Een oude visscher.Een oude visscher.
Een oude visscher.
Een oude visscher.
Quimper is een licht en vroolijk stadje, schilderachtig door zijn oude wijken, die met de nieuwe afwisselen. Eerst was het alleen op den rechterover van de Odet gebouwd, smal bij de Steir en voorzien van kaden. Maar de noodzakelijkheid maakte, dat de stad zich uitbreidde op den linkeroever, waar men nu rechte en breede straten vindt met fabrieken, werkplaatsen en woonhuizen, overal met brugjes, om van den eenen oever naar den anderen te komen.
In 1901 is in de stad een kunstmuseum voor den godsdienst opgericht; men vindt er beeldhouwwerk, schilderijen, geschilderde kerkglazen, borduurwerk en heilige boeken. In ’t stadhuis is een rijke bibliotheek, met ongeveer dertig duizend deelen, waaronder veel zeldzame uitgaven, zooals een bretonsch woordenboek, een der oudste die bekend zijn, te Tréguier gedrukt in 1499. Het museum heeft ook buiten beeldhouwwerk en schilderijen archaeologische verzamelingen en belangrijke collecties ethnografica, waarvan een deel geschonken is door den heer Silguy. De heer Bougeard heeft aan de stad een schoone collectie gravures geschonken.
De oude gebouwen zijn er talrijk; het Sint-Katharinahospitaal dateert van 1645; het lyceum, nog altijd in de gebouwen van het Jezuietencollege is onder Lodewijk XIV gesticht; de kerk van Locmaria, een voorstad van Quimper, is van de elfde eeuw, de kerk van den H. Mattheus van de 13de, en dan is er nog de kathedraal van Quimper, een der mooiste bouwwerken uit Bretagne. Als men er naar ziet van uit de Groote Straat, die smal is en met vooroverhangende gevels een zeer mooien indruk maakt, is het een imposant en rijk gebouw. Van het plein gezien, maakt het een nog beteren indruk. Sommige gedeelten zijn uit de eerste helft der 13de eeuw. De spitsen, die modern zijn en van 1854 dagteekenen, passen uitstekend bij de torens uit de 14de eeuw. Het geheel vormt een der schoonste gothische bouwwerken uit Bretagne.
Door de oude straten wandelt men verder naar de kade langs oude huizen met veel beeldhouwwerk, terwijl op den drempel de eene of andere vrouw, in gedachten verzonken, den nieuweren tijd te binnen brengt. Maar laat eens een buurvrouw of een toevallige voorbijgangster een praatje beginnen, dan wordt de peinzende een drukke babbelaarster. Al die menschen uit de straten van Quimper, het personeel, dat kleine handelsbelangen heeft, huisvrouwen, die op de Woensdagmarkt inkoopen gaan doen of op de kermissen van den derden Zaterdag van iedere maand, jonge arbeidsters uit Locmaria, allen zijn vlug en vroolijk. Ik heb enkele dagen gewoond in een der kleine straten tusschen de Steir en de Odet, en daar heb ik tegen het vallen van den avond, als ieder rust neemt en verademing zoekt na de volbrachte dagtaak, hetzelfde gevoel gehad als te Morlaix en te Quimperlé, bewonderend den goeden, opgewekten geest. De verdiensten zijn gering; maar de menschen hebben weinig noodig, en hun gelukkige aard doet de zorgen vergeten. Men behoeft den gang en het gelaat der vrouwen maar te zien, om den opgewekten en toch zachten geest waar te nemen van de vrouwen en meisjes, klein, een weinig dik, meestal flink gebouwd en met heldere, open oogen.
Van af den berg Frugy heeft men onder de mooie beuken, die er heerlijke lanen vormen, een prachtig uitzicht op de stad, de kaden, de beide rivieren en de omstreken. Quimper is het middelpunt van een groen land. Uit dicht opeenstaande daken stijgt blauwachtige rook omhoog; de groote kathedraal schijnt als een groot schip op de zee van lage daken te drijven. Dichterbij ziet men de voorstad Locmaria.
Daar wordt het bretonsche aardewerk gemaakt. Er is veel namaaksel, en dikwijls ontmoet men teekeningen en versieringen, afkomstig uit Rouaan. Maar er is ook een originaliteit, en die vind ik in de gewoonste dingen. Men kent, omdat men ze in alle steden van Bretagne heeft gezien en ze ook in de parijsche winkels heeft ontmoet, borden en inktkokers,wijwaterbakjes, schotels, kandelaars en al die andere voorwerpen, die de reizigers blij zijn aan te treffen, en die zij meenemen als herinneringen aan de doorreisde streken. Maar er zijn ook doodgewone borden, zooals ik er voor een kwartje gekocht heb op de markt en die toch bekoorlijk zijn van levendige harmonische kleuren, op de manier van veldbouquetten dooreengemengd. Ik heb ook kopjes gezien in den vorm van klaverblaadjes met blauwe versierselen. Onder de beeldjes ontmoette ik veel Heilige Anna’s en Maria’s en heiligen in den vorm van kandelaars, geknield soms en in hermelijn gekleed, met een bril op den neus.
Er wordt niet enkel aardewerk te Quimper gemaakt, maar ook porselein; dan worden er metalen bewerkt en leder; er wordt bier bereid en men kan er ingemaakte voedingsmiddelen krijgen; er wordt koren gemalen en op enkele kilometers afstands, te Ergué-Gaberic, is een groote papierfabriek. De handel is vooral graanhandel; ook wordt er handel gedreven in was en honig, linnen en touw, vee en boter.
Buiten Quimper is de omgeving allerliefst. Deze streek alleen zou al voldoende zijn, om de al te veel verbreide meening te niet te doen van de eentonigheid van Bretagne’s binnenland. Hier niet de gelijkheid van de landes en ook niet de trotsche natuur van La Forêt. Laat men maar eens de Odet volgen, niet naar de monding, maar stroomop; men zal dan spoedig te Stangala blijven, doel van alle wandelaars uit Quimper, die wat meer verlangen dan het zondagsche militaire concert. Dat is een alleraardigst plaatsje met overvloed van bloemen, die op rotsen groeien, zoo mooi, alsof men opzettelijk tuinen op het gesteente had aangelegd.
Verscheiden malen ben ik naar de in zee ver uitstekende punt du Raz gegaan, toen de spoorweg nog niet tot Audierne liep, en langs verschillende wegen, maar altijd met Douarnenez als uitgangspunt. Eerst is er een weg over Comfort, Pont-Croix, Audierne, dat is zelfs de ware weg, de eenige, de klassieke weg naar du Raz. Buiten dien weg zijn er alleen voetpaden en dwarswegen; dus gaan rijtuigen en voetgangers, die wel eens een herberg willen aandoen, er alle over. Ik voor mij volgde een andere route, mooier naar mijn smaak, langs de kust over Tréboul, waar ik de zee heb zien zegenen door de priesters, en over Beuzec.
Toch is de weg over comfort en Pont-Croix niet zonder bekoring en ook niet oninteressant. De natuur is er ernstig, zelfs somber, maar men komt ook geen lachende landschappen zoeken bij du Raz. Trouwens de vroolijkheid en de somberheid van een landschap zijn betrekkelijk. Zij hangen van de stemming van den reiziger af, van toevallige ontmoetingen, van een zonnestraal, die door den grijzen hemel breekt en de bloemen der distels doet schitteren boven de vale kleur van den grond. En dan, hoe schunnig en armoedig ook een gehuchtje is, dat men passeert, ’t is toch altijd een vereeniging van menschen, die hun huizen bij elkander plaatsten, om samen ’t lot het hoofd te bieden.
Met ziet vrouwen en kinderen op de drempels der huizen, mannen, die van het land naar huis komen; men kan eens een winkel binnengaan, een groet met menschen wisselen en een oogje slaan op wezens, die nuttig werk verrichten en gevoel van solidariteit bezitten. Om te Audierne te komen, behoeft men slechts den weg te volgen, die langs de rivier loopt. Dan plotseling maakt die een bocht, en de weg gaat stijgen; men ziet een visschersdorp met huizen langs de kade en heel veel booten. Bij mijn eerste reis heb ik gelogeerd in een klein hôtel aan de kade, bestuurd door het echtpaar Batifoulier. De Batifouliers waren geen Bretagners, maar Auvergnaten; er zijn veel Auvergnaten in Bretagne en allen hebben de gemeenschappelijke kenmerken van het keltische ras.
De Auvergnaat is meer handelsman en zuiniger is hij ook, zoodat het hem meestal beter gaat in zaken. Maar Batifoulier was beroemd om iets anders; hij had zijn bekendheid te danken aan zijn persoon, en inderdaad was hij, dunkt mij, een eenig type. Hij was lang, maar niet daardoor trok hij de aandacht; zelfs leek hij, oppervlakkig beschouwd, van gewone lengte. Maar hij was buitengewoon breed; ik zou haast durven zeggen, dat hij even breed als lang was, een bewegende toren en een, die langzaam bewoog, een olifant of een hippopotamus, dien men gekleed had in een broek en buis en met een klein hoedje. Alle vergelijkingen met groote gebouwen en zware beesten kwamen iemand in den zin, als ze dien forschen man zagen met zijn enorme ledematen. Maar het gezicht! Ik heb nooit zoo’n groot gezicht gezien met zijn twee reuzenwangen, een waterval van kinnen, een knevel en een puntbaard en alles vrij regelmatig, met kleine boosaardige oogjes in die vetmassa. De kleur was niet rose, ook niet rood, maar paars.
Die kolossus had tot vrouw een oud, in ’t zwart gekleed mensch, met een zwart doekje om het hoofd en een mager lijfje. Zij bestuurde de zaak en ze deed dat goed. Hij, Batifoulier, was een volmaakte waard; zijn huis en hij waren één. Men moest hem zien op het trottoir, als hij belde voor de maaltijden. Met hoeveel overtuiging ging dat. Nooit zag een redenaar op de tribune, een priester bij het altaar er ernstiger uit. Dus men kan begrijpen, hoe het was, als hij voorzat aan de table d’hôte, want hij gebruikte zijn maaltijd met de gasten. In het midden van de tafel gezeten, drie plaatsen vullend voor zich alleen, diende hij den gasten de koolsoep voor en zat voor bij de maaltijden der ambtenaren, die er geregeld tweemaal per dag kwamen.
Hij presenteerde ook de sardines, wijzend, hoe men die moest eten, in één hap ze verslindend, na kop en graat behendig te hebben verwijderd. Hoeveel at hij ervan? Dat weet ik niet. Maar ’t was afgrijselijk. En het kwam mij voor, dat de booten, welker masten ik gezien had in de haven vóór ’t hôtel, alleen daar kwamen, om sardines te lossen, bestemd den honger te stillen van den auvergnaatschen reus. Hij sneed ook het gebraad voor en schonk den appelwijn. Goedig van aard en zeer voorkomend, trotsch op zijn rol in ’t leven, had hij bij het waarnemen der honneurs van zijn huis iets van den grand seigneur, van Porthos, den musketier, ontsnapt uit de grotten van Locmaria en hotelier geworden te Audierne.
Men had het dus goed bij Batifoulier, ondanks de sardines aan alle maaltijden, en die men niet kon weigeren onder de allesziende oogen in het groote, paarse gelaat. Er werden ook heerlijke dingen gebraden in den jachttijd, en alle ambtenaren van de belasting en de griffie en de politie waren, dat begrijpt men, niet achterlijk in ’t vertellen van hun jachtavonturen.
Dan had men er de zee in de buurt, die heel uitlokkend was, die ongebogen lijn van de Audierne-baai, die van kaap du Raz tot de Torchebaai gaat en de rotsen van Penmarch. Van de pier, die moedig in de open zee is uitgebouwd, heeft men een prachtig gezicht op de open baai. De haven is niet van zooveel beteekenis als Douarnenez en Concarneau. Er zijn niet meer dan honderd visschersschepen te Audierne; maar ze zijn voldoende om levendigheid te brengen, als ze uitgaan of thuiskomen of stil liggen in de baai.
Ze zijn bemand met ruwe kerels, die stil en bedaard zijn bij hun werk, maar die luidruchtig en geweldig zijn des Zondags en op vrije dagen, als ze herberg in, herberg uit loopen. Ik herinner mij een Zondag, toen ik was gaan wandelen naar Plouhinec aan de overzij van de rivier Goayen. Daar ik mij wat verlaat had, ging ik niet weer den omweg over de brug, maar wou den overtocht doen met een bootje van een man uit Audierne. Ik kreeg gauw spijt van dat besluit en dacht honderdmaal, dat we op dat korte eindje naar den kelder zouden gaan met het bootje vol dronken menschen, dat tusschen andere luidruchtige bootjes door moest varen. Voor ’t vervolg ging ik liever des Zondags naar Plouhinec terug langs den langsten weg. En ik ging nog verder dan dat tusschen een overvloed van steenen liggend dorp, altijd langs de kust, den weg der douane volgend. Het is een troostelooze route. Ik heb er, geloof ik, wel een dag geloopen, zonder een menschelijk wezen te ontmoeten buiten de weinige dorpen, en die dorpen zelf maakten ook nog den indruk van eenzaamheid, zoo somber waren ze met alle mannen op zee, alle vrouwen op het veld en kinders op de drempels van de huizen. Achter een toonbank soms een vrouw, en hier en daar een paar gezichten achter de ramen.
Om bij een dier dorpen te komen, moest men zich van de zee verwijderen en langs een pad gaan tusschen steenen muurtjes of over een dorre vlakte met het weinige groen, dat de scherpte van den zeewind kan verduren. Men zag alleen hier en daar een armoedig aardappelland, waar men kon zien met hoeveel moeite de landman wat voedsel haalde uit dien misdeelden grond.
Een dier dorpen was Plozenet, dat bijna niet den naam van dorp verdiende. De huizen staan er om een kerkje geschaard, en even voorbij Plozenet naar den kant der zee draagt een groote gedenksteen van wel vijf meter hoogte een opschrift, dat de schipbreuk in de herinnering roept van ’t schip deDroits de l’hommein 1797. De schipbreukelingen werden door de zee verzwolgen, en velen van hen, op ’t strand gespoeld, zijn hier begraven bij den menhir van de Rechten van den Mensch. Het opschrift luidt: “Hier bij dezen Druïdensteen zijn ongeveer zeshonderd schipbreukelingen begraven van het schipDe Rechten van den Mensch, gestrand in den storm van 14 Januari 1797. Majoor Piron, te Jersey geboren, die op wonderdadige wijze aan de ramp ontkwam, is naar deze plek teruggekeerd op 21 Juli 1840, en toen hij daartoe de toestemming had verkregen, heeft hij op den steen dit getuigenis van zijn dankbaarheid laten graveeren.”
Daarna keerde ik terug naar het strand, dat kaal was als te Audierne, met wit zand en groote rolsteenen en hier en daar een kleinen inham of een nietig dal, waar planten groeien en zacht gras. Ik bleef een dag te Plovan, toen te Treguennec en in de Onze-Lieve-Vrouwenkerk te Tronoën, waar ik in de schemering aankwam. Het was echter nog licht genoeg, om het kerkje te zien en den lijdensberg, den oudsten van Bretagne, met twee rijen van beelden en daarboven de drie kruisen.
Daar bespeurde ik, dat ik dichter bij Penmarch was dan bij Audierne, waar ik zou logeeren, en ik besloot naar Pont-Labbé terug te gaan, waar ik gemakkelijker een rijtuig zou kunnen krijgen naar Audierne. Op den terugweg waren mijn gedachten vol van de zee, de nimmer vervelende, die zooveel prettiger onze droomen begeleidt, dan de onbewegelijke dingen doen, zoodat er een soort van verwantschap moet bestaan tusschen haar en onze diepste gedachten. De reden van onze liefde voor de zee moet zijn, dat zij het schouwspel biedt van altijddurende beweging, als was zij de steeds onrustige ziel der golven. “De oceaan spreekt tot de gedachten”, heeft Victor Hugo gezegd, en hij helpt ons inderdaad de raadselen en problemen van dit moeilijk leven te ontcijferen. Ik voelde dat alles aan dit strand van Bretagne, toen ik mij verder begaf van Audierne naar Esquibien en Saint-Tugean, waar de gothische kerk in een reliekenkastje een ijzeren sleuteltje bezit, dat aan Saint-Tugean heeft behoord en waarmee kleine broodjes worden doorboord, die dienen om dolle honden op de vlucht te jagen. Met het sleuteltje bewaart men er ook de tanden van den heilige in een kaak van verguld zilver, die men slechts behoeft aan te raken, om van kiespijn te genezen. Ter eere van den heilige dragen nog verscheiden mannen in die streek een sleutel, geborduurd op den rug van hun jas en hoeden, waar een looden sleutel aan een lint bij neerbengelt.
Tot hier toe heb ik niet anders gezien dan wat eiken en dennen. Na Saint-Tugean en Primelin zijn die er niet meer. Er zijn windmolens, want het waait op de hoogten, van waar men de schuimende zee overziet. Ook zijn er dolmens, en het dorp Plogoff, gesticht door den heiligen Collédor, bisschop, die kluizenaar geworden was en die hier gelukkiger zich voelde dan aan het hof van koning Arthur. Plogoff is geen onaardig dorp. Verbeeldt u de huizen verspreid over de heuvels; hier één huisje, daar een paar andere, drie of vier ginds en een half dozijn rondom het kerkje. Te Lescoff heeft men voor het laatst zulk een huizengroep vóór kaap du Raz.
Nog twee kilometer door de landes, en men komt aan den vuurtoren. Dit is nog niet het eindje der wereld, want men krijgt nog het eiland Sein, en ’t is zelfs niet de laatste vuurtoren, want in de wijdezee staan nog de vuurtoren La Veille met groen licht, de Tevennecvuurtoren en die van Armen, ook in de open zee gebouwd vóór ’t eiland Sein. Maar dit is het eind van het vasteland en ’t verste punt van Bretagne met Saint-Mathieu.
Deze eerste maal, dat ik naar du Raz ging, heb ik allereerst dien vuurtoren bewonderd op de hooge kaap, en ik heb mij vermaakt met een gesprek met een der wachters. Het was een man, die al grijs werd, en nog altijd trouw zijn wachterstaak vervulde tusschen hier en den toren in de open zee. Hij las couranten, had boeken, drukte zijn meening zeer verstandig uit over wat er in de wereld voorviel, en ik was zeer verbaasd, toen ik later vernam, dat die kalme, rustige man krankzinnig was geworden en dat hij de misdaad had begaan, zijn vrouw te worgen, die op een dorp bij de kaap woonde.
Ik herinner mij nog, of het gisteren was, hoe hij mij zorgvuldig geleidde en tot gids diende bij mijn wandeling om de kaap. Dat is niet gevaarlijk voor wie vast van voet is en niet aan duizelingen lijdt; maar dan moet men nog met zorg de steenen uitkiezen en de trappen, die den omgang mogelijk maken om het enorme, verweerde rotsblok vol spleten en afgronden. De weg is niet gemakkelijk en er is maar één weg. De straatjongens, die ons volgen, geven er echter niet om, laten zich langs de hellingen afglijden, houden zich vast aan vooruitstekende steenen, verdwijnen in holten en komen op eenmaal weer te voorschijn, alsof ze een luik oplichten, en maken al die gymnastische toeren, waar ik wel voor zou bedanken, om mij een bouquetje welriekende, gele bloemen te brengen, geplukt op de helling van een gapenden afgrond.
Kerkhof op het eiland Sein.Kerkhof op het eiland Sein.
Kerkhof op het eiland Sein.
Kerkhof op het eiland Sein.
Ik kan die oefeningen niet meemaken; dat heeft mij het draven door de straten van Parijs niet geleerd. Dus volg ik voorzichtig mijn metgezel, die mij aanwijzingen geeft en mij soms bij de hand neemt, als het pad te glad en te moeilijk is. Het begin der reis valt het zwaarst langs het noordelijk deel der kaap. Dat is ook het mooiste gedeelte, namelijk het meest grootsche en schrikwekkende. De Hel van Plogoff is een gat, waar het gevaarlijk zou zijn in te storten; de roode wanden van de kloof zouden nergens den val breken, en de zee daarbeneden met haar golven en haar schuim en haar donderend geweld doet denken aan een troep wilde beesten, opgesloten in een te enge ruimte, wier woede naar een prooi verlangt.
Het schouwspel van dit punt is over de zee niet zooveel dreigender dan van Penmarch; maar hier is alles op één plek geconcentreerd, terwijl Sein in de buurt is, en de woedende zee tusschen dat eiland en het continent. Dat is een eenig en aangrijpend schouwspel, die woede van de zee tusschen het vasteland en het eiland, waar de zee onbeschrijfelijk heftig is. Het verrast, als men er toch visschersbooten en groote schepen ziet passeeren. De mensch levert er een bewijs van zijn moed en zijn verstand. Hij vertrouwt zich toe aan het razend snelle water, omdat hij het in al zijn grillen en nukken heeft leeren kennen.
Enez Sizunheet het eiland Sein, de legendarische verblijfplaats der druïdische priesteressen. Het is een rots, die al meer door de zee wordt afgebrokkeld, met een vuurtoren erop en een kleine haven voor reddingbooten en voor een dertigtal visschersschuiten. Daarbij zijn de kleine huisjes van het dorp gebouwd. Hevige stormen zijn gedenkwaardig gebleven in de geschiedenis van Sein, waar het licht, dat wijd uitschijnt over de zee, het einde van Bretagne aangeeft.
Door Johanna G. Lugt.
Io voglio il sole, io voglio il sole ardente.Annie Vivanti.
Io voglio il sole, io voglio il sole ardente.
Annie Vivanti.
Gezicht op Taormina.Gezicht op Taormina.
Gezicht op Taormina.
Gezicht op Taormina.
Wanneer men Italië herhaaldelijk heeft bereisd en zich eenigszins gemeenzaam heeft gemaakt met zijn volk en zijn taal, met zijne zeden en gewoonten, wanneer men daarbij zijn hollandsche pietluttigheid heeft achtergelaten en zich heeft afgewend om met laatdunkendheid op het eerste gezicht iedere plaats over de grens “een vuil gat” te noemen, wanneer men in het italiaansche volk iets anders heeft leeren zien dan een volk van bedelaars en men op prijs heeft leeren stellen zijn vriendelijkheid, zijn beleefdheid, zijn vroolijkheid, in één woord wanneer men is gekomen onder de bekoring van het zonnig Italië, dan begrijpt men eerst recht den hartstocht van de in Engeland geboren en opgevoede dichteres Annie Vivanti voor haar eigenlijk vaderland en voor haar italiaansche zon, dan begint men iets te gevoelen van haar “ebbrezza del sole”, van haar “zonneroes”.
Als die zon opgaat achter de bergen van Calabrië en haar schitterschijf langzaam komt kijken over den hoogen Aspromonte, dan is almee het eerste wat zij ziet het liefelijk Taormina aan de Oostkust van Sicilië tusschen Messina en Catania.
Hoog boven de zee, gekleefd tegen de rotsen, ligt het daar te wachten om zich opnieuw te verkneukelen in het zonnetje dat straks zijn druiventrossen zal komen rijp stoven, zijn oranjebloesem zal laten geuren, zijn lucht zal komen verwarmen, het zal maken tot een paradijsje op aarde.
Wilt gij een onvergetelijken indruk opdoen, kom dan eens vroeg uit de veeren, zoo tusschen vier uur en half vijf, trek de hoogst noodige plunje aan en spoed u naar de hoogte boven het Teatro greco. Verzuim echter niet den vorigen dag kennis te geven van uw komst aan den “Custode” daar gij anders het hek gesloten zult vinden van dit “monumento nazionale”. Maar hebt gij hem kennis gegeven dan zal hij niet aarzelen vroeg voor u op te staan en te zorgen dat gij het hek open vindt, ook zal hij u niet boos aankijken als gij hem daarvoor eenlira in de hand drukt, wie weet of gij, verrukt over hetgeen gij gezien hebt, hem straks niet twee lire zult toestoppen.
Zet u nu eens rustig neder op het hoogste punt, dáár waar vroeger het volk een plaatsje vond, eerst bij de grieksche drama’s, later bij de wilde en bloeddorstige romeinsche schouwspelen, en wacht nu eens op de dingen die komen zullen.
Beneden u is het water van de Straat van Messina nog donker van kleur, de kustlijn strekt zich naar beide zijden uit noordelijk tot Kaap Sant’ Alessio, zuidelijk tot Kaap Schisò en is nog weggedoezeld in de flauwe ochtendschemering. Maar in het Oosten boven Calabrië begint de hemel reeds een lichtgeele tint aan te nemen, allengs gaat die tint over in oranje, van oranje wordt zij goud, het water beneden u krijgt meer en meer die diep azuurblauwe kleur die het tot zonsondergang zal behouden, de zon is op het punt boven de bergen te verrijzen. Haar stralen schieten reeds in alle richtingen boven de scherp geteekende berglijn uit, de hooge top achter u, waarop het dorp Castelmola ligt, is reeds schitterend verlicht, langzamerhand wordt de geheele atmosfeer om u heen een en al vuur, de zon verschijnt boven de bergen.
En zoo is zij er dan weer, de zon van Italië, de zon van Taormina! Reeds voelt gij haar warmte en werpt gij de sjaal af die gij voor de ochtendkoelte had medegenomen. Zie nu eens om u heen! Aan uwe voeten het teatro greco, met zijn reusachtige afmeting, zijn heele en halve zuilen, zijn nissen en doorgangen, zijn scena en zijn orchestra, hoe verplaatst het u in eens in de klassieke tijden der Grieken, in de historische tijden der Romeinen. Recht voor u door de groote opening van de Scena ziet gij den kolossalen kegel van de Etna, met haar rookpluim overhellend naar het N.O. Diep onder u Giardini, het spoorwegstation van Taormina, iets verder het dorp Calatabiano en daar tusschen het stroompje de Alcantara, dat zich in zee stort. Westelijk op gindsche rotspunt Castelmola, een armoedig doch schilderachtig dorp dat als een steenen kroon geplaatst is op den top van een berg, zoodat men al evenmin begrijpt hoe de bewoners er komen als wat zij er uitvoeren. Onmiddelijk onder u eindelijk schittert thans in de felle ochtendzon het huizencomplex van Taormina met zijn duomo en kerken, zijn hôtels en ruïnes. Reeds begint het aardige plaatsje teekenen van leven te geven, het hanengekraai wordt gevolgd door het balken van talrijke ezels die er reeds naar verlangen de bezoekers op hunne geduldige ruggen de bergen op te dragen naar Castelmola of Monte Venere of naar ieder ander punt waar men van het heerlijke vergezicht wenscht te gaan genieten. Hier en daar wordt een deur geopend, er komt leven en bedrijf in de straten, Taormina is ontwaakt.
Wij spoeden ons terug naar ons hôtel om ons te kleeden en, na een echt italiaansch ontbijt met versche vijgen en druiven of wat de tijd van het jaar oplevert, maken wij ons op om te gaan genieten van het vele dat Taormina te genieten geeft. Wij bevinden ons hier op klassieken bodem. Taormina heeft eene geschiedenis zooals geheel Sicilië, het Trinacria der ouden, er eene heeft. Laten wij, alvorens onze wandeling te beginnen, ons eerst door de “Guida di Taormina” zéér vluchtig op de hoogte laten brengen van die geschiedenis.
Naar alle waarschijnlijkheid was Taormina reeds ruim 700 jaar v. C. de acropolis van Naxos, terwijl een versterking der Cartagers als de eigenlijke grondslag van het tegenwoordige Taormina mag beschouwd worden. (392 v. C.).
Aan de vele oorlogen tusschen Cartagers, Messineezen, Syracusers en de overige Sicilianen, ontsnapte Taormina niet; voortdurend was het de dupe van den strijdlust der omwonenden, die het afwisselend in bezit namen, met den grond gelijk maakten en weer opbouwden.
Gedurende het beleg door Marcellus in 241 v. C., in welk beleg Archimedes zulk een groote rol speelde, verleende Taormina doortocht aan de Romeinen op voorwaarde bevrijd te blijven van romeinsch garnizoen en vrijgesteld te worden van het leveren van schepen aan Rome, waarop de Romeinen na Sicilië te hebben veroverd, Taormina onafhankelijk verklaarden.
Twee eeuwen later, 36 v. C. werd Taormina, dat zich vóór Pompejus en tegen Octavianus had verklaard, de basis van Pompejus’ oorlogsoperaties en ’t was juist op de zee vóór Taormina dat Octavianus in persoon Pompejus versloeg in den later zoo beroemd geworden zeeslag. Sicilië kreeg toen een constitutie, maar Taormina, door Octavianus gehaat, werd tot romeinsch garnizoen gemaakt en bleef toen vele jaren in de geschiedenis een ondergeschikte rol spelen.
Na den ondergang van het romeinsche rijk bleef het door zijn ligging langen tijd bevrijd van de aanvallen der Saraceenen.
Die naam van Saraceen werd aan de Arabieren gegeven en is afgeleid van het arabische woord sarako dat stelen beteekent. Nog heden ten dage wordt in Taormina het woord Saraceen als een scheldnaam beschouwd.
Na in 902 n. C. toch eindelijk in handen der Muzelmannen te zijn gevallen, kwam het in 1078 in de macht der Noormannen, nam het in 1282 deel aan de Siciliaansche vespers en ruim anderhalve eeuw later aan den burgeroorlog onder de regeering van Lodewijk van Aragon.
In 1535 door Karel V verkocht wist het zich dadelijk weer vrij te koopen.
Onder de regeering van Karel II werd Taormina in 1675 door de Franschen stormenderhand genomen, doch vanuit het kasteel Mola door de Taormineezen zelf beschoten die hunne stad heroverden en van de vreemde indringers bevrijdden.
Tengevolge van den vrede van 1720 kwam Sicilië in het bezit van Oostenrijk en later van de spaansche Bourbons.
In 1806 hadden de Engelschen in Taormina een sterk garnizoen.
Met de italiaansche omwenteling van 1848–1849 liet Taormina zich weinig in, doch in 1860 op den 9 April ontscheepte zich Garibaldi op het eiland Sicilië, dat toen van de overheerschers werd verlost en voor goed bij het Koninkrijk Italië werd gevoegd.
Geen wonder dat de vele volken die achtereenvolgens op dit plekje grond zijn gevestigd geweest daarop hun stempel hebben gedrukt en hunne herinneringen hebben achtergelaten.
Het allerschoonste en interessantste op dit gebied is zeker het reeds vermelde Teatro Greco. Maar voor wij dat van naderbij beschouwen willen wij, zooals aan nieuwe bewoners eener plaats, al zal hun verblijf ook niet van langen duur zijn, betaamt, ons eerst gemeenzaam maken met de plaats dier tijdelijke inwoning.
Beginnen wij met ons hôtel. Het is geen gewoon hôtel, het hôtelVictoria, zooals men dat in alle plaatsen met eenig verkeer vindt. Taormina, dit moet niet uit het oog worden verloren, ligt niet op vlakken grond, doch is tegen steile rotsen aangebouwd. Tegen die rotsen nu was amper plaats te vinden om er een straat op aan te leggen die, zooals de hoofdstraat de Corso Umberto, van poort tot poort doorloopt zonder trapjes of zonder scherpe rijzingen en dalingen. Maar er een huis laat staan een hôtel te bouwen welks basis geheel op effen terrein kwam te staan, dit was een taak zelfs voor den bekwaamsten architect onuitvoerbaar. HôtelVictoriaheeft dan ook niet minder dan vier uitgangen in vier verschillende boven elkander evenwijdig liggende of dwars tegen den berg oploopende elkander kruisende straten. De tuinen liggen op de derde verdieping, de eet- en leeszalen op de vierde, vele kamers op de vijfde verdieping, alles tusschen, naast, onder en over elkaar gebouwd, zóó dat het onmogelijk zou zijn er een behoorlijken plattegrond van te teekenen. Wil men het hôtel verlaten dan kiest men dien uitgang die u brengt in de straat die u het spoedigst naar uw doel voert. Logeert men op de vijfde verdieping, de meest begeerde wegens het heerlijke uitzicht, men laat zijn rijtuig of ezel op de vijfde verdieping voorkomen als men een bergtocht wil maken. Men zal daarentegen liever de eerste verdieping kiezen als men naar beneden wenscht te gaan.
Corso Umberto.Corso Umberto.
Corso Umberto.
Corso Umberto.
Wij verlaten het hôtel thans ook door dien uitgang voor deze eerste wandeling in het stadje. Wij bevinden ons dan dadelijk in de hoofdstraat de Corso Umberto, breedte p.m. 5 meter zoodat, als de voorbijgangers zich tijdelijk in de open deuren bergen, twee rijtuigen elkander zonder ongelukken kunnen voorbijrijden. Het is een typisch italiaansche straat, onmogelijk dikwijls te zeggen waar het eene huis begint waar het andere eindigt, evenmin is het altijd uit te maken of een huis één dan wel tien eeuwen oud is; alles is grijs, grauw, groezelig, aan den beganen grond geene vensters, alleen groote deuren, wijd openstaande, toegang gevende tot de zoogenaamdebassi, ruime gewelven, waarin de winkels, café’s, scheersalons en tutti quanti worden gehouden. Achter in debassibevindt zich een trap van steen of marmer toegang gevende tot de kamers in de bovenverdieping. Dikwijls ook zijn diebassitevens de woning van het gezin en ziet men bij dag de bedden opgerold in een hoek liggen.
Menig huis getuigt van vroegere weelde door een fraai gothisch of romaansch poortje of raamomlijsting, door enkele brokstukken marmer heerlijk ingelegd hetzij met zwarte lava, hetzij met veelkleurige marmersoorten, een bewijs dat de thans veelal verarmde of verwaarloosde huizen vroeger een deel uitmaakten van rijke en fraai gebouwdepalazzi. En dat is een van de dingen die niet alleen op Sicilië maar in geheel Italië het meest treffen en iedereen dadelijk in het oog springen, dat men overal tot in de kleinste plaatsjes monumenten vindt van vroegere grootheid, rijkdom en weelde, monumenten die Italië maken tot een reusachtig museum, waar overal iets valt te genieten en te bestudeeren, waar ieder stadje, ieder dorp waard is bezocht te worden en de reiziger gedurende eenige uren zich aangenaam of leerzaam zal kunnen bezig houden.
Het kost werkelijk eenige zelfbeheersching Taormina’s hoofdstraat ten einde te loopen zonder links of rechts een trap af te dalen of op te klimmen. Bij ieder zijstraatje toch wordt men aangetrokken hetzij door een pitoresk groepje, hetzij door een geestige fontein of door een fraaie ruïne. Wij bieden echter weerstand aan de verleiding en gaan, al kijkende en bestudeerende, door tot de Piazza Nove Aprile, vroeger Piazza Sant’ Agostino. En wij willen hier in het voorbijgaan even opmerken dat het gemeentebestuur van Taormina al even dom is als dat van een zekere hoofdstad van een zeker land, met zijn neiging om oude historische namen te veranderen in dien van onbeduidende vorsten en weinig zeggendedata, op die wijze een interessant geschiedenisboek, waarin de historie van de plaats voor alle eeuwen is vastgelegd, veranderende in een vulgaire Almanach de Gotha. Laat men in een zich uitbreidende stad in dezelfde lijn voortwerken en in de namen der nieuwe straten voor het nageslacht de herinnering bewaren aan de gebeurtenissen der nieuwe tijden, desnoods aan de toen regeerende vorsten en aan de bekende mannen, mits zij werkelijk die herinnering verdiend hebben, er is niets tegen, maar de oude namen moeten in iedere plaats heilig gehouden worden.
Wij willen dus Taormina’s gemeentebestuur niet op dien weg volgen en houden ons halstarrig aan den ouden naam Piazza Sant’ Agostino. Het is een genot daar een oogenblik te verwijlen want schilderachtiger plekje is nauw denkbaar. Aan de eene zijde de oude klokketoren, de aardige renaissance gevel van de San Giuseppe en het gothische kerkje Sant’ Agostino; ten oosten een heerlijk terras met ijzeren hek, vanwaar men opziet naar de Etna en onder zich heeft een 200 M. diepen afgrond, welks bijna loodrechte rotsen alleen nog toegankelijk zijn voor eenige geiten en welks voet bespoeld wordt door de blauwe golfjes van de zee. Op dit punt is het stadje om zoo te zeggen in tweeën verdeeld door een ouden vervallen muur in moorschen stijl, over bergen en door ravijnen afdalende van de ruïnes van het kasteel van Taormina dat de rots ten westen der stad bekroont.
Straatje in Taormina.Straatje in Taormina.
Straatje in Taormina.
Straatje in Taormina.
Door de poort onder den klokketoren voortschrijdende vervolgen wij onzen weg tot de Piazza del Duomo, een kerk van gemengd gothische en renaissance bouw met een fraaien ingang in Siciliaansch gothischen stijl aan de noordzijde.
Vóór den Duomo bevindt zich een allergeestigste fontein, de fontein der Vier Beesten, zoo genaamd naar vier gedrochtelijke dieren uit welker bekken het water vloeit in den steenen bak, waarin de vrouwen uit de buurt, naar italiaansche zeden, hare kleeren komen spoelen.
Ook deze Piazza is weder afgesloten door eene poort, de Toca-poort, die nog niet het einde der plaats vormt, daar eenige weinige schreden verder de hoogst schilderachtige Catania-poort de werkelijke uitgang is aan de zuidzijde der stad.
Wij keeren dus op onze schreden terug, zien opnieuw met welgevallen op naar zoo menig aardig motief, naar de balcons veelal voorzien van fraai gedreven ijzeren hekken, naar het taormineesche leven dat op al die balcons wordt afgespeeld.
Italië toch is evenals Spanje het land der balcons, geen raam zonder balcon, geen balcon zonder menschen die daarop hunne huiselijke bezigheden verrichten, hun wasch behandelen, een buurpraatje houden, hunne op straat spelende kinderen nagaan en zoo noodig waarschuwende of bestraffende woorden toeroepen, hunne etenswaren of andere kleine inkoopen met een mandje aan een touw van de venters op straat ophalen, de liefdesverklaringen en serenades hunner aanbidders, want ook die spaansche gewoonte is hier inheemsch, aanhooren.
Wij gaan ons hôtel weder voorbij om het noordelijk einde van den Corso Umberto te bekijken. Dit brengt ons al spoedig op de Piazza Vittorio Emanuele waar wij getroffen worden door de middeleeuwsche lijnen van het Palazzo Corvaia. Nog draagt het in ieder opzicht het stempel zijner vroegere grootheid, maar het is een vervallen grootheid. De rez de chaussée is doorgebroken en vervormd tot verscheidenebassi, winkels van het eenvoudigste type waar koopwaren van de allergoedkoopste soort zijn uitgestald. Treedt men het paleis binnen dan vindt men nog een aardig binnenhof, waar een fraaie marmeren trap op slanken boog naar boven voert. Langs een gedeelte van de steenen trapleuning ziet men nog een soort lambrizeering met een zeer goed gebeeldhouwd relief, waarop drie bijbelsche voorstellingen: de schepping van Eva, de Zondenval, Adam en Eva aan den arbeid. Het dak van het palazzo wordt gekroond door de zoogenaamde “merluzzi” een arabisch bouwmotief, een soort kanteelen, dat men hier overal terugvindt, en ook bij nieuwe huizen en hôtels een geliefde gevel-bekroning is geworden. De achterzijde van het paleis is gebouwd op de ruïnes van een tempel aan Minerva gewijd, en het geheel maakt nog den indruk een sterk gebouw te zijn geweest, waarin de normandische heeren die het eenmaal hebben bewoond, zich weken en maanden hebben kunnen verdedigen tegen de aanvallen van Saracenen of andere naburige volken, en dat meer had van een vesting dan van een comfortabel paleis.
Naast het Palazzo Corvaia de kerk Santa Catarina en een klein, eerst onlangs opgegraven romeinsch theater, waarin de twee vomatorien, toegangen tot de hoogere rangen, nog duidelijk te zien zijn. Aan de andere zijde van het pleintje het Teatro Margherita en een kleine kazerne voor “Carabinieri”. De Porta di Messina sluit hier het stadje af. Rechts van deze poort brengt de Via del Teatro Greco ons naar de belangrijke overblijfselen van het grieksche theater, dat een nadere en aandachtige beschouwing overwaard is. Wij willen dus aan de hand van den Custode of bewaarder, die daarvan een lezenswaardige beschrijving in drie talen heeft uitgegeven, dit oude grieksche theater eens wat van naderbij bezien.
Palazzo Corvaia.Palazzo Corvaia.
Palazzo Corvaia.
Palazzo Corvaia.
Het is niet met zekerheid te zeggen in welken tijd de bouw van het theater gesteld moet worden; men gelooft echter te kunnen aannemen dat het omstreeks 358 v. C. ten tijde van Andromachus van Taormina werd opgericht. De halve cirkelvorm doet ons geen oogenblik aan zijn griekschen oorsprong twijfelen, waar tegenover staat dat alle ruïnes geheel het karakter van de romeinsche bouworde hebben. Hieruit blijkt dat toen de Romeinen zich in Taormina vestigden, zij het theater veranderden en vergroot hebben, zoodat wel de grieksche grondvorm overbleef, maar de onderdeelen veranderd werden in romeinschen trant. Voor deze verbouwing vond men een treffend bewijs in een klein grieksch tempeltje, in de bovengalerijen opgegraven, dat den Grieken gediend had tot offerplaats en voor wasschingen.
Teatro Greco.Teatro Greco.
Teatro Greco.
Teatro Greco.
De Romeinen braken dit tempeltje bij de verbouwing van het theater gedeeltelijk af, om op zijn sterke muren de fondamenten van de bovengalerij te doen rusten.
Maar niet alleen vindt de geometrische grondvorm zijn oorsprong bij de Grieken, ook de fondamenten en muren van het Proscenium “het voortooneel” wijzen op helleensche afkomst. Na de laatste opgravingen heeft men pas kunnen bewijzen, dat slechts de bovendeelen van het theater aan de Romeinen kunnen worden toegeschreven.
Een breede trap, Scala regia genaamd, was de algemeene toegang tot het theater. Later werd hierin door Keizer Augustus een verandering gebracht. Hij liet voor de vrouwen een afzonderlijke trap bouwen aan het tegenovergestelde uiterste van de buitenste zuilengang, welke trap echter nooit geheel voltooid werd.
De Scala regia bestond uit met steenen geplaveide bordessen, welke telkens onderling door drie treden verbonden waren. Boven gekomen gaf een deur toegang tot een kleine overdekte gang die uitkwam op de eerste praecinctio of half-cirkelvormige rij zitplaatsen, die rijk gedrapeerd en, van curulische en beweegbare stoelen voorzien, bestemd waren voor de senatoren, de magistraten en de vestaalsche maagden.
Naast het tweede bordes begint een andere kleinere trap, die toegang verschafte aan adel en patriciers, voor wie de tweede praecinctio bestemd was, en op welks zetels somtijds de eigennamen der rechthebbenden waren aangegeven. Van deze zetels liggen in de arena nog brokstukken die de namen der eigenaars dragen.
Langs deze zelfde trap moesten de artisten en de burgers nog hooger stijgen, en gaande door de bovenste galerijen, daalden zij dan door vomitori, d.i. openingen, aangebracht in den grooten muur die de cavea omringt, naar de derde of laatste praecinctio.
Deze drie rijen zitplaatsen vormden te zamen de Cavea, die door een groote overdekte galerij, welke uit twee zuilengangen bestond, omringd was. De binnenste werd gedragen door vijf-en-veertig zuilen, terwijl de buitenste door pilasters werd gesteund. Te zamen boden zij het publiek een toevlucht bij regen. In gewone omstandigheden werd de buitenste gebruikt om zich te vertreden of wel als marktplaats, en diende de binnenste tot doorgang naar de derde praecinctio. Op de overdekking dezer twee zuilengangen bevond zich een groot terras dat voor het volk bestemd was. Het bestaan van dit terras lijdt geen twijfel, waar nog heden ten dage restanten worden gevonden van een trap die buitenom er heen voert. Deze zuilengangen waren gebouwd op een zwaren muur die de geheele cavea omringde en door welken op tien plaatsen op gelijken afstand uitgangen waren aangebracht. Deze muur was versierd met zes-en-dertig nissen waarin vazen of beelden waren geplaatst.
Beneden bevond zich het podium, dat de arena omsloot. Onder dit podium kwam een overdekte gang door drie deuren in de arena uit, door welke gang naar alle waarschijnlijkheid de wilde dieren in de arena werden gelaten, om hunne bloedige gevechten tegen de gladiatoren te leveren.
De eigenlijke arena is de ruimte tusschen het podium en het tooneel of scena. Het proscenium, dat bij de Romeinen verplaatsbaar was, besloeg van de altaren op het tooneel af nog bijna een derde van de arena. Op dit proscenium of voortooneel voerden de Romeinen hunne tooneelspelen, hunne drama’s en dansen op.
Het grieksche orchest bevond zich tegenover het tooneel, doch de Romeinen verplaatsten het op den muur van het podium, dus eigenlijk ter zijde van het tooneel, daar waar het podium in een elliptische vorm eindigde en waar ook de timele of plaats voor het koor was.
Onder het proscenium bevond zich een onderaardsch kanaal dat achter het tooneel eindigde. De constructie van dit kanaal laat ten duidelijkste zien dat het voor den afvoer van regenwater bestemd was of om een groote hoeveelheid water te bevatten dat voor het theater gebruikt werd. Er zijn echter geleerden die meenen dat dit kanaal voor de acoustiek diende, misschien ook—wat ons echter zeer twijfelachtig voorkomt—tot bergplaats van diegenen uit het publiek, die tijdens de voorstellingen stoornis veroorzaakten. Twee andere onderaardsche gewelven, die aan den muur van het theater parallel loopen, staan met eerstgenoemd gewelf in verbinding en dienden voor hen die belast waren met de tooneel veranderingen. Men ziet er nog duidelijk zeven vierkante gaten in, op gelijken afstand, die rechtstandig oploopen tot de grondvlakte van de arena en waarin de balken geplaatst werden, dienende tot steun van het groote plankier van het proscenium.
Het tooneel bestond dus uit het proscenium of voortooneel en het eigenlijke tooneel. Op dit laatste bevonden zich twee altaren, gewijd aan de goden, waarboven de eerste zuilenrij die het tooneel versierde. Elk der twee altaren telde drie nissen; voor de middelste, grooter dan de anderen en ook afwijkend van vorm, hing een gordijn, waarachter de beelden van Apollo en Bacchus. Deze twee altaren waren door drie deuren gescheiden; door de middelste, thans door den bliksem verwoest, kwam de hoofdpersoon op, door de beide anderen kwamen de andere personen ten tooneele.
Onder deze deuren, welker drempels op gelijke hoogte lagen met den vloer van het tooneel, bevonden zich nog drie kleine deurtjes aan de voorzijde van het tooneel, die in gemeenschap stonden met een onderaardsche gang, die den medewerkers in het treurspel tot doorgang dienden en hen op het achtertooneel of postscenium brachten. Deze gang werd bij de opgravingen in 1853 en 1854 ontdekt. Een hooge breede gang, ook onder het tooneel gelegen, gaf toegang aan de vrouwen die, langs een trap links van het tooneel, hunne plaatsen op de bovenste galerijen wilden bereiken.
Aan beide zijden van het tooneel bevonden zich nog twee kamers, die zonder twijfel dienden tot bergplaatsen voor alles wat op het tooneel betrekking had, of misschien ook als kleedkamers voor de artisten.
De voorzijde van het tooneel was met kostbaar veelkleurig marmer bekleed; de zuilenrijen in corintischen en jonischen stijl, waren van cippolijnsch graniet en afrikaansch marmer, de voetstukken der altaren van wit marmer.
Na deze beschrijving van de voornaamste deelen van het theater, nog een enkel woord over de verschillende doeleinden waartoe het gebezigd werd. Behalve de tragedie beoefende men er de satire, het tooneelspel, de pantomime en den dans. In de arena vonden de bloedige gevechten der gladiatoren plaats. Maar men behandelde er ook de publieke zaken, men ontving er de vreemde afgezanten, men besliste er over de zaken der republiek, dikwijls werd er recht gesproken, men beraadslaagde er over te verleenen eerbewijzen en op te leggen straffen en hield er redevoeringen tot het volk. Hier redetwistten de wijsgeeren, hier werden de veroordeelden ter dood gebracht, hiertraden de dichters en schrijvers voor het volk op.
Wanneer men bedenkt dat de stad Taormina een theater kon oprichten van die grootte en pracht, zal men zich gemakkelijk een denkbeeld kunnen maken van den rijkdom en intelectueele ontwikkeling die daar in de oudheid heerschten.
Slechts eenige van de grieksche republieken uit die tijden zijn, dank zij haar macht en haar hooge ontwikkeling, in staat geweest een dergelijk theater te stichten. Het waren steden als Syracuste, Catania, Segesta, Gela, Agira en enkele anderen.
Wie, door denzelfden gids geleid als wij, het theater bezoekt, zal kalm het schitterend natuurtafereel kunnen genieten dat zich voor zijne oogen ontplooit, en zal in hem een uitstekend geleider vinden, die niet zal nalaten weer met dezelfde verontwaardiging te vertellen dat, nog geen halve eeuw geleden, de inwoners van Taormina de steenen uit het Teatro Greco haalden om er hunne woningen mee te bouwen, hij zal ook stellig wijzen op het verschil in den baksteen van voor 2000 jaar en den nieuwen tot restauratie gebruikten, die nu reeds verweerd is en afgebrokkeld.