Nomadenkinderen in Oost-Perzië.Nomadenkinderen in Oost-Perzië.
Nomadenkinderen in Oost-Perzië.
Nomadenkinderen in Oost-Perzië.
Op onzen tocht waren wij getuigen van een nog in wezen zijnd oud gebruik, het huwelijk bij roof. Wij ontmoetten eerst het geleide van een bruid te paard; zij was gekleed in een rijk wit met rood gewaad. Iets verder vonden wij andere ruiters, die bij de nadering der dame een soort van gevechtnabootsten, tot zij een teeken had gegeven, dat zij zich overgaf.
Te Sjirwan kwam ik weer in bekende streken en wel op den weg naar Koetsjan daar, waar een levendige handel wordt gedreven met Geok Tepe, het punt, dat het dichtst bij den transkaspischen spoorweg is gelegen. De Atrek was hier niet veel meer dan een groote beek. Een tocht van 35,000 mijlen door een der vruchtbaarste dalen van Perzië bracht ons te Koetsjan. Het district, waar die plaats de hoofdstad van is, moet als het belangrijkste der drie koerdische districten worden beschouwd; tot in den jongsten tijd was het half onafhankelijk. Nadir Shah werd vermoord in 1747, toen hij een poging deed, het te onderwerpen. Deilkhaniis reeds door lord Curzon op amusante manier beschreven; hij is gewoonlijk in een toestand van ontoerekenbaarheid door de uitwerking van opium of alcohol, en men moet hem altijd drie dagen van te voren, een bezoek aankondigen. Ik onthield mij van een visite, daar ik geen tijd wilde verliezen.
Ik vond te Koetsjan een brief van den engelschen consul-generaal te Mesjed, den heer Elias, die zoo vriendelijk was, mij te melden, dat hij mij op een dagreis afstands van de stad eensowaren twee paarden had tegemoet gezonden. Wij namen een wagen, om ons met onze bagage naar de stad te brengen.
Het land was vruchtbaar maar eentonig. Door de strenge vorst was de weg hard en vlak. In den namiddag van den derden dag ontdekte ik een man in de verte, die de sowar bleek te zijn, en in minder dan vijf minuten draafde ik in de richting van Mesjed, terwijl Joessoef in het rijtuig volgde. Vóór ons schitterde op vele mijlen afstands de prachtige vergulde koepel als een vuurzee in de stralen van de ondergaande zon.
Een nieuwsgierige menigte wachtte ons af op de pleinen der stad. Door de Khiaban, de hoofdstraat, iets als hetUnter den Lindender plaats, daarna door de kronkelende straatjes, kwamen wij aan het Consulaat-generaal, waar wij hartelijk werden ontvangen. Nu ik twee maanden lang buiten de beschaafde wereld had verkeerd, was ik onuitsprekelijk gelukkig, mij weer in een bevriende omgeving te bevinden.
Mesjed, welks naam beteekent “Graf eens Martelaars”, heet zoo, omdat men er het graf vindt van een heilige Reza, den achtsten iman. Zijn monument behoort tot de rijkste en meest bezochte van Azië. De schatten, die er bewaard worden, bestaan niet alleen uit ruime jaarlijksche schenkingen van geld en kostbaarheden, maar het graf ontvangt ook giften en legaten in grond en tuinen, en wel van alle klassen der bevolking. Het is niet toegankelijk voor christelijke bezoekers, een regel, waaraan men zich in Perzië bij vele instellingen houdt. Toch is hij niet steeds in acht genomen, en de spaansche gezant aan het hof van Timoer, Ruy Gonzalez de Clavyo, vertelt, dat hij de moskee te Mesjed heeft bezocht.
Het tegenwoordige heiligdom ligt, naar ik hoor, in het midden tusschen drie groote pleinen. De bouwtrant, de opengewerkte lantaarn en het gouden traliewerk geven er van buiten een ernstige schoonheid aan, geschikt om een diepen indruk op vrome gemoederen te maken.
Mesjed is tegenwoordig een belangrijke stad uit het oogpunt van den handel en de politiek. Van engelsch standpunt gezien, zou het een goede post zijn ter bewaking van westelijk Afghanistan en een bruikbaar entrepôt voor den engelsch-indischen handel. Maar voor Rusland is de post van nog veel grooter beteekenis, daar Mesjed de hoofdstad is van de provincie Khorassan, waarvan Askhabad voor zijn onderhoud afhankelijk is. Zooals men wel kan begrijpen, zijn de bazars voor ’t meerendeel gevuld met russische goederen, maar de voorwerpen van engelsche herkomst worden op niet minder hoogen prijs gesteld. Men kan hier een beeld vinden van den strijd tusschen de beide mogendheden, die elkaâr den invloed in Perzië betwisten.
Ten tijde van mijn bezoek werd het ambt van britsch consul-generaal waargenomen door den sedert overleden heer Ney Elias, den deken van een reeks van bekende reizigers in Centraal-Azië. De belangen van Rusland waren toevertrouwd aan den heer Vlassof, die nu een ruimer arbeidsveld gevonden heeft in Abessynië. Zooals dat dikwijls het geval is, hadden hij en zijn secretaris engelsche vrouwen getrouwd, wat voor mij de genoegens van het samenzijn nog grooter maakte. Ik ben nooit ergens vriendelijker ontvangen dan in die kleine maatschappij, de europeesche kolonie van Mesjed. En toen ik dan ook na verloop van een week vertrok, om mij naar Kirman te begeven door de Loetwoestijn, deed het mij innig leed de vrienden te verlaten, van wie ik een week te voren geen enkele kende.
Na het verlaten van Mesjed volgden wij den weg van Teheran naar Sjerifabad. Hij loopt door een golvend terrein en maakt een bocht op het punt, waar de uit het Zuiden komende pelgrims voor de eerste maal den heiligen koepel der groote moskee aanschouwen.
Den tweeden dag na ons vertrek ging het over den Bidarpas, waar wij tot onze groote verbazing een dikke sneeuwlaag vonden. Van dien pas, die bijna 2000 M. hoog is, daalden wij naar een rivierdal. De benedenloop van den stroom heet Kal-i-Sala. Er ligt een pas gebouwde brug over, een vreemd verschijnsel in Perzië.
Na weer door heuvelachtige streken te zijn getrokken, kwamen wij te Turbat, stad van 15000 inwoners, nog op ouderwetsche manier Turbat-i-Haidari genoemd, naar het graf van rooden steen van een beroemd heilige, Kutb-u-Din-Haider. Tegenwoordig gebruikt men meestal den naam Turbat-i-Ichak-Khan, naar een hoofd van de Karaï’s, die ter dood gebracht werd nadat hij beproefd had, Mesjed te veroveren aan de spits van een vereeniging van stammen.
Turbat, dat te midden van tuinen ligt, is sinds 1901 een belangrijk russisch centrum geworden; een russisch dokter is er gevestigd onder bescherming van Kozakken voor de gevallen van pest- en cholera-epidemieën. Zijde was oudtijds het hoofdproduct van deze streek, en tegenwoordig begint men weer meer aan die cultuur te doen, hoewel de nawerking der ziekte van de zijderupsen zich nog doet gevoelen.
Na Turbat volgden wij den loop der Kal-i-Sala en moesten dikwijls van richting veranderen. Het was belangrijk op te merken, hoe alle op de kaartaangegeven dorpen verwoest waren, terwijl er in de nabijheid nieuwe gehuchten waren ontstaan, en tot onze nog grootere verbazing was de rivier, die zich naar het Westen wendt, voorgesteld als naar het Zuidoosten stroomend.
Vervolgens reden wij naar Djangal, Bimurgh, Beidukht. Het laatste dorp is bekend als de woning van den groot-murschid van Perzië, een man, die zeer grooten invloed uitoefent, vooral op de kooplieden van Teheran. Zijn naam is Hadji Mullah sultan Alé, hij heeft een mooie school ofmedersschlaten bouwen, waar hij dagelijksch lessen geeft en preekt. Hij moet ongeveer zestig jaar zijn.
Djouvein, de hoofdstad van het district Gunabad, bestuurd door den gouverneur van Turbat, heeft een bevolking van 8000 inwoners en een kleinen bazar. Men maakt er een soort van aardewerk, zoo grof en zoo leelijk, dat ik geen enkel stuk ervan kon koopen.
De vlakte van Gunabad ligt aan den voet van een bergketen, die van het Zuidoosten naar het Noordwesten loopt, en hier het betrekkelijke hooggelegen land, dat ik doorreisd had, scheidt van de sombere Loetwoestijn, die ik weldra zou betreden. Verder naar het Westen sluit het terrein zich aan bij het noordelijk deel van die woestijn. Na die keten te zijn doorgetrokken, kwamen wij te Toen, een ommuurde stad van 4000 inwoners. Binnen de stad zelf waren veel tuinen, en het algemeene aanzien van de plaats was niet onbehagelijk.
Zoo had ik dan de noordgrens bereikt van de groote woestijn, die ik voor de eerste maal zou doorgaan, en waar ik nog dikwijls zou terugkeeren. Laat ik er een korte beschrijving van geven. Eerst moet ik meedeelen, dat verschillende aardrijkskundigen zonder voldoende reden de groote perzische woestijn verdeeld hebben in twee deelen, een noordelijk, het Dasjt-i-Kavir, en een zuidelijk, het Dasjt-i-Loet. Lord Curzon, die drie afleidingen mogelijk acht van het woordhavir, kiest terecht het arabischehafr, dat beteekent “zoutmoeras”. Dat woord is nog voortdurend in gebruik in Zuid-Perzië. Wat de uitdrukkingLoetbetreft, die is stellig afgeleid van Lot, en de gidsen wijzen nog dikwijls in de groote woestijn de Sjahr-i-Loet of “steden van Lot”. Zij leggen dan uit, dat de Almachtige ze door hemelvuur verwoestte, juist als de plaatsen, die nu bedolven liggen in de Doode Zee.
Na langdurige onderzoekingen ben ik tot het besluit gekomen, dat de geheele woestijn van Perzië niet anders heet dan Loet (Dasjt-i-Loet is een weinig gebruikte uitbreiding), en dat zij een aantalkavirsbevat, die alle eenzelfde karakter hebben. Ik geef intusschen toe, dat zij talrijker zijn in het Noorden, waar nog het meeste water wordt aangetroffen. Een Pers, in Engeland opgevoed, heeft mij gezegd, dat hij wel den weg Yezd-Pabas had aangewezen gezien op de kaart als het punt, waar twee woestijnen bij elkander komen, maar dat al zijn pogingen, om op de plaats zelve zich te overtuigen van het bestaan eener woestijn Dasjt-i-Kavir, mislukt waren. Dat had zijn eerbied voor de europeesche kaarten aan het wankelen gebracht.
De groote Loetwoestijn breidt zich van de buurt van Teheran tot de grens van britsch Beloetsjistan uit over een lengte van meer dan 100 KM. Het is de oostelijke afhelling van die groote uitgestrektheid, die het dorp Basiran draagt, het hoogste punt op 1400 M. Ik heb het dorp in 1899 bezocht. De gemiddelde hoogte der woestijn is ongeveer 600 M.; de laagste punten bij Khabis liggen ter hoogte van 300 M. Het slechtste gedeelte van de Loetwoestijn is dat tusschen oostelijk Perzië en Khabis, dat in het midden der 19de eeuw door Khemikoff doorreisd werd.
Ziehier wat hij schrijft: “Men zal zich gemakkelijk ons genoegen kunnen voorstellen, dat wij veilig en ongedeerd waren, nadat wij een woestijn waren doorgetrokken, die in dorheid door geen andere in Azië overtroffen wordt; vergeleken bij den Loet, zijn de Gobi en de Kizel-Koem inderdaad vruchtbare weiden. Ik heb den troosteloozen aanblik van de landengte van Suez gezien. Veel gedeelten van die dorre streek schijnen getroffen door dezelfde onvruchtbaarheid als de Loetwoestijn; maar dit karakter is dan nooit over zoo groote uitgestrektheden heerschend.”
Gemeenlijk neemt men aan, dat de Loet een oude binnenzee is geweest. Die meening is onder anderen gegrond op het bestaan van een werkzamen vulkaan, te Sarhad, van den uitgedoofden vulkaan Koeh-i-Bazamn, en op veel legenden.
Ik ben ook van oordeel, dat door de moordende oorlogen, waar Perzië onder heeft geleden, de grenzen der woestijnachtige streken uitgebreid zijn. Perzië is een woestijn met dorpen, waartusschen zich enkele bebouwde mijlen uitstrekken en die met moeite door middel van irrigatie worden in stand gehouden. Als er geen water meer is, gaan de dorpelingen heen, en omgekeerd, als de dorpsbewoners gedood zijn, raken de kanalen en waterleidingen verstopt, en de woestijn wordt grooter.
Buiten de Loetwoestijn zijn er gebieden in Perzië, waar men drie of vier dagreizen lang geen enkel dorp ziet. Al die kleine woestijntjes lijken op de groote. Ik moet er bijvoegen, dat, zooals uit alles blijkt, de regenhoeveelheid verminderd is. Oorzaak en gevolg van dat feit is, dat het land zoo goed als in ’t geheel geen boomen heeft. De twee groote zaken, waaraan Perzië behoefte heeft, om materiëel een herleving te ondergaan, zijn het water en het woud.
Ik heb de pretentie, die ik meen dat gerechtvaardigd is, dat ik de eerste Europeaan ben, die dit deel van de Loetwoestijn doorkruist heb, hoewel ik op het oogenblik dat ik de zaak in studie nam, meende, dat ik de sporen van Marco Polo volgde. Buitendien biedt de weg, als men de noodige voorzorgen neemt, geen groote moeilijkheden aan, ten minste gedurende zeven maanden van het jaar. Het is de hoofdweg van Kirman naar Mesjed, en bij gevolg wordt hij nu door duizenden reizigers, vooral pelgrims, betreden.
Voorbij Toen sloegen wij de richting van het Zuiden in, en nadat wij de bebouwde streken achter ons hadden gelaten, kwamen we in een district van lage, door de zon verbrande, zwarte heuvels. Alle vier mijlen troffen wij waterreservoirs, bekend onder den naam vanhauzen bestaande uit onderaardschegewelven, waarin men langs trappen neerdaalt. Het water, dat erin is, smaakt gewoonlijk slecht en in droge jaren vindt men er vaak niets in.
Gedurende den tweeden dag zagen wij, terwijl we met moeite door de vlakte voortsukkelden, een keten met besneeuwde bergen, die op geen enkele kaart stond aangeduid. Den dag daarna waren we bij het dorp Dahuk in een inzinking van dat gebergte, dat wel 2700 M. hoog moet zijn en Moer Koesj heet.
Moskee te Mesjed.Moskee te Mesjed.
Moskee te Mesjed.
Moskee te Mesjed.
De inwoners vertoonden een verbazende nieuwsgierigheid, en geen wonder, want zij zagen voor het eerst Europeanen in hun land. Die belangstelling was nog grooter geworden, daar ze, naar hun zeggen, van pelgrims hadden gehoord, wat voor wonderen de Farangi’s konden verrichten en tot stand hadden gebracht, vooral te Bombay.
Dit deel van de Loetwoestijn was veel dichter bevolkt, dan wij gedacht hadden. Wij gingen door de dorpen Arababad en Zenagoen, van waar een vijftig mijlen lange weg ons naar Naïband voerde. Wij hielden stil te Ab-i-Garm, een echtehavirmaar van een abnormaal type. Het omliggend district werd gedraineerd door het moeras, waarin zich brak water bevond. Er waren veel tamarinden, enkele stuks hoornvee aten van het harde gras en wij schoten eenige eenden.
In den avond verloren wij in een storm het paadje, dat onzen weg verbeeldde. Toen ik bespeurde dat we geen water meer hadden, en daar wij niet wisten hoe ver Naïband nog verwijderd was, ging ik den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag er alleen op uit te paard, om mijn gezelschap water te kunnen toevoeren.
Bij een bocht van den weg had ik eensklaps een vizioen van een feeënland. De bergen aan de overzijde waren bedekt met palmboomen, die hun kruinen wiegden op de lucht en waarmee het groene koren de liefelijkste tegenstelling vormde. Op een hoogte stond schilderachtig een oud rood fort. In het bosch van palmen binnentredend, zag ik in alle richtingen waterstroomen. Ruime grotten maakten de omgeving nog aantrekkelijker en mooier.
Ik zond mijn reisgezellen een hoeveelheid water, en weldra kwamen zij ook zelf. Wij sloegen ons kamp op bij den top van den berg, waar wij tusschen de groene palmen de gele woestijn zagen liggen, de brandende Loetwoestijn, die zich tot den horizon uitbreidde. Ik hoorde, dat het dorp Naïband twee eeuwen geleden als vooruitgeschoven post tegen de Beloetsjen gebouwd werd. Wij kwamen nu in het gebied der strooptochten van dat volk.
Daar de muildieren rust behoefden, bracht ik twee dagen door met een onderzoek van het naburig gebergte, dat bijna 2800 M. hoog was. Water vond men er zoo goed als niet.
De leden der zoroastrische gemeente te Kirman.De leden der zoroastrische gemeente te Kirman.
De leden der zoroastrische gemeente te Kirman.
De leden der zoroastrische gemeente te Kirman.
Onze volgende etappe zou veertig mijlen bedragen. Zij voerde ons door echte steden van Lot, heuvels met steile hellingen, die vizioenen wekten van torens en huizen en menschelijke gedaanten in een schitterenden maneschijn. Wij bereikten dien dag de karavanseraï Darband, bewaakt door een eenzamen soldaat, die zijn kost verdient met het verkoopen van proviand tegen hongersnoodprijzen. Den volgenden dag kwamen we in ’t stadje Rawar, dat 8000 inwoners telt en beroemd is om zijn vijgen en granaatappels, terwijl het tevens een middelpunt is van de tapijtindustrie. Te Ab-Bid zagen wij ons plotseling omringd door een bende Arabieren, die, nadat ze bij ons tevergeefs om geld hadden aangeklopt, besloten de karavanseraï te plunderen. Twee mannen kwamen ons dat vertellen en smeekten ons hen te helpen, om hun bezit terug te krijgen. “Heel graag,” was ons antwoord, en het was een waar genoegen de bandieten te dwingen het gestolene terug te geven. In het begin trokken ze hun messen, maar het zien van onze revolvers joeg hun schrik aan en ten slotte gaven ze alles af wat ze gestolen hadden.
Ons volgend kamp lag te Hur, een gehuchtje, waar oorspronkelijk enkele soldatengezinnen woonden, die daar waren geplaatst om het land te bewaren voor de invallen en strooptochten der Beloetsjen. Vervolgens kwamen onze etapen van Gwark en Tejen. Vóór we Khabis bereikten, ging de weg door den beroemden pas Kar-i-Sjikan of pas van den Dood der ezels. Een enorme rots sluit hier den weg af, zoodat men alle lastdieren moet ontlasten en hun lichte vrachten moet laten dragen. Een weinig dynamiet zou voldoende zijn, om dadelijk dat euvel te verhelpen.
Het stadje Khabis, waar wij toen aankwamen, heeft ongeveer 8000 inwoners; het brengt uitnemende dadels voort, oranjes, henneh, de veelgebruikte verfstof, en is een druk bezocht winterstation. Het stadje was vele malen in handen der Afghanen, voor de Kadjaren-dynastie in Perzië stevig gevestigd was. De reverend A.R. Blackett van deChurch Missionary Society, die als predikant en zendeling Khabis in 1900 heeft bezocht, vertelt mij, dat hij er de ruïnen heeft gevonden van wat waarschijnlijk een christelijke kerk was, onder een groep gebouwen een mijl ten oosten van de plaats.
Vóór wij te Kirman kwamen, moesten wij nog de Koehpara-keten passeeren over een hoogen pas; we kampeerden in het dorpje Amarestan en bereikten den volgenden morgen de Kirman-vlakte. Het aanzien der oude, perzische stad is niet zeer indrukwekkend, alles is er khaki-kleurig. Langs enkele tuinen en huizen buiten de muren, traden wij voor ’t eerst Kirman binnen, zonder dat ik vermoedde later zooveel met die stad uit te staan te zullen krijgen.
De provincie Kirman.—Aardrijkskunde: de flora, de fauna, het bestuur, het leger.—Geschiedenis: invallen en verwoestingen.—De stad Kirman, de hoofdstad der provincie.—Een seizoen op het Sardoe-plateau.
De provincie Kirman.—Aardrijkskunde: de flora, de fauna, het bestuur, het leger.—Geschiedenis: invallen en verwoestingen.—De stad Kirman, de hoofdstad der provincie.—Een seizoen op het Sardoe-plateau.
De provincie Kirman is altijd belangrijk geweest sedert haar eerste optreden in de geschiedenis. Waarschijnlijk is, in aanmerking genomen de physieke gesteldheid van het land, hare uitgebreidheid zoo ongeveer dezelfde als voor twee duizend jaar. Aan den anderen kant is ook het verschil uiterst gering tusschenden naam der klassieke oudheidKermaniaen dien van Kirman.
Uit aardrijkskundig oogpunt is de provincie, bijna even groot als Frankrijk, van veel belang, al was het alleen om de klimaatsverschillen, de natuurlijke voortbrengselen en de volksstammen, die men er aantreft. Over een groote uitgestrektheid is het land vlak; de palmen groeien er goed; tarwe en gerst rijpen in den winter en worden geoogst in het begin der lente. In sommige streken, in Djiruft bij voorbeeld, vormen mooie plateaux, die tot 2700 M. hoog worden, het zuidelijkste gedeelte van het perzische bergstelsel, waarin de bergketenen zoo ongeveer in noordwestelijke richting loopen. In het Zuiden van Kirman treft men toppen aan, die bijna tot 5000 M. reiken. In het Noorden en Oosten der provincie vermindert de hoogte geleidelijk, maar de bergen dicht bij de hoofdstad zijn hoog, om echter al spoedig voor de lage, eenzame vlakte van de Loetwoestijn plaats te maken.
De beste beschrijving, die men van de geheele provincie kan geven, is, dat zij voor een deel zuiver woestijnachtig is en voor een ander deel verscheiden oasen vertoont. Zoo breidt zich de woestijn wel ten westen, ten zuiden en ten oosten van Kirman uit, maar op een afstand van eenige mijlen vindt men kleine dorpen en hier en daar grootere nederzettingen, in stand gehouden door bronnen, die in ’t bergland opborrelen en welker water doorkanatsnaar de vlakte wordt geleid.
In sommige gevallen kan de eerste bron zich wel op 120 M. diepte bevinden, en nieuwe putten moeten dan gegraven worden op kleine onderlinge afstanden. Het is onmogelijk, de geduldige vlijt der boeren niet te bewonderen, die erin slagen hun bestaan te verzekeren met zoo groote inspanning. Dikwijls kan een hevige regen of een zandhoos de kanalen verstoppen.
Natuurlijk zijn de rivieren van geen beteekenis. Alleen de Halil Roed verdient te worden genoemd. Zij ontspringt ten zuiden van de groote keten, die ik noemde, loopt door het district Djiruft en stort zich in de Bampoer. Er is tot heden geen poging gedaan, om het water voor besproeiïng te gebruiken.
Ook heeft men geen voordeel weten te trekken van den regenval. Daar die te Teheran ongeveer 25 cM. bedraagt, mag men voor Kirman een gemiddelde hoeveelheid van 17 cM. aannemen of iets minder. Maar er zijn op dat punt groote verschillen tusschen de districten. Dat van Djiruft is het meest begunstigd.
Op de hooge plateaux wordt het begin van ’t voorjaar bedorven door aanhoudende hevige winden en stormen, die uit het zuidwesten geweldige massa’s stof aanvoeren. De onweersbuien zijn in goede jaren talrijk. Te Kirman zijn de dagen in het midden van den zomer warm, maar de nachten zijn aangenaam, en er is in den namiddag meestal wat wind. De hitte is voorbij tegen het einde van September. Na de herfstnachtevening is er meestal eenige dagen lang mist en nevel. Dat zal wel de mist zijn, waarvan Marco Polo zegt: “En gij moet weten, dat als de Caraona’s een strooptocht willen doen, zij sommige tooverspreuken bezitten, waardoor ze duisternis kunnen brengen over het aangezicht van den dag, zóó dat ge nauwelijks uw buurman, die naast u rijdt kunt herkennen, en zij kunnen die verduistering tot zeven dagen doen duren.”
Op deze uitzondering na is de herfst verrukkelijk, ofschoon de Perzen de temperatuur te laag vinden en er koorts van krijgen. Dat laat zich verklaren, daar zij teveel vruchten eten. In den winter vriest het sterk en meestal is de lucht volkomen helder. Gewoonlijk valt er eenige regen tegen het eind van November en een weinig sneeuw valt in December. In Januari heeft men, als het een goed jaar is, drie of vier dagen van zwaren sneeuwval; maar de sneeuw smelt spoedig in de vlakte. Zoo zingt de dichter Omar Khaygam: “De hoop der wereld, waar de menschen hun hart op stellen, wordt asch of wordt werkelijkheid; maar dan, evenals de sneeuw op de stoffige woestijnoppervlakte, schittert zij een kort oogenblik en verdwijnt.”
Maar toch zou zonder de bergen, die de schatten aan sneeuw bewaren voor de tijden van nood, zuidoostelijk Perzië volkomen onbewoonbaar zijn. In Garmsir zijn de wintermaanden zeer aangenaam, maar zelfs in Maart wordt een tent verbazend warm, en de zomer is drukkend en ongezond, ofschoon op vele plaatsen gemakkelijk bestijgbare bergen koelte bieden.
De bevolking van deze groote provincie telt misschien 750,000 inwoners, die men kan verdeelen in lieden met vaste woonplaatsen en in nomaden; de laatsten zijn zeer talrijk. De menschen uit de steden en dorpen zijn voor het meerendeel Iraniërs. De horden der overweldigers, die achtereenvolgens kwamen opdagen, hebben bijna altijd een zwervend leven geleid, een leven zoo ongeveer als ons in het Boek Job wordt beschreven.
De reiziger, die uit Europa komt, vindt de onvruchtbaarheid van het land verschrikkelijk, en wat treurig mag heeten, zij is bezig toe te nemen. Naarmate de bevolking zich meer aan vaste woonplaatsen gewent, raakt de voorraad hout meer uitgeput, vooral door het werk der kolenbranders. Steenkolen zijn er in het land niet, en op bijna geen enkelen berg vindt men een echt bosch. Meestal treft men min of meer verspreide boschjes aan van struiken; die de gomsoort tragacanth leveren of deassa foetida, die in de apotheek gebruikt wordt. Op de bergen groeien, naar men mij zeide, allerlei Alpenplanten.
Reizen in Zuid-Perzië beteekent gewoonlijk gaan over een grond, die een verblindend licht terugkaatst tusschen steenachtige hoogten. De vermoeide reiziger begroet met geestdrift elk klein beekje, zelfs een stumperige wilg lijkt hem een bewonderenswaardig ding bij zoo groote uitgestrektheden zonder boomen.
Tegenwoordig wordt nog, als in de oudste tijden der perzische monarchie, elke provincie bestuurd door een gouverneur-generaal, die voor de inning der belastingen aansprakelijk is en zich verplicht, aan den shah een pikasj of officieel geschenk aan te bieden. De ministers ontvangen daarbij ook gratificaties. Dank zij der gewoonte, om salarissen uit te betalen aan de afstammelingen van bijna alle ambtenaren en aan elken khan, kan het gebeuren, dat alle inkomsteneener provincie op de plaats zelve worden opgebruikt. Er is mij verzekerd, dat een der ambtenaren 172 jaargelden genoot voor zich en zijn bloedverwanten.
Om in de provincies de orde te bewaren, zijn in elk twee regimenten infanterie geplaatst, waarvan vier compagnieën ongeveer altijd onder de wapens zijn. Er zijn ook een klein aantal artilleristen met enkele veldbatterijen. Bam en Narmasjir hebben te zamen één regiment, waarvan de helft in garnizoen is in Beloetsjistan. De soldaten zien er over ’t algemeen goed uit en zijn flink gehard. Maar hun wapens laten te wenschen over, terwijl de roovers meestal Martini-geweren bezitten.
Volgens Herodotus vormden de Kermanii een der twaalf stammen van Perzië, en de provincie Kirman maakte deel uit van de veertiende satrapie. Strabo beschrijft ze reeds als vruchtbaar. Zooals wij zoo aanstonds zullen zien trok Alexander er doorheen van ’t Oosten naar het Westen. Ik heb in ’t geheel geen melding zien maken van Kirman in den tijd der Parthen; maar de provincie werd beroemd, toen na de verovering van Fars zij vermeesterd werd door Ardechis, zoon van Papak, stichter van de nationale dynastie der Sassaniden, die stand hield tot den tijd der arabische overheersching. Gedurende de regeering van dit vorstengeslacht genoot deze provincie, die van de west- en de noordgrens verwijderd lag, een volkomen vrede.
Op het tijdstip, toen de Nestorianen in Perzië veel aanhang kregen, werd Kirman een diocees, dat afhankelijk was van den metropolitaan van Fars. Merkwaardig genoeg, was Perzië zoozeer één geworden met het christendom, dat in China een decreet van keizer Iwentsoeng de kerken aanduidt met den naam van “perzische tempels”.
De laatste der sassanidische koningen, de ongelukkige Yezdigerd, terug moetende trekken voor de soldaten van Omar, hield eenigen tijd te Kirman verblijf, vóór hij naar de woestijn vluchtte.
De opstand, die in Perzië plaats had na Omars dood, hechtte de banden, door de verovering door de Arabieren gelegd, nog steviger vast, vooral voor de provincies, die het dichtst bij het centrum van het bestuur lagen, zooals met Kirman het geval was. Er werden forten gebouwd en arabische kolonies gesticht, met name in de warmste deelen van het land, daar de aanhangers van Zoroaster nog de hooge plateaux bezet hielden, die te koud waren voor de Arabieren.
Wij zullen de geschiedenis van Kirman niet vervolgen gedurende de twee eeuwen van arabische overheersching en na de stichting van nationale dynastieën, onafhankelijk van het kalifaat. Dat zou de geheele historie van Perzië uit dien tijd moeten zijn. Kirman zelf had enkele onafhankelijke bestuurders, Aboe Ali, een rooverhoofdman en de dynastie der Deïlamiten. En dan in den tijd der veroveringen door de Seldsjukken, die op den dood van sultan Mahmoed de Ghazna volgden, stichtte Malik Kaward, zoon van Sjaker-Beg, zich een rijk uit de provincie Kirman; zijn dynastie hield anderhalve eeuw stand. Deze periode heeft twee historie-schrijvers zien geboren worden, wier werken niet in een europeesche taal zijn vertaald. De twee belangrijkste souvereinen van deze dynastie waren Malik Shah en Arslan Sjah. Die laatste bracht gedurende een regeering van veertig jaren veel verbeteringen in Kirman aan, zoodat men die provincie best bij Khorassan kon vergelijken en bij Iran. Karavanen kwamen er heen uit alle richtingen en trokken door het land, terwijl Fars en Oman aan Kirman onderworpen waren. Togroe Shah volgde hem op; maar bij zijn dood bracht de oneenigheid tusschen zijn drie broeders de provincie tot een staat van verval.
Zij werd toen vermeesterd door den stam der Ghazzen, die Merw hadden geplunderd en de streek binnen korten tijd tot een woestijn maakten. Deze stam werd ten slotte ten onder gebracht door het leger van den atabeg Sed-bin-Zangi, en van dien tijd af herstelde zij zich niet weer van de geleden rampen. Thans wonen er de Raï’s, een onbelangrijke nomadenstam.
Kirman had het zeldzame voorrecht te ontsnappen aan de verwoestingen van een verovering door Mongolen, het ergste lot, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar toch bleef de inval van Gengis-Khan niet zonder indirecten invloed op zijn lot. Een officier van den khan der Kara-Kitaï, namelijk Borak Hadjib, die door de provincie trok en zich verbeeldde haar gouverneur te zijn, vroeg en verkreeg de erkenning van Gengis-Khan. Hij stierf in 1234. Hij werd vervangen door zijn neef en schoonzoon Koet-boe-din, die, nadat hem het gezag betwist was door zijn schoonbroeder, de nieuwe gouverneur werd en in 1258 stierf aan de gevolgen van een wond, hem door den stoot van een bok toegebracht in de Djoeparketen in hetzelfde jaar, waarin khalief Mostasim-Billa ter dood was gebracht door Hoelagoe, zoon van Gengis-Khan.
Op Koet-boe-din volgde zijn vrouw, onder wie het land tot bloei kwam. Zij stichtte dorpen en liet putten graven, en zij zetelde op den troon, toen Marco Polo door het land reisde op zijn terugweg. Zij stierf in het jaar 1282. Een andere vrouw, die over Kirman regeerde, was Padsjah Katoem, een merkwaardige vorstin, die een goeden naam had als dichteres. In deze periode werd het eiland Ormoezd schatplichtig aan Kirman. In 1470 werd de provincie Kain vereenigd met Kirman, en drie jaar later werden beide bij Fars gevoegd onder het gouverneurschap van Shah Kalib. Zij deelden in het lot van het overige rijk.
In October 1894 kreeg ik de opdracht een consulaat te vestigen te Kirman en in Perzisch Beloetsjistan. Ik nam die met genoegen aan, ofschoon er geen groote financiëele voordeelen aan verbonden waren, en ik begaf mij erheen in gezelschap van mijn zuster, die haar reisindrukken heeft weergegeven in haar werk, dat den titel draagtThrough Persia on a side saddle. Wij begaven ons naar onzen post over Enzeli, Teheran, waar wij eenigen tijd bleven, Koem, Kasjan, Yezd en Bahramabad.
Op vier mijlen afstands van Kirman kwam een generaal mij welkom heeten en bood mij thee aan in zijn tent. De omstreken der stad hebben buitendien ook eenige theehuizen. Tot mijn groote verbazing zag ik een microscopisch paardje aankomen, met schitterend fluweelen dekkleed en gouden tuig.Op dat beestje moest ik mijn entree maken in de stad. DeSahib Dwanhad het speciaal voor mij gezonden. Gelukkig kon ik die moeilijke verplichting van de hand wijzen, door te zeggen, dat, daar ik in uniform gekleed was, ik genoodzaakt was, mij te bedienen van een militair zadel, en dat mijn zadel natuurlijk niet paste voor zulk een kleinen pony.
Toen wij het daaromtrent eens waren geworden, ging het in optocht naar de stad met wanhopige langzaamheid en voorafgegaan door een troep van ongeveer tweehonderd ruiters en talrijke bij den teugel geleide paarden. De hindoesche kooplieden en de zoroastrische gemeente heetten ons welkom. Bij de westelijke poort klonk een fanfare, en een honderdtal menschen liep mee met den stoet, die langzaam door de nauwe bazars ging, waar alle handel stilstond.
De tuin, die voor het consulaat gehuurd was, lag een mijl buiten de wallen, maar ten slotte bereikten wij dien toch. Wij werden een trap opgeleid en weer werd ons thee gepresenteerd. Daarna vertrokken tot mijn groote verlichting allen, die aan deistikbalof receptie luister hadden trachten bij te zetten.
De hoofdstad van de provincie Kirman is reeds van den aanvang af een belangrijk middelpunt geweest; maar het is zeker, dat het oudeKarmananiet op dezelfde plek lag als de tegenwoordige stad. Zooals met zooveel steden in Perzië het geval is, hangt ook Kirman van de putten of kanats af voor zijn watervoorziening. De plaats ligt in een inzinking, nog altijd 1730 M. boven het niveau der zee, aan den voet van een kalkgebergte, dat geheel door woestijnen omgeven is; maar daar er veel wegen samenkomen, is er een middelpunt voor den handel ontstaan.
Koerdische vrouwen van den oever der Kaspische Zee.Koerdische vrouwen van den oever der Kaspische Zee.
Koerdische vrouwen van den oever der Kaspische Zee.
Koerdische vrouwen van den oever der Kaspische Zee.
Als men van het Oosten te Kirman komt, lijkt de stad een vrij verwarde opeenhooping van minarets en moskeeën, met bijna overal ruïnen eromheen. De beide forten, die de stad beheerschen, waren vroeger middelpunten van verkeer. Aan de westzij ligt een mooier gedeelte, de Bag-i-Ziriss, waar veel tuinen zijn, een soort van uitspanningsoord, dat een oppervlakte van 250 hectaren beslaat. De tegenwoordige stad Kirman is omgeven door een muur in goeden staat, met zes poorten, waarvan één, bekend onder den naamSultani, het werk moet zijn van Sjah Roek. De vorm der stad is onregelmatig; de middellijn van oost naar west bedraagt juist een engelsche mijl of 1609 M., die van noord naar zuid is een paar honderd meters langer. Er zijn vijf wijken, met de namen Sjahr, Khodja-Khizr, Koetbabad, Meidan-i-Kala en Sjah-Actil; men kan er de drie buitenwijken Gabri, Mahoeni en Yoe-Moedi nog bijvoegen.
Aan den westelijken muur grenst het Fort, waar de gouverneur-generaal resideert. Daar zijn ook het telegraafkantoor, de kazernen en het arsenaal. Die gebouwen zijn voor het meerendeel modern; ze zijn mooi en goed onderhouden. Een groote tuin omgeeft de particuliere vertrekken van Zijne Excellentie.
Tot 1896, het jaar toen het door een aardbeving verwoest werd, was het merkwaardigste gebouw van Kirman de Koeba Sabz of Groene Dom. Het was het graf van de dynastie der Karakhiten; het was een eigenaardig cylindrisch monument, bijna 16 M. hoog met groenachtige mozaieken, terwijl de vloer van binnen sporen van veel goud vertoonde.
Niet ver van daar is een steen, die prachtig gebeeldhouwd is en waarop verzen van den Koran staan. Hij is gevoegd in den muur van een vierkant gebouw, gedekt door een koepel en op dezelfde wijze versierd als de Koeba Sabz. Een gewelf eronder schijnt er op te wijzen, dat het ook een graf is geweest, maar de eenige inlichting, die ik op dit punt te Kirman krijgen kon, was dat het gebouw der Khodja-Atabeg of Sang-i-Atabeg heette.
Kirman, dat in de oostersche talenDas-ul-Amanheet, dat is “Woning des Vredes” kan met de voorsteden een bevolking van een weinig minder dan 50,000 zielen tellen. Uit godsdienstig oogpunt is zij aldus over de verschillende secten verdeeld: sjiiëtische Mohammedanen 37,000, sunnietische 70, Babi’s Behaï 3000, Babi’s Ezeli 60, Sjeikhi’s 6000, Soefi’s 1200, Joden 70, Zoroastriërs of Persen 1700, Hindoes 20.
De Babi’s, aanhangers van Mirza-Ali-Mohammed van Sjiraz, in 1848 ter dood gebracht, maken in ’t geheim tal van proselieten. Zij hebben verheven principes, willen vriendschappelijke betrekkingen tusschen alle menschen, afschaffing van godsdienstoorlogen, studie van nuttige wetenschappen enz. De uitbreiding van de leer der Babi’s zou voor de wedergeboorte van Perzië veel goed kunnen doen. Zij zijn verdeeld in Ezeli’s of Behaï’s, al naarmate zij de leer van Mirza-Yahia, sub-i-Ezel, den opvolger door den stichter der leer zelf aangewezen, zijn toegedaan of volgelingen van Mirza-Husein-Ali, Beha Ulla, zijn ouderen broeder, die zich in 1866 tot hoofd der sectie opwierp.
De secte van de Sjeikhi’s heeft, ofschoon men het tegendeel heeft beweerd, veel overeenkomst met die der Babi’s. Zij is gesticht door Sjeik Ahmad, d’Ahsa of Lahsa op de Bahreineilanden, die ongeveer 1750 werd geboren. De secte telt 7000 volgelingen in de provincie Kirman en 50,000 in Perzië. Het tegenwoordige hoofd is Hadji Mohammed Khan, een man met vriendelijke, wellevende manieren, die een uitgebreide wereld- en menschenkennis bezit, aangenaam is in den omgang en vrij blijkt van alle dweepzucht.
Inlandsche soldaten van het engelsch consulaat te Kirman.Inlandsche soldaten van het engelsch consulaat te Kirman.
Inlandsche soldaten van het engelsch consulaat te Kirman.
Inlandsche soldaten van het engelsch consulaat te Kirman.
De Joden uit Kirman zijn er ongelukkig aan toe. Het zijn kleine kooplui, bespottelijk inhalig en op hun voordeel uit. ’t Is een tak van een grootere kolonie, te Yezd gevestigd en die uit Bagdad gekomen moet zijn.
De Zoroastriërs, interessant omdat zij aanhangers zijn van zulk een ouden eeredienst, zijn ook belangwekkend om de zuiverheid van hun bloed. Het zijn echte Iraniërs zonder die mengeling van arabisch bloed of van mongoolsche en turksche elementen, door achtereenvolgende invallen in Perzië ingevoerd. Zij vormen een schooner en gezonder ras dan hun muzelmansche geloofsgenooten. Hun broeders in den geloove uit Bombay geven een voorbeeld van physieken achteruitgang, waarschijnlijk teweeggebracht door het klimaat van Indië.
Uit industriëel oogpunt was Kirman tot voor weinige jaren uitsluitend bekend om zijn sjaals, maar tegenwoordig nog meer om de tapijten. Die weergaloos mooie producten van zijn weefstoelen worden geweven uit zijde en wol, en de fijnheid, de schitterende kleuren maken ze inderdaad tot de schoonste ter wereld; alle andere weefsels schijnen daarnaast banaal. De modellen zijn zeer oud en dagteekenen blijkbaar uit den vóór-mohammedaanschen tijd. Er komen dikwijls menschenfiguren op voor, maar meer gestyliseerde bloemen, alles met een prachtige mengeling van kleuren.
Te Kirman zelf telt men ongeveer een duizendtal van die weefstoelen. Elk tapijt wordt gemaakt door een meester-wever en twee of drie kleine jongens, die naar een formule werken, welke zij opzeggen en die veel verouderde woorden bevat. Het wordt beweerd, dat die formules van mond tot mond zijn gegaan, overgeleverd van den vader op den zoon, eeuwen en eeuwen lang. Er worden geen vrouwen, noch meisjes aan dit werk gezet.
Anilineverfstoffen, die de tapijtindustrie onder de nomaden bijna onmogelijk hebben gemaakt, worden zorgvuldig vermeden.
De sjaal wordt geweven uit geitehaar of wol. Evenals bij de tapijten, worden de modellen van buiten geleerd; maar het werk is veel fijner en kan alleen door kinderhanden worden verricht.
Andere industrieën van minder beteekenis zijn de fabrieken van vilt, vanabba’s, dat zijn overkleeden van arabischen oorsprong en veel door de Perzen gedragen, van voorwerpen uit brons gemaakt, enz.
Mijn verblijf te Kirman is altijd zeer aangenaam geweest; nergens ter wereld zouden wij met meer achting behandeld hebben kunnen worden, en naar mijne meening zijn de beleedigingen, die Europeanen zoo dikwijls den Perzen naar het hoofd slingeren, volkomen onverdiend. De Perzen zijn over ’t algemeen bijzonder beleefd en geestig, en hun vlugheid van begrip en repartie zijn spreekwoordelijk. Ze zijn als Franschen door hun beleefdheid en hun zin voor complimentjes, en als Engelschen in zoo ver zij het ’t beste gebruik van geld achten, als ze het aan voedsel en aan kleêren besteden.
De opvoeding der jeugd is tot hiertoe schandelijk verwaarloosd; maar men kan tegenwoordig daaromtrent een heilzame ontevredenheid opmerken, waardoor men later aan de kinderen nog wat anders zal onderwijzen dan spreuken uit den Koran, die, daar ze in ’t arabisch vervat zijn, niet eens door hen begrepen worden. Thans is de positie van een schoolmeester er even slecht als in het Engeland der 17de eeuw, en de betaling gelijkt op die van een huisbediende. Het is dus niet verwonderlijk, als men meesters ontmoet, die leeren, dat Londen de naam is van een land, waarvan een der steden de Atlantische Oceaan is!
In Juni begonnen de nachten warm te worden, en mijn zuster leed veel onder de aanvallen der muskieten. Dus besloten wij van verblijfplaats te veranderen. Men had ons een koeler streek aangeraden. Daar ik er zeer op gesteld was, den weg van Marco Polo terug te vinden, besloten wij, ons eerst naar Koeh-i-Hazar te begeven of den “berg der tulpen”, daarna Sardoe een bezoek te brengen, waar ik zeker was, dat de groote Venetiaan vertoefd had.
In vier étapes waren wij aan het dorp Hazar gekomen, en wij kampeerden middenin de bergen op een hoogte van 3300 M. Ik kon er heerlijk jagen; de bergstreek was bewaard gebleven voor den gouverneur-generaal, en er was in verscheiden jaren geen jachtgeweer afgeschoten.
Op een dag volbrachten wij met mijn zuster de bestijging van den berg met den langen oosterschen naam die “Heiligenberg” beduidt. Het was de tweede in hoogte van de toppen van Zuidoostelijk Perzië, 4180 M. hoog. Op den top was een kapelletje, waarin een collectie munten werd bewaard, waaronder één met het beeld van koningin Victoria en het jaartal 1837.
De lucht was volkomen helder, en het panorama verrukkelijk mooi. In het Noorden zagen wij de hoekige keten, aan welker voet Kirman ligt; in het Oosten de reusachtige Koeh-i-Hazar, die hooger is dan 4000 M. Het is een prachtige berg, op den weg naar Beloetsjistan op meer dan 100 mijlen afstands zichtbaar en in staat om de oogen van meer dan één Kermani van trots te doen stralen. In het Zuiden liggen Sardoe en de reeks groote ketenen, die onder verschillende namen het plateau van Iran dragen. Bijna naar elke richting van den horizon hadden wij een inderdaad nooit door Europeanen betreden land voor ons; op de kaarten zijn enkel hoofdwegen aangegeven, en aan beide kanten ervan heeft men op korten afstand totaal onbekende streken.
Van daar gingen wij naar het plateau van Sardoe. Te Rahboer brachten wij een bezoek aan den gouverneur, en we ontmoetten ten zijnent een grijsaard van den stam der Mehni, die beweerde 125 jaar oud te wezen. Zijn gelaat had de kleur van was; zijn haren geleken zilverdraad.
Bij het verlaten van Rahboer hielden wij bij benadering een oostelijke richting en gingen over verschillende armen der Halil Roed, waarvan één vrijwat dieper was, dan wij hadden gewenscht. Des nachts hielden we stil bij een tuin, waaromheen een vijftigtal gezinnen kampeerden. Het was de maand Moharram, en uren aaneen moesten wij het klaaglied uit de Lijdensweek aanhooren. Toch kwam er tot onze groote voldoening een eind aan, en het had wel iets van een grappige vertooning, toen wij de opvoeringen overal weer aantroffen. Dit was eigenlijk de eenige maal, dat ik in Perzië iets anders dan echte vroomheid bij de godsdienstige plechtigheden zag; maar de nomaden zijn over ’t algemeen minder stipt in de opvolging der voorschriften van den godsdienst dan de menschen met vaste woonplaatsen.
De volgende dagreis voerde ons door het vruchtbare district Herza, waar de vele boomen een aangename tegenstelling vormden met de gewone kaalheid der velden. Over een pas van 2700 M. gaande, bereikten wij geleidelijk door golvende tarwevelden Dar-i-Mazar, hoofdstad van Sardoe. Men ziet er een goed onderhouden heiligdom ter eere van sultan Sejid-Ahmad-Saghis, die van den imam Moesa afstamt. Het omringende terrein is eigendom van het heilige gebouw, en boeren, die zich sjeiks noemen, zijn zoo goed als de eenige vaste bewoners van het district, daar de nomaden, ten getale van vierhonderd gezinnen ruim, in deze streken slechts de weinige zomermaanden doorbrengen. Rondom het heiligdom ziet men een twaalftal winkels, en een badhuis is er onlangs verrezen. Eenige Kermani waren er van het heerlijk koele klimaat komen genieten.
Wij kampeerden verderop bij den pas van Sarbizan, waar men de ruïnen van een karavanseraï vindt, gebouwd door den zevenden Seldsjukkensultan Malik Mohammed. Het was er best jagen, en wij zouden er wel een maand hebben willen blijven. Maar de Sahib Dwan was teruggeroepen, en zijn opvolger werd plechtig geïnstalleerd, en dus moesten wij te Kirman terugkeeren vóór de aankomst van Zijne Hoogheid.
Een weinig vóór Kerstmis 1895 kwamen twee Duitschers, die gewed hadden een reis om de wereld te doen en daarbij hun eigen kost te verdienen, teKirman aan. Het zou voor onze kolonie een slechten indruk hebben gemaakt, dat Europeanen bedelden, dus achtte ik mij verplicht den reizigers zooveel mogelijk hulp te bieden. Maar ik kan niet zeggen, dat het mij gespeten heeft te hebben vernomen, dat hun onderneming ten slotte mislukt was; zulke zonderlinge, excentrieke menschen doen niets dan kwaad, vooral in het Oosten. De inlichtingen, die zij geven, hebben meestal geen waarde en kunnen gevaarlijk worden. Bovendien is er geen enkele oosterling, die geen minderwaardige voorstelling van Europeanen krijgt, als hij er ziet, die zonder bedienden reizen en in de eerste de beste plaats hun logies goed genoeg vinden.