Parade voor den Sultan in Fez.Parade voor den Sultan in Fez.
Parade voor den Sultan in Fez.
Parade voor den Sultan in Fez.
Er was hem wel door de regeering een bereden soldaat toegevoegd; maar Genthe reed veelal zeer snel, om het geleide kwijt te raken en de regeering had, om haar paarden te sparen, reeds bepaald, dat hij alleen te voet gaande, begeleid zou worden. Zoo bleef ook toen de soldaat achter, en den 9den kwam de man op het duitsche consulaat melden, dat zijn heer niet terug was gekeerd.
Waarschijnlijk heeft de reiziger den dood gevonden onder moordenaarshand, en hebben roovers hem uitgeplunderd en daarna het lijk verduisterd. Er is wel in de Seboe in het laatst van April een lijk gevonden, dat als van een Europeaan voor het zijne is gehouden, maar het was gewond en geheel naakt, en met zekerheid heeft niemand het als het lijk van den Duitscher kunnen herkennen.
De weg, dien hij uitgereden was, is vooral in den regentijd zeer eenzaam, en het schijnt, dat een slecht befaamd individu El Chammar de daad heeft bedreven, niet onmogelijk met medeweten van Dr. Genthe’s persoonlijken bediende. Allerlei nasporingen werden in het werk gesteld; het paard werd nog in September bij den stam der Beni Mtir teruggevonden en daaraan werden nieuwe onderzoekingen vastgeknoopt; maar volkomen opgehelderd is de zaak nooit.
Toch heeft men getracht, het rechtsgevoel bevrediging te schenken, ’t geen vooral noodig werd, toen des keizers bezoek in Marokko was aangekondigd. De door de publieke opinie als moordenaars aangewezenen werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en de marokkaansche regeering betaalde een som van 40.000 mark als schadeloosstelling voor de bloedverwanten van den vermoorde. Op die wijze wordt in den laatsten tijd vaker Marokko’s schatkist aangesproken. Voor eenige maanden is de Franschman Charbonnier er vermoord, en in ’t begin van Juli heeft het machzen in 100.000 francs schadevergoeding bewilligd.
1Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.
1Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.
Door A. Kloos.
Matadi.Matadi.
Matadi.
Matadi.
Na een voorspoedige reis over een bijkans spiegelgladde zee had deAlbertville, een der stoomschepen der Messageries Maritimes du Congo, het anker laten vallen in de ruime, slechts door een smalle landtong van den Oceaan gescheiden baai, door den machtigen Congostroom aan zijne uitmonding gevormd.
Al dadelijk bij het invaren maakt de rivier een grootschen indruk. Verscheidene K.M. breed, stuwt zij hare wateren, waarvan de gele kleur reeds den geheelen dag vóór onze aankomst den aanblik der zee veranderde, met groote snelheid en in ongelooflijke massa voort. Hare dichtbegroeide, vèrwijkende oevers verliezen zich in de oneindige verte; tot aan den horizon kunnen we stroomopwaarts de wateroppervlakte overzien,—slechts plekken eenige kleine eilanden, hier en daar verspreid, tegen de donkere kleur van het water of tegen den helderblauwen hemel af.
In al zijn rustige schoonheid vertoont zich de machtige stroom aan ons oog; niets dan een enkele kleine kano door rechtop staande inboorlingen voortbewogen, verraadt ons de nabijheid van menschen. Geen geluid dringt over die uitgestrektheid tot ons door, stil en indrukwekkend ligt de Congo, zich badende in het verblindend witte, tropische zonlicht, voor ons.
Alleen als we over de baai naar de landtong, die we straks bij het binnenkomen omstoomden, terugblikken, zien we dat onze aankomst opgemerkt werd.
Eenige sloepen, waarin ambtenaren van den Congostaat of vertegenwoordigers van hier gevestigde Europeesche handelshuizen gezeten zijn, bewegen zich over het water, en ’t duurt niet lang of de inzittenden haasten zich aan boord, om bij het afdoen hunner zaken weer eens iets anders te zien dan hunne dagelijksche omgeving, die op ’t stukje grond, tusschen rivier en oceaan gelegen, dat hun tot verblijfplaats dient, niet zeer afwisselend is; vooral ook, om het nieuws te vernemen, dat elke stoomer uit Europa medebrengt.
De voor ons liggende landtong, Banana geheeten, vertoont ons, op eenigen afstand gezien, een liefelijk beeld van rust en koelte; wuivende palmen overschaduwen met hunne sierlijke, waaiervormige bladerkronen eenige lage, witte huizen, die met hunne helderwitte daken scherp tegen het donkere groenafsteken. Nadere kennismaking met Banana echter valt niet mede, althans niet wat natuurschoon betreft. Als we ons aan land begeven hebben zien we, dat de bodem niet veel anders is dan het zandige zeestrand, en hoewel er palmen in overvloed op groeien, is er van anderen plantengroei bijna geen spoor te ontdekken. Aan zijn gunstige ligging heeft Banana het dan ook slechts te danken, dat zich hier verscheidene blanken gevestigd hebben.
Allereerst zien we de groote factorij van het belangrijkste handelshuis dat op den Congo handel drijft, het overal in het binnenland gevestigde Hollandsche Huis, eene te Rotterdam bestaande vennootschap, die hier haar hoofdkantoor voor Afrika heeft. Hare groote magazijnen, woningen voor geëmployeerden, kantoor, werkplaatsen etc. nemen een groot deel der oppervlakte in beslag. Al deze gebouwen zijn uitstekend onderhouden en het geheel maakt aanstonds den indruk van groote orde en netheid; het doet ons goed, boven deze groote vestiging onze vaderlandsche driekleur te zien waaien.
Nog eenige Belgische en Fransche maatschappijen hebben hier hunne factorijen, en meer landwaarts in ontwaren we de gebouwen van het Gouvernement van den onafhankelijken Congostaat, kantoren voor posterijen, voor douanedienst en dergelijke. Alle huizen zijn hier laag, van klei opgetrokken en met houten daken gedekt; over ’t algemeen maken zij met hunne witgekalkte daken, die aan alle zijden een eind over de muren heensteken, een aangenamen indruk.
Behalve visch, die in overvloed gevangen wordt, levert de streek niets op, wat tot onderhoud der hier wonende blanken en zwarten dienen kan. Bananen, de heerlijke, gezonde vrucht, die we op den naam afgaande, hier zoeken zouden, zijn hier evenmin te vinden als andere vrachten. De naam Banana is afgeleid van het inlandsche woord, dat steenachtig beteekent.
Zelfs zoet water vindt men hier niet; het voor de bewoners benoodigde moet uren ver per kano gehaald worden. De landtong is bovendien zoo smal, dat bij sterken wind de golven van den Oceaan somtijds hun water tot over de halve breedte van de strook land voortstuwen, zoodat er dan zeewater aan de binnenzijde in de baai afvloeit.
Zijn gewicht voor den handel op den Congo ontleent Banana dan ook slechts aan het feit, dat het is de eerste aanlegplaats der schepen van over zee en het punt van waaruit massa’s produkten van het Congobekken verscheept worden naar Europa. Doch ons stoomschip laat ons niet veel tijd ons hier lang op te houden; het maakt zich, na de mail afgegeven en verdere formaliteiten vervuld te hebben, gereed zijn weg rivieropwaarts te vervolgen.
Het is een tocht, rijk aan natuurschoon, dien we nu maken. De vaart van onze boot wordt hier aanmerkelijk getemperd door den sterken stroom en we hebben ruimschoots gelegenheid te genieten van de telkens afwisselende tafereelen, die rivier en oevers aanbieden. De weelderige plantengroei geeft aan de eilanden en boorden der rivier overal het voorkomen van ondoordringbare, uit het water oprijzende groene wallen. Nergens is een plekje gronds onbegroeid; van uit het water rijst het groen op, onafgebroken tot in de kruinen der boomen; zelfs het oog vermag niet meer dan enkele meters in die bosschen door te dringen. Een enkele maal passeeren we eenige bijeenstaande huizen en hutten, een handelsfactorij, gebouwd op een open plekje aan de rivier, dicht omringd door het onmetelijke woud, dat van alle zijden als ter herovering van dit gebied schijnt op te dringen.
Meestal vertelt ons de vlag, dat het een Hollandsche vestiging is.
Deze factorijen, die hier vroeger talrijker werden aangetroffen dan tegenwoordig, zijn de plaatsen, waar de inboorlingen hunne waren: ivoor, gom-elastiek, grondnoten en palmolie, tegen allerlei zaken van hunne gading komen inruilen. Vroeger was de handel hier aan den benedenloop der rivier zeer levendig, doch deze verplaatste zich allengs meer naar “boven” naarmate de blanken, voortdurend zoekende elkander de loef af te steken, telkens dieper landwaarts indrongen. Tegenwoordig zijn het hoofdzakelijk grondnoten en palmolie, die hier worden ingeruild, hoewel uit de streken, eenige dagen (karavaandagen) van de kust af gelegen, ook nog wel gom-elastiek en ivoor komen.
De belangrijke ivoor- en gom-elastiekhandel evenwel heeft hier zijn tijd gehad; de groote neger-karavanen, die deze producten zeer diep uit de binnenlanden naar de kust aanbrachten, worden hier niet meer gezien; de streken, van waar deze karavanen kwamen, worden rusteloos opgespoord door de handelshuizen, die zich, sedert het laatste tiental jaren vooral, overal in het binnenland gevestigd hebben, en de ruilhandel om deze voortbrengselen verlegde zich dientengevolge duizenden K.M. meer oostwaarts.
Door een loods gevoerd, volgt onze boot overal den stroomdraad. Nu eens tusschen talrijke eilandjes door, dan langs den eenen oever, dan weer langs den anderen varende, somtijds de rivier over bijna de geheele breedte dwars overstekende, vermijden we de vele zandbanken en rotsen, die, gevoegd bij den snellen stroom, de vaart hier zoo moeilijk en gevaarlijk maken. Na eindelijk de gevaarlijke Montèba-bank—de rivier is hier slechts 15–20 voet diep en de boot stoot er op verscheidene plaatsen aan den grond—gepasseerd te zijn, bereiken we nog denzelfden dag van ons vertrek van Banana de hoofdplaats van den Congo-Vrijstaat, Boma.
Een groote, ver in de rivier uitloopende pier maakt het aanleggen en ontschepen zeer gemakkelijk. Velen onzer medepassagiers zijn bestemd voorloopig hier te blijven. Belgen en Italianen, meestal in dienst van den Staat, de laatsten vooral als officieren, Portugeezen, Franschen en Hollanders voor verschillende handelshuizen, Zweden en Noren dikwijls, die als kapitein of stuurman gewild zijn, komen hier met elke boot aan, ter vervanging van hen, die na volbrachten diensttijd—meestal 2 of 3 jaren—naar Europa terugkeeren.
Boma bezoekende, krijgt men niet den indruk te zijn in het donkerste Afrika, in de nog voor weinige jaren zoo weinig bekende Congo-streek. Ter lengte van ongeveer een K.M. loopt langs de rivier een breede weg, waaraan, regelmatig gebouwd, verscheidene steenen gebouwen liggen, voornamelijk winkels of toko’s van Europeesche firma’s; ook vinden we hier het postkantoor. Evenals deze weg zijn alle andere landwaarts inloopende wegen, dank zij ’ttoezicht dat de Staat op ’t bouwen uitoefent, breed en recht en alle worden uitstekend onderhouden en regelmatig gereinigd. ’t Ontbreken van plaveisel, waardoor we hier van straten nog moeilijk spreken kunnen, wordt dan ook niet al te zeer gevoeld.
Hoewel Boma nog niet het aanzien heeft eener stad, is het de grootste nederzetting van blanken langs den Congo. Vroeger stonden hier slechts enkele handels-factorijen, die een, sedert dien tijd bijna geheel verloopen, drukken handel dreven voornamelijk in palmpitten, waarvan vele scheepsladingen verzonden werden. Sedert de staat zich hier vestigde en er zijn hoofd-administratie inrichtte, is het aantal der blanken en bij hen in dienst zijnde zwarten gestadig gestegen.
De gouverneur-generaal, een groot aantal ambtenaren, werkzaam bij de verschillende afdeelingen van bestuur en de rechterlijke macht, verscheidene officieren en vele handelsmannen houden hier geregeld verblijf; enkelen zelfs met hunne echtgenooten. Niet over ’t hoofd te zien is ook het groot getal zwarten, die, ’t zij uit Engelsche of Portugeesche bezittingen langs Afrika’s Westkust, ’t zij uit dieper in ’t binnenland gelegen streken afkomstig, zich een zekere mate van ontwikkeling hebben eigen gemaakt en nu betrekkingen gevonden hebben bij de post, de rechtbank, ’t politiewezen of wel bij de verschillende hier gevestigde handelshuizen.
Verscheidene zwarten ook houden een soort winkel, en over ’t algemeen gaat hun ’t zaken doen goed af. Zij vestigden zich gewoonlijk wat verder van de rivier af, waar we ook de vele woningen en hutten van de zwarte bevolking van Boma aantreffen. In de magazijnen, die door Belgische, Hollandsche of Fransche handelshuizen opgericht werden, zijn de meeste voor ’t gebruik der blanken benoodigde Europeesche artikelen, hoewel duur, tamelijk goed te krijgen; voorts vinden we er een bonte mengeling van allerlei waren, goedkoope, veelkleurige manufacturen, odeurs, spiegeltjes, hoeden, panongs, (’t inlandsche kleedingstuk voor vrouwen) kralen, bellen, messen, kortom bijna alle denkbare zaken die de begeerte kunnen opwekken, ’t zij van de meer ontwikkelde hier verblijf houdende zwarten, ’t zij van de in de omstreken wonende nog zoo goed als geheel onbeschaafde inboorlingen.
De kleinere, meer achteraf gelegen winkels vertoonen dezelfde groote verscheidenheid der meest uiteenloopende artikelen, meestal uitsluitend op zwarte koopers berekend. Jammer genoeg nemen ook rhum en andere alcoholische dranken onder de koopwaren een voorname plaats in en deze worden gaarne door de inlanders gekocht. Zooals te begrijpen is, maakte de oorspronkelijke ruilhandel sinds eenige jaren plaats voor ’t koopen tegen geld door den Staat in omloop gebracht.
Verder landwaarts ingaande, bemerken we langs de zachtjes opgaande helling eener heuvel die achter Boma oprijst, vele meer officieele gebouwen, die tot bureaux van den Staat of woningen van ambtenaren dienen, o.a. het gerechtshof, de citadel en de woning van den gouverneur-generaal. Zelfs is men hier met den aanleg van een park begonnen.
De wandeling door Boma heeft, zoowel in ’t benedengedeelte als hierboven, een eigenaardige bekoring door de velerlei afwisseling die zij biedt en door de mengeling van blanken en zwarten uit alle oorden en van allerlei ontwikkeling, die men overal ontmoet. Men ziet zwarten geheel op Europeesche wijze, of in witte pakken gekleed, waarbij helmhoed en dikwijls wandelstok en cigarette niet ontbreken, naast inboorlingen, die zich aan den inlandschen heupdoek hielden. Terwijl de eersten zich hunne meerdere ontwikkeling goed bewust zijn en zooveel mogelijk de manieren der blanken trachten na te volgen, gaan de laatsten, gewoonlijk eetwaren op ’t hoofd dragende, stil huns weegs.
De vestiging van den Congo-Vrijstaat vooral heeft hier een grooten omkeer teweeggebracht in de oude toestanden. Hoewel de genegenheid bij de inlanders voor Boele Matadi (naam door de inboorlingen aan den Staat gegeven, die steenbreker beteekent, naar ’t laten springen van rotsen voor scheepvaart en andere doeleinden) zeker niet onverdeeld is, weten ze toch dat deze machtig is en niet met zich laat spotten; maar aan den anderen kant is men zich vrijwel algemeen bewust, dat onrecht, ook waar ’t blanken geldt, door de overheid niet geduld wordt.
Met ’t invoeren van een geregeld bestuur is de Staat ook reeds in ’t binnenland begonnen, maar Boma valt de eer te beurt, ’t eerst een burgerlijken stand gehad te hebben ook voor negers; hunne hutten zijn verder geheel op Europeesche wijze van nummers voorzien.
Klachten, twisten en dergelijke kunnen op regelmatige wijze voor ’t gerecht gebracht worden, en dat de rechtbank niet schroomt ook niet-inlanders te veroordeelen, bewijzen wel de vele gevallen, dat aan blanken voor korter of langer tijd hunne vrijheid ontnomen werd. De gevangenis te Boma herbergt zelfs enkelen, die voor zware misdrijven, w.o. dikwijls mishandeling van negers, tot vele jaren gevangenisstraf veroordeeld werden. Hoewel ook staats-ambtenaren zich, in vroeger jaren vooral, zonder twijfel meermalen aan machtsmisbruik schuldig gemaakt hebben, zij ’t hier gezegd, dat de Staat ze, als lichaam, al was het dan ook niet altijd even krachtig, voortdurend heeft tegengegaan. Ondanks de campagne vooral in de Engelsche pers telkens weer tegen den Congo-Vrijstaat gevoerd, is het een feit, dat de gruwelijke misdrijven, die helaas in ’t Congo-gebied meermalen bedreven werden, moeten toegeschreven worden aan wreedaards, die òf door hun misdadigen aanleg, òf door ’t gemis eener beschaafde omgeving, òf door ’t feit dat hunne beenen de weelde van ’t zich heerscher weten in een groot, moeilijk te controleeren gebied niet dragen konden, òf door welke oorzaken dan ook tot onmenschelijkheden vervielen. Door den Staat als zoodanig werden zij niet bedreven.
Ofschoon we de vele overige maatregelen en instellingen door den Staat hier ingevoerd stilzwijgend voorbijgaan, wenschen we, alvorens van Boma afscheid te nemen, nog te wijzen op de mogelijkheid door “Boele Matadi” geopend tot het sluiten van huwelijken tusschen negers, en dezen maken hiervan dikwijls gebruik; of ze echter het juiste inzicht hebben in de beteekenis van het burgerlijk huwelijk, mag betwijfeld worden, getuige de vele echtscheidingsprocessen, die Boma zelfs reeds gehad heeft.
Van Boma gaat de reis verder naar Matadi, het verst gelegen punt aan de rivier, dat door stoombooten bereikt kan worden. In tegenstelling met het gedeeltebeneden Boma is de stroom hier tamelijk smal; de geweldige watermassa dringt met zeer groote snelheid tusschen de hooge, steil oploopende oevers voort. De bergen, die met hunne steenachtige hellingen dit gedeelte der rivier aan beide zijden omsluiten, zeggen ons reeds, dat we het woeste, bergachtige terrein bereiken, dat zich vanaf Matadi tot Stanley-Pool uitstrekt en waardoorheen zich de Congo met onweerstaanbare kracht en woest geweld een weg gebroken heeft; een weg echter, die een aaneenschakeling is van stroomversnellingen, schietstroomen en cataracten. De steenachtige bodem en de duizenden rotsblokken waarlangs of waaroverheen zich het water, tallooze draaikolken vormend, bruisend en schuimend, dikwijls onder oorverdoovend geraas voortspoedt, maken de rivier over ± 400 K.M. voor scheepvaart totaal ongeschikt. Het laatste gedeelte der vaart naar Matadi gaat zelfs reeds bezwaarlijk en eischt vooral bij den zoogenaamden Duivelshoek nauwkeurige kennis van den stroom. Deze Duivelshoek is een zeer scherpe bocht in de rivier, juist beneden Matadi, waar het water met geweldige vaart om den sterk vooruitspringenden rotswand heenschiet. Onder het uitvoeren van den bijna rechten hoek, dien ons vaartuig hier moet beschrijven, dringt de stroom het met angstwekkende snelheid en onder sterk overhellen, dwarsover de rivier, op den tegenoverliggenden oever aan; het minste defect aan machine of stuurtoestel zou hier zeker noodlottig worden. Een zucht van verlichting gaat meestal op bij hen die hier bekend zijn, als men, na deze gevaarlijke plaats gepasseerd te zijn, Matadi voor zich ziet.
Factorijlaan te Banana.Factorijlaan te Banana.
Factorijlaan te Banana.
Factorijlaan te Banana.
Slechts enkele K.M. stroomopwaarts kan men de witte koppen zien der Yellala-Falls, de laatste der reeks van cataracten boven Matadi.
Juist tegenover de aanlegplaats onzer boot bemerken we op den rechteroever der rivier den ouden staatspost Vivi, oorspronkelijk gesticht door Stanley, toen deze hier bij zijn terugkomst in Afrika, eenige jaren na zijn beroemde reis dwars door het donkere werelddeel, voet aan wal zette, om zijne goederen—w.o. geheele booten zelfs—onder duizenden bezwaren over het bergachtige terrein verder te vervoeren naar Stanley-Pool.
Het overgroote deel van alle handelsgoederen, materialen voor den bouw van factorijen en booten, Europeesche levensmiddelen enz., die in groote massa’s voornamelijk door Engeland, Holland en Frankrijk naar het Congo-gebied verscheept worden, is bestemd voor den Boven-Congo en moet alzoo te Matadi gelost worden, waar de “Chemin de fer du Congo” het transport overneemt. De grootere handelshuizen hebben hier meest alle een factorij om dit transport te behartigen; men vindt hier verder verscheidene winkels en zelfs eenige hotels ten gerieve der vele blanken, die op hunne thuisreis of op weg naar boven zijnde, hier passeeren; de Staat heeft er een belangrijken post, waarvan vooral de douane-dienst een voornaam onderdeel uitmaakt. Van alle goederen, die hier gelost worden moet, ’t zij hier te Matadi, ’t zij te Brazzaville als ze voor Fransch-Congo bestemd zijn, 6%, van enkele, als zout, kruit en vuurwapenen 10% invoerrechten betaald worden. De uitgaande rechten, die de Staat hier voorts heft van de producten, waaronder vooral ivoor en gom-elastiek, die zijn gebied verlaten, vormen een belangrijk deel van de inkomsten der regeering.
Wat van Matadi vooral een tweede groote nederzetting aan de rivier maakt, is de zooeven genoemde Chemin de fer du Congo, de Congo-spoor, die onder bijna onoverkomelijke moeilijkheden, ten koste van vele millioenen en helaas ook van verscheidene menschenlevens—de hier en daar langs den spoorweg staande eenzame kruisen vertellen het ons—tusschen Matadi en Kinchassa, het eindpunt aan den Stanley-Pool, werd aangelegd.
Groote magazijnen tot opslag van de duizenden tonnen handelswaren, die hier altijd op transport wachten, werkplaatsen tot het herstel van locomotieven en waggons, waarin verscheidene blanken en honderden zwarten bezig zijn, opslagplaatsen voor steenkolen, rangeerterreinen etc. nemen al wat te Matadi aan eenigszins vlak terrein te vinden is geheel in beslag.
De naam Matadi (steen) zou moeilijk door een meer juisten vervangen kunnen worden. De plaats werd gebouwd op het onderste gedeelte der helling eener kale rots; de huizen staan gedeeltelijk op dezen steenklomp en werden er gedeeltelijk in uitgehakt.
Van wegen is hier geen sprake; ieder bouwde zijn huis, waar hij een plaats vond, die hem eenigszins geschikt leek; de verbindingen er tusschen worden gevormd door ongelijke paden, hier stijgend, daar dalend, op vele plaatsen ook al in den rotswand uitgehouwen.
Na zonsondergang is het gaan, zelfs voor hen die hier bekend zijn, en al laat men zich ook vergezellen van een zwarten lantaarndrager, wat trouwens bepaald noodzakelijk is, nog tamelijk gevaarlijk; maar ook over dag waagt bijna niemand zich aan een uitstapje. Van plantengroei is op dezen bodem geen sprake, en wanneer de zon op de naakte steenenbrandt is de hitte er haast ondragelijk; men doet hier zijne zaken en blijft overigens zooveel mogelijk onder de beschuttende schaduw zijner veranda.
De Koningin Wilhelmina, een der booten van de Ned. Afrikaansche Handelsmaatschappij.DeKoningin Wilhelmina, een der booten van de Ned. Afrikaansche Handelsmaatschappij.
De Koningin Wilhelmina, een der booten van de Ned. Afrikaansche Handelsmaatschappij.
DeKoningin Wilhelmina, een der booten van de Ned. Afrikaansche Handelsmaatschappij.
De meeste te Matadi aankomende passagiers weten waarheen zich te wenden om huisvesting te vinden; zoo de ambtenaren van den Staat en agenten van hier gevestigde handelshuizen; verder zij, die in ’t bezit zijn van introductie-brieven aan hier wonende Europeanen. Wegens de primitieve toestanden, die men hier verwachten kan, voorzien velen zich van dergelijke aanbevelingsbrieven, en gastvrijheid wordt in den Congostaat gaarne verleend.
Wie niet zoo gelukkig is, neemt zijn toevlucht tot een der hotels. Deze zijn, een enkele betere inrichting niet te na gesproken, nu juist niet naar de laatste eischen ingericht, hoewel de prijzen, die men er in rekening brengt, met die van hotels van den allereersten rang in de beschaafde wereld kunnen wedijveren. Niet zelden moet men zich vergenoegen met een rustplaats op den vloer, terwijl men zich tot de bevoorrechten rekenen kan, als men ’s morgens het benoodigde waschwater na niet al te veel moeite bekomen kan. Doch aan den Congo stapt men over dergelijke kleinigheden zonder veel bedenken heen.
Cataracten in den Congo tusschen Matadi en Stanley-Pool.Cataracten in den Congo tusschen Matadi en Stanley-Pool.
Cataracten in den Congo tusschen Matadi en Stanley-Pool.
Cataracten in den Congo tusschen Matadi en Stanley-Pool.
Het is te begrijpen, dat de spoor een grooten omkeer te weeg bracht in het transport van reizigers en goederen, ’t welk vroeger uitsluitend per karavaan plaats had. Toch moet men ook hier zijne eischen niet te hoog stellen.
Op den morgen dat we Matadi verlaten, begeven we ons vroegtijdig naar het station. Het vertrek is bepaald op 7 uur en het is geen zaak zijn trein te missen, daar er, behalve de treinen voor het vervoer van goederen, slechts drie in de week loopen voor passagiers bestemd. Het ligt voor de hand dat de dienst op dezen spoorweg nog niet te vergelijken is bij dien op de spoorwegen in Europa. Het reizigersverkeer is zeer beperkt; verreweg de grootste bron van inkomsten bestaat in het vervoeren van handelsgoederen naar “boven” of van producten—ivoor en gom-elastiek—naar beneden. Het terrein, waarover de lijn moest worden aangelegd, leverde voorts bij nagenoeg elken K.M. nieuwe bezwaren op en, hoewel de spoorweg-directie voortdurend alles aanwendt om den weg te verbeteren, is men er nog lang niet ingeslaagd alle moeilijkheden—scherpe bochten, steile hellingen en dergelijke—overal te overwinnen.
De lange lijn, die hier en daar tientallen van K.M. achtereen door woeste, nagenoeg onbewoonde streken voortloopt, is bovendien moeilijk te controleeren. Natuurlijk ontbreekt het niet aan geregeld toezicht en wordt elken dag de afstand tusschen de blokhuizen door zwarte, daartoe aangewezen beambten, afgeloopen, maar de blokhuizen liggen ver van elkander en gebreken kunnen toch zoo gemakkelijk onverwachts veroorzaakt worden door de geweldige tropische regens of door het nederstorten van steenblokken, waarmede vele berghellingen langs den spoorweg zoover het oog reikt bedekt zijn.
Het kleinste gebrek aan den weg kan, door de groote afstanden, urenlang vertraging geven. Men heeft dan ook geen reden tot klagen, als de 200 K.M., die Matadi van Thysville scheiden, voor zonsondergang zijn afgelegd, al reed men dan hier en daar eens wat langzamer dan men het verwachtte of al werd het geduld door oponthoud onderweg al eens op de proef gesteld. De gedachte, dat deze afstand in Europa in enkele uren kan worden afgelegd en ’t dan niet noodig zou zijn tien uren en meer in den warmen waggon te vertoeven, komt wel eens in ons op, doch ’t zou onverstandig zijn er reden tot klagen uit te putten. Hen, die met Congo-toestanden bekend zijn hoort men dit dan ook trouwens niet doen; ’t is ook voldoende zich de manier te herinneren, waarop tot voor weinige jaren de reis van Matadi naar Kinshassa gemaakt moest worden, toen het geen zeldzaamheid was dat men, met de karavaan van dorp tot dorp reizende, 3 tot 4 weken onderweg was, om niet al te veeleischend gestemd te zijn. Men komt nu dan toch, tamelijk gemakkelijk gezeten, in twee dagen aan het einde der reis.
De gereedstaande trein, in tegenstelling met de goederentreinen bekend als de expres, zou in Europa hoogstens op den naam tram aanspraak kunnen maken. Behalve de machine zijn er slechts drie rijtuigen, een waggon 1e klasse, een dito 2e en een bagagewagen. De gesteldheid van den weg maakt het niet wel mogelijk de treinen langer te maken; bij veel aanvraag om plaatsen, wat wel eens voorkomt na aankomst eener mail uit Europa, laat men liever twee treinen achter elkander loopen; ook gebeurt het niet zelden dat in dit geval een deel der passagiers zich een paar dagen wachten moet getroosten.
Van de zenuwachtige drukte, die dikwijls het vertrek der treinen in de beschaafde wereld voorafgaat, bemerken we hier geen spoor. De negers, belast met het inladen der bagage, hebben blijkbaar geen haast en evenmin hebben dit de tien of twaalf passagiers, die de reis gaan ondernemen. Men zoekt een plaats of wandelt, nu het nog aangenaam koel is, wat langs het treintje op en neer in afwachting van het sein tot vertrek, dat zich meer of minder lang wachten laat, naarmate er wat meer of minder bagage te laden is. Er wordt trouwens op geen vijf minuten gekeken; we hebben den geheelen dag tijd om Thysville, dat ongeveer halfweg ligt, te bereiken en ’t maakt niet veel uit, of we er een uur vroeger of later aankomen.
Is eindelijk alles in orde en hebben blanken en zwarten in hunne respectieve waggons—het gebeurt zelden dat een der eerstgenoemden 2e of een der laatsten 1e klasse reist—plaats genomen, dan verkondigen een paar stooten op de fluit, dat de reis een aanvang neemt en spoedig hebben we Matadi achter ons.
’t Gezelschap waarmede we de reis maken bestaat, met uitzondering van enkele ouderen, d.w.z. zij die na reeds eenige jaren in den Congo doorgebracht te hebben weder naar hun werkkring terugkeeren, voor ’t grootste gedeelte uit nieuw-aangekomenen, die zich vol verwachting naar hunne bestemming begeven.
De draaibare rieten fauteuils, waarvan er aan elke lange zijde van het rijtuig zes geplaatst zijn, en het tafeltje, dat zich tusschen elke twee zetels bevindt, maken het mogelijk zich tamelijk goed voor de lange reis in te richten. Overigens laat de inrichting der wagens wel iets te wenschen over. Van ramen is geen sprake; wind en regen kunnen ongehinderd door de geheel open zijkanten naar binnen komen en maken den rit er dikwijls niet aangenamer op. Het grootste ongerief echter vormen de massa’s stof, hoofdzakelijk fijne aschdeeltjes uit de locomotief afkomstig, die onophoudelijk naar binnen waaien; er is meestal geen uur na het vertrek verloopen of aangezicht en handen zijn er dermate door verontreinigd, dat men met verlangen naar wat water uitziet. De enkelen die hierop gerekend hebben, door in een paar flesschen waschwater mede te voeren, worden benijd door hen, die, minder bekend met de eigenaardigheden dezer spoorreis, dit verzuimden en wien nu niets overblijft dan gebruik te maken van de gelegenheid tot verfrissching, die zich enkele malen voordoet, wanneer n.l. de trein eenige minuten stopt om uit een aan den weg op een hooge stelling geplaatsten bak zijn watervoorraad, voor den stoomketel benoodigd, aan te vullen.
De helderwitte kleeding, waarin velen onvoorzichtig genoeg de reis aanvingen, heeft het zwaar te verantwoorden en nog voordat we aan het eerste eenigszins groote station gekomen zijn, deelt ook deze reeds in de algemeene vergrijzing. Het hardst te verduren evenwel hebben het de oogen; bijna niemand komt aan het einde der reis, zonder dat de pijnlijke oogleden hem op onaangename wijze aan dit ongerief herinneren.
Dranken of eetwaren zijn onderweg niet te krijgen; hoogstens koopt men van inlanders, die men hier en daar, terwijl de trein oponthoud heeft, somtijds ontmoet, eenige eieren of bananen; het benoodigde, behalve brood en conserven ook glazen, vorken, messen, servetten, etc. voert ieder dan ook zelf mede.
Het is voorzeker geen luxe-trein waarin we plaats namen, en men is gewoonlijk verheugd te Kinshassa aan te komen; doch heeft de reis ook hare lichtzijde.
Het uitzicht is bijna overal belangwekkend genoeg om wat ongerief over het hoofd te zien; vooral het bergachtige land, de Palla-Balla geheeten, dat we al aanstonds na het vertrek van Matadi doorrijden, biedt een grootschen aanblik. De ruwe bergmassa’s stapelen zich boven en achter elkander op; ten deele kaal, ten deele met ondoordringbare bosschen bedekt, strekken zich de hellingen in eindelooze verscheidenheid uit; hier steil oprijzend tot ontzagwekkende hoogte, daar nederdalend in nauwe dalen en ravijnen,die den aanschouwer doen duizelen. In duizenden bochten wringt zich onze trein door deze bergklompen heen. De weg gaat ten deele door de diepe ravijnen, tusschen steile, hooge muren, die ons met vernietiging schijnen te dreigen en die veelal ternauwernood ruimte genoeg overlaten om onzen trein te laten passeeren; die ontzaglijke bergklompen geven ons een gevoel van onmacht als we, uit de diepte er naar opziende, slechts zeer, zeer hoog een stuk van den blauwen hemel kunnen bespeuren. Straks weer kruipen we tegen een steile helling op, hoog boven alle omringende lagere toppen uit, om een oogenblik later in razende vaart bergafwaarts te snellen. We rijden over steenvlakten, waar de zonnestralen, door den gloeienden rooden of witten bodem teruggekaatst, ons oog verblinden, en door bosschen, waarin nauwelijks een straal der zon den grond bereikt en waar we in de verkwikkende koelte verademing vinden. Langs hellingen gaat het, waar de noodige ruimte in de steenmassa moest worden uitgehouwen. Aan de eene zijde staat hier de loodrechte, afgehakte bergwand nog op geen meter afstand; aan de andere zijde zien we bijkans loodrecht neer op bosschen, diep onder ons in het dal gelegen. Zóo smal is hier de weg, dat we naast de lijn zelfs geen grond meer bespeuren en we, ons vooroverbuigende, langs de steile helling loodrecht naar beneden blikken.
Op enkele plaatsen wordt de rotswand beneden ons door den Congostroom bespoeld. We bespeuren de helling niet die ons draagt, en schijnen te zweven boven het water, dat diep beneden ons zijn weg naar de zee vervolgt.
Eenige K.M. volgen we den onstuimigen loop van de Lufu, die zich onder ’t vormen van een reeks watervalletjes en stroomversnellingen naar den Congo voortspoedt; behalve den Lufu passeeren we de niet minder snel stroomende Quillo-rivier, beide linker-zijrivieren van den Congo. Vervolgens de Inkissi, waarover te midden eener grootsche wildernis een brug geslagen werd onder bezwaren, die moeielijk te overschatten zijn. Er komt geen eind aan de bochten en draaien in den weg; altijd door gaat het bergop-, bergafwaarts; onophoudelijk gilt de stoomfluit seinen toe aan de negerjongens, die op iederen wagen als remmer dienst doen, om, als het naar beneden gaat den loop te kunnen temperen. Er zijn punten, van waaruit wij de spoorbaan op vijf of zes plaatsen tegelijk in verschillende richtingen kunnen zien, een gevolg van de steile hellingen, plotselinge hoogten of laagten en dergelijke hinderpalen, waardoor de ingenieurs, met den aanleg belast, verplicht waren den weg dikwijls in cirkel- of slangvormige lijn tegen bergen op, of naar omlaag te leiden.
Na den nacht in Thysville doorgebracht te hebben, gaat het den volgenden dag verder, nu wat meer geregeld in dezelfde richting.
Tusschen Tumba en Kinshassa is het terrein minder woest en vertoont vooral over het laatste gedeelte een min of meer afloopende, onafzienbare vlakte, met hier en daar eenige heuvels. Behalve de schaarsche boomgroepen bemerken we, als eenige plantengroei, dor gras, waartusschen de witte zandgrond overal te voorschijn komt. Uren lang rijden we door deze dorre, eenzame streek voort, tot we eindelijk heel in de verte, vóór ons uit, het water van Stanley-Pool in de zon zien blinken en de plek bespeuren, waar Kinshassa ligt. Spoedig komen we voorbij n’Dolo, een der eindstations aan den Pool gelegen en bereiken vervolgens Kinshassa, het doel onzer spoorreis. Een onaanzienlijk houten gebouwtje, zonder eenige andere gebouwen in den omtrek, eenzaam te midden der vlakte gelegen, doet hier dienst als station.
Een groot gedeelte der reizigers, bestemd voor Fransch-Congo, verlaat den trein, om van hieruit de rivier naar Brazzaville over te steken; een ander gedeelte vervolgt de reis tot het eenige K.M. verder gelegen Leopoldville, na Boma de belangrijkste plaats in den Congo-Vrijstaat. Het eigenlijke eindpunt van den spoorweg is n’Dolo; hier en te Kinshassa worden de meeste handelsgoederen, van Matadi aangevoerd, gelost, om in stoombooten overgeladen en verder de rivier op verzonden te worden. Langs dit gedeelte van den Congo liggen dan ook de verschillende factorijen, vertegenwoordigende de Belgische, Hollandsche of Engelsche firma’s, die langs den bovenloop der rivier hunne vestigingen bouwden. Geen wonder dat n’Dolo en Kinshassa, van waar de rivier opwaarts weder over duizenden K.M. bevaarbaar wordt, evenals Matadi, voor den handel belangrijke punten werden. De Staat zag het gewicht van deze plek in en bouwde er zijn hoofdvestiging voor den geheelen Boven-Congo, Leopoldville. Toch was men in de keuze der plaats voor deze nederzetting niet gelukkig. Leopoldville ligt eenige K.M. lager aan de rivier dan Kinshassa en n’Dolo, juist beneden den Stanley-Pool en op het punt, waar de bergketens, die bij den Pool een verbazend wijde kom vormen, van weerszijden naar elkander toekomen. De breedte der rivier, voor Kinshassa ± 4 K.M. bedragende, wordt hierdoor plotseling tot op 1/3 teruggebracht, wat natuurlijk een ongemeen sterken stroom tengevolge heeft. Bovendien hebben de booten—bijna 100 in aantal—die de verbinding van Leopoldville met alle hooger gelegen staatsposten in stand houden, nog de gevaarlijke, onder water liggende rotsen te passeeren, welke juist in deze vernauwing der rivier veelvuldig voorkomen en die ongetwijfeld altijd een ernstigen hinderpaal voor de scheepvaart blijven zullen.
Juist voor Leopoldville bemerken we, midden in de rivier, de eerste der talrijke cataracten, die zich tot Matadi in een bijna onafgebroken reeks uitstrekken. ’t Is dan ook niet vreemd, dat velen zich met verwondering afvragen hoe de staat zijn tweeden belangrijken zetel kon vestigen op een plaats, zóó gevaarlijk en zóó moeilijk te bereiken voor schepen.
Zeker is Leopoldville de moeite van een bezoek wel waard, al hebben we dan ook vanaf Kinshassa een weg van bijna 2 uren gaans af te leggen. De grootsche werken, die men er heeft aangelegd, zijn een bewijs te meer voor de energie, waarmede de Congo-Staat zich in Afrika vestigde en er een geregeld bestuur tracht in te voeren.
Wij vinden er de op Europeesche wijze gebouwde woning van den “Commissaire de district” benevens de huizen voor de tientallen van ambtenaren, op de regeeringsbureaux werkzaam en voor het niet minder talrijke personeel, bij den aanleg van verschillendekunstwerken, voor den bouw van magazijnen, stoombooten enz., benoodigd. Ten koste van schatten gelds legde de Staat een reusachtige kade langs de rivier aan ten behoeve der vele stoombooten, die onophoudelijk te Leopoldville uit alle hooger gelegen streken van den Congo-staat aankomen; men maakte er een sleephelling, waardoor de grootste booten zonder veel moeite op het droge gehaald kunnen worden om de noodige reparatiën te ondergaan. Een machinesmederij is er ingericht benevens een flinke werf, van waar reeds ongeveer 100 booten, die de Staat voor zijn dienst noodig heeft, te water werden gelaten en men bezoekt Leopoldville nooit, zonder dat men er getuige van zijn kan, dat er voortdurend nieuwe vaartuigen, grooter en beter ingericht dan de vorige, op stapel staan. De honderden blanken, die te Leopoldville geregeld verblijf houden, gewoonlijk vermeerderd met tientallen officieren en hoogere of lagere ambtenaren, die voortdurend per boot van “boven” of per spoor van “beneden” aankomen, maken van Leopoldville een bedrijvige plaats. In alles treedt de regeering hier op den voorgrond; op een enkel handelshuis na is alles hier “Staat”. Politie-post, justitie-gebouwen, hospitaal, een groot gebouw ingericht tot eetzaal, waar alle blanken in staatsdienst gezamenlijk den maaltijd gebruiken, postkantoor, kazerne voor de talrijke inlandsche bezetting van Leopoldville, tot zelfs een chemisch laboratorium, werden hier door het bestuur opgericht. Hier, waar alles met de grootste regelmaat toegaat, gevoelt men te zijn in het middenpunt eener machtige organisatie, eener krachtsontwikkeling, die zich tot op duizenden mijlen in het rond gevoelen laat.
Tent voor een blanke in een negerdorp.Tent voor een blanke in een negerdorp.
Tent voor een blanke in een negerdorp.
Tent voor een blanke in een negerdorp.
In de nog geen 20 jaren, die sedert de oprichting van den onafhankelijken Congo-Staat verloopen zijn, is het dezen gelukt, tot aan de uiterste grenzen van zijn gebied zijn invloed te doen gelden.
Tot uitoefening van het bestuur is het rijk verdeeld in districten, elk met een districtschef aan het hoofd, die onder de onmiddellijke bevelen van de hoogste ambtenaren, de “inspecteurs d’État”, den vice-gouverneur en den gouverneur staan. Elk der districten, die in uitgestrektheid de meeste der Europeesche rijken overtreffen, is onderverdeeld in zônes, met een “chef de zône” aan het hoofd; onder dezen eindelijk staan een groot aantal “chefs de poste”, elk belast met het bestuur van een staatspost, die door het gansche rijk, op alle punten, die eenigszins van belang zijn, werden opgericht. Aan de “chefs de poste” is het directe bestuur over de bevolking in hun gebied toevertrouwd; zij zijn belast met de rechtspraak en hebben voor de naleving der wetten en besluiten te zorgen.
Door het geheele reusachtige Rijk heen werden wegen aangelegd, zoodat het centrale bestuur te Boma en te Leopoldville in geregelde en tamelijk goede verbinding is zelfs met de uiterste posten, die aan de oostgrens tot in het gebied van den Boven-Nijl, aan de zuidgrens tot aan de bronnen van de Zambesi gevonden worden. Met regelmatige tusschenpoozen van ± 2 weken varen goed ingerichte stoomschepen naar Stanley-ville—dat 2000 K.M. hoogerop aan de rivier ligt—en bovendien zijn vele langs den Congo gelegen posten telephonisch met Leopoldville en Boma verbonden. Ten behoeve van den telephoon, die zich welhaast tot Stanley-ville toe uitstrekt, werd door bosschen en over bergen langs de rivier een weg aangelegd, verscheidene meters breed, in lengte den beroemden postweg op Java verre overtreffende. Over deze geheele lengte wonen, op elke 10 K.M. afstand, zwarte beambten die met het onderhoud belast zijn.
Van Stanley-ville opwaarts tot het Lado, het uiterste punt in het N.O., en in Z.O. richting tot voorbij het Tanganyika-meer, zorgen reeksen van posten, langs zijrivieren of aan groote wegen gelegen, voor geregelde cano- of karavaantransporten ten behoeve der reizende staats-ambtenaren en voor den postdienst en het goederenvervoer. De reis, dwars door Afrika, die vroeger met zoo ontzaglijk veel bezwaren gepaard ging, is nu in enkele maanden te maken, nagenoeg zonder ontbering of gevaar en zelfs zonder dat het noodig is, in wildernissen of onbewoonde oorden te overnachten. Van dag tot dag liggen langs de geheele karavaan- of kano-route, van de groote meren tot Stanley-Falls, de staatsposten of de door de regeering opgerichte blokhuizen, die gelegenheid tot logeeren bieden. Van uit Stanley-ville bereikt men in enkele weken Leopoldville met de goed ingerichte staatsbooten, waarvan sommige meer dan 20 hutten tellen.