Chapter 4

De landsvader! Zóó moest men tot de ministers der restauratie spreken! Intusschen is het voor de Noordnederlandsche geschiedschrijving meer dan tijd, te erkennen dat de Belgen, als zij later de artikelen van Londen artikelen van den Haag noemden, geen woord te veel hebben gezegd.Nothomb's befaamde uitdrukking van den„coupd'état permament”, die dagteekenen zou van 1814, is historisch gerechtvaardigd.

Monsterachtig groot zien wij hier het misverstand, dat den nieuwen staat der zeventien provinciën heeft gedood. Noch het Noordnederlandsche volk, noch de Noordnederlandsche souverein hebben de Belgen voor vol aangezien. Waren hun bezwaren ik zeg niet weerlegd, doch zelfs maar gevat? Wat beteekende het hun te verzekeren, dat de katholieken tot iedere landsbetrekking benoembaar waren?87)Een dergelijke verzekering, gegeven aan een natie die voor 99% uit katholieken bestond, was alleen reeds een beleediging aan het gezond verstand. Met hun religiebezwaar hadden de Belgen voorzeker niet gemeend te vragen, of de katholieken in België wel tot landsbetrekkingen benoembaar zouden zijn. De moeilijkheden werden niet opgelost, zij werden genegeerd. De bondgenooten onderteekenden alles, in meer of minder goed vertrouwen op de uitkomst. Eigenlijk kwam een Belgische notabelenvergadering hun toch zeer ongelegen. Zonder twijfel zou zij verzocht hebben dat de Belgische landen over de Maas niet van het nieuwe rijk werden gescheiden, en de regeling der grenzen tusschen Maas, Rijn en Moezel was een der moeilijkste onderwerpen van alle en bleef nog zeer lang onbeslist. Voorloopig maakten zij zich van België af door tegelijk met de onderteekening der acht artikelen te verklaren, dat zij over het land beschikten in het belang van het evenwicht van Europa en krachtens het recht van verovering, en er, tot de feitelijke voltrekking der vereeniging toe, het bestuur over opdroegen aan den Souvereinen Vorst88). Deze aanvaardde het den 1stenAugustusmet een niet ongeschikte proclamatie, van Falck afkomstig, waarin getracht was ieder het zijne te geven89). De moeilijkheid van de taak echter, die Willem I en Noord-Nederland te wachten stond, werd ook door Falck weggegoocheld. Dezelfde gebeurtenis, die het vredestractaat van Parijs had aangekondigd met de woorden:„La Hollande recevra un accroissement de territoire”, wordt in deze proclamatie„l'agrandissement de la Belgique”genoemd. Werd Holland uitgebreid, of België? In den gedachtengang van die de zaak uitgevonden hadden, Holland. Maar het was een veeg teeken, dat men hiervoor tegenover de nieuwe onderdanen niet uit durfde komen. Welk een fraaie „vergrooting van België” inderdaad, waarbij het, volgens Falck's eigen bekentenis aan een vriend, „te langdradig zoude geweest zijn, de Belgen te raadplegen”!90)—En was Holland geraadpleegd? Evenmin. De vereeniging is door beide volken bedacht noch goedgekeurd; zij is door hen ondergaan.

De grenzen van het nieuwe koninkrijk werden bij tractaat van 31 Mei 1815 bepaald. De Souvereine Vorst verkreeg daarbij het geheele over de Maas gelegen gebied der Fransche departementen van deSambreen Maas, van deOurtheen van de Beneden-Maas (provinciën Namen, Luik en Limburg); voorts van Venlo tot Mook een smalle strook, die Pruisen verhinderde tot aan de Maas te reiken. Onder bizondere bepalingen werd aan dit gebied Luxemburg toegevoegd, als een vergoeding voor het verlies der Nassausche erflanden. De verknipping van België was dus voorkomen, maar Holland won geen duimbreed aan den Rijn. De mogendheden hadden zichgenoodzaakt gezien, aan Pruisen het koninkrijk Saksen te onthouden, doch hadden in ruil aan Pruisens aanspraken op het land tusschen Maas, Rijn en Moezel in ruimer mate toegegeven dan de vrede van Parijs had kunnen doen verwachten. In het oorspronkelijk plan, om aan den Souvereinen Vorst den linker Rijnoever toe te deelen van Emmerik tot Keulen, benevens den linker Maasoever van Maastricht tot de Fransche grens, was het denkbeeld eener „uitbreiding van Holland” duidelijker uitgedrukt dan in de nieuwe regeling, die geheel op een vereeniging van Holland en België nederkwam.

De Souvereine Vorst had het tractaat van 31 Mei 1815 niet afgewacht, om den koningstitel aan te nemen. Met goedvinden der mogendheden had hij dit reeds gedaan na de landing van Napoleon. Het nieuwe koninkrijk had nu, in zijn zelfstandige deelneming aan den nieuwen Europeeschen oorlog, een proef af te leggen, waarin het niet al te ongelukkig slaagde. België steunde zijn nieuwen vorst tegen den inval; 's konings zoon vergoot zijn bloed voor een zaak die Zuid en Noord gelijkelijk aanging. Onder den indruk van het gemeenschappelijk gevaar werd, in Mei en Juni 1815, door een Hollandsch-Belgische commissie de grondwet van het Noorden herzien, die volgens de artikelen van Londen toepasselijk zou worden verklaard voor het geheele koninkrijk, na wijziging „met gemeen goedvinden”. Falck had de Belgische leden bijeengezocht, en daarbij zorg gedragen het clericale element in de minderheid te laten. Als zuivere clericalen konden slechts gelden Raepsaet enDubois. Het sterkst was de adel vertegenwoordigd:de Thiennes, de Mérode, de Méan,van Aerschot; de beide laatsten tegelijk liberalen. Uit de balie waren genomenLeclercqenDotrenge; uit de Napoleontische bureaucratie Holvoet en de Coninck; nevens den clericaal Raepsaet, vertegenwoordigen de liberaalGendebien(oud-pensionarisvan den derden stand in Henegouwen) het burgerlijk element uit de oude regeering van vóór 1795. Voor de leiding der Belgen rekende de koning op graafde Thiennes, die tot dusver, onder den Hollandschen gouverneur-generaal van der Capellen, het departement van justitie in België waargenomen had, en die het vertrouwen scheen te bezitten van een goed deel zijner adellijke standgenooten.

Van daadwerkelijk verzet tegen de regeering van den Souvereinen Vorst was sedert 1814 geen spoor gebleken, maar daarom was men er niet mede verzoend. Vooral niet de machtige clericale partij. Juist in de dagen dat te Londen de acht artikelen van Willem I door de mogendheden bekrachtigd werden, had deze, bij monde van den oud-bisschop van Roermond, baron van de Velde de Melroy, opgave gedaan van haar eigen wenschen. De Roomsche godsdienst, zeide deze, kon in België tot de heerschende worden verklaard, zonder het beginsel der verdraagzaamheid prijs te geven. In België geen protestantsche ambtenaren; een eenvoudige eed van trouw aan den Souverein; aanmoediging van het katholiek onderwijs; herstel van de Jezuieten en van eenige kloosterorden; geen burgerlijk huwelijk; over de wijze van vervulling der bisschopszetels onderhandeling met den Paus. Een afzonderlijke constitutie voor België, goed te keuren door een vergadering van geestelijken en leeken, en zoo al geen wettelijk voorgeschreven, dan toch wezenlijk toegepaste uitsluiting der„acquéreurs de biens nationaux”en oud-keizerlijke ambtenaren uit het bewind91). Eischen die niet slechts met de artikelen van Londen onvereenigbaar waren, maar wier doorzetting een burgeroorlog zou hebben doen ontstaan in België zelf.

Een nieuwe poging werd door den bisschop van Gent,de Broglie, gedaan bij het Congres van Weenen. Het was onmogelijk, zeide deze, een katholiek volk onder een protestantsch vorst te stellen zonder het eenige waarborgen te geven. Hij vroeg derhalve verbod van den protestantschen eeredienst elders dan in 's konings paleis; twee bisschoppen in den (Belgischen) Raad van State, die uit enkel katholieken moest worden samengesteld, en aan wien uitsluitend het recht van onderhandeling met den pauselijken nuntius zou toekomen; een concordaat; herstel van de geestelijke tiend; herstel en volledige vrijheid van de Jezuieten en kloosterorden92).

Het Congres dacht er te minder aan zich met dit alles in te laten, daar kardinaalConsalvi, die te Weenen den Paus vertegenwoordigde, zich met deze eischen niet solidair verklaarde. De latere minister van katholieken eeredienst, baronGoubau, een Belgisch Jozefist die te Weenen woonde, sprakConsalviover het stuk van den Gentschen bisschop aan. De kardinaal bepaalde zich tot een aanbeveling van het herstel van eenige orden en corporatiën, die werken van barmhartigheid ten doel hadden, en tot een waarschuwing dat men het concordaat van 1801 onmogelijk met een protestantsch vorst hernieuwen kon; de koning zou hoogstens bisschoppen kunnen recommandeeren93).

Elk souverein, die in 1815 de regeering van België op zich nam, zou, zoo hij niet de eenvoudige uitvoerder had willen zijn van geestelijke bevelen, een strijd te voeren hebben gehad tegen de katholieke reactie, welk zich voorstelde de gansche Revolutie ongedaan te kunnen maken. In het geval van Willem I echter werd de strijd door bijkomstige omstandigheden verscherpt. Hij zou verstandig hebben gedaan, de wezenlijk in het volk bestaande onrustdoor eenige constitutioneele bepalingen te temperen. Thans werd van die onrust door de geestelijkheid gebruik gemaakt, om het Belgische volk voor een zuiver clericaal program te spannen.

In den Haag onderschatte men de kracht dezer beweging. Hoe weinig kwam er inderdaad in de zittingen der gemengde commissie van voor den dag! De Belgen spraken veel en druk, maar hadden geen tezamen overlegd plan. Zij vereenigden zich alleen om de vermelding van Amsterdam als rijkshoofdstad, en de bepaling dat de koning hervormd moest zijn, te schrappen; op twee na94)verwierpen zij de gelijkheid van het aantal afgevaardigden voor Noord en Zuid in de Staten-Generaal, die dus aangenomen werd. Noord was Zuid ter wille in de instelling eener Eerste Kamer; in de uitbreiding van het begrootingsrecht der Staten-Generaal; in het voorschrijven van de openbaarheid der zittingen van de Tweede Kamer. Met het artikel, dat in den vorst de belijdenis van den hervormden godsdienst eischte, trachtte de voorzitter der commissie, Hogendorp, ruilhandel te drijven. Het was in de grondwet van 1814 opgenomen geworden na veel strijd, en niet zonder gedachte aan de vereeniging met België; het weg te laten zou, meende de voorzitter, de Noordnederlandsche protestanten in een gevaarlijke mate bezwaren. Hij zocht het daarom te redden door er een artikel tot zekerheid voor de katholieken nevens te stellen, en beide artikelen tegelijk in stemming te brengen. Het gezag des konings en dat van den Paus in zaken de katholieke Kerk betreffende zouden geregeld blijven op den in België van ouds bestaanden voet („par les anciens usages et libertés de la Belgique”), behoudens de wijzigingen, daarin te brengen bij concordaat („sauf les changemens, queS. M.pourra y apporter de concert avec Sa Sainteté”). Het was om het openen van uitzicht op een concordaat, en de vermelding van 's Pausen naam, te doen, waaropde MerodeendeThiennessteeds hadden aangedrongen95). De zaak mislukte: de katholieken bleven zich als één man verzetten tegen het artikel dat de belijdenis van een bepaalden godsdienst in den vorst eischte, terwijl de „flauwe Kristenen”96)onderhengeen prijs stelden op het artikel over de rechten van den Paus. Beide artikelen, tezamen in stemming gebracht, kregen niet meer dan vijf (noordelijke) stemmen. Tegen stemden, behalve de liberalen van weerszijden, die het over de verwerpelijkheid van beide artikelen eens waren, de conservatieven van het Zuiden, die in ieder geval het artikel over den hervormden godsdienst van den vorst geschrapt wilden hebben.

Merkwaardig was hierbij, dat in de vergadering, waarin deze gewichtige stemming plaats hebben moest, van de beide clericalen Raepsaet door afwezigheid schitterde enDuboisgeen woord sprak. Toen nu laterde Thiennesende Mérodenog een zwakke poging waagden, om een artikel tot geruststelling der katholieken in de grondwet te brengen („onze geloovigen”, zeidede Mérode, „moeten zien, dat wij voor hen gezorgd hebben”97)), ging van al de katholieke commissieleden niemand danDuboismede. Raepsaet was bij al deze beraadslagingen afwezig. Zijn zeer dubbelzinnig gedrag laat geen andere verklaring toe, dan dat hij reeds met het Belgisch episcopaat maatregelen tot verwerping der grondwet beraamde. Hoe duidelijk is het bij dit alles, dat zoowel Belgische clericalen en Belgische liberalen zich bij deze gelegenheid meer als partijmannendan als Belgen gedroegen. De clericalen trachtten, door het verspreiden van de dolzinnigste schrikbeelden, den bestaanden weerzin tegen de vereeniging met Holland te exploiteeren ten eigen bate. Zij trachtten geensdeels, onder de bestaande omstandigheden het beste te verkrijgen wat te verkrijgen was. De liberalen waren ook matig met de vereeniging ingenomen, maar als zij dan toch geschieden moest, diende van deze gelegenheid gebruik gemaakt om de positie der clericalen in België zelf zooveel mogelijk te verzwakken. Deze lieden hadden nog vijftien jaar politieke opvoeding noodig, eer zij een toonbare natie waren geworden.

Over de wijze vanaannemingder grondwet had een eigenaardige, de stemming in België kenschetsende beraadslaging plaats.De Thiennes, van de Belgische edelen aan de regeering van Willem I het best gezind, en met wien Hogendorp zich zeer wel verstond, ontraadde de onderwerping aan notabelen ten stelligste: „ik houde het voor zeer gevaarlijk”, zeide hij, „daar men intrigues zal zien geboren worden en wellicht de geheele zaak op losse schroeven stelt”98).Mérodeviel hem bij: in België zeide hij, moest het volk de constitutie van boven ontvangen; het zou een andere handelwijs niet begrijpen. „Hoedanig men het ook inrichten wil met betrekking tot de acceptatie van de constitutie, altijd zal men bij ons gelooven, dat ertours de passeonder loopen, en waartoe zal men dit wagen”? Ook de Coninck scheen van dit gevoelen, en van de Noordelijken sprak Mollerus in gelijken geest: het eerste der acht artikelen van Londen had aan de Belgen een constitutiegegeven; van verwerping kon dus geen sprake zijn. Wel gewaagde het artikel van wijzigingen, aan te brengen bij gemeen overleg, maar dit overleg had reeds plaats in de commissie zelve. De voorzitterevenwel, en met hem de groote meerderheid, was van een andere meening. Men zou niet de grondwet kunnen verwerpen, maar wel de daarin voorgestelde wijzigingen; in het Noorden zouden die wijzigingen niet kunnen worden ingevoerd buiten medewerking der Staten-Generaal, en er zou dus een groote ongelijkheid in de behandeling der beide helften ontstaan, wanneer men de wijzigingen aan België kortweg oplegde. Alsof de ongelijkheid in behandeling nog ontstaan moest! De oppervlakkige Dotrenge drong ook sterk op een stemming in het Zuiden aan, dat zich anders als veroverd land zou blijven beschouwen. Alsof het daartoe niet door de mogendheden met zooveel woorden was verklaard! Slechts zes leden hebben in de commissie tegen het oproepen van notabelen gestemd, waaronder drie Belgen (de Thiennes, Dubois, de Mérode). Als de koning gewild, en de voorzitter het naar dien wil gestuurd had, ware ongetwijfeld een andere beslissing te verkrijgen geweest99). Inderdaad, wat had een stemming te beteekenen, nu noch België, noch Holland, noch de koning meer vrij waren? Krachtens het eerste artikel van LondenhadBelgië een grondwet; het was die der Vereenigde Nederlanden. In de commissie werd dan ook erkend, dat, hoe de stemming ook uitviel, de koning niet anders doen kon dan de grondwet afkondigen. De Staten-Generaal van het Noorden, ja, konden over modificatiën stemmen, maar aan een groep ingezetenen uit het Zuiden zou men niet kunnen beduiden dat zij enkel over wijzigingen stemden en niet over de zaak ten principale. Zonder of met de stemming door notabelenbleef de vereeniging een gedwongene, de grondwet een opgelegde.

Had men, vóór de stemming,met den clerus moeten onderhandelen? Maarde Brogliezou oogenblikkelijk de discussie hebben geleid naar een terrein waarop de regeering hem niet volgen kon: naar gene zijde van de artikelen van Londen, en de mislukking eener zoodanige onderhandeling was veel gevaarlijker, dan geen onderhandeling hoegenaamd. Het is een fout geweest, dat de koning de clericale richting niet wat sterker in de commissie vertegenwoordigd heeft; een ergere nog, dat hij en Hogendorp het artikel betreffende het concordaat zoo geheel aan de ongewisheid der deliberatiën hebben overgelaten: de Belgische liberalen hebben de beslissing over dat artikel in de hand gehad, zij die toch in waarheid de minderheid der bevolking vertegenwoordigden. Met eenig beleid ware het artikel voorzeker aan den koning te renvoyeeren geweest, gelijk immers ook de commissie van 1814 zijn beslissende stem nopens twee artikelen, die den godsdienst raakten, had ingeroepen. De ernstigste ongerustheid bestond nu eenmaal in 1815 bij de geloovige katholieken, en naar die zijde wilde men eenige verzekering geven. Maar nu kwam er niets van terecht dan de volgende volzin in de door Hogendorp gestelde, doorde Thiennesen de Coninck goedgekeurde proclamatie aan de Belgen van 18 Juli 1815, waarin hun van de aanstaande bijeenroeping van notabelen werd kond gedaan:„Nous assurons en particulier a l'Eglise catholique son état et ses libertés, et nous ne perdrons pas de vue les exemples de sagesse et de modération que nous ont laissés à cet égard nos prédécesseurs, vos anciens souverains, dont la mémoire est si justement vénérée parmi vous”100). De geestelijken waren toen hun machinatiën reeds lang begonnen.

Met welken uitslag is bekend. Willem I had, na den eersten goocheltoer, de artikelen van Londen, zich en zijn nagedachtenis het tweede hocuspocus, waarmede het getal 527 werd verklaard het getal 796 te overstemmen, kunnen besparen, indien hij verklaard had dat de grondwet door de meerderheid der gezamenlijke bevolking van het Rijk was aangenomen. Wanneer slechts een derde bij ons vóór stemt, had reeds Dotrenge in de commissie gezegd, is de meerderheid buiten kijf. Doch waar bleef dan het gemeen goedvinden, dat de artikelen van Londen hadden geeischt, en dat toch wel niet dan van de beide helften des Rijks kon worden verstaan? Om dit gemeen goedvinden in het goedvinden der Belgische commissieleden te doen bestaan, was het thans te laat. Er zat dus niets anders op, dan òf de door den spot van Belgische schrijvers berucht gewordenarithmétique néerlandaisetoe te passen, òf te verklaren dat men geen stemming had behoeven te vragen en niettegenstaande de verwerping tot de invoering der grondwet zou overgaan. De verwerping, zeide de liberaleObservateur, maakt de grondwet niet krachteloos, evenmin als een aanneming haar van kracht zou gemaakt hebben101). De waarschuwing van den gouverneur-generaal van der Capellen aan de notabelen, dat men over de artikelen betreffende den godsdienst geen uitspraak had te doen, maakte zeer weinig indruk. Men antwoordde er onmiddellijk op, dat men dan om andere artikelen de grondwet zou verwerpen102). De zaak was,dat de meerderheid van het Belgische volk de vereeniging niet wenschte, en dat zij de stemming als een middel aangreep, om aan dezen afkeer uiting te geven. Voor zoover de Belgen niet aan den leiband der geestelijkheid liepen, waren zij toch ten zeerste ontevreden over de vereeniging der schulden (die van Holland beliepen 589, die van België 27 millioen gulden) en over de onvoldoende vertegenwoordiging van het Zuiden in de Staten-Generaal (Holland had 55 leden voor twee millioen, België 55 leden voor drie en een derde millioen inwoners). Altemaal artikelen tot welker rechtvaardiging men, even goed als voor die over den godsdienst, den tekst der bepalingen van Londen inroepen kon. Waar bleef de „innige en volmaakte vereeniging”, zoo men de schulden niet gemeen maakte; waar het begrip der „uitbreiding van Holland”, zoo het toevoegsel het oude land overstemmen kon? De zaak is waarlijk reddeloos geweest van het begin af. De 527 stemmen zijn minder vóór de vereeniging (die reeds een feit was), dan tegen de geestelijkheid uitgebracht.

De stemmingslijst is merkwaardig uit een oogpunt van Belgische politieke geographie. In Namen, Luik, Limburg was de meerderheid vóór de grondwet; in Luxemburg was geen enkele stem tegen; in Zuid-Brabant en Henegouwen was een aanzienlijke minderheid vóór de grondwet; in West- en Oost-Vlaanderen en Antwerpen hadden de neenzeggerseen verpletterende meerderheid103). De hoofdgewesten van Dietsch-België waren dus het meest wederstrevig; overeenkomst van ras en gemeenschap van taal waren volstrekt werkeloos bij deze vereeniging. Vlaanderen liet zich op sleeptouw nemen door een Franschen prelaat die zijn voorkeur voor deBourbonsgeen oogenblik verheeld had104), en in de gewesten waar de meerderheid voor de grondwet stemde geschiedde dit niet omdat men tot Holland naderen wilde, maar omdat de geest van Voltaire er was doorgedrongen. Niet datdezevereeniging verbroken is kan ons verwonderen, maar dat zij vijftien jaar heeft geduurd. Behalve op papier, heeft de scheiding nimmer opgehouden te bestaan; ja was zij eigenlijk van het papier zelf verdwenen? De bepaling der 55 tegen 55 geeft het antwoord. Die de taak op zich nemen wilde, door de mogendheden aan den vorst van het Noorden op de willige schouders gelegd, kon òf met de „vergrooting van Holland”, òf met de „innige vereeniging” ernst maken, niet met beide tegelijk. Had hij den moed niet het nieuwe rijk als een vergroot Holland, België als een barrière te administreeren, dan moest ook aan België de vertegenwoordiging naar den maatstaf der bevolking worden toegestaan. Alleen deze kon de gemeenmaking der schulden rechtvaardigen. Men zou dan tot de Belgen hebben gezegd: wij bieden u de beschikking aan over ons volksbestaan met zijn lusten en lasten, zijn overleveringen en zijn toekomst, zijn deugden en zijn gebreken. Wilde men dit niet (wee Holland, dat het ooit zou willen!), dan had men zijn handen van België af moeten houden.

26)Schlitter, Regierung Josefs II in den Österreichischen Niederlanden, I, 164.

26)Schlitter, Regierung Josefs II in den Österreichischen Niederlanden, I, 164.

27)BelgiojosoaanKaunitz, 9 Mei 1786 (Schlitter I, 159.)

27)BelgiojosoaanKaunitz, 9 Mei 1786 (Schlitter I, 159.)

28)BijSchlitter, I, 188–202.

28)BijSchlitter, I, 188–202.

29)Zie mijne„Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840”, I, 140.

29)Zie mijne„Gedenkstukken der algemeene geschiedenis van Nederland van 1795 tot 1840”, I, 140.

30)Gedenkstukken I, 141(instructie aand'Yvoy).

30)Gedenkstukken I, 141(instructie aand'Yvoy).

31)Gedenkstukken I, 145.

31)Gedenkstukken I, 145.

32)Overeenkomst met van de Spiegel's denkbeelden vertoont het vlugschrift:Wat staat ons Batavieren te doen bij het vrijworden der Belgen(Januari 1790).

32)Overeenkomst met van de Spiegel's denkbeelden vertoont het vlugschrift:Wat staat ons Batavieren te doen bij het vrijworden der Belgen(Januari 1790).

33)Renfner15 Dec. 1789(„si la chose est possible, nous ne voulons ni prince ni gouverneur”).—„Notre ambition se borne à avoir autant d'amis que de voisins, mais point de maîtres”(van Eupen aanLafayette, nieuwjaar 1790).—Gedenkstukken I, p. XLIV.

33)Renfner15 Dec. 1789(„si la chose est possible, nous ne voulons ni prince ni gouverneur”).—„Notre ambition se borne à avoir autant d'amis que de voisins, mais point de maîtres”(van Eupen aanLafayette, nieuwjaar 1790).—Gedenkstukken I, p. XLIV.

34)Gedenkstukken I, p. XLVII.

34)Gedenkstukken I, p. XLVII.

35)Naam der courant vanCamille Desmoulins.

35)Naam der courant vanCamille Desmoulins.

36)Ik meen dit te hebben aangetoond in de inleiding van het eerste deel mijner meervermeldeGedenkstukken, p. XLII vv.

36)Ik meen dit te hebben aangetoond in de inleiding van het eerste deel mijner meervermeldeGedenkstukken, p. XLII vv.

37)Gedenkstukken I, p. XLV. Voor „wel” leze men daar: „wil”.

37)Gedenkstukken I, p. XLV. Voor „wel” leze men daar: „wil”.

38)Zie voor 1795 het eerlang verschijnende tweede deel mijnerGedenkstukken; voor 1799PiotinCompte-rendu Comm. Royale, 1877.

38)Zie voor 1795 het eerlang verschijnende tweede deel mijnerGedenkstukken; voor 1799PiotinCompte-rendu Comm. Royale, 1877.

39)Gedenkstukken I, p. XXXV, 36, 43, 51–54, 463, 693–'98.

39)Gedenkstukken I, p. XXXV, 36, 43, 51–54, 463, 693–'98.

40)Sorel,l'Europe et la Révolution française, III, 154.

40)Sorel,l'Europe et la Révolution française, III, 154.

41)Gedenkstukken I, 43.

41)Gedenkstukken I, 43.

42)Gedenkstukken I, 662.

42)Gedenkstukken I, 662.

43)Borgnet,Histoire des Belges à la fin du XVIIIe siècle, II, 394.

43)Borgnet,Histoire des Belges à la fin du XVIIIe siècle, II, 394.

44)Prins sedert den dood van Willem V, 9 April 1806.

44)Prins sedert den dood van Willem V, 9 April 1806.

45)„Extension des frontières de la Hollande, soit par une sorte de nouvelleBarrièreplus efficace que l'ancienne, soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne République.”—De Prins zal afwachten,„jusqu'à quel point la Grande Bretagne croirait convenable à ses propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet état régénéré des colonies hollandaises dont Elle a fait la conquête pendant la guerre” (Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avecLord Castlereagh, le 27 avril 1813).—Dit stuk zal door mij worden uitgegeven in het vervolg der meergemeldeGedenkstukken.

45)„Extension des frontières de la Hollande, soit par une sorte de nouvelleBarrièreplus efficace que l'ancienne, soit par la réunion de quelques portions du territoire voisin de l'ancienne République.”—De Prins zal afwachten,„jusqu'à quel point la Grande Bretagne croirait convenable à ses propres intérêts de se dessaisir en faveur de cet état régénéré des colonies hollandaises dont Elle a fait la conquête pendant la guerre” (Minute des principaux points touchés par le Prince d'Orange dans son entretien avecLord Castlereagh, le 27 avril 1813).—Dit stuk zal door mij worden uitgegeven in het vervolg der meergemeldeGedenkstukken.

46)Dat van 1804, over de particuliere bezittingen van het huis van Oranje, is nimmer van kracht geworden, daar de Bataafsche Republiek op verlangen van Napoleon de ratificatie weigerde. Het was evenwel door den Prins geratificeerd.

46)Dat van 1804, over de particuliere bezittingen van het huis van Oranje, is nimmer van kracht geworden, daar de Bataafsche Republiek op verlangen van Napoleon de ratificatie weigerde. Het was evenwel door den Prins geratificeerd.

47)Vgl.Lord Malmesburyaan Fagel, 3 Dec. 1813, bij van Deventer,Het Nederlandsch Gezag over Java sedert 1811, bl. 25.

47)Vgl.Lord Malmesburyaan Fagel, 3 Dec. 1813, bij van Deventer,Het Nederlandsch Gezag over Java sedert 1811, bl. 25.

48)„Un système de gouvernement qui conciliât le vœu de la nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si puissamment sur les destinées futures de cette nation”.

48)„Un système de gouvernement qui conciliât le vœu de la nation hollandaise avec les vues des puissances appelées à influer si puissamment sur les destinées futures de cette nation”.

49)„Memorandum respecting Holland, submitted to the Powers”, einde October 1813(F. O.), in Fransche vertaling bij van Dijk,Répertoire des traités conclus par la Hollande, bl. 66.—MetF. O.,A. E.,v. M.duid ik afschriften aan in het bezit der Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, genomen naar bescheiden uit de archieven van hetForeign Officete Londen, van het departement derAffaires Etrangèreste Parijs, en uit de nalatenschap van van Maanen (Rijksarchief, den Haag). Al de dus aangehaalde stukken worden gedrukt in het vervolg mijner meervermelde uitgave.

49)„Memorandum respecting Holland, submitted to the Powers”, einde October 1813(F. O.), in Fransche vertaling bij van Dijk,Répertoire des traités conclus par la Hollande, bl. 66.—MetF. O.,A. E.,v. M.duid ik afschriften aan in het bezit der Commissie van Advies voor 's Rijks Geschiedkundige Publicatiën, genomen naar bescheiden uit de archieven van hetForeign Officete Londen, van het departement derAffaires Etrangèreste Parijs, en uit de nalatenschap van van Maanen (Rijksarchief, den Haag). Al de dus aangehaalde stukken worden gedrukt in het vervolg mijner meervermelde uitgave.

50)De Prins van Oranje aanCastlereagh, 9 Nov. 1813(F. O.).

50)De Prins van Oranje aanCastlereagh, 9 Nov. 1813(F. O.).

51)CastlereaghaanClancarty, 30 Nov. 1813(F. O.).

51)CastlereaghaanClancarty, 30 Nov. 1813(F. O.).

52)ClancartyaanCastlereagh, 17 Dec. 1813(„whether I saw any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch Government at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the Government ofH. R. H.the Prince of Orange”).

52)ClancartyaanCastlereagh, 17 Dec. 1813(„whether I saw any objection to the employment of emissaries on the part of the Dutch Government at Antwerp particularly, and in other parts of the Austrian Netherlands, for the purpose of inducing the inhabitants to declare for the Government ofH. R. H.the Prince of Orange”).

53)„The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the Allies”(Memorandum of Cabinet, 26 Dec. 1813;F. O.).

53)„The Prince of Orange to be discouraged from any attempt to extend Holland on the side of the Netherlands beyond its ancient limits, without the express consent of the Allies”(Memorandum of Cabinet, 26 Dec. 1813;F. O.).

54)„La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire”(Haagsch memorandum van 26 Dec. 1813;F. O.).

54)„La réunion de la rive gauche du Rhin jusques à la Moselle, ainsi que celle des Pays-Bas, y compris Luxembourg, peut seule donner aux Provinces-Unies, considérées comme le boulevard de l'Europe contre la France, la consistance nécessaire”(Haagsch memorandum van 26 Dec. 1813;F. O.).

55)„Que l'on promulgue que la religion catholique s'exercera comme du tems de Marie Thérèse, que jamais ils ne relèveront en fait de religion que du Saint-Père, que l'on abolisse la conscription et la gabelle, et tout ce bon et brave peuple ne demandera que de partager le bonheur d'être gouverné par un Prince d'Orange”(memorandum vanJ. C. Amman van Schwanberg, Dec. 1813; copie inF. O.).—Schrijver was een artillerie-officier, in het land gekomen in 1789 tijdens de Brabantsche omwenteling en daar blijven hangen. Hij werd in Maart 1814 door de geallieerden aan het hoofd van de artillerie van het toen opgericht Belgisch leger gesteld (zie Coremans inCompte-rendu Comm. Royale, 1847, bl. 155).

55)„Que l'on promulgue que la religion catholique s'exercera comme du tems de Marie Thérèse, que jamais ils ne relèveront en fait de religion que du Saint-Père, que l'on abolisse la conscription et la gabelle, et tout ce bon et brave peuple ne demandera que de partager le bonheur d'être gouverné par un Prince d'Orange”(memorandum vanJ. C. Amman van Schwanberg, Dec. 1813; copie inF. O.).—Schrijver was een artillerie-officier, in het land gekomen in 1789 tijdens de Brabantsche omwenteling en daar blijven hangen. Hij werd in Maart 1814 door de geallieerden aan het hoofd van de artillerie van het toen opgericht Belgisch leger gesteld (zie Coremans inCompte-rendu Comm. Royale, 1847, bl. 155).

56)Hogendorp, Br. en Ged. V, 53, 208; het antwoord van den Prinsaldaar, 480.—Vgl. ookFauchille,Une chouannerie flamande, 1813–1814 (Paris1905), bl. 122 vv.Huyttens was ondernemer der stadsverlichting te Gent.

56)Hogendorp, Br. en Ged. V, 53, 208; het antwoord van den Prinsaldaar, 480.—Vgl. ookFauchille,Une chouannerie flamande, 1813–1814 (Paris1905), bl. 122 vv.Huyttens was ondernemer der stadsverlichting te Gent.

57)CastlereaghaanClancarty, 22 Jan. 1814(F. O.).

57)CastlereaghaanClancarty, 22 Jan. 1814(F. O.).

58)„I doubt much the policy of making Holland a power of the first order, to which she would approach if she possessed the whole of these territories”(CastlereaghaanLiverpool, 22 Jan. 1814;F. O.).

58)„I doubt much the policy of making Holland a power of the first order, to which she would approach if she possessed the whole of these territories”(CastlereaghaanLiverpool, 22 Jan. 1814;F. O.).

59)SteinaanCastlereagh, 27 Jan. 1814(F. O.).

59)SteinaanCastlereagh, 27 Jan. 1814(F. O.).

60)„With respect to political connection, altho' no adjudication of new territory can take place till a peace, I see no reason why the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe”(CastlereaghaanClancarty, 1 Febr. 1814;F. O.).

60)„With respect to political connection, altho' no adjudication of new territory can take place till a peace, I see no reason why the Prince of Orange should not by emissaries or other means quietly encourage the people of the Low Countries to look to him as their future Sovereign. As far as the Meuse I think he is quite safe”(CastlereaghaanClancarty, 1 Febr. 1814;F. O.).

61)„Que le seizième siècle instruise le dix-neuvième.... Que sous Guillaume VI il nous soit réservé de réaliser les vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort. S'il est vrai ce que nos politiques de Bruxelles assurent que l'uti possidetisen sera la base, dépossédons l'usurpateur de son illégitime possession, et nous aurons une patrie”(Lettre interceptée d'un seigneur de Bruxelles à un de ses amis à Gand, 7 janvier 1814; een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bijClancartyaanCastlereagh, 5 Febr. 1814;F. O.).

61)„Que le seizième siècle instruise le dix-neuvième.... Que sous Guillaume VI il nous soit réservé de réaliser les vastes projets du premier Guillaume. Surtout ne laissons pas à des négociations de paix, toujours incertaines, le soin de fixer notre sort. S'il est vrai ce que nos politiques de Bruxelles assurent que l'uti possidetisen sera la base, dépossédons l'usurpateur de son illégitime possession, et nous aurons une patrie”(Lettre interceptée d'un seigneur de Bruxelles à un de ses amis à Gand, 7 janvier 1814; een van van Zuylen's blaadjes, gevoegd bijClancartyaanCastlereagh, 5 Febr. 1814;F. O.).

62)Hogendorp V, 54; overzicht van den inhoud bij Hymans,Hist. de la Belgique I, 53, 71.

62)Hogendorp V, 54; overzicht van den inhoud bij Hymans,Hist. de la Belgique I, 53, 71.

63)Coremans (bl. 133)enHymans (bl. 44)meenen verkeerdelijk dat het de oudste zoon, de latere Prins van Oranje, was.

63)Coremans (bl. 133)enHymans (bl. 44)meenen verkeerdelijk dat het de oudste zoon, de latere Prins van Oranje, was.

64)„Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient nullement complimenter le jeune prince d'Orange. Cette scène a fait une fâcheuse sensation”(brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814;afschriftinF. O.). Vgl.Hogendorp V, 56.

64)„Les bons Bruxellois croyaient fêter l'Angleterre, et ne pensaient nullement complimenter le jeune prince d'Orange. Cette scène a fait une fâcheuse sensation”(brief uit Brussel aan Nesselrode, 8 Febr. 1814;afschriftinF. O.). Vgl.Hogendorp V, 56.

65)ClancartyaanCastlereagh, 9 Febr. 1814(F. O.); vgl.Hogendorp V, 54.—„The Prince of Orange has been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in the Austrian Low Countries to tender the sovereignty of those provinces to him; in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are equally hostile to French rule, but who wish for the return of their old Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the consent of the Emperor who they think will consult their interests, these movements have had little effect, and indeed except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all”(ClancartyaanHamilton, 9 Febr. 1814;F. O.).—Vgl.Fauchille, bl. 180.

65)ClancartyaanCastlereagh, 9 Febr. 1814(F. O.); vgl.Hogendorp V, 54.—„The Prince of Orange has been playing the very devil in attempting to agitate the public mind in the Austrian Low Countries to tender the sovereignty of those provinces to him; in some parts among the very lowest rabble he has succeeded, but as these efforts have been directly against the opinions of the better and more respectable inhabitants, who are equally hostile to French rule, but who wish for the return of their old Government, or in default of this to be disposed of by the Allies with the consent of the Emperor who they think will consult their interests, these movements have had little effect, and indeed except in the immediate neighbourhood of General Bülow's force have scarcely appeared at all”(ClancartyaanHamilton, 9 Febr. 1814;F. O.).—Vgl.Fauchille, bl. 180.

66)Coremans, bl. 135.

66)Coremans, bl. 135.

67)„Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....; l'indépendance n'en est plus douteuse”(proclamatie van 4 Februari; Coremans bl. 133).

67)„Qu'elle renaisse cette Belgique jadis si florissante....; l'indépendance n'en est plus douteuse”(proclamatie van 4 Februari; Coremans bl. 133).

68)„To be annexed for ever to Holland as anintegralpart thereof.”

68)„To be annexed for ever to Holland as anintegralpart thereof.”

69)CastlereaghaanClancarty, 20 Febr. 1814(F. O.).

69)CastlereaghaanClancarty, 20 Febr. 1814(F. O.).

70)„Plan pour l'arrangement futur de l'Europe”, 28 April 1814(F. O.).

70)„Plan pour l'arrangement futur de l'Europe”, 28 April 1814(F. O.).

71)Heinrich von Gagern,Das Leben des Generals Friedrich von Gagern, I, 137.

71)Heinrich von Gagern,Das Leben des Generals Friedrich von Gagern, I, 137.

72)Zij waren afgevaardigd door de vergadering van 24 notabelen, die de hertog van Saksen-Weimar den 12den Februari te Brussel hadbijeengeroepen(Coremans, bl. 135).

72)Zij waren afgevaardigd door de vergadering van 24 notabelen, die de hertog van Saksen-Weimar den 12den Februari te Brussel hadbijeengeroepen(Coremans, bl. 135).

73)CastlereaghaanClancarty, 14 Maart 1814(F. O.).

73)CastlereaghaanClancarty, 14 Maart 1814(F. O.).

74)„Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la religion du peuple, de protéger son commerce contre toute entrave contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur haute influence et autorité pour procurer au peuple belgique une existence politique propre à lui assurer les avantages d'un système de gouvernement sage et libéral, jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé à conquérir”(Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814;F. O.).

74)„Les souverains alliés auront à cœur de maintenir la religion du peuple, de protéger son commerce contre toute entrave contraire à la raison et à la nature de sa position, et d'empêcher qu'on ne le charge de dettes dont en justice il ne saurait être grevé. Ils employeront leur haute influence et autorité pour procurer au peuple belgique une existence politique propre à lui assurer les avantages d'un système de gouvernement sage et libéral, jointe à une étendue de pouvoir et de ressources qui lui permette de jouir avec sécurité de la liberté et de l'indépendance qu'il est décidé à conquérir”(Note verbale adressée aux députés belges, 14 Maart 1814;F. O.).


Back to IndexNext