Achtste Vertelling.

[Inhoud]Achtste Vertelling.Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige te worden veroordeeld.Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding[208](wiens sympathie om geen andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens weinig zal helpen.Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen[209]gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna hield het gelaat omlaag en[210]wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg17het gewoon was te gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken[211]zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord hadden.Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten[212]en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo’n[213]afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, dat ze van hem zwanger was.De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen:Doe mij open! doe mij open!en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn zoon,[214]nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een groote verbazing en liet er vroom hetMiserereom zingen.Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello18, voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde toenemen.Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.[215][Inhoud]Negende Vertelling.Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram19genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar[216]daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meesterGérardde Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik[217]u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon tebeminnenen die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn, omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote toebereidselen maken voor hetbruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot kapitein gemaakt van een[218]zeker aantal manschappen. Toen hij van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, trok zij zich terug in eene kleine[219]herberg, welke een goede weduwe hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik vernomen heb en meen te[220]begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de gravin alle met zorg bewaarde.Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat[221]ik doe wat u aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij de[222]waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.[Inhoud]Tiende Vertelling.Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal.20Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht onderworpen is.Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa21[223]in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda22geheel alleen in ’t geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat zij niet bemerkte,[224]hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij van haar verlangde.Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op deknieënliggen, alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat[225]zij hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit komen.Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had gelegd op de goederen van[226]haar vader als van een man gestorven zonder erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren.23Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar[227]hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijkvan hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen24. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:Geen troosteloozeHeeft zich zoo te beklagen als ik,Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.[228]Hij, die den hemel beweegt en elke sterMaakte mij naar zijn welbehagenLief, bekoorlijk, gracieus en schoonOm hier omlaag aan elk hoog verstandEenig teeken te gevenVan de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,En de menschelijke onvolmaaktheid,Die mij slecht heeft gekend,Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarneAls jong meisje mij namIn zijn armen en daarna in al zijn gedachtenEn voor mijn oogen geheel ontvlamde.En de tijd, die licht voorbij vliegtVerkwiste hij geheel met mij te beminnen,En ik, die hoffelijk ben,Maakte hem mijner waardig,Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.Toen kwam tot mij een trotscheEn fiere jonkman,Die zich edel roemde en dapperEn mij nam en hield en met valsche gedachteJaloersch is geworden.Daarover, helaas, ben ik wanhopig,In waarheid wetendDat ik, voor het heil van velen ter wereldGekomen, door één geheel ben vermeesterd.Ik verfoei mijn ongeluk,Toen ik om vrouw te wordenHet ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijdeZag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nuEen hard leven leid,Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.O smartbrengende vreugde!Waarom ben ik niet gestorven,Voor ik dit en zoo heb beleefd!O dierbare minnaar, waarover ik eerstMeer dan over ieder ander blijmoedig was,En die thans in den hemel is bij Hem,Die ons schiep, zie heb medelijden[229]Met mij, die voor anderenU niet kan vergeten: doe mij gevoelen,Dat de vlam niet is uitgebluscht,Die voor mij U verteerde,En erlang daar voor mij het wederzien.Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer terugkeerde.[230]

[Inhoud]Achtste Vertelling.Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige te worden veroordeeld.Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding[208](wiens sympathie om geen andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens weinig zal helpen.Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen[209]gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna hield het gelaat omlaag en[210]wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg17het gewoon was te gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken[211]zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord hadden.Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten[212]en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo’n[213]afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, dat ze van hem zwanger was.De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen:Doe mij open! doe mij open!en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn zoon,[214]nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een groote verbazing en liet er vroom hetMiserereom zingen.Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello18, voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde toenemen.Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.[215][Inhoud]Negende Vertelling.Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram19genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar[216]daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meesterGérardde Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik[217]u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon tebeminnenen die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn, omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote toebereidselen maken voor hetbruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot kapitein gemaakt van een[218]zeker aantal manschappen. Toen hij van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, trok zij zich terug in eene kleine[219]herberg, welke een goede weduwe hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik vernomen heb en meen te[220]begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de gravin alle met zorg bewaarde.Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat[221]ik doe wat u aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij de[222]waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.[Inhoud]Tiende Vertelling.Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal.20Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht onderworpen is.Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa21[223]in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda22geheel alleen in ’t geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat zij niet bemerkte,[224]hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij van haar verlangde.Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op deknieënliggen, alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat[225]zij hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit komen.Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had gelegd op de goederen van[226]haar vader als van een man gestorven zonder erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren.23Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar[227]hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijkvan hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen24. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:Geen troosteloozeHeeft zich zoo te beklagen als ik,Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.[228]Hij, die den hemel beweegt en elke sterMaakte mij naar zijn welbehagenLief, bekoorlijk, gracieus en schoonOm hier omlaag aan elk hoog verstandEenig teeken te gevenVan de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,En de menschelijke onvolmaaktheid,Die mij slecht heeft gekend,Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarneAls jong meisje mij namIn zijn armen en daarna in al zijn gedachtenEn voor mijn oogen geheel ontvlamde.En de tijd, die licht voorbij vliegtVerkwiste hij geheel met mij te beminnen,En ik, die hoffelijk ben,Maakte hem mijner waardig,Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.Toen kwam tot mij een trotscheEn fiere jonkman,Die zich edel roemde en dapperEn mij nam en hield en met valsche gedachteJaloersch is geworden.Daarover, helaas, ben ik wanhopig,In waarheid wetendDat ik, voor het heil van velen ter wereldGekomen, door één geheel ben vermeesterd.Ik verfoei mijn ongeluk,Toen ik om vrouw te wordenHet ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijdeZag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nuEen hard leven leid,Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.O smartbrengende vreugde!Waarom ben ik niet gestorven,Voor ik dit en zoo heb beleefd!O dierbare minnaar, waarover ik eerstMeer dan over ieder ander blijmoedig was,En die thans in den hemel is bij Hem,Die ons schiep, zie heb medelijden[229]Met mij, die voor anderenU niet kan vergeten: doe mij gevoelen,Dat de vlam niet is uitgebluscht,Die voor mij U verteerde,En erlang daar voor mij het wederzien.Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer terugkeerde.[230]

[Inhoud]Achtste Vertelling.Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige te worden veroordeeld.Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding[208](wiens sympathie om geen andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens weinig zal helpen.Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen[209]gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna hield het gelaat omlaag en[210]wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg17het gewoon was te gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken[211]zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord hadden.Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten[212]en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo’n[213]afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, dat ze van hem zwanger was.De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen:Doe mij open! doe mij open!en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn zoon,[214]nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een groote verbazing en liet er vroom hetMiserereom zingen.Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello18, voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde toenemen.Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.[215][Inhoud]Negende Vertelling.Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram19genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar[216]daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meesterGérardde Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik[217]u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon tebeminnenen die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn, omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote toebereidselen maken voor hetbruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot kapitein gemaakt van een[218]zeker aantal manschappen. Toen hij van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, trok zij zich terug in eene kleine[219]herberg, welke een goede weduwe hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik vernomen heb en meen te[220]begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de gravin alle met zorg bewaarde.Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat[221]ik doe wat u aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij de[222]waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.[Inhoud]Tiende Vertelling.Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal.20Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht onderworpen is.Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa21[223]in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda22geheel alleen in ’t geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat zij niet bemerkte,[224]hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij van haar verlangde.Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op deknieënliggen, alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat[225]zij hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit komen.Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had gelegd op de goederen van[226]haar vader als van een man gestorven zonder erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren.23Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar[227]hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijkvan hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen24. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:Geen troosteloozeHeeft zich zoo te beklagen als ik,Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.[228]Hij, die den hemel beweegt en elke sterMaakte mij naar zijn welbehagenLief, bekoorlijk, gracieus en schoonOm hier omlaag aan elk hoog verstandEenig teeken te gevenVan de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,En de menschelijke onvolmaaktheid,Die mij slecht heeft gekend,Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarneAls jong meisje mij namIn zijn armen en daarna in al zijn gedachtenEn voor mijn oogen geheel ontvlamde.En de tijd, die licht voorbij vliegtVerkwiste hij geheel met mij te beminnen,En ik, die hoffelijk ben,Maakte hem mijner waardig,Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.Toen kwam tot mij een trotscheEn fiere jonkman,Die zich edel roemde en dapperEn mij nam en hield en met valsche gedachteJaloersch is geworden.Daarover, helaas, ben ik wanhopig,In waarheid wetendDat ik, voor het heil van velen ter wereldGekomen, door één geheel ben vermeesterd.Ik verfoei mijn ongeluk,Toen ik om vrouw te wordenHet ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijdeZag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nuEen hard leven leid,Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.O smartbrengende vreugde!Waarom ben ik niet gestorven,Voor ik dit en zoo heb beleefd!O dierbare minnaar, waarover ik eerstMeer dan over ieder ander blijmoedig was,En die thans in den hemel is bij Hem,Die ons schiep, zie heb medelijden[229]Met mij, die voor anderenU niet kan vergeten: doe mij gevoelen,Dat de vlam niet is uitgebluscht,Die voor mij U verteerde,En erlang daar voor mij het wederzien.Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer terugkeerde.[230]

[Inhoud]Achtste Vertelling.Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige te worden veroordeeld.Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding[208](wiens sympathie om geen andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens weinig zal helpen.Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen[209]gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna hield het gelaat omlaag en[210]wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg17het gewoon was te gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken[211]zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord hadden.Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten[212]en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo’n[213]afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, dat ze van hem zwanger was.De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen:Doe mij open! doe mij open!en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn zoon,[214]nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een groote verbazing en liet er vroom hetMiserereom zingen.Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello18, voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde toenemen.Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.[215]

Achtste Vertelling.Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.

Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.

Ferondo, door het slikken van zekere poeders, wordt voor dood begraven. Door den abt, die met zijn vrouw zich verheugt, wordt hij uit de kist gehaald en in een gewelf gezet, waar men hem doet gelooven, dat hij in het vagevuur is. Daarna weder opgestaan neemt hij een zoon van den abt, waarvan zijn vrouw beviel, als den zijne aan.

Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige te worden veroordeeld.Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding[208](wiens sympathie om geen andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens weinig zal helpen.Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen[209]gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna hield het gelaat omlaag en[210]wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg17het gewoon was te gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken[211]zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord hadden.Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten[212]en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo’n[213]afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, dat ze van hem zwanger was.De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen:Doe mij open! doe mij open!en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn zoon,[214]nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een groote verbazing en liet er vroom hetMiserereom zingen.Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello18, voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde toenemen.Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.[215]

Toen het lange verhaal van Emilia ten einde was, dat evenwel door zijn lengte niemand verveelde, maar door alle erkend werd kort te zijn verteld, daar men acht gaf op de hoeveelheid en de verscheidenheid der daarin vermelde gebeurtenissen, schonk de koningin, die door een enkel teeken aan Lauretta haar verlangen had te kennen gegeven, haar gelegenheid om te beginnen: Zeer geliefde donna’s. Ik geloof, dat ik U een waarheid moet zeggen, die veel meer dan op wat zij was, op een leugen geleek en die ik mij herinnerde, toen ik hoorde, dat iemand in plaats van een ander beweend en begraven werd. Ik zal U dan vertellen, hoe een levende als doode begraven werd en hoe daarna hij zelf en vele anderen geloofden, dat hij als een geest weer was opgestaan en door hen als heilige vereerd werd, ofschoon hij veeleer verdiende als schuldige te worden veroordeeld.

Er was dan en er is nog in Toscane een abdij gelegen, gelijk wij er velen zien, op een plaats weinig door de menschen bezocht, waarin een monnik abt werd gemaakt, die in alles zeer heilig was, behalve in den omgang met vrouwen en hij wist dit zoo sluw aan te leggen, dat niemand het vermoedde en men er ver van was het te weten, omdat hij in ieder opzicht voor zeer heilig en eerlijk werd gehouden. Nu was de abt bevriend met een zeer rijken boer, die Ferondo heette, een zeer zinnelijk en grof man zonder opvoeding[208](wiens sympathie om geen andere reden aan den abt beviel dan omdat hij er zich mee vermaakte hem met zijn onnoozelheid vaak voor den mal te houden). Hierbij bemerkte de abt, dat Ferondo een zeer schoone vrouw tot echtgenoote had, waarop hij zoo vurig verliefd werd, dat hij dag en nacht aan niets anders meer dacht. Maar daar hij hoorde, dat Ferondo—hoezeer in andere opzichten onnoozel en dwaas—in het beminnen en bewaken van zijn vrouw zeer wijs was, werd hij haast wanhopig. Maar toch, hoewel Ferondo zeer slim was, slaagde hij er in hem met zijn vrouw soms een luchtje te laten scheppen in den tuin van het klooster en hier sprak hij met hen bescheiden over de zaligheid van het eeuwige leven en van de zeer heilige werken van vele vroegere mannen en vrouwen, zoodat bij de donna de begeerte opkwam bij hem te biechten. Zij vroeg en verkreeg daarvoor het verlof van Ferondo. Toen de donna bij den abt kwam biechten tot zijn groot genoegen en zij zich aan zijn voeten had gezet, begon zij voor iets anders dit te zeggen: Mijn heer, als God mij den waren echtgenoot had gegeven of niet, misschien zou het mij dan licht vallen op Uw aansporingen den weg te betreden, waarvan gij mij hebt gesproken en die naar het eeuwige leven leidt; maar wanneer ik Ferondo beschouw en zijn dwaasheid, kan ik mij weduwe noemen en toch ben ik in zoover getrouwd, dat ik, zoolang ik leef, geen ander tot echtgenoot mag hebben. En hij, zoo dwaas als hij is, is zonder eenige reden zoo vreeselijk jaloersch op mij, dat ik hierdoor niet anders dan in verdriet en ongeluk met hem kan leven. Hierom, de eerste keer dat ik U weer biecht, bid ik nederig zooveel ik kan, dat gij, wat dit aangaat, eenige raad zult geven, omdat het biechten, als ik van af dien keer niet goed begin te handelen, mij overigens weinig zal helpen.

Die redeneering trof den abt met groot genoegen; het scheen hem, dat de fortuin hem den weg naar zijn grootste verlangen geopenbaard had en hij zeide: Mijn dochter, ik geloof, dat het een groote smart is voor een mooie en teergevoelige vrouw als gij zijt tot man een gek te hebben, maar ik geloof, dat het nog erger is, een jaloersche te hebben. Daarom, daar gij allebei in hem bezit, geloof ik gaarne, wat gij van Uw verdriet zegt. Maar om kort te gaan, ik zie er raad noch baat voor behalve dit eene, dat Ferondo zich van dien naijver geneest. Het middel om hem te verbeteren zou ik al te goed weten te bereiden, mits gij den moed hebt geheim te houden, wat ik U zal zeggen. De donna zeide: Mijn vader, twijfel daar niet aan, omdat ik liever zou sterven dan dat ik aan anderen vertelde, wat gij mij zegt voor anderen te moeten verzwijgen. Maar hoe kan dat gebeuren? De abt antwoordde: Indien wij willen, dat hij beter wordt, is het noodig dat hij in het vagevuur gaat. En hoe, vroeg de donna, zal hij daar levend in kunnen[209]gaan. De abt hernam: Hij moet sterven en zoo zal hij er in gaan, en wanneer hij zooveel pijn zal doorstaan hebben, dat hij van zijn jaloerschheid zal zijn genezen zullen wij met zekere gebeden God smeeken, dat hij in dit leven terugkeert en Hij zal het doen. Dus, zei de donna, zal ik weduwe moeten blijven? Ja, antwoordde de abt, gedurende een zekeren tijd, waarin gij wel zult moeten oppassen niet met een ander te huwen, omdat God het U kwalijk zou nemen, en als Ferondo hier terugkeert, zoudt gij naar hem toe moeten gaan en hij jaloerscher zijn dan ooit. De donna zeide: Mits hij geneest van die ziekte, zal ik tevreden zijn, daar het mij niet behaagt altijd als in een gevangenis te leven; doe wat gij wilt. Toen zeide de abt: Goed, ik zal het doen, maar welke belooning zal ik krijgen voor dien dienst? Mijn vader, zeide de donna, dat wat gij verkiest, mits ik het kan; maar wat kan een vrouw als ik doen voor een man als gij, dat hem bevalt. Toen zeide de abt: Madonna, gij kunt niet minder voor mij doen dan ik voor u, omdat, wanneer ik er toe bereid ben te doen, wat uw welzijn en troost moet zijn, gij evenzoo dat kunt doen, wat tot heil en geluk van mijn leven kan strekken. Toen zeide de donna: Indien dit zoo is, ben ik bereid. Dan, zei de abt, zult gij mij uw liefde geven en gij zult mij met u te goed doen, waarnaar ik zoo vurig verlang en wat mij verteert. De donna antwoordde bij die woorden geheel verschrikt: Wee mij, mijn vader, wat vraagt gij? Ik geloofde, dat gij een heilige waart en gaat het nu voor heilige mannen aan degenen, die tot hen komen om raad, zulke dingen te vragen? Hierop hernam de abt: Mijn schoone ziel, verwonder u niet, omdat hierdoor de heiligheid niet minder wordt, daar die in de ziel zetelt en wat ik u vraag een zonde des lichaams is. Maar hoe dit ook zij, uw begeerlijke schoonheid heeft zooveel geweld over mij gehad, dat de liefde mij dwingt aldus te handelen. En ik zeg u, dat gij meer dan andere donna’s op uw schoonheid u kunt beroemen, daar ik meen, dat zij aan de heiligen behaagt, die gewoon zijn die des hemels te zien en bovendien hoewel ik abt ben, ben ik een man als de anderen en gelijk gij ziet, ben ik nog niet oud. Dat moet voor u niet moeilijk zijn om te doen; gij moet het integendeel verlangen, omdat, terwijl Ferondo in het vagevuur zal blijven, ik u, die u bij nacht gezelschap houdt, dien troost zal geven, dien hij u moest schenken. Nooit zal iemand er iets van merken, daar ieder van mij dit gelooft en meer dan wat gij kort geleden geloofde. Weiger de genade niet, die God u schenkt, want de vrouwen zijn talrijk, die zouden begeeren wat gij hebben kunt en zult hebben, indien gij wijs naar mijn raad luistert. Behalve dat heb ik mooie juweelen en kostbare steenen, die ik niet wil, dat aan een ander zullen behooren dan aan u. Doe dus, mijn zoete hoop, voor mij, wat ik voor u gaarne doe. De donna hield het gelaat omlaag en[210]wist niet hoe hem te weigeren en het hem toe te staan scheen haar ook niet goed; daardoor scheen de abt, die zag, hoe zij had geluisterd en niet dadelijk antwoordde, dat hij haar al half had overreed en ging met vele andere woorden na de laatsten voort, eer hij ophield en omdat hij zich ingepraat had, dat dit wèl gedaan was. Daardoor zeide zij heel verlegen, dat zij tot elk verzoek van hem bereid was, maar niet te kunnen voor Ferondo in het vagevuur was gegaan. Hierop antwoordde de abt zeer tevreden: Wel, wij zullen maken, dat hij er dadelijk naar toegaat, zorg maar, dat hij morgen of overmorgen mij komt opzoeken.

Na deze woorden en na haar heimelijk een zeer fraaien ring in handen te hebben gegeven, liet hij haar gaan. De donna verheugd over het geschenk en in afwachting van de anderen, keerde tot haar gezellinnen terug om bijna wonderbare dingen te vertellen over de heiligheid van den abt en ging met hen naar huis. Een paar dagen daarna ging Ferondo naar de abdij, waar, zoodra de abt hem zag, deze zich voornam hem naar het vagevuur te sturen en zocht naar een poeder van wonderbare kracht, dat hij van een machtig Vorst had gekregen uit de streken van den Levant, die beweerde, dat de Oude van den Berg17het gewoon was te gebruiken, wanneer hij iemand slapend naar het paradijs wou sturen, of hem er uit voeren, en dat het in meerdere of mindere dosis gegeven, zonder eenige hindernis meer of minder hem deed slagen, die het nam, en dat zoolang zijn kracht duurde, het voor drie dagen slapen voldoende was. Hij gaf het in een beker wijn, die nog troebel was, aan Ferondo in zijn cel te drinken zonder dat die het merkte en voerde hem vervolgens in het klooster, waar hij met verschillende anderen van zijn monniken zich over zijn dwaasheden begon te vermaken. Het duurde niet lang of het poeder begon te werken en Ferondo werd door zulk een plotselingen en zwaren slaap bevangen, dat hij nog staande insluimerde en zoo neerviel. De abt, die net deed of hij ongerust werd over dit ongeval, liet hem ontkleeden, koud water halen, het in zijn gezicht werpen en vele andere middelen beproeven om hem tot het leven terug te voeren en het bewustzijn te hergeven, alsof hij door een of andere maagaandoening of iets anders was aangetast. Toen de abt en de monniken[211]zagen, dat hij van dit alles niets gewaar werd, men hem den pols voelde en geen gevoel bespeurde, geloofden allen als zeker, dat hij dood was. Daarom lieten zij aan zijn vrouw en aan zijn bloedverwanten zeggen, dat zij er allen haastig heen zouden komen en toen de vrouw met haar familie hem eenigen tijd hadden beweend, werd hij, gekleed als hij was, door den abt in een doodkist gelegd.

De donna keerde naar huis terug en zeide, dat zij nooit van een klein kind wilde scheiden, dat zij van hem had en aldus achtergebleven begon zij het kind en den rijkdom te beheeren, die aan Ferondo behoord hadden.

Gedurende den nacht stond de abt met een bologneeschen monnik in wien hij veel vertrouwen stelde en welke dien dag van Bologna gekomen was, heimelijk op; zij haalden Ferondo uit de kist en droegen hem in een gewelf, waarin men in ’t geheel geen licht zag en dat tot gevangenis was ingericht voor monniken, die iets misdreven hadden. Nadat zij hem als monnik hadden aangekleed, zetten zij hem op een bos stroo en lieten hem daar blijven, tot hij tot zich zelf zou komen. Ondertusschen begon de bologneesche monnik, door den abt onderricht van wat hij te doen had, zonder dat anderen er iets van wisten, op te letten, tot Ferondo ontwaakte. De abt ging den volgenden dag met eenigen van zijn monniken bij wijze van bezoek naar het huis van de donna, welke hij in het zwart gekleed vond en bedroefd, en na haar wat getroost te hebben herinnerde hij haar de belofte. De donna zag zich vrij en zonder belemmering van Ferondo of anderen en bespeurde bovendien aan den vinger van den abt een anderen schoonen ring, zeide, dat zij bereid was en stelde met hem vast, dat hij den volgenden nacht kwam. Zoo ging de abt, toen de nacht inviel, gekleed in het gewaad van Ferondo en door zijn monnik vergezeld, sliep met haar tot den morgen met het grootste genot en welbehagen en keerde toen naar de abdij terug, welken weg hij voor denzelfden dienst vaak aflegde en ieder, zoowel bij het komen als bij het gaan, als hij een keer ontmoet werd, geloofde, dat het Ferondo was, die door die streek liep om een boete te doen en er werden heel wat praatjes over verteld onder het grootste deel der dorpers en ook aan de vrouw zelf, die wel wist, wat het beteekende.

Toen Ferondo ontwaakte en zich daar bevond zonder te weten waar hij was, kwam de bologneesche monnik binnen met een vreeselijke stem en met een roede in de hand, pakte hem beet en gaf hem een flink pak slaag. Ferondo, klagend en schreeuwend deed niets dan vragen: Waar ben ik? waarop de monnik antwoordde: Je bent in het vagevuur. Wat! zei Ferondo: dus ik ben dood? De monnik hernam: Welzeker. Hierop begon Ferondo over zich zelf te huilen en over zijn vrouw en zijn zoon en vertelde de ongehoordste dingen van de wereld. Toen bracht de monnik hem te eten[212]en te drinken. Ferondo dit ziende zeide: O, eten de dooden? Ja, zei de monnik, en wat ik u breng, is datgene, wat uw vrouw vanmorgen naar de kerk bracht om missen te laten lezen voor uw ziel en God de Heer wil, dat dit u hier wordt aangeboden. Toen sprak Ferondo: Heere, geef haar een goed jaar, ik wenschte haar zeer veel goeds, voor ik stierf, zóó dat ik haar den ganschen nacht in mijn armen hield en niets deed dan haar kussen en meer, wanneer ik er lust in had. Daarop, omdat hij er groote behoefte aan had, begon hij te eten en te drinken en zeide, omdat de wijn hem niet goed genoeg scheen: God zal haar straffen, omdat zij aan den priester geen wijn gaf uit het vat tegen den muur. Maar toen hij had gegeten, pakte de monnik hem opnieuw beet en gaf hem met dezelfde roede een groot pak ransel. Ferondo zei tot hem, na te hebben geschreeuwd: Zeg, waarom doe jij mij dat? De monnik sprak: Omdat God de Heer mij bevolen heeft, dat het u twee keer per dag gebeurt. En waarom? vroeg Ferondo. De monnik voegde er bij: Omdat jij jaloersch bent geweest, terwijl je de beste donna had, die er in jou streken als echtgenoote te vinden was. Wee mij, klaagde Ferondo, gij zegt de waarheid en zij was de zachtzinnigste, zij was zoeter dan suiker; maar ik wist niet dat God het den man kwalijk nam jaloersch te wezen; anders zou ik het niet geweest zijn. De monnik sprak: Gij had dit moeten bemerken, toen gij daarboven leefde en er u van moeten zuiveren en als het ooit gebeurt, dat gij er terug keert, zorg dan in gedachten te houden, wat ik nu bij u maken zal, dat gij daar nooit meer jaloersch zult zijn. Ferondo zeide: Och, keert daar wel iemand terug, die sterft? Zeker, zei de monnik, als God het wil. O, antwoordde Ferondo, als ik er ooit terugkeer, zal ik de beste echtgenoot ter wereld zijn, ik zal haar nooit slaan, ik zal haar nooit beleedigen, behalve over den wijn, dien zij mij vandaag heeft gestuurd, en ook omdat zij mij geen kandelaar heeft gezonden en ik in het duister heb moeten eten. De monnik sprak: Dat deed ze wel, maar zij branden bij de missen. O, zei Ferondo, gij zegt de waarheid, en voorzeker, indien ik er terugkeer, zal ik haar laten doen, wat zij wil. Maar zeg mij, wie zijt gij, dat gij mij dat doet? De monnik antwoordde: Ik ben ook dood en kom van Sardinië en omdat ik het vroeger zeer prees in mijn heer jaloersch te zijn, ben ik door God tot dezelfde straf gedoemd, die ik u moet geven tot eten en drinken en slaag, tot God over u en mij anders zal beschikken. Ferondo vroeg: Zijn er geen anderen dan wij met ons beide? De monnik hervatte: Zeker, duizenden, maar gij kunt ze zien noch hooren evenmin als zij u. Ferondo vroeg: hoever zijn wij van onze landen? Hojo, antwoordde de monnik: heel wat verder dan wij kunnen rijden. Duivels, dat is ver! riep Ferondo en naar het mij schijnt, moeten wij buiten de wereld zijn, zoo’n[213]afstand als dat is. Aldus met zulke en gelijksoortige gesprekken, met eten en slaag werd Ferondo tien maanden lang gevangen gehouden, in welke de abt dikwijls genoeg zeer gelukkig de schoone donna bezocht en vaak met haar de mooiste gelegenheid van de wereld had.

Maar zooals de ongelukken gebeuren, werd de donna zwanger en daar zij het spoedig had bemerkt, zeide zij het aan den abt; daarom scheen het beide goed, dat Ferondo dadelijk uit het vagevuur tot het leven zou worden teruggeroepen en dat hij tot haar terugkeerde en zij vertelde, dat ze van hem zwanger was.

De abt liet aldus den volgenden nacht met een nagemaakte stem Ferondo in de gevangenis roepen en hem zeggen: Ferondo, troost u, want het behaagt God, dat gij ter wereld terugkeert; daar opgestegen zult gij van uw vrouw een zoon krijgen, dien gij den naam moet geven van Benedetto, omdat u die genade geschonken is door de gebeden van uw heiligen abt en van uw vrouw en door de liefde van den heiligen Benedictus. Toen Ferondo dit hoorde, was hij zeer blijde en zeide: Dat bevalt mij zeer. Onze Lieve Heer geve aan mijnheer den goeden God een goed jaar en aan den abt en aan Sint Benedictus en aan mijn goede, zoete, lieve vrouw. De abt liet hem in den wijn, dien hij hem stuurde, zooveel van het poeder sturen, dat hij hem misschien vier uur deed slapen, hem zijn kleeren terug gaf en hem met zijn monnik samen stil weer in de kist legde, waarin hij opgesloten was geweest, ’s Ochtends bij het krieken van den dag kwam Ferondo bij zinnen, en zag door een spleet van de kist licht, wat hij wel in geen tien maanden gezien had: daarom, nu hij meende weer levend te worden, begon hij te roepen:Doe mij open! doe mij open!en hij begon zelf hard met het hoofd tegen den deksel van de kist te bonzen, zoo sterk, dat hij dien, omdat ze niet zwaar was, ophief en bijna weg schoof. Toen de monniken de vroegmetten hadden opgezegd, liepen zij daarheen, herkenden de stem van Ferondo en zagen hem al uit de kist komen; zij door de vreemdheid van dit feit ontzet, vluchtten en gingen naar den abt. Deze, die deed, alsof hij uit het gebed zich verhief, zeide: Mijn zonen, weest niet bevreesd, neem het kruis en het wijwater en kom bij mij, en laat ons dat aanschouwen wat Gods macht wil openbaren, en zoo deed hij. Ferondo was geheel wit als een man, die langen tijd den hemel niet had kunnen zien, uit de kist te voorschijn gekomen. Toen hij den abt zag, viel hij dien te voet en zeide: Mijn vader, uw gebeden, naar wat mij werd geopenbaard, en die van Sint Benedictus en van mijn vrouw hebben mij uit de pijnen van het vagevuur bevrijd en mij in het leven doen terugkeeren waarom ik God bid, dat hij u een goed jaar zal geven en goede dagen, nu en het geheele leven door. De abt zeide: Geprezen zij Gods macht, ga dan, mijn zoon,[214]nadat Hij u hier heeft teruggezonden en troost uw vrouw, die steeds, sinds gij uit dit leven zijt gegaan, in tranen is gebleven, en wees van nu af aan Gods vriend en dienaar. Ferondo zeide: Mijn heer, dit is mij goed gezegd, laat mij maar gaan, want, zoodra ik haar zal vinden, zal ik haar zoo kussen als ik haar liefheb. De abt, die met zijn monniken was achtergebleven, veinsde over die gebeurtenis een groote verbazing en liet er vroom hetMiserereom zingen.

Ferondo keerde naar zijn dorp terug, waar ieder hem schuw aanzag, gelijk men het vreeselijke schouwspelen pleegt te doen, maar hij riep de menschen terug en hield vol, dat hij weer uit den doode was opgestaan. Ook zijn vrouw was evenzeer bang voor hem. Maar toen men wat meer gerust gesteld was, en men zag, dat hij levend was, en men hem heel wat vroeg, die veilig uit het vagevuur was weer gekomen, antwoordde hij allen en bracht hun tijdingen van de zielen van hun verwanten en verzon uit zichzelf de schoonste fabels van de wereld over de dingen uit het vagevuur en vertelde ook in aller aanwezigheid van de openbaring hem gedaan bij monde van Ragnolo Braghiello18, voor hij weer opstond. Hierop naar zijn vrouw teruggekeerd, en weer in het bezit gekomen van zijn goederen maakte hij haar zwanger, naar hij meende, en toevallig gebeurd het, dat op den gewenschten tijd volgens de meening van dwazen, die gelooven, dat de vrouw de kinderen negen maanden dragen—de donna een zoon baarde, die Benedicto Ferondo werd genoemd. De reis van Ferondo en zijn woorden, daar iedereen geloofde, dat hij weer was opgestaan, deden de faam der heiligheid van den abt zonder einde toenemen.

Ferondo, die wegens zijn minnenijd veel slaag had gehad, was er zoo van genezen, dat hij volgens de belofte, voor den abt aan de donna gedaan, voortaan nooit meer jaloersch was. De donna leefde hierdoor tevreden en eerbaar met hem als vroeger, zoo eerbaar, dat, wanneer zij kans zag zij gaarne met den heiligen abt samen kwam, die haar goed en ijverig in haar grootste behoeften had gediend.[215]

[Inhoud]Negende Vertelling.Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram19genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar[216]daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meesterGérardde Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik[217]u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon tebeminnenen die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn, omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote toebereidselen maken voor hetbruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot kapitein gemaakt van een[218]zeker aantal manschappen. Toen hij van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, trok zij zich terug in eene kleine[219]herberg, welke een goede weduwe hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik vernomen heb en meen te[220]begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de gravin alle met zorg bewaarde.Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat[221]ik doe wat u aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij de[222]waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.

Negende Vertelling.Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.

Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.

Gilette de Narbonne geneest den koning van Frankrijk van een zweer. Zij vraagt tot echtgenoot Bertram de Roussillon, die haar tegen zijn zin huwt en naar Florence gaat uit baloorigheid. Hij wordt er verliefd op een jong meisje, onder wier naam Giletta met hem slaapt en van hem een tweeling krijgt. Hierna begint hij haar te beminnen en behoudt haar tot vrouw.

Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram19genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar[216]daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meesterGérardde Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik[217]u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon tebeminnenen die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn, omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote toebereidselen maken voor hetbruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot kapitein gemaakt van een[218]zeker aantal manschappen. Toen hij van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, trok zij zich terug in eene kleine[219]herberg, welke een goede weduwe hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik vernomen heb en meen te[220]begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de gravin alle met zorg bewaarde.Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat[221]ik doe wat u aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij de[222]waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.

Daar de koningin het voorrecht van Dioneo niet wilde vernietigen, bleef alleen aan haar te spreken over, toen hiermee de geschiedenis van Lauretta ten einde was. Daarom begon deze, zonder te wachten, dat de haren het haar verzochten en zeer verlangend te vertellen, aldus:

Wie zal een verhaal doen, dat mooi schijnt, na dit van Lauretta te hebben gehoord? Zeker is het een voordeel voor ons geweest, dat zij niet de eerste was, want alsdan zouden die van de anderen weinig hebben bekoord, maar toch hoop ik, dat het nog zal gebeuren met die, welke nog dezen dag verteld moeten worden. Maar hoe het ook zij, wat mij nu over het voorgestelde onderwerp invalt, zal ik u verhalen.

Er leefde in het koninkrijk Frankrijk een edelman, dien men Isnard, graaf de Roussillon noemde, die, omdat hij niet zeer gezond was, altijd een dokter bij zich hield, meester Gérard de Narbonne genaamd. Genoemde graaf had een eenigen, kleinen zoon Beltram19genaamd, die heel mooi en aardig was en dien men met andere kinderen van zijn leeftijd opvoedde, onder welken een kind was van dien dokter, dat Giletta heette. Dit meisje voelde voor dien Beltram een eindelooze liefde en heviger dan gewoonlijk op dien teederen leeftijd het geval is. Toen de graaf dood was en hij in handen des konings werd gesteld, moest hij naar Parijs gaan, waarover het jonge meisje ontroostbaar bleef. Toen haar vader kort daarop insgelijks stierf, was zij, als zij maar een gunstige gelegenheid had kunnen vinden, graag daarheen getogen om Beltram te zien. Maar[216]daar zij streng bewaakt werd, omdat zij rijk en alleen was achtergebleven, zag zij er geen eerlijk middel toe. Daar zij al op huwbaren leeftijd kwam en Beltram nooit had kunnen vergeten, had zij al velen, aan wie haar verwanten haar wilden doen trouwen, geweigerd zonder de reden te verklaren. Terwijl zij meer dan ooit van liefde voor Beltram brandde, daar zij gehoord had, dat hij een zeer schoon jonkman was geworden, kwam de tijding tot haar, dat de koning van Frankrijk door een gezwel, dat hij op de borst had en dat slecht was genezen, een zweer had overgehouden, die hem zeer veel pijn en angst veroorzaakte. Er was nog geen geneesheer te vinden, hoewel velen het beproefd hadden, die hem hiervan hadden kunnen bevrijden, maar allen hadden het verergerd. Hierdoor wilde de koning daarover wanhopig van geen enkele verdere raad of hulp weten. Maar ook was de jonge dame nu zeer tevreden en dacht zij niet alleen een gewettigde reden te hebben om naar Parijs te gaan, maar als het de kwaal was, welke zij onderstelde, kon zij het licht gedaan krijgen om Beltram tot echtgenoot te bezitten. Vandaar, dewijl zij vroeger van haar vader heel wat had geleerd, dat zij haar poeder van zekere heilzame kruiden klaarmaakte, voor de ziekte, welke zij het meende te zijn, te paard steeg en naar Parijs ging.

Zij hield zich eerst met niets anders bezig dan Beltram te zien en daarna voor den koning verschenen, vroeg zij hem als gunst haar zijn kwaal te toonen. De koning, die haar een schoon en voorkomend jong meisje vond, kon haar niet weigeren en toonde haar die. Zoodra zij die zweer gezien had, maakte zij zich dadelijk sterk die te kunnen genezen en zeide: Majesteit, als het u behaagt, heb ik hoop op God u zonder eenige pijn of lijden in acht dagen van dit ongemak te hebben verlost. De koning spotte in zich zelf eerst om haar woorden en zeide: Wat de beste doktoren van de wereld niet hebben gekund of geweten, zou een jonge vrouw dat vermogen? Hij bedankte haar dus voor haar goeden wil en antwoordde, dat hij zich had voorgenomen niet meer den raad van een dokter te volgen. Het meisje sprak: Heer, gij minacht mijn kunde, omdat ik jong en vrouw ben, maar ik herinner u er aan, dat ik niet met mijn wetenschap genees, maar met Gods hulp en de kennis van meesterGérardde Narbonnees, die mijn vader was en een zeer beroemd arts, toen hij leefde. Toen dacht de koning bij zich zelf: Misschien is zij mij van God gezonden; waarom beproef ik niet, wat zij kan doen, daar zij zegt mij in korten tijd te zullen genezen? En na besloten te hebben het te beproeven, zeide hij: En als u mij niet geneest, mejuffrouw, na mij van mijn besluit te hebben afgebracht, wat wilt gij, dat er uit volgt? Heer, antwoordde de jonge dame, laat mij bewaken en als ik u in acht dagen niet genees, laat mij dan verbranden; maar als ik[217]u wel herstel, wat zal ik dan voor belooning krijgen? De koning hernam: Gij schijnt mij nog ongetrouwd; indien gij dit doet, zullen wij u goed en voornaam uithuwen, Het jonge meisje zeide: Neen, het doet mij waarlijk genoegen, dat gij mij uithuwt, maar ik wil een echtgenoot gelijk ik u zal vragen zonder een van uw zonen of een prins van het vorstelijk Huis te verlangen. De koning beloofde haar dadelijk dit te doen. Het meisje begon onverwijld haar kuur en voor den vastgestelden termijn maakte zij hem beter. Hierdoor zeide de koning, toen hij zich genezen gevoelde: Mejuffrouw, u hebt uw echtgenoot gewonnen. Zij antwoordde: Dan, heer, heb ik Beltram de Roussillon gewonnen, welke ik van af mijn kindsheid begon tebeminnenen die ik altijd zeer lief heb gehad. Het scheen den koning een lastig ding om haar dien te schenken, maar omdat hij het beloofd had en zijn woord niet wilde breken, liet hij hem tot zich roepen en zeide tot hem: Beltram gij zijt nu een groot, volwassen man; wij willen, dat gij terugkeert om uw graafschap te besturen en gij zult een jonge dame met u mede voeren, die wij u tot echtgenoote hebben gegeven.

Beltram vroeg: En wie is die jonge dame, heer? De koning antwoordde: Het is degene, die mij met haar geneesmiddelen de gezondheid heeft terug geschonken. Beltram, die haar kende en gezien had, zeide, hoewel zij hem zeer schoon leek maar wist, dat zij niet van een afkomst was, die met zijn adel overeenstemde, zeer verontwaardigd: Heer, waarom wilt gij mij een doktores tot vrouw geven? God verhoede, dat ik ooit zoo’n vrouw neem. De koning antwoordde: Wilt gij dan, dat wij ons woord niet nakomen, wat wij om onze gezondheid te herwinnen aan die jonge dame gaven, die u als loon hiervoor tot man vroeg? Heer, hernam Beltram, gij kunt mij alles ontnemen, wat ik bezit en mij geven als uw onderdaan aan wien het u behaagt. Maar wees er zeker van, dat ik nooit over dit huwelijk tevreden zal wezen. Toch—sprak de koning—zult gij het zijn, omdat de jonge dame mooi en wijs is en veel van u houdt; daarom hopen wij, dat gij een veel aangenamer leven met haar zult hebben dan met een edelvrouw van hooger geboorte. Beltram zweeg en de koning liet groote toebereidselen maken voor hetbruiloftsfeest. Toen de hiervoor bestemde dag gekomen was, huwde Beltram, hoe ongaarne hij het ook deed, de juffrouw, die hem meer dan zichzelf liefhad. Hierop als iemand, die reeds bij zichzelf heeft bedacht, wat hem te doen staat, zeide hij, dat hij naar zijn graafschap wilde terugkeeren en er het huwelijk wilde voltrekken en vroeg verlof aan den koning. Hij steeg te paard en ging niet naar zijn graafschap, maar begaf zich naar Toscane. Hij wist, dat de Florentijnen oorlog voerden met de Sienneezen en hij koos voor de eersten partij. Hij werd bij hen met vreugde en eer ontvangen en tot kapitein gemaakt van een[218]zeker aantal manschappen. Toen hij van hen goeden voorraad had ontvangen, bleef hij een langen tijd in hun dienst. De jonge vrouw weinig tevreden met dit voorval, hoopte door goed te werk te gaan hem in zijn graafschap terug te roepen en ging naar Roussillon, waar zij door allen als hun gebiedster werd ontvangen. Daar vond zij, gedurende den langen tijd, dat zij zonder den graaf was, alles verwaarloosd en in verwarring en als een verstandige vrouw bracht zij alles weer in orde. Haar onderhoorigen waren hierover zeer tevreden, stelden haar zeer hoog, droegen haar groote liefde toe en laakten den graaf zeer, dat hij met haar niet tevreden was. Toen de dame in het land alles in orde had gebracht, deed zij dit aan den graaf door twee ridders weten en verzocht hem, indien het om haar was, dat hij niet in het graafschap kwam, het haar te berichten en dat zij dan om hem genoegen te doen, zou vertrekken. Hierop antwoordde deze zeer hard: Laat zij daarin haar zin volgen, ik voor mij zal bij haar komen, wanneer zij dezen ring aan den vinger heeft en een zoon van mij gewonnen op den arm. Hij stelde dien ring zoo op prijs, dat hij er nooit van scheidde wegens de kracht, die men hem had verteld, dat deze bezat. De twee ridders begrepen de hardheid van de voorwaarde gesteld in die bijna onmogelijke dingen en ziende, dat zij door hun woorden hem niet van zijn plan konden afbrengen, keerden zij naar de donna terug en verhaalden haar zijn antwoord. Deze zeer bedroefd, overlegde na lang nadenken of die twee dingen mogelijk konden worden, omdat zij dan haar echtgenoot terug kreeg.

En na gedaan te hebben wat zij plicht dacht, verzamelde zij een deel der grootste en voornaamste vazallen van haar graafschap, vertelde hun geregeld en met zachte woorden, wat zij al gedaan had uit liefde voor den graaf en toonde, wat er uit was voortgekomen. Ten slotte zeide zij, dat haar plan niet was door haar verblijf aldaar den graaf in eeuwige ballingschap te houden, maar dat zij integendeel de rest van haar leven met pelgrimstochten wilde doorbrengen en met diensten van barmhartigheid tot heil van haar ziel. Zij verzocht hun, dat zij de bewaking en de regeering van het graafschap overnamen en aan den graaf zouden berichten, dat zij het gebied vrij en verzorgd gelaten en er zich uit verwijderd had om nooit meer in Roussillon terug te keeren.

Toen zij zoo sprak, werden er heel wat tranen door de goede vazallen geschreid en veel beden tot haar gericht, opdat het haar zou behagen van plan te veranderen en te blijven, maar zij bereikten niets. Zij, na hen aan God te hebben aanbevolen, ging vergezeld van een neef en een kamervrouw in pelgrimskleederen, goed voorzien van geld en dure edelsteenen op weg zonder te weten, waar zij heen ging en zij hield geen rust voor zij binnen Florence was. Bij toeval daar aangekomen, trok zij zich terug in eene kleine[219]herberg, welke een goede weduwe hield en bleef daar geheel als een arme pelgrimsvrouw verlangend iets van haar heer te hooren. Toevallig zag zij aldus den volgenden dag Beltram te paard met zijn compagnie de herberg voorbijgaan en zij vroeg, hoe goed zij hem ook kende, wie hij was. De herbergierster antwoordde: Dat is een aardig en hoffelijk, vreemd edelman, die graaf Beltram heet en die in deze stad zeer bemind is. Het is de verliefdste man ter wereld op een van onze buren, een edelvrouw maar arm. Ze is zeer fatsoenlijk en huwt nog niet uit armoede, maar blijft bij haar moeder, een zeer wijze en goede donna. En misschien, als die haar moeder niet was, had zij al gedaan wat aan den graaf zou hebben behaagd. Toen de gravin die woorden hoorde, onthield ze die goed en na alles nauwkeurig te hebben onderzocht en elke bijzonderheid te hebben gezien, vormde zij haar plan. Nadat haar het huis was aangewezen en de naam van de donna en van haar dochter, bemind door den graaf, ging zij er op een dag in pelgrimskleed stil heen. Zij vond de donna en haar dochter in armoede, groette hen en zeide aan de donna, dat zij, wanneer het haar schikte, haar wilde spreken. Nadat de edelvrouw was opgestaan, zeide zij bereid te zijn haar aan te hooren en toen zij alleen in een kamer getreden waren en zich neerzetten, begon de gravin: Madonna, het schijnt mij, dat de fortuin u als mij vijandig is, maar als gij wilt, zult gij toevallig ons beiden, u en mij, tevreden kunnen stellen. De donna antwoordde, dat zij niets anders verlangde dan zich op eerzame wijze te troosten. De gravin vervolgde: Ik heb uw woord noodig, maar als ik er op vertrouw en gij bedriegt mij, zult gij uw eigen zaken en de mijnen bederven. Zeker, zei de edelvrouw, zeg mij al, wat u bevalt, want nooit zult gij u door mij bedrogen vinden. Toen vertelde haar de gravin, die begon over haar eerste liefde, wie zij was, en wat er geschied was tot op dien dag van haar bezoek zóó, dat de edelvrouw vertrouwde op haar woorden, ook omdat zij die al ten deele van anderen gehoord had en kreeg medelijden met haar. De gravin vertelde haar lotgevallen en ging voort: Gij hebt bij mijn andere ongelukken die twee dingen gehoord, die ik noodig heb om mijn man terug te krijgen. Ik ken niemand anders, die ze mij kan verschaffen dan gij, indien het waar is, wat ik verneem, dat de graaf, mijn echtgenoot, ten zeerste uw dochter bemint.

De edelvrouw antwoordde: Madonna, of de graaf mijn dochter bemint, weet ik niet, maar hij geeft er zich zeer den schijn van. Maar wat kan ik hierbij doen, dat gij verlangt? Madonna, antwoordde de gravin, ik zal het u zeggen. Doch ten eerste wil ik u dat uiteenzetten, wat ik wil, dat er voor u uit volgt, indien gij mij van dienst zijt. Ik zie, dat uw dochter schoon en groot genoeg is voor een huwelijk en naar wat ik vernomen heb en meen te[220]begrijpen, is het gebrek aan geld om haar uit te huwen, dat u haar thuis doet houden. Ik ben van plan tot loon voor den dienst die gij mij zult bewijzen, haar van mijn geld spoedig een bruidschat te schenken, die gij zelf voornaam genoeg zult achten en voldoende om haar te laten trouwen. De donna, die het noodig had, beviel dit, maar daar zij een adellijken geest had, zeide zij: Mevrouw, zeg mij wat ik voor u kan verrichten en als dat mij fatsoenlijk schijnt, zal ik het gaarne doen en gij zult daarna handelen gelijk gij verkiest. De gravin zeide: Ik heb noodig, dat gij door iemand, dien gij vertrouwt, aan den graaf mijn echtgenoot, laat zeggen, dat uw dochter bereid is hem elk genoegen te doen, mits zij er zeker van kan zijn, dat hij haar zoo bemint gelijk hij voorgeeft en dat zij het nooit moet gelooven, indien hij haar niet den ring geeft, dien hij aan de hand draagt en van welken zij gehoord heeft, dat hij daaraan zoo gehecht is. Als hij u dien geeft, zult gij dien aan mij schenken en daarna zult gij uw dochter opdragen te zeggen, dat zij gereed is zijn genoegen te doen. Gij zult hem in ’t geheim hier laten komen en gij zult mij in plaats van uw dochter aan zijn zijde doen liggen. Misschien zal God mij de genade schenken zwanger te worden en zoo met zijn ring aan den vinger en een kind door hem verwekt op den arm, zal ik hem heroveren en ik zal bij hem blijven gelijk een vrouw met haar man leven moet, en daarvan zult gij dan de oorzaak zijn. Dit scheen aan de edelvrouw een heel ding, daar zij vreesde, dat er misschien voor haar dochter schande uit volgen zou; maar daar zij toch vond, dat het een eerlijke zaak was, dat de goede dame haar man terugkreeg en dat zij tot een eerbaar doel zich er toe zetten om dit te doen, vertrouwde zij op haar goede en fatsoenlijke gezindheid en beloofde het niet alleen aan de gravin maar binnen weinige dagen met geheime voorzorg, volgens den last haar opgedragen, had zij dien ring (hoe bezwaarlijk dit den graaf ook scheen) en liet haar in plaats van de dochter op meesterlijke wijze met hem samenslapen. Na de eerste samenkomsten zeer hartstochtelijk door den graaf verlangd, werd de gravin naar het Gode behaagde zwanger van twee knapen gelijk de tijdige bevalling deed blijken. En de edelvrouw bevredigde niet slechts eens de gravin met omhelzingen van haar echtgenoot maar vele malen, zoo heimelijk te werk gaande, dat hij er nooit een woord van wist. De graaf geloofde altijd, dat hij niet bij zijn vrouw was geweest maar bij degene, die hij beminde. Hij gaf haar, toen hij ’s ochtends heenging, verscheidene schoone en dure geschenken, welke de gravin alle met zorg bewaarde.

Toen zij zwanger was, wilde zij de edelvrouw niet langer lastig vallen met dien dienst, maar zij sprak tot haar: Mevrouw, God en u zij dank, heb ik nu, wat ik verlangde, en daarom is het tijd, dat[221]ik doe wat u aangenaam zal zijn, opdat ik daarna vertrek. De edelvrouw zei haar, dat, indien zij had, wat zij begeerde, dit haar genoegen deed, maar dat zij het niet had gedaan met eenige hoop op belooning, doch omdat het haar scheen, dat zij dit moest doen om goed te handelen. De gravin ging voort: Madonna, dit bevalt mij zeer en van mijn kant ben ik niet van plan u iets te geven als belooning, maar om goed te doen, wat mij plicht schijnt. De edelvrouw toen door noodzakelijkheid gedwongen, vroeg haar met groote verlegenheid honderd lire om haar dochter te doen trouwen. De gravin, die haar verlegenheid zag en haar bescheiden vraag hoorde, gaf er haar honderd vijftig en zooveel schoone en dure juweelen, dat die evenveel waard waren, waarover de edelvrouw meer dan tevreden zoo goed zij kon de gravin bedankte, welke afscheid van haar nam en naar de herberg terugkeerde. De edelvrouw om aan Beltram elke reden te ontnemen iets meer te gelasten of om verder in haar huis te komen, ging met haar dochter te zamen in haar land naar de woning van haar verwanten. Wat Beltram betreft, hij ging naar zijn verblijf daar terug, toen hij eenigen tijd later door zijn vazallen werd geroepen en hoorde, dat de gravin zich had verwijderd. De gravin wetend, dat hij Florence had verlaten en naar zijn gebied was teruggekeerd, was zeer tevreden en bleef zoolang in die stad, tot het oogenblik der bevalling kwam en baarde twee jongens, die zeer op hun vader geleken en die zij met zorg liet zoogen. Toen het tijd werd, begaf zij zich op weg zonder door iemand gekend te worden, kwam te Montpellier en na eenige dagen te hebben uitgerust en omtrent den graaf inlichtingen te hebben gekregen en waar hij zich bevond en zij wist, dat hij op Allerheiligen te Roussillon een groot feest moest geven van edelvrouwen en ridders, ging zij weer in pelgrimskleed, gelijk zij gewoon was, daarheen. Zij vernam, dat de dames en heeren in het paleis van den graaf bijeen waren om aan tafel te gaan en zonder van kleederen te verwisselen klom zij met die knaapjes op haar armen naar de zaal en ging van gast tot gast, tot waar zij den graaf zag, wierp zich aan zijn voeten en zeide: Mijnheer, ik ben uw ongelukkige echtgenoote, welke om u in huis te laten terugkeeren en blijven, langen tijd rondgezworven heeft. Ik herwin u door God, zoo gij u aan de voorwaarden houdt mij gesteld door de twee ridders, die ik u toezond. Ziedaar op mijn armen niet slechts één zoon van u, maar twee en ziehier uw ring. Het is dus tijd, dat ik door u ontvangen word als uw vrouw volgens uw belofte. De graaf dit hoorende was geheel buiten zichzelf en herkende den ring en ook de kinderen, die zoo op hem leken, maar hij zeide: Hoe kan dit gebeurd zijn? De gravin tot groote verbazing van den graaf en van alle aanwezigen vertelde achtereenvolgens, wat er gebeurd was en hoe. De graaf, die zag, dat zij de[222]waarheid sprak en haar volharding en haar scherpzinnigheid bewonderde en ook die zoo schoone knaapjes, wierp zoowel wegens de belofte, die hij had gedaan als om aan al zijn vazallen en edelvrouwen genoegen te doen, zijn wreede koppigheid van zich af, daar zij allen hem vroegen haar als zijn wettige echtgenoote voortaan te ontvangen en te eeren en deed de gravin opstaan. Hij omhelsde en kuste haar, herkende haar als zijn wettige vrouw en de kinderen als de zijnen. Hij liet haar met gewaden overeenkomstig haar rang kleeden en tot groote blijdschap van allen, die er waren en van al zijn andere vazallen, die dit vernamen, maakte hij niet alleen dien dag, maar vele anderen een zeer groot feest en van af dien tijd eerde hij haar steeds als zijn echtgenoote en vrouw, beminde haar en stelde haar zeer hoog.

[Inhoud]Tiende Vertelling.Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal.20Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht onderworpen is.Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa21[223]in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda22geheel alleen in ’t geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat zij niet bemerkte,[224]hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij van haar verlangde.Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op deknieënliggen, alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat[225]zij hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit komen.Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had gelegd op de goederen van[226]haar vader als van een man gestorven zonder erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren.23Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar[227]hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijkvan hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen24. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:Geen troosteloozeHeeft zich zoo te beklagen als ik,Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.[228]Hij, die den hemel beweegt en elke sterMaakte mij naar zijn welbehagenLief, bekoorlijk, gracieus en schoonOm hier omlaag aan elk hoog verstandEenig teeken te gevenVan de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,En de menschelijke onvolmaaktheid,Die mij slecht heeft gekend,Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarneAls jong meisje mij namIn zijn armen en daarna in al zijn gedachtenEn voor mijn oogen geheel ontvlamde.En de tijd, die licht voorbij vliegtVerkwiste hij geheel met mij te beminnen,En ik, die hoffelijk ben,Maakte hem mijner waardig,Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.Toen kwam tot mij een trotscheEn fiere jonkman,Die zich edel roemde en dapperEn mij nam en hield en met valsche gedachteJaloersch is geworden.Daarover, helaas, ben ik wanhopig,In waarheid wetendDat ik, voor het heil van velen ter wereldGekomen, door één geheel ben vermeesterd.Ik verfoei mijn ongeluk,Toen ik om vrouw te wordenHet ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijdeZag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nuEen hard leven leid,Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.O smartbrengende vreugde!Waarom ben ik niet gestorven,Voor ik dit en zoo heb beleefd!O dierbare minnaar, waarover ik eerstMeer dan over ieder ander blijmoedig was,En die thans in den hemel is bij Hem,Die ons schiep, zie heb medelijden[229]Met mij, die voor anderenU niet kan vergeten: doe mij gevoelen,Dat de vlam niet is uitgebluscht,Die voor mij U verteerde,En erlang daar voor mij het wederzien.Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer terugkeerde.[230]

Tiende Vertelling.Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal.20

Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal.20

Alibek wordt kluizenaarster. De monnik Rustico leert haar den duivel naar de hel te sturen; dan vandaar geroofd, wordt zij de vrouw van Neerbal.20

Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht onderworpen is.Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa21[223]in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda22geheel alleen in ’t geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat zij niet bemerkte,[224]hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij van haar verlangde.Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op deknieënliggen, alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat[225]zij hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit komen.Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had gelegd op de goederen van[226]haar vader als van een man gestorven zonder erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren.23Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar[227]hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijkvan hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen24. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:Geen troosteloozeHeeft zich zoo te beklagen als ik,Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.[228]Hij, die den hemel beweegt en elke sterMaakte mij naar zijn welbehagenLief, bekoorlijk, gracieus en schoonOm hier omlaag aan elk hoog verstandEenig teeken te gevenVan de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,En de menschelijke onvolmaaktheid,Die mij slecht heeft gekend,Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarneAls jong meisje mij namIn zijn armen en daarna in al zijn gedachtenEn voor mijn oogen geheel ontvlamde.En de tijd, die licht voorbij vliegtVerkwiste hij geheel met mij te beminnen,En ik, die hoffelijk ben,Maakte hem mijner waardig,Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.Toen kwam tot mij een trotscheEn fiere jonkman,Die zich edel roemde en dapperEn mij nam en hield en met valsche gedachteJaloersch is geworden.Daarover, helaas, ben ik wanhopig,In waarheid wetendDat ik, voor het heil van velen ter wereldGekomen, door één geheel ben vermeesterd.Ik verfoei mijn ongeluk,Toen ik om vrouw te wordenHet ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijdeZag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nuEen hard leven leid,Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.O smartbrengende vreugde!Waarom ben ik niet gestorven,Voor ik dit en zoo heb beleefd!O dierbare minnaar, waarover ik eerstMeer dan over ieder ander blijmoedig was,En die thans in den hemel is bij Hem,Die ons schiep, zie heb medelijden[229]Met mij, die voor anderenU niet kan vergeten: doe mij gevoelen,Dat de vlam niet is uitgebluscht,Die voor mij U verteerde,En erlang daar voor mij het wederzien.Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer terugkeerde.[230]

Dioneo, die ijverig bij het verhaal van de koningin had toegeluisterd, zag, dat het geëindigd was en dat aan hem alleen de beurt bleef om te vertellen. Zonder bevel af te wachten begon hij lachend: Genadige donna’s. Gij hebt misschien nooit gehoord, hoe men den duivel terug jaagt naar de hel en daarom zonder af te wijken van het onderwerp, waarover gij allen gesproken hebt, ga ik u dit verhalen. Misschien kunt gij, als gij het verneemt, er de ziel bij winnen en erkennen, dat, hoezeer Amor veel liever de vreugdevolle paleizen en de fluweelige salons bewoont dan de armelijke hutten, hij niettemin tusschen de dichte bosschen, de wilde bergen en de verlaten spelonken zijn kracht doet gevoelen, waaruit men kan begrijpen, dat alles aan zijn macht onderworpen is.

Dus om tot het feit te komen, zeg ik, dat in de stad Capsa21[223]in Barbarije vroeger een zeer rijk man leefde, die behalve eenige zoons een schoone en lieve dochter had, die Alibek heette. Deze was geen Christin en daar zij van vele Christenen, die in de stad waren, het christelijk geloof en het dienen van God hoorde roemen, vroeg zij op een goeden dag aan een er van op welke wijze en hoe men het gemakkelijkst God kon dienen. Deze antwoordde haar, dat diegenen God het best dienden, die vooral de wereldsche zaken ontvluchtten gelijk zij deden, welke zich in de eenzaamheid der woestijnen van Thebaïda hadden terug getrokken. Het meisje, dat hoogst eenvoudig was en misschien veertien jaar oud, ging niet door een zelfbewust maar door een kinderlijk verlangen zonder er iemand iets van te laten merken, den volgenden morgen naar de woestijn van Thebaïda22geheel alleen in ’t geheim en met groote inspanning den honger verdurend bereikte zij na eenige dagen die eenzame oorden. Zij zag van verre een huisje, ging er heen en vond op den drempel een heiligen man, die verwonderd haar te zien haar vroeg wat zij daar kwam zoeken. Zij antwoordde, dat zij door een ingeving van God in Zijn dienst zocht te komen en dat hij haar zou leeren, hoe het haar paste Hem te dienen. De waardige man, die haar jong en zeer schoon vond en vreesde, dat hij, als hij haar hield, door den duivel zou worden verleid, prees haar goede gezindheid en nadat hij haar eenige wortels had te eten gegeven en wilde appels en dadels en wat water om te drinken, zeide hij: Mijn dochter, niet ver van hier woont een heilig man, die in de dingen, welke gij zoekt meer meester is dan ik; gaat gij naar hem toe. Zij begaf zich op weg. Zij kwam bij hem en nadat zij dezelfde woorden vernam en verder ging, kwam zij aan de cel van een jongen kluizenaar, een zeer vroom en goed man, die Rustico heette en zij vroeg hem, wat zij ook de anderen gevraagd had.

Deze om zijn standvastigheid op een groote proef te stellen, stuurde haar niet als de anderen weg, maar hield haar in zijn cel en toen de nacht kwam, maakte hij haar een bed van palmtakken en op dezen vroeg hij haar zich uit te strekken. Toen dit gedaan was, kon hij de verleiding niet langer weerstand bieden om slag te leveren. Hij weldra hierdoor bedrogen, boog zonder te veel verzet het hoofd en gaf zich als overwonnene over. En de heilige gedachten, de gebeden en de oefeningen ter zijde latend, begon hij in zijn herinnering de jeugd en de schoonheid van het jonge meisje terug te roepen en behalve dat te peinzen over den weg en de manier, die hij moest volgen bij haar, opdat zij niet bemerkte,[224]hij als een besluiteloos man wilde bereiken, wat hij van haar verlangde.

Na eerst eenige vragen gesteld te hebben als proef, bemerkte hij spoedig, dat zij nooit een man gekend had en dat zij even eenvoudig was, als zij er uit zag. Daarom maakte hij het plan om onder het voorwendsel van God te dienen haar tot zijn bevrediging over te halen. Voor alles toonde hij haar met vele woorden aan, hoezeer de duivel een vijand is van God den Heer en daarna gaf hij haar te verstaan, dat men hiermee den grootsten dienst deed aan God den duivel naar de hel terug te jagen, waartoe God hem verdoemd had. Het meisje vroeg hem, hoe hij dit deed. Rustico antwoordde hierop: Gij zult het spoedig weten en daartoe zult gij doen, wat gij mij ook zult zien verrichten. Hij begon zich van de weinige kleeren te ontdoen, die hij aanhad en bleef geheel naakt en zoo deed ook het kind; hij deed haar op deknieënliggen, alsof zij wilde bidden en plaatste haar recht tegenover hem. In die houding, toen Rustico meer dan ooit in begeerte ontbrand was door haar zoo schoon te zien, kwam de prikkel des vleesches, wat Alibek zag en verwonderd deed zeggen: Rustico, wat is dat, wat ik bij u zie, dat bij u zoo uitsteekt en wat ik niet heb? O mijn dochter, zeide Rustico, dat is de duivel, waarvan ik je gesproken heb. En ziet gij: hij kwelt mij nu in de hoogste mate, zoodat ik het ternauwernood kan uithouden. Toen zeide het jonge meisje: O God zij geloofd, dat ik beter af ben dan gij, omdat ik dien duivel niet heb. Rustico antwoordde: Gij zegt de waarheid, maar gij bezit iets anders wat ik niet heb en dat hebt gij daarvoor in ruil. Alibek hernam: Wat dan? Hierop antwoordde Rustico: Gij hebt de hel en ik verzeker u, dat ik geloof, dat God u hierheen heeft gezonden voor het heil van mijn ziel, opdat, terwijl die duivel mij zooveel kwelling veroorzaakt, gij zooveel medelijden moet hebben om toe te staan, dat ik hem in die hel breng, waardoor gij mij een zeer groote verlichting zult schenken en aan God een zeer groot welgevallen en dienst bewijzen, indien gij hier gekomen zijt om te doen, wat gij zegt. Het meisje antwoordde te goeder trouw: Mijn vader, daar ik die hel heb, mag dit gebeuren, wanneer het u zal behagen. Rustico sprak: Mijn dochter, wees gezegend, laten wij dan beginnen en laten wij hem er brengen, opdat hij mij dan met rust laat. Na die woorden legde hij het meisje op een van hun twee bedden en toonde haar, hoe zij zich moest houden om dien door God vervloekte gevangen te houden. Het meisje, dat nog nooit een duivel naar de hel had gestuurd, voelde eerst een weinig pijn, waarom zij tot Rustico zeide: Zeker, mijn vader, die duivel moet een kwade wezen, en werkelijk een vijand des Heeren, want zelfs in de hel doet hij anderen lijden, als hij er in is gestuurd. Rustico ging voort: Mijn dochter, hij zal er niet altijd zoo blijven. En om te zorgen, dat dit niet gebeurde, stuurden zij zes keer achter elkaar, voor zij van het bed opstonden den duivel naar de hel, zoodat[225]zij hem eindelijk het hoofd deden buigen en hij zich stil hield. Maar daarna toen zij hem meermalen deden terugkeeren en het gehoorzame, jonge meisje zich er steeds toe leende, begon het spelletje haar te behagen en zeide zij tot Rustico: Ik zie wel, dat de waarde mannen in Capsa waarheid spraken, dat den Heer te dienen zulk een aangename zaak was. En zeker herinner ik mij niet, dat ik ooit iets anders deed, wat mij zooveel genoegen en behagen verschafte als den duivel naar de hel te jagen. Daarom meen ik, dat ieder, die zich met iets anders bezighoudt dan God te dienen een beest is. Hierdoor ging zij dikwijls Rustico opzoeken en zeide tot hem: Mijn vader, ik ben hier gekomen om God te dienen en niet om rust te houden; laten wij weer den duivel in de hel doen. Bij zoo’n gelegenheid zeide zij eens: Rustico, ik weet niet, waarom de duivel uit de hel vlucht, want als hij er zoo graag bleef, wanneer de hel hem ontvangt en gevangen houdt, zou hij er nooit uit komen.

Doordat het meisje dikwijls Rustico uitnoodigde en tot den dienst des Heeren hem opwekte, trok zij hem zoo het katoen uit het hemd, dat hij zich koud voelde, wanneer een ander zou hebben gezweet. Daarom begon hij aan het meisje te zeggen, dat de duivel niet gekastijd en naar de hel gestuurd moest worden dan, wanneer hij trotsch het hoofd ophief. En wij hebben hem, Goddank, zoo getuchtigd dat hij den hemel bidt om rustig te blijven, en zoo legde hij aan het meisje het zwijgen op. Deze, toen zij zag, dat Rustico haar niet terug riep om den duivel naar de hel te sturen, zeide hem eens: Rustico, als uw duivel geranseld is en u geen last meer veroorzaakt, laat mijn hel mij geen rust, daarom zult gij goed doen, dat gij met uw duivel helpt om de razernij in mijn hel te stillen, gelijk ik u geholpen heb om met mijn hel den trots van uw duivel te buigen. Rustico, die van kruidwortelen en water leefde, kon moeilijk op de uitnoodigingen ingaan en zeide haar, dat er te veel duivels noodig zouden zijn om de hel tot bedaren te brengen, maar dat hij zou doen, wat hij kon. Zoo voldeed hij haar enkele malen maar zoo weinig, dat dit niet meer was dan een boon te werpen in den muil van een leeuw. Hierover was het jonge meisje zeer ontstemd wien hij God niet zoo scheen te dienen, als zij wilde.

Terwijl tusschen den duivel van Rustico en de hel van Alibek dit door te veel begeerte en te weinig macht gaande was, brak er in Capsa een brand uit, die in het eigen huis den vader van Alibek, al zijn kinderen en dienaars verbrandde, zoodat Alibek de erfgename werd van al diens goederen. Dadelijk begon een jonkman Neerbal genaamd, die in bandeloosheid al zijn bezittingen verkwist had en vernam, dat zij nog leefde, haar te zoeken en vond haar terug, eer het gerecht beslag had gelegd op de goederen van[226]haar vader als van een man gestorven zonder erfgenaam. Tot groot genoegen van Rustico en tegen den wil van haar bracht hij haar terug naar Capsa en nam haar tot vrouw en werd met haar te samen erfgenaam van het groote, ouderlijke goed. Doch toen haar gevraagd werd door de vrouwen, voor zij met Neerbal had geslapen, met wat zij God in de woestijn had gediend, antwoordde zij, dat zij Hem diende door den duivel naar de hel te jagen en dat Neerbal een groote zonde had bedreven door haar aan dien dienst te onttrekken. De vrouwen vroegen: Hoe jaagt men den duivel daarin? Het meisje toonde het hun met woorden en met gebaren. Zij moesten daar zoo om lachen, dat zij het nog doen en zeiden: Wordt maar niet neerslachtig kind, neen, want men doet dat hier ook en Neerbal zal God den Heer ook goed met u dienen. Toen daarna de een na de ander het door de stad verspreidden, werd het daar een algemeen gezegde, dat men God geen meer welgevalligen dienst kon bewijzen dan door de duivel in de hel te doen. Dit gezegde vandaar over zee gekomen bestaat nog. Daarom, jonge dames, die Gods genade noodig hebt, leer den duivel in de hel sturen, omdat dit den Heere welgevallig is en aan hen, die het doen en omdat er veel goeds uit kan geboren worden en volgen.

Wel duizend malen had het verhaal van Dioneo de eerbare donna’s doen lachen, zoo komiek schenen hun zijn woorden. Toen de historie ten einde was, en de koningin zag, dat de termijn van haar heerschappij was verstreken, hief zij daarom den lauwer van het hoofd, welke zij zeer lieftallig zette op dat van Filostrato en zeide: Wij zullen spoedig zien of de wolf beter de schapen weet te leiden dan de schapen het de wolven deden. Toen Filostrato dit hoorde zeide hij lachend: Als ik dat geloofd had, zouden de wolven aan de schapen geleerd hebben den duivel in de hel te jagen niet erger dan Rustico bij Alibek deed en spreekt daarom niet van de wolven, waar gij nog geen schapen zijt geweest. In ieder geval naar het mij gegeven zal zijn, zal ik de mij opgedragen regeering aanvaarden. Hierop antwoordde Neifile: Luister, Filostrato, gij hadt, terwijl gij ons wilde onderrichten, wijsheid kunnen opdoen, gelijk Masetto van Lamporecchio van de nonnen en zoo dikwijls hebben te spreken, dat uw beenderen zonder meester geleerd hadden te toeteren.23

Filostrato ziende, dat zij net zooveel schichten hadden als hij pijlen, hield op met schertsen en begon zich te wijden aan het bestuur des rijks. Hij liet den hofmeester roepen, van wien hij wilde weten hoe de zaken stonden en behalve aan deze, gaf hij naar[227]hetgeen hij meende, dat goed was en het gezelschap zou voldoen, in stilte bevelen, voor zoolang zijn heerschappij zou duren. Daarna keerde hij zich tot de donna’s en zeide: Verliefde donna’s. Sinds mijn ongeluk, weet ik wel uit mijn lijden, dat ik steeds door de schoonheid van een uwer ben onderworpen geweest aan Amor en noch mijn nederigheid, noch mijn gehoorzaamheid, noch hem te volgen daarin, wat mij bekend is tot hulp bij al zijn gewoonten hebben mij iets geholpen, daar ik eerst voor een ander verlaten en daarna steeds van kwaad tot erger ben vervallen, en zoo geloof ik, dat ik van hier den dood tegemoet ga. Daarom wil ik, dat men morgen van niets anders spreekt dan van wat met mijn lotgevallen overeenstemt, namelijkvan hem, wier liefde een ongelukkig einde had, omdat ik op den duur verwacht, dat het mij zeer ongelukkig zal gaan, ware het slechts door den naam, waarmee gij mij noemt, vanwege haar, die wel weet, dat ik gedwongen werd mij zoo te noemen24. En bij die woorden stond hij op om aan elk tot het avondmaal vrij te geven. De tuin was zoo schoon en bekoorlijk, dat niemand er uit wilde gaan om elders grooter genoegen te scheppen. Integendeel, daar de hitte al zoo was afgenomen, dat men niet vermoeid werd door de geiten, de konijnen en de andere dieren te volgen, die zich daar bevonden en die, terwijl men gezeten was, meer dan honderd maal de aanwezigen in de war brachten door tusschen hen in te springen, gingen zij die na. Dioneo en la Fiammetta begonnen te zingen van Messire Guiglielmo en van de Dame del Vergiù; Philomena en Pamfilo gingen zitten schaken, en zoo, deze dit en gene dat doende, vloog de tijd om en verraste het ternauwernood verwachte uur van het avondmaal. Toen de tafels bij de schoone fontein waren geplaatst, aten zij met het grootste genoegen. Filostrato om niet af te wijken van den weg, die de koninginnen voor hem gegaan waren, beval, toen de tafels werden weggezet, dat Lauretta een dans zou vormen en een lied zou zingen. Zij zeide: Mijnheer, ik weet niets van de zorgen der anderen, maar ik heb er geen onder de mijnen, dat geschikt is voor den geest van een zoo blijmoedig gezelschap. Indien gij er, van die ik heb, een wilt hooren, zal ik U dit gaarne voordragen. Daarop zei de koning: Al wat van U komt, kan niet anders dan schoon en bekoorlijk zijn, daarom zing het gelijk gij het hebt. Lauretta met een zeer liefelijke stem maar op een ietwat klagelijke wijze begon aldus, terwijl de anderen antwoordden:

Geen troosteloozeHeeft zich zoo te beklagen als ik,Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.[228]Hij, die den hemel beweegt en elke sterMaakte mij naar zijn welbehagenLief, bekoorlijk, gracieus en schoonOm hier omlaag aan elk hoog verstandEenig teeken te gevenVan de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,En de menschelijke onvolmaaktheid,Die mij slecht heeft gekend,Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarneAls jong meisje mij namIn zijn armen en daarna in al zijn gedachtenEn voor mijn oogen geheel ontvlamde.En de tijd, die licht voorbij vliegtVerkwiste hij geheel met mij te beminnen,En ik, die hoffelijk ben,Maakte hem mijner waardig,Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.Toen kwam tot mij een trotscheEn fiere jonkman,Die zich edel roemde en dapperEn mij nam en hield en met valsche gedachteJaloersch is geworden.Daarover, helaas, ben ik wanhopig,In waarheid wetendDat ik, voor het heil van velen ter wereldGekomen, door één geheel ben vermeesterd.Ik verfoei mijn ongeluk,Toen ik om vrouw te wordenHet ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijdeZag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nuEen hard leven leid,Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.O smartbrengende vreugde!Waarom ben ik niet gestorven,Voor ik dit en zoo heb beleefd!O dierbare minnaar, waarover ik eerstMeer dan over ieder ander blijmoedig was,En die thans in den hemel is bij Hem,Die ons schiep, zie heb medelijden[229]Met mij, die voor anderenU niet kan vergeten: doe mij gevoelen,Dat de vlam niet is uitgebluscht,Die voor mij U verteerde,En erlang daar voor mij het wederzien.

Geen troosteloozeHeeft zich zoo te beklagen als ik,Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.

Geen troostelooze

Heeft zich zoo te beklagen als ik,

Want, helaas, ik zucht vergeefs in liefde.

[228]

Hij, die den hemel beweegt en elke sterMaakte mij naar zijn welbehagenLief, bekoorlijk, gracieus en schoonOm hier omlaag aan elk hoog verstandEenig teeken te gevenVan de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,En de menschelijke onvolmaaktheid,Die mij slecht heeft gekend,Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.

Hij, die den hemel beweegt en elke ster

Maakte mij naar zijn welbehagen

Lief, bekoorlijk, gracieus en schoon

Om hier omlaag aan elk hoog verstand

Eenig teeken te geven

Van de schoonheid, die Hem altijd voor oogen staat,

En de menschelijke onvolmaaktheid,

Die mij slecht heeft gekend,

Viert mij niet maar heelt mij zelfs geminacht.

Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarneAls jong meisje mij namIn zijn armen en daarna in al zijn gedachtenEn voor mijn oogen geheel ontvlamde.En de tijd, die licht voorbij vliegtVerkwiste hij geheel met mij te beminnen,En ik, die hoffelijk ben,Maakte hem mijner waardig,Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.

Vroeger was er een, die mij lief had en die gaarne

Als jong meisje mij nam

In zijn armen en daarna in al zijn gedachten

En voor mijn oogen geheel ontvlamde.

En de tijd, die licht voorbij vliegt

Verkwiste hij geheel met mij te beminnen,

En ik, die hoffelijk ben,

Maakte hem mijner waardig,

Maar nu tot mijn droefenis mis ik hem.

Toen kwam tot mij een trotscheEn fiere jonkman,Die zich edel roemde en dapperEn mij nam en hield en met valsche gedachteJaloersch is geworden.Daarover, helaas, ben ik wanhopig,In waarheid wetendDat ik, voor het heil van velen ter wereldGekomen, door één geheel ben vermeesterd.

Toen kwam tot mij een trotsche

En fiere jonkman,

Die zich edel roemde en dapper

En mij nam en hield en met valsche gedachte

Jaloersch is geworden.

Daarover, helaas, ben ik wanhopig,

In waarheid wetend

Dat ik, voor het heil van velen ter wereld

Gekomen, door één geheel ben vermeesterd.

Ik verfoei mijn ongeluk,Toen ik om vrouw te wordenHet ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijdeZag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nuEen hard leven leid,Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.O smartbrengende vreugde!Waarom ben ik niet gestorven,Voor ik dit en zoo heb beleefd!

Ik verfoei mijn ongeluk,

Toen ik om vrouw te worden

Het ja! ooit uitsprak; zoo schoon en blijde

Zag ik mij vroeger in het donker onheil, waarin ik nu

Een hard leven leid,

Terwijl ik minder dan vroeger als eerbaar bekend ben.

O smartbrengende vreugde!

Waarom ben ik niet gestorven,

Voor ik dit en zoo heb beleefd!

O dierbare minnaar, waarover ik eerstMeer dan over ieder ander blijmoedig was,En die thans in den hemel is bij Hem,Die ons schiep, zie heb medelijden[229]Met mij, die voor anderenU niet kan vergeten: doe mij gevoelen,Dat de vlam niet is uitgebluscht,Die voor mij U verteerde,En erlang daar voor mij het wederzien.

O dierbare minnaar, waarover ik eerst

Meer dan over ieder ander blijmoedig was,

En die thans in den hemel is bij Hem,

Die ons schiep, zie heb medelijden[229]

Met mij, die voor anderen

U niet kan vergeten: doe mij gevoelen,

Dat de vlam niet is uitgebluscht,

Die voor mij U verteerde,

En erlang daar voor mij het wederzien.

Hier eindigde Lauretta het lied, dat door allen geprezen op verschillende wijze werd begrepen. Er waren er, die het op zijn Milaneesch wilden verstaan en volhielden dat een goed varken beter is dan een mooi meisje. Anderen waren van een meer verheven en beter en waarder gedachte, maar het voegt niet er nu over uit te weiden. Hierna liet de koning, die op het gras en tusschen de bloemen vele fakkels had doen aansteken, verscheidene andere liederen zingen, tot elke ster begon te dalen, die was opgegaan. Daarom beval hij, toen het hem tijd scheen om te slapen, dat elk tot een goeden nacht naar zijn kamer terugkeerde.[230]


Back to IndexNext