigratieagenten moet zonder twijfel bij uitstek gunstig werken en veel kwade praktijken en misbruiken tegenover de emigreerenden en in ’t algemeen tegenover de bevolking, die door hen tot emigreeren wordt overgehaald, tegengaan.

In ieder geval is een artikel als § 48 gerechtvaardigd; het combineert 2 vergrijpen: een tegen de zeden en een tegen de plichten van het emigratiebureau of van den agent. Daarom is de zwaardere strafbepaling ook volkomen gewettigd; zwaarder zoowel vergeleken bij de koppelarij-artikelen als vergeleken bij de artikelen die verwaarloozing der verplichtingen der emigratiekantoren e.a. moeten verhoeden.

Art. 48 eerste lid vordert:

1. De verleiding van een vrouw om naar den vreemde te gaan.

2. Een bijkomend oogmerk om haar aan een leven van prostitutie over te leveren.

3. Opzettelijke verzwijging (arglistige Verschweigung) van dit oogmerk.

’t Kan niet ontkend worden, dat de Duitsche wetgever bij uitstek geslaagd is in de opsomming van de elementen, die eigen zijn aan de handelingen der meisjeshandelaars. We telden dan ook reeds 1897 bij de totstandkoming van dit artikel; vele jaren lang waren Regeering en overheid reeds van particuliere zijde in kennis gesteld met den waren aard van deze wandaden en met de omstandigheden, waaronder ze gepleegd worden.

Onverschillig is het voor ditVerbrechenof de vrouwonschuldig, eerbaar was of niet. Zelfs de prostituée wordt in bescherming genomen; zonder twijfel zal in casu deze omstandigheid op de strafmate van invloed zijn.

De vrouw, onverschillig, van welken leeftijd zij moge zijn, moet—wil het delict voltooid zijn—verleid zijn naar den vreemde te gaan; door de handelingen van den dader moet zij het plan hebben opgevat het land uit te gaan. Dat dit in werkelijkheid geschied zij, wordt voor dit misdrijf niet vereischt. De dader kan op alle mogelijke wijzen haar tot dit plan brengen; de wet bindt niet door het vereischte van bepaalde middelen (c. f. art. 144 Duitsche Strafwetboek). Het zal evenwel steeds een middel moeten zijn dat er op berekend is de ware feiten te verbergen. Dit ligt in de woorden “arglistiger” en “verleiten”. Heeft de vrouw nog niet het plan opgevat het land te verlaten als gevolg van het streven van den dader, dan kan slechts sprake zijn van strafbare poging, mits de overige vereischten voor dezen deliktsvorm aanwezig zijn.

Bewezen moet worden het bijkomend oogmerk, dat het doel bestond de vrouw aan een leven van prostitutie over te leveren. Dit oogmerk is vereischt zoowel voor het voltooide delikt als voor de poging en het behoeft in geen van beide gevallen bereikt te wezen. Zeer terecht is het zoo algemeen mogelijk uitgedrukt: de overlevering aan de prostitutie en is ’t dus onverschillig of de ontucht in een bordeel of daarbuiten bedreven zou worden. Doch het blijft vereischte dat de ontucht “gewerbsmässig” bedreven zou zijn.

Ten slotte moet dit oogmerk arglistig verzwegen zijn.”Mittelst arglistiger Verschweigung dieses Zweckes”, zegt de tekst. Dus een zwijgen is voldoende, het moet opzettelijk geschieden om tot het doel nader te komen, zonder het zwijgen moet de vrouw er niet toe komen het voornemen op te vatten het land te verlaten. Positieve handelingen om het oogmerk te verbergen, alhoewel mogelijk, zijn onnoodig. Deze handelingen zulleneventueelmisleidende, bedriegende zijn.

Meende de dader,—hoewel ten onrechte—dat het de eigen wil der vrouw is zich in het buitenland aan de ontucht over te leveren, dan mist het delict een zijner elementen: er bestaat geen opzet,de “arglistige Verschweigung” ontbreekt.

Het 2delid van art. 48 bevat een begunstiging na het plegen van het delict. De hulpverleening vóor of bij het plegen van het strafbare feit wordt naar de gewone regelen berecht en gestraft.

Dit 2delid treft hem, die anders niet gestraft zou kunnen worden noch als dader noch als medeplichtige van het misdrijf van art. 48 eerste lid, omdat voor beide gevallen eenige delictsbestanddeelen gemist worden en voor het laatste de juridische vereischten ontbreken. Hij toch die de vrouw van den vader overneemt om haar verder naar de plaats van bestemming geheel of gedeeltelijk te brengen, kan niet gezegd worden dat hij haar “zur Auswanderung verleitet.”

Bestanddeelen van het delict van art. 48 2delid zijn:

1. Bekendheid met het door den dader beoogde doel, zooals dit arglistig verzwegen is.

2. Het opzettelijk bevorderen, dat de vrouw het land verlaat.

Het moet eene opzettelijke handeling zijn; dolus eventualis is voldoende.

Het delict heeft dus plaats, nadat “die Verleitung zur Auswanderung” reeds geschied is.

De afgevaardigde Bachem stelde in den Rijksdag als voorbeeld den emigratieagent, die om de provisie te verdienen, den meisjeshandelaar en het meisje de passagekaarten voor de boot verkoopt, terwijl hij bekend is met de bestaande verhoudingen.

Zoowel op het delikt van het eerste als op dat van het tweede lid staat als straf gesteld: tuchthuisstraf van hoogstens 5 jaren. Daarnevens kan facultatief uitgesproken worden verlies “der bürgerlichen Ehrenrechte”, geldboete van 150 tot 600 Mark en het stellen onder politietoezicht. Evenwel laat art. 48 2elid toe voor dat delikt uit te spreken gevangenisstraf van minstens drie maanden waarnevens facultatief geldboete van 150 tot 6000 mark, indien er verzachtende omstandigheden aanwezig zijn. Wat onder die verzachtende omstandigheden te verstaan is, zoo blijkt uit de beraadslagingen, dat men daaronder ook den dolus eventualis begreep. Voorzeker nog al vreemd.

Dienstig om in ’t algemeen den meisjeshandel te onderdrukken en om in bijzondere gevallen de justitie en politie op ’t spoor te doen komen van gevallen van dezen aard is § 70 no. 10 van het besluit van den Bondsraad, betreffende de uitrusting van vaartuigen, waarop zich vooral emigreerende personen bevinden.Het artikel schrijft den schipper voor om voor het geval zich aan boord vrouwen bevinden, die vermoed worden slachtoffers van een placeur te zijn, den Duitschen Consul van de plaats, waar zij debarqueeren, zoo spoedig mogelijk namen, nationaliteit en doel der reis van deze vrouwen en hare begeleiders mede te deelen.

Doch ook buitendien is den diplomatieke vertegenwoordigers van den consulaten strenge waakzaamheid opgedragen ten opzichte van den internationalen meisjeshandel.

Wij zien, dat Duitschland een open oog heeft voor die belangen, die in deze kwestie op het spel staan. Ook reeds vóór het tot stand komen van deze wet van ’97 heeft het getracht in den nood te voorzien. We maakten reeds kennis met de verklaring, die den 15 Nov. 1889 tusschen het Duitsche Rijk en Nederland is uitgewisseld (wet 15 April 1891 Stsbl. 85).

Een gelijksoortige verklaring wisselde Duitschland den 4 Sept. 1890 met België uit.“Déclaration conclue à Berlin entre la Belgique et l’Allemagne concernant le repatriement de certaines prostituées”. Approuvée par la loi du 27 Juillet 1891.—Echange ratifié, Berlin 25 Juillet 1891. Le procès-verbal de cet echange constate qu’il a été convenu alors de réserver à chacune des parties contractantes “la faculté de faire cesser, à l’expiration de six mois, après en avoir donné avis, les effets de la déclaration”. (Conférence internationale pour la prophylaxie de la syphilis et des maladies vénériennes, Bruxelles Septembre 1899. Notice de M. Emile Beco, Belgique.)

De 7 artikelen van deze verklaring luiden:

Art. 1. Les parties contractantes s’engagent à concourir dans les limites légales à ce que les femmes et les filles appartenant à l’un des deux pays, et qui se livrent dans l’autre à la prostitution, soient soumises à un interrogatoire, afin de constater d’où elles viennent et qui les a déterminés à quitter leur pays.

Le procès-verbaux dressés à ce sujet seront communiqués aux autorités du pays auquel les dites femmes et filles appartiennent.

Art. 2. Les parties contractantes s’engagent aussi à concourir autant que possible, dans les limites légales à ce que celles de ces femmes et filles, qui contre leur volonté seraient réduites à se livrer à la prostitution, soient sur leur demande ou sur la demande des personnes ayant autorité sur elles, renvoyées du pays où elles se trouvent et conduites à la frontière de leur pays natal.

Art. 3. Les parties contractantes s’engagenten outre, à prêter leur concours, autant que possible, dans les limites légales, pour que les filles, encore mineures selon les lois de leur pays, qui se livrent de leur progre gré à la prostitution dans l’autre pays, soient sur la demande de leurs parents ou tuteurs renvoyées dans leur pays d’origine.

Art. 4. Avant d’effectuer le renvoi d’une des personnes mentionnées dans les articles 2 et 3, l’administration qui en est chargée adressera, par l’intermédiaire des autorités du pays, auquel la personne en question appartient, un avis aux personnes, qui ont autorité sur celle-ci, indiquant la date, à laquelle le renvoi aura lieu et la localité à laquelle la femme ou fille sera dirigée.

Art. 5. La correspondance entre les autorités des deux pays relative à ce renvoi, se fera autant quepossiblepar voie directe.

Art. 6. Dans le cas, ou les frais occasionnés par l’entretien et le renvoi jusqu’à la frontière de ces femmes et filles ne pourront être remboursés par les femmes et filles elles-mêmes ou par leurs maris, parents ou tuteurs,ou ne devront pas l’êtrepar les ténanciers, ils restent à la charge de l’Etat, qui a effectué le renvoi.

Art. 7. La présente déclaration sera ratifiée et les ratifications en seront échangées à Berlin.

Deze verklaring met België uitgewisseld is geheel gelijkluidend met die, welke Duitschland kort te voren met Nederland uitwisselde. De op- of aanmerkingen, die ik mij dus bij de behandeling van deze laatste verklaring veroorloofde, zijn ook hier van kracht, voor zoover het verschil in wetgeving dit niet uitsluit. Er is slechts eene verandering te constateeren in art. 6 van de verklaring tusschen Duitschland en België. ’t Is de invoeging van de woorden “ou ne devront pas pas l’être par les ténanciers”, die in onze verklaring ontbreken. Ze stellen evenwel niets nieuws. ’t Is toch duidelijk, wanneer de bordeelhouders zich verplicht hadden de kosten der terugreis te restitueeren, (dit is mogelijk om het meisje of de vrouw eerder over te kunnen halen haar land te verlaten en haar meer vertrouwen in te boezemen, alhoewel de bordeelhouder in den aanvang natuurlijk toch voornemens was zichniet aan deze verplichting te houden) dat deze ook rechtens gevorderd kunnen worden. De Staat schiet de gelden voor. Wellicht stelt dit artikel een recht van den Staat daar om rechtstreeks den bordeelhouder voor de kosten der terugreis aan te spreken, die deze aan het misleide meisje schuldig was.

Bij ’t slot mijner beschouwingen van het Duitsche recht in verband met den blanke slavinnenhandel worde nog gememoreerd, dat voor de uitleveringstractaten het bestaan van strafbepalingen tegen den meisjeshandel van zeer gering belang is, daar in dergelijke tractaten steeds een principe van reciprociteit op den voorgrond staat, en de meeste strafwetgevingen in de behoefte aan dusdanige bepalingen nog niet hebben voorzien.

Zoo spreekt het uitleveringstractaat tusschen Duitschland en Nederland van 2 Nov. 1897, Staatsblad 211 onder no. 8 van art. 1 wel zeer algemeen van “koppelarij” doch in alinea 1 van het artikel wordt bepaald dat slechts dan uitlevering voor de na te melden strafbare feiten plaats heeft, indien het gepleegde feit ook strafbaar is in het land, van hetwelk de uitlevering gevraagd wordt.


Back to IndexNext