III.

Boerenhoeve uit de buurt van het klooster Bistritza.Boerenhoeve uit de buurt van het klooster Bistritza.

Boerenhoeve uit de buurt van het klooster Bistritza.

Boerenhoeve uit de buurt van het klooster Bistritza.

Het stadje Ocna, waarvan wij spoedig de eenige en zeer breede straat doorrijden, schijnt wel druk en aantrekkelijk. Mag ik het bekennen? Na het slechte logies van de laatste dagen voelen we ons een beetje treurig, dat wij hier niet bij de geneugten van Ocna kunnen blijven, tusschen die lachende villa’s, waar elegante menschen op de balkons en veranda’s te zien zijn. Wij hebben echter pas onzen spijt onder woorden gebracht, of daar zijn we alweer in het open veld tusschen gescheurde en vuile en gelapte tenten, waaromheen een dichte menigte Zigeuners krioelt. Zij zien er verbazend woest en onheilspellend uit, en hun optreden verschilt veel van de zachtheid en goedmoedigheid der Zigeuners, die wij tot nu toe in Roemenië hebben ontmoet.

Na drie kwartier rijdens komen we in Romnicu. Dat is een echt roemeensche stad. De hôtels met hun galerijen langs de eerste étage, gebouwd om binnenpleinen als echte, oostersche karavanserai’s; de theaters in de open lucht, waar drama’s en vaudevilles worden opgevoerd; de restauraties, waar Turken met reukwerk uit het serail rondgaan; tot de nachtwachts toe, die met geregelde tusschenpoozen een scherp en snijdend gefluit doen hooren, dat in de slapende stad de echo’s wekt juist als ’t geroep der schildwachten in vestingen, dat alles geeft aan Romnicu een zeer bijzonder karakter.

Geleund tegen het gebergte, ziet het stadje de rijke vlakte van de Olt vóór zich uitgespreid met reuzenvelden van tarwe en maïs. Roemenië brengt, naar men weet, in overvloed koren voort en voert jaarlijks een massa daarvan uit. Maar de boeren bebouwen het land slecht; ze verbranden mest en vertrouwen enkel en alleen op de vruchtbaarheid van den grond. Daar zij buitendien in ’t geheel geen begrip hebbenvan sparen of van zuinigheid, komt er, indien de oogsten door overstrooming, hagel of droogte mislukken, dadelijk hongersnood in het land.

In Servië is bij een wet van 1889 vastgesteld, dat in elke landelijke gemeente gemeenschappelijke voorraadsschuren moeten worden aangelegd, die bestemd zijn de gevolgen van schaarschte aan voedingsmiddelen te voorkomen, en die in geval van oorlog ook moeten dienen voor de behoeften van het leger.

Ieder belastingplichtig Serviër moet jaarlijks 90 K.G. maïs en evenveel kilo’s graan storten. Als een boer door het een of ander ongeval gebrek heeft aan levensmiddelen, ontvangt hij van den gemeenschappelijken voorraad wat hij voor voeding en zaaisel noodig heeft, op voorwaarde, dat hij het volgend jaar teruggeeft, ’t geen hij voor zijn oogenblikkelijke behoeften in voorschot heeft gekregen.

Die instelling bleek van onbetwistbaar nut in den servisch-bulgaarschen oorlog en bij de overstroomingen van 1897, die even noodlottig waren voor Servië als voor Roemenië. Bij de Roemeniërs echter vond men niets van dat alles, en dit gebrek aan voorzorgen plaatst hen op een lager standpunt. Gelukkig is thans een wetsontwerp aangeboden in den geest der servische wet.

Graan is niet het eenige uitvoerartikel uit het district Romnicu. Deze geheele hoek van de Karpathen bezit mineralen in overvloed, goud, zilver, kwikzilver, ijzer, koper, arsenicum en lood; maar tot nu toe worden die schatten bijna niet geëxploiteerd.

Van Romnicu uit wordt meestal het uitstapje gemaakt naar den pas van den Rooden Toren. Die weg is te allen tijde de groote strategische route naar Walachije geweest; hij gaat over de Alpen op de plaats, waar zij hun grootste hoogte bereiken en waar zij den indruk van de grootste woestheid maken. Het is de natuurlijke weg voor invallen in het land, en Trajanus volgde hem, toen hij de Daciërs overwon, evenals de Turken er gebruik van maakten bij de verovering van Hongarije.

Die lange bergpas, waar wij door zullen gaan, is door alle eeuwen der geschiedenis heen telkens getuige geweest van heldhaftigen strijd. Maar van dat verleden vol bloed en vol glorie zijn nu nog maar zeer weinig sporen over.

Vier lustige paardjes, vóór elkander aangespannen, brengen ons in vier-en-een-half uur bij den Rooden Toren, op 64 K.M. afstands van Romnicu. Bij ’t verlaten der stad heeft men een zeer ruim uitzicht over het dal van de Olt, dat op die plek bijzonder breed is. Daarna nadert men snel de donkere Karpathen, en welkom is het oponthoud in het aardige, kleine stadje Calimanesti, bekoorlijk gelegen en met minerale, zwavelhoudende bronnen in de buurt en andere, die staal en jodium bevatten, zoodat ze jaarlijks een groot aantal badgasten lokken.

De kleeding der vrouwen heeft in dit deel van het dal een eigen karakter. Haarcastrinza’szijn met veelkleurige pailletten bestikt en fonkelen daardoor, als de zon erop schijnt, en haar sluiers, altijd van zeer licht en doorschijnend weefsel, vertoonen allerlei tinten; men ziet ze in groen en geel, in rose en bruin.

Dichtbij Cozia wordt het landschap grootsch; vulkanisch gesteente in zware vreemd gevormde rotsen komt tot dichtbij den weg. Wij passeeren het klooster van Cozia, welks kerkje op de rots ter linkerzijde troont, terwijl rechts zich de oude, nu gerestaureerde en in gevangenis herschapen kloosters verheffen. Voorbij Cozia sluiten hooge, steile rotsen den weg al nauwer in, terwijl de Olt ernaast voorbij bruist, zooals zij ons langs den geheelen pas zal blijven vergezellen.

Aan den anderen oever vestigt de koetsier onze aandacht op de nog zeer duidelijke sporen van den grooten, romeinschen weg op een grooten, afzonderlijk liggenden steen, die, van den berg losgeraakt, over de rivier hangt. Het is de Tafel van Trajanus. De legende zegt, dat boven van dien steen af, waar hij zijn tent had opgeslagen, Trajanus toezag op het voorbijtrekken van zijn zegevierende legioenen.

Arenden zweven boven onze hoofden en dalen langzaam op en tusschen de verbrokkelde rotsen om ons heen. Dichte boomen overschaduwen den eenzamen weg, en de zeer in ’t nauw gebrachte Olt bruist en schuimt als een woedende bergstroom.

De weg behoudt dat woeste en grootsche karakter over een afstand van 17 à 18 K.M. Het is altijd de strijd tusschen den stroom, die zich een doortocht banen wil, en de rots, die hem den weg verspert. Vandaar de tallooze bochten en kronkelingen, die wij hebben te volgen in den loop van de rivier.

Daarna treden langzamerhand de bergen weer terug, en armoedige dorpjes krijgen ruimte aan de kalmer geworden Olt. Daar ligt vlak aan de rivier een ruïne van een romeinsch fort, waar een herberg zich geïnstalleerd heeft. Hooger, op den top van een heuvel vindt men de overblijfselen van het kasteel Landskron, van waar het gezicht op het dal buitengewoon prachtig is. Veel kudden ossen, buffels en schapen vinden er uitstekende weiden. Wij komen nu bij de Fogarasbergen, den Surul en den Negoï met scherpe toppen, waarvan de uitgetande vormen somber afsteken tegen een donkeren onweêrshemel. Bij een vernauwing van het dal doen zich, gekleefd aan de rots en over den weg hangend, de ruïnen voor van den Rooden Toren, die zijn naam aan den bergpas heeft gegeven. Volgens de legende was dat fort eenmaal zoo rood van het bloed der Turken, dat de witte muren onder de roode kleur als verdwenen, en ter herinnering aan dien bloedigen dag heeft men de muren helder rood geverfd.

Romnicu is 34 K.M. verwijderd van Curtea de Arges, dat herinnert aan Radu Negru, den eersten woiwode van Walachije, die in 1244 er zijn hof,curtea, aan de rivier de Argis vestigen kwam. Hij is echter niet, zooals de overlevering wil, de stichter van het klooster, dat niet hooger dan tot 1512 opklimt. De kerk, gebouwd door Radu Negru, is de “Biserica Domneasca,” vorstelijke kerk, in het midden der stad gelegen. Zij dreigt in puin te vallen, en daar ze noodzakelijke reparaties moet ondergaan, wordt zij aan alle zijden gestut.

Maar de parel van Curtea is de prachtige, witte kerk, die schittert onder haar vergulde koepels en, een kwartier van de stad verwijderd, op een alleenstaanden heuvel ligt, de kerk namelijk van het klooster en waarvan beweerd is, dat zij alleen de reis naar Roemenië waard was.

De schepper van dit architectonisch kunstwerk, waarin de byzantijnsche kunst iets moois geleverd heeft, met herinneringen aan arabische en perzische bouwwerken, is vorst Neagu Voda Bessaraba, die in 1513 in Walachije regeerde. In zijn jeugd werd hij als gijzelaar mee naar Konstantinopel genomen. De sultan vatte genegenheid voor hem op en liet hem in de bouwkunde onderrichten door een man van talent, Manoli de Niaesia, met wien hij o.a. een der groote moskeeën van Konstantinopel bouwde. In zijn land teruggekeerd, ontwierp hij de kerk van het klooster. Hij gebruikte er een zeer fijnen zandsteen voor uit de in de buurt zijnde groeven van Albesci.

Behalve haar kerken heeft Curtea de Arges weinig aantrekkelijks voor den vreemdeling. Monniken met lange haren en lange baarden ziet men overal loopen. Hun kleeding is onberispelijk en vormt een sterke tegenstelling met het armoedig aanzien van de monniken der andere kloosters. Zij treden echter zeer eenvoudig op, spreken graag met het volk, dat groote achting voor hen schijnt te koesteren en hen met den diepsten eerbied behandelt.

In de eenige straat van de stad wordt op het oogenblik een groote vischmarkt gehouden. Er waren hoopen kolossale karpers onder zware blokken ijs, karpers, die de Donau bij het hooge water van de laatste dagen in haar zijtakken heeft opgestuwd en die toen spoedig in de netten van de visschers zijn geraakt. Die visschen, waarvan het gemiddeld gewicht tien à twintig kilo bedraagt, worden in groote mooten verkocht. Men betaalt 30 centimes per kilo.

Wij moeten nog een tocht maken, voor we te Boekarest komen, namelijk naar Kampolung. Gewoonlijk gaan de reizigers daarheen per spoor over Pitesci en Golesci; maar wij geven de voorkeur aan den rijweg, die afwisselend en eigenaardig moet zijn.

Om half acht ’s morgens zijn we voor de expeditie gereed. Nauwelijks zijn we een uur onderweg, of wij ondervinden een reeks van teleurstellingen. De rivieren, door de laatste regens verbazend gezwollen, zijn niet over te trekken, omdat een paar bruggen zijn weggeslagen, en wij moeten een lastigen omweg maken en toch nog per rijtuig door de bedding van een stroom gaan, waar het water zoo hevig bruist, dat wij kans loopen meegesleurd te worden. Rondom ons is niets dan een zeer armoedige streek, de hoeven en hutten en kapelletjes zijn in den treurigsten staat van verval, en men vraagt zich af, of de een of andere ramp dit stukje aarde geteisterd heeft, waar niets overeind staat en alles aan vernieling schijnt prijs gegeven. Buiten een paar visschers, die naar de rivier zijn afgedaald en groote netten vasthouden, zien wij geen enkelen bewoner. Eerst bij Domnesci begint er weer leven in de omgeving te komen.

Dat is intusschen slechts een arm dorpje, doch bij gelegenheid van den Zondag zijn allen er op hun mooist uitgedost. Zoodra wij onze photografietoestellen voor den dag halen, gaan ze op de vriendelijkste manier om ons heen staan. Wij hebben slechts een wenk te geven, en de brave menschen plaatsen zich in een groepje, blij voor ons te mogen poseeren. Er zijn zelfs enkele jongelui, voor wie het objectief zooveel aantrekkelijks heeft, dat ze ons op den voet volgen, zoodat wij genoodzaakt zijn listen te gebruiken, ten einde hen niet op al onze cliché’s terug te vinden. De dorpskerk, sierlijk overschaduwd door een groep groote boomen, staat op een plein, waartoe een poort van eigenaardigen stijl toegang geeft. Ofschoon die poort bij een ellendig dorpje, verloren in de bergen, behoort, is zij versierd met bekoorlijke engelen-figuurtjes en beelden van heiligen met opschriften en bloemslingers, werkelijk van kunstzin getuigend. Ze zijn afkomstig van rondtrekkende kunstenaars, die, door dezelfde figuren herhaaldelijk te maken, er groote geoefendheid in kregen.

De pope van het dorp stak den weg over en kwam juist bij zijn huis met een brood onder den arm. Hij zag er zeer armoedig uit in zijn verkleurd geestelijk gewaad en met zijn hooge, bruine muts, zoodat wij instinctief onze camera op hem richtten. Maar ’t was of een beschroomde eerbied ons weerhield tegenover die waardige en fiere armoê, die zich voor onze blikken scheen te willen verbergen. Die dorpsgeestelijken zijn brave, waardige menschen, niet geleerd, meestal bemind bij hun medeburgers, wier droevig lot zij deelen, maar op wie zij gewoonlijk weinig invloed hebben.

Als men de hellingen van het dal van Domnesci bestijgt, bespeurt men bijna op den top van een berg de schitterende koepels van een dorpskerk. Dat is de kerk van Slanic, een net en sierlijk dorpje, dat sterk afsteekt tegen de armoedige en weinig bevolkte streek, die wij pas zijn doorgereden. Dit heele dorpje is een beeld van welvaart en opgewektheid. Groote boerderijen bestaan uit veel gebouwen met flinke binnenpleinen, waar alles goed is onderhouden. Mooie jonge meisjes loopen af en aan, in huishoudelijke drukte, te midden van kippen, eenden en kalkoenen, op ’t oogenblik de eenige aanwezige dieren. Gedurende den geheelen zomer is het groote vee afwezig; het graast in vrijheid op de bergen, ’s Avonds wordt het binnen omheiningen opgeborgen zonder eenige beschutting tegen het weder.

Zoodra wij Slanic achter ons hebben gelaten, begint weer de eenzaamheid. Herders met hun kudden en troepjes arbeiders, die onder boomen liggen te rusten van den zwaren veldarbeid, zijn de eenige levende wezens, die wij onderweg ontmoeten op het laatste traject, dat ons nog van Kampolung scheidt. De weg loopt door een reeks van poëtische dalen op de Karpathenhellingen, en in de verte zien wij de koeien grazen in de schaduw van forsche berken. Links altijd de wazige en blauwe keten der Transsylvanische Alpen. Maar nergens huizen of hutten, en rondom doodelijke stilte. Eindelijk, tegen vier uur in den namiddag, rijden wij Kampolung binnen.

Dat is een aardige plaats, al belangrijk ten tijde van Radu Negru, den stichter van het vorstendom Walachije. Er bestaan nog slechts enkele sporen van het oude vorstelijk paleis, maar het groote klooster, dat hij aan den ingang van de stad liet bouwen, bestaat nog, al heeft het groote veranderingen ondergaan. Een 40 M. hooge en 6 M. breede romaansche toren geeft toegang tot het binnenplein van het klooster. Die imposante toren, welks stijl den invloed van de Longobarden in de herinnering roept, heeftveel karakter. Het is dan ook een der oudste en beroemdste monumenten in Roemenië. De stad is zoo zindelijk, ligt zoo mooi, en de lucht is er zoo opmerkelijk zuiver, dat jaar op jaar veel burgers uit de groote steden er den zomer komen slijten.

Van de hoogten rondom het plaatsje heeft men een prachtig bergpanorama voor oogen. Wij zijn hier zeer dicht bij de Karpathen, en de dalen, die daarvan uitgaan, zijn evenveel aanleidingen voor afwisselende uitstapjes. Het stadje, hoewel niet groot, heeft toch zijn Zigeunerwijk, een heele straat, niet ver van het klooster. Wat dat een zonderlinge straat is, vooral tegen den avond, als alle woningen wijd openstaan en de roode schijnsels van hun smidsvuren naar buiten werpen, waar schoone vrouwen in lompen, maar met prachtige zwarte oogen in het bleeke gelaat en engelachtige halfnaakte babies voor heen en weer loopen. Groote, magere mannen met gebronsd gelaat slaan in de helle verlichting van de vuren het ijzer; anderen bewegen de blaasbalgen. Dit is de werktijd van die paria’s, want hun zware arbeid is niet doenlijk tijdens de hitte van den dag, en eerst tegen het vallen van den avond wordt het levendig in die wijk.

Het uitstapje naar den pas van Dimbo-viciora is de verplichte aanvulling van elk verblijf te Kampolung. Die kloof is een der beroemdste en meest bezochte van dit deel der Karpathen.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, te Sinaïa.Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, te Sinaïa.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, te Sinaïa.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, te Sinaïa.

Van Kampolung af is het een aanhoudende reeks van prachtige uitzichten, vreemde horizons, waar de bergketenen achter elkander schuiven tot in de verste verte. In het dorp Rocaru rijden wij over de Dimbovitza, die wij naast ons zullen houden op den weg tot aan de grot van Dimbo-viciora. De witte rots, die opstijgt uit de bedding en geheel met groen begroeid is, vormt een aardige omlijsting van dit mooie riviertje met kristalhelder water.

Dan naderen wij snel den hoogen, verweerden muur, die ons al eenigen tijd het uitzicht beneemt en waarin wij den ingang moeten zoeken van de beroemde kloof. Pas zijn wij er binnen getreden, of een wondermooi schouwspel treft ons oog. Torens en spitsen en ruïnen van schoone, lichtrose tint staan om ons heen in de engte der spleet en boven ons hoofd hangen slingers van groen langs de steile wanden.

Bij den uitgang der kloof wordt het landschap rustiger; wij zien er weiden en enkele houten hutten. Bij een dier laatste houden wij stil, en een jonge knaap geleidt ons naar de grot van Dimbo-viciora, weer door een doolhof van rotsen. De opening van de grot ligt in een woeste omgeving, maar de geestdriftige beschrijvingen, die men ervan leest, zijn overdreven en wij vinden haar nauwelijks een bezoek waard. Een paar bergbewoners met dunne kaarsen bieden aan, mee te gaan; men verwacht iets fantastisch en ziet niets dan een hol van 15 à 20 M. diepte, met enkele stalactieten en geelwitte stalagmieten.

Na dit uitstapje, waarvan enkele gedeelten aan de Bastei in Saksisch Zwitserland herinneren, bezoeken wij een klein bescheiden nonnenklooster, de abdij van Namaesci, dat door deze bijzonderheid gekenmerkt wordt dat de kerk geheel is uitgehouwen uit een monolieth. Alleen de toren en een klein voorportaal zijn metselwerk. Al het inwendige is in de rots uitgehouwen, waar men overheen kan loopen en waar men een prachtig panorama vóór zich ziet. Wij zeggen Kampolung vaarwel. Een zijlijn van den spoorweg voert ons naar Golesci, waar wij de groote lijn naar Boekarest terugvinden.

Het inwendige van een zoutmijn te Slanic.Het inwendige van een zoutmijn te Slanic.

Het inwendige van een zoutmijn te Slanic.

Het inwendige van een zoutmijn te Slanic.

Boekarest, aanzien van de stad.—De zoutmijnen van Slanic.—De petroleumbronnen van Doftana.—Sinaïa, wandeling in het bosch.—Busteni in het kroondomein.

Boekarest, aanzien van de stad.—De zoutmijnen van Slanic.—De petroleumbronnen van Doftana.—Sinaïa, wandeling in het bosch.—Busteni in het kroondomein.

De entrée in Boekarest is voor den vreemdeling een teleurstelling. Van het station zich begevend naar het midden der stad, gaat men door straten, die tot de primitiefste dorpen konden behooren, straten, waar instortende huizen en schunnige winkels aan gelegen zijn en waar de trottoirs onder hoopen vruchten en groenten verborgen zijn. Maar spoedig wordt die indruk weggevaagd. Op die onfrissche voorsteden volgen prachtige straten, waaraan weelderige gebouwen staan, niet onderdoend voor die der grootste europeesche steden.

De Roemeniërs zijn zeer trotsch op hun hoofdstad en roemen graag het comfort, dat men er geniet. Zij vergelijken met een zekeren nationalen trots hun bewonderenswaardig geplaveide straten en hun openbare pleinen met de afschuwelijke straten van Belgrado, waar men na een kwartiertje rijdens in al zijn leden pijn gevoelt. Ze noemen Boekarest dan ook graag het Parijs van het Oosten. Reeds in 1864 zei de heer de Blowitz, toen hij terugkeerde van een oostersche reis: “Ik geloof niet, dat er in de wereld een tweede stad bestaat, die even trouw als Boekarest het land, waarvan zij de hoofdstad is, weerspiegelt.... Boekarest levert thans een levend en merkwaardig beeld van Roemenië. De stad wikkelt zich los uit den chaos van gisteren en haakt naar den luister van morgen. De lompen nemen de kleur van het purper aan; de eerzucht wordt grooter en grooter; dit is de nieuwgeboren hoofdstad van een nieuwgeboren koninkrijk.”

Met niet minder recht zei Carmen Sylva, de koningin van Roemenië, in 1892: “Het oostersche en schilderachtige Boekarest, het Boekarest met kleine, in het groen verscholen huisjes, waar men zei “het huis van den heer Zus of van mevrouw Zoo”, terwijl men de menschen bij hun voornamen noemde, dat Boekarest verdwijnt, om plaats te maken voor een stad als alle andere. Het heeft nog alleen een oostersch karakter voor hen, die pas uit het Westen komen. Zij, die uit Azië naderen, gaan met een zucht van voldoening de Donau over en zeggen: “Gelukkig, nu zijn we in Europa!”

Ons schijnt Boekarest nog heden den hoogmoed en de eerzucht te bezitten van den pas onlangs vrijverklaarde, die door gloednieuwe weelde zijn pas overwonnen staat van dienstbaarheid wil doen vergeten. Vandaar die treffende tegenstellingen, die men telkens in de stad ontmoet, hier lage huizen, echte zwerverskrotten, waar halfnaakte menschen uit te voorschijn komen; daar prachtige paleizen als het Spaarbankgebouwen ’t Postkantoor, rijk versierde café’s, waar de voorname roemeensche wereld samenkomt. Aan den eenen kant winkels van oud roest als in de Leipziger straat, waar de kooplui hun schatten zoo maar op straat uitspreiden, en aan den anderen weelderige magazijnen van den modernsten smaak, die met de mooiste winkels van Parijs kunnen wedijveren.

De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd, de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.

Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam; die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet, en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van den winter.

De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden, worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken; de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om het middel en een platte pet op het hoofd.

Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M2. Als men dan ook van de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen van weldadigheid.

Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts het gebouw der volksvertegenwoordiging.

Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.

Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije.

Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten, van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.

Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen bij hun terugkeer uit Konstantinopel.

Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877–78.

Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries, de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.

Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht, er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte, een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt den reiziger niet in verrukking.

Bij ’t begin van den weg staat het paleis van den oud-minister Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel wat overladen versierd, istoch een zeer indrukwekkend gebouw. Het staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest gezochte lustverblijven.

Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien, hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard, vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op te tooien.

Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.

Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude fresco’s uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in ’t museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen, moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.

Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen, ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.

Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.

Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen, arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten, doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons, leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.

Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.

De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien, twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.

Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land, en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend, maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.

Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus zijn op ’t oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic, van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.

De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent in een marmerenkathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.

Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem, die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen, groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks, in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning van 60 à 80baniper dag.

Vorstelijke woning te Sinaïa.Vorstelijke woning te Sinaïa.

Vorstelijke woning te Sinaïa.

Vorstelijke woning te Sinaïa.

Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste afzetgebieden.

Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana, om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is, dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen, moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan, die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum; de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem- of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door een zuigpomp.

Boekarest: Boulevard Coltei.—De kerk Spiritoe Noe.—Het nieuwe gedeelte van den Boulevard Coltei.—De Metropolitaankerk.—De Universiteit.—Het paleis van den oud-minister Stoerdza.—Een oud klooster.Boekarest: Boulevard Coltei.—De kerk Spiritoe Noe.—Het nieuwe gedeelte van den Boulevard Coltei.—De Metropolitaankerk.—De Universiteit.—Het paleis van den oud-minister Stoerdza.—Een oud klooster.

Boekarest: Boulevard Coltei.—De kerk Spiritoe Noe.—Het nieuwe gedeelte van den Boulevard Coltei.—De Metropolitaankerk.—De Universiteit.—Het paleis van den oud-minister Stoerdza.—Een oud klooster.

Boekarest: Boulevard Coltei.—De kerk Spiritoe Noe.—Het nieuwe gedeelte van den Boulevard Coltei.—De Metropolitaankerk.—De Universiteit.—Het paleis van den oud-minister Stoerdza.—Een oud klooster.

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen, of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à 20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen; hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens voeren.

De petroleum is bij ’t verlaten van den put een dikke vloeistof, die troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats, waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten, welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie, die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden zijn voor Roemenië’s industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden, en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten, hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa’s; dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons, watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar divans, die ’s nachts in legersteden worden veranderd en over dag de gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast, dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over ’t algemeen zacht en fijn. De witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier; hij is een beschaafd man in elken zin des woords.

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken; maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan, Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen nacht onze vensters geschud, en ’s morgens bij het opstaan zien wij de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal, noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees- en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd, en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten, terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch verrezen aan alle kanten sierlijke villa’s en optrekjes. De regeering bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is, zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden, en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin, zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt, die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn de verrukkelijke wandelingen, die men in ’t oneindige variëeren kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden, die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken, die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven omgevallen stammen op den bodemliggen, zooals de storm ze velde. De koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar ’t is al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en Zigeunerliederen, die de echo’s wekken van de donkere bergen.


Back to IndexNext