Malta en de Maltezer Orde.

Berenleiders te Kotel.Berenleiders te Kotel.

Berenleiders te Kotel.

Berenleiders te Kotel.

In dit dorp doen de vrouwen als in vele andere in deze streek nog aan allerlei industrieën en op zeer primitieve manier, zoodat het blijkt dat men er nog niets moet hebben van onze moderne machines. Overal ziet men kleine ovens, waarin elk gezin zelf zijn brood bakt, terwijl men voor eigen houtskool zorgt als brandstof en zelf zijn linnen spint en weeft.

Van Bela reden wij naar Slivno met een omweg over de steenkolenontginningen van Katsjarka. Weer overal begroeide heuvels. Wij daalden langs een klein dal, dat te Slivno uitkwam, nu eens de bedding der rivier volgend, dan de hellingen beklimmend, om een bocht af te snijden. Men komt nog al wat menschen tegen, te voet en te paard, maar in het geheel geen huizen, tot bij Slivno, waar op groote onderlinge afstanden molens zich vertoonen, daarna ook fabrieken en grootere gebouwen.

Het landschap krijgt werkelijk een grootsch karakter; de droge bedding der rivier wordt breeder, heeft kale rotswanden en vertoont een echt berglandaanzien.

Onze karavaan ziet er in dat breede dal vol steenen tusschen de kleine witte wateradertjes en de hooge hellingen, waar geen of weinig plantengroei is, min of meer algerijnsch uit.

Slivno, waarvan de naam beteekent “samenvloeiing”, omdat het aan het punt van samenkomst van drie dalen ligt, is een industriestadje van 24000 zielen, het vijfde van Bulgarije. Er zijn veel lakenfabrieken, een tiental wel in het dal, waardoor wij rijden, en overal zagen wij vrouwen bezig met het uitspreiden, drogen, omkeeren of oprapen van hoopen witte of bruine wol, die op de steenen in de rivier hadden gelegen.

Daar is dan eindelijk het stadje, een indruk van rood tegen een achtergrond van donkere heuvels, en dichterbij gekomen, zien we leelijke, onsmakelijke voorstadjes met lage huizen, een onthoofde minaret, een paar openbare gebouwen in tuinen en, onder veel lage woningen, enkele van wat beter voorkomen.

Twee zijden van Slivno zijn wel aardig, de bovenstad met de Zigeunerwijk en de blauwe rotsen, en dan de benedenstad aan het stroompje, dat zich in de Toendsja stort. Ik ga eerst omhoog, zooals een conscientieus reiziger altijd moet doen, om een overzicht van het geheel van een stad te krijgen.

Aan den noordkant leunt de stad tegen rotsachtige kalkgebergten met een voor Bulgarije ongewoon voorkomen, dat aan Dolomietgebergten doet denken. Ze worden prachtig door de ondergaande zon verlicht, en in de diepten liggen zware donkere schaduwen van blauwe tint, die den naam van Blauwe Bergen verklaren. Aan het andere einde van de stad, meer naar beneden, ziet men in de verte een groote rivier over een breede steenachtige bedding zich spoeden naar een reeks van donkere heuvels aan den overkant van een reuzenvlakte, alsof ze daar de zee vermoedde.

Terwijl ik dit mooie schouwspel voor oogen had onder een dreigenden onweêrshemel met heldergele strepen tusschen de zwarte wolken, werden mijn oogen getrokken naar een druk bewegende menigte in een weide op de berghelling boven de stad. Daar begaf ik mij onmiddellijk heen, om het tooneel van dichtbij te zien. Het was daar een leelijke, armoedige wijk, die de stad ontsierde, en zelfs voor een vreemdeling kan men het geen schilderachtige plaats noemen, maar ze is wel amusant door de verschillende typen en kleederdrachten.

Daar houden zich de Zigeuners op, met zwarte haren en een tint, zoo donker, dat de menschen wel negers lijken, vooral ook door de ver vooruitspringende onderlip en den platten neus. De mannen droegen turksche kleeding, en de vrouwen hadden buitensporig groote bouquetten in het haar van kunstbloemen of natuurlijke bloemen, met veêren en andere sieraden, zooals ik al noemde bij de vrouwen van Bela. De dichte menigte menschen was druk in de weer, schreeuwde, gesticuleerde en scheen de brandende zon in het geheel niet te voelen, want telkens gingen er paren dansen, in een ronden kring, of in lange rijen.

Langs de weide aan den kant stonden lage hutjes van leem, geel en vuil en vensterloos, terwijl de stad op den achtergrond te zien was met pannen daken op de in het groen verscholen huizen. Toen ik er was binnengegaan, vond ik er niet veel bekoorlijks, maar een rij van turksche winkels zorgde toch nog voor de noodige kleur.

Een eind ten zuiden van de stad ligt een warme bron, waar een badplaats bij is ingericht met al wat daarbij behoort, zoodat het niet enkel een gewoon turksch bad is. Van daar uit ben ik op mijn eerste reis naar het station Karamenli gegaan, aan de lijn van Yamboli naar Nova Zagora, om naar Sofia terug te keeren. Maar enkele maanden later arriveerde ik weer te Nova Zagora, om over den Sredna Gora naar Tvarditsa te gaan, dan naar Slivno en verder den Balkan over te trekken langs Kotel naar Djoemaïa. Eenige schetsjes, ontleend aan dat tweede uitstapje, zullen de algemeene voorstelling van den Balkan voltooien, gezien dezen keer niet in den bescheiden tooi van September, maar in het groene kleed van Mei.

Nova Zagora, dat nog al pompeus op de kaarten staat, is slechts een stoffig dorp, groot en somber, waar onze eenige interessante bezigheid hierin bestond, dat wij niet zonder moeite er een rijtuig huurden voor ons uitstapje in den omtrek van de volgende dagen. Daar blijft men in dezelfde eentonige vlakte, die alle centrale laagten van Bulgarije inneemt, en zich voortzet tot de eerste heuvelrijen, hier voorgesteld door de voortzetting van den Sredna Gora.

Maar als men die hoogten over is, en naar de Toendsja afdaalt, is de verrassing groot en alleraardigst. In plaats van een steenachtige bedding, als zooveel rivieren in het Oosten hebben, of een dun waterloopje, vloeit hier een breede stroom van helder water, omzoomd door groote boomen, bezet met kleine eilandjes en met telkens molens aan zijn oevers. Hij beschrijft tal van bochten en gaat zigzagsgewijsgneissheuvels door, die heerlijk begroeid en door de zon verguld zijn.

Waar de weg en de rivier elkaar ontmoeten, is de badplaats, waar wij zullen logeeren, en die door enkele gebouwen wordt aangewezen. Daar rondomheen is een overvloed van groen; veel wilgen en populieren steken hun kruinen helder af tegen het goud van de ondergaande zon op den achtergrond van blauwe heuvels.

Men zou, en dat is geen gering compliment, zeggen, dat het een mooi riviertje van Frankrijk was, iets tusschen de Loir en de Sioule in Auvergne. Het moet voor de Bulgaren een waar genoegen zijn, uit hun warme vlakten van Yamboli, Zagora of Philippopoli zich hierheen te verplaatsen, naar dit coquette badplaatsje, om er de baden te gebruiken en van allerlei kwalen genezen te worden, door in de schaduw te wandelen langs de oevers van het rustige riviertje en des morgens te ontwaken door het gezang der vogels.

Toen wij zelf op die manier wakker werden, was het prachtig helder weêr; de velden waren groen, zoowel weide als bouwland, in deze mooie Meimaand, en overal was het land golvend en door boschjes afgebroken, die hoogerop tot groote eikenbosschen werden. Zoo daalden wij af in het dal der rozen, dat we in het najaar geheel kaal en ledig hadden gevonden, en dat nu herschapen was in een oneindige groene vlakte.

Ongelukkig waren de rozenstruiken van Tvarditsa, wier bloei ons was beloofd, dit jaar ten achteren, ofschoon het al de 17deMei was, zoodat wij nog maar enkele knoppen geopend zagen. Van Tvarditsa bereikten wij bij Binhos het dal der Toendsja. Het land is niet bepaald heuvelachtig, maar is toch niet zoo eentonig als de vlakte. Het is daarbij van het helderst groen, waartegen de witte koeien in de groote weide sprekend uitkomen, evenals de zwarte buffels en de hier en daar verspreide paarden, die langs de rivier op de weide liepen te grazen.

Als men Slivno achter zich heeft gelaten, volgt de weg naar Kotel nog drie uren lang de vlakte, voor hij begint te stijgen. Altijd hetzelfde vruchtbare en eentonige dal, dat wij nu langzamerhand wel grondig kennen. Eindelijk wenden wij ons naar het Noorden en passeeren eerst een heuvel van een honderd meters, om daarna in het Mokrenidal te dalen. Daar houdt men gewoonlijk rust op het terrasje, waar men het uitzicht heeft op den tuin, en een twintigtal bulgaarsche boeren aan een tafel ziet zitten, met hun bruine mutsen en roode gordels tegenover elkaar gezeten, alsof ze zoo een koor uit een opera zullen gaan zingen.

Na Mokreni volgt de Balkan, die nog niet steil is en waarvan, ten minste tot Kotel, de hellingen ongeloofelijk zacht zijn. Het groote centrale woud van den Balkan bestaat ongelukkig hier niet, en wij moeten ons met het lage eikenhout te vreden stellen, dat door de administratie van het boschwezen angstvallig wordt bewaakt en dat mogelijk eens in den loop der tijden mooie bosschen zal opleveren. Op vijfhonderd meter kregen wij een plateau met prachtig uitzicht; groote blauwe vogels vlogen voor ons op, in de weiden graasden talrijke kudden buffels, waarvan de Turken de haarlok op het voorhoofd met henneh kleuren, juist zooals zij de haren en de nagels hunner vrouwen graag gekleurd zien. Heldere bronnetjes spelen in het groen en vluchten weg onder de wilgen. De roode vlek van een gordel of een fez zorgt voor een fanfare, die de aandacht trekt.

Hoe verder men naar het Noorden komt, des te dichter worden de bosschen en des te meer groote boomen ontmoeten wij erin. Voor Kotel doen zich echte kloven voor tusschen de beboschte hellingen, met witte en grijze kalkrotsen. Overal bloeien in het bosch de seringen, zoodat alle vrouwen, die we op den weg ontmoeten, die bloemen in het haar dragen.

Eindelijk volgt een breed dal, dat tusschen boschrijke heuvels langzaam naar het stadje Kotel opstijgt, zooals het daar op een helling voor ons ligt.

Kotel is een oud, in de historie bekend stadje van den Balkan, een vroeger belangrijk provinciaal hoofdplaatsje, maar nu vrij ongeschikt gelegen in den bergpas. Een tiental jaren geleden is het bijna geheel afgebrand, dat was in 1895; misschien had men goed gedaan, toen van de gelegenheid te profiteeren en de plaats bij den herbouw naar elders te transporteeren. Men maakte er echter een quaestie van patriottische gevoelens van, en een nationale inschrijving werd in geheel Bulgarije geopend met het gevolg, dat ter eere der nationale herinneringen, Kotel op dezelfde plek weer werd opgebouwd, maar als een steenen in plaats van een houten stad. De huizen staan nu alle netjes in de rij, zijn alle banaal en aan elkaar gelijk en geven aan het geheel een schijntje van een industriestad.

Gelukkig bestaan er nog enkele hoekjes van het oude Kotel in de benedenstad, waar aan de rivier veel molens liggen en waar men de fabrieken van bulgaarsche tapijten vindt met hun ouderwetsche weefgetouwen. Des morgens bezochten we die wijk, om daar in de buurt de groote watervallen te zien, die als hun broeders uit Dalmatië, Bosnië en den Karst uit de kalksteenrotsen te voorschijn komen en dan in bruisende vaart diepe kommen vullen en zoo krachtig stroomen, dat de molens er lustig van draaien.

Dit was een aardig uitstapje, vooral omdat de rivier, die door de vallen wordt gevoed, zoo liefelijk door de met boomen beplante weiden stroomt onder houten bruggetjes door en langs de molens, waar de vrouwen aan het keuvelen zijn onder het ontwarren van de wol of het spinnen van het garen.

De echte kam van den Balkan, rijst vlak achter Kotel omhoog en wordt gevormd door die kalkbergen, welker spleten zooveel water absorbeeren en voedsel geven aan rijkvloeiende bronnen. Dit deel van onzen weg was geheel kaal, als de passen op de groote hoogten van de Alpen, waar men boven de grens van den boomgroei is. Beneden in de weiden ontmoetten wij een kamp van Zigeuners, vertooners van apen en beren. De mannen lagen in het gras en amuseerden zich met het oefenen van hun beesten. Hun donkere gezichten, bruine haren met roode vlekken erin en de bonte doeken en lappen, die rondom hingen, leverden een vreemd en boeiend tooneel op.

De Kasanpas is ook kaal met zijn steile kalkrotsen boven mager bosch; maar dan gaat het vlug naar beneden naar Titsja, waarbij geologisch een groote verandering intrad, waardoor ieder moet worden getroffen, ook al kent men er noch de verklaring, noch de ware beteekenis van.

Het is de plotselinge vervanging van het tafelland door het bergland. Hier zijn het horizontale kalklagen, die in de plaats komen van de verbrokkelde bergen, die wij sinds Kotel steeds voor oogen hadden gehad. Bij een rivierovergang kon men die horizontale structuur precies volgen, door de watervallen, die zich van de terrassen stortten. Toen verscheen Titsja aan den oever der rivier met de lage huizen, alle van hout en de kleine moskee.

Even namen wij den tijd, om de paarden te laten uitblazen, en gingen toen weer verder door het kreupelbosch, waar gewapende mannen met het voorkomen van roovers hier en daar de wacht hielden met het oog op den toevloed van menschen, door de groote kermis van Djoemaïa aangetrokken, waar zich de berenleiders en de goochelaars zouden vertoonen. Door de vlakheid der terreinen scheen het altijd, of wij de treden van een trap op of afgingen, want het geheele land had het karakter van een tafelland aangenomen, zooals ook eigen is aan het groote voorbalkansche plateau tot de Donau toe.

Doorwaadbare plaats in de rivier bij Titsja.Doorwaadbare plaats in de rivier bij Titsja.

Doorwaadbare plaats in de rivier bij Titsja.

Doorwaadbare plaats in de rivier bij Titsja.

Osman Bazar ligt op een hooge vlakte met zijn roodgedaakte huizen, die op zijn turksch zeer laag zijn, en met vier of vijf minarets. Wij hielden stil op een groot, leêg plein tegenover een vierkanten toren, waarop een klokkentoren van hout, en waarnaast rechts een rij van lage huizen is te zien, terwijl links een oud bouwvallig bouwwerk waarschijnschijnlijk een overblijfsel is van een turksch bad. Er ging een weg omhoog naast onze herberg naar een grooten put met langen hefboom, een bewijs, dat we uit het gebied der bronnen zijn gekomen in dat van den eigenlijken Balkan.

Op het plein speelden kinderen vroolijk allerlei spelletjes, turksche kinderen met roode fez, roode of witte tulbanden en roode, paarse of oranje kieltjes.

Na Osman Bazar begon terstond een bosch van groote eiken, het eerste echte woud in dit deel van het gebergte, en vervolgens doet zich het land voor als een groene, golvende vlakte, met hagen en boomen in het veld en veel stroomend water.

Eindelijk gaan wij door den Dewentpas, een bergplooi in het tafelland, die een eigenaardig bergland vormt, verbrokkelde rotsen en door erosie uitgespoelde terreinen, naast steile bergen en diepe kloven.

In die kloven werden de bosschen en het kreupelhout weer bewaakt door gewapende Turken of Bulgaren, die op roovers geleken. Bloeiende seringen gaven aan de boschjes een lila tint. Daar zijn we eindelijk weer in de vlakte, volgend op het bergland, zooals dat laatste op het plateau was gevolgd. Het is, of wij van een hoog terras naar beneden zijn gedaald, en met ons doen dat de ontelbare stroompjes en wateradertjes, die door de bergen zijn gefiltreerd.

Nog enkele kilometers, en de Balkan verwijdert zich al verder van ons; tegen het vallen van den avond komen wij het volkrijk stadje Djoemaïa binnen, en treffen er de schilderachtige tooneelen, eigen aan die groote turksche markten of kermissen, die gedurende enkele dagen uit verren omtrek de menschen doen toestroomen als naar een geïmproviseerden bazar.

Naar het Fransch vanGaston Vuillier.

Batterij aan de haven van La Valette.Batterij aan de haven van La Valette.

Batterij aan de haven van La Valette.

Batterij aan de haven van La Valette.

Van Syracuse naar Malta.—La Valette en de stichting door den Grootmeester der Orde.—Aankomst in de groote haven.—Aanzien van de stad.—Koetsiers en schippers.—De witte steenen huizen.—Terrasvormige daken.—Mannen en vrouwen van Malta.—Het huiselijk leven.—Het gezelschapsleven.—De kantwerksters.—Een avond in de Barraea.—Het Hooglandersregiment en hun muziek op het plein.—De hoofdstraten.—De paleizen.

Van Syracuse naar Malta.—La Valette en de stichting door den Grootmeester der Orde.—Aankomst in de groote haven.—Aanzien van de stad.—Koetsiers en schippers.—De witte steenen huizen.—Terrasvormige daken.—Mannen en vrouwen van Malta.—Het huiselijk leven.—Het gezelschapsleven.—De kantwerksters.—Een avond in de Barraea.—Het Hooglandersregiment en hun muziek op het plein.—De hoofdstraten.—De paleizen.

Ik was voornemens, mij van Tunis naar Malta te begeven, om er de plechtigheden van de Heilige Week bij te wonen, die mij als zeer origineel waren aanbevolen. Daar echter een onverwacht besluit van de engelsche autoriteiten de haven van La Valette gesloten had verklaard voor uit het Oosten komende schepen en voor wat van de kust van Afrika kwam, moest ik mijn reisplan veranderen. De vrees voor het overbrengen van de pest bij het bestuur van Malta leidde er dus toe, dat ik een plaats besprak op een paketboot van de Compagnie Générale Transatlantique. Deze bracht mij naar Tripoli, en ik had er geen spijt van.

Maar de toen opgedane ondervinding en een groot aantal andere omstandigheden, die zich in den loop van mijn reizen voordeden, deden mij besluiten, voor het vervolg geen vast reisplan te maken. Ik vond er meer genoegen in, mij op goed geluk te laten gaan, mijn fantasie te volgen of het toeval te laten beslissen.

Onder zulke omstandigheden nam ik plaats aan boord van een italiaansche stoomboot, die zich gereed maakte om uit te varen. De bestemming liet mij vrij koel, want een horizon vol geheimzinnigheden had toen groote aantrekkelijkheid voor mij. Het was te Syracuse, dat ik mij inscheepte, en toen ik mij op de brug bevond, zag ik om naar den grond van Sicilië, die mij zooveel rein en edel genot had geschonken, zooveel uren van bekoring inzijn toovertuinen en van angstige ontzetting op de woeste hellingen van zijn kraters. Ik moest nu misschien voor altijd dat mooie Trinakria vaarwel zeggen, en het was mij, of ik een deel van mijzelven achterliet tusschen de verre heuvels, die in de schaduw wegscholen.

De stad begaf zich ter ruste in het bleeke licht van den scheidenden dag. In den brandenden zonneschijn had ik de bergachtige omstreken doorwandeld tusschen de instortende oude muren, die resten zijn van monumenten uit een grootsch verleden. Ik had de tempels bewonderd van het antieke Ortygia, had rondgedwaald in de beruchte steengroeven van de Lautumiae en was genaderd tot dichtbij de geheimzinnige fontein, waar de nymf Arethusa, om hare liefde schreiend, eeuwig hare tranen mengt onder het water van de zee.

De avond was gekomen, en de stralen der maan, brekend door den nevel, wierpen als liefkoozend hun licht over de sombere grootschheid der oude heuvels. De duisternis roept droomen wakker; de ruimte vulde zich voor mij met gestalten, en ik zag het verleden oprijzen uit het stof en leven krijgen in die vage nachtelijke helderheid. Illusie! Alleen de asch der oude stad lag op de zwijgende hoogten en vervloog als alle glorie in het ledige, verstoven door den wind.

Weldra verdween Syracuse. Dichtbij ons trilde een vuurtorenlicht, ging weer uit om weer op te lichten en dan weer te verdwijnen, als een ironische glimlach van het lot, dat ons zelfs op zee herinnert aan zijn grilligheid en aan onze droomen, die illusies, aan onze wenschen, die bedrog zijn.

De uren glijden voort, ... het wordt dag. Wij krijgen Malta in het gezicht. De opgaande zon, die in haar maagdelijkheid rose uit het water opstijgt, werpt lichtjes op de muren van La Valette, dat in onbepaalde omtrekken zich aan het oog vertoont.

La Valette, dat ik vroeger slechts terloops had gezien onder een brandende zon, met zijn wallen en bastions en al, wat denken deed aan een heftigen strijd, die wel aanstaande scheen, dreef daar boven de zee als in een wazig spiegelbeeld. Teêr gekleurde wolken verborgen de op rijen staande kanonnen voor ons oog en verzachtten den aanblik der groote, fel dreigende, versterkte rots. Een damp dreef rustig op de oppervlakte van het water in golvende sluiers en zweefde door de lucht als een fijne wolk, die langzamerhand uiteenrafelde en zich oploste in het etherische licht van den morgen.

Naarmate wij dichterbij kwamen, ontdeed de stad zich van haar sluiers, om forsch en frisch, maar dor en koud, tevens het heldere zonlicht op te vangen. De aanblik is nog niet veranderd sinds den tijd, reeds lang geleden, toen de stad de zeeën beheerschte. Zij wekt nog altijd herinneringen aan oorlogsgeweld en krijgsmansglorie.

De beroemde stichter der stad, de Grootmeester Jean Parisot de la Valette, had als plaats voor de stad gekozen den berg Scebarras, een groote, kale rots, een soort van schiereiland tusschen twee ruime baaien, die de twee belangrijkste havens zijn geworden, Marsa en de quarantainehaven, Marsa-Muscet geheeten.

Het was in 1565 na de nederlaag van het leger van Soliman den Tweede, die het eiland had willen veroveren. De Grootmeester besloot partij te trekken van een oogenblik van rust in den strijd, om de door de Turken vernielde wallen weer te herstellen en de beide havens te verdedigen door het aanleggen van een nieuw fort op het schiereiland tusschen hen beide in. Op datzelfde schiereiland ging hij toen een stad bouwen, omringd door vestingwerken, waar het klooster en de woning der ridders veilig zouden zijn.

Met dat doel en vooral om den niet onaanzienlijken financiëelen steun te erlangen, dien hij noodig had, wendde de Grootmeester zich door tusschenkomst van de bij de hoven geaccrediteerde gezanten rechtsstreeks tot de koningen van Frankrijk, Spanje en Portugal en tot den Paus, evenals tot verschillende italiaansche vorsten. Die gezanten zetten uiteen, dat het niet voldoende was, Malta door een hardnekkigen tegenstand te hebben gered, maar dat men, nu het eiland nog door een handigen tegenstander kon veroverd worden, verplicht was, het zoo spoedig mogelijk te versterken, dat er nieuwe verdedigingswerken moesten worden aangelegd, nadat de gevolgen van het doorgestane beleg waren verholpen.

De afgevaardigden legden vooral den nadruk op die punten, welke voor de afzonderlijke regeeringen, tot wie zij zich wendden, in het bijzonder van belang waren, en toen ze melding maakten van het voornemen van den Grootmeester, om een stad te bouwen, legden zij de plannen over ter ondersteuning van het denkbeeld.

Al de vorsten, getroffen door de grootschheid en het nut van de voorstellen, beloofden, ze te steunen en La Valette bij deze onderneming te helpen. De Paus beloofde, eraan deel te nemen met vijftien duizend kronen, de koning van Frankrijk met veertig duizend livres, Filips de Tweede, met negentig duizend en de koning van Portugal met dertig duizend. De commandeurs der Orde stonden in edele belangeloosheid hun bezittingen af en gaven hun kostbaarste meubelen, om de onderneming te doen slagen.

Zonder tijd te verliezen, liet La Valette dadelijk ingenieurs, bouwmeesters en werklieden uit Italië komen, en kort daarna begaf zich de Grootmeester in plechtig ambtsgewaad, vergezeld door den Raad van Bestuur der Orde en gevolgd door al de ridders, naar den berg Scebarras, waar hij den eersten steen legde voor de nieuwe stad. Op dien steen stond gegrift het besluit van den Raad, dat wij hier vertaald uit het Latijn laten volgen.

“De zeer beroemde en vereerde broeder, Jean de la Valette, Grootmeester van de Orde der Hospitaalridders of der Ridders van Sint-Jan, die voor oogen heeft al de gevaren, waaraan zijn ridders en zijn volk van Malta hebben blootgestaan bij het jongste beleg en die in overleg met den Raad der Orde, om nieuwe ondernemingen van den kant der Barbaren tegen te gaan, het plan heeft gevormd, een stad te bouwen op den berg Scebarras, heeft heden, Donderdag 28 Maart van het tegenwoordige jaar 1566, na den heiligen naam van God te hebben ingeroepen, de tusschenkomst der Heilige Maagd te hebben gevraagd en die van den Heiligen Johannes den Dooper, den patroon der Orde, om den zegen des hemels afte smeeken op een zoo belangrijk werk, er den eersten steen van gelegd, waarop zijn wapen is gebeiteld met de gouden leeuwenmuilen. De nieuwe stad is op zijn bevel gedoopt met den naam Stad van La Valette.”

Gouden en zilveren medailles, die een afbeelding der nieuwe stad droegen en liet opschrift: Melita renascens, d.i. “Het herboren Malta” met het jaar en den datum der stichting, werden in grooten getale in de fondamenten geworpen. Na die plechtigheid ging men met ijver aan het werk. Allen namen er aan deel, rijken zoowel als armen, edelen en handwerkslieden. Iedereen wilde deel hebben aan het werk, waarin het heil van allen was gelegen voor de toekomst. Een commandeur, de la Fontaine, die bekend was om zijn goed inzicht in de kunst van het aanleggen van versterkingen, had de opperste leiding der werkzaamheden op zich genomen. De ridders droegen er ook het hunne toe bij, enkelen begaven zich op de schepen der Orde naar Sicilië en Italië, om bouwmaterialen te halen, anderen gingen tot Lyon, om zich met de verbetering der inrichting van de artillerie bezig te houden. Wie bleven, hielden toezicht op de arbeiders bij de aardwerken, lieten openingen aanvullen, bressen herstellen en zorgden voor den aanleg der nieuwe versterkingen.

Verkooper van verfrisschende dranken.Verkooper van verfrisschende dranken.

Verkooper van verfrisschende dranken.

Verkooper van verfrisschende dranken.

De Grootmeester verloor twee jaren achtereen de werkzaamheden niet uit het oog; hij woonde te midden der werklieden, nam zijn maaltijden juist als een gewoon arbeider en gaf het voorbeeld van den grootsten ijver. Daar de gelden niet alle regelmatig inkwamen, liet hij, om daarin te voorzien, kopergeld slaan, waaraan hij een verschillende waarde toekende naar zwaarte of model. Zoodra het verwachte geld inkwam, werd het andere aan de circulatie onttrokken. En daardoor kreeg het volk der werkers zooveel vertrouwen, dat het werk niet een enkelen dag stilstond.

Bij zulk een edele geestdrift, in zulk een gloed van ijver en werkkracht verrees die stad, die ik nu uit zee zag verrijzen, toen het schip naderde. Eindelijk lag ze schitterend voor ons uitgespreid.

Wij zijn juist de nieuwe invaart gepasseerd, waar de sterke batterijen van het Sint-Elmusfort zijn gevestigd, en de groote haven ligt daar als een prachtig meer met spiegelende oppervlakte, omringd door massieve bouwwerken.

Het is werkelijk een soort van binnenzee, waar kanalen en baaien op uitkomen, die de ruimte nog vergrooten, want zij vormen reeds op zich zelf veilige schuilplaatsen, waar geheele vloten zich zouden kunnen verbergen, om het juiste oogenblik af te wachten voor een aanval op den vijand.

De groote haven of de Marsa, want ze heeft haar ouden arabischen naam behouden, is zelve in twee deelen verdeeld door een schiereiland, dat als in een felle spoor uitloopt in het fort Saint-Ange op Isola Point. Op het oostelijk uiteinde staat het fort Ricasoli, genoemd naar den italiaanschen burgemeester, die het liet bouwen; in het zuidoosten en zuiden zijn het Sint-Michelsfort en het fort Salvator door zware versterkingen omgeven. Ze herinneren aan den Grootmeester Nicolaas Cotoner, die hun de verdedigingsmiddelen schonk.

Waarheen het oog zich wendt rondom den grooten plas, overal staren u in het licht de dreigende reuzenbouwwerken tegen met hun strakke profielen.

La Valette lijkt op niets wat ik reeds heb gezien; het is een eenig schouwspel, en men krijgt lust, het voor iets fabelachtigs te houden. Het is een opeenhooping van wanden van vuurmonden en vlammende rotsen, vol gaten als een honingraat. Tusschen de steilten ziet men de kanalen en grachten, en het maakt den indruk, of een steengroeve van cyclopen door de zee is overweldigd. Al de gebouwen der sterke forten gelijken op elkaar; alle hebben ze denzelfden vorm en dezelfde kleur. Wal volgt op wal met gekanteelde muren, en naast de eene rots verrijst onmiddellijk weer een andere. Hier en daar schijnen bastions in de lucht te hangen, men kijkt tegen bogen aan of tegen hooge torens met terrassen.

Dat eerste opdagen van La Valette is in mijn herinnering nog altijd even frisch gebleven als op den eersten dag toen ik er kennis mee maakte.

Als ik de oogen sluit, zie ik alles, de straten der stad met de hooge huizen, waar uit de vensters kleurig linnengoed te drogen hangt, dat door den wind wordt bewogen. Het was als op een feestdag, want het leek of de oude muren vlagden, en lompen worden zelfs mooi in het volle zonlicht. Ik kan nog telkens het vizioen vernieuwen van die eindelooze reeks vensteropeningen in die forten uit de legende, het spiegelende water en de stroomen van licht, die over de wijde ruimte vloeiden.

Ik zie weer op de kaden de drukke volksmenigte, de altijd weer bij de landingplaats aankomende booten, die koopwaren of passagiers innamen en dan wegvoeren; de uithangborden der winkels van scheepsbenoodigdheden met namen, die zoo moeilijk te begrijpen zijn, als alles wat het zeewezen aangaat.

Zoodra wij de haven binnenvoeren, waren de koetsiers uit de stad snel komen aanrijden. Zij veroorzaakten een opstopping op de kade en gesticuleerden om het hardst, om klanten te lokken, terwijl ontelbare bootjes om het schip heen draaiden en hun diensten aanboden met veelzeggende mimiek. De kleine booten zijn eigenaardig; ze gelijken wel ietsop gondels, niet door hun sierlijkheid, want ze zijn kort en dik, maar door hun hoogen voorsteven. De meeste zijn groen geverfd en met bizarre teekeningen versierd. Aan weerszijden van den voorkant ziet men een oog geteekend van naïeve uitdrukking en vorm, wat het bootje er als een zeemonster doet uitzien. Over de meeste is een gekleurd zeil gespannen.

Ik volgde met belangstelling de voorvallen op de kade en bleef nog eenigen tijd aan boord. Eindelijk vertrok ik, en een kales bracht mij in snellen draf langs een helling naar de Levantstraat.

Santa-Luciastraat in La Valette.Santa-Luciastraat in La Valette.

Santa-Luciastraat in La Valette.

Santa-Luciastraat in La Valette.

Overal hetzelfde verblindende licht, dat met het vele opdwarrelende stof aan La Valette het aanzien geeft van een brandende stad. Enkele fijne, violette schaduwen gaven in de gebouwen vormen van menschen en dingen aan. De meeste straten kwamen op de zee uit. De menigte liep af en aan even druk als aan het strand. Ernstige Arabieren, in hun burnoes gedrapeerd, vormden door hun kalmte een sterke tegenstelling met de Maltezers, de Grieken en de Levantijnen; een paar kooplieden van verkoelende dranken, met een vaatje op zij, boden hun waar aan, en van tijd tot tijd kwam een dorstige voorbijganger begeerig drinken.

Nu en dan kreeg ik op die wandeling door La Valette een vizioen van op rijen staande zwarte kanonnen, van scheepsmasten, dicht opeen gedrongen als boomen in een bosch, het wandelend bosch van Shakespere. Verscheiden straten zijn niet anders dan trappen, zoo bijvoorbeeld de Santa Luciastraat. Aan de meeste daarvan hebben de huizen platte daken met balkons met ramen erin, zeker een engelsche uitvinding.

De huizen in La Valette en op het geheele eiland Malta zijn gebouwd van een zachte, verblindend witte steensoort, afkomstig van het eiland. Langen tijd is er in dat gesteente een levendige uitvoerhandel gevoerd, omdat het zoo gemakkelijk te bewerken was, vooral naar Smyrna en de andere steden van de Levant.

Maar er zijn heel wat bezwaren aan die steensoort verbonden, want ze ondervindt sterk den invloed van het weêr, wat waarschijnlijk door de uit zee opkomende dampen bevorderd wordt. Ook geeft de verbazende witheid van de huizen aanleiding tot een terugkaatsing van het licht, die nadeelig is voor de oogen. De Maltezers kunnen aan het gesteente door polijsten een glans geven, die het op marmer gelijken doet.

De huizen hebben veelal platte daken, met buizen tot afvoer van het regenwater. Die daken, waarop bloemvazen en kuipen met planten prijken, zijn dikwijls kleine tuintjes, waar de bewoners op zomeravonden frissche lucht zoeken; ze gebruiken er ook vaak de maaltijden en ontvangen er gezelschap.

Op de hoeken van sommige straten staan heiligenbeelden in nissen, en de vrome Maltezers houden er nacht en dag de lampen brandende.

Het rijtuig hield eindelijk stil voor een hôtel. Ik rustte er uit in de schaduw, nog geheel verblind door de stroomen van licht, die langs en over mij waren gevloeid.

Nu was ik dan te La Valette, de oude hoofdstad van Malta, maar ik was er als onbekende, zonder aanbevelingsbrieven voor de enkele Franschen, die er woonden. Het beste in de gegeven omstandigheden was, mij aan te melden aan het fransche consulaat, waar ik kans had, vriendelijk te worden ontvangen. Dat was een goede gedachte; de consul was een hulpvaardig man, aangenaam in den omgang en bereidwillig gestemd ten opzichte zijner landgenooten.

Nog dienzelfden avond begaf ik mij met een brief van onzen consul naar de wijk Guardia mangia Pietà, waar een fransch koopman woonde, die sinds vele jaren op Malta gevestigd was. Hij had zich eenmooie positie verworven en, naar men zeide, een aanzienlijk vermogen. Zijn naam was Ribot, en hij ontving mij met open armen.

Vrouw van Malta.Vrouw van Malta.

Vrouw van Malta.

Vrouw van Malta.

Hij praatte veel met mij over de Maltezers. “Ik heb al sedert het begin van mijn zijn hier opgemerkt”, zei ik tot hem, “dat hun gezicht een voor mij geheel nieuw karakter heeft, met die breede wangen, groote ooren, die ver naar achteren staan, de zwarte haren en de dikke bossige wenkbrauwen. Het komt mij in het geheel niet twijfelachtig voor, dat dit ras van phoenicische afkomst is. De Maltezer is levendig en bewegelijk; men voelt het, dat hij zich gelukkig voelt op zijn rots te midden der golven in een element van zonnegloed en zee.”

“Ja, zoo is het inderdaad,” antwoordde mij de heer Ribot, “de Maltezer is in zijn element, beter dan de anderen, die hier wonen. Morgen zult U opmerken, dat de vreemdelingen bleeke gezichten hebben met een vermoeiden trek, alsof hun bloed verdroogd was in de hitte der zon.”

En op het gelaat van den spreker las ik de teekenen van neurasthenie, die hij zelf mij aanwees.

“Het komt,” zei hij, “dat hier niets herinnert aan de geurige frischheid onzer kleine steden, de fluweeltint onzer heuvels en de geheimzinnige bekoring onzer dalen. Het geruisch der zee, en op dagen van boos weer het gebulder van den wind om de rotsen vervangen voor een poos de groote hitte van den zomer en de onbeschrijflijke doodschheid der in de gloeihitte der zon verpoeierende rotsen. Alleen des avonds herademt men en begint opnieuw te leven. Vaak ook zenden de winden uit de woestijnen van Afrika ons hun brandenden adem toe, en het zijn enkel de winden uit het Noordoosten, die de buitengewone warmte soms wat temperen.”

De winter is gewoonlijk zeer zacht op Malta; het is een echte lente met overvloed van bloemen, die schitteren in rijke kleuren en verrukkelijk geuren. Een groot aantal engelsche familiën komen dan ook den winter op het eiland doorbrengen.

Een der gevaren van het klimaat zijn de plotselinge overgangen van hitte tot koude, die onophoudelijk terugkeeren, en waar het menschelijk lichaam zeer gevoelig voor blijft.

De vreemdeling vooral moet zich in acht nemen voor dit bezwaar, dat de Maltezers niet zoo sterk gevoelen. Als de zon brandend heet schijnt en de terugkaatsing van het licht verblindend is, krijgt men over het transpireerende lichaam bij den een of anderen hoek van een straat een ijskouden wind uit zee te voelen.

Zulke klimaatstoestanden zouden het waarschijnlijk maken, dat het leven der inboorlingen er door verkort werd; maar dat is in het geheel niet het geval. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, hier wakkere grijsaards te ontmoeten, die nog in het bezit zijn van al hun vermogens en van de betrekkelijk groote lichaamskracht, welke zij tot op zeer hoogen leeftijd behouden. De Maltezers hebben zeker aan dit klimaat, dat de zenuwen voortdurend gespannen houdt, een buitengewone bewegelijkheid te danken van gevoel en van armen en handen, waardoor zij verbazend druk gesticuleeren. Ze hebben ook heftige hartstochten. Voor handel en scheepvaart toonen ze zich intusschen zeer geschikt, en hun eiland hebben ze zeer lief; die kalkrots Malta noemen zij de bloem der wereld, “fiore del mondo.”

Ik heb overal opgemerkt, dat de eilandbewoners zeer aan hun land zijn gehecht, welks natuurschoon ze met naïeve overdrijving bewonderen, zooals ze ook vol lof zijn voor wat hun soldaten en hun mannen van wetenschap praesteeren. En het is ook immers algemeen bekend, dat hoe ondankbaarder de grond is, waar iemand woont, des te meer moeite kost het hem, zich ervan te verwijderen en des te meer is hij eraan gehecht.

In de dorpen van het binnenland op Malta ondervindt het huiselijk leven nog den invloed van de oude oostersche gebruiken. De mannen hebben de geheele oostersche jaloerschheid, en de vrouwen leiden een leven van afzondering. Een oude arabische spreuk schijnt er nog in eere te worden gehouden, namelijk dat de vrouwen slechts tweemaal in haar leven in het publiek moeten verschijnen, bij haar huwelijk en bij haar dood. De schoonste lof, die haar te beurt kan vallen, is in de oogen van den Maltezer, dat er nooit over haar wordt gesproken. Te La Valette is zulk een strengheid niet op te merken; de aanhoudende aanwezigheid van vreemdelingen, die er door den handel heen worden geroepen, de invloed van het vroegere Ridderhof, de bals en de schouwburgen hebben der vrouw meer vrijheid geschonken.

Maar die vrijheid is slechts schijn, en alleen de dames der uitgaande wereld hebben er voordeel van. Tijdens mijn verblijf te La Valette wenschte ik een der vele mooie kantwerkstertjes te teekenen, die in hun fijne zijden weefsels nog het kruis der Maltezer ridders borduren, te midden van de grilligste versieringen. Ondanks alle moeite, die de heer Ribot in het werk stelde, en ofschoon hij toch al zoo lang in het land woonde, ondanks het aanbod van een hooge belooning, kon hij geen familie vinden, die bereid was, een haar vrouwelijke leden voor een schilder te laten poseeren. Het gelukte mij zelfs niet, een enkele dier kantwerksters aan het werk te zien.

Ze zijn bekoorlijk, die Maltezer vrouwen; ze schijnen van de rotsen een tint als van doorschijnend ivoor te hebben aangenomen. Meestal zijn ze niet groot en hebben fijne trekken, iets onzegbaar teêrs, en haar groote oogen hebben een zachten glans onder de faldetta. Die faldetta is een soort van zwartzijden mantel, die tot het middel reikt, om het hoofd heengaat en er in een halven kring door stijf gaas van af wordt gehouden, zoodat zij het gelaat voor zon en wind en voor onbescheiden blikken behoedt. Als in een zijden schelp met liefelijken glans rust dus het hoofd, en met de hand wordt dat omhullend kleedingstuk gracelijk vastgehouden, terwijl ze er mee kunnen manoeuvreeren juist als de mooie Spaansche met haar waaier.

Deze fijne, teêre vrouwen hebben voorbeelden van heldenmoed gegeven, waartoe men ze, op het uiterlijk afgaande, niet in staat zou hebben geacht. Bij allerlei gelegenheden hebben ze haar eiland met moed verdedigd, vooral onder het beleg door Soliman den Tweeden.

De secretaris van het fransche consulaat, dien de consul wel te mijner beschikking had willen stellen, vond er een genoegen in, mij de bezienswaardigheden en het karakteristieke van La Valette te laten zien. Hij was mij een onwaardeerbare gids, en zijn groote bereidwilligheid verloochende zich nooit een oogenblik. Altijd vond ik hem gereed, mij met zijn vrijen tijd ten dienste te wezen.

“Als u wilt,” zei hij op een dag tot mij, “zullen we van avond samen naar De Barraca gaan.”—De Barraca?”—“U zult het wel zien. De Barraca is een zaak, waar men hier trotsch op is, en niemand, die in La Valette is geweest, mag vertrekken zonder de beroemde Barraca te hebben leeren kennen.”

Des avonds begaven wij ons naar de bovenstad, op het gebied der hooge wallen. Daar betreedt men een donkere laan, waar eenige wandelaars loopen. Wij waren aangeland onder groote bogen, toen mijn gids uitriep: “Hier zijn we er!” Ik had gedacht aan een nachtelijke excursie naar ruïnen, want de naam Barraca alleen zei zoo weinig, en ik liet mijn oog zoekend rondgaan, om brokken muur te vinden of ontmantelde vestingwerken. Maar tegen de met sterren bezaaide lucht teekende zich geen enkele vorm af.

“Nee, nee,” zei mijn begeleider, “naar beneden moet u kijken, heelemaal naar beneden.”

En toen, tegen een balustrade leunend, keek ik naar beneden in het ledig. In de gapende diepte, de nachtelijke geheimzinnigheid, pinkten overal lichtjes, die in de verre verte al flauwer werden. Men kon de afstanden onmogelijk met juistheid schatten; maar heel ver schenen de lichtjes zacht te verdwijnen, om zich in de sterren op te lossen. In den helderen azuren hemel raakten ze den Melkweg, die als een doorschijnend gaas tot bij het zenith aan den hemel dreef.

Toen mijn oogen langzamerhand aan het duister gewend raakten, begon de nacht mij flauw verlicht te schijnen, en de aanvankelijk niet te onderscheiden vormen teekenden zich scherper af. Beneden ons heel in de diepte kon ik de stad met de haven vóór ons uitgespreid zien liggen.

Maar het was nog meer raden dan zien in dien afgrond, waar in het bleeke maanlicht bewegelijke lichtplekken zich bij en in de haven heen en weer bewogen.

Soms gingen plotseling lichten uit, en even plotseling werden andere ontstoken, vlamden op, gingen ten halve uit, om spoedig weer op te duiken. Het waren de lichten der stad, die aan onze voeten lag, de veelkleurige seinlichten en vuurtorens in de haven, de lichten van schepen en booten, die flikkerden en beefden, nu eens nader schenen te komen, dan terugweken als vallende sterren, of aan den horizon uiteenspatten als meteoren, terwijl er ook als pijlen in de schuimende zee neervielen.

Van beneden rezen, ik weet niet van waar, groote boomen omhoog, welker donkere silhouetten zich scherp afteekenden tegen het zoo vage beeld van het nachtelijk La Valette. Toen bespeurde ik zeer dicht bij ons de donkere profielen van enkele Maltezers, die onbewegelijk als beelden op hun rots stonden; naast hen, met de band onder de kin, stijf en hoekig een paar engelsche officieren, die onbewogen schenen te blijven tegenover de met sterren bezaaide zee.

Weinig panorama’s kunnen een vergelijking doorstaan met dat van de Barraca superiore. Ik heb het op alle uren van den dag en nacht gezien, en in het heldere daglicht heeft zich de indruk van den nacht verduidelijkt. Van dit hooge punt omvat men de gansche uitgestrektheid der havens, en vanaf het fort Ricasoli aan den ingang der Marsa tot aan de nieuwe haven krijgt men de enorme uitgestrektheid te aanschouwen van een nu vooruitspringende, dan terugwijkende lijn, welke aan de kust den zoom van drie afzonderlijke steden afteekent, maar die dichtbij elkaar liggen en bijna in elkander overgaan. In het midden verrijst het historisch kasteel Saint-Ange, met de vier zware, naar buiten gerichte batterijen. Hier en daar bespeurt men opeenhoopingen van huizen, reuzengroepen, die aan den eenen kant uitloopen op een langen gordel van versterkingen, de Cotonera, aan den anderen bij de groote haven.

Op grooteren afstand breidt zich het open veld uit met zijn dorpen, en de klokkenhuizen, die op groote torens gelijken. Onder de voeten van den toeschouwer, onmiddellijk beneden hen, bevinden zich de kaden, waar het altijd druk is, met rechts de huizen van La Valette, de statige paleizen uit den tijd der ridders, en de campanile’s.

De indruk, dien men krijgt, is die van ver weg zich op vleugels te hebben laten dragen; zoo schijnt het over dag, en des nachts kan men niet onder woorden brengen, wat men voelt; men is als het ware heengebogen over de ijle ruimte, waarin ongekende werelden zweven. En zoo geeft dus de dorre rots van Malta nieuwe, onverwachte tooneelen te zien. Ook dingen van wonderbaar poëtischen aard had zij voor mij bewaard.

Op een avond in de schemering, toen het stadsgewoel tot rust was gekomen en een parelmoeren licht zich over de ivoren stad uitspreidde, kwam ik op de markt tegenover het paleis van den Gouverneur. Aan den horizon, dien ik aan het eind der straten onduidelijk kon waarnemen, trokken nevels op. De zee lag kleurloos en vlak als een spiegel. En toen liet zich op het eenzame plein een zeer zachte muziek hooren. Het leken de zangen, gekomen van de in nevels gehulde bergen van het Noorden, zoet en klagend; men wist niet, of zij zongen van een droevig verleden of van een hoopvolle toekomst. Muziek doet dadelijk beelden voor mijn geest verrijzen. Hier zag ik de uitgestrekte heiden der landes, zoo ver het oog reikte, onder een grijzen hemel; bergen met donkere wouden, een verlaten land, en ik voelde mij koud door een onuitsprekelijk gevoel van vereenzaming....

Het was de muziek van de pijpers, de doedelzakblazers van de Hooglanders; soldaten van dat regiment liepen op het plein heen en weer, in automatischen pas, ernstig en onverschillig. Zij droegen de kilt, het korte rokje, geruit in de kleuren der clan, de muts met wapperende veeren, de plaid in heldere kleuren, met een gesp op den rechter schouder vastgehecht, en toen ik ze daar zoo kalm enernstig zag loopen, meende ik, dat de tonen der bekende instrumenten in hun ziel de vriendelijke herinnering wakker riepen aan hun ver vaderland, en hun intieme, innige gewaarwordingen gaf.

Het tooneel was van korten duur; zij liepen een zeker aantal malen het plein op en neer, keerden met korten zwaai om, toen ze aan het eind gekomen waren, en toen de serenade afgeloopen was, verdwenen ze. Ik bleef. De tonen, zoo klagend, die ik pas had gehoord, ruischten nog in mijn ooren, en in die op het eind loopende schemering, op dat plein, dat de Maltezers schenen te vermijden op dit uur, terwijl de muziek der veroveraars er zich liet hooren, droomde ik van de schotsche heiden, die zoo aangrijpend somber zijn, van dien laag hangenden hemel vol wolken, waar zij zich in het oneindige in voortzetten.


Back to IndexNext