Hoofdstuk VIII.

Hoofdstuk VIII.Conclusie.Lombroso in “Das Weib” (pag. 587) de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel onder de rubriek der gelegenheidsprostituées stellende en de wijze aanstippende, waarop de placeur haar in zijn netten vangt, laat zich over deze feiten in dezen zin uit: “Unser invalides Strafrecht weiss diese Scheusslichkeiten nicht zu verhindern.” In de vorige pagina’s toonde ik, dat deze uitspraak in hoofdzaak waarheid bevat. Verschillende pogingen zijn evenwel aangewend om de wetgevende machten aan te sporen in dit gemis te voorzien. Het geschiedde op verschillende congressen, die deels dit onderwerp in een der behandelde vraagpunten mede aanroerden, deels uitsluitend met ’t oog op den handel in blanke slavinnen bijeengeroepen werden. Ik wil vermelden:1º. het 5deinternationale congres van deFéderation Britannique, continentale et généraleden 10–13 Sept. 1890 te Genève gehouden. De H.H. van Swinderen, van Schermbeek en Bunting waren de rapporteursover “l’importante question de la traite des blanches” zooals de voorzitter het noemde.2º. het 5deinternationale pénitentiaire congres in 1895 te Parijs gehouden. De meisjeshandel werd behandeld door de 1stesectie in het 7devraagpunt, dat luidde: “Quels seraient les moyens repressifs à adopter contre ceux, qui à l’aide de manoeuvres fallacieuses, déterminent des jeunes filles à s’expatrier dans le but de les livrer à la prostitution?”Afgevaardigden van Engeland, Frankrijk, Rusland en Zwitserland brachten hier rapporten uit.3º. het internationale congres voor den blanke slavinnenhandel op initiatief van deNational Vigilance Associationden 21–23 Juni 1899 te Londen gehouden. Hier waren vertegenwoordigd Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Holland, Noorwegen, Rusland, Zweden, Zwitserland, Engeland en de Vereenigde Staten.4º. het Congres van deUnion Internationale de Droit Pénalin Sept. 1899 te Budapest vergaderd. Rapporteurs in zake de internationale bestrijding van den meisjeshandel (4devraagpunt) waren de H.H. Ludwig Gruber en Ferdinand Dreyfus.Het onder I genoemde congres te Genève heeft bij de behandeling van het onderwerp de materie van den meisjeshandel mijns inziens niet voldoende afgebakend: het ruime veld der prostitutie wordt herhaaldelijk betreden. In de resoluties komt dit ook uit. Het congres uitte den wensch:1º. Que dans toutes les législations des dispositions pénales soient prises pour réprimer le fait de tirer un profit direct de la prostitution d’autrui.2º. Que des traités internationaux interviennent entre les divers pays pour lerepatriementdes filles mineures se livrant habituellement à la débauche.3º. Que des traités internationaux soient passés dans le but de supprimer la traite des blanches, sans égard aux pays dans lesquels le crime a été commis ou à la nationalité du criminel.Ten slotte worden nog eenige wenschen geuit aan ’t adres van het comité intercantonal des dames suisses de la Féderation.Slechts het onder 3º gestelde votum, dat tijdens de debatten voorgesteld werd, raakt het onderwerp direct. Doch het hierin neergelegde verlangen is zoo vaag en onzeker gesteld, dat ik met den besten wil niet zou kunnen verklaren, wat er precies mede bedoeld wordt. Juridisch mist dit votum alle nauwkeurigheid. Hetgeen hier later volgt zal dit aanwijzen. De wenschen onder 1º en 2º raken natuurlijk het onderwerp ook, doch die onder 1º is veel te ruim gesteld en verraadt haren oorsprong op een congres van eene vereeniging, die zich tot haar arbeidsveld de bestrijding der prostitutie in ’t algemeen gekozen heeft. Die onder 2º is te beperkt door de invoeging van het woord “mineures”, dat in het oorspronkelijke voorstel niet voorkwam; te ruim doordat iedere minderjarige prostituée in aanmerking komt om gerepatriëerd te worden.Het onder II bedoeldePénitentiaireCongres te Parijs vereenigde zijne conclusies op vraagpunt 7 van de 1stesectie met die op vraagpunt 8 van de 4desectie, handelende over de bestrijding van de prostitutie vanminderjarigen en van die meisjes, die door misleiding buitenslands aan de ontucht overgeleverd worden. Vraag 7 van de 1stesectie, die ik supra citeerde, betreft den buitenlandschen handel.De conclusies van ’t congres waren als volgt:1º. L’embauchage par réclame ou par fraude pour la prostitution, l’emploi des mêmes moyens pour contraindre toute personne même majeure à se livrer, à la prostitution, doivent être sévèrement réprimés, avec aggravation de la peine en cas de récidive.2º. Il y a lieu de provoquer une conférence des délégués des gouvernements pour prendre des mesures internationales contre la traite des blanches.De eisch onder 1º gesteld wil den meisjeshandel treffen en wel eerst de enkelvoudige daad. Doch de wensch is niet scherp weergegeven, want gevallen, waarin de vrouw ook op de hoogte is van het leven, dat zij gaat leiden, vallen er ook onder. Het bedrog moet juist gericht zijn, b. v. op den aard dereventueelaangeboden dienstbetrekking; de vrouw weet dan niet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven. Deze eisch is ongeveer geredigeerd als het Fransche ontwerp-Bérenger, dat ik te rechter plaatse behandelde. Verder nog éen opmerking. De enkelvoudige daad wil men treffen, doch den handel zwaarder. ’t Komt mij voor dat men hier wil identificeeren den handel met de recidive van de enkelvoudige daad. Niets is onjuister. Qua meisjeshandelaarkan men zwaarder gestraft worden dan de gelegenheidspleger van dit strafbaar feit, ook reeds bij de eerste handeling mits alles wijstop het uitoefenen van een beroep. Niets verhindert evenwel, dat de gelegenheidspleger aan de gewone recidivebepalingen onderworpen wordt, doch hij die handelt in de uitoefening van een beroep moet zwaarder gestraft worden als de recidivist van de enkelvoudige daad.De eisch onder 2º is een zeer gerechtvaardigde wensch en juist gesteld zonder nadere bijzonderheden aan te duiden.Zeer belangrijk is ’t congres (III) dat in Juni 1899 te Londen bijeenkwam. Het had uitsluitend ten doel de bespreking van de bestrijding van den blanke slavinnenhandel. Dit geschiedde op tweeërlei wijze. Het eerste gedeelte van het congres was gewijd aan de aanwijzing van bestaande en te nemen maatregelen van juridische zijde beschouwd, het andere deel aan de aanduiding van die maatregel van philanthropische zijde.Het Criminalistische Congres (IV), dat in Sept. 1899 te Budapest vergaderde, vereenigde zich met de resoluties genomen op het voornoemde Londensche Congres.Zij luiden als volgt: (wat het juridisch deel aangaat.)The Congress expresses the desire:A. That an Agreement should be come to among the Governments—1. To punish, and as far as possible by penalties of equal degree, the procuring of women and girls by violence, fraud, abuse of authority, or any other method of constraint, to give themselves to debauchery, or to continue in it; and in cases, where persons are accused of this crime:2. To undertake simultaneous investigations intothe crime, when the facts, which constitute it occur in different countries.3. To prevent any conflict of jurisdiction by determining theproperplace of trial.4. To provide by International Treaties for the extradition of the accused.Ik zou mijn betoog vooruitloopen, indien ik reeds naast deze resoluties mijne kantteekeningen plaatste. Slechts enkele opmerkingen wil ik mij veroorloven. Vooreerst de zoo vaak elders gemaakte, dat ook hier niet het ware karakter van den meisjeshandel voldoende in ’t oog is gehouden. Men heeft zich verder weer laten verleiden—en hoe gemakkelijk geschiedt dat hier niet—de grenzen van deze materie te overschrijden. De vermelding van “abuse of authority” doet niets ter zake, daar de gevallen, waarin b.v. ouders misbruik maken van hun gezag, buiten den eigenlijken meisjeshandel staan.1Zeer terecht wordt op strafrechtelijke repressie aangedrongen. De gewraakte feiten brengen een rechtsbelang van groote waarde in gevaar, en wel gevaar voor algeheele vernietiging. De ervaring toont aan, dat de omvang van het kwaad van dien aard is, dat repressie volkomen gewettigd is.In ons land vallen verschillende nationale pogingen te vermelden om het euvel op die wijze te keeren, zoowel in den boezem der wetgevende macht zelve als daarbuiten. Van de laatste vermeld ik de reuzenpetitie kort na de onthullingen van de Pall Mall Gazette in 1885 aan de 2deKamer der Staten-Generaal gericht met ’t doel internationale maatregelen te verkrijgen tegen den “uitgebreiden handel in vrouwen, die zich over een groot gedeelte van Europa en zelfs over andere werelddeelen uitstrekt.” Er wordt gewezen op de aanwezigheid van “Nederlandsche vrouwen in publieke huizen in het buitenland, tot in Marseille toe.” Het adres was onderteekend door een 15000 tal vrouwen van Nederland, daartoe uitgenoodigd door den Nederlandschen Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn.In den boezem der wetgevende macht zelve is voldoende gelegenheid geweest om op krachtige maatregelen aan te dringen ter gelegenheid van de bespreking van de door Nederland met andere mogendheden uitgewisselde verklaringen, die ik reeds vroeger besprak. Laatstelijk is het nog geschiedt bij de behandeling van de staatsbegrooting voor 1900. In ’t voorloopig verslag lezen we: “Opnieuwmaakte de handel in vrouwen en meisjes, die over de geheele wereld bestaat en door elke verbetering der verkeersmiddelen wordt in de hand gewerkt, in eene afdeeling een punt van bespreking uit.” Aangedrongen werd op medewerking van onzen Staat om vooral eenige internationale regelen, zooals het congres te Londen ze wenschte, tot standte brengen. Bij de openbare beraadslaging in de 2deKamer geschiedde het o.m. ook nog met aandrang door den afgevaardigde Graaf van Bylandt. Bij beide gelegenheden was het antwoord van den Minister in dien zin, dat ik er uit moet begrijpen, dat van onze Regeering het initiatief tot regeling dezer materie niet behoeft verwacht te worden. Een voorstel van een buitenlandsche regeering tot het treffen eener regeling in den geest van de wenschen door de “National Vigilance Association” te Londen in Juni l.l. uitgesproken, zou zeker in ernstige overweging worden genomen.Opmerking verdient het feit, dat slechts de aandacht gevestigd wordt op den buitenlandschen handel; slechts op internationale maatregelen wordt aangedrongen. Al moge het waar zijn, dat de nationale handel niet in dezelfde mate op den voorgrond treedt en zoodoende in mindere mate het rechtsbewustzijn schokt, als gevolg waarvan krachtige aandrang geboren wordt om doeltreffende maatregelen in ’t leven te roepen, toch kan de wenschelijkheid niet verheeld worden, dat de opname van een strafbepaling in ons strafwetboek om de bedoelde handelingen te keeren niet lang meer op zich moge laten wachten. Is dit geschied, zoo wordt het individu, dat zich met den buitenlandschen handel occupeert, ook in de meeste gevallen vervolgbaar. Het voorloopige gemis van internationale overeenstemming wordt daardoor wel niet volkomen gedekt, doch op enkele resultaten valt dan toch reeds te wijzen. De vraag blijft nu op welke wijzen moet eene dergelijke strafbepaling geredigeerd worden? Dat deze vraag niet van moeielijkheid ontblootis, blijkt uit menige poging elders reeds gedaan om den meisjeshandel als delict in een artikel te belichamen, en dat zoowel doorofficieelestrafrechtelijke commissies als door vergaderingen en congressen. Doch meestal zonder gunstige resultaten. Ik wees hierboven passim meer dan eens daarop. Men begrijpe mij niet verkeerd. Zeer zeker wordt de placeur door de meeste dier bepalingen getroffen; in zoover is ’t doel bereikt. Doch beoogd was eene strafbepaling uitsluitend tegen placeurs. Door onnauwkeurige ontleding hunner handelingen ontstaat een veel te ruim gestelde bepaling. In zooverre wraak ik de resultaten der bovenvermelde pogingen, dat daardoor ook achterhaald worden feiten, die men zich niet ten doel gesteld had te achterhalen.Om een goede bepaling te verkrijgen is het noodig de handelingen der placeurs te ontleden, ontdaan van alle bijomstandigheden, die niet tot ’t wezen der zaak behooren. We krijgen dan successievelijk de feitelijke bestanddeelen van het delikt voor oogen.Doch vooreerst nog enkele andere opmerkingen. Ik sprak van het delikt. Zou het niet de voorkeur verdienen door verruiming der grenzen van het huidige artikel 2502ºSw. zoodanig, dat de meisjesverkooper ook vervolgd kan worden, een nieuw zelfstandig delikt overbodig te maken? Hierop het volgende ten antwoord.Dat aan art. 2502ºSw. gebreken kleven, hebben reeds velen betoogd. De vereischten der minderjarigheid en der gewoonte maken het onvoldoende. Doch het blijft een open vraag of ook bij weglating vandeze vereischten het artikel den meisjeshandel wel in zich sluit, of dat althans de placeur als medeplichtige kan getroffen worden. Is dit laatste mogelijk, dan rijzen de gewone bezwaren, dat de handelingen van den placeur eerst strafbaar zijn, wanneer de bevordering van ontucht voltooid of, binnen de grenzen der wet, gepoogd is. Bij geval men echter de interpretatie van genoemd artikel zoover mocht drijven dat men daden van meisjeshandel als indirectebevordering van ontuchtdaaronder zou willen brengen—wat m. i. niet kan, daar ook bij weglating van de twee genoemde feitelijke deliktsbestanddeelen toch niets veranderd wordt aan het historisch begrip lenocinium, dat ook art. 2502ºbedoelt te treffen en dat dusdanige indirecte bemiddeling uitsluit—dan staan wij voor de vraag, of de wetgever zoo doende zijn goedbedoelde bescherming niet te ver zou uitstrekken, door meerderjarigen in alle gevallen en onafhankelijk van omstandigheden als die welke den meisjeshandel karakteriseeren, onder de hoede van de strafwet te stellen. Mijn bezwaar is dus, dat art. 2502º.niet dusdanig kan veranderd worden, dat een daad van meisjeshandel daardoor alleen er bij zou kunnen gestraft worden. En de beoordeeling of het wenschelijk is, dat ook andere feiten nog strafbaar gesteld zouden moeten worden, ligt buiten mijn bestek. Ook vordert het behandelen van deze kwestie bij de wetgevende macht te veel tijd, dan dat een strafbaarstelling van den handel in vrouwen en meisjes daarop zoude kunnen wachten. Het strafwetboek is nog niet lang genoeg in werking om met vrucht deze oudezaken weer te berde te brengen, die bij de behandeling van het wetboek dezelfde stof tot gedachtenwisseling aanboden als nu. Daarom wensch ik afzonderlijke strafbaarstelling van daden van meisjeshandel.Ter wille der duidelijkheid resumeer ik de feitelijke bestanddeelen van een daad van meisjeshandel aldus: Iemand wil een vrouw aan de prostitutie overleveren. Bij volkomen bewustheid van wat men met haar voor heeft, is zij niet over te halen. List, misleiding is noodig, het oogmerk moet dus verzwegen worden. Hoe de misleiding plaats heeft is onverschillig, meestal door ’t aanbod van een gefingeerde dienstbetrekking. Dit is de quintessens.In verband hiermede zou ik dan willen aanbevelen het volgende artikel, dat ik als artikel 250bisin het strafwetboek zou willen vragen:Art. 250bis. Als schuldig aan eene daad van handel in blanke slavinnen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren1º. hij die opzettelijk wederrechtelijk eene vrouw, met ’t oogmerk haar aan de prostitutie over te leveren en dit oogmerk verzwijgende, voor de prostitutie aanwerft;2º. hijdie opzettelijk, wetende welk oogmerk de dader heeft en voor de vrouw wederrechtelijk verzwijgt, dit oogmerk in de hand werkt.Daarna volge een art. 250ter, dat ik infra zal behandelen en een art. 250quatervan dezen inhoud:250quater. Als schuldig aan handel in blanke slavinnen kunnen de in de artikelen 250bisen 250terbepaaldestraffen worden verdubbeld, voor hem die van het plegen der daar omschreven misdrijven een beroep maakt.Art. 251 zou ik wenschen in dezen geest te wijzigen en aan te vullen:Art. 251. “Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en 241–250quateromschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1–5 vermelde rechten worden uitgesproken.“Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 249–250quateromschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.“Bij veroordeeling wegens een der misdrijven in artikel 250quaterbedoeld, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.“Indien tijdens het plegen van een der misdrijven in de artikelen 250bis-250quateromschreven nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der misdrijven in de voornoemde artikelen bedoeld onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.Toelichting. Het eerste lid van artikel 250bisomschrijft een daad van meisjeshandel duidelijk; het omvat alle feitelijke bestanddeelen. Het oogmerk bestaat om de vrouw aan een leven van ontucht over te leveren terwijl haar dit oogmerk verzwegen wordt. Deze verzwijging kan niet geschieden, terwijl er geen intentie bestaat om daardoor het bewuste oogmerk te bevorderen.Het verzwijgen heeft plaats met dit vooropgestelde doelen kan niet onwillekeurig geschieden, b.v. omdat de dader in de meening verkeerde, dat de vrouw van de feitelijke omstandigheden op de hoogte is, en hij dus de vermelding van de feiten zooals zij zijn, onnoodig achtte. Het vereischte dat de aanwerving geschiede zonder dat de vrouw zelve met bewustheid daartoe medewerkt, wordt uitgedrukt door het woord “wederrechtelijk”, dat den eigen, vrijen wil van de vrouw ten eenenmale uitsluit, terwijl bij minderjarigen het gebrek aan medeweten en toestemming van ouders en voogden, daarin mede begrepen wordt. De plaatsing van het woord opzet zorgt er voor, dat de dader niet, te goeder trouw in de meening verkeerende, dat de vrouw werkelijk weet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven (b.v. bij overplaatsing van een prostituée uit ’t eene bordeel naar het andere), veroordeeld kunne worden. Het opzet beheerscht door de plaatsing al hetgeen volgt. Door ruime erkenning van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn worde bewerkt, dat de dader zich niet met een Franschen slag over zijn twijfel heenzet, of de vrouw al dan niet weet, dat zij een leven van ontucht gaat leiden. Zoo het blijkt, dat hij geen positieve gronden had om dat aan te nemen of b.v. aan te nemen, dat zij reeds prostituée was, moet, indien overigens de vereischten daarvoor aanwezig zijn, veroordeeling volgen. De ondubbelzinnige erkenning en toepassing van deze schakeering van het opzet maakt het bestaan van een culpoos delikt naast dit doleuze overbodig en is hier ook onnoodig.Het delikt is voltooid, zoodra de aanwerving heeftplaats gehad; het bijkomende oogmerk behoeft niet bereikt te zijn. Dus zoodra er een bepaalde afspraak, verbintenis bestaat tusschen de vrouw en den placeur, dan hebben we hetdelictum consummatumvan art. 250biseerste lid.We nemen hier het verschijnsel waar, dat de dader bijna altijd voor het voltooide delikt zal terechtstaan; de gevallen van strafbare poging zullen zich betrekkelijk in gering aantal kunnen voordoen, want dikwijls zal als onbewezen moeten aangenomen worden het vereischte, dat uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van den wil des daders onafhankelijk niet is voltooid.De medeplichtige is strafbaar volgens de gewone regelen b.v. de houder van een dienstkantoor, die de vrouw willens en wetens in relatie brengt met een hem bekend placeur, met wien hij volgens afspraak meer verbintenissen van dezen aard sluit.Doch er bestaan nog een reeks van helpers, die, omdat zij hun hulp verleenen na de voltooiing van het delikt, eene gerechte straf zouden ontloopen. Het zijn degenen, die na de aanwerving, na het sluiten van de verbintenis tusschen de vrouw en den placeur om b.v. de gefingeerde dienst aan te nemen, de noodzakelijke keten vormen om het bijkomende, hun welbekende oogmerk van den dader te doen bereiken. Het zijn de begunstigers van het delikt, die ik in navolging van art. 48 tweede lid van de Duitsche wet op hetAuswanderungswesendoor art. 250bis2delid heb willen treffen. O. a. alle personen, die, onder devereischten in dit lid gesteld, successievelijk behulpzaam zijn de vrouw in dien toestand te brengen, dat zij zich aan de prostitutie overgeeft door haar b.v. in het bordeel te brengen. In de meeste gevallen zal het bewijs gemakkelijk te leveren zijn of het vereischte opzet, opzet bij mogelijkheidsbewustzijn inbegrepen, aanwezig is.Art. 250quateromschrijft het misdrijf “handel in blanke slavinnen”. Art. 250bistreft de enkelvoudige daad van aanwerven. “Handel in blanke slavinnen” veronderstelt echter ’t verrichten als beroep. Daarvoor is niet noodig dat er reeds meer daden verricht zijn,ook een enkele kan een beroepsdaad wezen, mits aanwezig en bewezen zij de wil om dergelijke daden te herhalen. Dit is het karakter van een zgn. “beroeps-delikt” in tegenstelling van een “gewoonte-delikt”. De straf wordt hier verdubbeld, omdat hier een anti-sociale wil voor den dag treedt, die juist wegens zijn permanentie op zijn krachtigst moet onderdrukt worden.De invoeging dezer nieuwe artikelen maakt eene aanvulling noodzakelijk in beide leden van art. 251. Vooral het 2delid is dan van belang om b.v. aan dienst- en huurkantoren een verder bestaan te ontzeggen. Deze juist stichten veel kwaad.Tevens wensch ik aan art. 250 de boven aangegeven 3een 4ealinea toe te voegen.De openbaarmaking der uitspraak is gewenscht in tweeërlei opzicht. Vooreerst om in ’t algemeen het publiek op het speciëele geval opmerkzaam te maken zoodat het zich weer helder voor oogen kan stellen aan hoeveel gevaren de jonge vrouwen blootgesteldzijn; ten tweede om wantrouwen op te wekken tegen de praktijken van den dader en zijneeventueelehelpers, zoodat ’t hun na ’t ondergaan van hun straftijd moeilijker zal vallen vrouwen en meisjes te misleiden.Art. 251 vierde lid bepaalt een zwaardere straf bij recidive van de voorgaande misdrijven. Indentiteit is niet vereischt, analogie voldoende. De recidive verjaart in 5 jaar.Op deze wijze wordt naar mijne meening op de beste wijze een repressie voor de bedoelde daden geschapen. Mijns inziens vormt, en vooral voor onze strafwetgeving, het bovenstaande een deugdelijke basis om op te bouwen een stelsel van repressie van den buitenlandschen meisjeshandel.Voor ik verder ga, moet ik blijven stilstaan juist om eenige algemeene beschouwingen te geven ten opzichte van de bestrijding van deze internationale wandaden. “Aux maux internationaux ilfautdes remèdes internationaux” zegt Bluntschli. Het is juist de vraag: “wat hebben wij hier te verstaan ondermaux internationaux, wat onderremèdes internationaux?” De beantwoording van deze vragen moet eenigszins in elkaar vloeien. Met deremèdeshebben we hier te verstaan strafrechtelijke bepalingen. Met bepalingen van internationaal strafrecht kan men drieërlei bedoelen.I. De rechtsregelen, die den omvang van de werking van het inlandsche strafrecht afbakenen ten aanzien van feiten buiten het territoir begaan.II. De rechtsregelen, die de internationale rechtshulp op strafrechtelijk gebied vaststellen.III. De door internationale overeenstemming vastgestelde rechtsregelen, die ten doel hebben de bescherming van internationale rechtsbelangen.Strafrecht heeft ten doel bescherming van rechtsbelangen. Internationaal strafrecht, zooals dat onder III aangegeven wordt, bescherming van internationale rechtsbelangen. Hebben wij hier te doen met een internationaal rechtsbelang? Wanneer wij ons een internationaal rechtsbelang voorstellen als een, waarvan een geheel van staten als de dragers van dat rechtsbelang zich de bescherming moet aantrekken, dan moet een beslist ontkennend antwoord volgen. Met een voorbeeld wordt dit duidelijker. Het geven van regelen met betrekking tot de bescherming van de onderzeesche telegraafkabels, van de internationale waterwegen zooals dat nu reeds geschied is, ten opzichte van de bestrijding van het anarchisme, waartoe Spanje2het initiatief heeft genomen, doch dat het heden nog niet geschied is, is op een deugdelijken rechtsgrond gebaseerd; we hebben hier te doen met waarachtig internationale rechtsbelangen. Doch bij den blanke slavinnenhandel hebben wij te doen met zuiver nationale rechtsbelangen, die evenwel in ruimeren zin door de omstandigheden internationaal kunnen heeten. Von Liszt druktdit aldus uit: “Durch internationale Angriffe kann eine internationale Solidarität der nationalen Interessen entstehen, und durch diese das an sich nationale Rechtsgut zu einem internationalen werden.”Doch nog om eene andere reden zou ik niet wenschen op deze wijze internationale strafrechtelijke bepalingen in het leven te roepen. Ons internationale publiekrecht heeft nog niet die vlucht bereikt, waarop het internationale privaatrecht kan bogen. Doch beiden moeten zich steeds met een palliatief behelpen, waar het geldt het in leven roepen van internationale bepalingen. Dit palliatief bestaat daarin, dat eene conferentie van gedelegeerden uit verschillende landen de grondslagen vaststelt, volgens welke de Regeeringen beloven aan de wetgevende macht hunner landen voorstellen voor eene wettelijke regeling in te dienen of er worden resoluties genomen in den vorm van wettelijke bepalingen, die de bedoelde Regeeringen aannemen door de respectieve wetgevers tot wet te doen verheffen. Er is geen ander middel mogelijk. De zuiverste wijze van handelen zou zijn, dat een centraal gezag of centrale wetgever over die landen bevoegd is de wettelijke bepalingen uit te vaardigen, die in het internationaal belang noodig blijken te zijn. Doch tot zulk een hoogte is het internationaal recht nog niet gevorderd, een dergelijk centraal gezag ontbreekt vooralsnog. Daarom ben ik eenigszins afkeerig van het gebruik van een dergelijk palliatief (tot welke punten van verschil dit aanleiding geeft heeft nog onlangs het internationale tractaat van 1897 voor de regeling van eenige bepalingenvan formeel privaatrecht aangetoond) en zou ik mij wenschen te houden aan andere onder I en II aangegeven beginselen, die den grondslag vormen voor een deugdelijke regeling.De omvang van de werking van ons strafrecht is nauwkeurig aangegeven in de artt. 2–7 Wetboek van Strafrecht en wel voornamelijk volgens het territorialiteitsbeginsel. Iedereen is strafbaar voor feiten op ons territoir gepleegd. Verder onder bepaalde voorwaarden en beperkingen ieder Nederlander voor in het buitenland gepleegde misdrijven. Ten slotte ook de vreemdeling, die bepaald aangegeven misdrijven in het buitenland pleegt. Deze beginselen heerschen in zekere mate meer of minder verschillend in de meeste strafwetten. In ieder geval ware ’t anders wenschelijk, dat zij op gelijke wijze in alle landen bestonden. Dit zou een gezonde grondslag vormen om de criminaliteit tegen te gaan, waarnaast tevens een ruime erkenning van het onder II aangegevene, met name van het instituut der uitlevering, moest bestaan.Eene dergelijke uniforme regeling en vaststelling van uitleveringstractaten voor zoover zij nog niet bestaat, zou ik in alle moderne strafwetboeken ingevoerd wenschen te zien. Dit is van belang voor de bestrijding van de internationale criminaliteit in het algemeen, van den internationalen meisjeshandel in het bijzonder.Doch hiermede hebben wij ons doel nog niet bereikt. Waar het territorialiteitsprincipe overheerschende is, is het van het grootste gewicht aan te geven waar het gepleegde feit berecht moet worden, m. a. w. er maggeen twijfel bestaan aangaande den locus delicti commissi. Daarom moet zoowel om ’t feit, dat ik, zooals blijken zal, de mogelijkheid van meerdere loci delicti commissi aanneem, als ten gevolge van de omstandigheid dat in bijna iedere strafwet naast het territorialiteitsbeginsel nog andere principes gehuldigd worden, in acht genomen worden, dat er geen botsingen ontstaan tusschen de strafvorderingder verschillende staten. Hiertegen zouden bij eene internationale conferentie maatregelen te nemen zijn. Van den buitenlandschen handel wensch ik niet te maken een delictum sui generis. M. i. voldoet art. 250bisvoldoende aan de behoefte, indien wij het oogmerk om de vrouw of het meisje in ontucht buiten het rijk te doen leven als verzwarende omstandigheid aannemen. Te meer, daar de punten van internationaal strafrecht, die ik hierboven aanstipte, in onze wet reeds grootendeels gevonden worden.Ik zou deze gequalificeerde daad van meisjeshandel dan willen neerleggen in art. 250ter, dat dan aldus zou luiden:Art. 250ter“De schuldige aan een der in het vorige artikel omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het oogmerk van den dader daarop gericht was de vrouw in het buitenland aan de prostitutie over te leveren.” De hierop volgende artikelen zijn ook op dit artikel van toepassing, zooals reeds gebleken is.Ook hier is voor het voltooide delikt natuurlijk hetzelfde van toepassing, wat ik supra over art. 250biszeide. M. i. is de strafbaarstelling van den buitenlandschenhandel op deze wijze correcter dan ze in art. 48 van het DuitscheAuswanderungsgesetzvan 9 Juni 1897 plaats heeft. Daar heet het toch: “Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen mittelst arglistiger Verschweiging dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet,” u. s. w. Wat is toch de kwestie? DeVerleitung zur Auswanderungkan plaats gehad hebben om de reis korter te maken b. v. van Maastricht over Hasselt naar Amsterdam, verder om niettegenstaande het bedoelde oogmerk als einddoel de vrouw of het meisje in het buitenland eerst in een overgangsstadium te doen verkeeren. M. a. w. er is hier niet aangegeven, dat de“gewerbsmässige Unzucht” in het buitenland moet plaats hebben.Inzooverre acht ik mijn artikel beter.De schuldige van art. 250bistweede lid moet weten, dat de dader dit oogmerk koestert.Het strafbare feit isgepleegd. Waar moet het berechting vinden m. a. w. welke strafwet moet worden toegepast? Wanneer het strafbare feit gepleegd, voltooid is, gaf ik reeds aan.Onder A 3 van de resoluties van het Congres te Londen werd besloten: “To prevent any conflict of jurisdiction by determining theproperplace of trial.” Welke redenen aanleiding kunnen geven tot eenig conflict gaf ik reeds hierboven aan.Neem aan dat de meisjeshandel zoowel in Nederland als Duitschland op denzelfden grondslag strafbaar gesteld is; in beide landen heerschen dezelfde bepalingen ten opzichte van den omvang van de werking der strafwet.De verleiding van een Hollandsch meisje om in een Duitsch bordeel te gaan is in Nederland voltooid. Zonder twijfel moet dan de berechting in ons land plaats hebben. Heeft evenwel het misdrijf van art. 250bisjo250ter1º deels in Nederland, deels in Duitschland plaats gehad, dan zou ik van het volgende beginsel wenschen uit te gaan. Waar een misdrijf deels in het eene land, deels in het andere land is gepleegd, mag de rechtsorde in beide landen zoodanig daarbij betrokken geacht worden, dat berechting in beide landen gerechtvaardigd is. Zoolang dus slechts een deliktsbestanddeel in het eene land gepleegd is, is ook de rechter van dat land bevoegd in te grijpen. Heeft b. v. het misdrijf plaats van 250 bis 2elid: de begunstiger neemt in Keulen het meisje van den placeur of het plaatsbureau onder zijn hoede en reist met haar naar Amsterdam, waar zij in een bordeel geplaatst wordt. Zoowel de Duitsche als de Nederlandsche rechter zijn dan bevoegd. Aan welken moet dan evenwel de berechting overgelaten worden? Dit geschilpunt zou ik wenschen, dat ook op een internationale conferentie uitgemaakt werd. Bij slot van rekening zal, dunkt mij, de processueele opportuniteitsvraag den doorslag moeten geven. Welke rechter zal het dan wel moeten zijn? Zeer moeilijk is het in weinige woorden de wenschelijkheid van ’t een of andere beginsel te bepleiten. Is de rechter bevoegd der lex originis van den dader of van de vrouw? Soms de rechter van ’t land, waar de vrouw zich aan de ontucht overgeeft? Of wellicht van het forum deprehensionis? Deed ieder geval zichzeer eenvoudig voor, dan zou ik het laatste beginsel verkiezen, om mij aan ’t bovengenoemde voorbeeld te houden: de dader wordt te Amsterdam gevat. Om processueele redenen zou ik n. l. in dit geval aan het forum deprehensionis den voorkeur geven. Doch dit beginsel is ook niet vol te houden, daar juist wegens het ambulante van de bezigheid van den dader deze wellicht na 1 of 2 dagen in België, Frankrijk, Oostenrijk of Engeland verblijft en daar gevat wordt. Dan moet er uitlevering plaats hebben, doch aan wien?Aan Nederland of aan Duitschland? Na nauwgezette overweging komt ’t mij voor, dat bij internationaal tractaat de rechter van dat land tot de berechting bevoegd is, waar de vrouw thuis behoort; ik bedoel hier niet hare nationaliteit, maar daar waar zij woont, van waar men dus mag verwachten, dat in de meeste gevallen de verleiding begonnen is. En processuëele redenen op den achtergrond schuivende omdat zich toch steeds moeilijkheden zullen voordoen, die bij tractaat moeten opgelost worden, geef ik dit voor de aanneming van gemeld beginsel als hoofdargument op, dat juist daar, waar de vrouw thuis hoort het rechtsbewustzijn het meest geschokt is door het plegen van het misdrijf tegen iemand, die alom meer of minder bekend is.Voor de strafprocedure is vooral met ’t oog op ’t bewijs van eminent belang de rechtshulp van het andere land b.v. om te weten te komen of de dader werkelijk het bewuste oogmerk bezat.’t Is buitendien van het hoogste belang voor de ontwikkeling van het internationaal strafrecht in ’t algemeen,voor de berechting van den meisjeshandel in ’t bijzonder, dat tractaten regelen, in hoeverre vreemdelingen gedwongen kunnen worden als getuigen gehoord te worden, of en in welke gevallen zakelijke bewijsmiddelen ten dienste van een strafproces afgestaan kunnen worden, in hoeverre rogatoire commissiën toelaatbaar zijn en de dwang voor den vreemde rechter bestaat om aan de verzoeken te voldoen. De consulaten zouden in deze kwesties ook een rol kunnen vervullen. Wie de kosten der rechtshulp moet dragen en de regeling hiervan moet alsdan ook vastgesteld worden.Daar bij deze strafbare feiten dikwijls meer dan een persoon betrokken is, die ieder zelfstandige feiten plegen waarvan het complex de vrouw ten val moet brengen, zal in ’t belang van het onderzoek in vele gevallen voeging noodig blijken te zijn. Voor den Nederlandschen rechter geeft het wetboek van strafvordering eenige gevallen van connexiteit (art. 87–91). Aldus zou een tractaat ook voor connexiteit in gevallen van internationalen meisjeshandel voeging kunnen ordenen.Voor het geval een Nederlander in het buitenland een der strafbare feiten van art. 230bis-250quaterbegaat, zijn de artt. 52ºen 68 van het Wetb. v. Str. in acht te nemen.Ten opzichte van de toepassing van art. 251 vierde lid n.l. de recidive van daden van verkoop van vrouwen wensch ik het groote belang te betoogen, dat individuën, reeds in een anderen staat een strafvonnis ter zake van een dergelijk feit ten hunne laste hebbende, in onzen staat, als recidivisten zullen veroordeeld worden en omgekeerd.Wanneer eens als gevolg van eene internationale conferentie de bedoelde feiten op denzelfden grondslag strafbaar gesteld zullen zijn, dan kan er geen bezwaar bestaan bij tractaat, dat daarna voor onzen Staat wettelijk goedgekeurd zal zijn, aan het buitenlandsche strafvonnis internationale rechtskracht te verleenen, althans voor zoover dat voor de recidive noodig zal blijken te zijn.In aanmerking nemende, dat de boven ontworpen strafbepalingen, hoe streng zij ook zijn, dikwijls niet bij machte zullen zijn preventief te werken uit hoofde van het feit, dat de te behalen winsten van dien aard zijn, dat men hare strengheid durft trotseeren, verder dat degenen, te wier behoeve de werving geschied is, evenzeer een groote mate van criminaliteit openbaren, wensch ik nog aan te bevelen een nieuw artikel, dat als art. 250quintuseen geval van gequalificeerde koppelarij moet opleveren. Het luidt aldus:Art. 250quintus. Hij die opzettelijk het plegen van ontucht door eene op de wijze in art. 250bis of ter omschreven voor de prostitutieaangeworvenvrouw met een derde teweegbrengt of bevordert, wordt als schuldig aan begunstiging van handel in blanke slavinnen gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.3Ten slotte acht ik voor het behoud van art. 452 Sw. geen gegronde argumenten aanwezig. In Hoofdstuk VI § 1 bij de behandeling van de wetgeving in Nederland besprakik dit artikel uitvoerig. Ik wil daarom hier niet in herhalingen vervallen door deze mijne meening nog maals te argumenteeren.Doch hoe te zorgen dat deze strafbepalingen geen doode letter blijven? Hier moet de politie aan ’t woord komen. In deze materie heeft zij een groote rol te vervullen. Hare taak is tweeledig; preventief: ter voorkoming en afwending van deze gevaren; repressief: ter opsporing van deze gepleegde delikten. Op dit laatste deel van haar taak doelde ik zooeven. Laat ik evenwel de justitiëele politietaak aanstonds behandelen.Duidelijk heb ik reeds in het begin dezer proeve doen uitkomen, dat ik niet veel heil verwacht van opheffing van bordeelen ten opzichte van deze feiten. Integendeel streng toezicht op de bordeelen acht ik van meer nut. Zoowel preventief als repressief kan de politie werkzaam zijn, als zij een onbeperkt recht van toegang heeft in deze huizen. In die gemeenten, waar het houden van een bordeel op straffe verboden is, moest de wet verlof verleenen, dat de dienaren der politie bij vermoeden van overtreding zoo ruim mogelijke bevoegdheid verkrijgen, b. v. met schriftelijke toestemming van het hoofd der plaatselijke politie, de verdachte huizen binnen te treden.Van groot belang acht ik, dat de politie op de hoogte gekomen van verdachte handelingen van suspecte individuën openlijk waarschuwingen richt aan het publiek. Particuliere vereenigingen kunnen haar groote diensten bewijzen.Met enkele woorden wil ik wijzen op enkele punten,die Dr. Gruber in zijn rapport op ’t Criminalisten Congres te Budapest, Sept. 1899, onder zijn desiderata rangschikte.Eventueeleuitreiking van een buitenlandsche pas moest geweigerd kunnen worden aan minderjarige vrouwen, die ’t land onder verdachte omstandigheden verlaten willen. Uitschrijven van belooningen aan de aanbrengers van deze gewraakte praktijken. M. i. een zeer af te keuren beginsel. Bewaking van stations en stoombootaanlegplaatsen, rondreizende vrouwelijke politiedienaren. Photographieën en metingen volgens Bertillon genomen van de bekende de koppelarij uitoefenende individuën aan de politieoverheden der groote steden te zenden en verder van deze stukken een internationaal ruilsysteem in ’t leven te roepen, zou Dr. Gruber wel willen aanbevelen.—Ofschoon dit laatste votum meer als een algemeene wensch voor eene doortastende bestrijding der internationale criminaliteit mag aangemerkt worden, ontken ik haar groot belang niet voor de bestrijding van den meisjeshandel in ’t bijzonder. Onderlinge civiliteit van de politiemagistraten der verschillende landen is juist, behoudens enkele uitzonderingen, in deze materie het eenige, dat dienstbaar gemaakt wordt aan ’t keeren van deze internationale criminaliteit. Doch van groot gewicht moet geacht worden zoowel voor de repressie als voor de preventie van deze misdrijven eene op internationale overeenstemming berustende wederzijdsche verplichting der politieoverheden elkaar de noodige inlichtingen, gevraagde hulp—deze laatste nader te omschrijven—te verleenen om deze euveldaden af te wenden, degevolgen ervan te keeren. (Zonder twijfel is ook voor de bestrijding van de internationale misdadigheid in ’t algemeen van belang, dat dergelijke politieëele bevoegdheden en verplichtingen in algemeene bewoordingen omschreven worden.)Wat nu reeds als internationaal collegiale vriendelijkheid wel betracht wordt behoorde een wettelijken, althans een bij tractaat vastgestelden grondslag te hebben; b.v. het wederzijds op de hoogte brengen van doen en laten van beruchte individuën, van verdachte lieden, voorzoover dit tenminste volgens ’t oordeel der politieoverheid zelve haar voor de handhaving der rechtsorde in ruimeren zin doeltreffend voorkomt. Wat deze materie speciaal aangaat kan der overheid van de plaats van bestemming, indien deze bekend is, verzocht worden een oogje in ’t zeil te houden in gevallen waarin personen onder min of meer verdachte omstandigheden, die evenwel nog tot geen ingrijpen aanleiding kunnen geven, het land verlaten.Wanneer eenmaal het strafbare feit gepleegd is, (of wanneer men vermoedt dat er een gepleegd is) treedt de politie als justitiëele op. Zij staat hier onder het gezag der justitiëele ambtenaren zelve. Hare bevoegdheid en plicht om hier in het belang der internationale bestrijding van den meisjeshandel op te treden hangt dus af van de bevelen haar gegeven door de justitie zelve, wier bevoegdheid, van internationaal formeel strafrechtelijk karakter, om bevelen uit te vaardigen, weer afhangt van de op tractaten of wetten steunende bevoegdheden en plichten om indezen werkzaam te wezen. Welke desiderata hier te vervullen zijn, besprak ik reeds hierboven.Waar het misdrijf gepleegd is, kan het kwaad reeds geleden zijn en is ’t ook mogelijk, dat de gevolgen nog niet zijn ingetreden. In ’t eerste geval moeten de verdere gevolgen gekeerd worden, in ’t tweede, het intreden afgewend. Met andere woorden het slachtoffer moet in bescherming genomen worden. Dit gebiedt ons ook art. 4 eerste lid van onze Grondwet. Hier bij den buitenlandschen handel komt dan vooral in aanmerking de zorg, dat de vrouw gelegenheid hebbe het land te verlaten en naar haar eigen land terug te keeren, dat zij te kwader ure zonder volkomen vrijheid van toestemming (in den meest ruimen zin) verliet.Bij tractaat moeten de zich aansluitende staten de verplichting op zich nemen iedere vrouw, die aan de ontucht overgeleverd is door misleiding van anderen op haar verzoek weder naar het land, waar zij woonde (natuurlijk, mits zij onderdaan was van een der staten onderteekenaars van het tractaat) terug te leiden. Doch ieder land moet dan voor zich zelve regelen stellen om uit te maken, dat van dit favoriet-voorschrift geen misbruik gemaakt worde, b.v. door eene vrouw, die wel als slachtoffer van een placeur gevallen is doch zich binnen korter of langer tijd volkomen verzoend heeft met het ontuchtig leven. ’t Zou toch mogelijk zijn, dat een dergelijke vrouw na langen tijd den aandrang in zich voelde opkomen om kosteloos naar haar land terug te keeren. Hiertegen moet gewaakt worden. Het verdrag moet dan voorschrijven,dat hierop nauwkeurig toegezien moet worden, en de nationale wetgeving hiertegen doeltreffende regelen moet geven.Ten opzichte van minderjarigen moet dan nog dit beginsel aangenomen worden, dat zelfs tegen haar wil de meisjes op verzoek der personen die volgens de wetten des lands gezag over haar hebben, kunnen teruggevoerd worden, natuurlijk slechts dan, wanneer zij door toedoen van placeurs prostituées zijn geworden. (wenschelijk is ’t, dat ’t ook in alle andere gevallen geschiede, doch dit raakt de materie, die ik behandel,niet.) De status ante moet toch zooveel mogelijk hersteld worden.Dit terugvoeren naar het land, waarvan de vrouw herkomstig is, is zuivere politietaak. Bij de behandeling der drie verklaringen tusschen Nederland eenerzijds en België, Oostenrijk en Duitschland anderzijds sprak ik over de zoogenaamde “uitleiding” uitvoerig.Ik wees er daar reeds op, dat in het laatste geval de politie optreedt als gevolmachtigde der gezaghebbenden, hetzij ouders of anderen. In het eerstgenoemde geval, dus daar waar zij de terugkeer bewerkstelligt van haar, die in den val gelokt zelf verzoekt uitgeleid te worden, treedt eene taak der politie op den voorgrond, die een uitvloeisel is van haar algemeene bevoegdheid en plicht op te treden en in te grijpen waar de zorg voor de veiligheid der rechtsorde en voor de bescherming van het individu dergelijk ingrijpen rechtvaardigen. Grondwettelijken steun vindt deze zorg voor vreemdelingen in art. 4 Grondwet.Om reciprociteit te waarborgen en efficaciteit van den maatregel te bewerkstelligen is vaststelling en nadere regeling bij tractaat gewenscht. Wat de financiëele lasten betreft, die mogelijkerwijze op den Staat zouden kunnen drukken, is nadere wettelijke goedkeuring vereischt in volge art. 59 tweede lid van onze Grondwet.Met nadere regeling van de uitleiding bij tractaat bedoel ik juist eene regeling, die ten doel heeft te zorgen, dat met de uitleiding werkelijk gevolgen bereikt worden, die haar in waarheid den naam kunnen geven van een maatregel te zijn ter bescherming van het slachtoffer van den meisjeshandel.Men heeft getracht in de respectieve drie verklaringen zooeven genoemd, ook aan dezen eisch te voldoen. M.i. zou dit het beste resultaat opleveren. Daar waar het verzoek geschiedt door de vrouw of het meisje zelf, moet bij tractaat de verplichting opgelegd worden, dat de politie van het land, waar de vrouw zich tijdelijk bevindt, aan de politie van het land, waarheen de vrouw uitgeleid wordt (in casu b.v. van de plaats, waarvan zij herkomstig was) kennis geeft van plaats en tijd der uitleiding; nadere inschikkelijkheden moeten geheel afhangen van het plichtsgevoel der betrokken autoriteiten en van haar onderlinge overeenstemming. Waar beide staten niet aan elkander grenzen, moet deze zelfde hoofdregel in acht genomen worden. De overheid van den anderen staat kan dan of zelf aan de plaats van uitleiding de hoede over de vrouw op zich nemen of zij kan schikkingen treffen met denstaat van doorreis om het terugbrengen zoo doeltreffend en economisch mogelijk te bewerkstelligen.De staat, waar het meisje zich bevindt, moet op zich nemen in de gevallen, waarin de personen die gezag over de minderjarige hebben het verzoek tot de overheid richten, hun zelf bericht te geven van de plaats en tijd der uitleiding. Nadere afspraken kunnen tusschen de politie en deze personen gemaakt worden. En de ouders of anderen kunnen aan de politie van hun eigen land het verzoek richten als hun gemachtigden op te treden.Doch in het laatste geval is de kostenkwestie een belangrijke factor. Van welk standpunt moeten wij uitgaan? Er bestaan slechts 2 mogelijkheden: òf de respectieve staten dragen alle kosten òf de belanghebbenden doen dit. Een derde mogelijkheid dat beiden ze zullen dragen moet reeds aanstonds verworpen worden bij gebreke van hoegenaamd iederen maatstaf, die voor deze deeling geschikt zou kunnen zijn. Ik ga hier vooral uit van de rechtsbeginselen geldend in onzen Nederlandschen Staat. En dan pleit m.i. het beginsel waarom in deze materie ingegrepen wordt, n.l. de bescherming van hoogst gewichtige rechtsbelangen, geheel voor de beslissing dat de staat of staten de kosten zullen dragen. En verder nog een negatief argument, dat in het tegenovergesteld geval de ouders door te hooge kosten ervan afgeschrikt kunnen worden het belang hunner kinderen te bevorderen door hun uitleiding te verzoeken. De kosten zouden bovendien in vele gevallen wegens insolventie der betrokken personen niet te verhalen zijn.Elders wees ik reeds op de gewichtige taak, die in deze stof de consulaire ambtenaren te vervullen hebben; daarheen verwijs ik in hoofdzaak op deze plaats (zie pagg. 77, 128–130.)Dit zijn de desiderata, waarvan de vervulling, naar het mij voorkomt, in werkelijkheid de koop en verkoop van meisjes in dien zin, dat er werkelijk ernstig gevaar voor de integriteit van gewichtige rechtsbelangen ontstaat, en welke ik in deze proeve behandelde, zal kunnen tegengaan. Met alle bescheidenheid bied ik deze te nemen maatregelen de bevoegde machten dan ook ter overweging aan.Bestaat er evenwel een gegrond motief voor onzen Minister van Justitie om niet het initiatief te willen nemen tot de internationale bestrijding van dit kwaad? Dat de binnenlandsche handel niet in die mate bestaat, dat zij een dergelijk initiatief zou rechtvaardigen geef ik toe, maar daarvoor wordt ze ook niet verlangd. Doch de import is omvangrijk genoeg om krachtige maatregelen van internationalen aard te treffen. Iedere staat toch heeft een roeping te vervullen zoowel ten opzichte van zijn ingezetenen als van de op ’t gebied van dien staat komende vreemdelingen. Ik verwijs nogmaals naar art. 4 eerste lid van onze Grondwet.Dit artikel heeft een dieperen zin, dan de eerste lezing zou doen vermoeden. Gelijke aanspraak hebben allen, die zich op ’t grondgebied van het Rijk bevinden, op bescherming van persoon en goederen. Het valt niet te ontkennen, dat het de plicht van iederen staat tegenover zijn eigen onderdanen is de verwezenlijkingvan hun geluk zooveel mogelijk te bevorderen door hun belangen voorzoover het kan geschieden zonder dat de staat zijn werkkring overschrijdt, in bescherming te nemen.Het grondwetsartikel gebiedt dit ook ten opzichte van vreemdelingen. Men interpreteere het dus niet te eng door er slechts in te lezen, dat op den vreemdeling behalve de in art. 4 tweede lid genoemde gevallen geen uitzonderingsgevallen op de positief bestaande beschermingsvoorschriften toelaatbaar zijn.Neen, maar waar voor den onderdaan eventueel in hetzelfde geval verkeerende als de vreemdeling maatregelen ter bescherming zouden geschapen worden, daar moeten indien de vreemdeling in dat geval verkeert, dezelfde pogingen tot bescherming aangewend worden.Daarom zou ’t mij voorkomen, dat het met deze voorgaande beschouwingen in overeenstemming is, en niets er zich tegen verzet, dat van Nederland ook in deze materie het initiatief voor eene internationale regeling uitgaat en naar mijne bescheiden meening een regeling ’t beste gebaseerd op de door mij in dit proefschrift voorgestane beginselen.1Men verwijte mij geen inconsequentie. Zooals ik zeg, de gevallen van “abuse of authority” zijn niet onder den blanke slavinnenhandel te ordenen. Hier wordt toch gedoeld op “abuse of authority” als middel, waardoor de kinderen vallen. Waar ik hierboven in dit geschrift sprak van verwaarloozing of misbruik van gezag, was sprake van een der oorzaken, die de resultaten van den handel in vrouwen en meisjes kan bevorderen.2Na den aanslag te Barcelona is een dergelijk voorstel uitgegaan van Spanje. Het is evenwel afgestuit op den tegenstand van Engeland, dat zich door zijn geïsoleerde ligging immuun genoeg gevoelde om het vooralsnog zonder dergelijke internationale strafrechtelijke regelen te kunnen stellen. “Les répressions des attentats anarchistes” par M. Albéric Rolinin deRevue de droit international et de législation comparée, tome 26, pag. 150.3’t Is natuurlijk, dat, indien in een gegeven geval de vereischten voor strafbaarheid ter zake van medeplichtigheid aan verkrachting aanwezig zijn, in volge art. 55 de bepaling van art. 242 joart. 48 toegepast moet worden.

Hoofdstuk VIII.Conclusie.Lombroso in “Das Weib” (pag. 587) de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel onder de rubriek der gelegenheidsprostituées stellende en de wijze aanstippende, waarop de placeur haar in zijn netten vangt, laat zich over deze feiten in dezen zin uit: “Unser invalides Strafrecht weiss diese Scheusslichkeiten nicht zu verhindern.” In de vorige pagina’s toonde ik, dat deze uitspraak in hoofdzaak waarheid bevat. Verschillende pogingen zijn evenwel aangewend om de wetgevende machten aan te sporen in dit gemis te voorzien. Het geschiedde op verschillende congressen, die deels dit onderwerp in een der behandelde vraagpunten mede aanroerden, deels uitsluitend met ’t oog op den handel in blanke slavinnen bijeengeroepen werden. Ik wil vermelden:1º. het 5deinternationale congres van deFéderation Britannique, continentale et généraleden 10–13 Sept. 1890 te Genève gehouden. De H.H. van Swinderen, van Schermbeek en Bunting waren de rapporteursover “l’importante question de la traite des blanches” zooals de voorzitter het noemde.2º. het 5deinternationale pénitentiaire congres in 1895 te Parijs gehouden. De meisjeshandel werd behandeld door de 1stesectie in het 7devraagpunt, dat luidde: “Quels seraient les moyens repressifs à adopter contre ceux, qui à l’aide de manoeuvres fallacieuses, déterminent des jeunes filles à s’expatrier dans le but de les livrer à la prostitution?”Afgevaardigden van Engeland, Frankrijk, Rusland en Zwitserland brachten hier rapporten uit.3º. het internationale congres voor den blanke slavinnenhandel op initiatief van deNational Vigilance Associationden 21–23 Juni 1899 te Londen gehouden. Hier waren vertegenwoordigd Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Holland, Noorwegen, Rusland, Zweden, Zwitserland, Engeland en de Vereenigde Staten.4º. het Congres van deUnion Internationale de Droit Pénalin Sept. 1899 te Budapest vergaderd. Rapporteurs in zake de internationale bestrijding van den meisjeshandel (4devraagpunt) waren de H.H. Ludwig Gruber en Ferdinand Dreyfus.Het onder I genoemde congres te Genève heeft bij de behandeling van het onderwerp de materie van den meisjeshandel mijns inziens niet voldoende afgebakend: het ruime veld der prostitutie wordt herhaaldelijk betreden. In de resoluties komt dit ook uit. Het congres uitte den wensch:1º. Que dans toutes les législations des dispositions pénales soient prises pour réprimer le fait de tirer un profit direct de la prostitution d’autrui.2º. Que des traités internationaux interviennent entre les divers pays pour lerepatriementdes filles mineures se livrant habituellement à la débauche.3º. Que des traités internationaux soient passés dans le but de supprimer la traite des blanches, sans égard aux pays dans lesquels le crime a été commis ou à la nationalité du criminel.Ten slotte worden nog eenige wenschen geuit aan ’t adres van het comité intercantonal des dames suisses de la Féderation.Slechts het onder 3º gestelde votum, dat tijdens de debatten voorgesteld werd, raakt het onderwerp direct. Doch het hierin neergelegde verlangen is zoo vaag en onzeker gesteld, dat ik met den besten wil niet zou kunnen verklaren, wat er precies mede bedoeld wordt. Juridisch mist dit votum alle nauwkeurigheid. Hetgeen hier later volgt zal dit aanwijzen. De wenschen onder 1º en 2º raken natuurlijk het onderwerp ook, doch die onder 1º is veel te ruim gesteld en verraadt haren oorsprong op een congres van eene vereeniging, die zich tot haar arbeidsveld de bestrijding der prostitutie in ’t algemeen gekozen heeft. Die onder 2º is te beperkt door de invoeging van het woord “mineures”, dat in het oorspronkelijke voorstel niet voorkwam; te ruim doordat iedere minderjarige prostituée in aanmerking komt om gerepatriëerd te worden.Het onder II bedoeldePénitentiaireCongres te Parijs vereenigde zijne conclusies op vraagpunt 7 van de 1stesectie met die op vraagpunt 8 van de 4desectie, handelende over de bestrijding van de prostitutie vanminderjarigen en van die meisjes, die door misleiding buitenslands aan de ontucht overgeleverd worden. Vraag 7 van de 1stesectie, die ik supra citeerde, betreft den buitenlandschen handel.De conclusies van ’t congres waren als volgt:1º. L’embauchage par réclame ou par fraude pour la prostitution, l’emploi des mêmes moyens pour contraindre toute personne même majeure à se livrer, à la prostitution, doivent être sévèrement réprimés, avec aggravation de la peine en cas de récidive.2º. Il y a lieu de provoquer une conférence des délégués des gouvernements pour prendre des mesures internationales contre la traite des blanches.De eisch onder 1º gesteld wil den meisjeshandel treffen en wel eerst de enkelvoudige daad. Doch de wensch is niet scherp weergegeven, want gevallen, waarin de vrouw ook op de hoogte is van het leven, dat zij gaat leiden, vallen er ook onder. Het bedrog moet juist gericht zijn, b. v. op den aard dereventueelaangeboden dienstbetrekking; de vrouw weet dan niet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven. Deze eisch is ongeveer geredigeerd als het Fransche ontwerp-Bérenger, dat ik te rechter plaatse behandelde. Verder nog éen opmerking. De enkelvoudige daad wil men treffen, doch den handel zwaarder. ’t Komt mij voor dat men hier wil identificeeren den handel met de recidive van de enkelvoudige daad. Niets is onjuister. Qua meisjeshandelaarkan men zwaarder gestraft worden dan de gelegenheidspleger van dit strafbaar feit, ook reeds bij de eerste handeling mits alles wijstop het uitoefenen van een beroep. Niets verhindert evenwel, dat de gelegenheidspleger aan de gewone recidivebepalingen onderworpen wordt, doch hij die handelt in de uitoefening van een beroep moet zwaarder gestraft worden als de recidivist van de enkelvoudige daad.De eisch onder 2º is een zeer gerechtvaardigde wensch en juist gesteld zonder nadere bijzonderheden aan te duiden.Zeer belangrijk is ’t congres (III) dat in Juni 1899 te Londen bijeenkwam. Het had uitsluitend ten doel de bespreking van de bestrijding van den blanke slavinnenhandel. Dit geschiedde op tweeërlei wijze. Het eerste gedeelte van het congres was gewijd aan de aanwijzing van bestaande en te nemen maatregelen van juridische zijde beschouwd, het andere deel aan de aanduiding van die maatregel van philanthropische zijde.Het Criminalistische Congres (IV), dat in Sept. 1899 te Budapest vergaderde, vereenigde zich met de resoluties genomen op het voornoemde Londensche Congres.Zij luiden als volgt: (wat het juridisch deel aangaat.)The Congress expresses the desire:A. That an Agreement should be come to among the Governments—1. To punish, and as far as possible by penalties of equal degree, the procuring of women and girls by violence, fraud, abuse of authority, or any other method of constraint, to give themselves to debauchery, or to continue in it; and in cases, where persons are accused of this crime:2. To undertake simultaneous investigations intothe crime, when the facts, which constitute it occur in different countries.3. To prevent any conflict of jurisdiction by determining theproperplace of trial.4. To provide by International Treaties for the extradition of the accused.Ik zou mijn betoog vooruitloopen, indien ik reeds naast deze resoluties mijne kantteekeningen plaatste. Slechts enkele opmerkingen wil ik mij veroorloven. Vooreerst de zoo vaak elders gemaakte, dat ook hier niet het ware karakter van den meisjeshandel voldoende in ’t oog is gehouden. Men heeft zich verder weer laten verleiden—en hoe gemakkelijk geschiedt dat hier niet—de grenzen van deze materie te overschrijden. De vermelding van “abuse of authority” doet niets ter zake, daar de gevallen, waarin b.v. ouders misbruik maken van hun gezag, buiten den eigenlijken meisjeshandel staan.1Zeer terecht wordt op strafrechtelijke repressie aangedrongen. De gewraakte feiten brengen een rechtsbelang van groote waarde in gevaar, en wel gevaar voor algeheele vernietiging. De ervaring toont aan, dat de omvang van het kwaad van dien aard is, dat repressie volkomen gewettigd is.In ons land vallen verschillende nationale pogingen te vermelden om het euvel op die wijze te keeren, zoowel in den boezem der wetgevende macht zelve als daarbuiten. Van de laatste vermeld ik de reuzenpetitie kort na de onthullingen van de Pall Mall Gazette in 1885 aan de 2deKamer der Staten-Generaal gericht met ’t doel internationale maatregelen te verkrijgen tegen den “uitgebreiden handel in vrouwen, die zich over een groot gedeelte van Europa en zelfs over andere werelddeelen uitstrekt.” Er wordt gewezen op de aanwezigheid van “Nederlandsche vrouwen in publieke huizen in het buitenland, tot in Marseille toe.” Het adres was onderteekend door een 15000 tal vrouwen van Nederland, daartoe uitgenoodigd door den Nederlandschen Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn.In den boezem der wetgevende macht zelve is voldoende gelegenheid geweest om op krachtige maatregelen aan te dringen ter gelegenheid van de bespreking van de door Nederland met andere mogendheden uitgewisselde verklaringen, die ik reeds vroeger besprak. Laatstelijk is het nog geschiedt bij de behandeling van de staatsbegrooting voor 1900. In ’t voorloopig verslag lezen we: “Opnieuwmaakte de handel in vrouwen en meisjes, die over de geheele wereld bestaat en door elke verbetering der verkeersmiddelen wordt in de hand gewerkt, in eene afdeeling een punt van bespreking uit.” Aangedrongen werd op medewerking van onzen Staat om vooral eenige internationale regelen, zooals het congres te Londen ze wenschte, tot standte brengen. Bij de openbare beraadslaging in de 2deKamer geschiedde het o.m. ook nog met aandrang door den afgevaardigde Graaf van Bylandt. Bij beide gelegenheden was het antwoord van den Minister in dien zin, dat ik er uit moet begrijpen, dat van onze Regeering het initiatief tot regeling dezer materie niet behoeft verwacht te worden. Een voorstel van een buitenlandsche regeering tot het treffen eener regeling in den geest van de wenschen door de “National Vigilance Association” te Londen in Juni l.l. uitgesproken, zou zeker in ernstige overweging worden genomen.Opmerking verdient het feit, dat slechts de aandacht gevestigd wordt op den buitenlandschen handel; slechts op internationale maatregelen wordt aangedrongen. Al moge het waar zijn, dat de nationale handel niet in dezelfde mate op den voorgrond treedt en zoodoende in mindere mate het rechtsbewustzijn schokt, als gevolg waarvan krachtige aandrang geboren wordt om doeltreffende maatregelen in ’t leven te roepen, toch kan de wenschelijkheid niet verheeld worden, dat de opname van een strafbepaling in ons strafwetboek om de bedoelde handelingen te keeren niet lang meer op zich moge laten wachten. Is dit geschied, zoo wordt het individu, dat zich met den buitenlandschen handel occupeert, ook in de meeste gevallen vervolgbaar. Het voorloopige gemis van internationale overeenstemming wordt daardoor wel niet volkomen gedekt, doch op enkele resultaten valt dan toch reeds te wijzen. De vraag blijft nu op welke wijzen moet eene dergelijke strafbepaling geredigeerd worden? Dat deze vraag niet van moeielijkheid ontblootis, blijkt uit menige poging elders reeds gedaan om den meisjeshandel als delict in een artikel te belichamen, en dat zoowel doorofficieelestrafrechtelijke commissies als door vergaderingen en congressen. Doch meestal zonder gunstige resultaten. Ik wees hierboven passim meer dan eens daarop. Men begrijpe mij niet verkeerd. Zeer zeker wordt de placeur door de meeste dier bepalingen getroffen; in zoover is ’t doel bereikt. Doch beoogd was eene strafbepaling uitsluitend tegen placeurs. Door onnauwkeurige ontleding hunner handelingen ontstaat een veel te ruim gestelde bepaling. In zooverre wraak ik de resultaten der bovenvermelde pogingen, dat daardoor ook achterhaald worden feiten, die men zich niet ten doel gesteld had te achterhalen.Om een goede bepaling te verkrijgen is het noodig de handelingen der placeurs te ontleden, ontdaan van alle bijomstandigheden, die niet tot ’t wezen der zaak behooren. We krijgen dan successievelijk de feitelijke bestanddeelen van het delikt voor oogen.Doch vooreerst nog enkele andere opmerkingen. Ik sprak van het delikt. Zou het niet de voorkeur verdienen door verruiming der grenzen van het huidige artikel 2502ºSw. zoodanig, dat de meisjesverkooper ook vervolgd kan worden, een nieuw zelfstandig delikt overbodig te maken? Hierop het volgende ten antwoord.Dat aan art. 2502ºSw. gebreken kleven, hebben reeds velen betoogd. De vereischten der minderjarigheid en der gewoonte maken het onvoldoende. Doch het blijft een open vraag of ook bij weglating vandeze vereischten het artikel den meisjeshandel wel in zich sluit, of dat althans de placeur als medeplichtige kan getroffen worden. Is dit laatste mogelijk, dan rijzen de gewone bezwaren, dat de handelingen van den placeur eerst strafbaar zijn, wanneer de bevordering van ontucht voltooid of, binnen de grenzen der wet, gepoogd is. Bij geval men echter de interpretatie van genoemd artikel zoover mocht drijven dat men daden van meisjeshandel als indirectebevordering van ontuchtdaaronder zou willen brengen—wat m. i. niet kan, daar ook bij weglating van de twee genoemde feitelijke deliktsbestanddeelen toch niets veranderd wordt aan het historisch begrip lenocinium, dat ook art. 2502ºbedoelt te treffen en dat dusdanige indirecte bemiddeling uitsluit—dan staan wij voor de vraag, of de wetgever zoo doende zijn goedbedoelde bescherming niet te ver zou uitstrekken, door meerderjarigen in alle gevallen en onafhankelijk van omstandigheden als die welke den meisjeshandel karakteriseeren, onder de hoede van de strafwet te stellen. Mijn bezwaar is dus, dat art. 2502º.niet dusdanig kan veranderd worden, dat een daad van meisjeshandel daardoor alleen er bij zou kunnen gestraft worden. En de beoordeeling of het wenschelijk is, dat ook andere feiten nog strafbaar gesteld zouden moeten worden, ligt buiten mijn bestek. Ook vordert het behandelen van deze kwestie bij de wetgevende macht te veel tijd, dan dat een strafbaarstelling van den handel in vrouwen en meisjes daarop zoude kunnen wachten. Het strafwetboek is nog niet lang genoeg in werking om met vrucht deze oudezaken weer te berde te brengen, die bij de behandeling van het wetboek dezelfde stof tot gedachtenwisseling aanboden als nu. Daarom wensch ik afzonderlijke strafbaarstelling van daden van meisjeshandel.Ter wille der duidelijkheid resumeer ik de feitelijke bestanddeelen van een daad van meisjeshandel aldus: Iemand wil een vrouw aan de prostitutie overleveren. Bij volkomen bewustheid van wat men met haar voor heeft, is zij niet over te halen. List, misleiding is noodig, het oogmerk moet dus verzwegen worden. Hoe de misleiding plaats heeft is onverschillig, meestal door ’t aanbod van een gefingeerde dienstbetrekking. Dit is de quintessens.In verband hiermede zou ik dan willen aanbevelen het volgende artikel, dat ik als artikel 250bisin het strafwetboek zou willen vragen:Art. 250bis. Als schuldig aan eene daad van handel in blanke slavinnen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren1º. hij die opzettelijk wederrechtelijk eene vrouw, met ’t oogmerk haar aan de prostitutie over te leveren en dit oogmerk verzwijgende, voor de prostitutie aanwerft;2º. hijdie opzettelijk, wetende welk oogmerk de dader heeft en voor de vrouw wederrechtelijk verzwijgt, dit oogmerk in de hand werkt.Daarna volge een art. 250ter, dat ik infra zal behandelen en een art. 250quatervan dezen inhoud:250quater. Als schuldig aan handel in blanke slavinnen kunnen de in de artikelen 250bisen 250terbepaaldestraffen worden verdubbeld, voor hem die van het plegen der daar omschreven misdrijven een beroep maakt.Art. 251 zou ik wenschen in dezen geest te wijzigen en aan te vullen:Art. 251. “Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en 241–250quateromschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1–5 vermelde rechten worden uitgesproken.“Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 249–250quateromschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.“Bij veroordeeling wegens een der misdrijven in artikel 250quaterbedoeld, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.“Indien tijdens het plegen van een der misdrijven in de artikelen 250bis-250quateromschreven nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der misdrijven in de voornoemde artikelen bedoeld onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.Toelichting. Het eerste lid van artikel 250bisomschrijft een daad van meisjeshandel duidelijk; het omvat alle feitelijke bestanddeelen. Het oogmerk bestaat om de vrouw aan een leven van ontucht over te leveren terwijl haar dit oogmerk verzwegen wordt. Deze verzwijging kan niet geschieden, terwijl er geen intentie bestaat om daardoor het bewuste oogmerk te bevorderen.Het verzwijgen heeft plaats met dit vooropgestelde doelen kan niet onwillekeurig geschieden, b.v. omdat de dader in de meening verkeerde, dat de vrouw van de feitelijke omstandigheden op de hoogte is, en hij dus de vermelding van de feiten zooals zij zijn, onnoodig achtte. Het vereischte dat de aanwerving geschiede zonder dat de vrouw zelve met bewustheid daartoe medewerkt, wordt uitgedrukt door het woord “wederrechtelijk”, dat den eigen, vrijen wil van de vrouw ten eenenmale uitsluit, terwijl bij minderjarigen het gebrek aan medeweten en toestemming van ouders en voogden, daarin mede begrepen wordt. De plaatsing van het woord opzet zorgt er voor, dat de dader niet, te goeder trouw in de meening verkeerende, dat de vrouw werkelijk weet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven (b.v. bij overplaatsing van een prostituée uit ’t eene bordeel naar het andere), veroordeeld kunne worden. Het opzet beheerscht door de plaatsing al hetgeen volgt. Door ruime erkenning van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn worde bewerkt, dat de dader zich niet met een Franschen slag over zijn twijfel heenzet, of de vrouw al dan niet weet, dat zij een leven van ontucht gaat leiden. Zoo het blijkt, dat hij geen positieve gronden had om dat aan te nemen of b.v. aan te nemen, dat zij reeds prostituée was, moet, indien overigens de vereischten daarvoor aanwezig zijn, veroordeeling volgen. De ondubbelzinnige erkenning en toepassing van deze schakeering van het opzet maakt het bestaan van een culpoos delikt naast dit doleuze overbodig en is hier ook onnoodig.Het delikt is voltooid, zoodra de aanwerving heeftplaats gehad; het bijkomende oogmerk behoeft niet bereikt te zijn. Dus zoodra er een bepaalde afspraak, verbintenis bestaat tusschen de vrouw en den placeur, dan hebben we hetdelictum consummatumvan art. 250biseerste lid.We nemen hier het verschijnsel waar, dat de dader bijna altijd voor het voltooide delikt zal terechtstaan; de gevallen van strafbare poging zullen zich betrekkelijk in gering aantal kunnen voordoen, want dikwijls zal als onbewezen moeten aangenomen worden het vereischte, dat uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van den wil des daders onafhankelijk niet is voltooid.De medeplichtige is strafbaar volgens de gewone regelen b.v. de houder van een dienstkantoor, die de vrouw willens en wetens in relatie brengt met een hem bekend placeur, met wien hij volgens afspraak meer verbintenissen van dezen aard sluit.Doch er bestaan nog een reeks van helpers, die, omdat zij hun hulp verleenen na de voltooiing van het delikt, eene gerechte straf zouden ontloopen. Het zijn degenen, die na de aanwerving, na het sluiten van de verbintenis tusschen de vrouw en den placeur om b.v. de gefingeerde dienst aan te nemen, de noodzakelijke keten vormen om het bijkomende, hun welbekende oogmerk van den dader te doen bereiken. Het zijn de begunstigers van het delikt, die ik in navolging van art. 48 tweede lid van de Duitsche wet op hetAuswanderungswesendoor art. 250bis2delid heb willen treffen. O. a. alle personen, die, onder devereischten in dit lid gesteld, successievelijk behulpzaam zijn de vrouw in dien toestand te brengen, dat zij zich aan de prostitutie overgeeft door haar b.v. in het bordeel te brengen. In de meeste gevallen zal het bewijs gemakkelijk te leveren zijn of het vereischte opzet, opzet bij mogelijkheidsbewustzijn inbegrepen, aanwezig is.Art. 250quateromschrijft het misdrijf “handel in blanke slavinnen”. Art. 250bistreft de enkelvoudige daad van aanwerven. “Handel in blanke slavinnen” veronderstelt echter ’t verrichten als beroep. Daarvoor is niet noodig dat er reeds meer daden verricht zijn,ook een enkele kan een beroepsdaad wezen, mits aanwezig en bewezen zij de wil om dergelijke daden te herhalen. Dit is het karakter van een zgn. “beroeps-delikt” in tegenstelling van een “gewoonte-delikt”. De straf wordt hier verdubbeld, omdat hier een anti-sociale wil voor den dag treedt, die juist wegens zijn permanentie op zijn krachtigst moet onderdrukt worden.De invoeging dezer nieuwe artikelen maakt eene aanvulling noodzakelijk in beide leden van art. 251. Vooral het 2delid is dan van belang om b.v. aan dienst- en huurkantoren een verder bestaan te ontzeggen. Deze juist stichten veel kwaad.Tevens wensch ik aan art. 250 de boven aangegeven 3een 4ealinea toe te voegen.De openbaarmaking der uitspraak is gewenscht in tweeërlei opzicht. Vooreerst om in ’t algemeen het publiek op het speciëele geval opmerkzaam te maken zoodat het zich weer helder voor oogen kan stellen aan hoeveel gevaren de jonge vrouwen blootgesteldzijn; ten tweede om wantrouwen op te wekken tegen de praktijken van den dader en zijneeventueelehelpers, zoodat ’t hun na ’t ondergaan van hun straftijd moeilijker zal vallen vrouwen en meisjes te misleiden.Art. 251 vierde lid bepaalt een zwaardere straf bij recidive van de voorgaande misdrijven. Indentiteit is niet vereischt, analogie voldoende. De recidive verjaart in 5 jaar.Op deze wijze wordt naar mijne meening op de beste wijze een repressie voor de bedoelde daden geschapen. Mijns inziens vormt, en vooral voor onze strafwetgeving, het bovenstaande een deugdelijke basis om op te bouwen een stelsel van repressie van den buitenlandschen meisjeshandel.Voor ik verder ga, moet ik blijven stilstaan juist om eenige algemeene beschouwingen te geven ten opzichte van de bestrijding van deze internationale wandaden. “Aux maux internationaux ilfautdes remèdes internationaux” zegt Bluntschli. Het is juist de vraag: “wat hebben wij hier te verstaan ondermaux internationaux, wat onderremèdes internationaux?” De beantwoording van deze vragen moet eenigszins in elkaar vloeien. Met deremèdeshebben we hier te verstaan strafrechtelijke bepalingen. Met bepalingen van internationaal strafrecht kan men drieërlei bedoelen.I. De rechtsregelen, die den omvang van de werking van het inlandsche strafrecht afbakenen ten aanzien van feiten buiten het territoir begaan.II. De rechtsregelen, die de internationale rechtshulp op strafrechtelijk gebied vaststellen.III. De door internationale overeenstemming vastgestelde rechtsregelen, die ten doel hebben de bescherming van internationale rechtsbelangen.Strafrecht heeft ten doel bescherming van rechtsbelangen. Internationaal strafrecht, zooals dat onder III aangegeven wordt, bescherming van internationale rechtsbelangen. Hebben wij hier te doen met een internationaal rechtsbelang? Wanneer wij ons een internationaal rechtsbelang voorstellen als een, waarvan een geheel van staten als de dragers van dat rechtsbelang zich de bescherming moet aantrekken, dan moet een beslist ontkennend antwoord volgen. Met een voorbeeld wordt dit duidelijker. Het geven van regelen met betrekking tot de bescherming van de onderzeesche telegraafkabels, van de internationale waterwegen zooals dat nu reeds geschied is, ten opzichte van de bestrijding van het anarchisme, waartoe Spanje2het initiatief heeft genomen, doch dat het heden nog niet geschied is, is op een deugdelijken rechtsgrond gebaseerd; we hebben hier te doen met waarachtig internationale rechtsbelangen. Doch bij den blanke slavinnenhandel hebben wij te doen met zuiver nationale rechtsbelangen, die evenwel in ruimeren zin door de omstandigheden internationaal kunnen heeten. Von Liszt druktdit aldus uit: “Durch internationale Angriffe kann eine internationale Solidarität der nationalen Interessen entstehen, und durch diese das an sich nationale Rechtsgut zu einem internationalen werden.”Doch nog om eene andere reden zou ik niet wenschen op deze wijze internationale strafrechtelijke bepalingen in het leven te roepen. Ons internationale publiekrecht heeft nog niet die vlucht bereikt, waarop het internationale privaatrecht kan bogen. Doch beiden moeten zich steeds met een palliatief behelpen, waar het geldt het in leven roepen van internationale bepalingen. Dit palliatief bestaat daarin, dat eene conferentie van gedelegeerden uit verschillende landen de grondslagen vaststelt, volgens welke de Regeeringen beloven aan de wetgevende macht hunner landen voorstellen voor eene wettelijke regeling in te dienen of er worden resoluties genomen in den vorm van wettelijke bepalingen, die de bedoelde Regeeringen aannemen door de respectieve wetgevers tot wet te doen verheffen. Er is geen ander middel mogelijk. De zuiverste wijze van handelen zou zijn, dat een centraal gezag of centrale wetgever over die landen bevoegd is de wettelijke bepalingen uit te vaardigen, die in het internationaal belang noodig blijken te zijn. Doch tot zulk een hoogte is het internationaal recht nog niet gevorderd, een dergelijk centraal gezag ontbreekt vooralsnog. Daarom ben ik eenigszins afkeerig van het gebruik van een dergelijk palliatief (tot welke punten van verschil dit aanleiding geeft heeft nog onlangs het internationale tractaat van 1897 voor de regeling van eenige bepalingenvan formeel privaatrecht aangetoond) en zou ik mij wenschen te houden aan andere onder I en II aangegeven beginselen, die den grondslag vormen voor een deugdelijke regeling.De omvang van de werking van ons strafrecht is nauwkeurig aangegeven in de artt. 2–7 Wetboek van Strafrecht en wel voornamelijk volgens het territorialiteitsbeginsel. Iedereen is strafbaar voor feiten op ons territoir gepleegd. Verder onder bepaalde voorwaarden en beperkingen ieder Nederlander voor in het buitenland gepleegde misdrijven. Ten slotte ook de vreemdeling, die bepaald aangegeven misdrijven in het buitenland pleegt. Deze beginselen heerschen in zekere mate meer of minder verschillend in de meeste strafwetten. In ieder geval ware ’t anders wenschelijk, dat zij op gelijke wijze in alle landen bestonden. Dit zou een gezonde grondslag vormen om de criminaliteit tegen te gaan, waarnaast tevens een ruime erkenning van het onder II aangegevene, met name van het instituut der uitlevering, moest bestaan.Eene dergelijke uniforme regeling en vaststelling van uitleveringstractaten voor zoover zij nog niet bestaat, zou ik in alle moderne strafwetboeken ingevoerd wenschen te zien. Dit is van belang voor de bestrijding van de internationale criminaliteit in het algemeen, van den internationalen meisjeshandel in het bijzonder.Doch hiermede hebben wij ons doel nog niet bereikt. Waar het territorialiteitsprincipe overheerschende is, is het van het grootste gewicht aan te geven waar het gepleegde feit berecht moet worden, m. a. w. er maggeen twijfel bestaan aangaande den locus delicti commissi. Daarom moet zoowel om ’t feit, dat ik, zooals blijken zal, de mogelijkheid van meerdere loci delicti commissi aanneem, als ten gevolge van de omstandigheid dat in bijna iedere strafwet naast het territorialiteitsbeginsel nog andere principes gehuldigd worden, in acht genomen worden, dat er geen botsingen ontstaan tusschen de strafvorderingder verschillende staten. Hiertegen zouden bij eene internationale conferentie maatregelen te nemen zijn. Van den buitenlandschen handel wensch ik niet te maken een delictum sui generis. M. i. voldoet art. 250bisvoldoende aan de behoefte, indien wij het oogmerk om de vrouw of het meisje in ontucht buiten het rijk te doen leven als verzwarende omstandigheid aannemen. Te meer, daar de punten van internationaal strafrecht, die ik hierboven aanstipte, in onze wet reeds grootendeels gevonden worden.Ik zou deze gequalificeerde daad van meisjeshandel dan willen neerleggen in art. 250ter, dat dan aldus zou luiden:Art. 250ter“De schuldige aan een der in het vorige artikel omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het oogmerk van den dader daarop gericht was de vrouw in het buitenland aan de prostitutie over te leveren.” De hierop volgende artikelen zijn ook op dit artikel van toepassing, zooals reeds gebleken is.Ook hier is voor het voltooide delikt natuurlijk hetzelfde van toepassing, wat ik supra over art. 250biszeide. M. i. is de strafbaarstelling van den buitenlandschenhandel op deze wijze correcter dan ze in art. 48 van het DuitscheAuswanderungsgesetzvan 9 Juni 1897 plaats heeft. Daar heet het toch: “Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen mittelst arglistiger Verschweiging dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet,” u. s. w. Wat is toch de kwestie? DeVerleitung zur Auswanderungkan plaats gehad hebben om de reis korter te maken b. v. van Maastricht over Hasselt naar Amsterdam, verder om niettegenstaande het bedoelde oogmerk als einddoel de vrouw of het meisje in het buitenland eerst in een overgangsstadium te doen verkeeren. M. a. w. er is hier niet aangegeven, dat de“gewerbsmässige Unzucht” in het buitenland moet plaats hebben.Inzooverre acht ik mijn artikel beter.De schuldige van art. 250bistweede lid moet weten, dat de dader dit oogmerk koestert.Het strafbare feit isgepleegd. Waar moet het berechting vinden m. a. w. welke strafwet moet worden toegepast? Wanneer het strafbare feit gepleegd, voltooid is, gaf ik reeds aan.Onder A 3 van de resoluties van het Congres te Londen werd besloten: “To prevent any conflict of jurisdiction by determining theproperplace of trial.” Welke redenen aanleiding kunnen geven tot eenig conflict gaf ik reeds hierboven aan.Neem aan dat de meisjeshandel zoowel in Nederland als Duitschland op denzelfden grondslag strafbaar gesteld is; in beide landen heerschen dezelfde bepalingen ten opzichte van den omvang van de werking der strafwet.De verleiding van een Hollandsch meisje om in een Duitsch bordeel te gaan is in Nederland voltooid. Zonder twijfel moet dan de berechting in ons land plaats hebben. Heeft evenwel het misdrijf van art. 250bisjo250ter1º deels in Nederland, deels in Duitschland plaats gehad, dan zou ik van het volgende beginsel wenschen uit te gaan. Waar een misdrijf deels in het eene land, deels in het andere land is gepleegd, mag de rechtsorde in beide landen zoodanig daarbij betrokken geacht worden, dat berechting in beide landen gerechtvaardigd is. Zoolang dus slechts een deliktsbestanddeel in het eene land gepleegd is, is ook de rechter van dat land bevoegd in te grijpen. Heeft b. v. het misdrijf plaats van 250 bis 2elid: de begunstiger neemt in Keulen het meisje van den placeur of het plaatsbureau onder zijn hoede en reist met haar naar Amsterdam, waar zij in een bordeel geplaatst wordt. Zoowel de Duitsche als de Nederlandsche rechter zijn dan bevoegd. Aan welken moet dan evenwel de berechting overgelaten worden? Dit geschilpunt zou ik wenschen, dat ook op een internationale conferentie uitgemaakt werd. Bij slot van rekening zal, dunkt mij, de processueele opportuniteitsvraag den doorslag moeten geven. Welke rechter zal het dan wel moeten zijn? Zeer moeilijk is het in weinige woorden de wenschelijkheid van ’t een of andere beginsel te bepleiten. Is de rechter bevoegd der lex originis van den dader of van de vrouw? Soms de rechter van ’t land, waar de vrouw zich aan de ontucht overgeeft? Of wellicht van het forum deprehensionis? Deed ieder geval zichzeer eenvoudig voor, dan zou ik het laatste beginsel verkiezen, om mij aan ’t bovengenoemde voorbeeld te houden: de dader wordt te Amsterdam gevat. Om processueele redenen zou ik n. l. in dit geval aan het forum deprehensionis den voorkeur geven. Doch dit beginsel is ook niet vol te houden, daar juist wegens het ambulante van de bezigheid van den dader deze wellicht na 1 of 2 dagen in België, Frankrijk, Oostenrijk of Engeland verblijft en daar gevat wordt. Dan moet er uitlevering plaats hebben, doch aan wien?Aan Nederland of aan Duitschland? Na nauwgezette overweging komt ’t mij voor, dat bij internationaal tractaat de rechter van dat land tot de berechting bevoegd is, waar de vrouw thuis behoort; ik bedoel hier niet hare nationaliteit, maar daar waar zij woont, van waar men dus mag verwachten, dat in de meeste gevallen de verleiding begonnen is. En processuëele redenen op den achtergrond schuivende omdat zich toch steeds moeilijkheden zullen voordoen, die bij tractaat moeten opgelost worden, geef ik dit voor de aanneming van gemeld beginsel als hoofdargument op, dat juist daar, waar de vrouw thuis hoort het rechtsbewustzijn het meest geschokt is door het plegen van het misdrijf tegen iemand, die alom meer of minder bekend is.Voor de strafprocedure is vooral met ’t oog op ’t bewijs van eminent belang de rechtshulp van het andere land b.v. om te weten te komen of de dader werkelijk het bewuste oogmerk bezat.’t Is buitendien van het hoogste belang voor de ontwikkeling van het internationaal strafrecht in ’t algemeen,voor de berechting van den meisjeshandel in ’t bijzonder, dat tractaten regelen, in hoeverre vreemdelingen gedwongen kunnen worden als getuigen gehoord te worden, of en in welke gevallen zakelijke bewijsmiddelen ten dienste van een strafproces afgestaan kunnen worden, in hoeverre rogatoire commissiën toelaatbaar zijn en de dwang voor den vreemde rechter bestaat om aan de verzoeken te voldoen. De consulaten zouden in deze kwesties ook een rol kunnen vervullen. Wie de kosten der rechtshulp moet dragen en de regeling hiervan moet alsdan ook vastgesteld worden.Daar bij deze strafbare feiten dikwijls meer dan een persoon betrokken is, die ieder zelfstandige feiten plegen waarvan het complex de vrouw ten val moet brengen, zal in ’t belang van het onderzoek in vele gevallen voeging noodig blijken te zijn. Voor den Nederlandschen rechter geeft het wetboek van strafvordering eenige gevallen van connexiteit (art. 87–91). Aldus zou een tractaat ook voor connexiteit in gevallen van internationalen meisjeshandel voeging kunnen ordenen.Voor het geval een Nederlander in het buitenland een der strafbare feiten van art. 230bis-250quaterbegaat, zijn de artt. 52ºen 68 van het Wetb. v. Str. in acht te nemen.Ten opzichte van de toepassing van art. 251 vierde lid n.l. de recidive van daden van verkoop van vrouwen wensch ik het groote belang te betoogen, dat individuën, reeds in een anderen staat een strafvonnis ter zake van een dergelijk feit ten hunne laste hebbende, in onzen staat, als recidivisten zullen veroordeeld worden en omgekeerd.Wanneer eens als gevolg van eene internationale conferentie de bedoelde feiten op denzelfden grondslag strafbaar gesteld zullen zijn, dan kan er geen bezwaar bestaan bij tractaat, dat daarna voor onzen Staat wettelijk goedgekeurd zal zijn, aan het buitenlandsche strafvonnis internationale rechtskracht te verleenen, althans voor zoover dat voor de recidive noodig zal blijken te zijn.In aanmerking nemende, dat de boven ontworpen strafbepalingen, hoe streng zij ook zijn, dikwijls niet bij machte zullen zijn preventief te werken uit hoofde van het feit, dat de te behalen winsten van dien aard zijn, dat men hare strengheid durft trotseeren, verder dat degenen, te wier behoeve de werving geschied is, evenzeer een groote mate van criminaliteit openbaren, wensch ik nog aan te bevelen een nieuw artikel, dat als art. 250quintuseen geval van gequalificeerde koppelarij moet opleveren. Het luidt aldus:Art. 250quintus. Hij die opzettelijk het plegen van ontucht door eene op de wijze in art. 250bis of ter omschreven voor de prostitutieaangeworvenvrouw met een derde teweegbrengt of bevordert, wordt als schuldig aan begunstiging van handel in blanke slavinnen gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.3Ten slotte acht ik voor het behoud van art. 452 Sw. geen gegronde argumenten aanwezig. In Hoofdstuk VI § 1 bij de behandeling van de wetgeving in Nederland besprakik dit artikel uitvoerig. Ik wil daarom hier niet in herhalingen vervallen door deze mijne meening nog maals te argumenteeren.Doch hoe te zorgen dat deze strafbepalingen geen doode letter blijven? Hier moet de politie aan ’t woord komen. In deze materie heeft zij een groote rol te vervullen. Hare taak is tweeledig; preventief: ter voorkoming en afwending van deze gevaren; repressief: ter opsporing van deze gepleegde delikten. Op dit laatste deel van haar taak doelde ik zooeven. Laat ik evenwel de justitiëele politietaak aanstonds behandelen.Duidelijk heb ik reeds in het begin dezer proeve doen uitkomen, dat ik niet veel heil verwacht van opheffing van bordeelen ten opzichte van deze feiten. Integendeel streng toezicht op de bordeelen acht ik van meer nut. Zoowel preventief als repressief kan de politie werkzaam zijn, als zij een onbeperkt recht van toegang heeft in deze huizen. In die gemeenten, waar het houden van een bordeel op straffe verboden is, moest de wet verlof verleenen, dat de dienaren der politie bij vermoeden van overtreding zoo ruim mogelijke bevoegdheid verkrijgen, b. v. met schriftelijke toestemming van het hoofd der plaatselijke politie, de verdachte huizen binnen te treden.Van groot belang acht ik, dat de politie op de hoogte gekomen van verdachte handelingen van suspecte individuën openlijk waarschuwingen richt aan het publiek. Particuliere vereenigingen kunnen haar groote diensten bewijzen.Met enkele woorden wil ik wijzen op enkele punten,die Dr. Gruber in zijn rapport op ’t Criminalisten Congres te Budapest, Sept. 1899, onder zijn desiderata rangschikte.Eventueeleuitreiking van een buitenlandsche pas moest geweigerd kunnen worden aan minderjarige vrouwen, die ’t land onder verdachte omstandigheden verlaten willen. Uitschrijven van belooningen aan de aanbrengers van deze gewraakte praktijken. M. i. een zeer af te keuren beginsel. Bewaking van stations en stoombootaanlegplaatsen, rondreizende vrouwelijke politiedienaren. Photographieën en metingen volgens Bertillon genomen van de bekende de koppelarij uitoefenende individuën aan de politieoverheden der groote steden te zenden en verder van deze stukken een internationaal ruilsysteem in ’t leven te roepen, zou Dr. Gruber wel willen aanbevelen.—Ofschoon dit laatste votum meer als een algemeene wensch voor eene doortastende bestrijding der internationale criminaliteit mag aangemerkt worden, ontken ik haar groot belang niet voor de bestrijding van den meisjeshandel in ’t bijzonder. Onderlinge civiliteit van de politiemagistraten der verschillende landen is juist, behoudens enkele uitzonderingen, in deze materie het eenige, dat dienstbaar gemaakt wordt aan ’t keeren van deze internationale criminaliteit. Doch van groot gewicht moet geacht worden zoowel voor de repressie als voor de preventie van deze misdrijven eene op internationale overeenstemming berustende wederzijdsche verplichting der politieoverheden elkaar de noodige inlichtingen, gevraagde hulp—deze laatste nader te omschrijven—te verleenen om deze euveldaden af te wenden, degevolgen ervan te keeren. (Zonder twijfel is ook voor de bestrijding van de internationale misdadigheid in ’t algemeen van belang, dat dergelijke politieëele bevoegdheden en verplichtingen in algemeene bewoordingen omschreven worden.)Wat nu reeds als internationaal collegiale vriendelijkheid wel betracht wordt behoorde een wettelijken, althans een bij tractaat vastgestelden grondslag te hebben; b.v. het wederzijds op de hoogte brengen van doen en laten van beruchte individuën, van verdachte lieden, voorzoover dit tenminste volgens ’t oordeel der politieoverheid zelve haar voor de handhaving der rechtsorde in ruimeren zin doeltreffend voorkomt. Wat deze materie speciaal aangaat kan der overheid van de plaats van bestemming, indien deze bekend is, verzocht worden een oogje in ’t zeil te houden in gevallen waarin personen onder min of meer verdachte omstandigheden, die evenwel nog tot geen ingrijpen aanleiding kunnen geven, het land verlaten.Wanneer eenmaal het strafbare feit gepleegd is, (of wanneer men vermoedt dat er een gepleegd is) treedt de politie als justitiëele op. Zij staat hier onder het gezag der justitiëele ambtenaren zelve. Hare bevoegdheid en plicht om hier in het belang der internationale bestrijding van den meisjeshandel op te treden hangt dus af van de bevelen haar gegeven door de justitie zelve, wier bevoegdheid, van internationaal formeel strafrechtelijk karakter, om bevelen uit te vaardigen, weer afhangt van de op tractaten of wetten steunende bevoegdheden en plichten om indezen werkzaam te wezen. Welke desiderata hier te vervullen zijn, besprak ik reeds hierboven.Waar het misdrijf gepleegd is, kan het kwaad reeds geleden zijn en is ’t ook mogelijk, dat de gevolgen nog niet zijn ingetreden. In ’t eerste geval moeten de verdere gevolgen gekeerd worden, in ’t tweede, het intreden afgewend. Met andere woorden het slachtoffer moet in bescherming genomen worden. Dit gebiedt ons ook art. 4 eerste lid van onze Grondwet. Hier bij den buitenlandschen handel komt dan vooral in aanmerking de zorg, dat de vrouw gelegenheid hebbe het land te verlaten en naar haar eigen land terug te keeren, dat zij te kwader ure zonder volkomen vrijheid van toestemming (in den meest ruimen zin) verliet.Bij tractaat moeten de zich aansluitende staten de verplichting op zich nemen iedere vrouw, die aan de ontucht overgeleverd is door misleiding van anderen op haar verzoek weder naar het land, waar zij woonde (natuurlijk, mits zij onderdaan was van een der staten onderteekenaars van het tractaat) terug te leiden. Doch ieder land moet dan voor zich zelve regelen stellen om uit te maken, dat van dit favoriet-voorschrift geen misbruik gemaakt worde, b.v. door eene vrouw, die wel als slachtoffer van een placeur gevallen is doch zich binnen korter of langer tijd volkomen verzoend heeft met het ontuchtig leven. ’t Zou toch mogelijk zijn, dat een dergelijke vrouw na langen tijd den aandrang in zich voelde opkomen om kosteloos naar haar land terug te keeren. Hiertegen moet gewaakt worden. Het verdrag moet dan voorschrijven,dat hierop nauwkeurig toegezien moet worden, en de nationale wetgeving hiertegen doeltreffende regelen moet geven.Ten opzichte van minderjarigen moet dan nog dit beginsel aangenomen worden, dat zelfs tegen haar wil de meisjes op verzoek der personen die volgens de wetten des lands gezag over haar hebben, kunnen teruggevoerd worden, natuurlijk slechts dan, wanneer zij door toedoen van placeurs prostituées zijn geworden. (wenschelijk is ’t, dat ’t ook in alle andere gevallen geschiede, doch dit raakt de materie, die ik behandel,niet.) De status ante moet toch zooveel mogelijk hersteld worden.Dit terugvoeren naar het land, waarvan de vrouw herkomstig is, is zuivere politietaak. Bij de behandeling der drie verklaringen tusschen Nederland eenerzijds en België, Oostenrijk en Duitschland anderzijds sprak ik over de zoogenaamde “uitleiding” uitvoerig.Ik wees er daar reeds op, dat in het laatste geval de politie optreedt als gevolmachtigde der gezaghebbenden, hetzij ouders of anderen. In het eerstgenoemde geval, dus daar waar zij de terugkeer bewerkstelligt van haar, die in den val gelokt zelf verzoekt uitgeleid te worden, treedt eene taak der politie op den voorgrond, die een uitvloeisel is van haar algemeene bevoegdheid en plicht op te treden en in te grijpen waar de zorg voor de veiligheid der rechtsorde en voor de bescherming van het individu dergelijk ingrijpen rechtvaardigen. Grondwettelijken steun vindt deze zorg voor vreemdelingen in art. 4 Grondwet.Om reciprociteit te waarborgen en efficaciteit van den maatregel te bewerkstelligen is vaststelling en nadere regeling bij tractaat gewenscht. Wat de financiëele lasten betreft, die mogelijkerwijze op den Staat zouden kunnen drukken, is nadere wettelijke goedkeuring vereischt in volge art. 59 tweede lid van onze Grondwet.Met nadere regeling van de uitleiding bij tractaat bedoel ik juist eene regeling, die ten doel heeft te zorgen, dat met de uitleiding werkelijk gevolgen bereikt worden, die haar in waarheid den naam kunnen geven van een maatregel te zijn ter bescherming van het slachtoffer van den meisjeshandel.Men heeft getracht in de respectieve drie verklaringen zooeven genoemd, ook aan dezen eisch te voldoen. M.i. zou dit het beste resultaat opleveren. Daar waar het verzoek geschiedt door de vrouw of het meisje zelf, moet bij tractaat de verplichting opgelegd worden, dat de politie van het land, waar de vrouw zich tijdelijk bevindt, aan de politie van het land, waarheen de vrouw uitgeleid wordt (in casu b.v. van de plaats, waarvan zij herkomstig was) kennis geeft van plaats en tijd der uitleiding; nadere inschikkelijkheden moeten geheel afhangen van het plichtsgevoel der betrokken autoriteiten en van haar onderlinge overeenstemming. Waar beide staten niet aan elkander grenzen, moet deze zelfde hoofdregel in acht genomen worden. De overheid van den anderen staat kan dan of zelf aan de plaats van uitleiding de hoede over de vrouw op zich nemen of zij kan schikkingen treffen met denstaat van doorreis om het terugbrengen zoo doeltreffend en economisch mogelijk te bewerkstelligen.De staat, waar het meisje zich bevindt, moet op zich nemen in de gevallen, waarin de personen die gezag over de minderjarige hebben het verzoek tot de overheid richten, hun zelf bericht te geven van de plaats en tijd der uitleiding. Nadere afspraken kunnen tusschen de politie en deze personen gemaakt worden. En de ouders of anderen kunnen aan de politie van hun eigen land het verzoek richten als hun gemachtigden op te treden.Doch in het laatste geval is de kostenkwestie een belangrijke factor. Van welk standpunt moeten wij uitgaan? Er bestaan slechts 2 mogelijkheden: òf de respectieve staten dragen alle kosten òf de belanghebbenden doen dit. Een derde mogelijkheid dat beiden ze zullen dragen moet reeds aanstonds verworpen worden bij gebreke van hoegenaamd iederen maatstaf, die voor deze deeling geschikt zou kunnen zijn. Ik ga hier vooral uit van de rechtsbeginselen geldend in onzen Nederlandschen Staat. En dan pleit m.i. het beginsel waarom in deze materie ingegrepen wordt, n.l. de bescherming van hoogst gewichtige rechtsbelangen, geheel voor de beslissing dat de staat of staten de kosten zullen dragen. En verder nog een negatief argument, dat in het tegenovergesteld geval de ouders door te hooge kosten ervan afgeschrikt kunnen worden het belang hunner kinderen te bevorderen door hun uitleiding te verzoeken. De kosten zouden bovendien in vele gevallen wegens insolventie der betrokken personen niet te verhalen zijn.Elders wees ik reeds op de gewichtige taak, die in deze stof de consulaire ambtenaren te vervullen hebben; daarheen verwijs ik in hoofdzaak op deze plaats (zie pagg. 77, 128–130.)Dit zijn de desiderata, waarvan de vervulling, naar het mij voorkomt, in werkelijkheid de koop en verkoop van meisjes in dien zin, dat er werkelijk ernstig gevaar voor de integriteit van gewichtige rechtsbelangen ontstaat, en welke ik in deze proeve behandelde, zal kunnen tegengaan. Met alle bescheidenheid bied ik deze te nemen maatregelen de bevoegde machten dan ook ter overweging aan.Bestaat er evenwel een gegrond motief voor onzen Minister van Justitie om niet het initiatief te willen nemen tot de internationale bestrijding van dit kwaad? Dat de binnenlandsche handel niet in die mate bestaat, dat zij een dergelijk initiatief zou rechtvaardigen geef ik toe, maar daarvoor wordt ze ook niet verlangd. Doch de import is omvangrijk genoeg om krachtige maatregelen van internationalen aard te treffen. Iedere staat toch heeft een roeping te vervullen zoowel ten opzichte van zijn ingezetenen als van de op ’t gebied van dien staat komende vreemdelingen. Ik verwijs nogmaals naar art. 4 eerste lid van onze Grondwet.Dit artikel heeft een dieperen zin, dan de eerste lezing zou doen vermoeden. Gelijke aanspraak hebben allen, die zich op ’t grondgebied van het Rijk bevinden, op bescherming van persoon en goederen. Het valt niet te ontkennen, dat het de plicht van iederen staat tegenover zijn eigen onderdanen is de verwezenlijkingvan hun geluk zooveel mogelijk te bevorderen door hun belangen voorzoover het kan geschieden zonder dat de staat zijn werkkring overschrijdt, in bescherming te nemen.Het grondwetsartikel gebiedt dit ook ten opzichte van vreemdelingen. Men interpreteere het dus niet te eng door er slechts in te lezen, dat op den vreemdeling behalve de in art. 4 tweede lid genoemde gevallen geen uitzonderingsgevallen op de positief bestaande beschermingsvoorschriften toelaatbaar zijn.Neen, maar waar voor den onderdaan eventueel in hetzelfde geval verkeerende als de vreemdeling maatregelen ter bescherming zouden geschapen worden, daar moeten indien de vreemdeling in dat geval verkeert, dezelfde pogingen tot bescherming aangewend worden.Daarom zou ’t mij voorkomen, dat het met deze voorgaande beschouwingen in overeenstemming is, en niets er zich tegen verzet, dat van Nederland ook in deze materie het initiatief voor eene internationale regeling uitgaat en naar mijne bescheiden meening een regeling ’t beste gebaseerd op de door mij in dit proefschrift voorgestane beginselen.1Men verwijte mij geen inconsequentie. Zooals ik zeg, de gevallen van “abuse of authority” zijn niet onder den blanke slavinnenhandel te ordenen. Hier wordt toch gedoeld op “abuse of authority” als middel, waardoor de kinderen vallen. Waar ik hierboven in dit geschrift sprak van verwaarloozing of misbruik van gezag, was sprake van een der oorzaken, die de resultaten van den handel in vrouwen en meisjes kan bevorderen.2Na den aanslag te Barcelona is een dergelijk voorstel uitgegaan van Spanje. Het is evenwel afgestuit op den tegenstand van Engeland, dat zich door zijn geïsoleerde ligging immuun genoeg gevoelde om het vooralsnog zonder dergelijke internationale strafrechtelijke regelen te kunnen stellen. “Les répressions des attentats anarchistes” par M. Albéric Rolinin deRevue de droit international et de législation comparée, tome 26, pag. 150.3’t Is natuurlijk, dat, indien in een gegeven geval de vereischten voor strafbaarheid ter zake van medeplichtigheid aan verkrachting aanwezig zijn, in volge art. 55 de bepaling van art. 242 joart. 48 toegepast moet worden.

Lombroso in “Das Weib” (pag. 587) de slachtoffers van den blanke slavinnenhandel onder de rubriek der gelegenheidsprostituées stellende en de wijze aanstippende, waarop de placeur haar in zijn netten vangt, laat zich over deze feiten in dezen zin uit: “Unser invalides Strafrecht weiss diese Scheusslichkeiten nicht zu verhindern.” In de vorige pagina’s toonde ik, dat deze uitspraak in hoofdzaak waarheid bevat. Verschillende pogingen zijn evenwel aangewend om de wetgevende machten aan te sporen in dit gemis te voorzien. Het geschiedde op verschillende congressen, die deels dit onderwerp in een der behandelde vraagpunten mede aanroerden, deels uitsluitend met ’t oog op den handel in blanke slavinnen bijeengeroepen werden. Ik wil vermelden:

1º. het 5deinternationale congres van deFéderation Britannique, continentale et généraleden 10–13 Sept. 1890 te Genève gehouden. De H.H. van Swinderen, van Schermbeek en Bunting waren de rapporteursover “l’importante question de la traite des blanches” zooals de voorzitter het noemde.

2º. het 5deinternationale pénitentiaire congres in 1895 te Parijs gehouden. De meisjeshandel werd behandeld door de 1stesectie in het 7devraagpunt, dat luidde: “Quels seraient les moyens repressifs à adopter contre ceux, qui à l’aide de manoeuvres fallacieuses, déterminent des jeunes filles à s’expatrier dans le but de les livrer à la prostitution?”

Afgevaardigden van Engeland, Frankrijk, Rusland en Zwitserland brachten hier rapporten uit.

3º. het internationale congres voor den blanke slavinnenhandel op initiatief van deNational Vigilance Associationden 21–23 Juni 1899 te Londen gehouden. Hier waren vertegenwoordigd Oostenrijk, België, Denemarken, Frankrijk, Holland, Noorwegen, Rusland, Zweden, Zwitserland, Engeland en de Vereenigde Staten.

4º. het Congres van deUnion Internationale de Droit Pénalin Sept. 1899 te Budapest vergaderd. Rapporteurs in zake de internationale bestrijding van den meisjeshandel (4devraagpunt) waren de H.H. Ludwig Gruber en Ferdinand Dreyfus.

Het onder I genoemde congres te Genève heeft bij de behandeling van het onderwerp de materie van den meisjeshandel mijns inziens niet voldoende afgebakend: het ruime veld der prostitutie wordt herhaaldelijk betreden. In de resoluties komt dit ook uit. Het congres uitte den wensch:

1º. Que dans toutes les législations des dispositions pénales soient prises pour réprimer le fait de tirer un profit direct de la prostitution d’autrui.

2º. Que des traités internationaux interviennent entre les divers pays pour lerepatriementdes filles mineures se livrant habituellement à la débauche.

3º. Que des traités internationaux soient passés dans le but de supprimer la traite des blanches, sans égard aux pays dans lesquels le crime a été commis ou à la nationalité du criminel.

Ten slotte worden nog eenige wenschen geuit aan ’t adres van het comité intercantonal des dames suisses de la Féderation.

Slechts het onder 3º gestelde votum, dat tijdens de debatten voorgesteld werd, raakt het onderwerp direct. Doch het hierin neergelegde verlangen is zoo vaag en onzeker gesteld, dat ik met den besten wil niet zou kunnen verklaren, wat er precies mede bedoeld wordt. Juridisch mist dit votum alle nauwkeurigheid. Hetgeen hier later volgt zal dit aanwijzen. De wenschen onder 1º en 2º raken natuurlijk het onderwerp ook, doch die onder 1º is veel te ruim gesteld en verraadt haren oorsprong op een congres van eene vereeniging, die zich tot haar arbeidsveld de bestrijding der prostitutie in ’t algemeen gekozen heeft. Die onder 2º is te beperkt door de invoeging van het woord “mineures”, dat in het oorspronkelijke voorstel niet voorkwam; te ruim doordat iedere minderjarige prostituée in aanmerking komt om gerepatriëerd te worden.

Het onder II bedoeldePénitentiaireCongres te Parijs vereenigde zijne conclusies op vraagpunt 7 van de 1stesectie met die op vraagpunt 8 van de 4desectie, handelende over de bestrijding van de prostitutie vanminderjarigen en van die meisjes, die door misleiding buitenslands aan de ontucht overgeleverd worden. Vraag 7 van de 1stesectie, die ik supra citeerde, betreft den buitenlandschen handel.

De conclusies van ’t congres waren als volgt:

1º. L’embauchage par réclame ou par fraude pour la prostitution, l’emploi des mêmes moyens pour contraindre toute personne même majeure à se livrer, à la prostitution, doivent être sévèrement réprimés, avec aggravation de la peine en cas de récidive.

2º. Il y a lieu de provoquer une conférence des délégués des gouvernements pour prendre des mesures internationales contre la traite des blanches.

De eisch onder 1º gesteld wil den meisjeshandel treffen en wel eerst de enkelvoudige daad. Doch de wensch is niet scherp weergegeven, want gevallen, waarin de vrouw ook op de hoogte is van het leven, dat zij gaat leiden, vallen er ook onder. Het bedrog moet juist gericht zijn, b. v. op den aard dereventueelaangeboden dienstbetrekking; de vrouw weet dan niet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven. Deze eisch is ongeveer geredigeerd als het Fransche ontwerp-Bérenger, dat ik te rechter plaatse behandelde. Verder nog éen opmerking. De enkelvoudige daad wil men treffen, doch den handel zwaarder. ’t Komt mij voor dat men hier wil identificeeren den handel met de recidive van de enkelvoudige daad. Niets is onjuister. Qua meisjeshandelaarkan men zwaarder gestraft worden dan de gelegenheidspleger van dit strafbaar feit, ook reeds bij de eerste handeling mits alles wijstop het uitoefenen van een beroep. Niets verhindert evenwel, dat de gelegenheidspleger aan de gewone recidivebepalingen onderworpen wordt, doch hij die handelt in de uitoefening van een beroep moet zwaarder gestraft worden als de recidivist van de enkelvoudige daad.

De eisch onder 2º is een zeer gerechtvaardigde wensch en juist gesteld zonder nadere bijzonderheden aan te duiden.

Zeer belangrijk is ’t congres (III) dat in Juni 1899 te Londen bijeenkwam. Het had uitsluitend ten doel de bespreking van de bestrijding van den blanke slavinnenhandel. Dit geschiedde op tweeërlei wijze. Het eerste gedeelte van het congres was gewijd aan de aanwijzing van bestaande en te nemen maatregelen van juridische zijde beschouwd, het andere deel aan de aanduiding van die maatregel van philanthropische zijde.

Het Criminalistische Congres (IV), dat in Sept. 1899 te Budapest vergaderde, vereenigde zich met de resoluties genomen op het voornoemde Londensche Congres.

Zij luiden als volgt: (wat het juridisch deel aangaat.)

The Congress expresses the desire:

A. That an Agreement should be come to among the Governments—

1. To punish, and as far as possible by penalties of equal degree, the procuring of women and girls by violence, fraud, abuse of authority, or any other method of constraint, to give themselves to debauchery, or to continue in it; and in cases, where persons are accused of this crime:

2. To undertake simultaneous investigations intothe crime, when the facts, which constitute it occur in different countries.

3. To prevent any conflict of jurisdiction by determining theproperplace of trial.

4. To provide by International Treaties for the extradition of the accused.

Ik zou mijn betoog vooruitloopen, indien ik reeds naast deze resoluties mijne kantteekeningen plaatste. Slechts enkele opmerkingen wil ik mij veroorloven. Vooreerst de zoo vaak elders gemaakte, dat ook hier niet het ware karakter van den meisjeshandel voldoende in ’t oog is gehouden. Men heeft zich verder weer laten verleiden—en hoe gemakkelijk geschiedt dat hier niet—de grenzen van deze materie te overschrijden. De vermelding van “abuse of authority” doet niets ter zake, daar de gevallen, waarin b.v. ouders misbruik maken van hun gezag, buiten den eigenlijken meisjeshandel staan.1

Zeer terecht wordt op strafrechtelijke repressie aangedrongen. De gewraakte feiten brengen een rechtsbelang van groote waarde in gevaar, en wel gevaar voor algeheele vernietiging. De ervaring toont aan, dat de omvang van het kwaad van dien aard is, dat repressie volkomen gewettigd is.

In ons land vallen verschillende nationale pogingen te vermelden om het euvel op die wijze te keeren, zoowel in den boezem der wetgevende macht zelve als daarbuiten. Van de laatste vermeld ik de reuzenpetitie kort na de onthullingen van de Pall Mall Gazette in 1885 aan de 2deKamer der Staten-Generaal gericht met ’t doel internationale maatregelen te verkrijgen tegen den “uitgebreiden handel in vrouwen, die zich over een groot gedeelte van Europa en zelfs over andere werelddeelen uitstrekt.” Er wordt gewezen op de aanwezigheid van “Nederlandsche vrouwen in publieke huizen in het buitenland, tot in Marseille toe.” Het adres was onderteekend door een 15000 tal vrouwen van Nederland, daartoe uitgenoodigd door den Nederlandschen Vrouwenbond tot verhooging van het Zedelijk Bewustzijn.

In den boezem der wetgevende macht zelve is voldoende gelegenheid geweest om op krachtige maatregelen aan te dringen ter gelegenheid van de bespreking van de door Nederland met andere mogendheden uitgewisselde verklaringen, die ik reeds vroeger besprak. Laatstelijk is het nog geschiedt bij de behandeling van de staatsbegrooting voor 1900. In ’t voorloopig verslag lezen we: “Opnieuwmaakte de handel in vrouwen en meisjes, die over de geheele wereld bestaat en door elke verbetering der verkeersmiddelen wordt in de hand gewerkt, in eene afdeeling een punt van bespreking uit.” Aangedrongen werd op medewerking van onzen Staat om vooral eenige internationale regelen, zooals het congres te Londen ze wenschte, tot standte brengen. Bij de openbare beraadslaging in de 2deKamer geschiedde het o.m. ook nog met aandrang door den afgevaardigde Graaf van Bylandt. Bij beide gelegenheden was het antwoord van den Minister in dien zin, dat ik er uit moet begrijpen, dat van onze Regeering het initiatief tot regeling dezer materie niet behoeft verwacht te worden. Een voorstel van een buitenlandsche regeering tot het treffen eener regeling in den geest van de wenschen door de “National Vigilance Association” te Londen in Juni l.l. uitgesproken, zou zeker in ernstige overweging worden genomen.

Opmerking verdient het feit, dat slechts de aandacht gevestigd wordt op den buitenlandschen handel; slechts op internationale maatregelen wordt aangedrongen. Al moge het waar zijn, dat de nationale handel niet in dezelfde mate op den voorgrond treedt en zoodoende in mindere mate het rechtsbewustzijn schokt, als gevolg waarvan krachtige aandrang geboren wordt om doeltreffende maatregelen in ’t leven te roepen, toch kan de wenschelijkheid niet verheeld worden, dat de opname van een strafbepaling in ons strafwetboek om de bedoelde handelingen te keeren niet lang meer op zich moge laten wachten. Is dit geschied, zoo wordt het individu, dat zich met den buitenlandschen handel occupeert, ook in de meeste gevallen vervolgbaar. Het voorloopige gemis van internationale overeenstemming wordt daardoor wel niet volkomen gedekt, doch op enkele resultaten valt dan toch reeds te wijzen. De vraag blijft nu op welke wijzen moet eene dergelijke strafbepaling geredigeerd worden? Dat deze vraag niet van moeielijkheid ontblootis, blijkt uit menige poging elders reeds gedaan om den meisjeshandel als delict in een artikel te belichamen, en dat zoowel doorofficieelestrafrechtelijke commissies als door vergaderingen en congressen. Doch meestal zonder gunstige resultaten. Ik wees hierboven passim meer dan eens daarop. Men begrijpe mij niet verkeerd. Zeer zeker wordt de placeur door de meeste dier bepalingen getroffen; in zoover is ’t doel bereikt. Doch beoogd was eene strafbepaling uitsluitend tegen placeurs. Door onnauwkeurige ontleding hunner handelingen ontstaat een veel te ruim gestelde bepaling. In zooverre wraak ik de resultaten der bovenvermelde pogingen, dat daardoor ook achterhaald worden feiten, die men zich niet ten doel gesteld had te achterhalen.

Om een goede bepaling te verkrijgen is het noodig de handelingen der placeurs te ontleden, ontdaan van alle bijomstandigheden, die niet tot ’t wezen der zaak behooren. We krijgen dan successievelijk de feitelijke bestanddeelen van het delikt voor oogen.

Doch vooreerst nog enkele andere opmerkingen. Ik sprak van het delikt. Zou het niet de voorkeur verdienen door verruiming der grenzen van het huidige artikel 2502ºSw. zoodanig, dat de meisjesverkooper ook vervolgd kan worden, een nieuw zelfstandig delikt overbodig te maken? Hierop het volgende ten antwoord.

Dat aan art. 2502ºSw. gebreken kleven, hebben reeds velen betoogd. De vereischten der minderjarigheid en der gewoonte maken het onvoldoende. Doch het blijft een open vraag of ook bij weglating vandeze vereischten het artikel den meisjeshandel wel in zich sluit, of dat althans de placeur als medeplichtige kan getroffen worden. Is dit laatste mogelijk, dan rijzen de gewone bezwaren, dat de handelingen van den placeur eerst strafbaar zijn, wanneer de bevordering van ontucht voltooid of, binnen de grenzen der wet, gepoogd is. Bij geval men echter de interpretatie van genoemd artikel zoover mocht drijven dat men daden van meisjeshandel als indirectebevordering van ontuchtdaaronder zou willen brengen—wat m. i. niet kan, daar ook bij weglating van de twee genoemde feitelijke deliktsbestanddeelen toch niets veranderd wordt aan het historisch begrip lenocinium, dat ook art. 2502ºbedoelt te treffen en dat dusdanige indirecte bemiddeling uitsluit—dan staan wij voor de vraag, of de wetgever zoo doende zijn goedbedoelde bescherming niet te ver zou uitstrekken, door meerderjarigen in alle gevallen en onafhankelijk van omstandigheden als die welke den meisjeshandel karakteriseeren, onder de hoede van de strafwet te stellen. Mijn bezwaar is dus, dat art. 2502º.niet dusdanig kan veranderd worden, dat een daad van meisjeshandel daardoor alleen er bij zou kunnen gestraft worden. En de beoordeeling of het wenschelijk is, dat ook andere feiten nog strafbaar gesteld zouden moeten worden, ligt buiten mijn bestek. Ook vordert het behandelen van deze kwestie bij de wetgevende macht te veel tijd, dan dat een strafbaarstelling van den handel in vrouwen en meisjes daarop zoude kunnen wachten. Het strafwetboek is nog niet lang genoeg in werking om met vrucht deze oudezaken weer te berde te brengen, die bij de behandeling van het wetboek dezelfde stof tot gedachtenwisseling aanboden als nu. Daarom wensch ik afzonderlijke strafbaarstelling van daden van meisjeshandel.

Ter wille der duidelijkheid resumeer ik de feitelijke bestanddeelen van een daad van meisjeshandel aldus: Iemand wil een vrouw aan de prostitutie overleveren. Bij volkomen bewustheid van wat men met haar voor heeft, is zij niet over te halen. List, misleiding is noodig, het oogmerk moet dus verzwegen worden. Hoe de misleiding plaats heeft is onverschillig, meestal door ’t aanbod van een gefingeerde dienstbetrekking. Dit is de quintessens.

In verband hiermede zou ik dan willen aanbevelen het volgende artikel, dat ik als artikel 250bisin het strafwetboek zou willen vragen:

Art. 250bis. Als schuldig aan eene daad van handel in blanke slavinnen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaren

1º. hij die opzettelijk wederrechtelijk eene vrouw, met ’t oogmerk haar aan de prostitutie over te leveren en dit oogmerk verzwijgende, voor de prostitutie aanwerft;

2º. hijdie opzettelijk, wetende welk oogmerk de dader heeft en voor de vrouw wederrechtelijk verzwijgt, dit oogmerk in de hand werkt.

Daarna volge een art. 250ter, dat ik infra zal behandelen en een art. 250quatervan dezen inhoud:

250quater. Als schuldig aan handel in blanke slavinnen kunnen de in de artikelen 250bisen 250terbepaaldestraffen worden verdubbeld, voor hem die van het plegen der daar omschreven misdrijven een beroep maakt.

Art. 251 zou ik wenschen in dezen geest te wijzigen en aan te vullen:

Art. 251. “Bij veroordeeling wegens een der in de artikelen 239 en 241–250quateromschreven misdrijven, kan ontzetting van de in artikel 28 No. 1–5 vermelde rechten worden uitgesproken.

“Indien de schuldige aan een der misdrijven in de artikelen 249–250quateromschreven het misdrijf in zijn beroep begaat, kan hij van de uitoefening van dat beroep worden ontzet.

“Bij veroordeeling wegens een der misdrijven in artikel 250quaterbedoeld, kan de rechter de openbaarmaking zijner uitspraak gelasten.

“Indien tijdens het plegen van een der misdrijven in de artikelen 250bis-250quateromschreven nog geen 5 jaren zijn verloopen sedert eene vroegere veroordeeling van den schuldige wegens een der misdrijven in de voornoemde artikelen bedoeld onherroepelijk is geworden, kunnen de straffen met een derde worden verhoogd.

Toelichting. Het eerste lid van artikel 250bisomschrijft een daad van meisjeshandel duidelijk; het omvat alle feitelijke bestanddeelen. Het oogmerk bestaat om de vrouw aan een leven van ontucht over te leveren terwijl haar dit oogmerk verzwegen wordt. Deze verzwijging kan niet geschieden, terwijl er geen intentie bestaat om daardoor het bewuste oogmerk te bevorderen.

Het verzwijgen heeft plaats met dit vooropgestelde doelen kan niet onwillekeurig geschieden, b.v. omdat de dader in de meening verkeerde, dat de vrouw van de feitelijke omstandigheden op de hoogte is, en hij dus de vermelding van de feiten zooals zij zijn, onnoodig achtte. Het vereischte dat de aanwerving geschiede zonder dat de vrouw zelve met bewustheid daartoe medewerkt, wordt uitgedrukt door het woord “wederrechtelijk”, dat den eigen, vrijen wil van de vrouw ten eenenmale uitsluit, terwijl bij minderjarigen het gebrek aan medeweten en toestemming van ouders en voogden, daarin mede begrepen wordt. De plaatsing van het woord opzet zorgt er voor, dat de dader niet, te goeder trouw in de meening verkeerende, dat de vrouw werkelijk weet, dat zij zich aan een leven van ontucht gaat overgeven (b.v. bij overplaatsing van een prostituée uit ’t eene bordeel naar het andere), veroordeeld kunne worden. Het opzet beheerscht door de plaatsing al hetgeen volgt. Door ruime erkenning van het opzet bij mogelijkheidsbewustzijn worde bewerkt, dat de dader zich niet met een Franschen slag over zijn twijfel heenzet, of de vrouw al dan niet weet, dat zij een leven van ontucht gaat leiden. Zoo het blijkt, dat hij geen positieve gronden had om dat aan te nemen of b.v. aan te nemen, dat zij reeds prostituée was, moet, indien overigens de vereischten daarvoor aanwezig zijn, veroordeeling volgen. De ondubbelzinnige erkenning en toepassing van deze schakeering van het opzet maakt het bestaan van een culpoos delikt naast dit doleuze overbodig en is hier ook onnoodig.

Het delikt is voltooid, zoodra de aanwerving heeftplaats gehad; het bijkomende oogmerk behoeft niet bereikt te zijn. Dus zoodra er een bepaalde afspraak, verbintenis bestaat tusschen de vrouw en den placeur, dan hebben we hetdelictum consummatumvan art. 250biseerste lid.

We nemen hier het verschijnsel waar, dat de dader bijna altijd voor het voltooide delikt zal terechtstaan; de gevallen van strafbare poging zullen zich betrekkelijk in gering aantal kunnen voordoen, want dikwijls zal als onbewezen moeten aangenomen worden het vereischte, dat uitvoering alleen ten gevolge van omstandigheden van den wil des daders onafhankelijk niet is voltooid.

De medeplichtige is strafbaar volgens de gewone regelen b.v. de houder van een dienstkantoor, die de vrouw willens en wetens in relatie brengt met een hem bekend placeur, met wien hij volgens afspraak meer verbintenissen van dezen aard sluit.

Doch er bestaan nog een reeks van helpers, die, omdat zij hun hulp verleenen na de voltooiing van het delikt, eene gerechte straf zouden ontloopen. Het zijn degenen, die na de aanwerving, na het sluiten van de verbintenis tusschen de vrouw en den placeur om b.v. de gefingeerde dienst aan te nemen, de noodzakelijke keten vormen om het bijkomende, hun welbekende oogmerk van den dader te doen bereiken. Het zijn de begunstigers van het delikt, die ik in navolging van art. 48 tweede lid van de Duitsche wet op hetAuswanderungswesendoor art. 250bis2delid heb willen treffen. O. a. alle personen, die, onder devereischten in dit lid gesteld, successievelijk behulpzaam zijn de vrouw in dien toestand te brengen, dat zij zich aan de prostitutie overgeeft door haar b.v. in het bordeel te brengen. In de meeste gevallen zal het bewijs gemakkelijk te leveren zijn of het vereischte opzet, opzet bij mogelijkheidsbewustzijn inbegrepen, aanwezig is.

Art. 250quateromschrijft het misdrijf “handel in blanke slavinnen”. Art. 250bistreft de enkelvoudige daad van aanwerven. “Handel in blanke slavinnen” veronderstelt echter ’t verrichten als beroep. Daarvoor is niet noodig dat er reeds meer daden verricht zijn,ook een enkele kan een beroepsdaad wezen, mits aanwezig en bewezen zij de wil om dergelijke daden te herhalen. Dit is het karakter van een zgn. “beroeps-delikt” in tegenstelling van een “gewoonte-delikt”. De straf wordt hier verdubbeld, omdat hier een anti-sociale wil voor den dag treedt, die juist wegens zijn permanentie op zijn krachtigst moet onderdrukt worden.

De invoeging dezer nieuwe artikelen maakt eene aanvulling noodzakelijk in beide leden van art. 251. Vooral het 2delid is dan van belang om b.v. aan dienst- en huurkantoren een verder bestaan te ontzeggen. Deze juist stichten veel kwaad.

Tevens wensch ik aan art. 250 de boven aangegeven 3een 4ealinea toe te voegen.

De openbaarmaking der uitspraak is gewenscht in tweeërlei opzicht. Vooreerst om in ’t algemeen het publiek op het speciëele geval opmerkzaam te maken zoodat het zich weer helder voor oogen kan stellen aan hoeveel gevaren de jonge vrouwen blootgesteldzijn; ten tweede om wantrouwen op te wekken tegen de praktijken van den dader en zijneeventueelehelpers, zoodat ’t hun na ’t ondergaan van hun straftijd moeilijker zal vallen vrouwen en meisjes te misleiden.

Art. 251 vierde lid bepaalt een zwaardere straf bij recidive van de voorgaande misdrijven. Indentiteit is niet vereischt, analogie voldoende. De recidive verjaart in 5 jaar.

Op deze wijze wordt naar mijne meening op de beste wijze een repressie voor de bedoelde daden geschapen. Mijns inziens vormt, en vooral voor onze strafwetgeving, het bovenstaande een deugdelijke basis om op te bouwen een stelsel van repressie van den buitenlandschen meisjeshandel.

Voor ik verder ga, moet ik blijven stilstaan juist om eenige algemeene beschouwingen te geven ten opzichte van de bestrijding van deze internationale wandaden. “Aux maux internationaux ilfautdes remèdes internationaux” zegt Bluntschli. Het is juist de vraag: “wat hebben wij hier te verstaan ondermaux internationaux, wat onderremèdes internationaux?” De beantwoording van deze vragen moet eenigszins in elkaar vloeien. Met deremèdeshebben we hier te verstaan strafrechtelijke bepalingen. Met bepalingen van internationaal strafrecht kan men drieërlei bedoelen.

I. De rechtsregelen, die den omvang van de werking van het inlandsche strafrecht afbakenen ten aanzien van feiten buiten het territoir begaan.

II. De rechtsregelen, die de internationale rechtshulp op strafrechtelijk gebied vaststellen.

III. De door internationale overeenstemming vastgestelde rechtsregelen, die ten doel hebben de bescherming van internationale rechtsbelangen.

Strafrecht heeft ten doel bescherming van rechtsbelangen. Internationaal strafrecht, zooals dat onder III aangegeven wordt, bescherming van internationale rechtsbelangen. Hebben wij hier te doen met een internationaal rechtsbelang? Wanneer wij ons een internationaal rechtsbelang voorstellen als een, waarvan een geheel van staten als de dragers van dat rechtsbelang zich de bescherming moet aantrekken, dan moet een beslist ontkennend antwoord volgen. Met een voorbeeld wordt dit duidelijker. Het geven van regelen met betrekking tot de bescherming van de onderzeesche telegraafkabels, van de internationale waterwegen zooals dat nu reeds geschied is, ten opzichte van de bestrijding van het anarchisme, waartoe Spanje2het initiatief heeft genomen, doch dat het heden nog niet geschied is, is op een deugdelijken rechtsgrond gebaseerd; we hebben hier te doen met waarachtig internationale rechtsbelangen. Doch bij den blanke slavinnenhandel hebben wij te doen met zuiver nationale rechtsbelangen, die evenwel in ruimeren zin door de omstandigheden internationaal kunnen heeten. Von Liszt druktdit aldus uit: “Durch internationale Angriffe kann eine internationale Solidarität der nationalen Interessen entstehen, und durch diese das an sich nationale Rechtsgut zu einem internationalen werden.”

Doch nog om eene andere reden zou ik niet wenschen op deze wijze internationale strafrechtelijke bepalingen in het leven te roepen. Ons internationale publiekrecht heeft nog niet die vlucht bereikt, waarop het internationale privaatrecht kan bogen. Doch beiden moeten zich steeds met een palliatief behelpen, waar het geldt het in leven roepen van internationale bepalingen. Dit palliatief bestaat daarin, dat eene conferentie van gedelegeerden uit verschillende landen de grondslagen vaststelt, volgens welke de Regeeringen beloven aan de wetgevende macht hunner landen voorstellen voor eene wettelijke regeling in te dienen of er worden resoluties genomen in den vorm van wettelijke bepalingen, die de bedoelde Regeeringen aannemen door de respectieve wetgevers tot wet te doen verheffen. Er is geen ander middel mogelijk. De zuiverste wijze van handelen zou zijn, dat een centraal gezag of centrale wetgever over die landen bevoegd is de wettelijke bepalingen uit te vaardigen, die in het internationaal belang noodig blijken te zijn. Doch tot zulk een hoogte is het internationaal recht nog niet gevorderd, een dergelijk centraal gezag ontbreekt vooralsnog. Daarom ben ik eenigszins afkeerig van het gebruik van een dergelijk palliatief (tot welke punten van verschil dit aanleiding geeft heeft nog onlangs het internationale tractaat van 1897 voor de regeling van eenige bepalingenvan formeel privaatrecht aangetoond) en zou ik mij wenschen te houden aan andere onder I en II aangegeven beginselen, die den grondslag vormen voor een deugdelijke regeling.

De omvang van de werking van ons strafrecht is nauwkeurig aangegeven in de artt. 2–7 Wetboek van Strafrecht en wel voornamelijk volgens het territorialiteitsbeginsel. Iedereen is strafbaar voor feiten op ons territoir gepleegd. Verder onder bepaalde voorwaarden en beperkingen ieder Nederlander voor in het buitenland gepleegde misdrijven. Ten slotte ook de vreemdeling, die bepaald aangegeven misdrijven in het buitenland pleegt. Deze beginselen heerschen in zekere mate meer of minder verschillend in de meeste strafwetten. In ieder geval ware ’t anders wenschelijk, dat zij op gelijke wijze in alle landen bestonden. Dit zou een gezonde grondslag vormen om de criminaliteit tegen te gaan, waarnaast tevens een ruime erkenning van het onder II aangegevene, met name van het instituut der uitlevering, moest bestaan.

Eene dergelijke uniforme regeling en vaststelling van uitleveringstractaten voor zoover zij nog niet bestaat, zou ik in alle moderne strafwetboeken ingevoerd wenschen te zien. Dit is van belang voor de bestrijding van de internationale criminaliteit in het algemeen, van den internationalen meisjeshandel in het bijzonder.

Doch hiermede hebben wij ons doel nog niet bereikt. Waar het territorialiteitsprincipe overheerschende is, is het van het grootste gewicht aan te geven waar het gepleegde feit berecht moet worden, m. a. w. er maggeen twijfel bestaan aangaande den locus delicti commissi. Daarom moet zoowel om ’t feit, dat ik, zooals blijken zal, de mogelijkheid van meerdere loci delicti commissi aanneem, als ten gevolge van de omstandigheid dat in bijna iedere strafwet naast het territorialiteitsbeginsel nog andere principes gehuldigd worden, in acht genomen worden, dat er geen botsingen ontstaan tusschen de strafvorderingder verschillende staten. Hiertegen zouden bij eene internationale conferentie maatregelen te nemen zijn. Van den buitenlandschen handel wensch ik niet te maken een delictum sui generis. M. i. voldoet art. 250bisvoldoende aan de behoefte, indien wij het oogmerk om de vrouw of het meisje in ontucht buiten het rijk te doen leven als verzwarende omstandigheid aannemen. Te meer, daar de punten van internationaal strafrecht, die ik hierboven aanstipte, in onze wet reeds grootendeels gevonden worden.

Ik zou deze gequalificeerde daad van meisjeshandel dan willen neerleggen in art. 250ter, dat dan aldus zou luiden:

Art. 250ter“De schuldige aan een der in het vorige artikel omschreven misdrijven wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden, indien het oogmerk van den dader daarop gericht was de vrouw in het buitenland aan de prostitutie over te leveren.” De hierop volgende artikelen zijn ook op dit artikel van toepassing, zooals reeds gebleken is.

Ook hier is voor het voltooide delikt natuurlijk hetzelfde van toepassing, wat ik supra over art. 250biszeide. M. i. is de strafbaarstelling van den buitenlandschenhandel op deze wijze correcter dan ze in art. 48 van het DuitscheAuswanderungsgesetzvan 9 Juni 1897 plaats heeft. Daar heet het toch: “Wer eine Frauensperson zu dem Zwecke sie der gewerbsmässigen Unzucht zuzuführen mittelst arglistiger Verschweiging dieses Zweckes zur Auswanderung verleitet,” u. s. w. Wat is toch de kwestie? DeVerleitung zur Auswanderungkan plaats gehad hebben om de reis korter te maken b. v. van Maastricht over Hasselt naar Amsterdam, verder om niettegenstaande het bedoelde oogmerk als einddoel de vrouw of het meisje in het buitenland eerst in een overgangsstadium te doen verkeeren. M. a. w. er is hier niet aangegeven, dat de“gewerbsmässige Unzucht” in het buitenland moet plaats hebben.

Inzooverre acht ik mijn artikel beter.

De schuldige van art. 250bistweede lid moet weten, dat de dader dit oogmerk koestert.

Het strafbare feit isgepleegd. Waar moet het berechting vinden m. a. w. welke strafwet moet worden toegepast? Wanneer het strafbare feit gepleegd, voltooid is, gaf ik reeds aan.

Onder A 3 van de resoluties van het Congres te Londen werd besloten: “To prevent any conflict of jurisdiction by determining theproperplace of trial.” Welke redenen aanleiding kunnen geven tot eenig conflict gaf ik reeds hierboven aan.

Neem aan dat de meisjeshandel zoowel in Nederland als Duitschland op denzelfden grondslag strafbaar gesteld is; in beide landen heerschen dezelfde bepalingen ten opzichte van den omvang van de werking der strafwet.De verleiding van een Hollandsch meisje om in een Duitsch bordeel te gaan is in Nederland voltooid. Zonder twijfel moet dan de berechting in ons land plaats hebben. Heeft evenwel het misdrijf van art. 250bisjo250ter1º deels in Nederland, deels in Duitschland plaats gehad, dan zou ik van het volgende beginsel wenschen uit te gaan. Waar een misdrijf deels in het eene land, deels in het andere land is gepleegd, mag de rechtsorde in beide landen zoodanig daarbij betrokken geacht worden, dat berechting in beide landen gerechtvaardigd is. Zoolang dus slechts een deliktsbestanddeel in het eene land gepleegd is, is ook de rechter van dat land bevoegd in te grijpen. Heeft b. v. het misdrijf plaats van 250 bis 2elid: de begunstiger neemt in Keulen het meisje van den placeur of het plaatsbureau onder zijn hoede en reist met haar naar Amsterdam, waar zij in een bordeel geplaatst wordt. Zoowel de Duitsche als de Nederlandsche rechter zijn dan bevoegd. Aan welken moet dan evenwel de berechting overgelaten worden? Dit geschilpunt zou ik wenschen, dat ook op een internationale conferentie uitgemaakt werd. Bij slot van rekening zal, dunkt mij, de processueele opportuniteitsvraag den doorslag moeten geven. Welke rechter zal het dan wel moeten zijn? Zeer moeilijk is het in weinige woorden de wenschelijkheid van ’t een of andere beginsel te bepleiten. Is de rechter bevoegd der lex originis van den dader of van de vrouw? Soms de rechter van ’t land, waar de vrouw zich aan de ontucht overgeeft? Of wellicht van het forum deprehensionis? Deed ieder geval zichzeer eenvoudig voor, dan zou ik het laatste beginsel verkiezen, om mij aan ’t bovengenoemde voorbeeld te houden: de dader wordt te Amsterdam gevat. Om processueele redenen zou ik n. l. in dit geval aan het forum deprehensionis den voorkeur geven. Doch dit beginsel is ook niet vol te houden, daar juist wegens het ambulante van de bezigheid van den dader deze wellicht na 1 of 2 dagen in België, Frankrijk, Oostenrijk of Engeland verblijft en daar gevat wordt. Dan moet er uitlevering plaats hebben, doch aan wien?

Aan Nederland of aan Duitschland? Na nauwgezette overweging komt ’t mij voor, dat bij internationaal tractaat de rechter van dat land tot de berechting bevoegd is, waar de vrouw thuis behoort; ik bedoel hier niet hare nationaliteit, maar daar waar zij woont, van waar men dus mag verwachten, dat in de meeste gevallen de verleiding begonnen is. En processuëele redenen op den achtergrond schuivende omdat zich toch steeds moeilijkheden zullen voordoen, die bij tractaat moeten opgelost worden, geef ik dit voor de aanneming van gemeld beginsel als hoofdargument op, dat juist daar, waar de vrouw thuis hoort het rechtsbewustzijn het meest geschokt is door het plegen van het misdrijf tegen iemand, die alom meer of minder bekend is.

Voor de strafprocedure is vooral met ’t oog op ’t bewijs van eminent belang de rechtshulp van het andere land b.v. om te weten te komen of de dader werkelijk het bewuste oogmerk bezat.

’t Is buitendien van het hoogste belang voor de ontwikkeling van het internationaal strafrecht in ’t algemeen,voor de berechting van den meisjeshandel in ’t bijzonder, dat tractaten regelen, in hoeverre vreemdelingen gedwongen kunnen worden als getuigen gehoord te worden, of en in welke gevallen zakelijke bewijsmiddelen ten dienste van een strafproces afgestaan kunnen worden, in hoeverre rogatoire commissiën toelaatbaar zijn en de dwang voor den vreemde rechter bestaat om aan de verzoeken te voldoen. De consulaten zouden in deze kwesties ook een rol kunnen vervullen. Wie de kosten der rechtshulp moet dragen en de regeling hiervan moet alsdan ook vastgesteld worden.

Daar bij deze strafbare feiten dikwijls meer dan een persoon betrokken is, die ieder zelfstandige feiten plegen waarvan het complex de vrouw ten val moet brengen, zal in ’t belang van het onderzoek in vele gevallen voeging noodig blijken te zijn. Voor den Nederlandschen rechter geeft het wetboek van strafvordering eenige gevallen van connexiteit (art. 87–91). Aldus zou een tractaat ook voor connexiteit in gevallen van internationalen meisjeshandel voeging kunnen ordenen.

Voor het geval een Nederlander in het buitenland een der strafbare feiten van art. 230bis-250quaterbegaat, zijn de artt. 52ºen 68 van het Wetb. v. Str. in acht te nemen.

Ten opzichte van de toepassing van art. 251 vierde lid n.l. de recidive van daden van verkoop van vrouwen wensch ik het groote belang te betoogen, dat individuën, reeds in een anderen staat een strafvonnis ter zake van een dergelijk feit ten hunne laste hebbende, in onzen staat, als recidivisten zullen veroordeeld worden en omgekeerd.

Wanneer eens als gevolg van eene internationale conferentie de bedoelde feiten op denzelfden grondslag strafbaar gesteld zullen zijn, dan kan er geen bezwaar bestaan bij tractaat, dat daarna voor onzen Staat wettelijk goedgekeurd zal zijn, aan het buitenlandsche strafvonnis internationale rechtskracht te verleenen, althans voor zoover dat voor de recidive noodig zal blijken te zijn.

In aanmerking nemende, dat de boven ontworpen strafbepalingen, hoe streng zij ook zijn, dikwijls niet bij machte zullen zijn preventief te werken uit hoofde van het feit, dat de te behalen winsten van dien aard zijn, dat men hare strengheid durft trotseeren, verder dat degenen, te wier behoeve de werving geschied is, evenzeer een groote mate van criminaliteit openbaren, wensch ik nog aan te bevelen een nieuw artikel, dat als art. 250quintuseen geval van gequalificeerde koppelarij moet opleveren. Het luidt aldus:

Art. 250quintus. Hij die opzettelijk het plegen van ontucht door eene op de wijze in art. 250bis of ter omschreven voor de prostitutieaangeworvenvrouw met een derde teweegbrengt of bevordert, wordt als schuldig aan begunstiging van handel in blanke slavinnen gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.3

Ten slotte acht ik voor het behoud van art. 452 Sw. geen gegronde argumenten aanwezig. In Hoofdstuk VI § 1 bij de behandeling van de wetgeving in Nederland besprakik dit artikel uitvoerig. Ik wil daarom hier niet in herhalingen vervallen door deze mijne meening nog maals te argumenteeren.

Doch hoe te zorgen dat deze strafbepalingen geen doode letter blijven? Hier moet de politie aan ’t woord komen. In deze materie heeft zij een groote rol te vervullen. Hare taak is tweeledig; preventief: ter voorkoming en afwending van deze gevaren; repressief: ter opsporing van deze gepleegde delikten. Op dit laatste deel van haar taak doelde ik zooeven. Laat ik evenwel de justitiëele politietaak aanstonds behandelen.

Duidelijk heb ik reeds in het begin dezer proeve doen uitkomen, dat ik niet veel heil verwacht van opheffing van bordeelen ten opzichte van deze feiten. Integendeel streng toezicht op de bordeelen acht ik van meer nut. Zoowel preventief als repressief kan de politie werkzaam zijn, als zij een onbeperkt recht van toegang heeft in deze huizen. In die gemeenten, waar het houden van een bordeel op straffe verboden is, moest de wet verlof verleenen, dat de dienaren der politie bij vermoeden van overtreding zoo ruim mogelijke bevoegdheid verkrijgen, b. v. met schriftelijke toestemming van het hoofd der plaatselijke politie, de verdachte huizen binnen te treden.

Van groot belang acht ik, dat de politie op de hoogte gekomen van verdachte handelingen van suspecte individuën openlijk waarschuwingen richt aan het publiek. Particuliere vereenigingen kunnen haar groote diensten bewijzen.

Met enkele woorden wil ik wijzen op enkele punten,die Dr. Gruber in zijn rapport op ’t Criminalisten Congres te Budapest, Sept. 1899, onder zijn desiderata rangschikte.Eventueeleuitreiking van een buitenlandsche pas moest geweigerd kunnen worden aan minderjarige vrouwen, die ’t land onder verdachte omstandigheden verlaten willen. Uitschrijven van belooningen aan de aanbrengers van deze gewraakte praktijken. M. i. een zeer af te keuren beginsel. Bewaking van stations en stoombootaanlegplaatsen, rondreizende vrouwelijke politiedienaren. Photographieën en metingen volgens Bertillon genomen van de bekende de koppelarij uitoefenende individuën aan de politieoverheden der groote steden te zenden en verder van deze stukken een internationaal ruilsysteem in ’t leven te roepen, zou Dr. Gruber wel willen aanbevelen.—Ofschoon dit laatste votum meer als een algemeene wensch voor eene doortastende bestrijding der internationale criminaliteit mag aangemerkt worden, ontken ik haar groot belang niet voor de bestrijding van den meisjeshandel in ’t bijzonder. Onderlinge civiliteit van de politiemagistraten der verschillende landen is juist, behoudens enkele uitzonderingen, in deze materie het eenige, dat dienstbaar gemaakt wordt aan ’t keeren van deze internationale criminaliteit. Doch van groot gewicht moet geacht worden zoowel voor de repressie als voor de preventie van deze misdrijven eene op internationale overeenstemming berustende wederzijdsche verplichting der politieoverheden elkaar de noodige inlichtingen, gevraagde hulp—deze laatste nader te omschrijven—te verleenen om deze euveldaden af te wenden, degevolgen ervan te keeren. (Zonder twijfel is ook voor de bestrijding van de internationale misdadigheid in ’t algemeen van belang, dat dergelijke politieëele bevoegdheden en verplichtingen in algemeene bewoordingen omschreven worden.)

Wat nu reeds als internationaal collegiale vriendelijkheid wel betracht wordt behoorde een wettelijken, althans een bij tractaat vastgestelden grondslag te hebben; b.v. het wederzijds op de hoogte brengen van doen en laten van beruchte individuën, van verdachte lieden, voorzoover dit tenminste volgens ’t oordeel der politieoverheid zelve haar voor de handhaving der rechtsorde in ruimeren zin doeltreffend voorkomt. Wat deze materie speciaal aangaat kan der overheid van de plaats van bestemming, indien deze bekend is, verzocht worden een oogje in ’t zeil te houden in gevallen waarin personen onder min of meer verdachte omstandigheden, die evenwel nog tot geen ingrijpen aanleiding kunnen geven, het land verlaten.

Wanneer eenmaal het strafbare feit gepleegd is, (of wanneer men vermoedt dat er een gepleegd is) treedt de politie als justitiëele op. Zij staat hier onder het gezag der justitiëele ambtenaren zelve. Hare bevoegdheid en plicht om hier in het belang der internationale bestrijding van den meisjeshandel op te treden hangt dus af van de bevelen haar gegeven door de justitie zelve, wier bevoegdheid, van internationaal formeel strafrechtelijk karakter, om bevelen uit te vaardigen, weer afhangt van de op tractaten of wetten steunende bevoegdheden en plichten om indezen werkzaam te wezen. Welke desiderata hier te vervullen zijn, besprak ik reeds hierboven.

Waar het misdrijf gepleegd is, kan het kwaad reeds geleden zijn en is ’t ook mogelijk, dat de gevolgen nog niet zijn ingetreden. In ’t eerste geval moeten de verdere gevolgen gekeerd worden, in ’t tweede, het intreden afgewend. Met andere woorden het slachtoffer moet in bescherming genomen worden. Dit gebiedt ons ook art. 4 eerste lid van onze Grondwet. Hier bij den buitenlandschen handel komt dan vooral in aanmerking de zorg, dat de vrouw gelegenheid hebbe het land te verlaten en naar haar eigen land terug te keeren, dat zij te kwader ure zonder volkomen vrijheid van toestemming (in den meest ruimen zin) verliet.

Bij tractaat moeten de zich aansluitende staten de verplichting op zich nemen iedere vrouw, die aan de ontucht overgeleverd is door misleiding van anderen op haar verzoek weder naar het land, waar zij woonde (natuurlijk, mits zij onderdaan was van een der staten onderteekenaars van het tractaat) terug te leiden. Doch ieder land moet dan voor zich zelve regelen stellen om uit te maken, dat van dit favoriet-voorschrift geen misbruik gemaakt worde, b.v. door eene vrouw, die wel als slachtoffer van een placeur gevallen is doch zich binnen korter of langer tijd volkomen verzoend heeft met het ontuchtig leven. ’t Zou toch mogelijk zijn, dat een dergelijke vrouw na langen tijd den aandrang in zich voelde opkomen om kosteloos naar haar land terug te keeren. Hiertegen moet gewaakt worden. Het verdrag moet dan voorschrijven,dat hierop nauwkeurig toegezien moet worden, en de nationale wetgeving hiertegen doeltreffende regelen moet geven.

Ten opzichte van minderjarigen moet dan nog dit beginsel aangenomen worden, dat zelfs tegen haar wil de meisjes op verzoek der personen die volgens de wetten des lands gezag over haar hebben, kunnen teruggevoerd worden, natuurlijk slechts dan, wanneer zij door toedoen van placeurs prostituées zijn geworden. (wenschelijk is ’t, dat ’t ook in alle andere gevallen geschiede, doch dit raakt de materie, die ik behandel,niet.) De status ante moet toch zooveel mogelijk hersteld worden.

Dit terugvoeren naar het land, waarvan de vrouw herkomstig is, is zuivere politietaak. Bij de behandeling der drie verklaringen tusschen Nederland eenerzijds en België, Oostenrijk en Duitschland anderzijds sprak ik over de zoogenaamde “uitleiding” uitvoerig.

Ik wees er daar reeds op, dat in het laatste geval de politie optreedt als gevolmachtigde der gezaghebbenden, hetzij ouders of anderen. In het eerstgenoemde geval, dus daar waar zij de terugkeer bewerkstelligt van haar, die in den val gelokt zelf verzoekt uitgeleid te worden, treedt eene taak der politie op den voorgrond, die een uitvloeisel is van haar algemeene bevoegdheid en plicht op te treden en in te grijpen waar de zorg voor de veiligheid der rechtsorde en voor de bescherming van het individu dergelijk ingrijpen rechtvaardigen. Grondwettelijken steun vindt deze zorg voor vreemdelingen in art. 4 Grondwet.

Om reciprociteit te waarborgen en efficaciteit van den maatregel te bewerkstelligen is vaststelling en nadere regeling bij tractaat gewenscht. Wat de financiëele lasten betreft, die mogelijkerwijze op den Staat zouden kunnen drukken, is nadere wettelijke goedkeuring vereischt in volge art. 59 tweede lid van onze Grondwet.

Met nadere regeling van de uitleiding bij tractaat bedoel ik juist eene regeling, die ten doel heeft te zorgen, dat met de uitleiding werkelijk gevolgen bereikt worden, die haar in waarheid den naam kunnen geven van een maatregel te zijn ter bescherming van het slachtoffer van den meisjeshandel.

Men heeft getracht in de respectieve drie verklaringen zooeven genoemd, ook aan dezen eisch te voldoen. M.i. zou dit het beste resultaat opleveren. Daar waar het verzoek geschiedt door de vrouw of het meisje zelf, moet bij tractaat de verplichting opgelegd worden, dat de politie van het land, waar de vrouw zich tijdelijk bevindt, aan de politie van het land, waarheen de vrouw uitgeleid wordt (in casu b.v. van de plaats, waarvan zij herkomstig was) kennis geeft van plaats en tijd der uitleiding; nadere inschikkelijkheden moeten geheel afhangen van het plichtsgevoel der betrokken autoriteiten en van haar onderlinge overeenstemming. Waar beide staten niet aan elkander grenzen, moet deze zelfde hoofdregel in acht genomen worden. De overheid van den anderen staat kan dan of zelf aan de plaats van uitleiding de hoede over de vrouw op zich nemen of zij kan schikkingen treffen met denstaat van doorreis om het terugbrengen zoo doeltreffend en economisch mogelijk te bewerkstelligen.

De staat, waar het meisje zich bevindt, moet op zich nemen in de gevallen, waarin de personen die gezag over de minderjarige hebben het verzoek tot de overheid richten, hun zelf bericht te geven van de plaats en tijd der uitleiding. Nadere afspraken kunnen tusschen de politie en deze personen gemaakt worden. En de ouders of anderen kunnen aan de politie van hun eigen land het verzoek richten als hun gemachtigden op te treden.

Doch in het laatste geval is de kostenkwestie een belangrijke factor. Van welk standpunt moeten wij uitgaan? Er bestaan slechts 2 mogelijkheden: òf de respectieve staten dragen alle kosten òf de belanghebbenden doen dit. Een derde mogelijkheid dat beiden ze zullen dragen moet reeds aanstonds verworpen worden bij gebreke van hoegenaamd iederen maatstaf, die voor deze deeling geschikt zou kunnen zijn. Ik ga hier vooral uit van de rechtsbeginselen geldend in onzen Nederlandschen Staat. En dan pleit m.i. het beginsel waarom in deze materie ingegrepen wordt, n.l. de bescherming van hoogst gewichtige rechtsbelangen, geheel voor de beslissing dat de staat of staten de kosten zullen dragen. En verder nog een negatief argument, dat in het tegenovergesteld geval de ouders door te hooge kosten ervan afgeschrikt kunnen worden het belang hunner kinderen te bevorderen door hun uitleiding te verzoeken. De kosten zouden bovendien in vele gevallen wegens insolventie der betrokken personen niet te verhalen zijn.

Elders wees ik reeds op de gewichtige taak, die in deze stof de consulaire ambtenaren te vervullen hebben; daarheen verwijs ik in hoofdzaak op deze plaats (zie pagg. 77, 128–130.)

Dit zijn de desiderata, waarvan de vervulling, naar het mij voorkomt, in werkelijkheid de koop en verkoop van meisjes in dien zin, dat er werkelijk ernstig gevaar voor de integriteit van gewichtige rechtsbelangen ontstaat, en welke ik in deze proeve behandelde, zal kunnen tegengaan. Met alle bescheidenheid bied ik deze te nemen maatregelen de bevoegde machten dan ook ter overweging aan.

Bestaat er evenwel een gegrond motief voor onzen Minister van Justitie om niet het initiatief te willen nemen tot de internationale bestrijding van dit kwaad? Dat de binnenlandsche handel niet in die mate bestaat, dat zij een dergelijk initiatief zou rechtvaardigen geef ik toe, maar daarvoor wordt ze ook niet verlangd. Doch de import is omvangrijk genoeg om krachtige maatregelen van internationalen aard te treffen. Iedere staat toch heeft een roeping te vervullen zoowel ten opzichte van zijn ingezetenen als van de op ’t gebied van dien staat komende vreemdelingen. Ik verwijs nogmaals naar art. 4 eerste lid van onze Grondwet.

Dit artikel heeft een dieperen zin, dan de eerste lezing zou doen vermoeden. Gelijke aanspraak hebben allen, die zich op ’t grondgebied van het Rijk bevinden, op bescherming van persoon en goederen. Het valt niet te ontkennen, dat het de plicht van iederen staat tegenover zijn eigen onderdanen is de verwezenlijkingvan hun geluk zooveel mogelijk te bevorderen door hun belangen voorzoover het kan geschieden zonder dat de staat zijn werkkring overschrijdt, in bescherming te nemen.

Het grondwetsartikel gebiedt dit ook ten opzichte van vreemdelingen. Men interpreteere het dus niet te eng door er slechts in te lezen, dat op den vreemdeling behalve de in art. 4 tweede lid genoemde gevallen geen uitzonderingsgevallen op de positief bestaande beschermingsvoorschriften toelaatbaar zijn.

Neen, maar waar voor den onderdaan eventueel in hetzelfde geval verkeerende als de vreemdeling maatregelen ter bescherming zouden geschapen worden, daar moeten indien de vreemdeling in dat geval verkeert, dezelfde pogingen tot bescherming aangewend worden.

Daarom zou ’t mij voorkomen, dat het met deze voorgaande beschouwingen in overeenstemming is, en niets er zich tegen verzet, dat van Nederland ook in deze materie het initiatief voor eene internationale regeling uitgaat en naar mijne bescheiden meening een regeling ’t beste gebaseerd op de door mij in dit proefschrift voorgestane beginselen.

1Men verwijte mij geen inconsequentie. Zooals ik zeg, de gevallen van “abuse of authority” zijn niet onder den blanke slavinnenhandel te ordenen. Hier wordt toch gedoeld op “abuse of authority” als middel, waardoor de kinderen vallen. Waar ik hierboven in dit geschrift sprak van verwaarloozing of misbruik van gezag, was sprake van een der oorzaken, die de resultaten van den handel in vrouwen en meisjes kan bevorderen.2Na den aanslag te Barcelona is een dergelijk voorstel uitgegaan van Spanje. Het is evenwel afgestuit op den tegenstand van Engeland, dat zich door zijn geïsoleerde ligging immuun genoeg gevoelde om het vooralsnog zonder dergelijke internationale strafrechtelijke regelen te kunnen stellen. “Les répressions des attentats anarchistes” par M. Albéric Rolinin deRevue de droit international et de législation comparée, tome 26, pag. 150.3’t Is natuurlijk, dat, indien in een gegeven geval de vereischten voor strafbaarheid ter zake van medeplichtigheid aan verkrachting aanwezig zijn, in volge art. 55 de bepaling van art. 242 joart. 48 toegepast moet worden.

1Men verwijte mij geen inconsequentie. Zooals ik zeg, de gevallen van “abuse of authority” zijn niet onder den blanke slavinnenhandel te ordenen. Hier wordt toch gedoeld op “abuse of authority” als middel, waardoor de kinderen vallen. Waar ik hierboven in dit geschrift sprak van verwaarloozing of misbruik van gezag, was sprake van een der oorzaken, die de resultaten van den handel in vrouwen en meisjes kan bevorderen.

2Na den aanslag te Barcelona is een dergelijk voorstel uitgegaan van Spanje. Het is evenwel afgestuit op den tegenstand van Engeland, dat zich door zijn geïsoleerde ligging immuun genoeg gevoelde om het vooralsnog zonder dergelijke internationale strafrechtelijke regelen te kunnen stellen. “Les répressions des attentats anarchistes” par M. Albéric Rolinin deRevue de droit international et de législation comparée, tome 26, pag. 150.

3’t Is natuurlijk, dat, indien in een gegeven geval de vereischten voor strafbaarheid ter zake van medeplichtigheid aan verkrachting aanwezig zijn, in volge art. 55 de bepaling van art. 242 joart. 48 toegepast moet worden.


Back to IndexNext