[Inhoud]IV.MET DE MAAIERS.Luid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben.Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen.Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of schijnheilige ooievaars.Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is onvermijdelijk, dat[48]de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet komen mocht.De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is, zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig waant, bij ons een schuilplaats vinden kan.Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust, maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was een lust, om nu in „De Steertâ€, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten, tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden aanvaarden.Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk, om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is.De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen, moet niet verzuimen er op te letten.Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe ooievaarsbekken.Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten, ’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar.De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen.8585RATELAAR.8686BLAUWE OOGENTROOST.8787ROODE OOGENTROOST.8888RUIGE WEEGBREE.8989GANZEBLOEM.9090SMALBLADIGE WEEGBREE.9191KNIKKENDE DISTEL.9292AKKERDISTEL.9393KALE JONKER.9494WAMMESKNOOP.9595STEENRAKET.9696SCABIOSE.[51]De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap, kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90).Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen en waardeerden: een flink pak slaag.Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien, min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel veel boksbaard.Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel, zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs in onze rooverskeuken.Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude koekoeken op.Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben. Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren.Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant van den eersten[52]rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi afwisselen met ’t helder geel.En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen open is gedurende de morgenuren; na twaalvenvindje maar zelden nog een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster†en de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon†of ook wel „nap at noonâ€, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter.Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel waar ze eieren van Columbus verkoopen.We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen, staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is zij nog zeer welkom.Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes.Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de bloemenpracht van Zwitserland.Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver (30) maken daar nog een heel dappere vertooning.Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft niet te denken, dat ik Texel voorspreek want[53]ik ben eigenlijk een Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en West.In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel (68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie blauwe mecaniekbloemen.Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed, stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een kleine verdikking of verbreeding.Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd.Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij naar binnen wil.Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere kruiden.Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze opeens verdwenen.[54]Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer†in huis te blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede klompen of waterdicht schoeisel.Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet. Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm tehebbenafgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak.De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende.Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren, terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees. Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren ze niet van me gewoon.9797BOKSBAARD.9898VRUCHT VAN BOKSBAARD.9999HERFSTPAARDEBLOEM.100100BIGGEKRUID.101101AGRIMONIA.102102THRINCIA.103103ORANJE ZANDOOGJE.104104KOEVINKJE.105105PARELMOERVLINDER.106106ARGUSVLINDER.107107DUIZENDBLAD MET STEENHOMMEL.108108BONT ZANDOOGJE.Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend, doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan behoorlijk toegerust, er op uit gegaan,[57]juist, om eens te zien, hoe de planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige menschen „leelijk weer†is.’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd. Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer.De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels, die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al luider en luider gaan zingen.Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk tusschen de droppels.Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen bij elkaar.Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125) en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes.Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van de regendroppels afgevallen.Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen maniertje.[58]De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen afgudst, op veiligen afstand buiten het nest.O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel, die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een tweede broedsel grootbrengen.Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag. Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek.Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s. Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden.Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer heel mooi met wit zijn omzoomd.De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier, op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135) en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op één oog op elken voorvleugel.Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die houden zich overdag schuil.[59]Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen aan de onderzijde van een grasblad.Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de Septembervlinders gelegd zijn.De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes.Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115).In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven, zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet zoo’n wanhopigen stumper.Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op.[60]Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes, de dikkopjes of de groentjes hooren klagen.Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er over heen.Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren, honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort komen.Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond, maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt, dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen.Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57en58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond.109109GELE KWIKSTAART.110110BLAUWBORSTJE.111111DODAARSMAN IN PRACHTKLEED.112112BROEDEND DODAARSWIJFJE.113113TORENVALK.114114GROENE SPECHT.115115DIKKOPJE EN BLAUWTJE.116116KOMMAVLINDER.117117BLAUWTJE.118118GROENTJE.119119LANGPOOTMUG.120120BLAUWE SPRINKHAAN.[63]
[Inhoud]IV.MET DE MAAIERS.Luid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben.Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen.Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of schijnheilige ooievaars.Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is onvermijdelijk, dat[48]de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet komen mocht.De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is, zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig waant, bij ons een schuilplaats vinden kan.Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust, maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was een lust, om nu in „De Steertâ€, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten, tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden aanvaarden.Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk, om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is.De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen, moet niet verzuimen er op te letten.Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe ooievaarsbekken.Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten, ’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar.De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen.8585RATELAAR.8686BLAUWE OOGENTROOST.8787ROODE OOGENTROOST.8888RUIGE WEEGBREE.8989GANZEBLOEM.9090SMALBLADIGE WEEGBREE.9191KNIKKENDE DISTEL.9292AKKERDISTEL.9393KALE JONKER.9494WAMMESKNOOP.9595STEENRAKET.9696SCABIOSE.[51]De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap, kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90).Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen en waardeerden: een flink pak slaag.Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien, min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel veel boksbaard.Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel, zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs in onze rooverskeuken.Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude koekoeken op.Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben. Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren.Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant van den eersten[52]rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi afwisselen met ’t helder geel.En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen open is gedurende de morgenuren; na twaalvenvindje maar zelden nog een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster†en de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon†of ook wel „nap at noonâ€, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter.Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel waar ze eieren van Columbus verkoopen.We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen, staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is zij nog zeer welkom.Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes.Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de bloemenpracht van Zwitserland.Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver (30) maken daar nog een heel dappere vertooning.Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft niet te denken, dat ik Texel voorspreek want[53]ik ben eigenlijk een Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en West.In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel (68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie blauwe mecaniekbloemen.Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed, stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een kleine verdikking of verbreeding.Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd.Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij naar binnen wil.Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere kruiden.Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze opeens verdwenen.[54]Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer†in huis te blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede klompen of waterdicht schoeisel.Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet. Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm tehebbenafgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak.De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende.Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren, terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees. Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren ze niet van me gewoon.9797BOKSBAARD.9898VRUCHT VAN BOKSBAARD.9999HERFSTPAARDEBLOEM.100100BIGGEKRUID.101101AGRIMONIA.102102THRINCIA.103103ORANJE ZANDOOGJE.104104KOEVINKJE.105105PARELMOERVLINDER.106106ARGUSVLINDER.107107DUIZENDBLAD MET STEENHOMMEL.108108BONT ZANDOOGJE.Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend, doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan behoorlijk toegerust, er op uit gegaan,[57]juist, om eens te zien, hoe de planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige menschen „leelijk weer†is.’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd. Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer.De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels, die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al luider en luider gaan zingen.Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk tusschen de droppels.Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen bij elkaar.Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125) en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes.Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van de regendroppels afgevallen.Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen maniertje.[58]De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen afgudst, op veiligen afstand buiten het nest.O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel, die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een tweede broedsel grootbrengen.Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag. Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek.Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s. Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden.Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer heel mooi met wit zijn omzoomd.De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier, op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135) en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op één oog op elken voorvleugel.Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die houden zich overdag schuil.[59]Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen aan de onderzijde van een grasblad.Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de Septembervlinders gelegd zijn.De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes.Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115).In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven, zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet zoo’n wanhopigen stumper.Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op.[60]Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes, de dikkopjes of de groentjes hooren klagen.Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er over heen.Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren, honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort komen.Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond, maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt, dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen.Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57en58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond.109109GELE KWIKSTAART.110110BLAUWBORSTJE.111111DODAARSMAN IN PRACHTKLEED.112112BROEDEND DODAARSWIJFJE.113113TORENVALK.114114GROENE SPECHT.115115DIKKOPJE EN BLAUWTJE.116116KOMMAVLINDER.117117BLAUWTJE.118118GROENTJE.119119LANGPOOTMUG.120120BLAUWE SPRINKHAAN.[63]
IV.MET DE MAAIERS.
Luid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben.Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen.Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of schijnheilige ooievaars.Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is onvermijdelijk, dat[48]de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet komen mocht.De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is, zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig waant, bij ons een schuilplaats vinden kan.Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust, maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was een lust, om nu in „De Steertâ€, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten, tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden aanvaarden.Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk, om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is.De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen, moet niet verzuimen er op te letten.Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe ooievaarsbekken.Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten, ’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar.De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen.8585RATELAAR.8686BLAUWE OOGENTROOST.8787ROODE OOGENTROOST.8888RUIGE WEEGBREE.8989GANZEBLOEM.9090SMALBLADIGE WEEGBREE.9191KNIKKENDE DISTEL.9292AKKERDISTEL.9393KALE JONKER.9494WAMMESKNOOP.9595STEENRAKET.9696SCABIOSE.[51]De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap, kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90).Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen en waardeerden: een flink pak slaag.Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien, min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel veel boksbaard.Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel, zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs in onze rooverskeuken.Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude koekoeken op.Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben. Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren.Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant van den eersten[52]rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi afwisselen met ’t helder geel.En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen open is gedurende de morgenuren; na twaalvenvindje maar zelden nog een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster†en de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon†of ook wel „nap at noonâ€, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter.Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel waar ze eieren van Columbus verkoopen.We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen, staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is zij nog zeer welkom.Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes.Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de bloemenpracht van Zwitserland.Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver (30) maken daar nog een heel dappere vertooning.Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft niet te denken, dat ik Texel voorspreek want[53]ik ben eigenlijk een Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en West.In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel (68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie blauwe mecaniekbloemen.Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed, stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een kleine verdikking of verbreeding.Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd.Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij naar binnen wil.Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere kruiden.Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze opeens verdwenen.[54]Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer†in huis te blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede klompen of waterdicht schoeisel.Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet. Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm tehebbenafgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak.De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende.Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren, terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees. Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren ze niet van me gewoon.9797BOKSBAARD.9898VRUCHT VAN BOKSBAARD.9999HERFSTPAARDEBLOEM.100100BIGGEKRUID.101101AGRIMONIA.102102THRINCIA.103103ORANJE ZANDOOGJE.104104KOEVINKJE.105105PARELMOERVLINDER.106106ARGUSVLINDER.107107DUIZENDBLAD MET STEENHOMMEL.108108BONT ZANDOOGJE.Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend, doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan behoorlijk toegerust, er op uit gegaan,[57]juist, om eens te zien, hoe de planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige menschen „leelijk weer†is.’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd. Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer.De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels, die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al luider en luider gaan zingen.Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk tusschen de droppels.Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen bij elkaar.Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125) en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes.Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van de regendroppels afgevallen.Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen maniertje.[58]De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen afgudst, op veiligen afstand buiten het nest.O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel, die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een tweede broedsel grootbrengen.Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag. Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek.Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s. Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden.Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer heel mooi met wit zijn omzoomd.De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier, op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135) en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op één oog op elken voorvleugel.Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die houden zich overdag schuil.[59]Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen aan de onderzijde van een grasblad.Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de Septembervlinders gelegd zijn.De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes.Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115).In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven, zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet zoo’n wanhopigen stumper.Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op.[60]Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes, de dikkopjes of de groentjes hooren klagen.Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er over heen.Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren, honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort komen.Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond, maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt, dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen.Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57en58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond.109109GELE KWIKSTAART.110110BLAUWBORSTJE.111111DODAARSMAN IN PRACHTKLEED.112112BROEDEND DODAARSWIJFJE.113113TORENVALK.114114GROENE SPECHT.115115DIKKOPJE EN BLAUWTJE.116116KOMMAVLINDER.117117BLAUWTJE.118118GROENTJE.119119LANGPOOTMUG.120120BLAUWE SPRINKHAAN.[63]
L
uid ratelt de maaimachine door ’t hooiland. De zwaluwen zwermen er om heen en vinden een gemakkelijke en rijke buit in ’t gewriemel van de wolken van vliegen en mugjes, die uit het vallend gras worden opgeschrikt. Boven de zwaluwen staan hoog in de lucht de jammerende kievieten, grutto’s en tureluurs, die hun jongen bedreigd zien, of die zelfs nog een laat legsel te bebroeden hebben.
Wij maken het dien vogels niet gemakkelijk. Tot den eersten Mei mogen ze volgens de wet van hun eieren beroofd worden, en als ze dan goed en wel eindelijk rustig opnieuw een poging meenen te kunnen wagen, komt die maairamp. Geen wonder, dat dan velen het opgeven en die trekken dan naar de duinen en heide, om daar nog eens opnieuw een kansje te wagen.
Zoo komt het dan, dat wij menigmaal in de Julimaand de kieviet of de grutto nog broedend vinden op hooge heete duinhellingen. Maar het ergste is nog, dat de honderden van jonge vogels uit hunne schuilplaatsen worden verdreven en zoo zij al niet vernield worden door zeis of maaimachine, gevaar loopen van gemakkelijk overweldigd te worden door roofvogels, hermelijnen, bunsings, ratten, egels en spitsmuizen, om niet eens nog te gewagen van de boerenkatten of schijnheilige ooievaars.
Dat is allemaal heel treurig, maar er is weinig aan te doen. ’t Is onvermijdelijk, dat[48]de beesten in ’t gedrang komen. Je zoudt eigenlijk een soort van vluchtheuveltjes moeten aanleggen, waar de maaier niet komen mocht.
De Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten probeert zoo iets. Zij heeft op ’t eiland Texel in het midden van den rijken hooipolder Waal en Burg een stuk hooiland gekregen, groot zeven hectaren. Daar wordt nu pas gemaaid, eenige weken nadat de rest van den polder gemaaid is, zoodat gedurende dien tijd alles wat op de kale velden zich onveilig waant, bij ons een schuilplaats vinden kan.
Verleden zomer ben ik daar eens gaan kijken. Ons stuk lag nog in rust, maar overal elders in den polder waren ze druk aan ’t hooien. Het was een lust, om nu in „De Steertâ€, zoo heet ons bezit, naar jonge vogels uit te zien. Het zat er letterlijk vol van. In iederen vierkanten meter vond je een jonge vogel weggedoken; meeuwen, sterntjes, kievieten, tureluurs, grutto’s, kluiten, pleviertjes, kemphanen (54), van heel jong af tot bijna vlug. De ouden kwamen ze behoorlijk opzoeken en voeren. Aan den oever van een plas, vlak in de buurt dartelden al eenige honderden jongen rond, die al op eigen beenen konden staan en met een week of drie hun eerste reis naar verre streken zouden aanvaarden.
Natuurlijk is het voor die waadvogels en zwemvogels nog al gemakkelijk, om aan het gevaar te ontkomen; ze kunnen loopen, zoodra ze uit ’t ei komen, of ten minste een korten tijd daarna. ’t Komt er dus alleen maar op aan, of er een veilige schuilplaats in de buurt is.
De leeuweriken, piepers en kwikstaartjes hebben het echter moeilijker en daarvan gaat ook menig broedsel verloren. Intusschen heeft men waargenomen, dat bij ’t naderend gevaar de oude vogels met hutje en mutje verhuisden en heel cordaat hun jongen wegsjouwden naar betere oorden. Wie in de gelegenheid is, om dergelijke avonturen bij te wonen, moet niet verzuimen er op te letten.
Natuurlijk hebben de planten nog meer van ’t maaien te lijden dan de vogels, doch daar denkt niemand om. Toch heb ik wel eens spijt, als ik de mooie hooge ganzebloemen (89) zie vallen en de blauwe ooievaarsbekken.
Gelukkig zijn de meeste er op berekend, om zoo’n zomerschen tegenspoed te boven te komen. Sommige hebben juist tegen dien tijd hun zaden gerijpt, andere hebben het voornaamste deel van hun lichaam onder den grond en vervangen het afgemaaide gedeelte weer door nieuwe spruiten, ’t zij nog in denzelfden herfst, ’t zij in ’t volgend voorjaar.
De schok van de machine, de stoot van de zeis rukt de bepluisde vruchten los van paardebloem (36) of boksbaard (97) en op hun groote parachuten zweven die zelfs met het zachte zomerkoeltje nog honderden meters ver en kunnen juist op de afgemaaide plekken gemakkelijk den grond bereiken, waar hun zaden zullen ontkiemen.
8585RATELAAR.8686BLAUWE OOGENTROOST.8787ROODE OOGENTROOST.8888RUIGE WEEGBREE.8989GANZEBLOEM.9090SMALBLADIGE WEEGBREE.
8585RATELAAR.
85
RATELAAR.
8686BLAUWE OOGENTROOST.
86
BLAUWE OOGENTROOST.
8787ROODE OOGENTROOST.
87
ROODE OOGENTROOST.
8888RUIGE WEEGBREE.
88
RUIGE WEEGBREE.
8989GANZEBLOEM.
89
GANZEBLOEM.
9090SMALBLADIGE WEEGBREE.
90
SMALBLADIGE WEEGBREE.
9191KNIKKENDE DISTEL.9292AKKERDISTEL.9393KALE JONKER.9494WAMMESKNOOP.9595STEENRAKET.9696SCABIOSE.
9191KNIKKENDE DISTEL.
91
KNIKKENDE DISTEL.
9292AKKERDISTEL.
92
AKKERDISTEL.
9393KALE JONKER.
93
KALE JONKER.
9494WAMMESKNOOP.
94
WAMMESKNOOP.
9595STEENRAKET.
95
STEENRAKET.
9696SCABIOSE.
96
SCABIOSE.
[51]
De paardebloem is ieders vriend, de konijnen smullen van zijn sappig lof, leverzieke menschen eten zijn molsla op hoop van beterschap, kinderen maken kettingen en krulstukken van zijn stengels, allerlei gedierte gaat te gast op zijn bloemen. Alleen het proper renteniertje verwenscht de plant, omdat hij hinderlijk wordt in ’t gave gazonnetje van den tuin. Om dezelfde reden haat hij de smalbladige weegbree (90).
Maar meer nog houd ik van de boksbaard (97), hoofdzakelijk alweer, om de herinnering aan mijn kinderjaren, maar toch ook wel om zijn botanische eigenschappen. Toen wij jongens waren van een jaar of tien hadden wij nog al eens reden, om ons te beklagen over de hardhandigheid van ouders of onderwijzers, die ons meestal verkeerd begrepen. Zij meenden het niet te mogen billijken, wanneer wij eens in een speelsche bui een heusche ezel in de school dreven of wanneer wij op ons eigen houtje wegbleven van catechesatie. Dat liep dan meestal uit op strafwerk of vermaningen, of op wat wij altijd nog het beste begrepen en waardeerden: een flink pak slaag.
Daartegen kwamen wij dan weer in verzet en wij stichtten een soort van club, om vrij te leven en onafhankelijk van onze ouders in ons levensonderhoud te voorzien. We wilden ons eigen kostje ophalen en in den zomer ging dat ook tamelijk wel en hielden we reusachtige maaltijden van aardappelen, gebraden onder de asch, wilde aardbeien, min of meer toebereide paling, die we zelf hadden gevangen, en ook heel veel boksbaard.
Die noemden we toen geen boksbaard, maar koekoeken en wij aten de heele plant, rauw. De melkrijke wortel werd van zijn zwarten schil ontdaan en de jonge malsche zijtakken waren al dadelijk eetbaar en smaakten overheerlijk, zoet en sappig en geurig. Ik geloof eigenlijk, dat de boksbaard ook wel echt als groente gekweekt is; in ieder geval is hij zeer na verwant aan de schorzeneeren. Bij Grave groeide hij veel, zoover de vette Maasklei reikte en we hebben er honderden van opgepeuzeld; met de gepiepte aardappelen was het de voornaamste spijs in onze rooverskeuken.
Natuurlijk is onze club verloopen, zooals ’t met alle clubs ten slotte gaat. Ook hebben onze ouders nooit gemerkt, dat we buitenshuis veel aten; er kon altijd nog wel meer bij. Doch nu, bijna veertig jaar later, peuzel ik nog dikwijls een versch spruitje van onze oude koekoeken op.
Ik ben anders niet zoo heel erg meer ingenomen met het kauwen van grassprietjes, het eten van graankorrels uit de aar en dergelijke liefhebberijen. Het is namelijk bij die gelegenheden mogelijk, dat je schimmelkiempjes in je krijgt, die zeer gevaarlijke ontstekingen teweeg kunnen brengen. Je krijgt dan een soort van veeziekte, die straalschimmel heet en dikwijls een doodelijk verloop kan hebben. Vergenoeg je daarom maar liever met de gebruikelijke eetwaren.
Ook zonder al die snoeperij is de boksbaard nog altijd een weideplant van den eersten[52]rang. Zijn stengels en bladeren, knoppen en bloemen, ze zijn allemaal even mooi van vorm en kleur. De open bloem is veel levendiger dan de paardebloem, doordat het aantal der afzonderlijke bloempjes niet zoo groot is, terwijl de donkere meeldraden mooi afwisselen met ’t helder geel.
En ’t aardigst van alles is wel de omstandigheid, dat de bloem alleen open is gedurende de morgenuren; na twaalvenvindje maar zelden nog een open boksbaardbloem. Hij heet dan ook zeer gepast „morgenster†en de Engelschen noemen hem: „John go to bed at noon†of ook wel „nap at noonâ€, wat je zoudt kunnen vertalen door middagdutter.
Waarom die bloem zich nu zoo gedraagt, dat weet niemand, ’t is alweer een van de vele duizenden bijzonderheden uit ’t leven der bloemen, die wij nog hebben te onderzoeken. ’t Komt er alleen maar op aan, om de zaak op de goede manier aan te pakken. Doch er is geen enkele winkel waar ze eieren van Columbus verkoopen.
We zien nog eens uit naar andere hooge bloemen, die moeten vallen onder de zeis. In de allerbeste weilanden, die de hoogste pacht opbrengen, staan de minste mooie bloemen; ’t is daar voor meer dan 90% gras, en dat is maar goed ook. De middelsoort hooilanden echter zijn al bonter en als die bontheid afkomstig is van klaversoorten, of wikken dan is zij nog zeer welkom.
Wat is die vogelwikke (69) een prachtige plant met zijn fijn verdeelde bladeren en de rijke trossen van paarse vlinderbloempjes.
Een van mijn allermooiste herinneringen is die aan een ritje in den regen, dat ik verleden zomer deed langs een hoogen dijk op Texel. ’t Was vlak voor den hooitijd en de hooilanden van Westergeest waren op zijn mooist: geel van de boterbloemen, rood van de zuring maar bovenal blauw van de wikke, zoo diep blauw, dat ik moest denken aan de bloemenpracht van Zwitserland.
Ik ben toen naar den eigenaar van dat hooiland gegaan, om hem te vragen, wat voor wikkesoort hij daar gezaaid had, of wat voor kunstgrepen hij had verricht, om ze zoo mooi te krijgen, doch kreeg tot mijn groote vreugde geen ander bescheid, dan dat het de gewone vogelwikke was en dat het land geen enkele bijzondere bewerking had ondergaan. De edele vochtige Texelsche lucht, de zon, die daar door geen rook of stof wordt verduisterd, hadden die bloemen hun diepe tint geschonken. Zelfs de kleine gele klavertjes, steenklaver en hopklaver (30) maken daar nog een heel dappere vertooning.
Ook het gedoornd stalkruid (71), dat nu juist niet zoo’n graag geziene gast in de weiden is, heeft er veel mooiere en kleuriger bloemen. Wie dat niet gelooven wil, moet het zelf maar eens gaan zien, ge behoeft niet te denken, dat ik Texel voorspreek want[53]ik ben eigenlijk een Limburger en houd dolveel van ons heele land, Noord, Oost, Zuid en West.
In Oost-Nederland geven de weiden op plantkundig gebied wel eens verrassingen. In Limburg langs de Maas vond ik heele weiden bedekt met mooie langstengelige sleutelbloemen (19) en met Haarlems klokkenspel (68), dat hier veel meer de klokjesvorm vertoonde dan bij Haarlem, want zijn bloempjes waren enkel. Elders weer groeit de mooie weide-ooievaarsbek, die wel een meter hoog wordt en in Juli zijn rijpe zaden ver in ’t rond slingert, of ook wel de salie (81) met zijn mooie blauwe mecaniekbloemen.
Dat is weer een bloem, om mee te spelen, maar ook om je over te verwonderen. ’t Is een lipbloem, dus familie van de doovenetel, en de hondsdraf. Nu hebben die lipbloemen of labiaten in den regel vier meeldraden, maar die salie heeft er twee en dan nog heel gekke. In plaats van een gewoon gevormde helmknop, draagt iedere helmdraad een soort van wip. Op ’t eene eind van die wip zit een goed, stuifmeelhoudend helmknopje, aan ’t andere eind is niets anders dan een kleine verdikking of verbreeding.
Nu komt er een hommel om honig. Hij steekt zijn kop in de bloem, want hij moet nog al ver reiken, om met zijn langen tong den diep liggenden honig te bereiken. Doordat hij buitengewoon vlijtig is en ook min of meer zwak van gezicht, heeft hij geen erg in de onderstukken van de wip en daar bonkt hij nu op zijn onbeholpen hommelmanier tegen aan. De wip gaat nu wippen met dit gevolg, dat ’t andere uiteinde, dat met ’t stuifmeelhoudende helmknopje, uit de bloem naar voren wipt en naar beneden en ten slotte met een vaartje terecht komt op den harigen rug van den hommel, die zoodoende met stuifmeel wordt bepoeierd.
Al die Saliehommels krijgen zoodoende bestoven ruggen. Intusschen groeien ook de stijlen van de bloem uit, die worden heel lang en boogvormig zoodat de stempels juist komen te staan midden voor den ingang van de bloem, precies waar de hommel langs moet schuiven als hij naar binnen wil.
Zoo krijgt dan die stempel stuifmeel in overvloed, de zaden kunnen zich gaan vormen en de salie kan zich uitzaaien. Toch komt de plant nergens in grooten overvloed voor, ’t is, of de kiemplantjes geen gelegenheid hebben, om zich behoorlijk te ontwikkelen. Erg is dat niet, want ik geloof niet, dat ’t vee bijzonder belust is op die droge bittere kruiden.
Als al die mooie bloemen in vollen bloei staan, dan dansen op windstille dagen duizenden vlindertjes boven de bonte wei. Zoo gauw het een beetje waait, of erger nog, als de regen gaat striemen, dan zijn ze opeens verdwenen.[54]
Wie dan eens gaat zoeken, kan aardige dingen te zien krijgen. Wij zijn eigenlijk veel te veel geneigd, om bij „leelijk weer†in huis te blijven. Eigenlijk bestaat er geen leelijk weer, vooral niet voor gezonde en frissche jongelui, die zich verheugen in ’t bezit van goede klompen of waterdicht schoeisel.
Misschien is dat ook niet eens noodig. Een nat pak hindert niet. Wanneer je maar weer bijtijds een droog pak kan aantrekken na je ferm tehebbenafgewreven zijn een aantal natte pakken op den duur zelfs te verkiezen boven nooit heelemaal geen nat pak.
De vele honderden gietbuien, die al over mij zijn uitgestort, hebben mij nooit gedeerd. Wel ben ik doodziek geworden, toen ik eens een winter bijna niet buiten kwam en aldoor maar binnenshuis hard zat te werken tot laat na middernacht. Toen ik weer beter was, waarschuwde de dokter mij, dat ik weer zou instorten, als ik nat regende.
Natuurlijk kreeg ik toen een week daarna een gietbui te verduren, terwijl ik rondwandelde tusschen de beide Slufters, ergens op het Texelsche strand, een uur ver van de naastbijzijnde woning. Ik schrok wel een beetje, doch stapte maar gauw naar De Koog, dronk een paar koppen heete thee, leende een droge jekker en liet me vlug naar Den Burg rijden. Uitkleeden, afwrijven, Zondagsche pak en klaar was Kees. Alleen keken mijn vrienden de Texelaars een beetje vreemd, doordat ze me midden in de week met een gekleede jas zagen rondloopen, dat waren ze niet van me gewoon.
9797BOKSBAARD.9898VRUCHT VAN BOKSBAARD.9999HERFSTPAARDEBLOEM.100100BIGGEKRUID.101101AGRIMONIA.102102THRINCIA.
9797BOKSBAARD.
97
BOKSBAARD.
9898VRUCHT VAN BOKSBAARD.
98
VRUCHT VAN BOKSBAARD.
9999HERFSTPAARDEBLOEM.
99
HERFSTPAARDEBLOEM.
100100BIGGEKRUID.
100
BIGGEKRUID.
101101AGRIMONIA.
101
AGRIMONIA.
102102THRINCIA.
102
THRINCIA.
103103ORANJE ZANDOOGJE.104104KOEVINKJE.105105PARELMOERVLINDER.106106ARGUSVLINDER.107107DUIZENDBLAD MET STEENHOMMEL.108108BONT ZANDOOGJE.
103103ORANJE ZANDOOGJE.
103
ORANJE ZANDOOGJE.
104104KOEVINKJE.
104
KOEVINKJE.
105105PARELMOERVLINDER.
105
PARELMOERVLINDER.
106106ARGUSVLINDER.
106
ARGUSVLINDER.
107107DUIZENDBLAD MET STEENHOMMEL.
107
DUIZENDBLAD MET STEENHOMMEL.
108108BONT ZANDOOGJE.
108
BONT ZANDOOGJE.
Na dien tijd ben ik alweer ik weet niet hoe dikwijls kletsnat geregend, doordat ik de waarschuwingen van den barometer en van mijnheer van Beukenslot in den wind had geslagen en nog vaker ben ik, maar dan behoorlijk toegerust, er op uit gegaan,[57]juist, om eens te zien, hoe de planten en de dieren zich gedragen, wanneer het volgens sommige menschen „leelijk weer†is.
’t Allereerste, wat je treft is, dat ze om zoo te zeggen lang niet zoo gauw hun paraplu opsteken als wij, enkele fijngevoelige uitgezonderd. Als ’t volgens ons vrij hard regent, is ’t voor hen nog mooi weer.
De eereprijsjes houden nog lang hun blauwe kijkertjes open, zonder te knipoogen. De hommels en bijen gaan onverstoorbaar hun gang en vogels, die aan ’t zingen waren, zingen lustig voort; er zijn er wel, zooals de zanglijster, de merel en de groote lijster, die tegen de bui in al luider en luider gaan zingen.
Als ’t nu wat lang aanhoudt, komt er verandering. Het eerst gaan de vlindertjes schuil en alleraardigst is het, om te zien, hoe slim ze zich weten te beschutten. De mooie blauwtjes (117) en de gele hooibeestjes (128) vinden al voldoende beschutting door aan de lijzijde van een grasblad te gaan zitten, hun vleugeltjes stijf omhoog tegen elkaar gedrukt. Ze zijn dan zoo smal als een mes en schuilen letterlijk tusschen de droppels.
Andere zoeken het wat dieper, en als er langs de wei hagen of boschjes te vinden zijn, dan fladdert alles daarheen om aan den drogen kant van boomstammen of takken of onder de groote bladeren van klis en wilde zuring een schuilplaats te zoeken. Je vindt dan heel vreemde gezellen bij elkaar.
Ik weet altijd wel een stuk of wat hommelnesten en wespennesten (125) en amuseer mij dan dikwijls met toe te zien, hoe in een flinke regenbui alles holderdebolder naar ’t nest komt vliegen. Heele troepen geel-met-zwarten komen dan uit de lucht vallen, meer dan er in eens door ’t vlieggat naar binnen kunnen gaan en dan krijg je voor den ingang een formeel gedrang van kletsnatte werkstertjes.
Eindelijk houdt het op, maar dan zijn ze nog niet allemaal binnen; wie wat te ver van huis door de bui overvallen zijn, zitten dan in gezelschap van allerlei lotgenooten uit te blazen onder het klissenblad in de heg. Daar zitten nu de vlindertjes van de wei, de zandoogjes en de knollewitjes (12) broederlijk naast vlindertjes van de heg, de hagedoornvlinder (137) en ’t gele distelvlindertje (136). Als je nu rondkijkt in de wei, dan is er veel veranderd. Madeliefjes en paardebloemen hebben zich gesloten, de pinksterbloemen hebben hun nachtstand aangenomen, de eereprijsjes hebben ook hun bloemsteeltjes gebogen en de bloemkroontjes van den derden dag zijn door den schok van de regendroppels afgevallen.
Merkwaardig is het, dat maar heel weinig planten nat worden. Het blijkt nu, dat de meeste een oliejasje dragen of een harig kleed, waar ’t water wel in droppels aan kan blijven hangen, maar bij ’t minste stootje wordt afgeschud. Haast iedere plant heeft daarvoor zijn eigen maniertje.[58]
De vogels, die eieren of jongen hadden, zijn bij ’t feller worden van de bui dadelijk naar ’t nest gesneld. Daar zitten ze nu, den kop ingetrokken, de borstveeren een weinig naar voren geheven, de vleugels even afhangend en zoo vormen ze een volmaakt dak, waarlangs de regen afgudst, op veiligen afstand buiten het nest.
O, dat is zoo mooi. Is de bui niet al te streng, dan zitten ze nog gelaten rond te kijken, maar als ’t hagelt, dan knippen ze met de oogen, of ze doen hun oogen heelemaal dicht. Je ziet dan de hagelkorrels veerkrachtig terugspringen van hun veeren. Er zijn er wel, die zich laten doodhagelen op ’t nest, andere geven het eindelijk op en nemen de wijk, en dan sterven de jongen een ijzigen dood. Toch is ’t zoo ’t beste, want dan kan de oude vogel, als ’t nog tijd is, weer een tweede broedsel grootbrengen.
Zoo gauw de hemel opklaart, komen alle vluchtelingen weer voor den dag. Op stille plekjes kan het dan wemelen van vlindertjes, al heb ik dat in ons land dan ook nog niet zoo mooi gezien als op sommige Zwitsersche weiden, waar heel dikwijls meer vlinders dan bloemen zijn, en dat wil heel wat zeggen, want aan bloemen is daar heusch geen gebrek.
Toch kan het bij ons ook nog al schikken, maar die vlindertjes van de wei zijn op enkele uitzonderingen na lang zoo bont en kleurig niet als de vlinders van wegzoom en boschkant, zooals de vannessa’s en page’s. Ze zijn meest bruin en geel van kleur, hun voornaamste sieraad bestaat hierin, dat ze op de vleugels een of meer ronde zwarte vlekjes hebben met een wit kerntje in ’t midden, soms ook met een kringetje er om heen en aan deze bescheiden tooi hebben ze dan den naam van zandoogjes te danken. ’t Is heusch de moeite wel waard, ze te leeren onderscheiden.
Eén soort is er, die heeft niet minder dan vier duidelijke oogjes op de achtervleugels en nog twee op de voorvleugels en ’t lijkt ons volkomen in den haak, dat een zoo veeloogig vlindertje in vele talen den naam van argusvlinder (106) draagt. Hij houdt van licht en zon en is waarschijnlijk in verband daarmee meer oranje dan bruin, in tegenstelling met zijn verwant, het bonte zandoogje (108), die van de schaduw houdt en somberder van tint is, terwijl hij zich meestal tevreden moet stellen met niet meer dan een drietal oogjes op elken achtervleugel. ’t Moet echter gezegd worden, dat de oogjes vaak weer heel mooi met wit zijn omzoomd.
De andere zandoogjes moeten het met nog minder oogjes stellen, althans op de bovenzij van de vleugels. Het koevinkje (104) heeft er nog vier, op elke vleugel een, soms zelfs tweemaal zooveel, maar het bruine (135) en het oranje zandoogje (103) kunnen meestal op niet meer bogen, dan op één oog op elken voorvleugel.
Ik wensch u van harte toe, dat ge al deze zandoogjes eens te zien krijgt en ge kunt ook wel eens uitkijken naar de rupsen, doch die houden zich overdag schuil.[59]Ze zijn grijs of groen of okerkleurig met donkere lengtestreepen, ’s nachts komen ze aan ’t gras knagen en als ze verpoppen, dan komen ze met het spitse uiteinde van de pop te hangen aan de onderzijde van een grasblad.
Het meest gewone grasvlindertje is het hooibeestje (128), dat ook bij de zandoogjes behoort, maar zijn oogjes, één op elken voorvleugel, zijn meestal alleen maar te zien aan den onderkant van de vleugels. Den heelen zomer door vliegt dit diertje in de wei, van Mei tot in September. De rupsen, groen, met donkere zijdestreep, zijn al eerder te vinden, ze komen in Maart al uit de eieren, die door de Septembervlinders gelegd zijn.
De hooibeestjes van Mei sterven spoedig, doch dan hebben ze al eitjes gelegd en daaruit ontstaan de vlinders, die in Augustus en September vliegen. De vlinders, die in Juli vliegen, zijn wellicht afkomstig van eitjes van Septembervlinders, die wat laat uitkomen. Zoo krijg je dan in den loop van een zomer driemaal een versche voorraad hooibeestjes.
Soms vindt ge, al wandelend door het hooiland, een stuk of zes grassprietjes aan elkander vastgesponnen, vooral de zachtharige blaadjes van de wollige witbol. Peuter je dat gevalletje open dan buitelen er een stuk of vier, soms meer koddige kleine rupsjes uit, die heel grappig naar alle kanten tusschen ’t gras wegkruipen. Misschien ook vindt ge geen rupsjes maar een klein popje, doch in ieder geval hebt ge dan te doen met jeugdige dikkopjes (115).
In de groote vacantie komen de vlindertjes te voorschijn, kleine gele beestjes met een voor dagvlinders nog al dik lichaam. Er vliegen meest twee soorten, de eene heeft nagenoeg effen gele vleugels met een zwarten zoom, de andere heeft breede zwarte zoomen om de vleugels en op de voorvleugel zwarte vlekken; die in den voorvleugelhoek lijken wel op oogvlekken. Deze laatste vlinder heet ook wel commabeestje (116), doch ik noem ze maar door elkander dikkopjes en loop ze in de vacantie graag na van bloem tot bloem. In Mei en Juni zoek ik wel naar hun poppen, om te kijken of ik nog wel geduld genoeg heb en scherp genoeg kan uitkijken. Meestal is de uitkomst bedroevend en moet ik het opgeven, zonder iets te hebben gevonden. Doch als ik er eens eentje vind en zie hoe verbazend kunstig het smalle popje ingesponnen is in de grasblaadjes, dan ben ik toch alweer tevreden en vind ik mijzelf niet zoo’n wanhopigen stumper.
Er vliegen ook groene vlindertjes door de wei en als die gaan stilzitten, dan zijn ze opeens uit het oog verdwenen. De twee, die ’t meest voorkomen, zullen wij maar noemen het groote groentje (118) en het kleine groentje (126); ge vindt ze ’t meest, waar veel vlinderbloemen in ’t hooiland staan, want daar leven hun rupsen op.[60]
Ge zoudt al licht denken, dat de rupsen van al deze vlinders heel wat schade in het hooiland doen, doch dat valt nog al mee; ik heb nog nooit over de blauwtjes, de vuurvlindertjes, de zandoogjes, de hooibeestjes, de dikkopjes of de groentjes hooren klagen.
Doch er zijn nog wel andere, die een minder goede reputatie hebben. In huis of in school achter gordijnen vindt ge wel eens een tamelijk groote vlinder, die er met zijn rechte grijze bovenvleugels in rust eenvoudig genoeg uitziet, maar als hij gaat vliegen, dan vertoont hij twee prachtige gele achtervleugels met een breeden zwarten streep er over heen.
Dit is de huismoeder of geelbanduil (138), je ziet hem ’t meest in zomer en herfst. Zijn rups is groenachtig bruin met heel mooie schuine vlekken en die lust zoowat van alles, maar liefst gras. De oude vlinder legt dan ook zijn eitjes meestal aan de toppen van grasbladeren, honderden en honderden vlak tegen elkander, zoodat het grasblad er geheel en al mee bedekt raakt. Als al die eitjes rupsen leverden en al die rupsen volwassen werden, dan zou de koe er stellig bij te kort komen.
Toch is deze geelbanduil nog lang de ergste niet; hij heeft een verwant, de uil van de aardrups en dat is een van de allerschadelijkste rupsen, die er zijn. Die rups verschuilt zich overdag in den grond, maar in plaats van dan behoorlijk een dutje te doen, knaagt hij aan de graswortels en aan de onderaardsche stengels en wanneer de avond daalt, dan komt hij te voorschijn, om ook nog een groen blaadje te peuzelen.
Gelukkig dat het maaien zelf een middel brengt tegen deze plaag. Zoo gauw het gras in rijen ligt komen allerlei vogels tusschen het zwad gebruik maken van de gelegenheid. De torenvalk (113) komt er den heelen dag muizen (142) vangen. Een boschvogel, de groene specht (114) komt er de mierennesten uitpikken. De zwarte aaskever (9) komt om larven en slakken. De roeken (60) leiden er hun kroost heen dat juist vlug begint te worden. Ook komen heele zwermen jonge spreeuwen (49) opzetten, nog heelemaal in ’t grijze jongenspak en zonder een enkel sprankje van den glans, waarmee ze later zullen pronken, terwijl hun ouders al beginnen het witgespikkelde winterkleed aan te trekken (51). En in de hooilanden aan den zeekant komen goudplevieren in zomer en in winterkleed (57en58), langbeenige grijze grutto’s (59) en wulpen bij twintigtallen rondstappen over de kaalgeschoren vlakte. Al die vogels zijn trouwe vrienden van den boer, want den heelen langen zomerdag en een goed deel van den nacht doen ze niet anders dan insecten en ander schadelijk gedierte zoeken en verdelgen, zoowel onder als boven den grond.
109109GELE KWIKSTAART.110110BLAUWBORSTJE.111111DODAARSMAN IN PRACHTKLEED.112112BROEDEND DODAARSWIJFJE.113113TORENVALK.114114GROENE SPECHT.
109109GELE KWIKSTAART.
109
GELE KWIKSTAART.
110110BLAUWBORSTJE.
110
BLAUWBORSTJE.
111111DODAARSMAN IN PRACHTKLEED.
111
DODAARSMAN IN PRACHTKLEED.
112112BROEDEND DODAARSWIJFJE.
112
BROEDEND DODAARSWIJFJE.
113113TORENVALK.
113
TORENVALK.
114114GROENE SPECHT.
114
GROENE SPECHT.
115115DIKKOPJE EN BLAUWTJE.116116KOMMAVLINDER.117117BLAUWTJE.118118GROENTJE.119119LANGPOOTMUG.120120BLAUWE SPRINKHAAN.
115115DIKKOPJE EN BLAUWTJE.
115
DIKKOPJE EN BLAUWTJE.
116116KOMMAVLINDER.
116
KOMMAVLINDER.
117117BLAUWTJE.
117
BLAUWTJE.
118118GROENTJE.
118
GROENTJE.
119119LANGPOOTMUG.
119
LANGPOOTMUG.
120120BLAUWE SPRINKHAAN.
120
BLAUWE SPRINKHAAN.
[63]