De Puerta del Sol.De Puerta del Sol.
De Puerta del Sol.
De Puerta del Sol.
Het is ongeveer zeven eeuwen geleden, dat Alfonsus de dappere binnen Toledo verscheen, dat hij juist had bevrijd van het juk der ongeloovigen, en dat hij naast zich had den Cid Campeador. Toen werdende blikken der beide helden plotseling aangetrokken door een zacht licht. De wanden van het oude heiligdom hadden zich geopend, een hemelsche muziek liet zich hooren, en de lamp der christelijke kapel, die sedert 369 jaren niet opgehouden heeft te branden, ofschoon niemand zorg er voor heeft gedragen, schittert voor de verrukte oogen der zegevierende krijgers.
Alfonsus en de Cid stegen van hun paarden, knielden neer en gaven bevel, dat men in het aan den eeredienst teruggegeven heiligdom een heilige mis zou opdragen.
Bekoorlijke droom van vrome zielen. Daaraan heeft dit kleine gebouw zijn naam te danken van El Cristo de la Luz.
De bouwmeesters hebben druk beraadslaagd over de vraag, tot welken tijd men moet opklimmen om den datum vast te stellen van het oudste deel van de kapel. Enkelen van hen hebben er een uiting in willen zien van arabische kunst uit een zeer primitieve periode, ongeveer vallend in den tijd der sarraceensche verovering. Zij wilden er ook een prototype in zien van de vermaarde moskee van Cordova. Het vierkante grondplan, de zijbeuken met de ijzeren bogen en de zuilen van zeer grove bewerking kunnen wel tot steun dienen van hun theorie, maar geven daaromtrent toch geen zekerheid.
Er zijn nog zoo laat als 1871 frescoschilderingen ontdekt, voorstellend de heilige martelaren van Toledo, en waarschijnlijk afkomstig uit de twaalfde eeuw. Zij kwamen voor den dag door het vallen van brokken der kalklaag, die ze bedekte. Zij behooren thuis in een tijd, toen de Ridders van Sint-Jan op die door een wonder aangewezen plek een afdeeling van hun Orde stichtten. Ter aanvulling dient ook nog gesproken van de tweede kapel, gebouwd in 1842 door kardinaal Mendoza, en die eigenlijk zou moeten worden weggenomen, om aan het oude gebouw zijn oorspronkelijk karakter terug te geven.
Een weinig hooger dan Cristo de la Luz staat, trotsch en eenzaam als een triomfboog, de wondermooie Puerta del Sol. De steenen van die poort, die zoo lang door de zonnestralen zijn gebrand en verguld, lachen den reiziger toe. Wat is zij vaak in proza geprezen, in verzen bezongen en op allerlei manieren verheerlijkt! Zelfs de Taag zou reden kunnen hebben, daarop jaloersch te zijn.
Ik herinner mij, dat ik vroeger eens onder hare bogen ben doorgegaan. Tegenwoordig loopt de rijweg er langs, zeker opdat men de poort beter zou kunnen bewonderen, en mogelijk ook om een zachtere helling te geven aan een weg met een zeer druk karrenvervoer. Het is inderdaad altijd vol op de Cuesta del Carmel, en soms heeft men moeite, zich een weg te banen door de troepen ezels, die aan de rivier water gaan halen, want Toledo, dat op een rots is gebouwd, schijnt bijna even dorstig als de Manzanares zelf.
Het is niet sinds gisteren, dat men er van droomt, de zoete wateren van de geliefde Taag omhoog te voeren tot aan de lippen der stedelingen. Het gelukte reeds aan Karel IV. Daar hij altijd veel belang stelde in mechanica, en, zooals men zich zal herinneren, langen tijd ontstemd was, doordat een zeker aantal klokken niet juist gelijktijdig wilden slaan, belastte hij een ingenieur uit Cremona, Juanilo Turriano geheeten, met het oplossen van de vraag der watervoorziening. De Italiaan stelde een hydraulisch toestel samen, dat door de tijdgenooten met meer geestdrift wordt verheerlijkt, dan dat het met juistheid wordt beschreven. Alvarez de Colmenar, die in de vorige eeuw leefde, spreekt er over naar hooren zeggen, want het bestond niet meer in zijn tijd. Het schijnt een soort van besproeier te zijn geweest.
“De Machine van Juanilo bestond uit groote ijzeren vaten, die aan elkander bevestigd waren en een soort van ketting vormden, die van het kasteel naar de Taag afdaalde; het water kwam in den eersten binnen, werd dan in den tweeden gedreven door raderen en zoo achtereenvolgens in de andere tot bij het slot, waar het in een vergaarbekken werd opgevangen en zich door de geheele stad verspreidde door een kanaal, hetgeen een groot gemak opleverde.”
Juanilo stierf in 1585, en zijn machine, door een joodschen werktuigkundige verbeterd, werkte nog vier en twintig jaren, maar toen ook die man was gestorven, stond ze voor altijd stil.
Buiten enkele bogen van het metselwerk vindt men niets terug van het werk van den ingenieur; maar de italiaansche vervaardiger gaat nog tegenwoordig in de stad door voor een toovenaar, in staat, de natuur en de bovennatuurlijke wereld aan zijn wil dienstbaar te maken.
Juanilo, die onderhouden werd op kosten van het kapittel der kathedraal, had een automaat vervaardigd, die elken dag op een vooraf vastgesteld uur uit zijn huisje trad, zich dan met onverstoorbare kalmte naar de keuken der kanunniken begaf, daar in een mandje den maaltijd voor zijn meester ontving, den kok eerbiedig groette, dan op zijn hielen omdraaide en zonder de minste onbescheidenheid of de allergeringste gulzigheid dadelijk naar de woning van zijn heer terugkeerde. De straat, waar hij door moest, heet nog de Straat van den Houten Man.
Eindelijk is de hoogte bereikt, en mijn rijtuig houdt zijn plechtigen intocht op het Zocodoverplein. Zocodover! Welk een deftige en verheven naam, ofschoon hij eenvoudig beteekent de Paardenmarkt, en wat schijnt hij goed te passen bij de heldenherinneringen van de keizerlijke stad! Op dit plateau was het wapenplein, waar de krijgers samenkwamen, vóór ze uittogen op een veldtocht; hier speelden de ridders bij de plechtige intochten der katholieke koningen; hier vereenigden zich de Communero’s, die aangevuurd werden door de groote Maria de Padilla; hier werd de rechtbank opgeslagen, waarvan de aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje, rechtens Groot-Inquisiteur was. Alle souvereinen van Spanje, alle beroemde mannen, moesten hun beeld vinden op den Zocodover, want bijna allen hebben dien grond betreden.
Als men thans het plein aanschouwt, vervliegen alle wonderbaarlijke of tragische herinneringen! Het Zocodover is niet anders dan een banaal, onregelmatig plein, waar de armoedige en karakterlooze huizen door ruwe zuilen worden gesteund. Onder de zoo gevormde portieken verkoopen bescheiden kooplui meloenen, sandalen en couranten.
Op een ronde steenen bank liggen, slapend ofrookend, bedelaars, die onbeschrijfelijk vuil zijn en fier schijnen te wezen op hun lompen. Ze doen maar hazeslaapjes, want ze kijken uit naar elken vreemdeling, die op het plein verschijnt of aan den ingang van de Handelsstraat, die naar de kathedraal voert. Deze fraaie gewoonte dateert niet van gisteren.
In een van zijn verhalen vertelt Cervantes van de ontelbare menigte bedelaars, valsche gebrekkigen en zakkenrollers, die dezen uitverkoren observatiepost innemen. Hij kon ze naar het leven schilderen uit zijn nabijzijnde woning. Er verandert niets in dien mooien zonneschijn van Spanje, die een mensch tot luiheid geneigd maakt en den geest verstompt.
Indien men eenige dagen te Toledo blijft, doet zich het moeilijke probleem voor, of men al of niet aalmoezen moet geven, waar er met zooveel aandrang om gevraagd wordt. Zult ge een klein beetje goeden wil toonen? Goed, maar onmiddellijk zijt ge bekend, en ge zult niet kunnen uitgaan, of dadelijk hechten zich vijftig vuile handen met haakvingers aan uw kleêren, zien u onderzoekend honderden oogen aan en waagt men het, den onderzoekingstocht tot in uw zakken voort te zetten, om daar ... pikante herinneringen achter te laten.
Houdt ge u doof, dan wordt ge toch gevolgd, bedrongen en met scheldwoorden bovendien overladen onder het vaderlijk oog van een politieagent, wiens hart de bedelaars hebben weten te verteederen.
Dus is het probleem onoplosbaar. Is men eenmaal tot dat besluit gekomen dan gaat men de dieven te slim af worden en men doet een wandeling door den dichten doolhof van straatjes en steegjes, die de stad doorsnijden, en waar het stil en rustig is. Soms loopt men op die smalle verkeerswegen, waar een beladen muilezel beide muren raakt, gevaar, verpletterd te worden, en er moet vlug een schuilplaats worden gezocht in een inspringend gedeelte van een huis, om niet te worden platgedrukt. Maar welk gevaar zou men niet willen loopen, om maar niet de Handelsstraat binnen te gaan en in handen der bedelaars te vallen!
Het gebeurt wel eens, dat men in die bochtige straten antieke koetsen tegenkomt, verschijnend uit de monumentale ingangen van oude paleizen, en de zaak krijgt een tragischen kant, als twee rijtuigen zonder elkaar op te merken, van beide einden dezelfde straat inrijden. Het eenige redmiddel is dan af te spannen en den wagen met de handen terug te schuiven.
Maar wie moet uitspannen? Wie zal achteruitgaan? Ernstige vraag in een land, waar het gevoel van eer een eeredienst is geworden, en waar de bewustheid van eigen waardigheid nog eerder dan het geloof bergen zou verzetten.
Het is ... een zeker aantal jaren geleden, dat er een beroemd geworden ontmoeting plaats had tusschen de koets van de echtgenoote van den President van den Raad van Castilië en die der vrouw van den President van den Raad van Indië. Door bemiddeling van de palfreniers hadden de dames de onderhandelingen gevoerd, zonder dat ze elkaar konden overtuigen. Geen van beide wilde teruggaan. Al meer dan drie uur stonden de paarden neus aan neus, en de koetsiers scholden op elkaar. Bij gebrek aan een Salomo, die al eenige jaren dood was, en bij ontstentenis van de scheidsrechters in den Haag, die nog niet waren geboren, stelde een goede ziel, die zich het ernstige geval aantrok, voor, haar te onderwerpen aan het oordeel van den Kardinaal en zich aan diens beslissing te onderwerpen.
“Hier bestaat in het geheel geen moeilijkheid,” zeide de prelaat, volkomen op de hoogte van vraagstukken van étiquette, “de jongste van de dames moet aan de andere den doorgang vrij laten.”
Nauwelijks was deze beslissing aan de partijen meegedeeld, of uit de beide koetsen hoorde men terzelfdertijd het formeele bevel:
“Span de paarden uit en ga terug; ik wijk voor de Presidente van den Raad van Castilië. Zooals Zijne Eminentie terecht zegt, geeft haar leeftijd haar daar recht op.”
“Ga zoo spoedig mogelijk achteruit; ik laat den voorrang aan de Presidente van den Raad van Indië; zooals Zijne Eminentie terecht heeft beslist geven haar jaren haar aanspraak op die eer.”
Ik heb geen dergelijke ervaring opgedaan, want ik stapte af in een echt spaansche herberg, een fonda, waarvan de deur in prachtig snijwerk allerlei wapens vertoonde en uitkwam aan de breede straat, die van het Zocodover naar het Alcazar voert, ’t Is een paleis, dat er heel mooi moet hebben uitgezien, vóór het voorplein of de patio ter hoogte van de eerste étage overdekt is geworden, om er een eetzaal van te maken.
Magnifieke deuren, zwaar en massief als die van een kathedraal, voorzien van sleutels van een armslengte, gaven toegang tot de kamers. De mijne was dubbel, dat wil zeggen, voorzien van een alkoof, die zeer groot en zorgvuldig afgesloten was, en waar niet alleen twee reuzenbedden stonden, maar buitendien alles, wat tot de waschbenoodigdheden behoort, te vinden was. Noch geluid, noch licht, noch warmte zouden daar kunnen binnendringen, zelfs al zouden er honderd menschen zich op de patio bevinden, en al zond de zon van het zenith haar stralen naar omlaag. En hier besteeg weldra mijn geest zijn geliefd ros, dat mij dezen keer snel wegvoerde naar Sjiras en Zasjan. Want is ook niet aldus in de rijke perzische huizen elke kamer samengesteld uit drie achter elkaar gelegen vertrekken, waar het al koeler en geheimzinniger wordt, en die men al of niet bewoont naar het seizoen of zelfs naar het uur van den dag?
Ik was ongeveer twintig jaren geleden in Toledo geweest en sinds dien tijd had ik er altijd spijt van gehad, dat ik de stad alleen als toeriste had gezien. Nu moest ik mijn verzuim goed maken.
Maar hoe zou ik methodisch kunnen te werk gaan in deze stad van helden, waar alle beschavingen van Spanje vertegenwoordigd zijn geweest en waar elk van haar sporen heeft nagelaten? Toledo in wijken verdeelen, zou dat niet zijn, alles door elkander mengen en alles tegelijk overhoop halen? Daar zij op een niet zeer groot plateau is gebouwd, heeft de stad zich niet ver kunnen uitbreiden of verplaatsen, zoodat zoowel in het Noorden als in het Zuiden, in het Oosten als in het Westen de heerschers hun paleizen en hun tempels hebben gebouwd. Zal hetniet beter wezen, door de eeuwen heen, van stap tot stap het zedelijk en godsdienstig leven en de kunstuitingen te volgen, dan zonder overgang tot de bestudeering over te gaan van monumenten, die soms vier of vijf eeuwen van elkander in leeftijd verschillen?
Ik heb een besluit genomen in laatstbedoelden zin, ook al op raad van mijn geleerden vriend, professor Ventura Prosper y Reyes, dien geheel Toledo hoog vereert om zijn talenten en zijn ongeëvenaarde goedheid. Geen deur blijft voor hem gesloten, als hij vraagt om te worden binnen gelaten en den magischen groet uitbrengt, die nooit uit een zondigen mond wordt gehoord, “Ave Maria purissima”, waarop geantwoord wordt met een “Sin pecado concebida” en een vriendelijken glimlach.
Madrileensche.Madrileensche.
Madrileensche.
Madrileensche.
Na het bezoek aan de kapel van Cristo de la Luz en aan de in een winkel veranderde overblijfselen van de oude moskee der Torneria moest volgen het bekijken van de oude synagogen, bekend onder den naam van Santa Maria la Blanca en Transito. Als men de israëlietische families mag gelooven, door de vervolging al sinds vijf eeuwen naar de overzijde der straat van Gibraltar teruggedreven, zouden de Hebreeërs in Spanje zijn gekomen na de vernietiging van Jeruzalem door Titus. Allen, die aan de gevangenschap konden ontkomen, volgden de kusten der Middellandsche Zee en aarzelden niet, om de zee over te steken, ten einde zich in het vruchtbare Andaluzië te vestigen. Men is niet gehouden, deze overlevering als een geloofsartikel aan te nemen. De eerste vermelding van de spaansche joden klimt op tot de vierde eeuw en komt voor in een zeer onvrijzinnig besluit. Daar er onder de joden een krachtige geest van initiatief was te vinden en groote werkzaamheid, namen zij toe in rijkdom en daar zij zich sterk vermenigvuldigden, kregen zij een voorsprong op de Westgothen, die lui en zorgeloos waren. Maar toen de arische heerschers tot het orthodoxe geloof waren overgegaan, begon de geest van vervolging vaardig over hen te worden. Een wreede wet veroordeelde het gansche jodenvolk tot slavernij. Montesquieu kon zonder veel overdrijving de opmerking maken, dat het gothisch wetboek in principe alle voorwendsels bevatte, waarvan later de Inquisitie en de vorsten uit de veertiende eeuw gebruik maakten in hun strijd tegen de Israëlieten.
De verovering van Spanje door de Mohammedanen was een weldaad voor de Joden. Zij muntten uit in kunst en wetenschap; zij monopoliseerden het bankwezen en waren zoowat de eenigen, die aan geneeskunde deden en medicijnen verkochten. De scholen van Cordova, Toledo en Barcelona telden hen onder hun beste leerlingen. Zelfs verkregen ze in dien tijd zulke hooge betrekkingen, dat men ze na de bevrijding der Mooren er niet weer uit durfde ontzetten.
Men ontmoet een menigte joodsche namen onder die van geleerden en financiers uit den tijd en aan de hoven van Alfonsus X, Alfonsus XI, Hendrik IV en vele andere christelijke vorsten. Alfonsus de Wijze gebruikte hen voor de samenstelling van zijn beroemde astronomische tabellen; Jacobus I van Arragon had een Israëliet tot leermeester; Johan II, vader van Isabella de Katholieke, droeg een van hen op, de liederen te verzamelen, die het Cancionero nacional vormen.
In dezen tijd richtten de Joden uit Toledo de beide synagogen op, die een zoo gunstig getuigenis afleggen voor hun smaak en voor hun rijkdom. De kerk, die den naam draagt van Santa Maria la Blanca is de oudste van de beide heiligdommen. Zij heeft tot 1405 haar oorspronkelijke bestemming behouden. Maar op dat tijdstip kwam Vincentius Ferrer, wiens heftige bekeersijver zooveel Israëlieten tot het Christendom had bekeerd, in Toledo het Evangelie prediken. Hij preekte verscheiden malen per dag in Santiago de Arabal, een kerk dichtbij de Visagrapoort, waar men u nog zijn preekstoel kan laten zien, die een wonder is van fijn smeedwerk. Maar de joden van Toledo gingen naar de preek, doch werden niet bekeerd. Gewend aan de zachtheid en meegaandheid der Andaluziërs, werd Vincentius Ferrer boos om de mislukking van zijn pogingen. Op een avond, toen het christelijk gehoor talrijk was en vol geestdrift, kwam de monnik, die door zijn eigen woorden buiten zichzelven was geraakt, van den preekstoel naar beneden, greep een kruis, sleepte zijn geheele schare mee, die aangroeide bij het trekken door de stad, trad met geweld in de synagoge binnen, dreef de rabbijnen eruit, en wijdde het gebouw voor den christelijken eeredienst onder het aanroepen van Santa Maria la Blanca, ter herinnering aan een wonder, dat in Rome was voorgevallen in 152 onder het pontificaat van den H. Liberius.
Handwerkersgezin in een oud paleis van Toledo.Handwerkersgezin in een oud paleis van Toledo.
Handwerkersgezin in een oud paleis van Toledo.
Handwerkersgezin in een oud paleis van Toledo.
Sedert die transformatie heeft de oude synagoge nog menige lotwisseling beleefd. In 1550 werd het gebouw door den kardinaal aartsbisschop Johan Siliceo vergroot, en er werden enkele gebouwen bijgevoegd. Hij maakte er vervolgens een soort van Bagijnenhofje van voor boetvaardige vrouwen en meisjes. Maar hetzij dat de toledo’sche vrouwen alle deugdzaam waren, of dat ze, zooals een sceptisch schrijver opmerkt, zelden zich berouwvol voelden, het Bagijnenhof kwam nooit tot bloei en moest eindelijk worden gesloten bij gebrek aan Bagijntjes. Santa Maria la Blanca, nu verlaten en ongebruikt, zou afgebroken zijn geworden, als men niet besloten had er troepen te herbergen en er later een militair magazijn van te maken.
Nog slechts even dertig jaren geleden is dat wonder van bouwkunst door de Commissie voor de historische Monumenten opgeëischt. Sinds dien tijd heeft men het gebouw een belangrijke restauratie kunnen doen ondergaan, dank zij een jaarlijksche subsidie der regeering en den inkomsten, gevormd door de entrées van de vreemdelingen.
Het uitwendige heeft niet veel bekoorlijks of sierlijks, maar pas is de deur geopend of men ziet in hun geheel vijf kerkbeuken, verdeeld door drie rijen achthoekige pilaren, waar bogen op rusten. De kapiteelen, met gebeeldhouwd stuc versierd, herinneren door hun prachtige fijnheid en door den aard van het ornament aan hun prototypen, nog bewaard in sommige oude perzische moskeeën. In de boogruimten zijn rijke rozetten aangebracht, terwijl langs het astragaal zich een slinger windt van ineengevlochten bladeren met pijnappels er tusschen, zooals men ook vindt in de versieringen van het Alhambra en die opklimmen tot den tijd van het Kalifaat. Een rijk houten plafond, ingelegd met parelmoer en ivoor, bedekt het hoofdschip en geeft aan dit gedeelte van het gebouw groote sierlijkheid.
De Joden konden niet protesteeren tegen den roof aan hen gepleegd; zij onderwierpen zich en kwamen later samen in een grootere en mooiere synagoge, gebouwd door Samuel Levy, den beroemden schatmeester van Peter den Wreede, volgens de plannen van den rabbijn Don Meir Abdeli, en voltooid in 1336. Zij hielden er hun godsdienstoefeningen tot 1492, het jaar, dat tegelijk zoo roemvol en zoo verschrikkelijk was, waarin Isabella Granada innam, waarin de Nieuwe Wereld werd ontdekt, en door een hand in onbedachtzaamheid het decreet werd geteekend, dat Spanje beroofde van 120,000 ijverige, intelligente en welvarende Joden.
De synagoge van Samuel Levy onderging op haar beurt het lot van haar voorgangster en werd een christenkerk onder den naam van Transito de Nuestra Senora. Het gebouw vertoont de weelde, die in harmonie was met den rijkdom van den stichter en is een der mooiste voorbeelden van de arabische kunst in Andaluzië. Het bestaat uit één enkel schip, overdekt ter hoogte van veertien meter door een merkwaardig schoone zoldering van lorkenhout, ingelegd met ivoor en parelmoer, als die van Santa Maria la Blanca. Op de muren ziet men zeer fijne stucornamenten, zoo sierlijk en elegant, dat men ze op het eerste gezicht voor teedere venetiaansche kant zou houden, die sinds eeuwen daar was blijven hangen. In het bovengedeelte, waar fraaie vensters zijn aangebracht, leest men tusschen bloemen en lofwerk een prachtig opschrift in hebreeuwsche letters. Daarin wordt de lof gezongen van den stichter der synagoge, Samuel Levy en van Don Pedro, den regeerenden vorst. Toen de waardige schatbewaarder ter dood veroordeeld werd door een meester, dieinhalig en afgunstig was, moest hij uit den grond van zijn hart het geld betreuren, dat hij besteed had aan het koopen van zijn beul. Het opschrift heeft intusschen weerstand geboden aan den tijd, en aan zijn hooge plaatsing is het toe te schrijven, dat het de woede der Christenen heeft kunnen tarten en hen heeft kunnen uitdagen in den tijd, toen ze de synagoge tot Christenkerk wijdden.
Thans wordt het schip der kerk door een reusachtig steigerwerk met opeenvolgende zolderingen, waarheen trappen toegang verleenen, verdeeld in verscheiden verdiepingen, zoodat het moeilijk wordt, de schoonheid van het geheel te waardeeren. Toch is het mogelijk, enkele prachtige fragmenten te bewonderen, den tempel in zijn groote lijnen te reconstrueeren, en in te zien dat, als de ondernomen restauratie op de nu begonnen wijze wordt voortgezet zij mogelijk wel een halve eeuw kan duren, maar dat ze tenminste wordt uitgevoerd met echte kennis van zaken en een onvergelijkelijk helder inzicht in wat aan zulk een kunstwerk toekomt.
Rondom het Transito, waar het paleis van Samuel Levy dichtbij was, en in de buurt van Santa Maria la Blanca. is de oude jodenwijk geweest. Helaas, op die plek, waar het volk van Israël een toevlucht voor goed had hopen te vinden, ziet men nu slechts puin en stof. Welk een droeve uittocht is dat geweest van dat ongelukkige volk, dat den grond moest verlaten, waar het sedert eeuwen woonde, en binnen enkele maanden al zijn goederen te gelde maken, zonder dat het de kleine hoeveelheid goud mee mocht nemen, die er de belachelijk lage prijs voor was!
Aan den voet van de beide synagogen daalt de bodem af naar een vlakte aan de Taag, die soms door de rivier wordt overstroomd, als ze buiten haar bedding treedt. De woningen zijn er weinige; maar een huis, dat hooger was dan de andere en er wat welvarender uitzag, trok mijn aandacht. Op den voorgevel en op meer dan acht meter hoogte was er een groote steen in aangebracht, waarop een in zwart gegraveerd opschrift te lezen was, dat mij vertelde, dat de Taag tot hier gestegen was bij een hoogen vloed, die beroemd was gebleven.
Verbaasd, vroeg ik aan een vrouw om inlichting, die op de stoep van haar huisje haar kind het haar kamde.
“Wel, wel! Komt het water der rivier soms tot zulk een hoogte?”
“O, neen!... De hoogste vloeden zijn nooit hooger gekomen dan een paar meter, en dat is waarlijk al hoog genoeg!... Maar toen de kinderen altijd met ballen tegen het opschrift gooiden en het dreigden te bederven, heeft de alcade ons bevolen, het buiten hun bereik te plaatsen.”
Nadenkend over de wijsheid en voorzichtigheid van dien uitgezochten ambtenaar, wandelde ik voort tot aan de Visagrapoort, een massief bouwwerk, dat tot den tijd van Karel V opklimt, en door zijn nauwheid een groote last is voor de muilezeldrijvers.
Ergens anders zou men zulk een sta-in-den-weg opruimen, maar te Toledo heeft men eerbied voor het verleden, zooals de voorzorg bewijst, die er genomen wordt om de herinnering aan een overstrooming te bewaren.
De Taller del Moro en de salon van het Casa de Mesa.—De pupillen van bisschop Siliceo.—Santo Tomé en het werk van Green. De moskee van Toledo en koningin Constantia.—Juan Guaz, de eerste bouwmeester van de kathedraal.—Wat er veranderd en aan toegevoegd is.—Herinnering aan den slag van las Navas.—Het graf van kardinaal Mendoza.—Isabella de Katholieke en haar testamentaire beschikking.—Ximenes.—Alvaro de Luna.—De vaandeldrager van Isabella in den slag van Toro.
De Taller del Moro en de salon van het Casa de Mesa.—De pupillen van bisschop Siliceo.—Santo Tomé en het werk van Green. De moskee van Toledo en koningin Constantia.—Juan Guaz, de eerste bouwmeester van de kathedraal.—Wat er veranderd en aan toegevoegd is.—Herinnering aan den slag van las Navas.—Het graf van kardinaal Mendoza.—Isabella de Katholieke en haar testamentaire beschikking.—Ximenes.—Alvaro de Luna.—De vaandeldrager van Isabella in den slag van Toro.
“Ik heb veel huizen gezien, veel leêgloopers en, in de straten, de rijke zoowel als de arme, hoopen vuil. Ik heb den hemel aanschouwd door venstertjes, zoo klein als schietgaten, en er is mij verteld, dat een vriendelijk gezicht dikwijls het masker is van den snoodaard, dat de perziken in den zomer rijp worden en dat er in den herfst muskieten zijn.”
Deze beschrijving van Toledo, die in het midden van de zeventiende eeuw gegeven is door den hoofschen Garcia de la Chataigneraie in het beroemde drama Francisco de Rojas, past nog volkomen, en als men bij het vuil ook nog allerlei puin voegde, zou men er geen tittel of jota aan behoeven te veranderen.
De monumenten, die opgericht zijn in den loop der drie eerste eeuwen, volgend op de herovering, en die den mudejarstijl of den mozarabischen vertoonden, hebben het meest geleden, of doordat de booze mode het zoo heeft gewild, of doordat de versieringen onsterk en niet duurzaam waren. Ik heb dien stijl in Saragossa bestudeerd, met zijn moorsche en gothische motieven dooreengemengd.
Zoo staat het met het prachtige paleis aan de Calle del Moro. Men stapt een poort binnen en komt in een verwilderden tuin, waaromheen vele arbeidersgezinnen wonen. Zij hebben hun schamele woningen aangeleund tegen de nog sterke muren, en den rijkdom afgebroken om de armoede plaats te geven. Van dit groote gebouw is slechts een zaal van mooie afmetingen over, met een prachtige zoldering, gelijk aan die van het Transito. Het bovengedeelte der muren, dat niet bereikbaar was, noch voor den hamer van den werkman, noch voor het speeltuig van de kinderen, is versierd met zeer lijn pleisterwerk.
Die schoone zaal, waaraan ter weerszijden twee kleiner vertrekken grenzen, heeft langen tijd gediend tot bergplaats voor de steenen, die voor het onderhoud der kathedraal noodig waren, en heeft naar die bestemming den naam gekregen van Taller del Moro, dat is werkplaats van den Moor. In de laatste jaren is het een gewone remise geworden.
En toch is eenmaal dit paleis bewoond geweest door Karel V. Er wordt verteld, dat de erbij behoorende tuinen ineen liepen met die, welke de woning omgaven van graaf Fuensaline, waar de echtgenoot van den grooten keizer stierf, die sombere Isabella van Portugal, de moeder van Filips II, wier door Titiaan geschilderd portret ons haar zachte trekken heeft bewaard onder de fijne, zijdeachtige blonde haren.
Een ander voorbeeld van den eigenaardigen stijl, die ontstond uit de vereeniging van de kunst van het Oosten met die van het Westen, maar een dat veel kleiner is en in uitstekenden staat is gebleven, is het salon van de Casa de Mesa. Ook dat heeft den mudejarstijl.
Het pleisterwerk, bij de bekleeding aangebracht, heeft veel overeenkomst met de versieringen van hetTransito, dat in 1366 werd opgericht, maar het gelijkt nog meer op de ornamenteering van het paleis van Ayala, dat van 1440 dagteekent. Het is dus niet gewaagd, te veronderstellen dat het gebouw tot stand kwam in de XVde eeuw.
In 1551 vestigde de aartsbisschop Don Juan Martinez Siliceo er een inrichting van onderwijs onder den naam van Collegio de las Doncellas virgineas. De jonge meisjes, honderd in getal, werden er slechts toegelaten, nadat ze bewijzen hadden bijgebracht, niet alleen van haar kwartieren van adel, zooals men bij vergissing wel heeft gezegd, maar van volkomen zuiverheid van bloed, wat nog heel iets anders is. Om zuiver bloed te hebben of oud christenbloed, moest men onder zijn verst verwijderde voorouders noch een jood, noch een Arabier, noch een door de Inquisitie veroordeelde hebben van vaders- zoo min als van moederszijde. Cervantes voegt er zelfs bij, en dat is logisch, dat er een onafgebroken en bewezen wettige afstamming moest bestaan. Natuurlijk was men niet zoo streng in zake het laatste punt als in zake het eerste.
De pupillen van den aartsbisschop Siliceo werden tusschen zeven en tien jaar in zijn school toegelaten. Zes plaatsen werden open gehouden voor kinderen van de familie van den stichter. Zeer belangrijke sommen werden haar levenslang uitgekeerd, als ze in de inrichting bleven. In geval van een huwelijk ontvingen ze een bruidschat van 5535 realen; maar geen enkel gunstbewijs viel haar ten deel, als ze de school verlieten om in een klooster te gaan, daar het hoofddoel van den stichter was, goede en flinke huismoeders op te voeden, die bekwaam waren in huishoudelijke zaken en in staat, een huishouding goed te besturen.
In 1810 ging de Casa de Mesa over in het bezit van de Karmelieters, die van den grooten salon hun kapel maakten. Aan hen is het uitstekend behoud van die zaal toe te schrijven. Zij behoort thans aan iemand, die ervoor zal zorgen, dat het interessante gebouw veilig en ongeschonden blijft.
Behalve de bekende gebouwen zijn er nog een groot aantal arme woningen, waar men interessante fragmenten van den ouden bouwstijl vindt. Om die te zien te krijgen, moet men zich niet wenden tot de gepatenteerde en zoogenaamd officiëele gidsen; liever moet men een bewonderaar van de ruïnen van Toledo volgen, en met hem doordringen tot de patio’s en stallen, welker eigenaars de opvolgers zijn van Peter den Wreede en der groote heeren van diens hof.
Terwijl de mozarabische metselaars en bouwmeesters in de verschillende wijken der stad Toledo paleizen van den adel deden verrijzen, droeg de geestelijkheid hun den bouw van kerken op. De meeste zijn verwoest geworden door den ijver der priesters, die ontijdig smaak kregen in een nieuwen stijl. San Justo, San Juan de la Penitencia, San Roman, San Pedro Martyr, San Miguel, Santa Leocadia, het klooster van de Ontvangenis en Santo Tomé hebben er nog een en ander van bewaard. Hier is nog een toren in den vorm van een minaret te zien als een protest tegen de verandering der kerken, die oudtijds onder hun hoede waren geplaatst, daar is een fries of een plafond te bewonderen, waar de technische bekwaamheid en de wetenschap der bouwmeesters uit blijken. Al die kerken zijn een bezoek overwaard; maar Santo Tomé bevat twee meesterwerken, die haar een eereplaats doen innemen, namelijk het veelkleurig standbeeld van den profeet Elia, waarvan de draperieën ongelukkigerwijze gerestaureerd zijn en de begrafenis van graaf Orgaz, het bewonderenswaardigste kunstwerk, dat de wereld aan het penseel van den realist Greco heeft te danken.
De olympische schoonheid van het hoofd van Elia, de krachtige modelleering van de handen en de voeten, die uit het wollen gewaad te voorschijn komen, doen dadelijk denken aan de spaansche leerlingen van Michel Angelo. En daar men niet aan Berruguete wordt herinnerd, moet het werk worden toegeschreven aan Tordesillas of misschien eerder aan Bercera.
Domenico Greco of Theotocopuli, om hem zijn waren naam te geven, is een van die langen tijd miskende kunstenaars, die een glorie zijn voor de steden, waar ze verblijf hebben gehouden. De strenge en forsche kleuren, de compositie vol harmonie, de magistrale teekening en de uitdrukking der gezichten zijn treffend. Deze waardige afstammeling van de groote kunstenaars uit Hellas was in Griekenland geboren, zooals zijn naam en zijn bijnaam aanduiden, en daarna was hij, na Italië te hebben doorreisd en daar een leerling van Titiaan te zijn geweest, naar Spanje gekomen en had zich te Toledo gevestigd. Buiten deze begrafenis van graaf Orgaz, dagteekenend van 1584, bezit de stad nog eenige prachtige portretten door dien grooten meester gemaakt en geschilderd in de grijze tinten, welke aan de manier van Frans Hals herinneren.
De kathedraal is nog tegenwoordig wel het middelpunt van Toledo. Van alle trekt zij het meest de aandacht. Nu eens ziet men haar boven de huizen verrijzen, dan weer vult ze open hoeken in het uitzicht tusschen de straatjes, die alle op dat kerkgebouw uitloopen. Aan beide zijden heeft zij zware contreforten, rondom zijn open galerijen, en boven steken dikke torens en spitse torentjes hun punten in de blauwe lucht op. Aan haar voeten dringen zich huizen samen en paleizen; maar men let daar niet op, zoo overheerschend is de kathedraal voor den geest en voor het oog.
Men vindt niets anders in de ruimte, en als men, gelijk opeenvolgende geologische lagen, de bijgebouwen, de sacristieën en de kapellen uit allerlei tijden naast en in het primitieve gebouw vindt, gaan die zaken, die al zoo langen tijd met elkaar in aanraking zijn geweest, zoo goed te zamen, dat de eeuwen er als ineensmelten, zonder dat men haar grenzen uit elkander houden kan. De kathedraal is de Sint-Pieterskerk van dit andere Rome, van die stad der zeven heuvelen; maar dan een zeer mystieke Pieterskerk, een zeer vrome, die ernstige gedachten wekt en niet de herinnering aan de fiere pracht van het Keizerrijk. Ik neem het Mariana kwalijk, dat hij haar de Rijke heeft genoemd, terwijl door de eeuwen heen Jupiter, Jezus, Allah en toen weer Jezus eerbiedig werden aangebeden op die plaats. De plek, waar zooveel menschelijke wezens hun geest tot de hoogte eener ideale wereld verhieven, zou een andere aanduiding verdienen.
De geschiedenis der kathedraal is niet alleen die van de stad Toledo, maar zij is die van geheel Spanje. De eerste christenkerk, die op de heidenschetijden volgde, moet opgericht zijn in de 4de eeuw. Zonder twijfel werd voor dat primitieve gebouw de kerk in de plaats gesteld, die gesticht was door Recarede, dien gothischen koning, die het Arianisme afzwoer en, het kerkgebouw onder de bescherming stellend van de H. Maagd, het den 12den April 587 inwijdde. Het moet een eenvoudig huis zijn geweest; maar binnen zijn muren werden de heilige bisschoppen van Toledo tot het pontificaat verheven. Dat geschiedde met Eugenius, Eladio, Ildefonso en Julianus; onder de gewelven der kerk kwamen de conciliën samen, waar de gothische monarchie haar wetten gaf en zich in theologische haarkloverijen verdiepte, terwijl de Arabier in den galop van zijn snel en vurig paard al meer naar het westen den teugel wendde.
De Halve Maan werd geplant op den grond, dien Viriathes zoo lang aan de Romeinen had betwist. De kerk werd omvergehaald en vervangen door een schitterende moskee, met kostbaar marmer bekleed. En toen na drie eeuwen de stad door de Christenen heroverd werd, was zij zoo schoon, dat de Mooren erdoor een afzonderlijk artikel van de capitulatie beslag op legden en van den overwinnaar de belofte kregen, dat zij er vrij hun godsdienstoefeningen zouden mogen houden. Koning Alfonsus beloofde onder eede, altijd aan deze plechtige overeenkomst trouw te zullen blijven.
Ingang tot het paleis van Peter den WreedeIngang tot het paleis van Peter den Wreede
Ingang tot het paleis van Peter den Wreede
Ingang tot het paleis van Peter den Wreede
De Mooren hadden met den koning onderhandeld, maar niet met koningin Constantia. In overleg met bisschop Bernard maakte zij van de afwezigheid van den vorst, die in verre landen oorlog voerde, gebruik, om te komen tot wat zij de kostbaarste der overwinningen noemde. Op een nacht vereenigden zich drieduizend goed gewapende Christenen onder haar bevelen en, door den bisschop aangevoerd, stormden zij op de moskee los. De deur bezweek onder hun slagen, en de verraste bewakers konden geen weerstand bieden. San Vincentius Ferrer moest het voorbeeld van overgave twee eeuwen later volgen.
Den dag na de inneming werd de moskee voor den christelijken eeredienst gewijd, en gesteld in het bezit van de kanonnieke rechten der kerk, die zij had vervangen, in spijt van de protesten van Aboe Valid, die met verontwaardiging eischte, dat het verdrag der capitulatie zou worden nageleefd.
Dadelijk zonden de Mooren een bode naar den koning met de opdracht, hun beklag te doen en naast de vervulling der belofte van den vorst ook de bestraffing te eischen van de koningin en den bisschop.
Alfonsus, in woede ontstoken, beloofde de schuldigen te straffen en sloeg in groote haast den weg naar Toledo in.
Toen ze den haastigen terugkeer van den koning vernamen, waren de koningin en de bisschop zeer verschrikt en vol vrees. Nu was er onder de Mooren een wijs en voorzichtig man, die niet te vergeefs zielkunde had bestudeerd.
“Wat zult gij lieden nu beginnen?” vroeg hij zijn geloofsgenooten. “Koning Alfonsus is eerlijk; hij zal zijn woord houden en hij zal, naar ze verdienen, straffen de koningin, die hij liefheeft en den bisschop, die zijn geheele vertrouwen bezit. Gij zult voor een oogenblik getriomfeerd hebben, maar weest er zeker van, dat, als er recht is gedaan, de rechter een wrok tegen u zal behouden. Om in het bezit te blijven van een moskee, die voortaan te groot voor ons zal zijn, zoudt gij de goede gezindheid van uwen souverein jegens u verspelen. Neemt u in acht voor de gevolgen, waardoor hij ons de strengheid zal doen berouwen, die wij van hem hebben gevorderd.”
Deze alfaqui of wetgeleerde wist zijn gehoor te overtuigen, en nog dienzelfden avond reisde hij, door zijn geloofsgenooten afgevaardigd, den koning te gemoet, om zijn goedertierenheid ten gunste der schuldigen in te roepen.
Alfonsus gaf zijn groote ontevredenheid aan de koningin te kennen en aan den bisschop; maar in den grond van zijn hart gelukkig, dat hij niet de strengheid behoefde uit te oefenen, die de eer van hem eischte, toonde hij voortaan aan de in Toledo gebleven Arabieren zijn goeden wil en een welgezindheid, die slechts een rechtvaardige vergoeding waren voor het geweld, in zijn afwezigheid gepleegd.
Waar Cervantes woonde, toen hij te Toledo vertoefde.Waar Cervantes woonde, toen hij te Toledo vertoefde.
Waar Cervantes woonde, toen hij te Toledo vertoefde.
Waar Cervantes woonde, toen hij te Toledo vertoefde.
Toledo behield gedurende meer dan anderhalve eeuw, de arabische moskee als kathedraal en eerst onder de regeering van Ferdinand III, den heiligen veroveraar van Sevilla, werd ze afgebroken. De eerste steen van de tegenwoordige kerk werd door dien monarch gelegd, bijgestaan door bisschop Dom Jimenez de Rada, op 4 Augustus 1227. Met den bouw is men bezig geweest tot op het einde van de 16de eeuw. De mozarabische kapel, die der laatste koningen, die van Sagrario, van Ochavo, de Sacristie, het huis van den Schatmeester, de Zaal der Onderhandelingen, de Leeuwenpoort en die der Voorstelling, het snijwerk van het koor en een menigte andere toevoegsels dateeren van nog lateren tijd.
Castilië en Sevilla.Castilië en Sevilla.
Castilië en Sevilla.
Castilië en Sevilla.
De naam van den eersten bouwmeester is ons bewaard gebleven. Hij heette Pedro Perez, zooals men kan lezen op zijn grafschrift, dat in de kapel van Santa Maria gevonden is, toen die kapel werd afgebroken bij den aanleg van het Sagrario. Hij stierf op hoogen leeftijd in 1285. Onder zijn talrijke opvolgers moeten wij niet vergeten den beroemden Juan Guaz, wien de Katholieke koningen den bouw opdroegen van het klooster San Juan de los Reyes.
Het zou vervelend zijn de optelling te hooren van het aantal pilaren, die het schip van de kathedraal van Toledo dragen; van de vensters, die er licht geven; van de vierkante meters gewelven, die het overdekken; van haar kapellen, vensterruiten, deuren en binnenpleinen. De kanunniken zelf zouden u geen completen inventaris kunnen geven van de schatten van allerlei aard, die men er vindt. Ik wil mij er dus toe bepalen, de hoofddeelen te bespreken en allereerst mijn aandacht wijden aan drie groote figuren, die scherp uitkomen tegen de groepen van koningen, ministers, krijgslieden en bisschoppen, die allen te rusten gelegd zijn in de kathedraal of haar iets van hun eigen roem hebben meegedeeld. Ik zalnamelijk spreken over Alvaro de Luna, den beroemden en ongelukkigen minister van Juan II, van den grooten kardinaal Mendoza, minister van Isabella de Katholieke, en van den niet minder grooten Ximenes de Cisneros, die, bekleed met koninklijke macht op het eind van het leven der groote koningin, ze behield in de eerste jaren der regeering van haar dochter, Johanna de Krankzinnige.
Zooals in bijna alle gothische kerken van Spanje, wordt de schoonheid van het centrale schip bedorven door de zware massa van het koor, dat onvermijdelijk voor de kanunniken moest gereserveerd. Maar toch, omdat het koor zoo mooi is, kan men het veel vergeven. Nadat men het prachtige hek van verguld koper en verzilverd ijzer heeft bekeken, waarin men de karakteristieke ornamenten aantreft van den platereskenstijl of dien der spaansche vroeg-renaissance; nadat men daarboven de wapens heeft herkend van kardinaal Siliceo, primaat van Spanje in den tijd toen de beroemde meester van het smeewerk, Domingo Cespedes, dit kunststuk voltooide in 1548; nadat men het opschrift heeft ontcijferd, dat vertelt, hoe dit wonder werd gewrocht onder de regeering van Karel V en onder het pontificaat van Paulus III, begint men de grieven te vergeten, die voor een opmerkzaam beschouwer van het schip der kerk geheel verdwijnen.
Langs de muren, die zich tot halver hoogte de zuilen verheffen, staan twee verdiepingen van koorstoelen van rijkgebeeldhouwd notenhout, maar van verschillende stijlen. De benedenste rij is niet de schoonste; maar wel is ze de oudste en de interessantste. Elk basrelief stelt een gebeurtenis voor uit den strijd, ter verovering van het koninkrijk Granada, door de Katholieke koningen gevoerd, en de daarna volgende inneming van de talrijke versterkte plaatsen, waardoor de tien jaren van den oorlog gekenmerkt waren. Die koorstoelen, die in 1495 werden voltooid, dateeren uit den tijd van kardinaal Mendoza en zijn het werk van den meester-beeldhouwer Rodriguez. Ze zijn in den bloemrijken gothischen stijl gemaakt en vloeien over van curieuse en aardige bijzonderheden over de vestingen, de kleederdrachten, de wapens, de gewoonten der Christenen en der Mooren op het tijdstip der verovering.
De stoelen van de bovenste rij zijn afkomstig uit de 16de eeuw en dragen alle den duidelijken stempel der Renaissance. Marmermozaïeken en inlegsels van jaspis en albast zijn ingevoegd in het notenhout van een mooie, warme tint, om de versieringen mee aan te brengen.
Filips Vigarni, genaamd van Bourgondië, heeft de linker koorstoelen gemaakt, terwijl Berruguete die aan den rechter kant vervaardigde. De figuren, die bijna levensgroot boven de leuningen zijn aangebracht, zijn ontleend aan het Oude en het Nieuwe Testament. De stoel van den aartsbisschop, die zoo bijzonder mooi is, was voor Berruguete bewaard gebleven. De dood overviel hem, en zijn medewerker had de eer het kunstwerk te snijden. Er staat het schild op van kardinaal Siliceo, onder wiens bestuur het werk werd voltooid in plaats van dat van den aartsbisschop Talavera, dat men op de andere stoelen vindt.
De bronzen zuilen, die het koepeltje steunen, dat zich er boven uitbreidt, zijn wonderlijk mooi gesneden. Op de leuning stelt een basrelief van albast, dat wij aan de beitel van Gregorio Vagarni verschuldigd zijn, broeder van Filips, genaamd van Bourgondië, de H. Maagd voor, zooals zij een kasuifel om de schouders van den H. Ildefonsus hangt. De bevalligheid en de schoonheid der heilige kunnen slechts vergeleken worden bij de verheven en verrukte uitdrukking van dengene, die haar aanschouwt. Een belangrijke groep is aangebracht boven het koepeltje en stelt de transfiguratie van Jezus voor, die tusschen Elia en Mozes staat. Berruguete had den tijd het werk te voltooien en zelfs om oneenigheid te krijgen met het kapittel over de betaling van zijn arbeid. De bouwmeester van het Alhambra, Pedro Machuca, werd als deskundige gekozen en stelde den prijs vast op 82628 realen, een zeer belangrijke som voor dien tijd, want ze staat gelijk met 13000 hollandsche guldens.
Boven de koorstoelen vindt men rechts en links orgels, die om de schoonheid der registers en de voortreffelijkheid van het mechanisme terecht beroemd zijn. Het eene is van 1756, het andere van 1796, en beide zijn vervaardigd door bekende orgelbouwers. De overige meubels van het koor kunnen wedijveren met de stoelen. In het midden draagt een arend met ontplooide vleugels, de klauwen rustend op een gothisch voetstuk van ouderen stijl, de enorme en zware boeken van de liturgieën. Die schoone vogel is zeker uit Duitschland gekomen in den tijd der Renaissance. Twee andere lessenaars van verguld brons van verschillenden vorm, staan een weinig lager, gelijk met de stoelen. Zeer mooie basreliefs, die den doortocht door de Roode Zee en David, dansend vóór de ark, voorstellen, versieren de vlakke deelen van die lessenaars. Ze zijn zoo stevig verguld, dat men ze het gebruik niet kan aanzien, ofschoon ze van 1750 moeten dagteekenen. Indien dan al het kapittel veel van kunst hield, het hield ook veel van zuinigheid, want er rezen nog moeilijkheden met den vervaardiger Nicolaas de Vergara, den Oude. Er volgde een twist, maar ten slotte werd men het toch eens.
Tusschen het koor en de Capilla Mayor van tegenwoordig, die afgesloten wordt door een hek, waar een prachtige Christus aan het kruis boven hangt, ligt een vrij groote ruimte. Zij werd tot de 15de eeuw ingenomen door de oude Capilla Mayor, terwijl aan de achterzijde zich de kapel der Oude Koningen verhief, gesticht door koning Dom Sancho den Dappere, om als begraafplaats voor zijn familie te dienen. Toen Ximenes de Cisneros kardinaal en primaat van Spanje was geworden, verkreeg hij van de Katholieke koningen vergunning, om de stoffelijke overblijfselen hunner voorgangers naar elders over te brengen, en tevens om van de beide kapellen een enkele te maken van grooter afmetingen en dus meer in overeenstemming met de belangrijkheid van het gebouw. Zulk een optreden heeft natuurlijk meer sporen nagelaten. De Capilla Mayor ziet er, nadat ze de beelden en sieraden uit de beide heiligdommen heeft geërfd, overladen en vol en niet in harmonie met het andere uit. Onder de beelden van koningen enkoninginnen is ook een binnengedrongen van een boer.
Toen de beroemde slag van las Navas aan den gang was, en het leger der Christenen door de ongeloovigen in het nauw was gebracht, en dreigde vernietigd te worden, verscheen er een herder voor koning Alfonsus VIII en bood hem aan, hem langs een onbekenden, maar volkomen veiligen weg buiten den pas te brengen, waar de troepen ingesloten waren. Toen hij zijn woord had gehouden, verdween de herder, zonder op den dank des konings te wachten of om een belooning te vragen. Dadelijk liep het gerucht, dat de redder van het leger der Christenen een afgezant van den hemel was. Ten bewijze van zijn dankbaarheid gaf Alfonsus bevel, een standbeeld op te richten voor den hemelschen gids en beschreef hem aan den kunstenaar, zooals hij hem had gezien.
Tegenover dien Pastor de las Navas staat de waardige gestalte van den alfaqui Aboe Valid, die door zijn beleid koningin Constantia redde van de straf, die zij wel een weinig verdiend had. Voorbij de koninklijke standbeelden dichterbij het altaar vindt men boven elkaar een rij van graven, waar de leden der koninklijke familiën rusten, die niet zijn overgebracht naar de kapel der Nieuwe Koningen. Daar heeft zich op een echt koninklijke plaats een persoon ingedrongen, die door zijn geboorte niet voor zulk een eer bestemd was. Het is niemand minder dan de beroemde Dom Pedro Gonzales de Mendoza, kardinaal, primaat van Spanje en eerste minister der Katholieke koningen.
Het heeft moeite gekost, om het stoffelijk overschot te plaatsen in een graf, dat meer op een kapel gelijkt, en waar een altaar staat. Op dat altaar moesten volgens de laatste wilsbeschikking van den prelaat drie missen per dag worden gelezen. Toen de kardinaal gestorven was, haastten zich de kanunniken, die hem misschien tijdens zijn leven wel eens lastig hadden gevonden, tegen de bepalingen van zijn testament te protesteeren.
De plaats, die de overledene had aangewezen, om er zijn graf te graven, kon, zoo zeiden zij in den aanvang, slechts aan een vorst of een prins van koninklijken bloede worden afgestaan. Toen Isabella, die door den slimmen Mendoza tot zijn executrice testamentaire was aangewezen, hoorde van den tegenstand, zond zij aan het kapittel het bevel, zich naar den laatsten wensch van den kardinaal te voegen. Toen men zich niet haastte om te gehoorzamen, dacht zij aan koningin Constantia. Door metselaars vergezeld, begaf zij zich des nachts naar de kathedraal en beval den werklieden, in haar tegenwoordigheid den dikken muur door te breken. Toen de kanunniken den volgenden morgen in de kerk kwamen, vonden ze de doorboring zoo goed als voltooid. Het gaf toen niets, nog langer te protesteeren.
De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument ingewijd, na den dood van Isabella.
Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt, haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde, het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over een Nieuwe Wereld zijn geworden.
Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van “den derden beheerscher van Spanje”, en na zijn dood voerde zij gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van die gevoelens.
De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke, die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte, van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling te vergissen.
Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.
Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd, van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.
Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen, om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanjeverder te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde te brengen.
Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen trotseerende herinneringen opleven.
Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?
Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen, er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI, bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken, waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching; maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden, de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus werd behouden.