Chapter 41

Berbers uit Nefzaoea.Berbers uit Nefzaoea.

Berbers uit Nefzaoea.

Berbers uit Nefzaoea.

Wij kwamen juist te Yffren, toen een nieuw bataljon het oude kwam aflossen, dat er sedert een jaar verblijf hield. Het stadje was in groote drukte. De grootste en bontste levendigheid heerschte rondom de vesting en in de café’s van Tagrebost. De esplanade vóór de kazerne weerklonk van het gehinnik der duizend kameelen, welke de benoodigdheden voor het nieuwe garnizoen hadden meegebracht. En dat alles gaf aan dit afgelegen hoekje in den verblindenden zonneschijn een vroolijkheid, die men er zelden zal treffen.

De Turken hebben een modern fort gebouwd op de plaats van de oude vesting, waar de Berber Roema in 1850 het turksche garnizoen opsloot en zoo voor een korten tijd het geheele district aan de overweldigers ontrukte. De herinnering aan den moedigen patriot is er dan ook nog levendiger dan elders. Dagelijks hoort men de heldendaden roemen van dien eersten schutter, die bij den krijg aan zijn omgeving den vijand aanwees, dien hij raken wilde en als hij het geweer tegen zijn wang had gelegd, nooit zijn schot miste. Zijn belangrijkste tactiek bestond in een nadering gedurende den nacht tot aan den voet der vestingen met al zijn aanhangers, die veel stroo droegen. Door middel van ladders en lange stokken wierpen dan de belegeraars bossen brandend stroo over de wallen en meestal stierven de garnizoenen den dood door verstikking, vóór ze zich nog hadden kunnen overgeven.

Bij mijn nieuwen gastheer vond ik een uitstekende keuken, waar onze vermoeide magen de grootste behoefte aan hadden. Aan tafel was een jonge gazelle van de partij, die uiterst aanhalig was en die allerlei lekkers kreeg. Maar liever dan iets anders had ze een snuifje tabak.

Toen we ons den 15den April weer op weg begaven, was onze karavaan vrijwat aangegroeid door het gevolg van den monteçarref Yoessoef, die vergezeld werd door zijn secretaris-generaal, zijn uitstekenden kok, een menigte bedienden en politiebeambten en eindelijk door de jonge negerin Zenep. Dit krachtige, mooie meisje van ongeveer twintig jaar wist niets van haar eigen afkomst. Al in haar eerste jeugd was zij door kooplieden van haar ouders weggevoerd en was naar Fezzan gebracht, waar de turksche overheden haar in vrijheid hadden laten stellen.

Ons doel was nu het district Orfella, dat is het zuidoostelijk gedeelte van het tripolitaansche plateau.

In de Boven-Soff ed Dinn.In de Boven-Soff ed Dinn.

In de Boven-Soff ed Dinn.

In de Boven-Soff ed Dinn.

Geheel Tahar, zooals men het binnenland van het groote plateau wel noemt, helt af naar het Zuiden. De helling begint al bij den noordrand, zoodat de grond aan de Middellandsche Zee snel daalt, terwijl de kant van de Sahara geleidelijk overgaat tot de hoogte van Rhadames en Sokna. Een andere helling is aan den oostkant, maar die is nog van minder beteekenis dan de eerste. De wadi’s Soff ed Dinn en Zemzem, de groote waterbergplaatsen van de streek, zouden dus zich naar het Zuiden moeten richten; maar zij stuiten op reeksen kleine rotsen, evenwijdig aan die van de Djebels, waarlangs ze genoodzaakt zijn een abnormale richting in te slaan, die ze naar de golf der Groote Syrte voert. Om van Yffren naar Orfella te gaan is de rechte weg, en de eenige bruikbare vanwege het water, de bedding van een dezer wadi’s, de Soff ed Dinn. Wij betraden die bedding op eenige kilometers afstands van Djendoeba, waar we ons ophielden, om interessante ruïnen te zien.

We hielden er een triomfantelijken intocht, in staatsie begeleid door de notabelen van de plaats, die toegesneld waren voor de begroeting van hun grooten turkschen heer. Een talrijk escadron omringde ons met hulde, en de levendige, kleine paardjes van de inlanders gingen ten slotte allen aan het galoppeeren. Toen we het punt bereikten, dat voor het kamp bestemd was, konden velen hun paarden niet inhouden en reden een heel eind door.

De ruïnen van Djendoeba komen plaatselijk overeen met het Vinaza van de bekende route van Antoninus. De inboorlingen noemen de plaats tegenwoordig Ibaria of Jeriben. Ik heb daar veel overblijfselen gevonden van een dorp op een reeks van heuvels. Goed bewaard waren die van een christelijke basiliek, waar men de byzantijnsche kruisen nog op vele plaatsen kan herkennen.

Er bestaan in Tripolis verscheiden sporen van het Christendom, dateerend uit den tijd toen de keizers in Konstantinopel regeerden, of liever te Byzantium. Het zijn geen kluizen voor eenzamen zooals in Boven-Egypte, maar kloosters en kerken, zooals Pacho in zoo grooten getale heeft gezien op het cyreneïsche plateau. Zulke koloniën van geloovigen en getrouwen vindt men tot aan de uiterste grenzen van het vilayet en ze bewijzen, dat in den aanvang hunner heerschappij de overheerschers, die het mohammedaansche geloof aanhingen, de christelijke ongeloovigen met rust lieten. Maar dezen, die te kampen hadden tegen aanvallen van de zuidelijker wonende volken, versterkten hun woningen en verscholen zich erin bij het minste gevaar. Daarom treft men, als men verder naar het binnenland komt, een grooter zorg voor de weerbaarheid in die christelijke streken; van Misda af worden het echte vestingen, liggend op alleenstaande hoogten.

Gedurende drie marschdagen, drie lange en moeilijke dagen, ontdekten wij geen enkel nomadenkamp. De onvruchtbaarheid van den grond is zoodanig, datmen veronderstellen moet dat in de oudheid de streek tusschen Yffren en Misda al niet meer bevolkt was; maar er waren stellig enkele stations van een weg, die erdoor liep, want daarvan zijn sporen te vinden te Elmdina en Skiffa.

Elmdina, op 20 K.M. afstands ten zuiden van Djendoeba, is een eindelooze, zandige vlakte, in welker midden zich de muren van een groot vierkant verheffen. De schoonheid en de afmetingen van de behouwen steenen leggen getuigenis af van veel en zorgzamen arbeid. De plaats moet wel belangrijk geweest zijn, dat de Romeinen er gewerkt hebben met van verre aangebrachte materialen. De groote buitenmuur, waarvan elke zijde 40 M. lang is, diende zonder twijfel tot verblijf voor de karavanen, die op reis waren. Men kan er nog in het midden overblijfselen van de vesting vinden met den zeer versterkten ingang. De antieke documenten leeren ons niets omtrent Elmdina, dat van de Arabieren den bijnaam van Ragda heeft gekregen. Die benaming beteekent “Slapende Stad” en is waarschijnlijk afkomstig van een mohammedaansche legende, volgens welke het in de ruïnen spoken zou, zoodat er elken nacht schimmen zwierven, die dan op de muren zouden slapen.

Wij bereiken de bedding van de Soff ed Dinn bij de samenkomst met de wadi Lilla. Samenvloeiing zou men zeggen, als het rivieren waren, maar hier vloeit niets; het zijn niet anders dan kloven, waarin geen enkel adertje water te zien is.

Voortgekomen uit de golvende vlakten ten zuiden van Djado, wordt de Soff ed Dinn al gauw een kloof met loodrechte wanden. Te Misda is ze reeds een kilometer breed en verder strekken zich soms tien of twaalf kilometer uit tusschen den eenen en den anderen oever van de bedding.

Ik denk, dat de naam van Soff ed Dinn, die Dal der duivels beteekent, aan de wadi gegeven is om de massa slangen, die er in het zand leven. Die groote pythons maken slachtoffers onder de kudden vanaf de velden van Toeboel tot de zee toe. Mijn mannen lieten mij vlokken wol zien, die aan de struiken hingen. Dat waren volgens hen de bewijzen van verwoede gevechten tusschen de boa’s en hun prooi. Ik heb in een doear den vader van een herder gekend, die gedood werd door een slang; dat was het vorige jaar gebeurd, en toen de kameraden van den jongen man op zijn kreten naderbij waren gekomen, hadden ze geen hulp meer kunnen bieden, want hij was al dood zonder een enkele wond. De slang werd doodgeslagen, maar men had nog alle moeite gehad, om het lijk los te maken, zoo vast had het gezeten tusschen de spiralen van het monsterachtige beest.

De reeks van ruïnen zet zich onafgebroken voort op de beide oevers der wadi. Tininaye bezit een mooien tempel met fraai behouwen steenen, waar de nomaden van heden de totems van hun stam op de wanden teekenen. De muren zijn er vol van.

Ronde torens vindt men vooral daar, waar de Soff ed Dinn zich tot een vlakte verbreedt. De kasr Argoes schijnt de hoofdvesting te zijn geweest voor het geheele vlakke land, want de hooggelegen ruïnen zijn ontegenzeggelijk die van een versterkt kasteel, waar desnoods alle bewoners der streek een toevlucht konden vinden.

Er bestaat een steeds weer voorkomend samentreffen van de romeinsche ruïnen en de tegenwoordige kampen van de nomaden. Wij konden dat vaststellen, niet alleen voor de bedding der Soff ed Dinn, maar ook voor alle andere wadi’s uit de buurt. Dus zijn de bebouwbare gedeelten van het land dezelfde nu en vroeger.

Men treft geen enkel spoor der Romeinen buiten de laagten; een bewijs, dat de Romeinen zich, evenals de nomaden van thans, tot de beddingen der wadi’s bepaalden. De voet der oude monumenten, gelegen aan de rand der steenachtige vlakten, toont buitendien, dat de grond zich op zijn niveau heeft gehandhaafd, en dat tusschen de rivierdalen de cultuur oudtijds even onmogelijk was als nu. Maar de sporen, die we ontdekken in de diepten der kloven, duiden op een veel belangrijker exploitatie van den grond dan tegenwoordig.

In een land, waar de oudheid haar rijke landouwen had, leidt de inboorling in onze dagen een kommervol bestaan. En toch zijn de klimaatstoestanden niet veranderd, zooals blijkt uit de teksten en de monumenten. Dat is een gevolg van het feit, dat de Romeinen werkers waren, terwijl de Arabieren in smadelijke luiheid verkwijnen. Men moet in Tahar zich de grootste inspanning getroosten, wil men op eenig resultaat hopen, omdat het water, dat aan de oppervlakte ontbreekt, overal onder den grond te vinden is. Zoodra men het maar boven brengt, om het leemhoudend zand te besproeien, groeit de haver, dat het een lust is. Maar de vochthoudende lagen liggen op groote diepte. De weinige putten, die ik heb ontdekt, hadden een diepte van 60 of 80 meter. Ten tijde der Romeinen had men door talrijke boringen en vernuftige stuwwerken, die eeuwen lang in goeden staat werden gehouden, schitterende resultaten bereikt. De Arabier wil liever in den zonneschijn liggen slapen en een ellendig leven leiden, en sinds hij zich in het land heeft neergezet, heerscht er de verlatenheid. Buiten enkele oasen aan de zee en de dalen, waar in het bergland Berbers wonen, wandelt de reiziger in Tripolitanië door maanlandschappen; als niet de intensiteit van licht en de hevige winden het anders leerden, zou men zich kunnen wanen op de koude schors van onzen nachtelijken wachter.

Wij verlieten de Soff ed Dinn te Argoes, om de steenachtige plateaux over te steken, die de wadi van Orfella scheiden. Dat oversteken van vlakten vol enorme steenen is des te vervelender, daar wij het moesten doen in donker, nevelachtig weer. Geen grassprietje, geen enkele bodemverheffing verbrak de doodsche eentonigheid. Wij moesten vaak afdalen in diepe wadi’s, die plotseling voor ons lagen met zoo diepe, steile wanden, dat wij van hun bestaan nog geen vermoeden hadden op een afstand van 200 M. Zoo eentonig zijn die vlakten, dat de inboorlingen er den weg niet zouden kunnen vinden zonder de hoopen steenen, die ze op bepaalde afstanden hebben bijeengebracht om de richting aan te geven. De resten van zwart vulkanisch gesteente geven een verhoogde somberheid aan het landschap. Men denkt aan een aardbeving, die alles heeft opgebroken en de brokken heeft rondgestrooid.

Orfella, waar we den 22stenApril aankwamen, bestaat uit een tiental dorpen op een rij langs debeide oevers van een diepe kloof, de Ceni Cellid. Boe Abbas, Guaïda, Sikha, Dahaka, Hosna, Turba, Kir Anala, Trara liggen, boven de breede, vlakke rivierbedding, op hun hoogten van ongeveer honderd meter. Vlakte, rand en dal, alles is vleeschkleurig. De steenen, waarvan de huizen zijn gebouwd, hebben dezelfde nuance, en men zou de dorpen niet kunnen onderscheiden, als niet de deuren of poorten er zwarte rechthoeken in aanbrachten. Boe Abbas geeft eenige afwisseling met zijn bazaltlagen, want de turksche vesting is geheel en al van zwarte steenen opgetrokken. De lava schijnt er zich over het kalkgesteente hebben uitgespreid als een half gestolde massa. Op de bewonderenswaardige doorsneden, die de wanden der kloven te zien geven, kan de geoloog in diepere lagen het kalktufgesteente herkennen, gevormd uit oever- en mosselschelpen. Boven dat tufgesteente konden wij een laag van zeer mooi marmer onderscheiden. De bedding van de wadi Orfella is door de inboorlingen herschapen in een goed onderhouden olijvenaanplanting en in havervelden. Te Tripolis roemt men de vruchtbaarheid van dit hoekje der woestijn; maar wat beteekent dat eigenlijk? Nauwelijks de uitgestrektheid van een fonteinbekken op het Concordeplein! Dit hoekje is daarenboven een geliefd oord voor schorpioenen. Men kan gerust zeggen, dat ze zich onder elken steen ophouden. Er werden drie gevonden in mijn mantel, toen die een oogenblik op den grond had gelegen. Ik weigerde de aangeboden gastvrijheid in de woningen, omdat de schorpioenen er in de daken huizen en zich ’s nachts op de slapenden laten vallen. Beter is het, de tenten in de open lucht op te slaan en den vloer van het kamp goed aan te vegen.

In Orfella is het afschuwelijke insect grooter dan dat in Europa, maar groenachtig van kleur. De inboorlingen zijn bang voor zijn steek, maar zeggen, dat die niet doodelijk is. Als men de wond inwrijft met zekere kruiden, is men binnen vier-en-twintig uren weer beter. Misschien zijn ze op den duur ongevoelig geworden voor het gif van geslacht op geslacht. Maar zeker is het, dat een vreemdeling het grootste gevaar loopt, getuige een arabisch bakker uit Tripolis, die eenige minuten nadat hij gestoken was, aan de wond overleed.

Elken avond vulde zich mijn tent met verschillende bezoekers. Er werd mij veel verteld van zekere ruïnen te Ghirza in het bekken van Zemzem, en ze werden mij beschreven op een manier, dat men wel lust moest krijgen, ze te gaan zien. Ik vatte dus het besluit, ons zoo ver naar het Zuiden te begeven.

Na drie dagen kwam ik tot de overtuiging, dat ik daarvoor noch gidsen, noch escorte zou hebben. Het zij zoo! Dan er maar alleen op uit! Zoo verliet ik Orfella, om naar het Zuiden te trekken zonder een andere aanwijzing dan een vage omtrent de richting. Daar er doears in Zemzem moesten wezen, had ik slechts voor drie dagen proviand en voedsel voor de beesten meegenomen, wat ook al juist zooveel was, als onze kameelen konden dragen. Ik trok voorop, zonder mijn zakkompas een oogenblik van onder mijn oogen te verwijderen—dat arme kompas, dat ons eenig houvast was in een afgrond van eenzaamheid, waar de aan vaste woonplaatsen reeds gewende Arabier geen voet zal zetten.

Het verschrikkelijk steenachtige plateau, dat zich tusschen de evenwijdig loopende wadi’s, de Beni-Cellid en de wadi Zemzem uitstrekt, maakt deel uit van de oostelijke uitloopers der hooge tripolitaansche gronden, die in lage rotsen eindigen aan de lagune van Taorgha, die nu verzand is. De paarden en kameelen struikelden onophoudelijk over de enorme steenen, vielen soms en bezeerden zich. Men zou hun spoor kunnen volgen, door de bloeddruppels, die ze laten vallen te midden van al dit puin, dat wel wat lijkt op de ruïnen van een reuzenstad. Wij moesten wel besluiten te voet te gaan in een hitte, die iemand een zonnesteek dreigt te bezorgen. Nachtigal klaagde over een dagreis, waarbij hij acht uren had moeten loopen; wij legden er 12 af en een enkele maal 15. De reusachtige, maar smalle kloven van de wadi’s Akrima, Ageroe, Sjdaff, Tala noodzaakten ons tot moeilijke afdalingen en daar op volgende klimpartijen om weer op het plateau te komen, waarbij telkens de kameelen moesten ontladen en weer belast worden, zooals al eenmaal te Mahmoed het geval was geweest. Een zandstorm bij Tala hield ons gedurende tien uren op onze plaats en had den verstikkingsdood van een der paarden ten gevolge.

Tot overmaat van ramp raakten de levensmiddelen op. Ik kon er niet aan denken, op onze schreden terug te keeren in den staat, waarin zich onze menschen en dieren bevonden na twee dagen zonder water en in een toestand van algeheele uitputting. We zouden allen dood zijn, vóór we de helft van den terugweg hadden afgelegd. De ellende scheen ten top gestegen, en alleen een wonder scheen ons te kunnen redden....

Het wonder deed zich voor. Op denzelfden avond van den storm bij Tala, op het oogenblik, toen het kamp juist gereed was in een zijdal van de Zemzem, deed een alarmsein mijn heele personeel opschrikken. Er verschenen gewapende mannen, in de schemering naderend.... Ik greep naar de wapens en trad naar voren. Die schrikwekkende figuren waren slechts vreedzame leden van een karavaan, die zout tusschen Siout en Nefoesa moesten vervoeren. Wij gaven elkander inlichtingen en verbroederden ons. Voor eenige geldstukken werd mijn voorraad aangevuld voor twee dagen, en de karavaanleiders brachten ons op den rechten weg.

In deze buurt is de Zemzem niet anders dan een breed lint van gras zonder rotsen. Het gele zand van de bedding is wel geschikt voor den verbouw van graangewassen, en de arme nomaden gaan zaaien, waar ze oude leidingen aantreffen, die nog in staat zijn het regenwater vast te houden. Zoo is Sadé bewoond door een honderdtal menschen, terwijl men ver in het rond geen levende ziel vindt.

De beroemde ruïnen van Ghirza liggen tien kilometer ten westen van Sadé bij de monding van een kleine wadi op den zuidelijken oever van de Zemzem.

Er was mij niets te veel verteld van die ruïnen; de monumenten overtroffen nog ver mijn verwachtingen; ze zijn de mooiste van geheel Tripolitanië.

Toen we er aankwamen, werd ons oog het eerst door de muren van een echte stad getroffen. De 8 tot 10 meter hooge gebouwen hebben muren van kleine, vierkante steenen, zorgvuldig ineengevoegd, Een twintigtal van die reusachtige woningen bekronennog den linkeroever van de wadi Charza, 300 M. van de uitmonding in de Zemzem. De huizen hadden minstens twee verdiepingen en waren door omheiningen ingesloten; eenige vertoonden zware, ronde torens. De stad gelijkt in niets op Sabratha, Oca en Leptis, waar alle gebouwen van gehouwen steen zijn, waar de tempels, de paleizen, de openbare bouwwerken druk versierd zijn.

Te Ghirza heeft de zeer soliede aangelegde stad in het geheel geen versieringen; alles is er ingericht alleen met het oog op stevigheid en gemak. De afmetingen en het aantal der huizen doen denken aan die regelmatig aangelegde plaatsen in Amerika, de nieuwe steden, plotseling verrezen te midden van pas geëxploiteerde terreinen.

De welvaart is hier zeker vroeger groot geweest en heeft blijkbaar lang stand gehouden, want twee even groote plaatsen liggen naast Ghirza, één op denzelfden oever en de andere op de tegenoverliggende zijde. Nergens in Afrika vindt men graven, met deze te vergelijken, wat de proporties en den rijkdom van het beeldhouwwerk betreft.

De moesjir van Kasr Karaboeli.De moesjir van Kasr Karaboeli.

De moesjir van Kasr Karaboeli.

De moesjir van Kasr Karaboeli.

De ondergrondsche doodenstad bestaat nog uit zeven mausoleums, boven elkander op de helling van de kloof. Het eerste, het dichtst bij de stad, heeft vorm en grootte van een echten tempel. De forsche, min of meer gedrongen bouw doet denken aan egyptische bouwwerken. Hier is het graf van een vrouw, Mnimir genoemd, wier gedenkteeken is opgericht door haar zoons, Nasif en Nathsjisj. Dat zijn blijkbaar inlandsche namen, ofschoon het opschrift en de aanleg van het monument romeinsch zijn. De andere mausolea, die nog hooger, maar smaller zijn, doen niet voor het eerste onder; de zuilen en de reliëfs zijn zelfs nog rijker.

De necropool, die aan de andere zijde van de kloof ligt, gelijkt veel op de eerste; maar zij bezit een graf, dat eenig is in zijn soort. Het is een obelisk van wel 15 M. hoogte op een voetstuk, welks zijden niet meer dan 1.50 M. breed zijn. Twee lijsten verdeelen het in drie verdiepingen, waarvan de hoogste in een kapiteel uitloopt. In de verte denkt men aan een naald. Alle opschriften leeren ons, dat de daar begraven personen Numidiërs waren.

Uit die doodensteden kan men nog meer leeren, en wel feiten, die we niet zouden hebben verwacht. Ze staan duidelijk te lezen op de middenlijsten en de basreliëfs, waar de bijzonderheden van het huiselijk leven uit dien tijd, dat is uit de vierde of vijfde eeuw, zijn voorgesteld. Ik heb er afdrukken gemaakt van tooneelen, die even merkwaardig als amusant waren. Men ziet er o.a. vrouwen, die haar kinderen zoogen of voor den haard de spijzen bereiden; krijgslieden, die met zonderlinge wapens strijd voeren; jagers, die leeuwen vervolgen en gazellen en giraffen. Al die personages zijn gekleed in costumes, waarvan zelfs de herinnering is verloren gegaan.

De kameel, voor den ploeg gespannen, komt zeer dikwijls terug. Bekend is het, dat de archaeologie zich nog niet had uitgesproken over den tijd, waarop de kameel in Afrika werd ingevoerd. Men nam algemeen aan, dat het dier uit Arabië afkomstig was. De onlangs plaats gehad hebbende opgravingen in Tunis hebben bewezen, dat het schip der woestijn reeds zijn diensten bewees in den romeinschen tijd aan den oever der Middellandsche Zee. Maar men had nog geen zekerheid over zijn voorkomen in het binnenland; daar had men de aanwezigheid nog niet vastgesteld. Ghirza zegt, dat het nuttige beest er zes eeuwen vóór de komst der Mohammedanen al bestond en dat het niet alleen, als tegenwoordig, voor het bereizen van de woestijn werd gebruikt, maar ook bij den landbouw zijn werk verrichtte.

Het fokken van een sierlijk paardenras hield eveneens de bewoners van Ghirza bezig, die aan wedrennen deden, niet met het leelijke, lompe berbersche paard, maar met een slank en lenig dier, dat aan de mooiste syrische paarden herinnert. Waarschijnlijk had men den struisvogel nog niet getemd, zooals tegenwoordig in Soedan en aan de Kaap; maar men hield zich bezig met de jacht op den struis, stellig reeds om van de veêren gebruik te maken. Ik vermoed zelfs, dat de stierengevechten niet onbekend waren, want op de kroonlijsten staan mannen afgebeeld, die met stieren worstelen.

Enkele medaillons stellen personen voor, behangen met edelgesteenten en sieraden, waardoor men aan groote plechtigheden of feesten wordt herinnerd.

Men staat versteld over het onderscheid tusschen het verleden dezer stad en den tegenwoordigen uitgestorven toestand rondom die ruïnen. De tooneelen uit bakkerijen, wijngaarden, oogstfeesten, die op de steenen zijn gebeeldhouwd, zeggen met groote duidelijkheid, dat korenvelden, wijngaarden en vruchtenboomen den nu dorren en kalen bodem vroeger hebben bedekt. Buiten enkele Johannesbroodboomen in de wadi Ghirza, ziet men nu geen sprietje boven den zandigen, steenachtigen grond uitkomen. Dus nog eens, wat kan die geheimzinnige stad geweest zijn?

Goochelaar bij de Berbers.Goochelaar bij de Berbers.

Goochelaar bij de Berbers.

Goochelaar bij de Berbers.

Ik had daar op die plek een paar zware oogenblikkenin mijn leven.... Toen we ons gereed maakten, de eerste photografieën te maken, weigerden de drie toestellen, die te veel geschud hadden op de ruggen der kameelen, den dienst. Zoo zouden wij dan beroofd worden van de kostbaarste documenten der geheele reis! Bij geluk kon Pepino, de vernuftige Pepino, de instrumenten herstellen en avond op avond ontwikkelden wij met levendige voldoening de uitstekendste cliché’s.

Ik was eerst voornemens, langs de kust naar Tripolis terug te keeren en wel achter de oude lagune van Taorgha, maar de bewoners van Sadé, die den weg kennen, hebben er nooit iets bijzonders van de dingen, die ons interesseeren, gezien, terwijl we, als we over Misrata gaan door Nefed en Merdoem, nog meer “zeer groote en zeer schoone” graven zullen ontmoeten.

Onder het geleide van den kaïd rijden we dus naar de wadi Nefed, die we bereiken bij de monding van haar zijtak, de wadi Ahmed. De Nefed heeft zich in deze buurt een zeer diepe bedding uitgeschuurd in het plateau. De oevers zijn zoo steil en zoo volkomen evenwijdig aan elkander, dat ze doen denken aan de gevels van een reuzenstraat.

Al de oude plaatsen, waarvan wij de overblijfselen hebben gezien, lagen op de hoogte een eind van den den rand der kloven, om geen last te hebben van den plotselingen was van het water. De stad van de Ahmed lag op vijf of zes meter van den rand slechts. Ik kon mij die anomalie, ik zou zelfs zeggen die zorgeloosheid, niet verklaren, want dit was niet een dorpje, ’t welk maar voorloopig werd gebouwd, maar een voor vast bestaand middelpunt, dat nu door zijn ligging aan plotselinge overstroomingen blootstond. Een graf in den vorm van een obelisk, minder hoog en minder weelderig dan dat van Ghirza, stond boven op een rots. Aan den anderen oever van de Nefed zag men dergelijke sporen der romeinsche beschaving in overvloed. Zij kwamen voor langs de geheele wadi tot aan de zee. De mooiste zijn die van Lakadië.

Onze kaïd verliet ons te Merdoem. Wij werden toen meteen den ouden Hammer kwijt, dien ik zijn congé gaf. Dat lastige personage had mij bij verschillende gelegenheden doen twijfelen aan zijn eerlijkheid en betrouwbaarheid. Te Orfella had hij ... verloren, dat wil zeggen, gestolen mijn degenstok dien ik nuttig oordeelde in een land, waar het goed is, altijd gewapend te wezen, zonder dat het steeds noodig is, dat ieder dat ziet. Te Tala had hij er schuld aan gehad, dat we verdwaalden, door vol te houden wat hij bleek niet te weten. Dienzelfden avond eindelijk had hij de nachtwake op zich genomen, die nooit verzuimd mag worden om de vele gevaarlijke zwervers. Toen ik wakker werd, vond ik hem niet in het kamp, en niemand stond in zijn plaats op schildwacht. Ik liet dadelijk allen opstaan. Hammer kwam bij het krieken van den dag terug, en nooit ben ik gewaar geworden, waar hij vandaan kwam. Ik betaalde hem zijn loon en met zijn zoon er bij verdween hij.

Hieruit blijkt nog eens voor de zooveelste maal, dat men nooit vertrouwen moet stellen in een Arabier, zelfs niet in den besten. Dit was er nu een die gedurende twintig jaren bediende geweest was van den engelschen consul en meeging op diens jachtpartijen; die mij op de geheele reis van 1901 had vergezeld; dien ik altijd als vriend had behandeld, en wien ik alles gaf waar hij om vroeg. Zonder eenige reden, misschien maar zoo door een herleving van den haat tegen de Christenen, verbittert hij willekeurig ons leven. Ik kan niet laten, de schouders op te halen, als ik fantazeerende critici hoor zeggen: “Wij weten niet om te gaan met de Arabieren”. Men kan de Arabieren niet winnen; ze verachten ons, omdat wij Roemi’s zijn. Behandel ze streng, ze zullen gehoorzamen, maar om later wraak te nemen. Behandel ze met zachtheid en ze zullen gelooven, dat ge bang voor hen zijt, en ge zult niets er bij winnen, noch iets van hen gedaan krijgen. Met strengheid komt men nog het verst.

Tusschen Merdoem en Misrata is de weg zeer goed; men passeert vlakten, waarin de Mimoevan Misrata, de Sassoe en haar zijtak, de Aoegeran mooie, groene linten trekken en waar veel kampen en groote kudden zijn.

De bevolking is er bij uitzondering zachtzinnig en gastvrij. Elken avond bracht ze mijn lieden een grooten schotel bazine in een zeer gekruide saus, die voor een europeesch verhemelte niet te verdragen is.

De notabelen hurkten neer bij den ingang van mijn tent en zaten er uren lang. Daar ieder Roemi in de oogen van de Afrikanen een dokter is, brachten ze hun zieken naar mij toe, en mijn apotheekje werd onder hun handen ledig. Een van hen dreef de naïveteit zoo ver, dat hij mij naar het geheim vroeg, om mannelijke kinderen te krijgen, de eenige die meetellen in de mohammedaansche wereld. Een ander vertrouwde mij een middel toe, om oogenblikkelijk de hevigste kiespijn te genezen, door namelijk op de pijnlijke plek een weinig water te brengen, dat lauw was gemaakt door een gloeienden vuursteen.

Enkele van die notabelen bezaten Le-Grasgeweren. Die hadden ze gekocht van smokkelaars, wier voorraad afkomstig was uit Griekenland, waarheen ons ministerie van oorlog zijn oude geweren kwijt wordt. Maar die geweren dienen niet anders dan voor de pronk, omdat ieder patroon ongeveer drie francs kost, een enorme som voor dat land.

Onze laatste dagreis, om te Misrata te komen, had zeventien uren geduurd. Het was middernacht, toen we eindelijk de stad binnenreden bij maneschijn, na twee uur een kronkelenden weg onder palmen te hebben gevolgd. Daar ze van onze komst verwittigd waren, wachtten ons de turksche ambtenaren met een flink maal. Een glas frisch water en een sigaret, waarvan we lang gespeend waren geworden, doen mij een genoegen, als niets anders mij had kunnen verschaffen. En welk een vreugd, een bed met witte lakens te vinden! Mijn kamer was het zonderlingste museum, dat men bedenken kan. De Arabier, wien zij toebehoort, heeft er alle europeesche voorwerpen bijeengebracht, die hij te Tripolis had kunnen vinden, muziekdoozen, lampen, phonografen, stereoscopen lagen op de meubels met braadpannen, komforen, en laarzen. De dientafeltjes en kastjes waren overdekt met gekleurde prenten, ontleend aan het Petit Journal en modeplaten. Aan de wanden hingen decoraties tegenover risten schoenen. Het was een allercurieuste kamer en ze werd dan ook bewaard voor vreemdelingenvan beteekenis. De eigenaar zelf houdt er nooit verblijf.

Ik gebruikte er mijn maaltijden met den kaïmakan, een jongen turkschen ambtenaar, die goed Fransch sprak. Wij dronken abominabele champagne, die in Duitschland gemaakt was en naar Afrika was geëxpediëerd met de beste fransche namen.

De hoofdplaats Misrata ligt ongelukkig niet aan zee, dus geniet zij niet of weinig van de booten der italiaansche maatschappij, welke de naburige havens aandoen. De oase, waar de plaats het middelpunt van is, heeft een lengte en breedte van ongeveer tien K.M. en wordt bewoond door zoowat 30.000 inwoners, die voorraden haver in silo’s opstapelt en zich verder bezighoudt met het vervaardigen van zeer gewaardeerde wollen tapijten. Volgens Barth zou de stad het oude Thebunte zijn van de reis van Antoninus.

Naar het zeggen van den arabischen schrijver Marmol dreef men er in de Middeleeuwen een levendigen handel met christelijke zeevaarders, voor wie de bewoners de tusschenpersonen waren met de negers uit den Soedan. De Venetianen kwamen er een kostbare soort wol halen en men sprak van de Misrataolie zooals nu van Genuaolie. Venetië verkreeg ook haar muskus, ivoor, struisvogelveêren van de karavanen en verkocht er glaswaren. Te Misrata voorzagen zich de marokkaansche en algerijnsche pelgrims naar Mekka van paarden, die ook naar Alexandrië werden uitgevoerd. Tegenwoordig bepaalt zich de markt bijna alleen tot de dingen van plaatselijk gebruik en tot wat de karavanen noodig hebben tusschen Tripolis en Benghazi. Een dezer karavanen komt elken Vrijdag en neemt stoffen van gestreepte wol mee, die Margoem heeten en in het vilayet worden gebruikt.

De meeste kooplieden zijn joden; enkelen zijn Franschen, omdat ze uit Algerië of Tunis afkomstig zijn. De arabische reiziger Hasjaïsji beweert, dat er geen veiligheid van personen en goederen is, maar wij hebben ons hier over niets te beklagen gehad. Zlitten, vijftig K.M. verder westelijk, ligt in een groote oase; de bevolking is er zeer vechtlustig en vlug met het mes, wat de joden dikwijls tot hun nadeel ondervinden.

Van Zlitten bracht een marsch van drie dagreizen ons te Tripolis terug. Het was hoog tijd, want mijn personeel en de dieren konden niet meer, en de duur van de reis was langer geworden dan ik had verwacht.

In April 1904 begaf ik mij met een nieuwe karavaan weer op weg. Moeni, een Israëliet, ging met ons mee; hij was photograaf van professie. De moesjir van Kasr Karaboeli gaf mij vijf ruiters tot geleide, onder bevel van den turkschen luitenant Mehemet Ali.

Mijn reisplan, dat opgemaakt was met den wensch voor oogen, zooveel mogelijk datgene te zien, dat ons in 1901 en 1903 was ontgaan, bracht ons eerst naar de wadi Lebda, de droge bedding, die van den Tarhoena komt en oudtijds de binnenhaven van Leptis Magna voedde. Wij volgden de kloof, en we vonden telkens sporen van verdwenen welvaart.

Te Hamoet was onze eerste halt op een eenzamen heuvel met een zeer vervallen kasteel erop. De zorgeloosheid der Arabieren op het punt der hygiëne bleek er door den afschuwelijken stank, dien het lijk van een hond verspreidde, zonder dat de Arabieren het uit de nabijheid van hun kamp verwijderden.

Msellata, waar we nog denzelfden avond aankwamen, is het voornaamste middelpunt in die buurt en onderscheidt zich door zijn vruchtbaarheid en door de steenen huizen.

Gedurende ons trekken door de heuvels van Msellata ontmoetten we telkens kudden schapen en geiten. Het was een mooi ras, en deze schapen voorzien dan ook ten deele in de behoeften van de slagerijen van Malta, Soessa en Sfax. Ze worden gemiddeld voor 12 francs verkocht op de markten van Tripolis, van waar ze tot zelfs naar Engeland worden verzonden.

Ten zuidwesten van Msellata verdwijnen de boomen geheel, we ontmoeten nog slechts hier en daar een nomadenkamp, in de zandvlakte verloren of te midden van een alfagraswoestijn. Het alfa is hier zeer algemeen.

Te Kasr Tarhoena hervond ik den uitstekenden Ahmed Bey, die mij het vorige jaar in Aboe Adjelat had ontvangen. Hij was nu kaïmakan van dit plateau en hield verblijf in een der primitieve fondoeks. De kaïmakan had juist een nieuwe vrouw aan zijn harem toegevoegd; ze was den vorigen dag aangekomen op een kameel in een prachtigen palankijn, waarvan de gordijnen zorgvuldig gesloten waren. Wij konden het schoone getimmerte met de weelderige behangsels en het fraaie schilderwerk bewonderen, want de kameel wandelde op de esplanade rond met het geheele toestel op den rug.

Er werd gefluisterd, dat de jonge vrouw zeer schoon was. De eerste echtgenoote moet veel tranen hebben vergoten, toen zij hoorde van de andere. Maar zij zal zich nog wel eens aan iets dergelijks stooten, want de man is nog zeer jong, en de Arabieren vullen hun gezinnen meer dan eens op deze wijze aan. Wie door den heer niet weggestuurd wordt, mag zich al gelukkig rekenen.

Het diepe dal van de Rhane scheidt Tarhoena van Cariana. Langs steile kloven gingen wij erheen en troffen daar de eerste troglodytenwoningen.

De bevolking van Gariana is arabisch en bestaat uit vier stammen; allen hebben woningen onder den grond. Het land is er vruchtbaar en brengt veel koren voort; enkele dalen zijn bedekt met prachtige olijven, zoo forsch, dat hun takken elkaâr raken en over heele afstanden schaduw geven. Er bestaat in geheel Tripolitanië geen zoo frisch en groen land.

Ten zuiden van Gariana ontmoette ik veel karavaanleiders, die na drie jaren van afwezigheid uit Soedan terugkeerden. Zij waren vol lof voor de Franschen en schenen de beste herinneringen te hebben behouden aan de fransche troepen, die de karavanen tusschen Zinder en Aïr begeleiden.

Van Gariana sloegen we de richting naar Misda in Tahar in, dat midden in de Soff ed Dinn is gelegen. Te Koeleba, waar wij juist onze tenten zouden opslaan, kwam een man op ons toeloopen, een arabisch koopman uit Tripolis, die een groot vriend van onzen officier was. Hij was rijk en was erop gesteld, om ons ten zijnent te ontvangen. Hij drong zoo aan, dat wij er wel in moesten toestemmen ondanks onzen afkeer van de woningen der inboorlingen, waar de rust altijd door legers van ongedierte wordt verstoord. Een grot, die veel te klein was voor ons allen, kon ons voor den nachtworden aangeboden en wij waren blij toen de morgen aanbrak.

Op den weg naar Misda deed ik een uitstapje met Mehemet Ali in oostelijke richting, om de ruïnen van El Edjab te zien, die wij zonder moeite vonden. Er was nog een reusachtig mausoleum te midden van veel puinhoopen; maar we konden geen enkel fragment vinden van de standbeelden, die in de nissen moesten hebben gestaan en ook geen enkele aanwijzing in een opschrift. Te Tesjé voegden wij ons weer bij de anderen en spraken daar met het hoofd Salem el Soehlé, die zich erover beklaagde, dat de handel zich zoo langzaam herstelde van den slag, hem door Rabah toegebracht door de verwoestingen, die hij aanrichtte in den Soedan, en die den doorvoerhandel hebben geknakt.

Van de drie uitvoerartikelen zijn twee hem geheel ontgaan, namelijk de struisvogelveêren en het ivoor. Hij voert nu nog gelooide huiden uit, waarvan er vele naar de Vereenigde Staten gaan. De veêren worden haast niet meer verhandeld op de markt te Parijs, omdat men de voorkeur geeft aan die van de Kaap boven die uit Tripolis, en het ivoor, dat veelal uit Wadaï werd aangevoerd, gaat, sedert de spoorweg naar Khartoem klaar is, den Nijl af naar Alexandrië in plaats van met karavanen naar Tripolis en Bengazi.

Chemsa-moskee in het Garianadal.Chemsa-moskee in het Garianadal.

Chemsa-moskee in het Garianadal.

Chemsa-moskee in het Garianadal.

Misda, waar we tegen den avond aankwamen, is arabisch en ligt in de Soff ed Dinn. Ook die plaats heeft in den laatsten tijd geleden door de verplaatsing van den handelsweg. Het ligt, waar de wegen naar Fezzan en Rhadames samenkomen; maar tegenwoordig gaan de karavanen van Tripolis naar Fezzan over Orfella en die van Tripolis naar Rhadames over Djado. Zoo is Misda een verlaten plaats geworden en de menschen leden er blijkbaar gebrek. Wij hielpen hen nog aan eenige voedingsmiddelen, want het jaar was zeer droog geweest en de ellende was groot.

De secte der Senoessi’s heeft veel invloed in het gebied om Misda, en al gehoorzaamt men er voor het uitwendige aan de turksche ambtenaren, in hun hart is de gehoorzaamheid aan de “broeders”.

Een dag nadat we Misda achter ons hadden gelaten, kwam een bode uit die plaats ons waarschuwen, dat de weg niet veilig was, want dat er Toearegs op roof uit waren. Het zijn lastige roovers, die het vooral op fransche karavanen voorzien hebben, sinds velen der hunnen uit de fransche Sahara verwijderd zijn. Mehemet Ali dacht er over, om te keeren, maar ik besloot goed wacht te laten houden en het ergste af te wachten. De Toearegs vertoonden zich niet, en wij zetten over Kedoea onzen tocht naar Tripolis voort.

Daar aangekomen, konden wij met voldoening op de reis terugzien, die ons veel merkwaardigs had geleerd en ons had doen zien, dat de landbouwkolonies der Romeinen op juist dezelfde plekken waren aangelegd als waar nu nog bouwland is. Waterleidingen, stuwdammen, putten, steden, dorpen en versterkte vestingen toonen aan, hoe belangrijk de romeinsche kolonie er was, en hoe de latere bezetting door de Arabieren aan een periode van bloei een eind heeft gemaakt. Indien ooit de vervallen plaatsen weer tot bloei zullen komen, moet het zijn zonder de luie en onverschillige Arabieren, maar met andere kolonisten, hetzij met blanken of met negers.


Back to IndexNext