't Is van avond DriekoningenavondEn 't is morgen Driekoningendag.
Verwonderd bleef zij stilstaan. 't Was inderdaad Driekoningenavond en terstond herinnerde zij zich een dergelijken avond, zes jaar geleden, als Cloet, pas uit het gevang gekomen, haar schier vermoord had. Thans zou het zoo niet gaan. Dat lied klonk nu wel meer als een zang van verzoening, voor verlossing in haar oor. Zij luisterde het, tot 't einde toe glimlachend af en dan, hare deur opentrekkend, reikte zij aan een der zangertjes, een schoon, twaalfjarig meisje met diepe, zwarte oogen, eenen cent toe.
Zij kwam terug in hare keuken; maar, op het oogenblik nog eens het deksel van den ketel op te heffen, kwam het haar voor als hoorde zij een flauw, een zonderling geluid in 't nachtvertrekje. Had het gezongen liedje wellicht een der kinderen ontwaakt? 't Was beter niet, want zij hoefde met vader alleen te zijn. En stil, op hare kousen, stak zij 't deurtje open. Doch neen, alles was rustig, dáár: Jan en Pol lagen te ronken; Marie en Zulma sliepen met haar aangezichtje naast elkaar en eenzaam in zijn breed en lage bed, lag Julken, die den ganschen dag gewoeld had, steeds kalm en onbeweeglijk. Vrouw Cloet draaide 't nauw brandende lampje nog wat dieper in, week achteruit en stak het deurtje toe. Zij was nauwelijks in de keuken terug of een nieuw gejoel greep aan de voordeur plaats en hetzelfde fijn, slepend gezang weêrgalmde:
't Is van avond Driekoningenavond,En 't is morgen Driekoningendag.
En nogmaals bleef zij, als begoocheld, luisteren en gaf na 't einde van het liedje, eenen cent.
Thans waren de aardappelen klaar. Zij nam den ketel van boven den haard weg en ging er, in het achterhuis, hetsapafgieten. In het keukentjeterruggekeerdhing zij hem nog eene wijl boven 't vuur en hield er het oog op gevestigd. En, terwijl ze daar stond wendde zij nog eens en met een soort van angst het hoofd naar 't slaapkamertje om. Had daar opnieuwgeen zonderling geluid weêrklonken? Waren de kinderenbepaaldwakker? Zij nam voorgoedden ketel van het vuur, plaatste dien op de heete asch en ging terug in 't kamertje. Zij nam het lampje in de hand, draaide hetlemmetop en kwam vooruit, tusschen de bedden. Zij keek naar Jan en Pol; zij sliepen. Zij keek naar Zulma en Marie; zij sliepen ook. Dan wendde zij zich tot het kleintje om.
Het lag, steeds rustig na dien dag van groote woeling, als verzonken in het lage, breede bed. Het hoofdje was van 't hoofdkussen gezegen; de handjes, als om zich te weerhouden, hielden de deken vast en 't mondje, dat half open hing, scheen iets te willen zeggen, iets te vragen.
Vrouw Cloet, gebogen kijkend, kwam nader met haar lampje.
«Slaapt ge?» vroeg ze stil en als het ware onvrijwillig. En vlug, aan eene zonderlinge ingeving gehoorzamend, vatte zij een der handjes vast.
Verbaasd, verschrikt, wipte zij achteruit. En eensklaps, terugkomend, lei zij hare hand op 't voorhoofdje. Hare oogen gingen wijd open, eene doodsche bleekheid overdekte haar gelaat en eén enkel, in hare keel verkroppend woord ontsnapte haar:
«Dood.....»
Zij had den tijd niet aan hare gevoelens lucht te geven. Iemand had op de voordeur geklopt en toen ze diegeöpendhad, stond Cloet vóór haar.
«Hij is dood» herhaalde zij werktuigelijk terwijl haar man binnen stapte.
Cloet, onthutst, staarde haar aan. «Wiedood!» vroeg hij eindelijk en als het ware met weèrzin.
Sprakeloos, haar oogen in de zijne, wees zij met de hand naar 't kamertje. Cloet, roerloos, volgde met den blik de aangeduide richting. En na een oogenblik somber nadenken, gedurende hetwelk 't besef van de gebeurtenis in zijnen geest vanbrutenederdaalde, zette hij zijn spade in den hoek van 't schutsel en keek schuins, met begeerige oogen, naar de dampende aardappels.
Zijn vrouw, verbaasd bij zulke diepe onverschilligheid, staarde hem wachtend aan. Maar ziende dat hij naar den haard ging om zich zelf van eten te bedienen, haastte zij zich voren en dischte hem zijn maal op.
Er heerschte eene lange stilte. Cloet had zich aan de tafelneêrgezeten was begonnen te eten. Het oog in zijn bord gevestigd, at hij onverpoosd, met vollen mond, gelijk een uitgehongerd dier. Hij scheen de tegenwoordigheid zijner vrouw zelfs niet op te merken, hij ademde krachtig en luid door de neusgaten en telkenmale hij iets noodig had: wat roggebrood, een mes, een lepel saus, keek hij herhaaldelijk en schuins naar de verlangde voorwerpen, alvorens die te nemen. Zijn vrouw, bewegingloos, stond aan de overzijde van de tafel recht.
«Gij, de eerste, zult hem 't woord toesturen en u niet laten ontmoedigen indien hij uwe poging tot verzoening niet dadelijk gunstigbëantwoordt» had de pastoor haar bevolen. En angstig, tevens met de gedachtevanhet doode kind en de begeerte tot verzoening bezig, wachtte zij naar een gunstig oogenblik om het gesprekheraante knoopen. Doch dit oogenblik kwam niet en door hare gevoelens overweldigd kon zij niet langer het stilzwijgen uitstaan.
«Hij zal moeten afgelegd worden, niet waar?» vroeg ze schuchter, met de hand naar 't slaapvertrekje wijzend.
Hij mompelde iets dat zij niet kon verstaan en maakte, zonder het eten te staken, eene beweging met de schouders, alsof het hem niet aanging.
Onthutst, verschrikt, zonder hare vraag te durven herhalen, staarde zij hem aan. En na een oogenblik, in hare vrees van hem mishaagd te hebben aan het gesprek eene andere wending gevend:
«Mijnheer de pastoor is hier gisteren geweest, sprak zij en heeft gezeid dat hij u kan bezigen in zijnen tuin, nu, met het einde der maand, indien gij elders niet verhuurd zijt.»
Opnieuw knikte hij met het hoofd en stamelde iets binnensmonds, steeds etend en den blik, in zijne teil gevestigd houdend. En in de drukkende stilte welke weêrom heerschte, hoorde men voor de derde maal een dof gemurmel aan de voordeur, zoodra gevolgd van 't slepend, steeds herhaalde liedje:
't Is van avond DriekoningenavondEn 't is morgen Driekoningendag.
Noch hij, noch zij keken op, spraken een woord. Alleen Cloet, steeds etend, loerde sinds eenige stonden rechts en links over de tafel, alsof hij naar iets zocht; en schielijk zelf de stilte brekend vroeg hij, doch zonder 't oog op haar te vestigen:
«Hebt ge geen bier?»
Zij had er. Een volle kruik stond in de eetkast, die zij, in hare ontzetting, vergeten had op te disschen. Zij haalde die te voorschijn en schonk er hem een volle pint uit.Verkroptdoor zijn droog voedsel, ledigde hij die in eenen adem. Hij had gedaan met eten, hij stond op.
«Gaat geslapen?vroeg zij dof.
Hij knikte met het hoofd en stak de deur van 't nachtvertrekje open. Zij draaide 't lampje in de keuken uit en volgde hem:
«Zeg, moeten wij hem toch nietafleggen?
«'t Kan mij niet schelen!» antwoordde hij ruw. Stom volgde zij hem voortdurend op.
Sinds hij van zijne vrouw gescheiden leefde sliep hij op den zolder; en zonder eenen blik voor 't doode kind dat daar onder lag, had hij het lampje in de hand genomen en was reeds langs den steilentrap. Werktuigelijk, zonder nog een woord te durven spreken, maar het oog, doorheende sporten, onweerstaanbaar op het lijk gevestigd, volgde zij hem steeds op.
Het bed stond daar omhoog, onder de pannen; en vooraleer hij den tijd had haar te vragen wat zij er kwam doen en, mogelijk, haar heen te zenden, zette zij zich vastberaden op de spondeneèren zei, hem strak aanschouwend.
«Mijnheer de pastoor heeft het mij aldus bevolen.»
Hij zei geen woord maar zag haar aan en eene zonderlinge vlam schoot uit zijn grijze oogen. Krachtig ademend deed hij zijnekleêrenuit en toen hij in zijn hemd stond boog hij neêr en nam den nachtpot van onder 't bed. Groot en struisch, tevens gebogen en vierkant van schouders en 't hemd, boven de breede rugbladeren, door twee ronde, zwartachtige zweetvlekken bezoedeld, keerde hij haar den rug toe. Haar japon viel neêr, zij kroop onder de grauwe sargen; en toen hij, na eenige stonden onbeweeglijkheid nederboog en den nachtpot terug onder het bed schoof, blies zij het lampje uit. Alles werd pikdonker. Cloet, al tastend, kroop in 't bed en voor de eerste maal sedert zes jaren sliep hij met zijne vrouw.
1Vermoedelijk naar het Fransch «Mille noms de Dieu.».
De Bestuurder,POL DE MONT.
biezenstekker3
MAX ROOSES
Schetsenboek................................................. fr. 1 50Nieuw Schetsenboek............................................ » 1 50Derde Schetsenboek,2 dln. .................................... » 3 00Over de Alpen................................................. » 3 00Op Reis naar Heinde en Verre, prachtuitgave fr. 5 00,volksuitgave .................................................. » 2 50
REIMOND STIJNS
Ruwe Liefde, Oostvlaandersche zedenroman ...................... » 2 00In de Ton, .................................................... » 2 60Klein Leven.
H. SWARTH
Passiebloemen............................................... gld. 1 50Poëzie, op Holl. pap. ........................................ fr. 6 00Beelden en stemmen........................................... fr. 2 00Verzen,op Holl. pap. ........................................ fr. 6 00
HERMAN GORTER
Mei, een gedicht, op Holl. pap. .............................. fr. 7 60
FR. VAN EEDEN
De kleine Johannes........................................... fr. 4 00Johannes Viator.............................................. fr. 8 20Ellen........................................................ fr. 3 75
Binnenzijde van achterplat
Men teekent in bij denzelfden uitgever op:Zingende Vogels, oorspronkelijke bijdragen van Nederlandschedichters, verzameld door Pol de Mont, afleveringenvan ± 100 bl., telkens met een artistieke plaat, ex. à 2, en á ............. fr. 3 00De Vlaamsche School, geïllustreerd tijdschrift, gewijd aanfraaie kunsten en letteren;--redactie: Max Rooses. Pol de Mont,Paul Buschmann enz. per jaar ................................................ » 10 00De Toekomst, tijdschrift voor opvoeding en onderwijs, redactie:Cornette, Pol de Mont en H. Temmerman, prijs per jaargang ................... » 6 00
biezen_kaft4 (183K)
1° PRUDENS VAN DUYSE,Bloemlezing,2° LOUIS COUPERUS,Een Zieltje,3° F. DE CORT,Liederen en Gedichten,4° HOOFT,Sonetten en Liederen,5° VAN DROOGENBROECK,Poëzie,6° V.A. DE LA MONTAGNE,Landschappen en Binnenhuisjes.
Buitenzijde van achterplat
Verder zullen het licht zien dicht-en prozawerken van:J. ADRIAENSEN, ANTHEUNIS, JOAN BOHL, COENS (PENNING JR),CORNETTE,COUPERUS, DA COSTA, DAUTZENBERG, A. DE ROP, DE QUÉKER, MICHIEL DESWAEN, AM. DE VOS, DROST, EMANTS, P. FREDERIQ, J. GEEL, GEZELLE,HANNAH, HEIJE, HEMKES, HEREMANS. E. HEYMANS-HERTSFELDT, HIEL,HOFFMANN VON FALLERSLEBEN, LANGENDIJK, JAN LUYKEN, J. NOLET,AUGUSTA PEAUX, POOT, ARY PRINS, RODENBACH BOOSES, SABBE, SAUWEN,G. SEGERS, SLEECKX, A SNIEDERS, STARING. R. STIJNS, HEL. SWARTH,TEIRLINCK, TERHAAR, TOLLENS, TONY, J. F. VAN CUYCK, VAN DERCRUYSSEN VAN OYE, VERSNAEYEN, VONDEL, VUYLSTEKE, O. WATTEZ,WELLEKENS J WINKLER-PRINS, J. F. WILLEMS Sr, ZETTERNAM, ENZ., ENZ..Eerstvolgende deeltjes:BUYSSE,De BiezenstekkerHIEL,Gedichten:SLEECKX,Hoe Mien zijnBientje kreeg; J. WINKLER PRINS,Gedichten; SNIEDERS,Sneeuwvlokje;G. ANTHEUNIS,Liederen en Gedichten; DE QUÉKER.De Tjeepeeuwer;RODENBACH,Poëzie, enz.Prijs per deel: 25 Centiemen.
+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++|blz. 1|éen|wordt ook geschreven als: een, één, ||| |eèn ||blz. 2|eerbeid|eerbied ||blz. 3|weêr|wordt ook geschreven als: weer ||blz. 3|was; |was, ||blz. 3|maar een gebuur--Rosse Tjeef had|maar een gebuur--Rosse Tjeef--had ||blz. 3|tegen hem getuigd--en hij|tegen hem getuigd en hij ||blz. 4|vóór|wordt ook geschreven als: voor ||blz. 4|dáár|wordt ook geschreven als: daar, dáar ||blz. 4|al-licht|allicht, wellicht ||blz. 4|meê|wordt ook geschreven als: meè ||blz. 4|zóó|wordt ook geschreven als: zoo ||blz. 5|Keuze:|Keuze. ||blz. 5|weêrklonken|weerklonken ||blz. 5|»'t Is|«'t Is ||blz. 5|van avond|vanavond ||blz. 5|Driekoningendag, |Driekoningendag. ||blz. 5|stijl|paal ||blz. 5|de balie van eenhofgat|de omheining van een oprijlaan ||blz. 6|heur|haar ||blz. 6|zijdewegel|zijweg, zijpad ||blz. 6|stronkeligen|stronkelen: struikelen ||blz. 7|gekomen!|gekomen? ||blz. 7|dàt|wordt ook geschreven als: dat ||blz. 7|weêrlicht|weerlicht ||blz. 8|kniëen|wordt ook geschreven als: knieën ||blz. 9|trekt|Trekt ||blz. 9|weèrzin|weerzin ||blz. 10|luikermes|vouwmes met houten handvat ||blz. 10|weêrklonk|weerklonk ||blz. 10|terugkwam|terugkwam ||blz. 11|meè|wordt ook geschreven als: meê ||blz. 11|tersluips|tersluiks ||blz. 11|geëten|gegeten ||blz. 11|gëuite|geuite ||blz. 12|tevergeefs|tevergeefs ||blz. 12|voorgoed|voorgoed ||blz. 12|nutt'en|nutten: het nuttigen van voedsel ||blz. 12|verdome|verdomme ||blz. 13|wel iswaar|weliswaar ||blz. 13|Om|Op ||blz. 14|onderbleven|onderblijven: niet hoog opgroeien, ||| |niet tot zijn wasom komen, klein, ||| |achterlijk blijven. © 2007 INL. ||blz. 14|avorton|(archaïsch) misgeboorte ||blz. 14|instede|in plaats ||blz. 14|doorde|door de ||blz. 14|broêrs|broers ||blz. 14|het|"In Vlaanderen ten platte lande ||| |worden veelal de jonge lui, 't zij ||| |knapen of meisjes, met het onzijdig ||| |lidwoord het aangeduid." Nota van ||| |Cyriel Buysse in Guustje en Zieneken, ||| |1887 ||blz. 15|groes|groeze: lof, loof, stronk ||blz. 15|affecteerde|affecteren: voorgeven, den schijn ||| |aannemen ||blz. 16|exaspereerde|exaspereren: tot een uiterste opvoeren||| |verhevigen ||blz. 16|met gele sproeten vol hetaangezicht|vol gele sproeten in het aangezicht ||blz. 16|was hij achtergebleven. |was hij weggebleven. ||blz. 17|vijfcentstuk|wordt ook geschreven als: ||| |vijfcentenstuk ||blz. 17|neêrvallen|neervallen ||blz. 17|vorderpootjes|Uit het Duits - Vorderpfote: voorpoot ||blz. 17|»Vanwien|«Van wien ||blz. 18|naïefheid|naïeviteit ||blz. 19|geprovoqueerd|geprovoceerd ||blz. 19|ineens|ineens, plotseling ||blz. 20|ineens|ineens, plotseling ||blz. 20|al-licht|allicht ||blz. 20|weêrom|wordt ook geschreven als: weèrom, ||| |weerom ||blz. 20|drift|hartstocht ||blz. 22|lichje|lichtje ||blz. 22|De valekaartje|De vale klaarte? ||blz. 22|lichaamtje|lichaampje ||blz. 23|sargen|dekens ||blz. 23|zijboven|zij boven ||blz. 23|«Neen|Neen ||blz. 24|neêrgelegd|neergelegd ||blz. 24|bevol|beval ||blz. 25|zien!|zien? ||blz. 25|deksel|deken ||blz. 26|toen|dan ||blz. 27|gëavondmaald|geavondmaald ||blz. 27|zooeven|zo-even ||blz. 27|van pasgekookt|gaar ||blz. 29|sap|kookwater ||blz. 29|terruggekeerd|teruggekeerd ||blz. 29|opnieuw|opnieuw ||blz. 29|bepaald|dan tóch ||blz. 29|voorgoed|voorgoed ||blz. 29|lemmet|kaarsenpit, lampenpit, ||| |lampenkousje ||blz. 29|geöpend|geopend ||blz. 30|dood; |dood? ||blz. 30|brute|bruut ||blz. 30|neêrgezet|neergezet ||blz. 30|bëantwoordt|beantwoordt ||blz. 30|van|aan ||blz. 30|heraan|weer ||blz. 31|verkropt|kroppen: kroppend, met moeite slikken,||| |door de keel duwen ||blz. 32|slapen?|slapen?» ||blz. 32|afleggen?|afleggen?» ||blz. 32|en was reeds langs den steilentrap. |en was reeds den steilen trap ||| |beklommen. ||blz. 32|doorheen|doorheen ||blz. 32|neèr|wordt ook geschreven als: neêr ||blz. 32|kleêren|kleren |+++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++