[Inhoud]Achtste Vertelling.Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia14. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij[468]langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht[469]te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn[470]vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.[Inhoud]Negende Vertelling.Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont15van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding[471]der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid:Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo16brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.[472]Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes17, die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel18,[473]wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdatBuffalmaccoer meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet.19En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon deVastenen eenLam Godsaan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem denVeldslag der Ratten en Kattengeschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso20en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras[474]en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola21te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli22aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren23, hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini24[475]kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen[476]dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa25wilde.De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren26, welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano27, dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen28, die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt29. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde,[477]dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari30te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen[478]als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood31. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet.In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen32was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is … maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten33. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt[479]misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na hetAve Mariaging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan,[480]spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes:Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter[481]en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.[Inhoud]Tiende Vertelling.Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van[482]het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore34noemde, iets van zijn doen en laten.[483]Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er twee slaven35kwamen,de een beladen met een mooi en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen schenen en met het eene[484]omwikkelden zij Salabaetto en met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer36te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen37en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien[485]nacht met haar met het grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd[486]hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo.[487]Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven … Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken[488]en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na[489]twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op[490]de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:Zoo groot, o Amor, is het goede,Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,Waartoe gij mij hebt gebracht,En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraanEn op mijn verhelderd gezichtToont het mijn gelukkigen toestand;Want, daar ik verliefd ben,Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaatsZoet, dat ik in vuur sta.Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,Noch met de hand schrijvenO Amor, het heil, dat ik gevoel.En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:Want indien het bespeurd werd,Zou het in een marteling veranderen.Maar ik ben zoo voldaan,Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,Voor ik er iets van zou hebben onthuld.Wie zou kunnen denken, dat mijn armenHaar ooit zouden bereiken,Waar ik haar omhelsd heb,En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,Waar ik tot haar kwam,Door gratie en door geluk?Men zou nooit geloofd hebbenAan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.[491]
[Inhoud]Achtste Vertelling.Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia14. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij[468]langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht[469]te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn[470]vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.[Inhoud]Negende Vertelling.Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont15van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding[471]der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid:Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo16brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.[472]Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes17, die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel18,[473]wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdatBuffalmaccoer meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet.19En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon deVastenen eenLam Godsaan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem denVeldslag der Ratten en Kattengeschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso20en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras[474]en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola21te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli22aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren23, hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini24[475]kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen[476]dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa25wilde.De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren26, welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano27, dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen28, die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt29. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde,[477]dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari30te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen[478]als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood31. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet.In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen32was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is … maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten33. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt[479]misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na hetAve Mariaging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan,[480]spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes:Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter[481]en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.[Inhoud]Tiende Vertelling.Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van[482]het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore34noemde, iets van zijn doen en laten.[483]Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er twee slaven35kwamen,de een beladen met een mooi en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen schenen en met het eene[484]omwikkelden zij Salabaetto en met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer36te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen37en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien[485]nacht met haar met het grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd[486]hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo.[487]Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven … Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken[488]en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na[489]twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op[490]de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:Zoo groot, o Amor, is het goede,Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,Waartoe gij mij hebt gebracht,En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraanEn op mijn verhelderd gezichtToont het mijn gelukkigen toestand;Want, daar ik verliefd ben,Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaatsZoet, dat ik in vuur sta.Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,Noch met de hand schrijvenO Amor, het heil, dat ik gevoel.En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:Want indien het bespeurd werd,Zou het in een marteling veranderen.Maar ik ben zoo voldaan,Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,Voor ik er iets van zou hebben onthuld.Wie zou kunnen denken, dat mijn armenHaar ooit zouden bereiken,Waar ik haar omhelsd heb,En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,Waar ik tot haar kwam,Door gratie en door geluk?Men zou nooit geloofd hebbenAan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.[491]
[Inhoud]Achtste Vertelling.Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia14. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij[468]langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht[469]te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn[470]vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.[Inhoud]Negende Vertelling.Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont15van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding[471]der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid:Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo16brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.[472]Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes17, die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel18,[473]wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdatBuffalmaccoer meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet.19En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon deVastenen eenLam Godsaan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem denVeldslag der Ratten en Kattengeschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso20en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras[474]en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola21te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli22aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren23, hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini24[475]kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen[476]dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa25wilde.De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren26, welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano27, dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen28, die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt29. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde,[477]dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari30te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen[478]als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood31. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet.In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen32was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is … maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten33. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt[479]misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na hetAve Mariaging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan,[480]spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes:Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter[481]en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.[Inhoud]Tiende Vertelling.Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van[482]het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore34noemde, iets van zijn doen en laten.[483]Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er twee slaven35kwamen,de een beladen met een mooi en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen schenen en met het eene[484]omwikkelden zij Salabaetto en met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer36te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen37en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien[485]nacht met haar met het grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd[486]hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo.[487]Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven … Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken[488]en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na[489]twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op[490]de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:Zoo groot, o Amor, is het goede,Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,Waartoe gij mij hebt gebracht,En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraanEn op mijn verhelderd gezichtToont het mijn gelukkigen toestand;Want, daar ik verliefd ben,Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaatsZoet, dat ik in vuur sta.Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,Noch met de hand schrijvenO Amor, het heil, dat ik gevoel.En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:Want indien het bespeurd werd,Zou het in een marteling veranderen.Maar ik ben zoo voldaan,Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,Voor ik er iets van zou hebben onthuld.Wie zou kunnen denken, dat mijn armenHaar ooit zouden bereiken,Waar ik haar omhelsd heb,En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,Waar ik tot haar kwam,Door gratie en door geluk?Men zou nooit geloofd hebbenAan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.[491]
[Inhoud]Achtste Vertelling.Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia14. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij[468]langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht[469]te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn[470]vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.
Achtste Vertelling.Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.
Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.
Twee mannen zijn bevriend; de een slaapt met de vrouw van den ander; degene, die dit merkt, maakt, dat die door zijn vrouw in een koffer wordt gesloten, waarop hij, terwijl die daarin zit, met de vrouw van deze de schade inhaalt.
De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia14. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij[468]langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht[469]te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn[470]vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.
De lotgevallen van Elena waren treurig en bedroevend geweest voor de donna’s om aan te hooren, maar omdat zij meenden, dat die haar ten deele met recht waren overkomen, hadden zij die met meer getemperd medelijden gevolgd, hoezeer zij den student hard en zelfs wreed vonden. Maar toen Pampinea tot het slot was geraakt, beval de koningin, dat Fiammetta zou voortgaan, die verlangend te gehoorzamen zeide: Bekoorlijke donna’s. Daar het mij schijnt, dat de strengheid van den student u eenigszins heeft ontstemd, vind ik het passend de bedroefde zielen een vroolijke, kleine geschiedenis te verhalen van een jonkman, die met zachtheid een beleediging ontving en zich met een gematigd middel wreekte. Daardoor zal het goed zijn te begrijpen, dat wie een ezel ontvangt een gelijke moet terug geven zonder te willen beleedigen, en waar men zich voor een ontvangen hoon moet wreken, niet boven het passende van de wraak te gaan.
Gij moet dan weten, dat er in Siena twee welgestelde jonge mannen waren van goede burgerfamilies, de een heette Spinelloccio Tanena en de ander Zeppa di Mino; zij waren buren in Camollia14. Zij gingen altijd samen om en naar wat zij toonden, mochten zij elkaar zoo gaarne lijden, alsof zij broeders waren. Ieder van hen had een schoone echtgenoote. Daar Spinelloccio veel in het huis van Zeppa kwam of die er was of niet, werd hij zoo met de vrouw van Zeppa bevriend, dat hij er mee ging slapen en aldus deden zij[468]langen tijd zonder dat iemand iets merkte. Eens toen Zeppa thuis was en de donna het niet wist, kwam Spinelloccio. De donna zeide, dat hij niet thuis was, waarop Spinelloccio spoedig naar boven ging, de donna alléén in de zaal vond en daarop kusten en omhelsden zij elkander. Zeppa, verborgen, keek, hoe het spelletje liep, sprak geen woord, maar zag weldra, dat zijn vrouw en Spinelloccio gearmd naar hun kamer gingen en zich opsloten, waarover hij zeer boos werd. Maar hij wist, dat door eenig tumult te maken zijn smaad niet minder werd en de schande grooter en dat hij zich zóó moest wreken, dat men het buiten niet wist, maar zijn ziel tevreden zou zijn. Na lang denken vond hij het middel. Hij verborg zich zoo lang, als Spinelloccio met de donna bleef. Toen deze was weggegaan, trad hij in de kamer der donna; zij was nog niet gereed met haar sluier, welke Spinelloccio bij het stoeien had laten vallen en zeide: Vrouw, wat doet gij? Hierop antwoordde de donna: Ziet gij het niet? Zeppa zeide: O zeker, zeker, ik heb ook wat gezien, wat ik niet had willen zien. En over hetgeen gebeurd was, begon hij met haar te spreken en na met den grootsten angst en na veel omwegen bekend te hebben wat zij aangaande haar verhouding niet verbergen kon, vroeg zij hem schreiend om vergiffenis. Hierop sprak Zeppa: Gij hebt kwaad gedaan, en indien gij wilt, dat ik het U vergeef, dan moet gij geheel vervullen, wat ik U zal opdragen, en dat is: Dat gij zegt aan Spinelloccio, dat hij morgen op het uur der terza reden vindt om van mij heen te gaan en hier bij U te komen en wanneer hij hier zal zijn, zal ik terugkeeren en als gij mij bespeurt, zult gij hem in een koffer sluiten en dan zal ik U verder zeggen, wat gij doen moet. Aarzel niet het te doen, want ik zal hem in ’t geheel geen kwaad doen. De donna om hem tevreden te stellen, zeide, dat zij het zou doen. Den volgenden dag, toen Zeppa en Spinelloccio in de terza te samen waren, zeide Spinelloccio tot Zeppa: Ik moet vanmorgen met een vriend ontbijten, waar ik mij niet wil laten wachten en daarom ga met God. Zeppa antwoordde: Het is nog geen uur om te ontbijten. Spinelloccio antwoordde: Ik heb hem ook over een zaak te spreken, zoodat ik er vroeg moet zijn. Aldus ging Spinelloccio heen, maakte een omweg en kwam in het huis van diens vrouw en toen hij in de kamer was gekomen, duurde het niet lang of Zeppa kwam terug. De donna toonden groote angst en verborg hem in den koffer en ging daarna de kamer uit. Zeppa naar boven geklommen sprak: Vrouw, kunnen wij al ontbijten? De donna antwoordde: Ja, in een oogenblik. Toen sprak Zeppa: Spinelloccio is vanmorgen bij een vriend gaan eten en heeft zijn vrouw alleen gelaten. Ga aan het venster en roep haar om bij ons te komen ontbijten. De bevreesde donna gehoorzaamde en deed wat haar bevolen werd. De vrouw van Spinelloccio ging na lang aangezocht[469]te zijn en gehoord te hebben, dat haar man niet kwam ontbijten. Toen zij daar was, gaf Zeppa haar zijn liefkoozingen, nam haar bij de hand en beval zijn vrouw zachtjes naar de keuken te gaan, nam haar mee naar zijn kamer en sloot die van binnen. Toen de donna dit zag, zeide zij: Wee mij, Zeppa, wat wil dat zeggen! Hebt gij mij daarom hier laten komen? Is dat vriendschap, die gij voor Spinelloccio gevoelt? Zeppa, die de koffer genaderd was, waarin haar man zat en die haar stevig vast hield, sprak: Voor gij boos wordt, moet gij luisteren: ik houd en hield van Spinelloccio als een broeder, maar gisteren vond ik, dat het vertrouwen, dat ik in hem gesteld had; zoover was gegaan, dat hij met mijn vrouw sliep als met U. Ik bemin U; ook daarom ben ik niet van plan een andere wraak te nemen dan de beleediging eischt; hij heeft mijn vrouw gehad, ik wil daarom U hebben. Als gij weigert, zal hij het zeker later betalen en daar ik niet van plan ben die beleediging ongewroken te laten, zal ik hem dan wat leveren, dat gij noch hij ooit weer vroolijk zult zijn.
De donna geloofde Zeppa en zeide: Mijn Zeppa, daar de wraak op mij moet vallen, ben ik tevreden, mits gij mij in vrede met Uw vrouw laat blijven, daar ik, ondanks wat zij mij gedaan heeft, met haar wil blijven omgaan. Hierop antwoordde Zeppa: Dat zal ik zeker doen en bovendien zal ik U zulk een mooi en duur juweel geven, als gij er nog geen ander bezit. Bij die woorden omhelsde en kuste hij haar, legde haar op den koffer, waar haar man in zat opgesloten en hierop verheugden zij elkander, zooveel het hun beviel. Spinelloccio, die in den koffer zat en de woorden van Zeppa en het antwoord van zijn vrouw gehoord had en daarna den dans van Treviso had bespeurd, die boven zijn hoofd werd uitgevoerd, gevoelde zulk een smart, dat hij dacht te sterven en als hij niet bang was geweest voor Zeppa, had hij zijn vrouw een groote beleediging toegevoegd. Daarna zich toch herinnerend, dat hij met den smaad begonnen was en dat Zeppa reden had te doen, wat hij deed en zich jegens hem menschlievend en als vriend had gedragen, zeide hij tot zich zelf, dat hij meer dan ooit de vriend van Zeppa wilde blijven. Zeppa, die met de donna zoolang was geweest als hij verkoos, kwam van den koffer af en toen de donna hem het beloofde juweel vroeg, maakte hij de kamer open, liet zijn vrouw komen, die niets anders dan lachend zeide: Madonna, gij hebt mij een brood gegeven voor een aschkoek. Hier voegde Zeppa aan toe: Open dien koffer en zij deed het. Daarin toonde Zeppa aan de donna haar Spinelloccio. En het zou lang duren om te zeggen, welke van de twee zich het meest schaamde. Zeppa sprak tot haar: Ziehier het juweel, dat ik u geef. Spinelloccio, uit den koffer gekomen, zeide zonder veel praatjes te maken: Zeppa, wij zijn quitte en daarom is het goed, gelijk gij zooeven tot mijn[470]vrouw zeide, dat wij vrienden blijven en daar er geen ander verschil tusschen ons is geweest als van vrouwen, moeten wij die ons ook gemeen maken. Zij ontbeten alle vier te samen in vrede en Zeppa was voldaan. En van toen af hadden zij elk twee vrouwen, zonder dat zij er ooit twist of oneenigheid over hadden.
[Inhoud]Negende Vertelling.Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont15van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding[471]der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid:Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo16brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.[472]Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes17, die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel18,[473]wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdatBuffalmaccoer meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet.19En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon deVastenen eenLam Godsaan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem denVeldslag der Ratten en Kattengeschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso20en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras[474]en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola21te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli22aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren23, hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini24[475]kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen[476]dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa25wilde.De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren26, welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano27, dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen28, die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt29. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde,[477]dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari30te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen[478]als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood31. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet.In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen32was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is … maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten33. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt[479]misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na hetAve Mariaging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan,[480]spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes:Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter[481]en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.
Negende Vertelling.Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.
Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.
Docter Simon, door Bruno en Buffalmacco bij nacht op een plaats gebracht om deel uit te maken van een gezelschap, dat naar den heksen-sabbat gaat, wordt door Buffalmacco in een kuil met vuil geworpen en achtergelaten.
Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont15van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding[471]der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid:Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo16brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.[472]Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes17, die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel18,[473]wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdatBuffalmaccoer meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet.19En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon deVastenen eenLam Godsaan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem denVeldslag der Ratten en Kattengeschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso20en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras[474]en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola21te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli22aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren23, hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini24[475]kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen[476]dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa25wilde.De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren26, welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano27, dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen28, die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt29. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde,[477]dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari30te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen[478]als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood31. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet.In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen32was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is … maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten33. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt[479]misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na hetAve Mariaging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan,[480]spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes:Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter[481]en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.
Toen de donna’s wat hadden geschertst over de gemeenschap van de vrouwen vastgesteld tusschen de twee Sieneezen, begon de koningin, die alleen nog vertellen moest, om Dioneo geen onrecht te doen: Verliefde donna’s. Spinelloccio betaalde heel goed dien streek van Zeppa. Daarom schijnt het mij, dat men niet scherp moet misprijzen, gelijk Pampinea kort te voren wilde aantoonen, wie spot met dengeen, die de misleiding zoekt of die zich deze op den hals haalt. Ik wil u van iemand vertellen, die er zich aan bloot stelde en meen, dat de daders niet te laken maar te loven waren. Degeen, wien dit geschiedde, was een dokter, die geheel bedekt met bont15van Bologna naar Florence ging en toch een ezel was.
Gelijk wij het iederen dag zien, komen onze medeburgers van Bologna terug als rechter, dokter en notaris met lange en breede scharlaken gewaden met bonten randen en andere onderscheidingen. Welke gevolgen dit heeft, zien wij elken dag. Voor kort kwam tot ons zekere maëstro Simone da Villa terug, rijker aan erfgoederen dan aan wetenschap, gekleed in scharlaken en met een kap tot over de schouders, dokter in de medicijnen, gelijk hij zelf zeide, gevestigd in de Via del Cocomero (Komkommer-Straat). Deze pas teruggekeerde dokter had onder zijn opmerkelijke gewoonten, die: aan wie zich bij hem bevond, den naam te vragen van iedereen, die door de straat ging en alsof hij naar de houding[471]der menschen zijn medicijnen moest samenstellen, lette hij op allen en onthield ze. Onder hen, die hem bijzonder aantrokken, waren twee schilders, van welke heden reeds tweemaal gesproken is, Bruno en Buffalmacco, zijn buren. Het scheen hem, dat zij onbezorgder en vroolijker leefden dan wie ook, en hij vroeg vele menschen naar hun beroep.
Daar hij van iedereen hoorde, dat zij arme schilders waren, meende hij, dat het niet mogelijk was, dat zij van hun armoede zoo vroolijk konden leven, maar hij vermoedde, dat zij slimme kerels waren, die op onbekende wijze van anderen profiteerden en daarom wilde hij met beide of met een van hen zich bevriend maken. Hij kwam in kennis met Bruno. Bruno, die spoedig zag, dat die dokter een ezel was, begon zich te vermaken met zijn dwaasheden en de medicus van zijn kant had in hem wonderbaar genoegen. Nadat hij hem dikwijls tot ontbijten had uitgenoodigd, geloofde hij familiaar met hem te kunnen spreken en zeide, dat het hem verwonderde, dat zij zoo vroolijk leefden en hij verzocht het hem te leeren. Die vraag scheen Bruno één van de vele dwaasheden van den medicus. Hij lachte en antwoordde in overeenstemming met zijn domheid:Maëstro, alléén aan u wil ik zeggen, hoe wij dit doen, omdat gij een vriend zijt en omdat ik weet, dat gij het niet aan anderen zult zeggen. Mijn metgezel en ik leven zoo vroolijk en zoo goed als het schijnt en nog beter. Noch van onze kunst, nog van eenige rente, kunnen wij het water betalen, waarmee wij werken. Ik hoop niet, dat gij denkt, dat wij het stelen, maar wij gaan op avontuur uit en zoo krijgen wij alles.
De dokter geloofde het, verwonderde zich zeer en onmiddellijk kreeg hij het brandendste verlangen te weten, wat dat op avontuur uitgaan was en met groote volharding drong hij aan het hem te zeggen en verzekerde, dat hij er nooit over zou spreken. O wee, maëstro, zei Bruno, wat vraagt ge mij? Dat is een te groot geheim en zou de oorzaak zijn van mijn ondergang en mijn verbanning uit de wereld. Het zou mij zelf in den muil van den Lucifer van San Gallo16brengen, als anderen het weten. Maar zoo groot is de vriendschap, die ik voor uw eigenaardige ezelachtigheid van Legnaja gevoel en het vertrouwen, dat ik in u heb, dat ik het u niet kan weigeren, en daarom zal ik het u vertellen op voorwaarde, dat gij mij zweert bij het kruis van Montesone, dat gij het nooit aan iemand zult zeggen. De maëstro beloofde dit.[472]
Welnu dan, doktertje, sprak Bruno, nog niet lang geleden bevond zich in onze stad een groot meester in de toovenarij, die Michele Scotto heette, omdat hij van Schotland kwam en wien door vele edellieden, van welke er nog maar weinige leven, groote eer werd bewezen. Toen hij van hier vertrok, liet hij op hun aandrang twee goed onderrichte leerlingen achter, aan wien hij gelastte tot elken dienst voor die ridders bereid te zijn. Aldus dienden zij hen welwillend bij zekere liefdesgeschiedenissen en meer dergelijke zaakjes. Toen de stad en de zeden hun bevielen, bleven zij en sloten een groote en nauwe vriendschap met enkele lieden en letten er alleen op, of hun gewoonte met de hunnen overeen stemden. Om die vrienden te behagen vormden zij een gezelschap van misschien vijfentwintig personen, die elkaar minstens tweemaal in de maand op een afgesproken plaats ontmoetten; dan zeide elk zijn verlangen en zij voldeden hieraan met spoed. Met die twee zijn Buffalmacco en ik bijzonder bevriend en wij zijn in dit gezelschap. En als wij samen kwamen, was het een wonder de tapijten te zien, in de zaal, waar wij aten, de koninklijke tafels, het aantal edelen en schoone bedienden, zoowel mannen als vrouwen, de spoelvaten, de lampetkannen, de flesschen, de bekers en ander vaatwerk van goud en zilver, waaruit wij aten en dronken en behalve dat de vele en verschillende spijzen. Het is niet mogelijk op te sommen hoedanig en hoeveel heerlijke tonen en klanken van tallooze instrumenten en zangen vol melodie er gehoord worden, noch hoeveel was men bij die gastmalen brandt, noch hoeveel meelspijzen er gegeten worden en hoe kostbaar de wijnen zijn, die men er drinkt. En gij moet niet gelooven, mijn braaf pompoenen-hoofd, dat wij daar blijven in dit gewaad; er is er daar geen, die er minder uitziet dan een keizer.
Maar boven alle genoegens zijn er schoone vrouwen, welke er dadelijk van alle deelen der wereld samen komen. Gij zoudt daar de heerscheresse der Barbaniechi zien, de koningin der Basken, de vrouw van den Sultan, de keizerin van Osbeck, de Ciancianfera van Nornieca, de Semistante van Berlinzone en de Scalpedra van Narsia. Maar waarom zou ik ze u opsommen? Alle koninginnen van de wereld zijn er, ik beweer tot zelfs de Schinchimurra van den priester Johannes17, die, naar ik weet, van achteren horens draagt; zie het verder eenmaal zelf. Nadat men goed gedronken en gegeten heeft en een of twee dansen uitgevoerd, gaat elke dame met haar minnaar in haar kamer. De kamers schijnen een paradijs en zijn even welriekend als de bakken met kruiden in uw winkel18,[473]wanneer gij den komijn laat stampen. Er zijn bedden, die u schooner zouden schijnen dan dat van den doge van Venetië. Hoe de weefsters spinnen om het weefsel sterk te maken, laat ik alleen aan Uw verbeelding over, maar onder hen, die er het best aan toe zijn naar mijn meening, behooren Buffalmacco en ik, omdatBuffalmaccoer meestal voor zich de koningin van Frankrijk laat komen en ik voor mij die van Engeland, welke twee de schoonste vrouwen van de wereld zijn en we hebben zoo weten te handelen, dat zij aan niets anders denken dan aan ons. Daarom begrijpt gij wel, dat wij vroolijker dan andere menschen leven en handelen bij het denkbeeld, dat wij de liefde bezitten van twee zulke koninginnen; buiten dat: als wij een- of tweeduizend florijnen van ze wenschen, dan hebben wij die niet.19En dat noemen wij in de volkstaal op strooptocht uitgaan; omdat wij als zeeroovers elkeen plunderen, maar wij verschillen daarin van hen, dat zij ze nooit teruggeven maar wij, als we er ons van bediend hebben. Nu hebt gij, mijn goede maëstro, gehoord, wat wij op strooptocht gaan noemen, maar gij kunt zien, hoe geheim gij dit moet houden. De dokter, wiens wetenschap zich waarschijnlijk niet verder uitstrekte dan het genezen van kinderen van het hoofdzeer, schonk zooveel geloof aan de woorden van Bruno, als men het voor welke begeerenswaardige zaak ook zou kunnen wenschen. Hij antwoordde Bruno, dat hij het waarlijk geen wonder vond, dat zij vroolijk waren, en met groote moeite bedwong hij zich hem te vragen hem dadelijk op te nemen, opdat hij na hem nog beter te hebben onthaald, hem die verlangens met meer vertrouwen kon mededeelen. Hij zette dus den omgang met hem voort, liet hem ’s avonds en ’s morgens bij zich eten, betuigde hem buitengewone vrienschap en die was zoo groot, dat de maëstro niet zonder Bruno kon leven. Opdat Bruno niet ondankbaar zou schijnen, schilderde hij in des dokters salon deVastenen eenLam Godsaan den ingang en boven de deur van de straat een waterpot, opdat zij, die zijn raad noodig hadden, hem van zijn collega’s konden onderscheiden en in een kleine galerij had hij voor hem denVeldslag der Ratten en Kattengeschilderd, welke den dokter al te mooi scheen. Hij zeide dikwijls tot den maëstro, als hij niet met hem avondmaalde: Ik was vannacht op de vergadering en daar ik een beetje moe was van de koningin van Engeland, liet ik mij Gumedra komen van den Khan van Tartarije. De dokter vroeg: Wat beteekent Gumedra? Ik begrijp die namen niet best, dokter, sprak Bruno, ik verwonder mij niet, want ik heb wel hooren zeggen, dat Porco grasso20en Vannacena er nooit van spreken. De dokter hernam: Gij meent Hippocras[474]en Avicenna. Bruno ging voort: Bij God, ik weet het niet, ik versta uw namen even slecht als gij de mijnen, maar Gumedra in die taal van den grooten Khan beteekent in de onze: keizerin. O zij zou u een schoon vrouwtje schijnen en zou u de medicijnen en de recepten en elke pleister doen vergeten. Zoo sprak hij voort om hem te ontvlammen en toen de dokter hem op een avond goed onthaald had en het licht voor Bruno vasthield, die aan den veldslag der ratten en katten bezig was, besloot hij hem zijn gemoed te openen en sprak tot hem: Bruno, gelijk God weet, heb ik voor u alles over en ik zou als gij mij zegt naar Peretola21te gaan, dat doen. En daarom zult gij u niet verwonderen, indien ik u vriendschappelijk en in vertrouwen iets verzoek. Nog niet lang geleden hebt gij mij van de gewoonten van uw vroolijk gezelschap gesproken, waarnaar ik zoo verlangend ben geworden, dat ik nooit iets anders meer heb begeerd. En kunt gij mij uitlachen, indien ik er niet de mooiste dienstmeid laat komen, die gij in langen tijd gezien hebt, welke ik echter het vorige jaar te Cacavincigli22aanschouwde? Ik heb haar bij Christus’ Lichaam tien groote bologneezen aangeboden, als zij naar mij luisteren wilde, maar zij heeft niet gewild. Daarom bid ik u mij te leeren, wat ik doen moet om in dat gezelschap te komen; waarlijk gij zult in mij een goed en trouw metgezel hebben, die u eer zal aandoen. Gij hebt gezien, dat ik een knap man ben en hoe sterk mijn beenen zijn; ik heb een gelaat zoo frisch als een roos en bovendien ben ik dokter in de medicijnen en gij hebt er, meen ik, in uw gezelschap geen een zoo, Ik weet tal van schoone zaken, mooie liederen en hij begon een lied te zingen. Bruno lachte, dat hij bijna stikte, maar hield zich goed. Toen het lied uit was, vroeg de maëstro: Hoe vindt gij dit? Bruno sprak: Zeker de guitaren van turksch koren23, hoe kunstig ook bespeeld, moeten het tegen u verliezen. De dokter hernam: Zoudt gij het ooit geloofd hebben, als gij mij niet hadt gehoord? Neen, nooit, sprak Bruno. De maëstro ging voort: Ik ken er nog meer, maar laten wij die ter zijde. Mijn vader was edelman, hoewel hij buiten woonde en ik ben door mijn moeder afkomstig van Vallecchio en gelijk gij weet, heb ik de schoonste boeken en de schoonste gewaden onder de medici van Florence. Bij het geloof in God; ik heb een kleed, dat alles bij elkaar gerekend bijna honderd lire in bagattini24[475]kostte, meer dan tien jaar geleden. Daarom bid ik u mij spoedig er bij te brengen en bij het geloof in God, als gij mij dit doet, kunt gij ziek worden, maar nooit zal ik u een halfje rekenen. Bruno sprak: Maëstro, maak daar wat meer licht en wees niet ongeduldig, tot ik de staarten van die ratten heb afgemaakt en dan zal ik u antwoorden. Toen de staarten voltooid waren en Bruno deed of hij hem zeer hinderde, zeide hij: Waarde dokter, gij kunt groote dingen voor mij doen, maar hoe gering dit ook is in betrekking tot de grootte van uw geest, is het voor mij toch zeer groot, en ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor u. Ik houd zooveel van u als dit past, ook door uw woorden, welke vol zijn van zooveel verstand, dat zij de begijntjes uit hun schoenen zouden halen, zoo goed als zij mij van mijn voornemen afbrengen en hoe meer ik met u omga, hoe wijzer gij mij voorkomt. En dit zeg ik u ook nog, dat, als ik u niet zoo welgezind was, ik dit zou zijn, omdat ik zie, dat gij verlangt naar een zoo schoone zaak. Maar ik moet u zeggen: dat ik hierin niet zooveel macht heb, als gij meent en daarom kan ik voor u niet doen, wat noodig is, maar, als gij mij belooft bij uw groote, kwade trouw het geheim te houden, zal ik u een middel geven om het gedaan te krijgen en het schijnt mij zeker, daar gij zulke schoone boeken en andere zaken hebt, dat het zal gebeuren. De dokter sprak: Spreek zonder vrees; ik zie, dat gij mij niet goed kent en nog niet goed weet, hoe goed ik kan zwijgen. Toen messer Guasparruolo van Saliceto rechter was van den schout van Forlimpopoli, waren er weinig dingen, die hij deed, die hij mij niet gelastte te vertellen. En wilt gij zien, dat ik de waarheid spreek? Ik was de eerste man, aan wien hij vertelde, dat hij Bergamina zou trouwen; ziet gij het nu? Nu, sprak Bruno, als die zich aan u toevertrouwde, kan ik het ook. Het middel is dit: Wij hebben altijd aan het hoofd van ons gezelschap een kapitein met twee raadslieden, die om de zes maanden aftreden en de eerste van de volgende maand zal Buffalmacco kapitein worden en ik raadsman. Wie kapitein is, kan veel doen om binnen te leiden, wien hij wenscht. Maak u dus bevriend met Buffalmacco en ontvang hem goed. Hij is een man, die terstond met uw wijsheid ingenomen zal zijn en wanneer gij hem met de vele dingen, die gij bezit een weinig bevriend hebt gemaakt, kunt gij het hem vragen; hij zal U niet weigeren. Ik heb hem al over u gesproken en hij is u ten zeerste genegen en wanneer gij zoo hebt gehandeld, laat mij dan met hem gaan. Toen sprak de dokter: Uwe redeneering bevalt mij zeer en als hij een man is, die graag met de geleerden omgaat en met mij slechts een weinig spreekt, zal ik wel zorgen, dat hij mij steeds zal opzoeken, omdat ik wel zooveel verstand heb, dat ik er een heele stad van zou kunnen voorzien en zeer wijs zou blijven. Toen[476]dit was afgesproken, vertelde Bruno alles aan Buffalmacco. Het scheen aan Buffalmacco, dat het nog wel duizend jaar zou duren, eer men kon doen, wat die maëstro Scipa25wilde.
De dokter, die boven alles verlangde op een strooptocht uit te gaan, had geen rust, voor hij bevriend werd met Buffalmacco, wat hem licht gelukte. Hij begon de schoonste avondmalen en ontbijten te geven en ook aan Bruno en dezen deden zich te goed als die heeren26, welke de beste wijnen verzwelgend, de vette kapoenen en meer, zich aan hem vastklampten en zonder zich te laten bidden. Maar toch, toen het tijd scheen aan den dokter, richtte hij zijn vraag tot Buffalmacco, gelijk hij dit tot Bruno had gedaan. Buffalmacco toonde zich daarover zeer vertoornd en maakte Bruno groote verwijten: Ik zweer bij den verheven God van Pasignano27, dat weinig mij weerhoudt, je niet zóó op het hoofd te slaan, dat de neus je op de hielen valt, verrader, die gij zijt, want geen ander dan gij heeft die dingen aan den dokter verteld. Maar de dokter verontschuldigde hem en zeide en zwoer, dat hij het van anderen kant had geweten en na vele van zijn wijze woorden deed hij hem toch bedaren. Buffalmacco tot den dokter gewend, zeide: Waarde maëstro, het schijnt wel, dat gij uit Bologna een gesloten mond hebt medegebracht en bovendien, dat gij het a. b. c. niet op een appel hebt geleerd, gelijk vele dwazen het willen doen, maar goed op een meloen28, die zóó lang is, en als ik mij niet bedrieg, zijt gij op een Zondag gedoopt29. En daar Bruno gezegd heeft, dat gij daar in de medicijnen hebt gestudeerd, schijnt het mij, dat dit is geweest om de menschen in te pakken beter dan ik het ooit van iemand hoorde door uw verstand en uw gesprekken. De medicus, die hem in de rede viel, zeide tot Bruno: Wat is het goed om te gaan met geleerden! Wie zou zoo spoedig elke bijzonderheid van mijn geest hebben begrepen als deze waardige man? Gij hebt niet zoo spoedig gezien, wat ik waard was, als hij, maar zeg hem tenminste, wat ik u zeide, toen gij mij vertelde,[477]dat Buffalmacco gaarne met geleerde mannen omging; schijnt het u, dat ik het goed gedaan heb? Beter, hernam Bruno. Toen zei de dokter tot Buffalmacco: Gij zoudt iets anders gezegd hebben, als gij mij te Bologna hadt gezien, waar groot noch klein was, dokter noch student, die mij niet mocht lijden, zoo wist ik allen te behagen door mijn redeneeren en mijn verstand. En ik zal u nog er bij vertellen, dat ik nooit een woord sprak of ik deed iedereen lachen, zoo beviel ik hun en toen ik er vandaan ging, klaagden allen om het hardst en allen wilden, dat ik toch maar gebleven was en het kwam zoo ver, dat zij mij alleen wilden laten les geven in de medicijnen aan al de studenten, maar ik wilde niet, daar ik bereid was hierheen te komen om het zeer groote erfgoed, dat altijd aan mijn familie behoorde.
Toen sprak Bruno tot Buffalmacco: Hoe vindt ge het? Gij hebt het niet geloofd, toen ik het zeide. Bij de Evangeliën! Er is hier geen dokter, die zoo’n verstand heeft van ezelspis als deze en zeker zult gij er geen aan hem gelijk vinden van hier tot aan de poorten van Parijs. Kom, weiger nu te doen, wat hij wil! De dokter zeide: Bruno zegt de waarheid, maar ik heb mezelf niet gekend. Gij zijt ook domme lieden als geen anderen, maar ik wou, dat gij mij onder de doktoren hadt gezien. Toen hernam Buffalmacco: Waarlijk, dokter, gij weet het veel beter dan ik het ooit had geloofd, en u toesprekend gelijk men spreekt tot geleerden als gij, zeg ik u beschaamd, dat ik mijn best zal doen, dat gij zonder twijfel in ons gezelschap zult komen. De gastmalen vermeerderden na die belofte; zij deden hem rondrijden op de geit van de grootste dwaasheden en zij beloofden hem tot vrouw de gravin van Civillari30te geven, die het schoonste ding was, wat men in al de bestekamers van het menschelijk geslacht kon vinden. De medicus vroeg, wie die gravin was; hierop zeide Buffalmacco: Mijn zaai-komkommer, zij is een maar al te groote dame en er zijn weinig huizen in de wereld, waarin zij geen grondgebied heeft en geen anderen dan de Minderbroeders bewijzen haar eer met trompetgeschal. Ik zeg u, dat, wanneer zij rondgaat, zij zich dan goed doet gewaar worden, maar meestal thuis blijft; toch is zij niet lang geleden langs Uw deur gegaan op een nacht, dat zij aan den Arno haar voeten ging wasschen en een weinig lucht ging scheppen. Het meest woont zij in Laterina. Vaak gaan daarom wachters van haar rond en allen[478]als bewijs van haar macht dragen een riet en een lood31. Men ziet vele van haar baronnen als Tamagnino aan de poort, dan Meta, Manico di Scopa, Squacchera en anderen, die, geloof ik, uw vrienden zijn, maar gij herinnert u die niet.In de bekoorlijke armen van die groote dame willen wij u voeren, als ons plan niet faalt. De dokter, die te Bologna geboren en getogen32was, begreep hun uitdrukkingen niet en was met de donna tevreden.
Toen de dag was gekomen, waarna men in den volgenden nacht hem zou ontvangen, had de dokter ze beide aan het ontbijt. Toen ze gegeten hadden, vroeg hij ze, op welke wijze hij in dat gezelschap kon komen. Buffalmacco zeide hem: Zie, maëstro, gij moet moed bezitten, want anders zoudt gij geweigerd kunnen worden en ons zeer groote schade doen. Waarin gij zeer moedig behoort te zijn, zult gij vernemen. Wij moeten zorgen van avond in den tijd van den eersten slaap u op een der opgehoogde graven te vinden, welke voor kort gemaakt zijn rondom Santa Maria Novella, met een uwer schoonste gewaden aan, opdat gij de eerste maal voornaam verschijnt en ook omdat—naar wat ons gezegd is … maar toen waren wij er niet—gij edelman zijt en de gravin van plan is u gedoopt ridder te maken op haar kosten33. Daar zult gij wachten, tot hij u komt halen, dien wij zenden. En nadat gij van alles onderricht zijt, zal er een zwart en gehorend beest tot u komen, niet zeer groot en dat om u heen zal gaan op het plein met groot geblaas en groote sprongen om u bang te maken, maar daarna, wanneer het zal zien, dat gij niet verschrikt, zal het u zachtjes naderen. Wanneer het bij u zal zijn, zult gij op zijn rug klimmen en zult gij zonder vrees afdalen van den grafsteen zonder God of de heiligen aan te roepen. Dan zult gij de handen op de borst leggen zonder het dier aan te raken en het zal u naar ons toe brengen. Maar, indien gij u God of de heiligen aanbeveelt of bang zijt, waarschuw ik u, dat het u wel zou kunnen afwerpen op een plaats, waar het zou stinken en daarom waant gij u te moedig, ga er dan niet heen, want gij zoudt u zelf nadeel doen zonder voordeel voor ons.
Toen antwoordde de dokter: Gij kent mij nog niet; gij zijt[479]misschien bevreesd, omdat ik handschoenen en lange gewaden draag. Indien gij wist, welke nachten ik vroeger in Bologna heb doorgemaakt, wanneer ik soms met mijn metgezellen naar de vrouwen ging, dan zoudt gij u er over verwonderen. Eens op een nacht, dat er een niet met ons mee wou gaan—het was ook een ongelukkige, en erger: niet hooger dan de elleboog—gaf ik die eerst verscheidene stompen daarna, toen ik haar met geweld beetpakte, geloofde ik haar een pijlschot ver te dragen en toen kreeg ik haar toch mee. Op een andere keer herinner ik mij, dat ik niemand bij mij had dan een mijner knechts en kort na hetAve Mariaging ik langs het kerkhof der Minderbroeders, waar men denzelfden dag een vrouw had begraven en toch was ik heelemaal niet bang. Hebt daarom geen wantrouwen, want ik ben te moedig en vermetel. En om u eer aan te doen, zal ik mijn scharlaken rok aantrekken, waarmee ik tot dokter werd gepromoveerd. Ik wil zien of het gezelschap niet blij is, wanneer het mij aanschouwt en of ik niet spoedig kapitein zal worden. Gij zult eens kijken, hoe de zaak gaat, wanneer ik er ben, want voor de gravin mij gezien heeft, is zij al zóó verliefd op mij, dat zij mij tot gedoopt ridder wil slaan. Misschien zal de ridderschap mij slecht staan en ik die niet goed weten door te voeren of toch wel! Laat mij maar gaan. Buffalmacco zei: Gij spreekt maar al te goed, maar pas op, dat gij, den streek uithaalt niet te komen of dat gij er niet wordt gevonden, als wij u laten halen. Ik zeg u dit, omdat het koud is en gij heeren medici, er zeer bang voor zijt. Het behage niet aan God, zei de dokter, ik behoor niet tot die koukleumen. Wanneer ik ’s nachts dikwijls opsta voor zekere lichaamsbehoefte, doe ik niets anders over mijn wambuis dan mijn pels; daarom zal ik flink wezen. Toen zij dus vertrokken waren, vond de maëstro, zoodra de nacht aanbrak, een uitvlucht tegenover zijn vrouw en na in het geheim zijn beste gewaad te hebben aangetrokken, ging hij naar een der genoemde graven en op een steen, die zeer koud was, wachtte hij het beest af. Buffalmacco, die groot en forsch van gestalte was, schafte zich een masker aan, waarvan men zich pleegde te bedienen bij bepaalde spelen, die thans niet meer plaats hebben en deed zich een zwarte huid binnenste buiten om, zoodat hij op een beer geleek, als zijn gelaat niet dat van een duivel geweest was en met horens. Zoo toegetakeld ging hij naar het nieuwe plein van Santa Maria Novella. Toen hij bemerkte, dat mijnheer de dokter er was, begon hij hoog te springen en vreeselijk spektakel te maken, te blazen, te huilen en te knarsetanden of hij dol was geworden. Toen de dokter dit gewaar werd, gingen al de haren op zijn lichaam overeind staan en hij begon over het gansche lijf te beven, zoodat hij wel een bange vrouw leek en hij was toen liever thuis geweest. Maar omdat hij er eenmaal heen was gegaan,[480]spande hij zich in zich rustig te houden, zoo beheerschte hem het verlangen die wondere dingen te zien. Maar terwijl Buffalmacco zich zoo aanstelde, bedaarde hij, en kwam die bij het graf, waarop de maëstro stond. De dokter, die van angst sidderde, aarzelde om op het beest te klimmen. Ten slotte bevreesd, dat het hem kwaad zou doen, als hij er niet op sprong, verjoeg hij met den tweeden angst den eerste, daalde van den grafsteen af en sprak zachtjes:Dat God mij helpe, sprong er op en na er zich goed op te hebben gezet en altijd nog bevend, kruiste hij de handen om recht op te blijven. Toen begon Buffalmacco zich zachtjes te richten naar Santa Maria della Scala en droeg hem als op vier pooten tot aan het klooster der nonnen van Ripoli. Er waren toen in die straat kuilen, waarin de boeren de gravin Civillari haar cijns lieten storten om hun akkers te bemesten. Toen Buffalmacco daar dichtbij was, naderde hij een der randen, sloeg de hand om een der beenen van den dokter en na hem zoo van zijn rug te hebben gerukt, wierp hij hem met het hoofd voorover er in, begon te knarsetanden, te springen en te duikelen en langs Santa Maria della Scala naar de Allerheiligen-weide te gaan, waar hij Bruno vond, die, omdat hij zich niet kon houden van het lachen, gevlucht was. Toen begonnen zij van verre te beloeren, wat de gemeste dokter zou doen. Mijnheer de medicus, die bemerkte, op wat voor afschuwelijke plaats hij zich bevond, deed zijn best zich op te heffen om er uit te komen, maar dan hier dan daar er in terugvallend, werd hij van het hoofd tot de voeten heelemaal kleverig, bedroefd en kwaadaardig en na er voor een paar drachmen van geslikt te hebben kwam hij er toch uit en liet er zijn kap bij in den steek. Hij veegde zich met de handen zoo goed hij kon en daar hij er niets anders op wist, keerde hij terug naar huis en klopte zoo lang, tot men hem open deed. Pas was hij zoo stinkend binnen getreden en had de deur gesloten, of Bruno en Buffalmacco waren daar om te hooren, hoe de maëstro door zijn vrouw ontvangen werd. Ze hoorden, hoe de donna hem op de grofste manier uitschold als ooit met een armen duivel geschied was en zeide: Kijk, wat staat het je mooi! Gij zijt naar een andere vrouw gegaan en wilde er heel voornaam verschijnen in uw scharlaken kleed. Was ik niet genoeg voor je? Ik kan heel wat mannen voldoen, vriendlief en niet alleen jou. Hadden ze je maar verdronken, waar ze je insmeten. Kijk, dat is me een waardige dokter, die een vrouw heeft en ’s nachts naar anderen gaat! Onder dezen overvloed van woorden waschte de dokter zich en hield de donna niet op hem te kwellen tot middernacht.
Den volgenden morgen kwamen Bruno en Buffalmacco, die zich de huid beschilderd hadden onder de kleeren met plekken, zooals de stokslagen die achterlaten, in het huis van den dokter[481]en vonden hem op, en toen zij binnen waren, roken zij dat alles nog stonk. Toen de medicus ze zag, zeide hij, dat God hun een goeden dag zou geven. Maar Bruno en Buffalmacco antwoordden met een vertoornd gelaat: Dat zeggen wij niet aan u, maar wij bidden God, dat Hij u zooveel slechte jaren geeft, dat gij er van omkomt als de oneerlijkste en grootste verrader, die er leeft. Want het is uw schuld niet, terwijl wij ons best deden u eer en genoegen te bewijzen, dat wij niet als honden zijn vermoord. Door uw oneerlijkheid hebben wij zooveel slagen gehad, dat een ezel er voor minder naar Rome zou gaan, en bovendien waren wij aan het gevaar blootgesteld uit het gezelschap weggejaagd te worden. En als gij ons niet gelooft, zie dan naar ons vel. Na op een donkerder plaats hun kleeren te hebben losgemaakt toonden zij hem hun borsten, geheel beschilderd en bedekten die weer snel. De medicus wilde zich verontschuldigen door te vertellen, hoe en waar hij in was geworpen. Buffalmacco sprak tot hem: Ik zou willen, dat gij van de brug over den Arno af waart gegooid. Waarom hebt gij u God en de heiligen aanbevolen? Hebben wij u niet gewaarschuwd? De dokter antwoordde: Bij het geloof in God, ik heb er niet aan gedacht. Hoe, riep Buffalmacco: hebt gij er niet aan gedacht? Dan hebt gij u niet veel herinnerd, want onze bode zeide, dat gij beefde als een riet. Gij hebt het ons mooi geleverd, maar niemand zal ons dat weer doen en wij willen u de eer bewijzen, die u toekomt. De dokter vroeg vergeving, smeekte bij God, dat ze hem niets zouden verwijten en met de mooiste woorden poogde hij ze te verzoenen. En uit vrees, dat zij zijn schande zouden bekend maken, bewees hij hun van toen af nog meer eer en welwillendheid dan vroeger. Zoo leert men gezond verstand aan wie het niet opdeed te Bologna.
[Inhoud]Tiende Vertelling.Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van[482]het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore34noemde, iets van zijn doen en laten.[483]Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er twee slaven35kwamen,de een beladen met een mooi en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen schenen en met het eene[484]omwikkelden zij Salabaetto en met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer36te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen37en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien[485]nacht met haar met het grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd[486]hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo.[487]Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven … Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken[488]en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na[489]twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op[490]de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:Zoo groot, o Amor, is het goede,Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,Waartoe gij mij hebt gebracht,En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraanEn op mijn verhelderd gezichtToont het mijn gelukkigen toestand;Want, daar ik verliefd ben,Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaatsZoet, dat ik in vuur sta.Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,Noch met de hand schrijvenO Amor, het heil, dat ik gevoel.En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:Want indien het bespeurd werd,Zou het in een marteling veranderen.Maar ik ben zoo voldaan,Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,Voor ik er iets van zou hebben onthuld.Wie zou kunnen denken, dat mijn armenHaar ooit zouden bereiken,Waar ik haar omhelsd heb,En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,Waar ik tot haar kwam,Door gratie en door geluk?Men zou nooit geloofd hebbenAan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.[491]
Tiende Vertelling.Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.
Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.
Een Siciliaansche ontneemt op listige wijze aan een koopman geld, wat hij naar Palermo meegebracht heeft. Hij doet of hij terugkeert met nog meer koopwaren dan de eerste maal en na van haar geld te hebben geleend, laat hij haar water en henneppluis tot pand.
Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van[482]het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore34noemde, iets van zijn doen en laten.[483]Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er twee slaven35kwamen,de een beladen met een mooi en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen schenen en met het eene[484]omwikkelden zij Salabaetto en met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer36te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen37en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien[485]nacht met haar met het grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd[486]hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo.[487]Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven … Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken[488]en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na[489]twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op[490]de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:Zoo groot, o Amor, is het goede,Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,Waartoe gij mij hebt gebracht,En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraanEn op mijn verhelderd gezichtToont het mijn gelukkigen toestand;Want, daar ik verliefd ben,Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaatsZoet, dat ik in vuur sta.Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,Noch met de hand schrijvenO Amor, het heil, dat ik gevoel.En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:Want indien het bespeurd werd,Zou het in een marteling veranderen.Maar ik ben zoo voldaan,Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,Voor ik er iets van zou hebben onthuld.Wie zou kunnen denken, dat mijn armenHaar ooit zouden bereiken,Waar ik haar omhelsd heb,En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,Waar ik tot haar kwam,Door gratie en door geluk?Men zou nooit geloofd hebbenAan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.[491]
Hoe het verhaal van de koningin de donna’s had doen lachen, behoeft men niet te vragen. Er was er geen een bij wie niet van[482]het uitgelaten lachen de tranen wel twaalf keer in de oogen kwamen. Maar toen het uit was, sprak Dioneo, aan wien nu de beurt was: Genadige donna’s. Het is duidelijk, dat de goede streken des te aardiger zijn, naarmate zij door fijner bedrog de bedriegers zelf misleiden. En daarom, hoewel gij allen zeer schoone dingen hebt verteld, ben ik van plan u er een te verhalen, dat u des te meer moet bevallen dan degenen, die al verhaald zijn, omdat dit geleverd werd aan een vrouw, die beter meesteres was in het misleiden van anderen dan de reeds besproken personen.
Het was gewoonte—en het is het misschien nog—in alle handelssteden met een haven, dat alle kooplieden, die met koopwaar aankomen, na ze te laten lossen, ze in een loods laten brengen die in vele plaatsen tolhuis heet, gehouden door de gemeente of door den heer er van. En daar geven zij hen, die er voor aangesteld zijn, een schriftelijke opgaaf van al hun koopwaar en den prijs er van en door dezen wordt aan den koopman een magazijn geschonken, waarin hij zijn goederen plaatst en dit afsluit. De tolbeambten schrijven dan in het tolboek op rekening van den koopman al zijn artikelen en laten hem invoerrecht betalen alnaar het gedeelte, dat hij er uithaalt. Uit dit tolboek vragen de makelaars dikwijls inlichtingen naar de hoedanigheid en de hoeveelheid der aanwezige waren en ook wie de kooplieden zijn, waarmede zij onderhandelen.
Dit gebruik bestond ook in Palermo, waar vele schoone vrouwen zijn maar vijandinnen van eerlijkheid; dezen worden gehouden voor voorname en eerbare dames. Maar daar zij er op uit zijn de mannen niet te plukken maar te villen, als ze een koopman zien, vragen zij ook uit het tolboek, wat hij heeft en hoeveel hij kan betalen en daarna beproeven zij met hun bekoorlijke manieren en heele zoete woorden die kooplieden te bevangen. Zoo hebben zij er al veel verstrikt door hun een groot deel van hun koopwaren te ontrooven en er zijn er geweest, die er de koopwaar en het schip en vleesch en been hebben achtergelaten, zoo lief heeft de barbierster het scheermes weten te hanteeren. Nu, nog niet lang geleden, kwam daar gezonden door zijn patroons, een onzer jonge florentijnen Nicolo da Cignano genaamd, hoewel hij Salabaetto heette, met zooveel linnen overgebleven van de jaarmarkt van Salerno, dat het wel vijfhonderd goudguldens waard kon zijn. Nadat hij daarvan de factuur had gegeven aan de tolbeambten, deed hij dit in hun magazijn en zonder veel haast te maken voor den verkoop ging hij voor zijn ontspanning de stad rond. En daar hij blank en blond en heel aardig was en recht van lijf en leden, bespeurde zulk een barbierster, die zich Madonna Jancofiore34noemde, iets van zijn doen en laten.[483]Toen hij dit gewaar werd en dacht, dat ze een groote dame was, meende hij, dat hij door zijn knap uiterlijk beviel en nam hij zich voor die liefdesgeschiedenis in stilte door te zetten en zonder iemand er over te spreken wandelde hij langs haar huis heen en weer. Zij begon, nadat zij hem met lonken had ontvlamd, te doen of zij door hem verteerd werd en zond hem in ’t geheim een harer vrouwen, die uitstekend de kunst der koppelarij verstond. Deze met de tranen in de oogen zeide hem na veel praatjes, dat hij met zijn schoonheid en bekoorlijkheid de donna zoo had veroverd, dat zij dag noch nacht rust had en daarom, als het hem zou behagen, verlangde zij boven alles hem in een badhuis in ’t geheim te vinden en na een ring uit haar beurs gehaald te hebben gaf zij hem dien. Salabaetto, die dit hoorde, was de gelukkigste man van de wereld; hij nam den ring aan en na die aan de oogen te hebben gebracht en gekust, deed hij zich dien aan den vinger en antwoordde aan de vrouw, dat, indien madonna Jancofiore hem lief had, zij een goeden ruil had gedaan, omdat hij haar meer dan zijn leven beminde en dat hij gereed was te gaan, waar het haar aangenaam was en ten allen tijde. Toen de boodschapster aldus met dat antwoord naar haar donna was gegaan, zeide zij in welk badhuis hij den volgenden dag na den vesper moest wachten. Deze, zonder er over te spreken, begaf zich er op het hem bevolen uur heen en bevond, dat een badkamer door de donna besteld was. Het duurde niet lang, dat er twee slaven35kwamen,de een beladen met een mooi en groot matras van katoen, de ander met een groote mand vol van allerlei dingen. Die matras werd uitgestrekt in een kamer van het badhuis op een rustbed, waarop men een paar lichte lakens met zijden randen legde en daarna een deken van zeer witte Cyprische katoen met twee wonderbaar bewerkte oorkussens. En nadat hij zich ontkleed had en in het bad was gegaan, waschten en wreven zij hem uitstekend. Het duurde niet lang of daarna kwam de donna met twee andere slaven in het bad. Toen zij alleen was, betuigde zij aan Salabaetto groote vreugde en na lange zuchten en hem verscheidene malen omhelsd te hebben, sprak zij: Geen ander dan gij had mij hiertoe kunnen voeren; gij hebt mij het vuur aan het wapen gezet, hond van een Toscaner. Hierop, gelijk het haar behaagde, gingen beide naakt in het bad met hen twee slaven. Zonder hem door een ander te laten aanraken waschte zij hem met muscus- en kruidnagelzeep en daarna liet zij zich wasschen en wrijven door de slaven. Toen dit gedaan was, brachten de slaven twee zeer witte en lichte lakens, waaruit zulk een sterke reuk van rozen kwam, dat het werkelijk rozen schenen en met het eene[484]omwikkelden zij Salabaetto en met het andere de donna en na ze op den hals te hebben genomen droegen zij die beide te bed. En daar, nadat zij een oogenblik waren blijven uitdampen, werden de lakens door de slaven weggetrokken en bleven zij naakt liggen. Daarna haalde men uit de mand flacons van prachtig zilver, de een gevuld met rozenwater, de ander met sinaasappelbloesem, deze met jasmijnbloesem en gene met oranjebloesem-essence en besproeiden hen met al die parfumerie en nadat zij schotels hadden gebracht met meelspijzen en ook kostbare wijnen, versterkten zij zich.
Salabaetto waande zich in het paradijs en had haar duizend keer aanschouwd, die zeer schoon leek en ieder uur, dat die slaven bleven, voor hij zich in haar armen kon werpen, scheen hem honderd jaar. Toen die eindelijk op bevel der donna na een aangestoken toorts in de kamer36te hebben gelaten heengingen, omhelsden zij elkander en tot zeer groot genoegen van Salabaetto, wien het scheen dat zij door liefde tot hem werd verscheurd, bleven zij zoo een groot uur samen. Toen scheen het de donna tijd de slaven te laten komen; zij werden aangekleed na nogmaals gedronken en gegeten te hebben. Nadat het gezicht en de handen met die reukwaters gewasschen waren en zij vertrekken wilden, zeide de donna tot Salabaetto: Wanneer het u aangenaam is, zou het voor mij een groote gunst wezen, als gij vanavond in mijn huis kwaamt. Salabaetto, die door haar schoonheid en haar gekunstelde bekoring bevangen was, geloofde vast naar ziel en lichaam bemind te worden en antwoordde: Madonna, elk genoegen voor u is mij ten hoogste aangenaam en daarom zoowel van avond als altijd wil ik doen, wat u zal behagen. De donna naar huis teruggekeerd liet haar kamer goed versieren met kostbaarheden. Een prachtig avondmaal werd gereed gemaakt en zoo verwachtte zij Salabaetto. Deze ging, toen het donker was op weg, en na blijmoedig te zijn ontvangen, at hij met groote vreugde. Toen zij in de kamer binnen waren getreden, rook hij een wonderbare geur van aloë-hout en zag hij een bed zeer rijk met cyprische vogeltjes op de zuilen37en vele schoone gewaden op mantelstokken. Al die dingen te samen deden hem denken, dat zij een groote donna moest zijn, en hoewel hij het tegenovergestelde had hooren mompelen, wilde hij het voor niets ter wereld gelooven en als hij had nagedacht, dat zij op die wijze iemand kon misleiden, had hij toch nooit kunnen gelooven, dat het hèm kon overkomen. Hij sliep dien[485]nacht met haar met het grootste genoegen, steeds meer ontvlamd. Toen de morgen aanbrak, gaf zij hem een schoonen en aardigen gordel van zilver en een fraaie beurs en sprak: Mijn lieve Salabaetto, ik beveel mij bij u aan; mijn persoon is tot uw beschikking, al wat ik bezit en wat tot uw dienst kan zijn. Nadat Salabaetto haar blijde had omhelsd, ging hij haar huis uit en kwam daar, waar zich de andere kooplieden gewoonlijk ophielden.
Hij bezocht de donna zeer dikwijls zonder dat het hem iets kostte en daar hij telkens meer ontbrandde, kwam hij er toe zijn lakens contant te verkoopen met een goede winst, wat de donna van anderen vernam. Toen Salabaetto op een avond bij haar gekomen was, begon zij met hem te stoeien, te omhelzen en te kussen en deed zich zoo verliefd voor, of zij van liefde zou sterven. Bovendien wilde zij hem twee zeer mooie zilveren bekers geven, welke Salabaetto niet wilde aannemen. Hij had er reeds een gehad, die wel dertig goudguldens waard was, en zij wilde van hem niets aannemen, dat een gros waarde had. Nadat zij hem goed had in vuur gezet, riep zij een van haar slavinnen, ging de kamer uit en bleef een poosje weg; daarna kwam zij schreiend binnen, wierp zich met het gelaat op bed en begon zoo bitter te klagen, als ooit een vrouw het deed. Salabaetto verwonderde zich, hief haar in zijn armen en begon met haar te treuren en zeide: Kom, hartedief, wat hebt gij plotseling? Wat is de reden van die smart? Toen de donna zich genoeg had laten bidden, sprak zij: Wee mij, mijn goede heer! Ik ben ten einde raad; zooeven ontving ik een brief uit Messina, waarin mijn broeder mij schrijft, dat ik, al moest ik alles verkoopen en verpanden, hem zonder uitstel over acht dagen, duizend goudguldens stuur en zoo niet, dat hem dan het hoofd zal afgeslagen worden. Wat moet ik doen om die som op tijd te hebben? Had ik veertien dagen tijd, dan kon ik wel een middel vinden ze mij te verschaffen, en ik zou enkele van mijne bezittingen verkoopen, maar nu zou ik liever dood willen zijn; en zij toonde zich geheel wanhopend. Salabaetto, wien de liefdevlammen een deel van het noodig besef hadden ontroofd, geloofde, dat dit echte tranen en ware woorden waren en zeide: Madonna, ik zou u wel met vijfhonderd goudguldens kunnen helpen, als gij ze mij in veertien dagen kunt teruggeven. Gelukkig voor u, dat ik gisteren mijn lakens verkocht, anders had ik u geen stuiver kunnen leenen. Wee mij, sprak de donna, hebt gij dan nog geldgebrek gehad? O, waarom hebt gij mij dat niet gezegd? Al had ik geen duizend florijnen, dan kon ik er u nog wel honderd en zelfs twee honderd schenken. Gij hebt mij den moed ontnomen om den dienst aan te nemen, dien gij mij aanbiedt. Salabaetto door die woorden nog meer bevangen, zeide: Madonna, daarom wil ik niet, dat gij mij laat varen, want als ik ze noodig had gehad, zou ik ze gevraagd[486]hebben. O mijn Salabaetto, sprak de donna, wel weet ik, dat Uwe liefde waar en volkomen is, nu gij zonder af te wachten, dat ik u iets vraag, edelmoedig aan mij denkt. Zeker, ik had niet noodig om geheel de uwe te zijn, maar ik zal het nog meer wezen en nooit vergeten, dat ik u het hoofd van mijn broeder schuldig ben. Maar God weet, dat ik ongaarne dit geld aanneem, daar gij een koopman zijt en de kooplieden moeten met hun geld zaken doen maar de nood dwingt mij en ik vertrouw er op het u spoedig te kunnen teruggeven, daarom zal ik het geld aannemen en als ik geen sneller middel weet mijn goed verpanden. Schreiend wierp zij zich bij die woorden aan Salabaetto’s borst. Hij troostte haar en na den nacht bij haar te hebben doorgebracht om zich haar dienaar te toonen, bracht hij haar zonder verzoek af te wachten vijfhonderd goudguldens, welke zij met een lachend hart en weenende oogen aannam en Salabaetto was met haar belofte tevreden. De donna liet de datums verspringen. Salabaetto, die vroeger naar de donna ging, wanneer hij wilde, begon nu in het geval te komen, dat hij van de zeven keer een keer binnen kwam en de liefkoozingen niet meer ontving. Toen er twee maanden verstreken waren, waarop hij het geld moest terug krijgen, ontving hij, toen hij er om vroeg, woorden in betaling. Salabaetto, die de list van de slechte vrouw gewaar werd, beklaagde zich over zijn dwaasheid, daar hij voelde, dat hij er niets van kon zeggen, omdat hij er geen geschrift of getuigenis van had. Hij schaamde zich bij iemand te klagen, omdat men hem van te voren had gewaarschuwd en was bevreesd voor den spot, die hij wegens zijn domheid verwachtte. Daar hij van zijn patroons verscheidene brieven had, waarin men hem opdroeg geld te wisselen en het te zenden, en hij het niet doen kon, besloot hij, opdat zijn domheid niet ontdekt zou worden, te vertrekken. Hij ging scheep en kwam niet te Pisa, gelijk hij moest, maar te Napels.
Er bevond zich te Napels in dien tijd onze vriend Pietro dello Canigiano, de schatbewaarder van mevrouw de keizerin van Constantinopel, een man van groot verstand, een vriend van Salabaetto. Salabaetto beklaagde zich op een goeden dag en verhaalde zijn treurig avontuur en vroeg hem hulp en raad om zijn brood te kunnen verdienen, daar hij plan had nooit meer naar Florence terug te keeren. Canigiano, die het zeer treurig vond, zeide: Gij hebt verkeerd en slecht gehandeld, uw meester slecht gehoorzaamd en te veel geld in vermaak verteerd, maar wij moeten alles zien te herstellen. Hij bedacht als vernuftig man, wat er gedaan moest worden en zeide het tot Salabaetto. Deze besloot dien raad te volgen en daar hij wat geld had en Canigiano hem wat leende, kocht hij verscheidene goed dicht gebonden en samengepakte balen en twintig olievaten, liet ze vullen en opladen en keerde terug naar Palermo.[487]Hij gaf de factuur aan de tolbeambten en nadat hij alles op zijn rekening had laten schrijven, deed hij dit in de loods en zeide, dat hij er niet aan wilde raken voor de andere waar, die hij verwachtte, was aangekomen. Jancofiore, die hoorde, dat, wat hij nu had meegebracht, wel tweeduizend goudguldens waard was, en hetgeen hij wachtte, misschien wel drieduizend goudguldens, vond, dat ze hem weinig had ontroofd en nam zich voor hem de vijfhonderd terug te geven om het grootste deel van de vijfduizend te krijgen. Zij liet hem roepen. Salabaetto, nu slim geworden, ging. Zij deed of ze niets wist van wat hij had meegebracht, ontving hem met wonder veel vreugde en zeide: Als gij boos zijt geworden, omdat ik u uw geld niet ter rechtertijd heb teruggegeven … Salabaetto begon te lachen en zeide: Madonna, waarlijk het heeft mij een weinig mishaagd, want ik had mij het hart uit het lijf getrokken om het u te geven; hoor, hoe kwaad ik op u geworden ben. De liefde, die ik u toedraag, is zoodanig, dat ik het grootste deel mijner bezittingen heb verkocht en hier zooveel koopwaar heb aangebracht, dat die meer dan tweeduizend goudguldens waard is en ik verwacht er van den Levant, die wel drieduizend waard zijn. Ik heb plan in deze stad een magazijn op te richten om altijd bij u te kunnen zijn, want ik meen het met uw liefde beter te maken dan eenig ander minnaar. Hierop sprak de donna: Kijk, Salabaetto, wat u behaagt, bevalt mij zeer, daar ik u meer dan mijn leven lief heb; ik ben verheugd, dat gij met dit doel zijt teruggekeerd en ik hoop een gelukkigen tijd met u door te brengen. Ook moet ik mij nog verontschuldigen over de keeren, die gij hier gekomen zijt voor uw vertrek er niet zoo vroolijk zijt ontvangen als gewoonlijk en ook, omdat ik u uw geld niet op tijd terug gaf. Gij moet weten, dat ik toen zeer treurig en in de grootste droefenis was en wie in dien toestand is, hoe hij ook lief heeft, kan geen prettig gezicht trekken, noch de aandacht aan hem schenken, zooals hij zou willen. Ook is het voor een vrouw zeer moeilijk duizend goudguldens te krijgen. Men vertelt ons den ganschen dag leugens en daardoor moeten wij ook anderen voorliegen. Er kome geen ander kwaad van, dat ik u uw geld niet terug gaf. Kort na uw vertrek had ik alles, en zou het u zeker gestuurd hebben, als ik wist, waar het heen moest, maar ik heb het voor u bewaard. En nadat zij een beurs had laten komen, stelde zij hem die ter hand en zeide: Tel of er vijfhonderd zijn. Salabaetto was nog nooit zoo blijde geweest en na bevonden te hebben, dat er vijfhonderd waren, stak hij ze bij zich en zeide: Madonna, ik weet, dat gij de waarheid zegt en gij hebt goed gehandeld. En ik zeg u hierom en om de liefde, die ik u toedraag, dat gij mij nooit een som zoudt kunnen vragen, die ik u niet zou willen geven, als gij dien noodig hadt. En na de liefde in woorden te hebben hernieuwd, begon Salabaetto haar ijverig te bezoeken[488]en haar alle mogelijke genoegens te doen en de grootste eer en de meest mogelijke liefde te bewijzen. Maar Salabaetto, die door bedrog haar bedrog wilde straffen, had haar ten avondmaal gevraagd en ging met haar slapen en deed zoo treurig of hij zou sterven. Jancofiore omhelsde hem en vroeg hem, waarom hij zoo droefgeestig was. Na veel bidden zeide hij: Ik ben verloren, omdat het schip, waarop de koopwaar was, die ik verwachtte, door zeeroovers van Monaco genomen is en gebrandschat voor tienduizend goudguldens, waarvan ik er duizend moet betalen. Ik heb er geen stuiver van, omdat ik de vijfhonderd, die gij mij teruggaaft, dadelijk naar Napels zond om zeilen te koopen. Als ik nu mijn koopwaar verhandel, kan ik ze ternauwernood, omdat het thans geen tijd is, voor de helft van den prijs verkoopen en hier ben ik niet genoeg bekend om iemand te vinden, die mij helpt en daarom weet ik geen raad. Zend ik niet spoedig het geld, dan zal de koopwaar naar Monaco worden gebracht en ik zal die nooit terug krijgen. De donna was hierover heel treurig, want het scheen haar, dat voor haar alles verloren was en denkend aan een middel, waardoor zij hem moest binden, opdat hij niet naar Monaco zou gaan, zeide zij: God weet, hoezeer het mij spijt, maar wat helpt het er zoo over te weeklagen? Als ik het geld had, zou ik het u dadelijk leenen. Eergisteren leende mij iemand vijfhonderd goudguldens, maar hij eischte hooge woekerwinst, niet minder dan tegen dertig procent. Als gij dat wilt, onder goeden borg, ben ik voor u bereid al mijn gewaden en mij zelf, voor zoover hij wil, te verpanden om u te kunnen dienen. Salabaetto begreep de reden van dien dienst en bemerkte, dat zij zelf het geld zou leenen. Hij bedankte en zeide, dat hij het voor de hooge rente niet zou laten, daar de nood hem dwong en dat hij hem als borg zijn waren verzekerde, en dat hij die dan zou laten overschrijven op diens naam, maar dat hij den sleutel der magazijnen wilde bewaren, zoowel om zijn koopwaar te kunnen toonen als opdat niets zou kunnen aangeraakt, bedorven of verruild worden. De donna was het daarmee eens.
Toen de dag gekomen was, ontbood zij een makelaar, waarin zij groot vertrouwen had en zij gaf hem duizend goudguldens, die de makelaar aan Salabaetto leende, bij de douane op zijn naam liet inschrijven, wat Salabaetto daar had liggen en hun contracten in orde maakte. Salabaetto ging, zoo gauw hij kon, scheep met de duizend vijfhonderd goudguldens, keerde naar Pietro Canigiano terug te Napels en vandaar zond hij alles, wat hij schuldig was naar Florence aan zijn patroons, en nadat hij Pietro en alle anderen alles betaald had, vermaakte hij zich vele dagen met Canigiano over het bedrog jegens de Siciliaansche. Daar hij nu niet langer koopman wilde zijn, begaf hij zich naar Ferrara. Jancofiore, die Salabaetto niet in Palermo vond, kreeg argwaan en toen hij na[489]twee maanden wachten niet kwam, liet zij door den makelaar de magazijnen ontgrendelen. En nadat zij eerst de vaten onderzocht, naar zij dacht, vol olie, bevond zij, dat die vol zeewater waren met slechts een buis vol olie rondom de spon. Na hierop de balen te hebben open gemaakt vond zij die, behalve twee met lakens, vol hennep-pluis en dat alles was niet meer dan tweehonderd florijnen waard. Daar Jancofiore zich misleid zag, beweende zij lang de vijfhonderd teruggegeven goudguldens en de meer dan duizend geleende en zei meermalen: Wie te doen heeft met een Toscaan, moet vroeg opstaan. Aldus achtergebleven met de schade en de schande, zag zij, dat die net zoo slim was als alle anderen.
Daar Dioneo zijn vertelling geëindigd had en Lauretta zag, dat haar regeerings-termijn verstreken was en na den raad van Pietro Canigiano geprezen te hebben en de sluwheid van Salabaetto, hief zij den lauwer omhoog, plaatste dien Emilia op het hoofd en zeide met vrouwelijke gratie: Madonna, ik weet niet of wij aan u een lieve koningin zullen hebben, maar zeker een schoone; laten dus uw daden met uw bekoorlijkheden overeen komen. Daarna keerde zij zich om en ging zitten. Emilia bloosde een weinig, niet zoozeer omdat zij zich verheven zag tot koningin als wel, omdat zij zich openlijk geprezen voelde om wat de vrouwen het meest begeeren en haar gelaat werd als de jonge rozen bij zonsopgang. Maar nadat zij de oogen had neergeslagen en haar blos was verdwenen en zij zich met haar hofmeester van de voortdurende plichten van het gezelschap had gekweten, begon zij aldus te spreken:
Beminnelijke donna’s. Wij zien duidelijk genoeg, dat, wanneer de ossen een deel van den dag gezwoegd hebben onder het juk gebonden, zij daarvan ontheven worden en waar het hun behaagt, laat men ze in de bosschen grazen. En wij zien ook, dat de tuinen beplant met verschillende boomen niet minder mooi maar veel schooner zijn dan de wouden, waarin wij alleen eiken vinden. Daarom, nu wij zooveel dagen onder beperkende wetten gesproken hebben, meen ik, dat het nuttig en aangenaam zal zijn, dat wij wat rondzwerven en daardoor krachten herwinnen om weer onder het juk te treden. En opdat elk morgen zal vertellen, wat hem het aangenaamst, is wil ik u niet beperken, daar de afwisseling der dingen, waarover men zal spreken niet minder aangenaam is. Zoo kan, wie na ons aan de regeering komt, ons als sterkeren aan onze wetten binden. Daarna gaf zij elk volledige vrijheid tot aan het uur van het avondmaal. Iedereen prees de koningin als verstandig en na opgestaan te zijn gaf deze aan het eene, gene aan het andere genoegen zich over: de dames met kransen te vlechten en zich te verlustigen, de jongelieden met te spelen en te zingen en zoo brachten zij den tijd tot het etensuur door. Toen aten zij rondom de fontein met genoegen en na het maal vermaakten zij zich op[490]de gewone wijze met zingen en dansen. Ten slotte beval de koningin om het voorbeeld van haar voorgangsters te volgen, hoewel er al vele liederen vrijwillig door velen waren opgezegd, dat Pamfilo er een zou zingen. Deze begon vrijmoedig aldus:
Zoo groot, o Amor, is het goede,Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,Waartoe gij mij hebt gebracht,En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraanEn op mijn verhelderd gezichtToont het mijn gelukkigen toestand;Want, daar ik verliefd ben,Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaatsZoet, dat ik in vuur sta.Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,Noch met de hand schrijvenO Amor, het heil, dat ik gevoel.En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:Want indien het bespeurd werd,Zou het in een marteling veranderen.Maar ik ben zoo voldaan,Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,Voor ik er iets van zou hebben onthuld.Wie zou kunnen denken, dat mijn armenHaar ooit zouden bereiken,Waar ik haar omhelsd heb,En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,Waar ik tot haar kwam,Door gratie en door geluk?Men zou nooit geloofd hebbenAan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.
Zoo groot, o Amor, is het goede,Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.
Zoo groot, o Amor, is het goede,
Dat ik door u gevoel, en de blijdschap en de vreugde,
Dat ik gelukkig ben in uw vuur te branden.
De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,Waartoe gij mij hebt gebracht,En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraanEn op mijn verhelderd gezichtToont het mijn gelukkigen toestand;Want, daar ik verliefd ben,Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaatsZoet, dat ik in vuur sta.
De overvloedige vreugde, die ik draag in het hart,
Die van dit verheven en dierbaar welbehagen komt,
Waartoe gij mij hebt gebracht,
En dat er niet in besloten kan blijven, ontsnapt daaraan
En op mijn verhelderd gezicht
Toont het mijn gelukkigen toestand;
Want, daar ik verliefd ben,
Is het mij op een zoo hooge en aanzienlijke plaats
Zoet, dat ik in vuur sta.
Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,Noch met de hand schrijvenO Amor, het heil, dat ik gevoel.En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:Want indien het bespeurd werd,Zou het in een marteling veranderen.Maar ik ben zoo voldaan,Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,Voor ik er iets van zou hebben onthuld.
Ik kan niet zoo goed met mijn zang betuigen,
Noch met de hand schrijven
O Amor, het heil, dat ik gevoel.
En zoo ik het wist, zou ik het moeten verbergen:
Want indien het bespeurd werd,
Zou het in een marteling veranderen.
Maar ik ben zoo voldaan,
Dat alle taal weinig en zwak zou zijn,
Voor ik er iets van zou hebben onthuld.
Wie zou kunnen denken, dat mijn armenHaar ooit zouden bereiken,Waar ik haar omhelsd heb,En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,Waar ik tot haar kwam,Door gratie en door geluk?Men zou nooit geloofd hebbenAan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.
Wie zou kunnen denken, dat mijn armen
Haar ooit zouden bereiken,
Waar ik haar omhelsd heb,
En dat ooit mijn gelaat haar zou naderen,
Waar ik tot haar kwam,
Door gratie en door geluk?
Men zou nooit geloofd hebben
Aan mijn zaligheid. Daarom ben ik geheel in vuur.
Terwijl ik verberg, wat mij verblijdt en verheugt.
Het lied van Panfilo was ten einde en hoewel allen er hun meening over hadden gezegd, was er geen, die niet met alle aandacht op de woorden had gelet en zijn best deed te raden, wat hij bij het zingen verborgen hield. En wat men zich ook verbeeldde, toch kwam niemand tot de waarheid. Maar toen de koningin zag, dat het lied van Panfilo geëindigd was en de jonge dames en heeren wilde uitrusten, beval zij, dat ieder zou gaan slapen.[491]