Vier en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. De oorlog in de Rijnstreken. Mendoza’s wreedheid. De Haneveeren. Slappe wijze van oorlogvoeren. Oorlog in het Duitsche rijk. De veldtocht tegen Duinkerken. Isabella’s karakter. De slag bij Nieuwpoort. Maurits’ schitterende overwinning. Hare weinig beteekenende gevolgen. Oneenigheid tusschen Maurits en Oldenbarneveld. Beleg van Ostende. Ambrosius Spinola. Ostende door de Spanjaarden en Sluis door de Nederlanders veroverd. De oorlog ter zee. De handel met Lissabon door Philips II verboden. Poging om een noordelijke doorvaart te vinden. Ontluikend handelsverkeer met Oost-Indië. Philips II verbiedt den handel met Spanje. Stichting der Oost-Indische compagnie. Vredesonderhandelingen. Prins Maurits en de oorlogspartij. Oldenbarneveld’s bemoeiingen tot het sluiten van een wapenstilstand. Vermoeden, dat Oldenbarneveld was omgekocht. Het twaalfjarig bestand. Erkenning van de vrije Nederlanden.De dood van Philips II oefende op den oorlog in de Nederlanden geen noemenswaardigen invloed uit, de Staten-Generaal gevoelden zich daardoor volstrekt niet genoopt om vrede te sluiten, dewijl de koning immers reeds vroeger zijne souvereiniteitsrechten aan zijne dochter afgestaan had. Zij wilden noch aan den Duitschen, noch aan den Spaanschen tak van het huis Oostenrijk onderworpen zijn. Bovendien meenden die weinigen, die wellicht niet ongenegen zouden geweest zijn om de heerschappij van den Duitschen tak te erkennen, dat de geheele overdracht van het land aan Isabella Clara Eugenia niets anders dan eene staatkundige tooneelvertooning geweest was, dewijl het niet waarschijnlijk was, dat de 32jarige infante nog kinderen zou krijgen en de Nederlanden dus in elk geval na Isabella’s dood weer aan Spanje en wèl aan den alles behalve uitstekenden Philips III zouden komen.De oorlog werd dus voortgezet, hoewel de Nederlanders bijna uitsluitend op hunne eigene krachten moesten vertrouwen. Hendrik IV van Frankrijk, die met Spanje vrede gesloten had, kon hen slechts van ter zijde ondersteunen en ook koningin Elisabeth van Engeland zond geene nieuwe hulptroepen, zij liet slechts die, welke zich reeds in het land bevonden, daar blijven.Aartshertog Albertus, die zijne vredesvoorslagen van de hand gewezen zag, besloot den oorlog uit alle macht door te zetten; hij kon dit des te eerder doen, dewijl hij nu niet langer genoodzaakt was om terzelfder tijd Frankrijk en de Nederlanden te bestrijden. Don Francisco de Mendoza ontving het bevel, om met een volgens de begrippen van dien tijd machtigleger langs den benedenloop van den Rijn in het hart der republiek door te dringen. Wel telde zijn geheele leger niet meer dan 22,000 man voetvolk en 2000 ruiters, maar machtig was het toch in zekeren zin, dewijl prins Maurits niet meer dan 6000 man voetvolk en 1500 ruiters daar tegenover stellen kon.Met zulk eene geringe krijgsmacht een slag in het open veld te aanvaarden, zou de dwaasheid zelve zijn geweest. Hij koos, volgens zijne gewoonte, met juisten blik eene goede stelling, die hem tegen elken aanval beveiligde en hem toch de gelegenheid verschafte om ter juister tijd tot bescherming van het eene of andere bedreigde punt toe te snellen, namelijk, een klein eiland tusschen de armen van den Rijn, waar deze, in de Nederlanden vallende, zich in twee armen splitst. Van hieruit kon hij de grenzen des lands dekken, den vijand den toevoer afsnijden en hem hierdoor verzwakken. De eerstvolgende gebeurtenissen bewezen, dat hij goed gezien had.Het Spaansche leger, dat uit huurbenden van alle natiën samengesteld was, werd ten gevolge van zijne losbandigheid, van zijne roof- en plunderzucht, de schrik der inwoners van de Duitsche rijkslanden, welke het doortrok. Het hertogdom Cleve leed onuitsprekelijk onder de strooptochten van deze woeste, met alle tucht spottende benden. Ten einde leven, have en goed te redden, vereenigden de edelen, burgers en boeren van Cleve zich tot vliegende legertjes, die een verdelgingsoorlog tegen de bloeddorstige, roofzuchtige Spanjaarden voerden. Naar de haneveren, die zij als herkenningsteeken op den hoed droegen en die men coquards noemde, werd later elk aan het hoofddeksel gedragen teeken tot in onze dagen toe eene kokarde genoemd. De Haneveeren brachten in dezen kleinen oorlog den Spanjaarden zeer gevoelige verliezen toe; zij sneden hun den toevoer van levensmiddelen af en dreven hen menigmaal zeer in de engte, terwijl zij prins Maurits, die onder zijne troepen eene voortreffelijke krijgstucht onderhield, bereidvaardig ondersteunden.In weerwil van zijne overmacht kon Mendoza in den veldtocht van 1598 geene voordeden op Maurits behalen; wel nam hij gedurende den oorlog, die grootendeels op Duitsch grondgebied gevoerd werd, eenige steden in, doch hierdoor deed hij den haat, welken de Duitschers buitendien reeds tegen zijne met orde en tucht spottende soldaten koesterden, slechts te meer aangroeien. Op groote voordeelen kon echter ook Maurits zich niet beroemen, dewijl het hem, in weerwil van de dringende aanzoeken, door hem tot de Staten gericht, niet gelukte eenige noemenswaardige versterking te verkrijgen. In de noordelijke Nederlanden toch morde het volk reeds sinds lang over de ontzaglijke oorlogskosten; de zware belasting werd niet dan met grooten tegenzin betaald. Alleen in Holland vond de prins gehoor, hier werden op zijne vertoogen de noodige maatregelen tot vermeerdering van zijne strijdkrachten genomen. 4000 Franschen, 2000 Duitschers en 1000 Zwitsers werden door de Staten aan het leger van Maurits toegevoegd en ook de ruiterij ontving eene aanzienlijke versterking.Nadat op deze wijze het Nederlandsche leger aanzienlijk vermeerderd was, meenden de Staten, dat het thans tijd was om aanvallender wijze te werk te gaan. Wanneer Mendoza in het open veld verslagen werd, kon er wellicht spoedig een einde gemaakt worden aan den oorlog.Maurits van Nassau was van een ander gevoelen en hij liet zich ookdoor den aandrang der Staten daarvan niet afbrengen. Hij rekende er op, dat de muiterij, waartoe de Spaansche soldaten maar al te zeer geneigd waren, het leger des vijands op den duur verzwakken zou. Het voordeel van een gewonnen slag kon voor de Nederlanders nooit opwegen tegen de schade, welk eene nederlaag hun berokkenen kon; buitendien wist hij, dat de protestantsche rijksvorsten van Duitschland, vertoornd over het schenden van den rijksvrede door de Spanjaarden, den tragen keizer Rudolf tot een oorlog tegen Spanje zouden aanzetten. Dit geschiedde inderdaad. Het besluit tot den oorlog werd genomen, doch zoo jammerlijk uitgevoerd, dat de Nederlanders hieruit volstrekt geen voordeel trokken. Maurits zelfs nam gedurende den weinig belangrijken veldtocht van 1599 schier uitsluitend eene verdedigende houding aan.Belangrijker was in dit opzicht het jaar 1600. Maurits had thans een leger van 12.000 man voetvolk en 3000 ruiters onder zijne bevelen; daarmee kon hij, naar het oordeel der Staten, iets beters doen dan alleen verdedigender wijze te werk te gaan; op nieuw spoorden zij hem aan tot eene aanvallende beweging. Maurits moest, zeiden zij, den oorlog naar Vlaanderen overbrengen en in de eerste plaats de vesting Duinkerken veroveren, ten einde deze gewichtige haven aan de Nederlanders terug te geven. In Duinkerken toch vonden Spaansche kapers, die den Zeeuwschen en Hollandschen handel belemmerden, eene veilige schuilplaats voor de Nederlandsche kruisers, die hen vervolgden. De Zeeuwen drongen derhalve op de verovering van Duinkerken aan en de Staten van Holland ondersteunden hunne aanzoeken.Prins Maurits was nog volstrekt niet geneigd om tot eene aanvallende beweging over te gaan, ook zijn bloedverwant, graaf Willem Lodewijk, noemde de onderneming zeer dwaas, dewijl eene overwinning slechts een vluchtig voordeel, eene nederlaag daarentegen den ondergang van den staat ten gevolge hebben zou. Zelfs wanneer men Duinkerken veroverde, verdienden zij, die de onderneming hadden aangeraden, toch de scherpste berisping, dewijl zij het lot van het geheele land aan een zijden draad wilden ophangen.Zulke redeneeringen, hoe welgemeend en weldoordacht zij ook waren, konden toch de oorlogszuchtige en op verovering beluste leiders der Nederlandsche staatkunde niet overtuigen; de aandrang der Staten werd zoo sterk, dat Maurits eindelijk wel toegeven moest, hoewel hij openlijk verklaarde, slechts eene zeer flauwe hoop op een gunstigen uitslag te koesteren.De Staten hadden naar de steden Brugge en Gent geschreven en haar de vriendschappelijke betrekking herinnerd, waarin zij vroeger tot de noordelijke gewesten gestaan hadden; doch hunne woorden vond geen weerklank meer. Brugge nam van den aartshertog Albertus bezetting in en toen het Nederlandsche leger voorbijtrok, brandden de burgers het geschut op hunne voormalige vrienden los. De Vlaamsche boeren betoonden zich nog vijandiger: zij vermoordden de Hollandsche achterblijvers; uit weerwraak deden de Nederlanders meer dan één Vlaamsch dorp in vlammen opgaan.Zonder eenigen noemenswaardigen tegenstand te ontmoeten, kon Maurits zijn leger zuidwaarts tot voor het stadje Nieuwpoort voeren, hetwelk hij veroveren moest, om zich den weg naar Duinkerken te banen.Bijna scheen het dat de Staten gelijk hadden gehad, toen zij Maurits’ bedenkingen tegen hun aandrang tot een aanvallenden oorlog ongegrondnoemden: de aanvang van den veldtocht was zeer gelukkig en scheen de macht van Albertus ernstig in gevaar te brengen. Onder zijne troepen heerschte muiterij wegens voortdurende slechte betaling, zij weigerden te vechten; de inneming van Nieuwpoort en Duinkerken scheen kort op handen.In dezen hachelijken toestand waren het de moed en de geestkracht eener vrouw, die den aartshertog hulp aanbrachten. Zijne gemalin, de infante Isabella, geleek in vele opzichten op hare naamgenoot, Isabella de Katholieke: zij had hare geestkracht en hare standvastigheid in het ongeluk geërfd; bovendien was zij algemeen bemind, dewijl zij door zachtheid, mildheid en rechtvaardigheid de harten wist te winnen.Isabella wendde zich zelve tot de muitende soldaten. Zij sprak hen met innemende vriendelijkheid toe, hield hun voor, dat het de vijand van hunne godsdienst en van hun vaderland was, tegen wien zij ten strijde waren geroepen en verzekerde hun, dat hunne soldij uitbetaald zou worden. „Liever,” riep zij uit, op hare gouden oorversierselen wijzende, „wil ik deze, ja al mijne sieraden ten offer brengen dan dulden, dat zulken braven krijgslieden hun loon onthouden wordt.”De oude Spaansche soldaten, die de bevelen hunner officieren met bedreigingen beantwoord hadden, lieten zich door de roerende bede eener vrouw bewegen; onder het aanheffen van den kreet: „Leve de Infante!” grepen zij naar de wapenen en rukten zij, ongeveer 12.000 man sterk, met versnelden marsch naar Nieuwpoort op.Maurits zag eensklaps een sterken vijand tegenover zich. Zijn toestand was zeer hachelijk. Voor zich had hij de vesting Nieuwpoort en in den rug het aanrukkend Spaansche leger. Aan de voortzetting van het beleg van Nieuwpoort viel niet te denken, want hij had nog geen tijd gehad om eene goed verschanste legerplaats aan te leggen. Vooruit kon hij dus niet en achterwaarts kon hij alleen dan, wanneer hij zich door het Spaansche leger heensloeg; want zijn eenige uitweg was hem afgesneden, nadat de Spanjaarden graaf Ernst Casimir van Nassau, den jongeren broeder van Willem Lodewijk, die de brug bij Leffingen had moeten bezetten, met een gevoelig verlies hadden afgeslagen.Het is zoo, de terugtocht kon nog over zee beproefd worden, maar eene inscheping in het gezicht van den vijand was in Maurits’ oog zoo gevaarlijk, dat hij daarvan terstond afzag. In dezen gevaarlijken toestand leverde hij het bewijs, dat hij, wanneer het noodig was, ook zeer goed in staat was om een schier vermetel waagstuk te ondernemen. Hij spoorde zijn broeder, den 15jarigen Frederik Hendrik en eenige Engelsche en Duitsche heeren, die zich in zijn leger bevonden aan, om zich op de schepen, die leeftocht en krijgsbehoeften hadden aangevoerd, in veiligheid te stellen, maar allen verklaarden, dat zij met hem wilden overwinnen of sterven.Nadat Maurits dit antwoord ontvangen had, gaf hijdenvloot bevel om weg te zeilen; hij liet zijnen troepen daardoor geene andere keus dan overwinnen of sterven: de kans om zich op de vloot te kunnen redden, zou wellicht bij eene ongunstige wending van den slag, menigen lafaard tot de vlucht verleid hebben, doch was deze hoop verijdeld, dan moesten de Nederlandsche soldaten zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen, wilden zij zich niet aan de trouwlooze en wreede Spanjaarden overgeven. Bovendien dreigde het gevaar, dat de bezetting van Nieuwpoort de schepen, zoo zij op de reede bleven liggen, in brand steken zou.Na het wegzenden van de vloot bereidde Maurits alles tot den beslissenden slag voor, en den 2enJuli 1600 had deze plaats. Maurits behaalde eene schitterende overwinning: de Spanjaarden werden met een verlies van 3000 man op de vlucht gedreven, terwijl de Nederlanders slechts 1000 man verloren. Onder de gevangenen bevond zich ook Mendoza, de trotsche Spaansche veldheer, die—evenals de aartshertog—met zekerheid op de overwinning en op de geheele vernietiging van het Nederlandsche leger gerekend had. Ook de aartshertog werd gewond.De slag bij Nieuwpoort is een der meest beroemde wapenfeiten uit den Nederlandschen vrijheidsoorlog. Hij leverde een nieuw bewijs voor de dapperheid van het Nederlandsche leger en voor het veldheerstalent van Maurits; maar een ander voordeel, dan dat de prins zich den weg naar de Nederlanden ontsloten had, leverde hij niet op. Maurits moest zelfs het beleg van Nieuwpoort opbreken, daar hij zich niet aan een tweeden aanval van het Spaansche leger blootstellen mocht.Daags na den slag begaf Maurits zich naar Ostende, de havenstad, die zich toen nog in de handen der Nederlanders bevond. Hier ontmoette hij een aantal afgevaardigden der Staten, o. a. ook Oldenbarneveld.De prins zeide tot deze heeren in tamelijk heftigebewoordingen, dat zij het geweest waren, die hem en zijn leger naar de slachtbank hadden gevoerd en dat alleen Gods genade redding aangebracht had. Het kwam tot eene heftige woordenwisseling en van dien dag af is, naar men meent, de vroeger zoo warme vriendschap tusschen Maurits en den advocaat van Holland verkoeld.Tegen het einde van Juli keerde Maurits uit Vlaanderen naar Holland terug. De andere krijgsgebeurtenissen van het jaar 1600 en van de volgende jaren beteekenden zeer weinig, dewijl de Spanjaarden al hunne krachten wijdden aan de driejarige belegering van Ostende, die in het jaar 1601 een aanvang nam.De inneming van die stad was in het oog van den aartshertog Albertus eene zaak van het hoogste belang. Ostende was voor de Nederlanders het natuurlijk steunpunt van een inval in Vlaanderen, terwijl die haven in de handen der Spanjaarden de beste gelegenheid zou aanbieden om den Zeeuwschen en Hollandschen handel te verontrusten.De Nederlanders spanden al hunne krachten in om de gewichtige stad te behouden; maar tengevolge van de geldverlegenheid, door den langdurigen oorlog teweeg gebracht, en van den tegenzin, waarmee een groot deel der gewesten, die den eindeloozen strijd moede waren, de oorlogslasten droeg, konden zij geen leger op de been brengen, dat prins Maurits in staat stelde om Ostende te ontzetten.Drie jaren lang verdedigde de stad zich met eene schitterende dapperheid; doch ook even dapper streden de Spanjaarden, die in den markies Ambrosio Spinola uit Genua een uitstekend aanvoerder hadden gekregen.Aan Spinola was het te danken, dat er orde in het geldelijk beheer en in de legerinrichting der Spaansche gewesten kwam, dat de muiterij, waardoor de kracht van den aartshertog telkens op nieuw verlamd werd, ophield en dat het beleg van Ostende eindelijk met de meeste kracht doorgezet worden kon.Den 2enSeptember 1604 gaf de stad zich eindelijk over. Van de 7000 man sterke bezetting waren slechts 3000 man overgebleven, wien vrije aftocht werd toegestaan.Deze belegering had den Spanjaarden vreeselijke offers aan geld en menschenlevens gekost, men berekent dat in den loop van drie jaren 72000 Spanjaarden onder de muren der stad gebleven zijn. En wat had men daarvoor gewonnen? Een armzalige puinhoop, eene ledige stad, waaruit de inwoners—allen ijverige protestanten—uitweken. Zelfs het doel, dat men zich met de inneming voorgespiegeld had, werd niet eens bereikt, want kort te voren had Maurits het sterke Sluis in Vlaanderen, nabij de Zeeuwsche kust, veroverd, eene plaats die van niet minder gewicht was dan Ostende, en Zeeland zelfs nog beter dekte. De verovering van het geheele westelijke deel van Vlaanderen, voor zoover het aan Zeeland grensde, verhoogde nog de waarde van het bezit van Sluis en troostte de Nederlanders over het verlies van Ostende.Terwijl deze gebeurtenissen gedurende de laatste jaren te land voorvielen, was ook de zee getuige van meer dan één belangrijk feit. Overal waar Nederlandsche en Spaansche schepen elkaar ontmoetten, vielen hevige gevechten voor, die met de grootste verbittering en met meedoogenlooze wreedheid gevoerd werden. De Hollanders plachten den Spaanschen gevangenen na zulke gevechten de voeten te spoelen, d. i. hen zonder plichtplegingen in zee te werpen en te verdrinken. De Spanjaarden waren in hunne wreedheid nog meer verfijnd; zij martelden de gevangenen dikwijls op eene afgrijselijke wijze, eer zij hen ter dood brachten.Van belang voor de wereldgeschiedenis waren de meeste dezer grootere of kleinere zeegevechten niet, maar zij droegen het hunne er toe bij om de Nederlandsche zeemacht zoo te ontwikkelen, dat zij later in de geschiedenis van Europa eene hoogst belangrijke rol spelen kon. Tot het jaar 1584 hadden de Nederlanders zich om den transatlantischen handel weinig bekommerd; de onstuimige begeerte naar avontuurlijke reizen in vreemde landen, naar veroveringen in andere werelddeelen, die de overige zeevarende volken, inzonderheid de Spanjaarden en Portugeezen, bezielde, was den kalm berekenenden Hollanders en zeelieden vreemd gebleven. De Nederlandsche kooplieden achtten het veel voordeeliger, de vruchten der Spaansche en Portugeesche ontdekkingen te plukken, dan zelven op ontdekkingen uit te gaan. Uit Lissabon haalden zij de kostelijkste voortbrengselen van Oost en West en voerden die den overigen Europeeschen volken toe.Tot het jaar 1584 duurde de vrije handel der Nederlanders met Portugal in weerwil van den oorlog voort. In dat jaar verbood echter Philips alle verkeer tusschen de beide landen, in de meening, dat hij daardoor den oproerigen gewesten een doodelijken slag toebracht. Reeds sinds lang had er een zeer levendig handelsverkeer tusschen de Nederlanders en de bewoners van noordelijk Rusland bestaan. Genen waren daardoor met de noordelijke zeeën bekend geworden en thans ontwierpen zij het stoute plan om eene noordelijke doorvaart naar het Oosten te zoeken, ten einde langs dien weg zelfstandig den handel te drijven, dien zij tot dusver alleen door tusschenkomst der Portugeezen gevoerd hadden.De onderneming mislukte; meer dan ééne poging stuitte af op onoverkomelijke bezwaren, doch zij leidden tot belangrijke ontdekkingen in de noordelijke zeeën, waardoor de Hollanders zich groote verdiensten ten aanzien van de aardrijksbeschrijving dier onherbergzame streken verworven hebben.Gelukkiger waren andere stoutmoedige zeelieden, die langs den gewonenweg naar Oost-Indië voeren en daar met de inlandsche vorsten handelsverbintenissen aanknoopten; wel vonden ook velen hunner in die verwijderde landen den dood, doch anderen keerden met roem overladen naar hun vaderland terug en de door hen behaalde voordeelen prikkelden hunne landgenooten tot navolging; in het jaar 1601 ondernamen reeds 22 schepen uit Hollandsche havens de reis naar Indië.Philips II had door het verbieden van den handel met Portugal den Nederlandsche scheepvaart geene schade toegebracht, maar haar een nieuwe vlucht doen nemen. Den handel op Spanje had hij niet durven verbieden, dewijl hij wist, dat hij daardoor de welvaart van zijn eigen land nog meer dan die der Nederlanders fnuiken zou. Hij liet daarom den handel tusschen de Spanjaarden en de oproerige gewesten toe. Zijn opvolger Philips III daarentegen besloot den Hollanders ook den handel op Spanje te verbieden, terwijl Albertus en Isabella tegelijk alle handelsverbintenissen der Nederlanders met België ophieven.De Nederlanders beantwoordden deze maatregelen met een verbod van allen handel op Spanje en Spaansche havens, niet alleen voor hunne eigene maar ook voor alle onzijdige schepen, zij verklaarden, dat zij elk naar eene Spaansche haven bestemd schip als vijandig, en de daarin geladene goederen als vijands goed beschouwen en behandelen zouden. Tegelijk verdubbelden zij hunne krachtsinspanning, om een rechtstreeks verkeer met Indië tot stand te brengen en daar volkplantingen te stichten. In den loop van enkele jaren breidde zich tengevolge daarvan de Indische handel reeds over den Archipel der Hindoe-eilanden, de Molukken, Ceylon en een deel van Achter-Indië uit. De Indische vorsten en volken beschouwden de Hollanders grootendeels als hunne natuurlijke bondgenooten tegen de gehate Portugeezen, en sloten gaarne met hen verdragen; al vielen er ook hier en daar vijandige botsingen met de inlanders voor, toch groeide de invloed der Hollanders in Indië onophoudelijk aan, vooral sinds een gezantschap van een Indisch vorst in Europa aangekomen en door prins Maurits op de schitterendste wijze ontvangen was. De gezanten wisten na hunne terugkomst in hun vaderland, door de schildering van de macht der Nederlanders, vele Indische vorsten voor een bondgenootschap met hen te winnen.Tot dusver was de Indische handel door bijzondere vereenigingen gevoerd, die natuurlijk als mededingers naast elkander waren opgetreden; het kon niet anders, of hierdoor was de prijs der Europeesche waren in Indië en die der Indische waren in Europa meer dan eens gedrukt en de goede uitslag eener reis verijdeld. Deze mededinging was in het oog der Staten bedenkelijk; zij meenden den voor het moederland zoo gewichtigen handel op Indië te moeten regelen; eene samensmelting van de bestaande Indische handelslichamen was in hun oog noodzakelijk, ten einde de gevaarlijke mededinging uit te sluiten. Voornamelijk op raad en aansporing van Oldenbarneveld, werd in het jaar 1602 de Vereenigde Oost-Indische compagnie gesticht, en aan dat lichaam het uitsluitend recht om op Indië handel te drijven voor den tijd van 21 jaren verleend. Tevens ontving zij het recht om verbintenissen met vreemde vorsten aan te gaan en oorlog te voeren en vrede te sluiten, alles in naam van de Staten-Generaal. De compagnie, aan wier hoofd het regeerende collegie van Indië stond, was alzoo eene handelsvereeniging met uitgebreide staatkundige rechten. In de compagnie bezat Amsterdam de helft, Zeeland een vierde en Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen te zamen ook een vierde van het getal aandeelen.Uit deze verdeeling blijkt, welk een trap van bloei de handel van Amsterdam in die dagen reeds bereikt had.Na de stichting van de Oost-Indische compagnie, namen de handel en de colonisatie der Nederlanders in Indië eene ongekende vlucht. De schatten van Indië werden van nu af naar de Nederlanden en van daar in den Europeeschen handel gebracht. De Spaansche en Portugeesche handel daarentegen begon dagelijks sterker te kwijnen en op zijne herleving bestond er geene hoop, zoolang de oorlog met de Nederlanders duurde.Deze vreeselijke oorlog, door een paar kleine oproerige provinciën jaren achtereen met nooit verlamde geestkracht en onwrikbare volharding tegen het wereldrijk Spanje gevoerd, had reeds millioenen bij millioenen verslonden en nog was het einde daarvan niet te zien. Spanje’s geldmiddelen waren uitgeput, vorst en volk waren den krijg moede en smachten dus naar den vrede. Ook Albertus koesterde denzelfden wensch. Al had Spinola door zijn veldheerstalent zijnen wapenen meer dan eene overwinning verschaft en door zijne belangeloosheid en zelfopoffering voorshands de muiterij in het leger onderdrukt, toch meende de aartshertog een eervollen vrede boven dezen vreeselijken oorlog te moeten verkiezen. De hoop op de onderwerping der oproerige gewesten had hij bijna opgegeven, ja hij vreesde zelfs, dat bij een ongelukkigen uitslag van den strijd een deel der Spaansche Nederlanden weder voor den koning zou verloren gaan.In het begin van het jaar 1607 zond Albertus twee gezanten tot prins Maurits, Willem Lodewijk van Nassau en Oldenbarneveld, als de drie invloedrijkste mannen der republiek om met hen over het sluiten van den vrede te onderhandelen.In de Nederlanden waren de gevoelens zeer verdeeld over de vraag, of het beter was, den oorlog voort te zetten dan wel den vrede te sluiten. Aan het hoofd der oorlogspartij, waartoe de dweepzieke protestantsche predikanten en een groot deel der lagere volksklasse behoorden, stond prins Maurits. Hij had goede gronden voor de voortzetting van den oorlog aan te voeren. Zoowel Spanje’s schatkist—zeide hij—als de kracht van het volk was uitgeput, zijn handel verlamd, zijn crediet diep geschokt. Indien men thans vrede sloot, dan zou de Spaansche trouwloosheid daarvan slechts gebruik maken om nieuwe kracht voor een lateren oorlog te verzamelen. Een vijand, die van het beginsel uitging, nooit zijn woord te houden, kon men niet vertrouwen.Zulke staatkundige redeneeringen waren volstrekt niet van grond ontbloot: de vredespartij hechtte daaraan echter minder gewicht, omdat Maurits belang het voortzetten van den oorlog medebracht. Zoolang deze duurde, was de prins de invloedrijkste man in den staat, terwijl hij, zoodra de vrede gesloten was, op ééne lijn zou komen te staan met andere aanzienlijke personen. Aan het hoofd der vredespartij, waartoe de rijke handelaars, al de patriciërs der steden en vele edellieden behoorden, stond Oldenbarneveld. Deze wees er op, dat de republiek geheel alleen stond in den oorlog, waarin zij hare beste krachten verspilde. In vredestijd zou de handel nog hooger vlucht nemen en zouden de staatsinstellingen der jeugdige republiek bevestigd worden.Oldenbarneveld wenschte oprechtelijk den vrede, wellicht omdat hij toen reeds vreesde, dat Maurits van Nassau, door eerzucht verleid, zijn in den oorlog steeds aangroeienden roem zou misbruiken om de republikeinsche staatsregeling omver te werpen. Doch in weerwil hiervan dacht’s lands advocaat er volstrekt niet aan, vrede te verlangen tot elken prijs, hij wilde slechts zulk een vrede sluiten, waarvan de erkenning van de onafhankelijkheid der republiek den grondslag uitmaakte. Hij wist het door te zetten, dat althans de onderhandelingen met Spanje en den aartshertog Albertus geopend werden. De koning van Frankrijk en de koningin van Engeland boden hiertoe hunne bemiddeling aan en Hendrik IV zond zelf den president Jeannin, een bekwaam staatsman, naar den Haag. Ook Spinola begaf zich derwaarts en werd op de eervolste wijze ontvangen, daar zijne verdiensten door vriend en vijand erkend werden.De onderhandelingen werden in den beginne met tamelijk goeden uitslag gevoerd; tot een vredesverdrag konden zij echter niet leiden, want twee eischen, door de Spaansche gezanten gesteld, waren in de schatting der Nederlanders volstrekt onaannemelijk. De erkenning van de vrijheid en onafhankelijkheid der republiek zegden de gezanten toe, ook de heropening van de Spaansche havens werd door hen niet geweigerd, maar daarvoor eischten zij, dat de Staten den handel op Indië zouden opgeven en dat den Nederlandschen katholieken vrije uitoefening van hunnen eeredienst zou worden vergund.Over den eersten eisch ging een kreet van verontwaardiging op onder den geheelen handelsstand, die overigens schier eenstemmig den vrede voorstond. Dezen voordeeligen handel, die ten koste van zoovele offers aan geld en menschenlevens, tot een hoogen trap van bloei gebracht was, waaraan de Nederlanders in de laatste jaren het snel aangroeien van hun rijkdom dankten, kon en mocht men niet opgeven. De kooplieden drongen er integendeel op aan, dien verder uit te breiden, ook in Brazilië volkplantingen te stichten en eene West-Indische compagnie te vormen, ten einde ook in Spaansch-America vasten voet te krijgen.De vrijheid van eeredienst der katholieken vond een even heftigen tegenstand bij de streng-gereformeerden; nog was de tijd der ware verdraagzaamheid niet gekomen. Willem van Oranje had gedurende zijn leven te vergeefs zijn best gedaan om katholieken en protestanten tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen en na dien tijd was in den bloedigen krijg de geloofshaat, helaas! nog aangegroeid.De beide eischen der Spaansche gezanten werden dus onvoorwaardelijk van de hand gewezen en tengevolge hiervan sprongen in Augustus 1608 de vredesonderhandelingen af.Zou de oorlog thans met verdubbelde woede hervat worden? Daar tegen verklaarde Hendrik IV van Frankrijk zich krachtig; hij wenschte, dat ten minste een wapenstilstand voor een zeker aantal jaren zou worden gesloten. Zijne liefde tot den vrede was echter niet geheel belangeloos; de geheime ondersteuning, door hem tot dusver den Nederlanders verleend, was hem tot een last; in weerwil hiervan legde zijn raad en die van den Engelschen gezant een groot gewicht in de schaal.Maurits verzette zich van zijnen kant ernstig tegen een wapenstilstand, alle gronden, door hem tegen den vrede aangevoerd, golden met dubbelen nadruk tegen eene eenvoudige wapenschorsing. Hij vond een krachtigen steun bij het volk. Een groot aantal vlugschriften werd verspreid, waarin op de voortzetting van den krijg aangedrongen werd. Men mocht, zoo heette het daarin, den vijand niet den tijd gunnen om zich te versterken en met dit doel zou Spanje tot het sluiten van een wapenstilstand overgaan. Allen, die het bestand aanrieden, o. a. ook Oldenbarneveld, warenverraders. Thans werd de oorlog met goeden uitslag gevoerd, het volk was gewend aan de lasten, dien hij oplegde, door den wapenstilstand daarentegen zou de kracht des volks worden verlamd. Gedurende dat bestand moest men tegenover den verraderlijken vijand de grenzen even sterk bezet houden als in oorlogstijd, men moest alzoo een deel van de lasten des oorlogs dragen, zonder daarvan de vruchten te plukken.Maurits stelde zich aan het hoofd der oorlogspartij, en nam de pers, tegen wier uitspattingen in de Staten-Generaal ernstige klachten ingebracht werden, in bescherming; doch al zijne pogingen bleven vruchteloos. Hendrik IV zond den Nederlanders den 23enOctober 1608 een brief, waarin hij o. a. zeide:„Ik heb uwen twijfel aangaande mijnen goeden wil U zeer kwalijk genomen. Wanneer de wapenstilstand gevaarlijk is en zijne gevolgen niet met volkomene juistheid te berekenen zijn, de oorlog is nog veel gevaarlijker en onzekerder; wanneer Gij den toestand der Nederlanden beter kent dan ik, ik ben beter aangaande de gesteldheid der Europeesche christenheid onderricht en ik vind Uwen wensch zonderling, dat ik onzijdig blijven en den Nederlanders toestaan zou, op hunne wijze den oorlog voort te zetten. Frankrijk behoeft voor zijne veiligheid noch den Nederlandschen wapenstilstand noch den oorlog en wat ik heb gedaan, is alleen om uw bestwil gedaan, enz.”In denzelfden geest lieten de Fransche, Duitsche en Engelsche gezanten zich tegenover de Staten uit en ze vonden een krachtigen steun bij Oldenbarneveld, die er eindelijk in slaagde alle provinciën voor den wapenstilstand te winnen en ook Maurits dwong om, hoe schoorvoetend dan ook, toe te geven. Men heeft Oldenbarneveld verweten, dat hij in deze belangrijke zaak door baatzucht gedreven werd, dat hij door Jeannin, den Franschen gezant, omgekocht was. Inderdaad heeft de beroemde staatsman, na het sluiten van het bestand, een geschenk in geld van den Franschen koning aangenomen; volgens onze tegenwoordige begrippen zou hij zich dus hebben laten omkoopen, doch volgens de denkbeelden van dien tijd was dit niet het geval. Het was toen eene zeer gewone zaak, dat staatsdienaars van vreemde vorsten geschenken aannamen; dit werd dan alleen als omkooping beschouwd, wanneer die geschenken het loon waren voor verraderlijke diensten; Oldenbarneveld was vast overtuigd, dat een vrede of een langdurige wapenstilstand voor zijn vaderland eene behoefte was; hij liet zich door geene schatten ter wereld overhalen om tegen zijne overtuiging te handelen, maar handelde daarmede altijd in overeenstemming.Toch valt het niet te ontkennen, dat het voor Oldenbarneveld beter zou zijn geweest, indien hij den aanlokselen van het geld weerstand geboden en de geschenken van den Franschen koning van de hand gewezen had. Ongetwijfeld zou dan zijn levenseind minder treurig zijn geweest dan thans.Den 9enApril 1609 werd te Antwerpen het twaalfjarig bestand gesloten, waarin de vereenigde gewesten als vrije staten erkend werden. Beide partijen bleven in het bezit van de landen, steden en vestingen, welke zij op dat tijdstip bezaten, de handel op Indië werd den Nederlanders, zij het ook in vrij dubbelzinnige uitdrukkingen, toegestaan.Zoo was er voorloopig een einde gekomen aan den oorlog, die reeds gedurende bijna 40 jaren had gewoed. De Nederlanders hadden hunnen vijand tot het erkennen van hunne vrijheid gedwongen, de vereenigde gewesten waren opgetreden in de rij der onafhankelijke staten van Europa, waaronder zij weldra eene hoogst belangrijke plaats zouden innemen.
Vier en twintigste Hoofdstuk.De Nederlanden. De oorlog in de Rijnstreken. Mendoza’s wreedheid. De Haneveeren. Slappe wijze van oorlogvoeren. Oorlog in het Duitsche rijk. De veldtocht tegen Duinkerken. Isabella’s karakter. De slag bij Nieuwpoort. Maurits’ schitterende overwinning. Hare weinig beteekenende gevolgen. Oneenigheid tusschen Maurits en Oldenbarneveld. Beleg van Ostende. Ambrosius Spinola. Ostende door de Spanjaarden en Sluis door de Nederlanders veroverd. De oorlog ter zee. De handel met Lissabon door Philips II verboden. Poging om een noordelijke doorvaart te vinden. Ontluikend handelsverkeer met Oost-Indië. Philips II verbiedt den handel met Spanje. Stichting der Oost-Indische compagnie. Vredesonderhandelingen. Prins Maurits en de oorlogspartij. Oldenbarneveld’s bemoeiingen tot het sluiten van een wapenstilstand. Vermoeden, dat Oldenbarneveld was omgekocht. Het twaalfjarig bestand. Erkenning van de vrije Nederlanden.De dood van Philips II oefende op den oorlog in de Nederlanden geen noemenswaardigen invloed uit, de Staten-Generaal gevoelden zich daardoor volstrekt niet genoopt om vrede te sluiten, dewijl de koning immers reeds vroeger zijne souvereiniteitsrechten aan zijne dochter afgestaan had. Zij wilden noch aan den Duitschen, noch aan den Spaanschen tak van het huis Oostenrijk onderworpen zijn. Bovendien meenden die weinigen, die wellicht niet ongenegen zouden geweest zijn om de heerschappij van den Duitschen tak te erkennen, dat de geheele overdracht van het land aan Isabella Clara Eugenia niets anders dan eene staatkundige tooneelvertooning geweest was, dewijl het niet waarschijnlijk was, dat de 32jarige infante nog kinderen zou krijgen en de Nederlanden dus in elk geval na Isabella’s dood weer aan Spanje en wèl aan den alles behalve uitstekenden Philips III zouden komen.De oorlog werd dus voortgezet, hoewel de Nederlanders bijna uitsluitend op hunne eigene krachten moesten vertrouwen. Hendrik IV van Frankrijk, die met Spanje vrede gesloten had, kon hen slechts van ter zijde ondersteunen en ook koningin Elisabeth van Engeland zond geene nieuwe hulptroepen, zij liet slechts die, welke zich reeds in het land bevonden, daar blijven.Aartshertog Albertus, die zijne vredesvoorslagen van de hand gewezen zag, besloot den oorlog uit alle macht door te zetten; hij kon dit des te eerder doen, dewijl hij nu niet langer genoodzaakt was om terzelfder tijd Frankrijk en de Nederlanden te bestrijden. Don Francisco de Mendoza ontving het bevel, om met een volgens de begrippen van dien tijd machtigleger langs den benedenloop van den Rijn in het hart der republiek door te dringen. Wel telde zijn geheele leger niet meer dan 22,000 man voetvolk en 2000 ruiters, maar machtig was het toch in zekeren zin, dewijl prins Maurits niet meer dan 6000 man voetvolk en 1500 ruiters daar tegenover stellen kon.Met zulk eene geringe krijgsmacht een slag in het open veld te aanvaarden, zou de dwaasheid zelve zijn geweest. Hij koos, volgens zijne gewoonte, met juisten blik eene goede stelling, die hem tegen elken aanval beveiligde en hem toch de gelegenheid verschafte om ter juister tijd tot bescherming van het eene of andere bedreigde punt toe te snellen, namelijk, een klein eiland tusschen de armen van den Rijn, waar deze, in de Nederlanden vallende, zich in twee armen splitst. Van hieruit kon hij de grenzen des lands dekken, den vijand den toevoer afsnijden en hem hierdoor verzwakken. De eerstvolgende gebeurtenissen bewezen, dat hij goed gezien had.Het Spaansche leger, dat uit huurbenden van alle natiën samengesteld was, werd ten gevolge van zijne losbandigheid, van zijne roof- en plunderzucht, de schrik der inwoners van de Duitsche rijkslanden, welke het doortrok. Het hertogdom Cleve leed onuitsprekelijk onder de strooptochten van deze woeste, met alle tucht spottende benden. Ten einde leven, have en goed te redden, vereenigden de edelen, burgers en boeren van Cleve zich tot vliegende legertjes, die een verdelgingsoorlog tegen de bloeddorstige, roofzuchtige Spanjaarden voerden. Naar de haneveren, die zij als herkenningsteeken op den hoed droegen en die men coquards noemde, werd later elk aan het hoofddeksel gedragen teeken tot in onze dagen toe eene kokarde genoemd. De Haneveeren brachten in dezen kleinen oorlog den Spanjaarden zeer gevoelige verliezen toe; zij sneden hun den toevoer van levensmiddelen af en dreven hen menigmaal zeer in de engte, terwijl zij prins Maurits, die onder zijne troepen eene voortreffelijke krijgstucht onderhield, bereidvaardig ondersteunden.In weerwil van zijne overmacht kon Mendoza in den veldtocht van 1598 geene voordeden op Maurits behalen; wel nam hij gedurende den oorlog, die grootendeels op Duitsch grondgebied gevoerd werd, eenige steden in, doch hierdoor deed hij den haat, welken de Duitschers buitendien reeds tegen zijne met orde en tucht spottende soldaten koesterden, slechts te meer aangroeien. Op groote voordeelen kon echter ook Maurits zich niet beroemen, dewijl het hem, in weerwil van de dringende aanzoeken, door hem tot de Staten gericht, niet gelukte eenige noemenswaardige versterking te verkrijgen. In de noordelijke Nederlanden toch morde het volk reeds sinds lang over de ontzaglijke oorlogskosten; de zware belasting werd niet dan met grooten tegenzin betaald. Alleen in Holland vond de prins gehoor, hier werden op zijne vertoogen de noodige maatregelen tot vermeerdering van zijne strijdkrachten genomen. 4000 Franschen, 2000 Duitschers en 1000 Zwitsers werden door de Staten aan het leger van Maurits toegevoegd en ook de ruiterij ontving eene aanzienlijke versterking.Nadat op deze wijze het Nederlandsche leger aanzienlijk vermeerderd was, meenden de Staten, dat het thans tijd was om aanvallender wijze te werk te gaan. Wanneer Mendoza in het open veld verslagen werd, kon er wellicht spoedig een einde gemaakt worden aan den oorlog.Maurits van Nassau was van een ander gevoelen en hij liet zich ookdoor den aandrang der Staten daarvan niet afbrengen. Hij rekende er op, dat de muiterij, waartoe de Spaansche soldaten maar al te zeer geneigd waren, het leger des vijands op den duur verzwakken zou. Het voordeel van een gewonnen slag kon voor de Nederlanders nooit opwegen tegen de schade, welk eene nederlaag hun berokkenen kon; buitendien wist hij, dat de protestantsche rijksvorsten van Duitschland, vertoornd over het schenden van den rijksvrede door de Spanjaarden, den tragen keizer Rudolf tot een oorlog tegen Spanje zouden aanzetten. Dit geschiedde inderdaad. Het besluit tot den oorlog werd genomen, doch zoo jammerlijk uitgevoerd, dat de Nederlanders hieruit volstrekt geen voordeel trokken. Maurits zelfs nam gedurende den weinig belangrijken veldtocht van 1599 schier uitsluitend eene verdedigende houding aan.Belangrijker was in dit opzicht het jaar 1600. Maurits had thans een leger van 12.000 man voetvolk en 3000 ruiters onder zijne bevelen; daarmee kon hij, naar het oordeel der Staten, iets beters doen dan alleen verdedigender wijze te werk te gaan; op nieuw spoorden zij hem aan tot eene aanvallende beweging. Maurits moest, zeiden zij, den oorlog naar Vlaanderen overbrengen en in de eerste plaats de vesting Duinkerken veroveren, ten einde deze gewichtige haven aan de Nederlanders terug te geven. In Duinkerken toch vonden Spaansche kapers, die den Zeeuwschen en Hollandschen handel belemmerden, eene veilige schuilplaats voor de Nederlandsche kruisers, die hen vervolgden. De Zeeuwen drongen derhalve op de verovering van Duinkerken aan en de Staten van Holland ondersteunden hunne aanzoeken.Prins Maurits was nog volstrekt niet geneigd om tot eene aanvallende beweging over te gaan, ook zijn bloedverwant, graaf Willem Lodewijk, noemde de onderneming zeer dwaas, dewijl eene overwinning slechts een vluchtig voordeel, eene nederlaag daarentegen den ondergang van den staat ten gevolge hebben zou. Zelfs wanneer men Duinkerken veroverde, verdienden zij, die de onderneming hadden aangeraden, toch de scherpste berisping, dewijl zij het lot van het geheele land aan een zijden draad wilden ophangen.Zulke redeneeringen, hoe welgemeend en weldoordacht zij ook waren, konden toch de oorlogszuchtige en op verovering beluste leiders der Nederlandsche staatkunde niet overtuigen; de aandrang der Staten werd zoo sterk, dat Maurits eindelijk wel toegeven moest, hoewel hij openlijk verklaarde, slechts eene zeer flauwe hoop op een gunstigen uitslag te koesteren.De Staten hadden naar de steden Brugge en Gent geschreven en haar de vriendschappelijke betrekking herinnerd, waarin zij vroeger tot de noordelijke gewesten gestaan hadden; doch hunne woorden vond geen weerklank meer. Brugge nam van den aartshertog Albertus bezetting in en toen het Nederlandsche leger voorbijtrok, brandden de burgers het geschut op hunne voormalige vrienden los. De Vlaamsche boeren betoonden zich nog vijandiger: zij vermoordden de Hollandsche achterblijvers; uit weerwraak deden de Nederlanders meer dan één Vlaamsch dorp in vlammen opgaan.Zonder eenigen noemenswaardigen tegenstand te ontmoeten, kon Maurits zijn leger zuidwaarts tot voor het stadje Nieuwpoort voeren, hetwelk hij veroveren moest, om zich den weg naar Duinkerken te banen.Bijna scheen het dat de Staten gelijk hadden gehad, toen zij Maurits’ bedenkingen tegen hun aandrang tot een aanvallenden oorlog ongegrondnoemden: de aanvang van den veldtocht was zeer gelukkig en scheen de macht van Albertus ernstig in gevaar te brengen. Onder zijne troepen heerschte muiterij wegens voortdurende slechte betaling, zij weigerden te vechten; de inneming van Nieuwpoort en Duinkerken scheen kort op handen.In dezen hachelijken toestand waren het de moed en de geestkracht eener vrouw, die den aartshertog hulp aanbrachten. Zijne gemalin, de infante Isabella, geleek in vele opzichten op hare naamgenoot, Isabella de Katholieke: zij had hare geestkracht en hare standvastigheid in het ongeluk geërfd; bovendien was zij algemeen bemind, dewijl zij door zachtheid, mildheid en rechtvaardigheid de harten wist te winnen.Isabella wendde zich zelve tot de muitende soldaten. Zij sprak hen met innemende vriendelijkheid toe, hield hun voor, dat het de vijand van hunne godsdienst en van hun vaderland was, tegen wien zij ten strijde waren geroepen en verzekerde hun, dat hunne soldij uitbetaald zou worden. „Liever,” riep zij uit, op hare gouden oorversierselen wijzende, „wil ik deze, ja al mijne sieraden ten offer brengen dan dulden, dat zulken braven krijgslieden hun loon onthouden wordt.”De oude Spaansche soldaten, die de bevelen hunner officieren met bedreigingen beantwoord hadden, lieten zich door de roerende bede eener vrouw bewegen; onder het aanheffen van den kreet: „Leve de Infante!” grepen zij naar de wapenen en rukten zij, ongeveer 12.000 man sterk, met versnelden marsch naar Nieuwpoort op.Maurits zag eensklaps een sterken vijand tegenover zich. Zijn toestand was zeer hachelijk. Voor zich had hij de vesting Nieuwpoort en in den rug het aanrukkend Spaansche leger. Aan de voortzetting van het beleg van Nieuwpoort viel niet te denken, want hij had nog geen tijd gehad om eene goed verschanste legerplaats aan te leggen. Vooruit kon hij dus niet en achterwaarts kon hij alleen dan, wanneer hij zich door het Spaansche leger heensloeg; want zijn eenige uitweg was hem afgesneden, nadat de Spanjaarden graaf Ernst Casimir van Nassau, den jongeren broeder van Willem Lodewijk, die de brug bij Leffingen had moeten bezetten, met een gevoelig verlies hadden afgeslagen.Het is zoo, de terugtocht kon nog over zee beproefd worden, maar eene inscheping in het gezicht van den vijand was in Maurits’ oog zoo gevaarlijk, dat hij daarvan terstond afzag. In dezen gevaarlijken toestand leverde hij het bewijs, dat hij, wanneer het noodig was, ook zeer goed in staat was om een schier vermetel waagstuk te ondernemen. Hij spoorde zijn broeder, den 15jarigen Frederik Hendrik en eenige Engelsche en Duitsche heeren, die zich in zijn leger bevonden aan, om zich op de schepen, die leeftocht en krijgsbehoeften hadden aangevoerd, in veiligheid te stellen, maar allen verklaarden, dat zij met hem wilden overwinnen of sterven.Nadat Maurits dit antwoord ontvangen had, gaf hijdenvloot bevel om weg te zeilen; hij liet zijnen troepen daardoor geene andere keus dan overwinnen of sterven: de kans om zich op de vloot te kunnen redden, zou wellicht bij eene ongunstige wending van den slag, menigen lafaard tot de vlucht verleid hebben, doch was deze hoop verijdeld, dan moesten de Nederlandsche soldaten zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen, wilden zij zich niet aan de trouwlooze en wreede Spanjaarden overgeven. Bovendien dreigde het gevaar, dat de bezetting van Nieuwpoort de schepen, zoo zij op de reede bleven liggen, in brand steken zou.Na het wegzenden van de vloot bereidde Maurits alles tot den beslissenden slag voor, en den 2enJuli 1600 had deze plaats. Maurits behaalde eene schitterende overwinning: de Spanjaarden werden met een verlies van 3000 man op de vlucht gedreven, terwijl de Nederlanders slechts 1000 man verloren. Onder de gevangenen bevond zich ook Mendoza, de trotsche Spaansche veldheer, die—evenals de aartshertog—met zekerheid op de overwinning en op de geheele vernietiging van het Nederlandsche leger gerekend had. Ook de aartshertog werd gewond.De slag bij Nieuwpoort is een der meest beroemde wapenfeiten uit den Nederlandschen vrijheidsoorlog. Hij leverde een nieuw bewijs voor de dapperheid van het Nederlandsche leger en voor het veldheerstalent van Maurits; maar een ander voordeel, dan dat de prins zich den weg naar de Nederlanden ontsloten had, leverde hij niet op. Maurits moest zelfs het beleg van Nieuwpoort opbreken, daar hij zich niet aan een tweeden aanval van het Spaansche leger blootstellen mocht.Daags na den slag begaf Maurits zich naar Ostende, de havenstad, die zich toen nog in de handen der Nederlanders bevond. Hier ontmoette hij een aantal afgevaardigden der Staten, o. a. ook Oldenbarneveld.De prins zeide tot deze heeren in tamelijk heftigebewoordingen, dat zij het geweest waren, die hem en zijn leger naar de slachtbank hadden gevoerd en dat alleen Gods genade redding aangebracht had. Het kwam tot eene heftige woordenwisseling en van dien dag af is, naar men meent, de vroeger zoo warme vriendschap tusschen Maurits en den advocaat van Holland verkoeld.Tegen het einde van Juli keerde Maurits uit Vlaanderen naar Holland terug. De andere krijgsgebeurtenissen van het jaar 1600 en van de volgende jaren beteekenden zeer weinig, dewijl de Spanjaarden al hunne krachten wijdden aan de driejarige belegering van Ostende, die in het jaar 1601 een aanvang nam.De inneming van die stad was in het oog van den aartshertog Albertus eene zaak van het hoogste belang. Ostende was voor de Nederlanders het natuurlijk steunpunt van een inval in Vlaanderen, terwijl die haven in de handen der Spanjaarden de beste gelegenheid zou aanbieden om den Zeeuwschen en Hollandschen handel te verontrusten.De Nederlanders spanden al hunne krachten in om de gewichtige stad te behouden; maar tengevolge van de geldverlegenheid, door den langdurigen oorlog teweeg gebracht, en van den tegenzin, waarmee een groot deel der gewesten, die den eindeloozen strijd moede waren, de oorlogslasten droeg, konden zij geen leger op de been brengen, dat prins Maurits in staat stelde om Ostende te ontzetten.Drie jaren lang verdedigde de stad zich met eene schitterende dapperheid; doch ook even dapper streden de Spanjaarden, die in den markies Ambrosio Spinola uit Genua een uitstekend aanvoerder hadden gekregen.Aan Spinola was het te danken, dat er orde in het geldelijk beheer en in de legerinrichting der Spaansche gewesten kwam, dat de muiterij, waardoor de kracht van den aartshertog telkens op nieuw verlamd werd, ophield en dat het beleg van Ostende eindelijk met de meeste kracht doorgezet worden kon.Den 2enSeptember 1604 gaf de stad zich eindelijk over. Van de 7000 man sterke bezetting waren slechts 3000 man overgebleven, wien vrije aftocht werd toegestaan.Deze belegering had den Spanjaarden vreeselijke offers aan geld en menschenlevens gekost, men berekent dat in den loop van drie jaren 72000 Spanjaarden onder de muren der stad gebleven zijn. En wat had men daarvoor gewonnen? Een armzalige puinhoop, eene ledige stad, waaruit de inwoners—allen ijverige protestanten—uitweken. Zelfs het doel, dat men zich met de inneming voorgespiegeld had, werd niet eens bereikt, want kort te voren had Maurits het sterke Sluis in Vlaanderen, nabij de Zeeuwsche kust, veroverd, eene plaats die van niet minder gewicht was dan Ostende, en Zeeland zelfs nog beter dekte. De verovering van het geheele westelijke deel van Vlaanderen, voor zoover het aan Zeeland grensde, verhoogde nog de waarde van het bezit van Sluis en troostte de Nederlanders over het verlies van Ostende.Terwijl deze gebeurtenissen gedurende de laatste jaren te land voorvielen, was ook de zee getuige van meer dan één belangrijk feit. Overal waar Nederlandsche en Spaansche schepen elkaar ontmoetten, vielen hevige gevechten voor, die met de grootste verbittering en met meedoogenlooze wreedheid gevoerd werden. De Hollanders plachten den Spaanschen gevangenen na zulke gevechten de voeten te spoelen, d. i. hen zonder plichtplegingen in zee te werpen en te verdrinken. De Spanjaarden waren in hunne wreedheid nog meer verfijnd; zij martelden de gevangenen dikwijls op eene afgrijselijke wijze, eer zij hen ter dood brachten.Van belang voor de wereldgeschiedenis waren de meeste dezer grootere of kleinere zeegevechten niet, maar zij droegen het hunne er toe bij om de Nederlandsche zeemacht zoo te ontwikkelen, dat zij later in de geschiedenis van Europa eene hoogst belangrijke rol spelen kon. Tot het jaar 1584 hadden de Nederlanders zich om den transatlantischen handel weinig bekommerd; de onstuimige begeerte naar avontuurlijke reizen in vreemde landen, naar veroveringen in andere werelddeelen, die de overige zeevarende volken, inzonderheid de Spanjaarden en Portugeezen, bezielde, was den kalm berekenenden Hollanders en zeelieden vreemd gebleven. De Nederlandsche kooplieden achtten het veel voordeeliger, de vruchten der Spaansche en Portugeesche ontdekkingen te plukken, dan zelven op ontdekkingen uit te gaan. Uit Lissabon haalden zij de kostelijkste voortbrengselen van Oost en West en voerden die den overigen Europeeschen volken toe.Tot het jaar 1584 duurde de vrije handel der Nederlanders met Portugal in weerwil van den oorlog voort. In dat jaar verbood echter Philips alle verkeer tusschen de beide landen, in de meening, dat hij daardoor den oproerigen gewesten een doodelijken slag toebracht. Reeds sinds lang had er een zeer levendig handelsverkeer tusschen de Nederlanders en de bewoners van noordelijk Rusland bestaan. Genen waren daardoor met de noordelijke zeeën bekend geworden en thans ontwierpen zij het stoute plan om eene noordelijke doorvaart naar het Oosten te zoeken, ten einde langs dien weg zelfstandig den handel te drijven, dien zij tot dusver alleen door tusschenkomst der Portugeezen gevoerd hadden.De onderneming mislukte; meer dan ééne poging stuitte af op onoverkomelijke bezwaren, doch zij leidden tot belangrijke ontdekkingen in de noordelijke zeeën, waardoor de Hollanders zich groote verdiensten ten aanzien van de aardrijksbeschrijving dier onherbergzame streken verworven hebben.Gelukkiger waren andere stoutmoedige zeelieden, die langs den gewonenweg naar Oost-Indië voeren en daar met de inlandsche vorsten handelsverbintenissen aanknoopten; wel vonden ook velen hunner in die verwijderde landen den dood, doch anderen keerden met roem overladen naar hun vaderland terug en de door hen behaalde voordeelen prikkelden hunne landgenooten tot navolging; in het jaar 1601 ondernamen reeds 22 schepen uit Hollandsche havens de reis naar Indië.Philips II had door het verbieden van den handel met Portugal den Nederlandsche scheepvaart geene schade toegebracht, maar haar een nieuwe vlucht doen nemen. Den handel op Spanje had hij niet durven verbieden, dewijl hij wist, dat hij daardoor de welvaart van zijn eigen land nog meer dan die der Nederlanders fnuiken zou. Hij liet daarom den handel tusschen de Spanjaarden en de oproerige gewesten toe. Zijn opvolger Philips III daarentegen besloot den Hollanders ook den handel op Spanje te verbieden, terwijl Albertus en Isabella tegelijk alle handelsverbintenissen der Nederlanders met België ophieven.De Nederlanders beantwoordden deze maatregelen met een verbod van allen handel op Spanje en Spaansche havens, niet alleen voor hunne eigene maar ook voor alle onzijdige schepen, zij verklaarden, dat zij elk naar eene Spaansche haven bestemd schip als vijandig, en de daarin geladene goederen als vijands goed beschouwen en behandelen zouden. Tegelijk verdubbelden zij hunne krachtsinspanning, om een rechtstreeks verkeer met Indië tot stand te brengen en daar volkplantingen te stichten. In den loop van enkele jaren breidde zich tengevolge daarvan de Indische handel reeds over den Archipel der Hindoe-eilanden, de Molukken, Ceylon en een deel van Achter-Indië uit. De Indische vorsten en volken beschouwden de Hollanders grootendeels als hunne natuurlijke bondgenooten tegen de gehate Portugeezen, en sloten gaarne met hen verdragen; al vielen er ook hier en daar vijandige botsingen met de inlanders voor, toch groeide de invloed der Hollanders in Indië onophoudelijk aan, vooral sinds een gezantschap van een Indisch vorst in Europa aangekomen en door prins Maurits op de schitterendste wijze ontvangen was. De gezanten wisten na hunne terugkomst in hun vaderland, door de schildering van de macht der Nederlanders, vele Indische vorsten voor een bondgenootschap met hen te winnen.Tot dusver was de Indische handel door bijzondere vereenigingen gevoerd, die natuurlijk als mededingers naast elkander waren opgetreden; het kon niet anders, of hierdoor was de prijs der Europeesche waren in Indië en die der Indische waren in Europa meer dan eens gedrukt en de goede uitslag eener reis verijdeld. Deze mededinging was in het oog der Staten bedenkelijk; zij meenden den voor het moederland zoo gewichtigen handel op Indië te moeten regelen; eene samensmelting van de bestaande Indische handelslichamen was in hun oog noodzakelijk, ten einde de gevaarlijke mededinging uit te sluiten. Voornamelijk op raad en aansporing van Oldenbarneveld, werd in het jaar 1602 de Vereenigde Oost-Indische compagnie gesticht, en aan dat lichaam het uitsluitend recht om op Indië handel te drijven voor den tijd van 21 jaren verleend. Tevens ontving zij het recht om verbintenissen met vreemde vorsten aan te gaan en oorlog te voeren en vrede te sluiten, alles in naam van de Staten-Generaal. De compagnie, aan wier hoofd het regeerende collegie van Indië stond, was alzoo eene handelsvereeniging met uitgebreide staatkundige rechten. In de compagnie bezat Amsterdam de helft, Zeeland een vierde en Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen te zamen ook een vierde van het getal aandeelen.Uit deze verdeeling blijkt, welk een trap van bloei de handel van Amsterdam in die dagen reeds bereikt had.Na de stichting van de Oost-Indische compagnie, namen de handel en de colonisatie der Nederlanders in Indië eene ongekende vlucht. De schatten van Indië werden van nu af naar de Nederlanden en van daar in den Europeeschen handel gebracht. De Spaansche en Portugeesche handel daarentegen begon dagelijks sterker te kwijnen en op zijne herleving bestond er geene hoop, zoolang de oorlog met de Nederlanders duurde.Deze vreeselijke oorlog, door een paar kleine oproerige provinciën jaren achtereen met nooit verlamde geestkracht en onwrikbare volharding tegen het wereldrijk Spanje gevoerd, had reeds millioenen bij millioenen verslonden en nog was het einde daarvan niet te zien. Spanje’s geldmiddelen waren uitgeput, vorst en volk waren den krijg moede en smachten dus naar den vrede. Ook Albertus koesterde denzelfden wensch. Al had Spinola door zijn veldheerstalent zijnen wapenen meer dan eene overwinning verschaft en door zijne belangeloosheid en zelfopoffering voorshands de muiterij in het leger onderdrukt, toch meende de aartshertog een eervollen vrede boven dezen vreeselijken oorlog te moeten verkiezen. De hoop op de onderwerping der oproerige gewesten had hij bijna opgegeven, ja hij vreesde zelfs, dat bij een ongelukkigen uitslag van den strijd een deel der Spaansche Nederlanden weder voor den koning zou verloren gaan.In het begin van het jaar 1607 zond Albertus twee gezanten tot prins Maurits, Willem Lodewijk van Nassau en Oldenbarneveld, als de drie invloedrijkste mannen der republiek om met hen over het sluiten van den vrede te onderhandelen.In de Nederlanden waren de gevoelens zeer verdeeld over de vraag, of het beter was, den oorlog voort te zetten dan wel den vrede te sluiten. Aan het hoofd der oorlogspartij, waartoe de dweepzieke protestantsche predikanten en een groot deel der lagere volksklasse behoorden, stond prins Maurits. Hij had goede gronden voor de voortzetting van den oorlog aan te voeren. Zoowel Spanje’s schatkist—zeide hij—als de kracht van het volk was uitgeput, zijn handel verlamd, zijn crediet diep geschokt. Indien men thans vrede sloot, dan zou de Spaansche trouwloosheid daarvan slechts gebruik maken om nieuwe kracht voor een lateren oorlog te verzamelen. Een vijand, die van het beginsel uitging, nooit zijn woord te houden, kon men niet vertrouwen.Zulke staatkundige redeneeringen waren volstrekt niet van grond ontbloot: de vredespartij hechtte daaraan echter minder gewicht, omdat Maurits belang het voortzetten van den oorlog medebracht. Zoolang deze duurde, was de prins de invloedrijkste man in den staat, terwijl hij, zoodra de vrede gesloten was, op ééne lijn zou komen te staan met andere aanzienlijke personen. Aan het hoofd der vredespartij, waartoe de rijke handelaars, al de patriciërs der steden en vele edellieden behoorden, stond Oldenbarneveld. Deze wees er op, dat de republiek geheel alleen stond in den oorlog, waarin zij hare beste krachten verspilde. In vredestijd zou de handel nog hooger vlucht nemen en zouden de staatsinstellingen der jeugdige republiek bevestigd worden.Oldenbarneveld wenschte oprechtelijk den vrede, wellicht omdat hij toen reeds vreesde, dat Maurits van Nassau, door eerzucht verleid, zijn in den oorlog steeds aangroeienden roem zou misbruiken om de republikeinsche staatsregeling omver te werpen. Doch in weerwil hiervan dacht’s lands advocaat er volstrekt niet aan, vrede te verlangen tot elken prijs, hij wilde slechts zulk een vrede sluiten, waarvan de erkenning van de onafhankelijkheid der republiek den grondslag uitmaakte. Hij wist het door te zetten, dat althans de onderhandelingen met Spanje en den aartshertog Albertus geopend werden. De koning van Frankrijk en de koningin van Engeland boden hiertoe hunne bemiddeling aan en Hendrik IV zond zelf den president Jeannin, een bekwaam staatsman, naar den Haag. Ook Spinola begaf zich derwaarts en werd op de eervolste wijze ontvangen, daar zijne verdiensten door vriend en vijand erkend werden.De onderhandelingen werden in den beginne met tamelijk goeden uitslag gevoerd; tot een vredesverdrag konden zij echter niet leiden, want twee eischen, door de Spaansche gezanten gesteld, waren in de schatting der Nederlanders volstrekt onaannemelijk. De erkenning van de vrijheid en onafhankelijkheid der republiek zegden de gezanten toe, ook de heropening van de Spaansche havens werd door hen niet geweigerd, maar daarvoor eischten zij, dat de Staten den handel op Indië zouden opgeven en dat den Nederlandschen katholieken vrije uitoefening van hunnen eeredienst zou worden vergund.Over den eersten eisch ging een kreet van verontwaardiging op onder den geheelen handelsstand, die overigens schier eenstemmig den vrede voorstond. Dezen voordeeligen handel, die ten koste van zoovele offers aan geld en menschenlevens, tot een hoogen trap van bloei gebracht was, waaraan de Nederlanders in de laatste jaren het snel aangroeien van hun rijkdom dankten, kon en mocht men niet opgeven. De kooplieden drongen er integendeel op aan, dien verder uit te breiden, ook in Brazilië volkplantingen te stichten en eene West-Indische compagnie te vormen, ten einde ook in Spaansch-America vasten voet te krijgen.De vrijheid van eeredienst der katholieken vond een even heftigen tegenstand bij de streng-gereformeerden; nog was de tijd der ware verdraagzaamheid niet gekomen. Willem van Oranje had gedurende zijn leven te vergeefs zijn best gedaan om katholieken en protestanten tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen en na dien tijd was in den bloedigen krijg de geloofshaat, helaas! nog aangegroeid.De beide eischen der Spaansche gezanten werden dus onvoorwaardelijk van de hand gewezen en tengevolge hiervan sprongen in Augustus 1608 de vredesonderhandelingen af.Zou de oorlog thans met verdubbelde woede hervat worden? Daar tegen verklaarde Hendrik IV van Frankrijk zich krachtig; hij wenschte, dat ten minste een wapenstilstand voor een zeker aantal jaren zou worden gesloten. Zijne liefde tot den vrede was echter niet geheel belangeloos; de geheime ondersteuning, door hem tot dusver den Nederlanders verleend, was hem tot een last; in weerwil hiervan legde zijn raad en die van den Engelschen gezant een groot gewicht in de schaal.Maurits verzette zich van zijnen kant ernstig tegen een wapenstilstand, alle gronden, door hem tegen den vrede aangevoerd, golden met dubbelen nadruk tegen eene eenvoudige wapenschorsing. Hij vond een krachtigen steun bij het volk. Een groot aantal vlugschriften werd verspreid, waarin op de voortzetting van den krijg aangedrongen werd. Men mocht, zoo heette het daarin, den vijand niet den tijd gunnen om zich te versterken en met dit doel zou Spanje tot het sluiten van een wapenstilstand overgaan. Allen, die het bestand aanrieden, o. a. ook Oldenbarneveld, warenverraders. Thans werd de oorlog met goeden uitslag gevoerd, het volk was gewend aan de lasten, dien hij oplegde, door den wapenstilstand daarentegen zou de kracht des volks worden verlamd. Gedurende dat bestand moest men tegenover den verraderlijken vijand de grenzen even sterk bezet houden als in oorlogstijd, men moest alzoo een deel van de lasten des oorlogs dragen, zonder daarvan de vruchten te plukken.Maurits stelde zich aan het hoofd der oorlogspartij, en nam de pers, tegen wier uitspattingen in de Staten-Generaal ernstige klachten ingebracht werden, in bescherming; doch al zijne pogingen bleven vruchteloos. Hendrik IV zond den Nederlanders den 23enOctober 1608 een brief, waarin hij o. a. zeide:„Ik heb uwen twijfel aangaande mijnen goeden wil U zeer kwalijk genomen. Wanneer de wapenstilstand gevaarlijk is en zijne gevolgen niet met volkomene juistheid te berekenen zijn, de oorlog is nog veel gevaarlijker en onzekerder; wanneer Gij den toestand der Nederlanden beter kent dan ik, ik ben beter aangaande de gesteldheid der Europeesche christenheid onderricht en ik vind Uwen wensch zonderling, dat ik onzijdig blijven en den Nederlanders toestaan zou, op hunne wijze den oorlog voort te zetten. Frankrijk behoeft voor zijne veiligheid noch den Nederlandschen wapenstilstand noch den oorlog en wat ik heb gedaan, is alleen om uw bestwil gedaan, enz.”In denzelfden geest lieten de Fransche, Duitsche en Engelsche gezanten zich tegenover de Staten uit en ze vonden een krachtigen steun bij Oldenbarneveld, die er eindelijk in slaagde alle provinciën voor den wapenstilstand te winnen en ook Maurits dwong om, hoe schoorvoetend dan ook, toe te geven. Men heeft Oldenbarneveld verweten, dat hij in deze belangrijke zaak door baatzucht gedreven werd, dat hij door Jeannin, den Franschen gezant, omgekocht was. Inderdaad heeft de beroemde staatsman, na het sluiten van het bestand, een geschenk in geld van den Franschen koning aangenomen; volgens onze tegenwoordige begrippen zou hij zich dus hebben laten omkoopen, doch volgens de denkbeelden van dien tijd was dit niet het geval. Het was toen eene zeer gewone zaak, dat staatsdienaars van vreemde vorsten geschenken aannamen; dit werd dan alleen als omkooping beschouwd, wanneer die geschenken het loon waren voor verraderlijke diensten; Oldenbarneveld was vast overtuigd, dat een vrede of een langdurige wapenstilstand voor zijn vaderland eene behoefte was; hij liet zich door geene schatten ter wereld overhalen om tegen zijne overtuiging te handelen, maar handelde daarmede altijd in overeenstemming.Toch valt het niet te ontkennen, dat het voor Oldenbarneveld beter zou zijn geweest, indien hij den aanlokselen van het geld weerstand geboden en de geschenken van den Franschen koning van de hand gewezen had. Ongetwijfeld zou dan zijn levenseind minder treurig zijn geweest dan thans.Den 9enApril 1609 werd te Antwerpen het twaalfjarig bestand gesloten, waarin de vereenigde gewesten als vrije staten erkend werden. Beide partijen bleven in het bezit van de landen, steden en vestingen, welke zij op dat tijdstip bezaten, de handel op Indië werd den Nederlanders, zij het ook in vrij dubbelzinnige uitdrukkingen, toegestaan.Zoo was er voorloopig een einde gekomen aan den oorlog, die reeds gedurende bijna 40 jaren had gewoed. De Nederlanders hadden hunnen vijand tot het erkennen van hunne vrijheid gedwongen, de vereenigde gewesten waren opgetreden in de rij der onafhankelijke staten van Europa, waaronder zij weldra eene hoogst belangrijke plaats zouden innemen.
De Nederlanden. De oorlog in de Rijnstreken. Mendoza’s wreedheid. De Haneveeren. Slappe wijze van oorlogvoeren. Oorlog in het Duitsche rijk. De veldtocht tegen Duinkerken. Isabella’s karakter. De slag bij Nieuwpoort. Maurits’ schitterende overwinning. Hare weinig beteekenende gevolgen. Oneenigheid tusschen Maurits en Oldenbarneveld. Beleg van Ostende. Ambrosius Spinola. Ostende door de Spanjaarden en Sluis door de Nederlanders veroverd. De oorlog ter zee. De handel met Lissabon door Philips II verboden. Poging om een noordelijke doorvaart te vinden. Ontluikend handelsverkeer met Oost-Indië. Philips II verbiedt den handel met Spanje. Stichting der Oost-Indische compagnie. Vredesonderhandelingen. Prins Maurits en de oorlogspartij. Oldenbarneveld’s bemoeiingen tot het sluiten van een wapenstilstand. Vermoeden, dat Oldenbarneveld was omgekocht. Het twaalfjarig bestand. Erkenning van de vrije Nederlanden.
De Nederlanden. De oorlog in de Rijnstreken. Mendoza’s wreedheid. De Haneveeren. Slappe wijze van oorlogvoeren. Oorlog in het Duitsche rijk. De veldtocht tegen Duinkerken. Isabella’s karakter. De slag bij Nieuwpoort. Maurits’ schitterende overwinning. Hare weinig beteekenende gevolgen. Oneenigheid tusschen Maurits en Oldenbarneveld. Beleg van Ostende. Ambrosius Spinola. Ostende door de Spanjaarden en Sluis door de Nederlanders veroverd. De oorlog ter zee. De handel met Lissabon door Philips II verboden. Poging om een noordelijke doorvaart te vinden. Ontluikend handelsverkeer met Oost-Indië. Philips II verbiedt den handel met Spanje. Stichting der Oost-Indische compagnie. Vredesonderhandelingen. Prins Maurits en de oorlogspartij. Oldenbarneveld’s bemoeiingen tot het sluiten van een wapenstilstand. Vermoeden, dat Oldenbarneveld was omgekocht. Het twaalfjarig bestand. Erkenning van de vrije Nederlanden.
De dood van Philips II oefende op den oorlog in de Nederlanden geen noemenswaardigen invloed uit, de Staten-Generaal gevoelden zich daardoor volstrekt niet genoopt om vrede te sluiten, dewijl de koning immers reeds vroeger zijne souvereiniteitsrechten aan zijne dochter afgestaan had. Zij wilden noch aan den Duitschen, noch aan den Spaanschen tak van het huis Oostenrijk onderworpen zijn. Bovendien meenden die weinigen, die wellicht niet ongenegen zouden geweest zijn om de heerschappij van den Duitschen tak te erkennen, dat de geheele overdracht van het land aan Isabella Clara Eugenia niets anders dan eene staatkundige tooneelvertooning geweest was, dewijl het niet waarschijnlijk was, dat de 32jarige infante nog kinderen zou krijgen en de Nederlanden dus in elk geval na Isabella’s dood weer aan Spanje en wèl aan den alles behalve uitstekenden Philips III zouden komen.
De oorlog werd dus voortgezet, hoewel de Nederlanders bijna uitsluitend op hunne eigene krachten moesten vertrouwen. Hendrik IV van Frankrijk, die met Spanje vrede gesloten had, kon hen slechts van ter zijde ondersteunen en ook koningin Elisabeth van Engeland zond geene nieuwe hulptroepen, zij liet slechts die, welke zich reeds in het land bevonden, daar blijven.
Aartshertog Albertus, die zijne vredesvoorslagen van de hand gewezen zag, besloot den oorlog uit alle macht door te zetten; hij kon dit des te eerder doen, dewijl hij nu niet langer genoodzaakt was om terzelfder tijd Frankrijk en de Nederlanden te bestrijden. Don Francisco de Mendoza ontving het bevel, om met een volgens de begrippen van dien tijd machtigleger langs den benedenloop van den Rijn in het hart der republiek door te dringen. Wel telde zijn geheele leger niet meer dan 22,000 man voetvolk en 2000 ruiters, maar machtig was het toch in zekeren zin, dewijl prins Maurits niet meer dan 6000 man voetvolk en 1500 ruiters daar tegenover stellen kon.
Met zulk eene geringe krijgsmacht een slag in het open veld te aanvaarden, zou de dwaasheid zelve zijn geweest. Hij koos, volgens zijne gewoonte, met juisten blik eene goede stelling, die hem tegen elken aanval beveiligde en hem toch de gelegenheid verschafte om ter juister tijd tot bescherming van het eene of andere bedreigde punt toe te snellen, namelijk, een klein eiland tusschen de armen van den Rijn, waar deze, in de Nederlanden vallende, zich in twee armen splitst. Van hieruit kon hij de grenzen des lands dekken, den vijand den toevoer afsnijden en hem hierdoor verzwakken. De eerstvolgende gebeurtenissen bewezen, dat hij goed gezien had.
Het Spaansche leger, dat uit huurbenden van alle natiën samengesteld was, werd ten gevolge van zijne losbandigheid, van zijne roof- en plunderzucht, de schrik der inwoners van de Duitsche rijkslanden, welke het doortrok. Het hertogdom Cleve leed onuitsprekelijk onder de strooptochten van deze woeste, met alle tucht spottende benden. Ten einde leven, have en goed te redden, vereenigden de edelen, burgers en boeren van Cleve zich tot vliegende legertjes, die een verdelgingsoorlog tegen de bloeddorstige, roofzuchtige Spanjaarden voerden. Naar de haneveren, die zij als herkenningsteeken op den hoed droegen en die men coquards noemde, werd later elk aan het hoofddeksel gedragen teeken tot in onze dagen toe eene kokarde genoemd. De Haneveeren brachten in dezen kleinen oorlog den Spanjaarden zeer gevoelige verliezen toe; zij sneden hun den toevoer van levensmiddelen af en dreven hen menigmaal zeer in de engte, terwijl zij prins Maurits, die onder zijne troepen eene voortreffelijke krijgstucht onderhield, bereidvaardig ondersteunden.
In weerwil van zijne overmacht kon Mendoza in den veldtocht van 1598 geene voordeden op Maurits behalen; wel nam hij gedurende den oorlog, die grootendeels op Duitsch grondgebied gevoerd werd, eenige steden in, doch hierdoor deed hij den haat, welken de Duitschers buitendien reeds tegen zijne met orde en tucht spottende soldaten koesterden, slechts te meer aangroeien. Op groote voordeelen kon echter ook Maurits zich niet beroemen, dewijl het hem, in weerwil van de dringende aanzoeken, door hem tot de Staten gericht, niet gelukte eenige noemenswaardige versterking te verkrijgen. In de noordelijke Nederlanden toch morde het volk reeds sinds lang over de ontzaglijke oorlogskosten; de zware belasting werd niet dan met grooten tegenzin betaald. Alleen in Holland vond de prins gehoor, hier werden op zijne vertoogen de noodige maatregelen tot vermeerdering van zijne strijdkrachten genomen. 4000 Franschen, 2000 Duitschers en 1000 Zwitsers werden door de Staten aan het leger van Maurits toegevoegd en ook de ruiterij ontving eene aanzienlijke versterking.
Nadat op deze wijze het Nederlandsche leger aanzienlijk vermeerderd was, meenden de Staten, dat het thans tijd was om aanvallender wijze te werk te gaan. Wanneer Mendoza in het open veld verslagen werd, kon er wellicht spoedig een einde gemaakt worden aan den oorlog.
Maurits van Nassau was van een ander gevoelen en hij liet zich ookdoor den aandrang der Staten daarvan niet afbrengen. Hij rekende er op, dat de muiterij, waartoe de Spaansche soldaten maar al te zeer geneigd waren, het leger des vijands op den duur verzwakken zou. Het voordeel van een gewonnen slag kon voor de Nederlanders nooit opwegen tegen de schade, welk eene nederlaag hun berokkenen kon; buitendien wist hij, dat de protestantsche rijksvorsten van Duitschland, vertoornd over het schenden van den rijksvrede door de Spanjaarden, den tragen keizer Rudolf tot een oorlog tegen Spanje zouden aanzetten. Dit geschiedde inderdaad. Het besluit tot den oorlog werd genomen, doch zoo jammerlijk uitgevoerd, dat de Nederlanders hieruit volstrekt geen voordeel trokken. Maurits zelfs nam gedurende den weinig belangrijken veldtocht van 1599 schier uitsluitend eene verdedigende houding aan.
Belangrijker was in dit opzicht het jaar 1600. Maurits had thans een leger van 12.000 man voetvolk en 3000 ruiters onder zijne bevelen; daarmee kon hij, naar het oordeel der Staten, iets beters doen dan alleen verdedigender wijze te werk te gaan; op nieuw spoorden zij hem aan tot eene aanvallende beweging. Maurits moest, zeiden zij, den oorlog naar Vlaanderen overbrengen en in de eerste plaats de vesting Duinkerken veroveren, ten einde deze gewichtige haven aan de Nederlanders terug te geven. In Duinkerken toch vonden Spaansche kapers, die den Zeeuwschen en Hollandschen handel belemmerden, eene veilige schuilplaats voor de Nederlandsche kruisers, die hen vervolgden. De Zeeuwen drongen derhalve op de verovering van Duinkerken aan en de Staten van Holland ondersteunden hunne aanzoeken.
Prins Maurits was nog volstrekt niet geneigd om tot eene aanvallende beweging over te gaan, ook zijn bloedverwant, graaf Willem Lodewijk, noemde de onderneming zeer dwaas, dewijl eene overwinning slechts een vluchtig voordeel, eene nederlaag daarentegen den ondergang van den staat ten gevolge hebben zou. Zelfs wanneer men Duinkerken veroverde, verdienden zij, die de onderneming hadden aangeraden, toch de scherpste berisping, dewijl zij het lot van het geheele land aan een zijden draad wilden ophangen.
Zulke redeneeringen, hoe welgemeend en weldoordacht zij ook waren, konden toch de oorlogszuchtige en op verovering beluste leiders der Nederlandsche staatkunde niet overtuigen; de aandrang der Staten werd zoo sterk, dat Maurits eindelijk wel toegeven moest, hoewel hij openlijk verklaarde, slechts eene zeer flauwe hoop op een gunstigen uitslag te koesteren.
De Staten hadden naar de steden Brugge en Gent geschreven en haar de vriendschappelijke betrekking herinnerd, waarin zij vroeger tot de noordelijke gewesten gestaan hadden; doch hunne woorden vond geen weerklank meer. Brugge nam van den aartshertog Albertus bezetting in en toen het Nederlandsche leger voorbijtrok, brandden de burgers het geschut op hunne voormalige vrienden los. De Vlaamsche boeren betoonden zich nog vijandiger: zij vermoordden de Hollandsche achterblijvers; uit weerwraak deden de Nederlanders meer dan één Vlaamsch dorp in vlammen opgaan.
Zonder eenigen noemenswaardigen tegenstand te ontmoeten, kon Maurits zijn leger zuidwaarts tot voor het stadje Nieuwpoort voeren, hetwelk hij veroveren moest, om zich den weg naar Duinkerken te banen.
Bijna scheen het dat de Staten gelijk hadden gehad, toen zij Maurits’ bedenkingen tegen hun aandrang tot een aanvallenden oorlog ongegrondnoemden: de aanvang van den veldtocht was zeer gelukkig en scheen de macht van Albertus ernstig in gevaar te brengen. Onder zijne troepen heerschte muiterij wegens voortdurende slechte betaling, zij weigerden te vechten; de inneming van Nieuwpoort en Duinkerken scheen kort op handen.
In dezen hachelijken toestand waren het de moed en de geestkracht eener vrouw, die den aartshertog hulp aanbrachten. Zijne gemalin, de infante Isabella, geleek in vele opzichten op hare naamgenoot, Isabella de Katholieke: zij had hare geestkracht en hare standvastigheid in het ongeluk geërfd; bovendien was zij algemeen bemind, dewijl zij door zachtheid, mildheid en rechtvaardigheid de harten wist te winnen.
Isabella wendde zich zelve tot de muitende soldaten. Zij sprak hen met innemende vriendelijkheid toe, hield hun voor, dat het de vijand van hunne godsdienst en van hun vaderland was, tegen wien zij ten strijde waren geroepen en verzekerde hun, dat hunne soldij uitbetaald zou worden. „Liever,” riep zij uit, op hare gouden oorversierselen wijzende, „wil ik deze, ja al mijne sieraden ten offer brengen dan dulden, dat zulken braven krijgslieden hun loon onthouden wordt.”
De oude Spaansche soldaten, die de bevelen hunner officieren met bedreigingen beantwoord hadden, lieten zich door de roerende bede eener vrouw bewegen; onder het aanheffen van den kreet: „Leve de Infante!” grepen zij naar de wapenen en rukten zij, ongeveer 12.000 man sterk, met versnelden marsch naar Nieuwpoort op.
Maurits zag eensklaps een sterken vijand tegenover zich. Zijn toestand was zeer hachelijk. Voor zich had hij de vesting Nieuwpoort en in den rug het aanrukkend Spaansche leger. Aan de voortzetting van het beleg van Nieuwpoort viel niet te denken, want hij had nog geen tijd gehad om eene goed verschanste legerplaats aan te leggen. Vooruit kon hij dus niet en achterwaarts kon hij alleen dan, wanneer hij zich door het Spaansche leger heensloeg; want zijn eenige uitweg was hem afgesneden, nadat de Spanjaarden graaf Ernst Casimir van Nassau, den jongeren broeder van Willem Lodewijk, die de brug bij Leffingen had moeten bezetten, met een gevoelig verlies hadden afgeslagen.
Het is zoo, de terugtocht kon nog over zee beproefd worden, maar eene inscheping in het gezicht van den vijand was in Maurits’ oog zoo gevaarlijk, dat hij daarvan terstond afzag. In dezen gevaarlijken toestand leverde hij het bewijs, dat hij, wanneer het noodig was, ook zeer goed in staat was om een schier vermetel waagstuk te ondernemen. Hij spoorde zijn broeder, den 15jarigen Frederik Hendrik en eenige Engelsche en Duitsche heeren, die zich in zijn leger bevonden aan, om zich op de schepen, die leeftocht en krijgsbehoeften hadden aangevoerd, in veiligheid te stellen, maar allen verklaarden, dat zij met hem wilden overwinnen of sterven.
Nadat Maurits dit antwoord ontvangen had, gaf hijdenvloot bevel om weg te zeilen; hij liet zijnen troepen daardoor geene andere keus dan overwinnen of sterven: de kans om zich op de vloot te kunnen redden, zou wellicht bij eene ongunstige wending van den slag, menigen lafaard tot de vlucht verleid hebben, doch was deze hoop verijdeld, dan moesten de Nederlandsche soldaten zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen, wilden zij zich niet aan de trouwlooze en wreede Spanjaarden overgeven. Bovendien dreigde het gevaar, dat de bezetting van Nieuwpoort de schepen, zoo zij op de reede bleven liggen, in brand steken zou.
Na het wegzenden van de vloot bereidde Maurits alles tot den beslissenden slag voor, en den 2enJuli 1600 had deze plaats. Maurits behaalde eene schitterende overwinning: de Spanjaarden werden met een verlies van 3000 man op de vlucht gedreven, terwijl de Nederlanders slechts 1000 man verloren. Onder de gevangenen bevond zich ook Mendoza, de trotsche Spaansche veldheer, die—evenals de aartshertog—met zekerheid op de overwinning en op de geheele vernietiging van het Nederlandsche leger gerekend had. Ook de aartshertog werd gewond.
De slag bij Nieuwpoort is een der meest beroemde wapenfeiten uit den Nederlandschen vrijheidsoorlog. Hij leverde een nieuw bewijs voor de dapperheid van het Nederlandsche leger en voor het veldheerstalent van Maurits; maar een ander voordeel, dan dat de prins zich den weg naar de Nederlanden ontsloten had, leverde hij niet op. Maurits moest zelfs het beleg van Nieuwpoort opbreken, daar hij zich niet aan een tweeden aanval van het Spaansche leger blootstellen mocht.
Daags na den slag begaf Maurits zich naar Ostende, de havenstad, die zich toen nog in de handen der Nederlanders bevond. Hier ontmoette hij een aantal afgevaardigden der Staten, o. a. ook Oldenbarneveld.
De prins zeide tot deze heeren in tamelijk heftigebewoordingen, dat zij het geweest waren, die hem en zijn leger naar de slachtbank hadden gevoerd en dat alleen Gods genade redding aangebracht had. Het kwam tot eene heftige woordenwisseling en van dien dag af is, naar men meent, de vroeger zoo warme vriendschap tusschen Maurits en den advocaat van Holland verkoeld.
Tegen het einde van Juli keerde Maurits uit Vlaanderen naar Holland terug. De andere krijgsgebeurtenissen van het jaar 1600 en van de volgende jaren beteekenden zeer weinig, dewijl de Spanjaarden al hunne krachten wijdden aan de driejarige belegering van Ostende, die in het jaar 1601 een aanvang nam.
De inneming van die stad was in het oog van den aartshertog Albertus eene zaak van het hoogste belang. Ostende was voor de Nederlanders het natuurlijk steunpunt van een inval in Vlaanderen, terwijl die haven in de handen der Spanjaarden de beste gelegenheid zou aanbieden om den Zeeuwschen en Hollandschen handel te verontrusten.
De Nederlanders spanden al hunne krachten in om de gewichtige stad te behouden; maar tengevolge van de geldverlegenheid, door den langdurigen oorlog teweeg gebracht, en van den tegenzin, waarmee een groot deel der gewesten, die den eindeloozen strijd moede waren, de oorlogslasten droeg, konden zij geen leger op de been brengen, dat prins Maurits in staat stelde om Ostende te ontzetten.
Drie jaren lang verdedigde de stad zich met eene schitterende dapperheid; doch ook even dapper streden de Spanjaarden, die in den markies Ambrosio Spinola uit Genua een uitstekend aanvoerder hadden gekregen.
Aan Spinola was het te danken, dat er orde in het geldelijk beheer en in de legerinrichting der Spaansche gewesten kwam, dat de muiterij, waardoor de kracht van den aartshertog telkens op nieuw verlamd werd, ophield en dat het beleg van Ostende eindelijk met de meeste kracht doorgezet worden kon.
Den 2enSeptember 1604 gaf de stad zich eindelijk over. Van de 7000 man sterke bezetting waren slechts 3000 man overgebleven, wien vrije aftocht werd toegestaan.
Deze belegering had den Spanjaarden vreeselijke offers aan geld en menschenlevens gekost, men berekent dat in den loop van drie jaren 72000 Spanjaarden onder de muren der stad gebleven zijn. En wat had men daarvoor gewonnen? Een armzalige puinhoop, eene ledige stad, waaruit de inwoners—allen ijverige protestanten—uitweken. Zelfs het doel, dat men zich met de inneming voorgespiegeld had, werd niet eens bereikt, want kort te voren had Maurits het sterke Sluis in Vlaanderen, nabij de Zeeuwsche kust, veroverd, eene plaats die van niet minder gewicht was dan Ostende, en Zeeland zelfs nog beter dekte. De verovering van het geheele westelijke deel van Vlaanderen, voor zoover het aan Zeeland grensde, verhoogde nog de waarde van het bezit van Sluis en troostte de Nederlanders over het verlies van Ostende.
Terwijl deze gebeurtenissen gedurende de laatste jaren te land voorvielen, was ook de zee getuige van meer dan één belangrijk feit. Overal waar Nederlandsche en Spaansche schepen elkaar ontmoetten, vielen hevige gevechten voor, die met de grootste verbittering en met meedoogenlooze wreedheid gevoerd werden. De Hollanders plachten den Spaanschen gevangenen na zulke gevechten de voeten te spoelen, d. i. hen zonder plichtplegingen in zee te werpen en te verdrinken. De Spanjaarden waren in hunne wreedheid nog meer verfijnd; zij martelden de gevangenen dikwijls op eene afgrijselijke wijze, eer zij hen ter dood brachten.
Van belang voor de wereldgeschiedenis waren de meeste dezer grootere of kleinere zeegevechten niet, maar zij droegen het hunne er toe bij om de Nederlandsche zeemacht zoo te ontwikkelen, dat zij later in de geschiedenis van Europa eene hoogst belangrijke rol spelen kon. Tot het jaar 1584 hadden de Nederlanders zich om den transatlantischen handel weinig bekommerd; de onstuimige begeerte naar avontuurlijke reizen in vreemde landen, naar veroveringen in andere werelddeelen, die de overige zeevarende volken, inzonderheid de Spanjaarden en Portugeezen, bezielde, was den kalm berekenenden Hollanders en zeelieden vreemd gebleven. De Nederlandsche kooplieden achtten het veel voordeeliger, de vruchten der Spaansche en Portugeesche ontdekkingen te plukken, dan zelven op ontdekkingen uit te gaan. Uit Lissabon haalden zij de kostelijkste voortbrengselen van Oost en West en voerden die den overigen Europeeschen volken toe.
Tot het jaar 1584 duurde de vrije handel der Nederlanders met Portugal in weerwil van den oorlog voort. In dat jaar verbood echter Philips alle verkeer tusschen de beide landen, in de meening, dat hij daardoor den oproerigen gewesten een doodelijken slag toebracht. Reeds sinds lang had er een zeer levendig handelsverkeer tusschen de Nederlanders en de bewoners van noordelijk Rusland bestaan. Genen waren daardoor met de noordelijke zeeën bekend geworden en thans ontwierpen zij het stoute plan om eene noordelijke doorvaart naar het Oosten te zoeken, ten einde langs dien weg zelfstandig den handel te drijven, dien zij tot dusver alleen door tusschenkomst der Portugeezen gevoerd hadden.
De onderneming mislukte; meer dan ééne poging stuitte af op onoverkomelijke bezwaren, doch zij leidden tot belangrijke ontdekkingen in de noordelijke zeeën, waardoor de Hollanders zich groote verdiensten ten aanzien van de aardrijksbeschrijving dier onherbergzame streken verworven hebben.
Gelukkiger waren andere stoutmoedige zeelieden, die langs den gewonenweg naar Oost-Indië voeren en daar met de inlandsche vorsten handelsverbintenissen aanknoopten; wel vonden ook velen hunner in die verwijderde landen den dood, doch anderen keerden met roem overladen naar hun vaderland terug en de door hen behaalde voordeelen prikkelden hunne landgenooten tot navolging; in het jaar 1601 ondernamen reeds 22 schepen uit Hollandsche havens de reis naar Indië.
Philips II had door het verbieden van den handel met Portugal den Nederlandsche scheepvaart geene schade toegebracht, maar haar een nieuwe vlucht doen nemen. Den handel op Spanje had hij niet durven verbieden, dewijl hij wist, dat hij daardoor de welvaart van zijn eigen land nog meer dan die der Nederlanders fnuiken zou. Hij liet daarom den handel tusschen de Spanjaarden en de oproerige gewesten toe. Zijn opvolger Philips III daarentegen besloot den Hollanders ook den handel op Spanje te verbieden, terwijl Albertus en Isabella tegelijk alle handelsverbintenissen der Nederlanders met België ophieven.
De Nederlanders beantwoordden deze maatregelen met een verbod van allen handel op Spanje en Spaansche havens, niet alleen voor hunne eigene maar ook voor alle onzijdige schepen, zij verklaarden, dat zij elk naar eene Spaansche haven bestemd schip als vijandig, en de daarin geladene goederen als vijands goed beschouwen en behandelen zouden. Tegelijk verdubbelden zij hunne krachtsinspanning, om een rechtstreeks verkeer met Indië tot stand te brengen en daar volkplantingen te stichten. In den loop van enkele jaren breidde zich tengevolge daarvan de Indische handel reeds over den Archipel der Hindoe-eilanden, de Molukken, Ceylon en een deel van Achter-Indië uit. De Indische vorsten en volken beschouwden de Hollanders grootendeels als hunne natuurlijke bondgenooten tegen de gehate Portugeezen, en sloten gaarne met hen verdragen; al vielen er ook hier en daar vijandige botsingen met de inlanders voor, toch groeide de invloed der Hollanders in Indië onophoudelijk aan, vooral sinds een gezantschap van een Indisch vorst in Europa aangekomen en door prins Maurits op de schitterendste wijze ontvangen was. De gezanten wisten na hunne terugkomst in hun vaderland, door de schildering van de macht der Nederlanders, vele Indische vorsten voor een bondgenootschap met hen te winnen.
Tot dusver was de Indische handel door bijzondere vereenigingen gevoerd, die natuurlijk als mededingers naast elkander waren opgetreden; het kon niet anders, of hierdoor was de prijs der Europeesche waren in Indië en die der Indische waren in Europa meer dan eens gedrukt en de goede uitslag eener reis verijdeld. Deze mededinging was in het oog der Staten bedenkelijk; zij meenden den voor het moederland zoo gewichtigen handel op Indië te moeten regelen; eene samensmelting van de bestaande Indische handelslichamen was in hun oog noodzakelijk, ten einde de gevaarlijke mededinging uit te sluiten. Voornamelijk op raad en aansporing van Oldenbarneveld, werd in het jaar 1602 de Vereenigde Oost-Indische compagnie gesticht, en aan dat lichaam het uitsluitend recht om op Indië handel te drijven voor den tijd van 21 jaren verleend. Tevens ontving zij het recht om verbintenissen met vreemde vorsten aan te gaan en oorlog te voeren en vrede te sluiten, alles in naam van de Staten-Generaal. De compagnie, aan wier hoofd het regeerende collegie van Indië stond, was alzoo eene handelsvereeniging met uitgebreide staatkundige rechten. In de compagnie bezat Amsterdam de helft, Zeeland een vierde en Delft, Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen te zamen ook een vierde van het getal aandeelen.Uit deze verdeeling blijkt, welk een trap van bloei de handel van Amsterdam in die dagen reeds bereikt had.
Na de stichting van de Oost-Indische compagnie, namen de handel en de colonisatie der Nederlanders in Indië eene ongekende vlucht. De schatten van Indië werden van nu af naar de Nederlanden en van daar in den Europeeschen handel gebracht. De Spaansche en Portugeesche handel daarentegen begon dagelijks sterker te kwijnen en op zijne herleving bestond er geene hoop, zoolang de oorlog met de Nederlanders duurde.
Deze vreeselijke oorlog, door een paar kleine oproerige provinciën jaren achtereen met nooit verlamde geestkracht en onwrikbare volharding tegen het wereldrijk Spanje gevoerd, had reeds millioenen bij millioenen verslonden en nog was het einde daarvan niet te zien. Spanje’s geldmiddelen waren uitgeput, vorst en volk waren den krijg moede en smachten dus naar den vrede. Ook Albertus koesterde denzelfden wensch. Al had Spinola door zijn veldheerstalent zijnen wapenen meer dan eene overwinning verschaft en door zijne belangeloosheid en zelfopoffering voorshands de muiterij in het leger onderdrukt, toch meende de aartshertog een eervollen vrede boven dezen vreeselijken oorlog te moeten verkiezen. De hoop op de onderwerping der oproerige gewesten had hij bijna opgegeven, ja hij vreesde zelfs, dat bij een ongelukkigen uitslag van den strijd een deel der Spaansche Nederlanden weder voor den koning zou verloren gaan.
In het begin van het jaar 1607 zond Albertus twee gezanten tot prins Maurits, Willem Lodewijk van Nassau en Oldenbarneveld, als de drie invloedrijkste mannen der republiek om met hen over het sluiten van den vrede te onderhandelen.
In de Nederlanden waren de gevoelens zeer verdeeld over de vraag, of het beter was, den oorlog voort te zetten dan wel den vrede te sluiten. Aan het hoofd der oorlogspartij, waartoe de dweepzieke protestantsche predikanten en een groot deel der lagere volksklasse behoorden, stond prins Maurits. Hij had goede gronden voor de voortzetting van den oorlog aan te voeren. Zoowel Spanje’s schatkist—zeide hij—als de kracht van het volk was uitgeput, zijn handel verlamd, zijn crediet diep geschokt. Indien men thans vrede sloot, dan zou de Spaansche trouwloosheid daarvan slechts gebruik maken om nieuwe kracht voor een lateren oorlog te verzamelen. Een vijand, die van het beginsel uitging, nooit zijn woord te houden, kon men niet vertrouwen.
Zulke staatkundige redeneeringen waren volstrekt niet van grond ontbloot: de vredespartij hechtte daaraan echter minder gewicht, omdat Maurits belang het voortzetten van den oorlog medebracht. Zoolang deze duurde, was de prins de invloedrijkste man in den staat, terwijl hij, zoodra de vrede gesloten was, op ééne lijn zou komen te staan met andere aanzienlijke personen. Aan het hoofd der vredespartij, waartoe de rijke handelaars, al de patriciërs der steden en vele edellieden behoorden, stond Oldenbarneveld. Deze wees er op, dat de republiek geheel alleen stond in den oorlog, waarin zij hare beste krachten verspilde. In vredestijd zou de handel nog hooger vlucht nemen en zouden de staatsinstellingen der jeugdige republiek bevestigd worden.
Oldenbarneveld wenschte oprechtelijk den vrede, wellicht omdat hij toen reeds vreesde, dat Maurits van Nassau, door eerzucht verleid, zijn in den oorlog steeds aangroeienden roem zou misbruiken om de republikeinsche staatsregeling omver te werpen. Doch in weerwil hiervan dacht’s lands advocaat er volstrekt niet aan, vrede te verlangen tot elken prijs, hij wilde slechts zulk een vrede sluiten, waarvan de erkenning van de onafhankelijkheid der republiek den grondslag uitmaakte. Hij wist het door te zetten, dat althans de onderhandelingen met Spanje en den aartshertog Albertus geopend werden. De koning van Frankrijk en de koningin van Engeland boden hiertoe hunne bemiddeling aan en Hendrik IV zond zelf den president Jeannin, een bekwaam staatsman, naar den Haag. Ook Spinola begaf zich derwaarts en werd op de eervolste wijze ontvangen, daar zijne verdiensten door vriend en vijand erkend werden.
De onderhandelingen werden in den beginne met tamelijk goeden uitslag gevoerd; tot een vredesverdrag konden zij echter niet leiden, want twee eischen, door de Spaansche gezanten gesteld, waren in de schatting der Nederlanders volstrekt onaannemelijk. De erkenning van de vrijheid en onafhankelijkheid der republiek zegden de gezanten toe, ook de heropening van de Spaansche havens werd door hen niet geweigerd, maar daarvoor eischten zij, dat de Staten den handel op Indië zouden opgeven en dat den Nederlandschen katholieken vrije uitoefening van hunnen eeredienst zou worden vergund.
Over den eersten eisch ging een kreet van verontwaardiging op onder den geheelen handelsstand, die overigens schier eenstemmig den vrede voorstond. Dezen voordeeligen handel, die ten koste van zoovele offers aan geld en menschenlevens, tot een hoogen trap van bloei gebracht was, waaraan de Nederlanders in de laatste jaren het snel aangroeien van hun rijkdom dankten, kon en mocht men niet opgeven. De kooplieden drongen er integendeel op aan, dien verder uit te breiden, ook in Brazilië volkplantingen te stichten en eene West-Indische compagnie te vormen, ten einde ook in Spaansch-America vasten voet te krijgen.
De vrijheid van eeredienst der katholieken vond een even heftigen tegenstand bij de streng-gereformeerden; nog was de tijd der ware verdraagzaamheid niet gekomen. Willem van Oranje had gedurende zijn leven te vergeefs zijn best gedaan om katholieken en protestanten tot wederzijdsche verdraagzaamheid te bewegen en na dien tijd was in den bloedigen krijg de geloofshaat, helaas! nog aangegroeid.
De beide eischen der Spaansche gezanten werden dus onvoorwaardelijk van de hand gewezen en tengevolge hiervan sprongen in Augustus 1608 de vredesonderhandelingen af.
Zou de oorlog thans met verdubbelde woede hervat worden? Daar tegen verklaarde Hendrik IV van Frankrijk zich krachtig; hij wenschte, dat ten minste een wapenstilstand voor een zeker aantal jaren zou worden gesloten. Zijne liefde tot den vrede was echter niet geheel belangeloos; de geheime ondersteuning, door hem tot dusver den Nederlanders verleend, was hem tot een last; in weerwil hiervan legde zijn raad en die van den Engelschen gezant een groot gewicht in de schaal.
Maurits verzette zich van zijnen kant ernstig tegen een wapenstilstand, alle gronden, door hem tegen den vrede aangevoerd, golden met dubbelen nadruk tegen eene eenvoudige wapenschorsing. Hij vond een krachtigen steun bij het volk. Een groot aantal vlugschriften werd verspreid, waarin op de voortzetting van den krijg aangedrongen werd. Men mocht, zoo heette het daarin, den vijand niet den tijd gunnen om zich te versterken en met dit doel zou Spanje tot het sluiten van een wapenstilstand overgaan. Allen, die het bestand aanrieden, o. a. ook Oldenbarneveld, warenverraders. Thans werd de oorlog met goeden uitslag gevoerd, het volk was gewend aan de lasten, dien hij oplegde, door den wapenstilstand daarentegen zou de kracht des volks worden verlamd. Gedurende dat bestand moest men tegenover den verraderlijken vijand de grenzen even sterk bezet houden als in oorlogstijd, men moest alzoo een deel van de lasten des oorlogs dragen, zonder daarvan de vruchten te plukken.
Maurits stelde zich aan het hoofd der oorlogspartij, en nam de pers, tegen wier uitspattingen in de Staten-Generaal ernstige klachten ingebracht werden, in bescherming; doch al zijne pogingen bleven vruchteloos. Hendrik IV zond den Nederlanders den 23enOctober 1608 een brief, waarin hij o. a. zeide:
„Ik heb uwen twijfel aangaande mijnen goeden wil U zeer kwalijk genomen. Wanneer de wapenstilstand gevaarlijk is en zijne gevolgen niet met volkomene juistheid te berekenen zijn, de oorlog is nog veel gevaarlijker en onzekerder; wanneer Gij den toestand der Nederlanden beter kent dan ik, ik ben beter aangaande de gesteldheid der Europeesche christenheid onderricht en ik vind Uwen wensch zonderling, dat ik onzijdig blijven en den Nederlanders toestaan zou, op hunne wijze den oorlog voort te zetten. Frankrijk behoeft voor zijne veiligheid noch den Nederlandschen wapenstilstand noch den oorlog en wat ik heb gedaan, is alleen om uw bestwil gedaan, enz.”
In denzelfden geest lieten de Fransche, Duitsche en Engelsche gezanten zich tegenover de Staten uit en ze vonden een krachtigen steun bij Oldenbarneveld, die er eindelijk in slaagde alle provinciën voor den wapenstilstand te winnen en ook Maurits dwong om, hoe schoorvoetend dan ook, toe te geven. Men heeft Oldenbarneveld verweten, dat hij in deze belangrijke zaak door baatzucht gedreven werd, dat hij door Jeannin, den Franschen gezant, omgekocht was. Inderdaad heeft de beroemde staatsman, na het sluiten van het bestand, een geschenk in geld van den Franschen koning aangenomen; volgens onze tegenwoordige begrippen zou hij zich dus hebben laten omkoopen, doch volgens de denkbeelden van dien tijd was dit niet het geval. Het was toen eene zeer gewone zaak, dat staatsdienaars van vreemde vorsten geschenken aannamen; dit werd dan alleen als omkooping beschouwd, wanneer die geschenken het loon waren voor verraderlijke diensten; Oldenbarneveld was vast overtuigd, dat een vrede of een langdurige wapenstilstand voor zijn vaderland eene behoefte was; hij liet zich door geene schatten ter wereld overhalen om tegen zijne overtuiging te handelen, maar handelde daarmede altijd in overeenstemming.
Toch valt het niet te ontkennen, dat het voor Oldenbarneveld beter zou zijn geweest, indien hij den aanlokselen van het geld weerstand geboden en de geschenken van den Franschen koning van de hand gewezen had. Ongetwijfeld zou dan zijn levenseind minder treurig zijn geweest dan thans.
Den 9enApril 1609 werd te Antwerpen het twaalfjarig bestand gesloten, waarin de vereenigde gewesten als vrije staten erkend werden. Beide partijen bleven in het bezit van de landen, steden en vestingen, welke zij op dat tijdstip bezaten, de handel op Indië werd den Nederlanders, zij het ook in vrij dubbelzinnige uitdrukkingen, toegestaan.
Zoo was er voorloopig een einde gekomen aan den oorlog, die reeds gedurende bijna 40 jaren had gewoed. De Nederlanders hadden hunnen vijand tot het erkennen van hunne vrijheid gedwongen, de vereenigde gewesten waren opgetreden in de rij der onafhankelijke staten van Europa, waaronder zij weldra eene hoogst belangrijke plaats zouden innemen.