[Inhoud]Eerste Vertelling.SinjeurCiappelletto1bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en SanCiappellettogenoemd.Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn[29]onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi2van een zeer rijk en groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als[30]verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden,[31]sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,[32]gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, dieeen Lombardiërde biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder:“Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.”Ser Ciappelletto zeide:“Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd.Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik[33]zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn[34]deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd:‘Ga, opdat God U verbetere.’ ”Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene,hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer,[35]ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij[36]het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.”Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder,[37]die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen.Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo[38]leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.[Inhoud]Tweede Vertelling.De Jood Abraham4reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en[39]met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij[40]zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor[41]geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in[42]ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.[Inhoud]Derde Vertelling.De Jood Melchisedek5onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6gelegd.Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door[43]zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?”De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten,[44]als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.[Inhoud]Vierde Vertelling.Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:[45]Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en[46]bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was[47]hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.
[Inhoud]Eerste Vertelling.SinjeurCiappelletto1bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en SanCiappellettogenoemd.Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn[29]onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi2van een zeer rijk en groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als[30]verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden,[31]sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,[32]gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, dieeen Lombardiërde biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder:“Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.”Ser Ciappelletto zeide:“Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd.Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik[33]zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn[34]deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd:‘Ga, opdat God U verbetere.’ ”Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene,hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer,[35]ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij[36]het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.”Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder,[37]die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen.Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo[38]leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.[Inhoud]Tweede Vertelling.De Jood Abraham4reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en[39]met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij[40]zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor[41]geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in[42]ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.[Inhoud]Derde Vertelling.De Jood Melchisedek5onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6gelegd.Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door[43]zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?”De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten,[44]als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.[Inhoud]Vierde Vertelling.Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:[45]Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en[46]bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was[47]hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.
[Inhoud]Eerste Vertelling.SinjeurCiappelletto1bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en SanCiappellettogenoemd.Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn[29]onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi2van een zeer rijk en groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als[30]verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden,[31]sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,[32]gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, dieeen Lombardiërde biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder:“Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.”Ser Ciappelletto zeide:“Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd.Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik[33]zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn[34]deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd:‘Ga, opdat God U verbetere.’ ”Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene,hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer,[35]ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij[36]het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.”Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder,[37]die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen.Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo[38]leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.[Inhoud]Tweede Vertelling.De Jood Abraham4reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en[39]met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij[40]zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor[41]geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in[42]ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.[Inhoud]Derde Vertelling.De Jood Melchisedek5onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6gelegd.Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door[43]zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?”De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten,[44]als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.[Inhoud]Vierde Vertelling.Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:[45]Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en[46]bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was[47]hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.
[Inhoud]Eerste Vertelling.SinjeurCiappelletto1bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en SanCiappellettogenoemd.Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn[29]onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi2van een zeer rijk en groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als[30]verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden,[31]sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,[32]gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, dieeen Lombardiërde biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder:“Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.”Ser Ciappelletto zeide:“Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd.Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik[33]zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn[34]deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd:‘Ga, opdat God U verbetere.’ ”Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene,hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer,[35]ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij[36]het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.”Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder,[37]die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen.Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo[38]leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.
Eerste Vertelling.SinjeurCiappelletto1bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en SanCiappellettogenoemd.
SinjeurCiappelletto1bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en SanCiappellettogenoemd.
SinjeurCiappelletto1bedriegt een vromen monnik met een valsche biecht en sterft en na gedurende zijn leven een slechte kerel geweest te zijn, wordt hij na den dood als een heilige bekend en SanCiappellettogenoemd.
Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn[29]onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi2van een zeer rijk en groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als[30]verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden,[31]sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,[32]gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, dieeen Lombardiërde biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder:“Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.”Ser Ciappelletto zeide:“Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd.Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik[33]zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn[34]deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd:‘Ga, opdat God U verbetere.’ ”Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene,hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer,[35]ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij[36]het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.”Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder,[37]die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen.Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo[38]leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.
Het is een uitgemaakte zaak, liefste donna’s, dat de mensch van elk ding, dat hij doet, de oorzaak toeschrijft aan den bewonderenswaardigen en heiligen naam van Hem, die van alles de Schepper was. Daarom, nu ik als de eerste met ons vertellen een begin moet maken, ben ik van plan aan te vangen met een van Zijn wonderlijke werken, opdat, wanneer gij dit hebt gehoord, de hoop in Hem zich als in een onwrikbaar iets versterkt en Zijn naam steeds door ons geprezen zij. Het is duidelijk, omdat de wereldsche zaken allen voorbijgaande en eindig zijn, dat ze ook in zichzelf en buiten zichzelf vol verdriet en angst en moeite zijn en aan eindelooze gevaren blootstellen, welke in geen geval wij, die hierin betrokken leven en er een deel van vormen, noch kunnen verduren noch overwinnen, indien niet de bijzondere genade Gods en diens wijsheid er zich toe leende. Wij kunnen niet gelooven, dat dit voor ons en in ons uit eenige verdienste ontstaat, maar dat dit uit Zijn eigen goedheid voortkomt, doordrongen van de gebeden van hen, die—gelijk wij—stervelingen waren en die bij hun leven Zijn geboden volgend, thans met hem onsterfelijk en gelukzalig zijn geworden. Aan hen dragen wij zelf, als aan pleitbezorgers door ervaring bekend met onze zwakheid, de zaken, die ons geschikt lijken op, misschien omdat wij zelf niet moedig genoeg zijn[29]onze gebeden te brengen onder het oog van zulk een Rechter. En laten wij nog meer van Hem opmerken, die jegens ons vol vrome welwillendheid is, dat het ons misschien dan overkomt, daar hij de scherpte van het sterfelijk oog niet in de geheimen van den goddelijken geest kan inwijden, dat wij, bedrogen door onze meening, Hem van te voren tot pleitbezorger maken van een soort gedachte, welke door dien geest met eeuwige ballingschap is afgewezen. En toch verhoort hij, voor wien niets verborgen is en die meer let op de reinheid der bedoeling van den smeekende dan op zijn onwetendheid of op het afkeurenswaardige van zijn verlangen, hen die tot Hem bidden, alsof die onder zijn aanblik zalig waren. Dit zal duidelijk blijken uit de geschiedenis, die ik ga verhalen; duidelijk zeg ik, niet Gods oordeel, maar dat wat de meening der menschen is.
Men vertelt dan, dat toen Musciatto Franzesi2van een zeer rijk en groot koopman ridder was geworden en met Charles Sansterre, den broeder van den koning van Frankrijk naar Toscane moest komen, ontboden en tot gaan bewogen door paus Bonifacius, hij zijn gelden, gelijk vaak met die der kooplieden het geval is, hier en daar in veel credietbrieven had omgezet en ze niet gemakkelijk kon innen; hij dacht dit aan meerdere personen op te dragen en vond voor alles een middel; alleen bleef hij in twijfel wien hij voldoende kon vertrouwen om die van verschillende Bourgondiërs los te krijgen. De reden van dien twijfel was, dat hij wist, dat de Bourgondiërs twistzieke lieden van slecht soort en kwade trouw waren en er schoot hem niemand te binnen van zoo groote slimheid, dat hij er op aan kon, dat die er aan gewaagd was. Toen hij daarover lang genoeg had gepeinsd, dacht hij aan een zekeren sinjeur Ciapperello uit Prato, die dikwijls in zijn huis te Parijs verscheen. Daar de Franschen van hem, omdat hij klein van persoon was en zeer net van uiterlijk, niet begrepen, wat Cepparello wou zeggen, en geloofden, dat hij zich Chapelet noemde,—dat is krans in hun taal—gaven zij hem, daar hij klein was, gelijk wij zeiden, niet den naam van Cappello maar Ciappelletto en als Ciappelletto werd hij overal bekend, daar weinigen slechts hem als sinjeur Ciapperello kenden.
Die Ciappelletto had de volgende levenswijze: hij was notaris, maar hij zou zich geweldig geschaamd hebben, wanneer hij onder zijn acten, (waarvan hij er slechts weinig opmaakte) een anders dan valsch zou geweest zijn; hiervan maakte hij er zooveel als[30]verlangd werd en hij gaf die liever voor niets dan een echte, die goed werd betaald. Hij legde met het grootste plezier valsche eeden af, gevraagd of niet en daar men in dien tijd in Frankrijk sterk op een eed vertrouwde, en hij er niet om gaf ze valsch af te leggen, won hij te kwader trouw zooveel processen als waar in hij geroepen werd onder eede de waarheid te spreken. Hij had er buitengewoon veel genoegen in en hij legde er zich sterk op toe om tusschen vrienden en bloedverwanten en welke andere personen ook, haat en vijandschap en schandalen te doen ontstaan, en hoe erger kwaad hij er uit zag volgen, hoe meer plezier hij er in had. Werd hij gevraagd voor een moord of eenige andere misdaad dan, zonder ooit te weigeren, nam hij er gaarne aandeel in; hij liet er zich best voor vinden met eigen handen meermalen menschen te wonden en te dooden. Hij was een groot lasteraar van God en de heiligen en bij de nietigste zaak vloekte hij. Nooit ging hij naar de kerk en hij smaadde al haar sacramenten met afschuwelijke taal als booze dingen; daarentegen had hij de gewoonte naar kroegen en andere slechte plaatsen te gaan. Hij hield net zooveel van de vrouwen als de honden van een stok; hij gaf zich meer dan eenig ander treurig soort man aan tegennatuurlijke zonde over; hij pleegde roof met hetzelfde gevoelen, waarmee een vroom man geofferd zou hebben; hij was een vreeselijke vreter en zuiplap telkens, als een of andere keer hem iets hinderde, en een speler en een valsche dobbelaar. Waarom ik in zooveel woorden over hem uitwijd? Omdat hij de grootste schoelje was, die ooit werd geboren. De macht en den rang van messire Musciatto steunden zijn boosheid langen tijd, waardoor hij menigmaal zoowel ook door particulieren, die hij dikwijls genoeg beleedigde als door het hof, hetwelk hij het altijd deed, gevreesd werd.
Toen die sinjeur Cepparello in de gedachten kwam van messire Musciatto, die zijn leven uitstekend kende, meende genoemde heer Musciatto, dat deze de ware was, welke de slechte gezindheid der Bourgondiërs vereischte; daarom liet hij hem roepen en sprak hem aldus toe: Sinjeur Ciappelletto, gelijk gij weet, wil ik mij van hier geheel terugtrekken en daar ik onder anderen met de Bourgondiërs heb te maken, zeer oneerlijke lui, weet ik niemand door wien ik beter het mijne kan laten opeischen bij hun dan u en omdat u op het oogenblik niets anders doet dan waar ik plan heb u toe te gebruiken, ben ik van zins u den gunst van het hof te verschaffen en u dat aandeel te geven van wat gij int, wat we overeenkomen. Ser Ciappelletto, die niets om handen had en met wereldsch goed slecht bedeeld was en die zich zag ontgaan, wat hem lang tot steun en toevlucht was geweest, overlegde bij zich zelf zonder eenig uitstel, door nood gedwongen en zeide, dat hij heel graag wilde. Hierna, toen ze het samen eens werden,[31]sinjeur Ciappelletto de bescherming en gunstige brieven van den koning ontving en messire Musciatto vertrokken was, ging hij naar Bourgondië, waar haast niemand hem kende. Daar begon hij, tegen zijn natuur, op goedaardige en vriendelijke manier die schulden te innen en deed, alsof hij gekomen was om tot het uiterste het twisten te verhinderen. Terwijl hij zoo handelde en verblijf hield in het huis van twee broeders uit Florence, die op woeker leenden en hem uit vriendschap voor den heer Musciatto goed ontvingen, wilde het geval, dat hij ziek werd, waarop de twee broeders doktoren lieten komen en oppassers, die hem zouden bijstaan en alles wat voor zijn gezondheid goed was lieten halen. Maar alle hulp was ijdel, omdat de goede man, die al oud was en die losbandig had geleefd, naar de doktoren zeiden, van dag tot dag van kwaad tot erger verviel als een doodelijk zieke en daarover waren de gebroeders zeer treurig. Op een goeden dag, dicht genoeg bij de kamer, waar ser Ciappelletto ziek lag, begonnen zij aldus met elkaar te spreken: Wat zullen we, zei de een tot den ander, met hem doen? Wij hebben van zijn toestand de ongunstigste gegevens; daarom zou het schande en een teeken van weinig verstand zijn hem zoo ziek uit ons huis te sturen, nadat de menschen zouden zien, dat wij hem eerst hebben ontvangen en daarna zoo zorgzaam hebben laten bedienen en genezen en dat wij hem nu, zonder dat hij iets tot ons ongenoegen deed, opeens uit ons huis en doodziek zouden wegzenden. Aan den anderen kant is het zoo’n gemeene kerel geweest, dat hij niet zal willen biechten, noch eenig sacrament van de Kerk zal willen aannemen, en als hij zonder biecht sterft, zal geen enkele kerk zijn lichaam willen opnemen en hij daarna als een hond in kuilen worden gegooid. Als hij toch biecht, zijn zijn zonden zoo talrijk en zoo erg, dat hetzelfde er van zal komen, omdat noch monnik noch priester hem zal willen of kunnen absolutie geven; zoo, niet gezuiverd, zal hij toch in een kuil worden geworpen. Indien dit gebeurt, zal het volk van deze streek zoowel omdat ons vak hun zeer gemeen schijnt en zij er den ganschen dag kwaad van spreken als omdat zij lust hebben ons te berooven, dit ziende, zich tot een opstootje verheffen en schreeuwen: Die Lombardische3honden, die geen een kerk wil begraven, mag men hier niet langer dulden, en zij zullen op onze huizen toe loopen en wellicht, zullen zij hier niet alleen ons goed rooven, maar de personen, bij wien wij in een slecht daglicht staan, zullen ons vermoorden, als hij sterft. Ser Ciappelletto, die, gelijk wij zeiden, dichtbij lag, waar zij redeneerden, had een fijn gehoor,[32]gelijk we dat dikwijls bij zieken zien, en vernam, wat die van hem zeiden. Hij liet ze tot zich roepen en zeide hen: Ik wil niet, dat gij op eenigerlei manier voor mij angst hebt, noch dat gij vrees hebt door mij voor de minste schade; ik heb opgevangen, wat gij over mij te zeggen hadt, en ik ben er zeker van, dat dit zou kunnen gebeuren gelijk gij zegt, als het noodzakelijk was, wat gij meent; maar het zal anders gaan. Ik heb God den Heere zoo zeer beleedigd in mijn leven, dat door het bij mijn sterven nog eens te doen, dit niets meer of minder zal beteekenen. En daarom doet uw best bij mij een heilige en waardige broeder te doen komen, de beste, dien gij kunt krijgen en die er te vinden is. Laat mij gaan, die flink uw zaken en de mijnen zal in orde brengen, zoodat alles goed afloopt en gij tevreden zult zijn. Hoewel de twee broeders er niet veel hoop op hadden, gingen zij toch er op uit naar een monniksorde en verzochten om een heiligen en wijzen man, dieeen Lombardiërde biecht wilde afnemen, welke in hun huis ziek lag. Hun werd een oude broeder meegegeven, van een heilig en goed leven, een groot schriftgeleerde en zeer eerwaardig, voor welke de burgers de grootste en bijzondere eerbied hadden; zij begeleidden hem. Toen hij in de kamer kwam, waar ser Ciappelletto lag en zich naast hem had neergezet, begon hij hem eerst zachtmoedig te troosten en daarna vroeg hij hem hoe lang geleden hij eertijds gebiecht had. Hierop antwoordde ser Ciappelletto, die nog nooit had gebiecht: Mijn vader, ik ben gewoon eens in de week op zijn minst te biechten, hoewel er genoeg weken zijn, dat ik het meer doe: het is waar, dat ik, sinds ik ziek werd, acht dagen geleden, niet biechtte; zoo groot is de stoornis, die de ziekte bij mij heeft veroorzaakt. Toen zeide de broeder:“Mijn zoon, gij hebt wel gedaan en zoo moet gij voortaan blijven doen. Ik zie wel, daar gij dikwijls biecht, dat ik weinig zal te hooren en te vragen hebben.”Ser Ciappelletto zeide:“Heer broeder, spreek zoo niet, ik biechtte nooit zooveel en zoo dikwijls, dat ik ooit in het algemeen al mijn zonden kon biechten, die ik mij mocht herinneren van af mijn geboorte tot aan den dag van deze biecht, en daarom bid ik, mijn goede vader, dat gij mij alles zoo nauwkeurig zult afvragen alsof ik nog nooit gebiecht had en let er niet op, dat ik ziek werd, want ik wil liever het vleesch pijnigen dan dat ik door dit te bevredigen, schade zou doen aan mijn ziel, die mijn Verlosser met zijn dierbaar Bloed redde.”
Deze woorden bevielen den heiligen man zeer, en dit scheen hem een teeken van een goedgestemde ziel; daar hij die wijze van doen aan sinjeur Ciappelletto zeer had aanbevolen, begon hij te vragen of hij ooit in wellust met eenige vrouw had gezondigd.Hierop antwoordde Ciappelletto zuchtend: “Mijn vader, ik schaam mij u hiervan de waarheid te zeggen, vreezend, dat ik[33]zal zondigen door zelfverheffing.” Toen sprak de heilige broeder: “Zeg gerust wat waar is, want noch in de biecht noch bij eenige andere daad zondigt men ooit.” Waarop ser Ciappelletto antwoordde: “Daar gij mij hieromtrent gerust stelt, zal ik het u maar zeggen. Ik ben zoo maagdelijk als toen ik uit het lichaam van mijn moeder kwam.” “Dat God U zegene!” sprak de broeder. “Dan hebt gij wel gehandeld! En gij hebt hierdoor zooveel meer verdienste, daar gij, bij dien wil, meer vrijheid hadt het tegengestelde te doen dan wij en alle anderen, die aan eenigen regel gebonden zijn.” Hierop vroeg hij hem, of hij nooit door eenige zonde van vraatzucht Gode zou mishaagd hebben; toen antwoordde sinjeur Ciappelletto zuchtend van ja en menigmaal: omdat het zoo met hem gesteld was, dat hij behalve bij de groote vasten, waaraan zich jaarlijks vrome menschen houden, minstens drie maal per week gewoon was dit te doen met water en brood en met veel lust en trek water had gedronken. In het bijzonder wanneer hij een vermoeienis had doorstaan, gebeden had of een pelgrimstocht had gedaan, dronk hij als een groote wijndrinker en menigmaal had hij dan evenveel zin in een kruidensalade als de vrouwen, wanneer zij naar de stad gaan. En het eten scheen hem meermalen beter, dan het schijnen moest aan elk, die uit vroomheid vastte gelijk hij deed. Daarop antwoordde de broeder: “Mijn zoon, deze zonden zijn natuurlijk en zeer licht; en hiervoor verg ik niet, dat gij uw geweten meer bezwaart dan noodig is. Ieder mensch schijnt het na lang vasten, hoe heilig hij ook zij, goed te eten en na vermoeienis te drinken.”
“O,” hernam ser Ciappelletto, “mijn vader, zeg dat niet om mij te troosten; weet wel, dat ik mij bewust ben, dat de dingen, die God ten gevalle geschieden, allen zeer rein gedaan moeten worden en zonder eenigen afkeer des harten en dat wie anders handelt, zondigt.” De broeder voegde er zeer tevreden bij: “Ik ben zeer tevreden, dat Uw ziel U zoo beheerscht, en Uw zuiver en goed geweten bevalt mij zeer. Maar, zeg mij, hebt gij wel hebzucht gezondigd door meer te begeeren dan geoorloofd was of te behouden, wat U niet toekwam?” Toen sprak ser Ciappelletto: “Mijn vader, ik zou niet willen, dat gij mij wantrouwt, omdat ik in het huis van die woekeraars ben: ik heb hier niets te maken, daar ik hier veeleer gekomen ben om hen te waarschuwen en te vermanen en hen van hebzucht af te houden. Ik geloof ook, dat ik geslaagd was, als God mij niet aldus had bezocht. Maar gij dient te weten, dat mijn vader mij als een rijk man achterliet, maar dat ik het meeste, toen hij dood was, aan aalmoezen wegschonk, en toen om mijn leven te behouden en om de armen van Christus te helpen, heb ik kleine zaken gedreven. Hiermee heb ik geld willen verdienen en heb altijd met Gods armen de helft gedeeld, mijn[34]deel gebruikend voor mijn behoefte, en ik schonk het andere aan hen. Daarin heeft mijn Schepper mij zoo goed geholpen, dat ik mijn zaken steeds beter heb gedreven.” “Gij hebt goed gehandeld,” zei de broeder, “maar hebt ge U niet dikwijls boos gemaakt?” “O,” zeide de heer Ciappelletto, “dit kan ik u zeggen, dat ik dit vaak heb gedaan. En wie zou zich in kunnen houden, als hij ziet, dat alle menschen slechte dingen doen, de geboden Gods niet volgen en zijn uitspraken niet vreezen? Ik heb menigen dag liever willen sterven dan leven, als ik zag hoe de jongelingen zich aan ijdelheid overgeven, en als ik ze zag vloeken en zweren, kroegloopen, niet naar de kerk gaan en veeleer een wereldsch leven lijden dan een naar God gericht.” Toen zeide de broeder: “Mijn zoon dit is een goed soort toorn, en ik zou u daarvoor geen boete kunnen opleggen. Maar heeft de toorn U soms vervoerd een moord te doen of iemand te schelden of op eenige wijze te beleedigen?” Waarop sinjeur Ciappelletto antwoordde: “Wee mij, heer, gij schijnt mij een man Gods, daar gij mij dusdanige woorden zegt! O indien ik toch maar de geringste gedachte zou hebben gehad van een der dingen, die gij zegt, gelooft gij dan, dat ik meenen zou, dat God mij zoo had beschermd? Dat zijn dingen, die moordenaars doen en slechte kerels, tot welke ik ieder uur, dat ik er een zag, altijd heb gezegd:‘Ga, opdat God U verbetere.’ ”Toen zeide de broeder: “Mijn zoon, zeg mij nu, opdat God U zegene,hebt gij nooit valsche getuigenis afgelegd tegen iemand, of kwaad van anderen gesproken of vreemde dingen van anderen gehouden zonder dat zij als eigenaars dit goed vonden?” “Nooit, eerwaarde,” hernam ser Ciappelletto, “heb ik van anderen kwaad gesproken, al had ik vroeger een buurman, die met het grootste onrecht ter wereld niets deed dan zijn vrouw slaan, zoodat ik eens kwaad van hem sprak tot de verwanten van zijn vrouw; zooveel medelijden kreeg ik met die ongelukkige, welke hij, telkens als hij te veel had gedronken, sloeg, dat God er wel over zal oordeelen.” Dan sprak de broeder: “Goed zoo; je zegt mij, dat je handelsman geweest bent? Hebt gij nooit iemand bedrogen gelijk kooplui dat doen?” “Bij God, ja, waarde heer, maar ik weet niet wie het zou zijn dan een, die mij geld heeft gebracht, mij schuldig voor een laken, dat ik aan hem verkocht, en ik deed het in een geldkistje zonder het te wisselen, waarop ik na een maand vond, dat er vier kleine geldstukken meer in waren dan moest. Daar ik hem niet meer terug zag en ik ze wel een jaar lang had bewaard om ze hem terug te geven, offerde ik ze als aalmoes.” De broeder sprak: “Dat was niet erg en je handelde wel door zoo te hebben gedaan.” En behalve dat vroeg hem de heilige broeder nog vele andere dingen, waarop hij op die wijze antwoordde. En toen hij reeds tot de absolutie wilde overgaan, zeide sinjeur Ciappelletto: “Mijnheer,[35]ik heb nog één zonde, die ik U niet heb verteld.” De broeder vroeg welke en hij zei: “Ik herinner mij, dat ik eens mijn dienaars Zaterdagsavonds het huis liet vegen en aldus den Sabbat niet zoo heiligde als het behoorde.” “O,” sprak de broeder, “mijn zoon, dat beteekent niet veel.” “Neen,” zei sinjeur Ciappelletto, “zeg dat niet, dat het goed is om den Zondag niet te eeren, omdat op dien dag onze Heer uit den doode tot het leven opstond.” Toen vroeg de broeder: “Hebt gij ook iets anders gedaan?” “Ja heer,” antwoordde sinjeur Ciappelletto: “ik heb eenmaal per ongeluk in Gods kerk gespuwd.” De pater begon te glimlachen en zeide: “Mijn zoon, dat is geen zaak om je over te bekommeren; wij, die vroom zijn, spuwen er den ganschen dag.” Toen zeide ser Ciappelletto: “Dan doet gij groot kwaad, omdat niets reiner moet gehouden worden dan de tempel, waarin men Gode offert.” En in het kort vertelde hij nog veel en eindelijk begon hij te zuchten en erg te klagen, als iemand, die het maar al te goed kan als hij dit wil. De vrome broeder vroeg: “Wat heb je, mijn zoon?” Ser Ciappelletto hernam: “Wee mij, heer, dat mij één zonde verbleven is, die ik nooit beken, zoo groote schaamte voel ik om die te zeggen, en iedere keer, dat ik er aan denk, klaag ik gelijk gij ziet en het schijnt mij zeer zeker, dat God nooit zal vergeven, wat ik heb misdreven.” Toen vroeg de heilige broeder: “Kom, kom mijn zoon, wat zegt ge? Als alle zonden van alle menschen, of alle zonden, bedreven zoolang als de wereld zal duren, op een mensch rustten en hij zou zoo vol berouw en boetvaardig zijn als ik U zie, dan is de goedheid en de barmhartigheid van God zoo groot, dat Hij, indien hij Hem biecht, hem vrijelijk zou vergeven; en vertel die daarom gerust.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto steeds erg klagende: “Wee mij, mijn vader, het is een te groote zonde, en ik kan ternauwernood gelooven, indien uwe gebeden er niet toe medewerken, dat die mij ooit door God vergeven wordt.” Hierop gaf de broeder tot bescheid: “Zeg het gerust, daar ik U beloof God voor U te bidden.” Ser Ciappelletto klaagde toch nog en zeide het niet, maar de broeder spoorde hem aan. Sinjeur Ciappelletto hield den monnik echter zeer langen tijd op; hij slaakte een diepe zucht en zei: “Mijn vader, indien gij mij kunt beloven tot God te bidden, zal ik het U zeggen. Weet, dat ik eens, toen ik zeer klein was, mijn moeder heb uitgescholden.” Toen hij dit gezegd had, begon hij weer te weenen. De broeder sprak: “Mijn zoon, schijnt U dat nu zulk een groote zonde? De menschen beleedigen God den ganschen dag en toch vergeeft hij gaarne wien het berouwt Hem te hebben beleedigd en gij gelooft niet, dat Hij U dit zal vergeven? Ween niet, wees getroost, want zeker, als gij er een waart geweest van hen, die Hem aan het kruis sloegen, en dezen Uw wroeging hadden, zou Hij[36]het U vergeven.” Toen zeide sinjeur Ciappelletto: “Wee mij, mijn vader, wat zegt gij? Mijn goede moeder, die mij negen maanden dag en nacht in het lichaam droeg en mij honderd maal aan het hart drukte, heb ik te veel kwaad gedaan door haar uit te schelden en dat is een te groote zonde en als gij niet tot God bidt, zal Hij mij niet vergeven.” Toen de broeder zag, dat ser Ciappelletto niets anders te vertellen had, gaf hij hem absolutie en zijn zegen en hield hem voor een heilig man, alsof het waar was, wat ser Ciappelletto gezegd had. En wie zou het niet geloofd hebben, die iemand stervende zoo zou hooren spreken? Toen na dit alles zeide hij tot hem: “Sinjeur Ciappelletto, met Gods hulp zult gij spoedig een heilige zijn; maar indien het mocht gebeuren, dat God Uw gezegende en wel gestemde ziel tot zich zou roepen, zou het U dan behagen, dat uw lichaam in ons klooster wordt begraven.” Hierop antwoordde deze: “Zeker, mijnheer, ik zou nergens liever willen zijn, daar gij beloofd hebt tot God voor mij te bidden zonder dat ik ooit speciale vereering voor Uw orde heb gehad. En daarom bid ik U, dat, zoo gij in Uw klooster zult zijn, gij zorgt, dat het ware Lichaam van Christus tot mij komt, wat gij ’s ochtends op het altaar heiligt: omdat ik (hoewel ik het niet waard ben) plan heb met Uw verlof het tot mij te nemen en daarna het laatste, heilige oliesel, opdat ik, zoo ik als zondaar heb geleefd, althans als christen zal sterven.” De heilige man zeide, dat het hem zeer beviel en dat hij wel sprak en zou maken, dat het hem dan gebracht werd; en zoo geschiedde het. De twee broeders, die er sterk aan twijfelden of ser Ciappelletto ze niet bedroog, hadden zich opgesteld bij een beschot, welke de kamer, waar die lag, scheidde van de andere en al luisterend, hoorden en verstonden zij gemakkelijk wat hij tot den broeder zeide. Ja, zij hadden elken keer zoo’n lust tot lachen, de dingen hoorend, die hij had bekend, dat zij er haast van barstten en tot elkaar zeiden: “Wàt een kerel is dat, dien noch ouderdom, noch zwakheid, noch vrees voor den dood, waar hij zich nabij ziet, noch voor God voor wiens rechterstoel hij verwacht binnen korten tijd te moeten verschijnen, kunnen afbrengen van zijn boosheid, en dat hij wil sterven zooals hij heeft geleefd.”Maar toen zij toch zagen, dat wat hij gezegd had, zou gebeuren, dat hij in de kerk zou begraven worden, konden zij hun lachen niet houden. Kort daarop hield hij het Heilig Avondmaal en daar hij steeds erger werd, kreeg hij het laatste Oliesel; en kort na den avond van den dag, waarop hij de goede biecht had afgelegd, stierf hij. Daar hij op zijn eigen aandringen op eervolle wijze wou begraven worden en bevolen had dit te zeggen aan de monniken in het klooster, en dat zij zouden waken volgens gebruik, ’s avonds en ’s morgens, bij zijn lijk beschikten zij alles daartoe op de beste wijze. De heilige broeder,[37]die hem de biecht had afgenomen, hoorend dat hij dood was, onderhield zich met den prior van het klooster en toonde aan, nadat hij de kapittelklok had doen luiden voor de vereenigde priesters, dat ser Ciappelletto een heilige was geweest, volgens de biecht, die hij hem had afgenomen. En hopend, dat God de Heer door hem vele wonderen zou doen, overtuigde hij hen, dat zijn lichaam met den grootsten eerbied en wijding moest worden ontvangen, waar de prior en de andere, goedgeloovige broeders op ingingen.Toen zij ’s avonds allen daarheen waren gegaan, waar het lichaam van ser Ciappelletto lag, hielden zij er een groote en plechtige nachtwake en ’s ochtends alle gekleed in hun doophemden en misgewaden, met boeken in de hand en de kruisen voorop, gingen zij zingend naar dit lijk en vervoerden het met groote pracht en plechtigheid naar hun kerk, terwijl haast de gansche bevolking der stad volgde. Zij plaatsten het in de kerk; de heilige broeder, die hem had gebiecht, besteeg den kansel en begon van hem en zijn leven, van zijn vasten, van zijn maagdelijkheid, van zijn eenvoud en onschuld en zijn wonderbare heiligheid te prediken, en verhaalde wat onder andere dingen ser Ciappelletto als zijn grootste zonde weenend bekend had en hoe hij hem ternauwernood uit het hoofd had gepraat, dat God hem zou vergeven en zich hiervan afwendend om zich te keeren tot het luisterende volk zeide hij: “En gij, door God vervloekten, bij iedere stroohalm, die u tusschen de voeten komt, smaadt gij God en de Madonna, en heel het hemelrijk.” Bovendien verhaalde hij veel van zijn oprechtheid en van zijn reinheid, en in het kort met de woorden, waaraan de menschen van die streek sterk geloof hechtten, vervulde hij den geest met zooveel eerbied bij allen die daar waren, dat, toen de dienst gedaan was, met het grootste gedrang van de wereld alles samen liep om hem hoofd en handen te kussen. Al de kleeren werden hem van het lijf getrokken, zoodat zich voor gelukkig hield, wie er slechts een stukje van kon bemachtigen. Men kwam overeen, dat het lijk daar den ganschen dag bewaard bleef, opdat het door allen kon gezien en bezocht worden. Daarna werd hij den volgenden nacht in een marmeren kist in een kapel eerbiedig bijgezet en dadelijk begonnen den volgenden dag de menschen er heen te gaan, kaarsen aan te steken, hem te aanbidden en bij gevolg ook aan hem geloften te doen en er beelden van was heen te brengen in overeenstemming met hun gedane beloften. Zoo groeide de faam van zijn heiligheid aan en de vereering voor hem, dat er bijna niemand was in tegenspoed, die aan een anderen Heilige dan aan hem geloften deed en zij noemden hem en noemen hem nog San Ciappelletto. Men verzekert, dat God door hem vele wonderen heeft verricht en nog iedere dag het doet voor elk, die zich devoot bij hem aanbeveelt. Zoo[38]leefde en stierf ser Ciappelletto van Prato en werd heilig gelijk gij hebt gehoord. Ik wil het niet als mogelijk ontkennen, dat hij zalig is geworden in Gods tegenwoordigheid, indien hij, hoewel zijn leven gemeen en slecht was, op het uiterste zooveel wroeging heeft gehad, dat misschien God zich over hem ontfermd zal hebben en hem in zijn rijk zal hebben opgenomen: maar omdat dit onbekend is, naar hetgeen recht kan schijnen, denk ik dan ook, dat hij eer in handen van den duivel in verdoemenis is geraakt dan in het Paradijs. Is dit zoo, dan kan men de zeer groote goedheid van God jegens ons daaruit kennen, die niet op onze afdwaling lettend, maar op de reinheid van ons geloof, aldus een vijand tot bemiddelaar voor ons maakt, terwijl wij meenen, dat het een vriend is, en ons verhoort, alsof hij een echte heilige was, als bemiddelaar van zijn genade in de tegenwoordige ellende. En laat ons in dit zoo blijmoedig gezelschap gezond zijn en wel bewaard, terwijl wij Zijn Naam prijzen, gelijk wij het in het begin deden, en Hem eerbiedigen omdat wij Hem onze behoeften toevertrouwen, en er zeker van zijn verhoord te worden. Hierop zweeg hij.
[Inhoud]Tweede Vertelling.De Jood Abraham4reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en[39]met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij[40]zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor[41]geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in[42]ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.
Tweede Vertelling.De Jood Abraham4reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.
De Jood Abraham4reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.
De Jood Abraham4reist op aandrang van Jeannot de Sevigny naar het Hof van Rome en als hij daar de verdorvenheid der priesters ziet, gaat hij terug naar Parijs en wordt Christen.
Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en[39]met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij[40]zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor[41]geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in[42]ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.
Voor een deel lachten de donna’s om de vertelling van Pamfilo en over het geheel prezen de dames dit verhaal. Toen dit aandachtig was aangehoord en ten einde gebracht, zette Neifile zich naast hem. De koningin beval haar nu er een te vertellen, opdat zij de orde van het aangevangen vermaak zou volgen. Zij, door niet minder hoffelijke gewoonten dan door schoonheid uitmuntend antwoordde vriendelijk, dat zij gaarne wilde en begon aldus: Pamfilo heeft in zijn vertelling aangetoond, hoe Gods goedheid geen acht geeft op onze dwalingen, wanneer zij voortvloeien uit iets wat wij niet kennen. Maar ik wil in mijn verhaal U toonen, hoe diezelfde goedertierenheid geduldig de gebreken verdraagt van hen, die en[39]met daden en met woorden van die fouten het ware bewijs geven, omdat zij slecht handelen. En die goedheid doet uit zich zelf de kracht van onfeilbare waarheid blijken, opdat wij, met des te meer standvastigheid van ziel nakomen, wat wij gelooven.
Aldus, genadige donna’s heb ik vroeger hooren vertellen, dat er in Parijs een groot koopman leefde en een goed mensch, die Jeannot de Sevigny werd genoemd, loyaal en rechtschapen en die een groote zaak had in goederen. Hij had een bijzondere vriendschap voor een zeer rijken jood, Abraham genaamd, die ook koopman was en een zeer eerlijk en rondborstig man. Jeannot, die deze rechtschapenheid en eerlijkheid zag, begon zeer te vreezen, dat de ziel van zulk een waardig, wijs en goed man door gebrek aan Geloof te loor zou gaan. Daarom begon hij hem vriendschappelijk te bidden, dat hij de dwalingen van het joodsche Geloof zou laten varen en tot de christelijke Waarheid zich zou bekeeren, die hij als heilig en echt altijd kon zien bloeien en sterk worden; terwijl hij zijn geloof integendeel kon zien verminderen en vergaan. De Jood antwoordde, dat hij niets heilig noch goed achtte dan het Jodendom, dat hij daarin geboren was, er in wilde leven en sterven en dat niets hem er ook van af zou brengen. Jeannot hield echter niet op, of na eenige dagen kwam hij er met dergelijke woorden weer op terug en toonde hem door redeneeringen zoo bot als kooplui er op nahouden, waarom onze godsdienst beter was dan de Joodsche. Hoewel de Jood van de israëlitische wet een groot kenner was, begonnen toch, hetzij dat de groote vriendschap, die hij voor Jeannot had, hem bewoog of dat misschien de woorden, welke de Heilige Geest den onnoozelen man op de tong legde, het deden, de redeneeringen van Jeannot hem zeer te behagen; maar toch koppig in zijn geloof, liet hij zich niet overtuigen. Daar hij hardnekkig bleef en Jeannot nooit ophield hem te overreden, zeide eindelijk de Jood door zulk een voortdurend aandringen overwonnen: Kijk Jeannot, het bevalt jou, dat ik Christen word en ik ben bereid dit te doen zoo waar als ik gereed ben eerst naar Rome te reizen en daar hem te zien, dien gij Gods Stedehouder op aarde noemt en zijn handelwijzen en gewoonten en eveneens die van zijn broeders, de kardinalen. Indien dezen mij zóó schijnen, dat ik door Uw woorden en door die dingen kan begrijpen, dat Uw geloof beter is dan het mijne, gelijk ge U in het hoofd hebt gesteld te bewijzen, dan zal ik doen, wat ik U gezegd heb; maar als het niet zoo mocht zijn, zal ik Jood blijven gelijk ik het ben. Toen Jeannot dit had gehoord, was hij[40]zeer ontstemd, en zei in zichzelf: Ik heb de moeite verloren, die het mij goed scheen aan te wenden in het vertrouwen, dat ik hem zou bekeerd hebben, want wanneer deze man op reis gaat naar Rome en het slechte en schandelijke leven der geestelijken ziet, zal hij zich niet laten doopen, maar wanneer hij al tot het Christendom bekeerd was, zou hij weer Jood worden. Tot Abraham gewend zeide hij: Zeg, vriend, waarom wilt ge zooveel moeite doen en kosten maken, om van hier naar Rome te gaan, daargelaten dat dit voor een rijke man als gij zoowel ter zee als te land vol gevaar is. Geloof je soms, dat je niemand vindt, die je hier kan doopen? En indien je misschien eenig wantrouwen hebt jegens het geloof, dat ik je uiteenzet, zijn er dáár dan soms betere meesters en geleerdere mannen dan die U hier kunnen verklaren, wat gij zult verlangen of vragen? Daarom schijnt het mij, dat Uw tocht overtollig is. Denk, dat de priesters daar dezelfden zijn als die gij hier hebt kunnen zien en dat ze hier bovendien nog beter zijn dan die in de nabijheid van den Opperherder. En die reis zal volgens mijn raad U op een andere keer tot genoegen strekken, doordat ik U dan zal gezelschap houden. Hierop antwoordde de Jood: Ik wil gelooven, Jeannot, dat alles is, zooals gij mij zegt, maar om kort te gaan, ik ben (indien gij wilt, dat ik doe wat gij mij zoo hebt gevraagd) bereid er heen te trekken, en anders zal er niets van komen. Jeannot, die zijn voornemen gewaar was geworden, hernam: Ga dan met goed geluk. Hij dacht in zichzelf, dat die nooit Christen zou worden, als hij het Hof van Rome zien zou, maar toch drong hij er nu op aan, daar er niets meer bij te verliezen was. De Jood steeg te paard en zoo snel hij kon, ging hij naar Rome, waar hij, aangekomen, door zijn geloofsgenooten eervol werd ontvangen. Hij bleef daar zonder te zeggen met welk doel hij er was en begon aandachtig te letten op de zeden van den Paus en van de kardinalen en van de andere prelaten en van al de hovelingen. Zoowel wat hij als scherpziend man ondervond als wat hij vernam, deed hem begrijpen, dat allen van den hoogsten tot den laagsten in het algemeen op de schandelijkste manier zich aan wellust overgaven, en niet alleen aan natuurlijke maar ook aan tegennatuurlijke, zonder eenige hinder van wroeging of schaamte, zoodat de macht van de boeleersters en schandknapen om er een of andere belangrijke zaak tot stand te brengen van niet weinig invloed was. Behalve dat kende hij ze over het algemeen als veelvraten, drinkebroers, onmatigen en het meest na den wellust aan ander zingenot verslaafd, gelijk stompzinnige dieren. Hoe meer hij verder oplette, hoe meer hij gewaar werd, dat zij alle hebzuchtig en begeerig naar geld waren zoo, dat zij menschelijk bloed gelijk dat van Christus en de goddelijke dingen, hoe of ze ook heetten en hetzij ze tot de offeranden of tot de schenkingen behoorden, voor[41]geld verkochten en kochten en beter zaken er mee deden en er meer makelaars voor hadden, dan er te Parijs voor den lakenhandel of welke andere ook waren. Ze hadden voor openlijke verkoop van kerkelijke ambten den naam: “zorg voor aanstelling” en voor hebzucht den naam: “ondersteuning” gekozen, alsof God, (de beteekenis van de woorden laten wij daar) niet de bedoeling der verdorven gemoederen zou kennen en gelijk de menschen zich door de namen der dingen zou kunnen laten bedriegen. Daar die feiten met vele andere bij elkaar, waarover wij kunnen zwijgen, den Jood mishaagden, omdat hij een matig en bescheiden man was, en het hem scheen, dat hij genoeg had gezien, besloot hij naar Parijs terug te keeren en deed dit. Daarna, sinds Jeannot wist, dat hij terug gekomen was—en er al aan wanhoopte hem tot een Christen te maken, wanneer hij daar vandaan terug keeren zou—maakten zij te samen een groot feest. En toen hij eenige dagen uitgerust had, vroeg Jeannot hem wie van den Paus en de kardinalen en de andere hovelingen hem beviel. De Jood antwoordde hierop snel: Ik meen, dat God ze allen niets dan kwaad zal doen; en ik zeg U dit, omdat ik, indien ik goed heb opgelet, daar hoegenaamd geen heiligheid, vroomheid, goed werk of voorbeeldige levenswijze of wat ook bij eenig geestelijke kon ontdekken maar het kwam mij voor daar wellust, hebzucht, brasserij, dergelijke en erger dingen (als er erger dingen in eenig opzicht kunnen bestaan) in al hun glorie te aanschouwen. Ik houd Rome dan ook eerder voor een brandpunt van duivelsche dan van goddelijke dingen. Daarom meen ik, dat Uw Herder met de meest mogelijke haast, overleg en kunst en zoo ook al de anderen er zich voor beijveren den christelijken godsdienst te vernietigen en uit de wereld te helpen dáár, waar zij de grondslag en steun er van moesten wezen. En omdat ik niet zie gebeuren wat zij najagen, maar dat uw godsdienst voortdurend groeit en verlichter en klaarder wordt, schijnt het mij dienovereenkomstig, dat ik den Heiligen Geest van deze als van een, die waarder en heiliger is dan van eenige andere, als grondslag en steun ervan moet beschouwen. Daarom, zoo ik star en hard bleef tegenover uw aansporingen en geen Christen wilde worden, zeg ik je nu ronduit, dat niets mij thans zou weerhouden Christen te worden. Laten wij dus naar de kerk gaan en laat mij daar volgens de verplichte gewoonte van Uw heilig Geloof doopen. Jeannot, die lijnrecht het tegengestelde als gevolgtrekking hieruit had verwacht, was, toen hij hem dit hoorde zeggen, de tevredenste mensch ter wereld. Hij ging met hem naar de Notre Dame te Parijs en verzocht de priesters, dat zij Abraham zouden doopen. Zij, na gehoord te hebben, wat hij vroeg, deden dit bereidwillig en Jeannot hief hem van het heilig doopbekken op en noemde hem Johannes. Later liet hij hem door groote en waardige mannen in[42]ons Geloof volledig onderrichten, wat hij zeer snel leerde en sedert werd hij een goed en rechtschapen man, die een heilig leven leidde.
[Inhoud]Derde Vertelling.De Jood Melchisedek5onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6gelegd.Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door[43]zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?”De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten,[44]als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.
Derde Vertelling.De Jood Melchisedek5onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6gelegd.
De Jood Melchisedek5onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6gelegd.
De Jood Melchisedek5onttrekt zich met een geschiedenis van drie ringen aan een hinderlaag hem door Saladin6gelegd.
Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door[43]zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?”De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten,[44]als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.
Toen allen de geschiedenis van Neifile geprezen hadden en zij daarop zweeg, begon Filomena, gelijk het de koningin behaagde, aldus te spreken:
De geschiedenis, door Neifile verhaald, doet mij denken aan het gevaarlijke geval, dat een Jood overkomen is. Omdat er al goeds genoeg is verhaald van God en van de waarheid van ons Geloof moet men het afdalen tot gebeurtenissen en daden van menschen niet gering achten. Want men zal zien, als gij dit eenmaal gehoord hebt, dat gij misschien slimmer zult worden in antwoorden op vragen, die u zouden gesteld worden. Lieve vriendinnen, gij moet weten, dat, zooals de dwaasheid vele malen anderen uit een gelukkigen toestand rukt en in de grootste ellende brengt, aldus ook de wijsheid den verstandige uit zeer groote gevaren helpen kan en hem tot groote en zekere rust voert. En dat het waar is, dat de dwaasheid uit geluk in ellende stort, ziet men door vele voorbeelden. Ik behoef U die thans niet meer te vertellen, als ik er op let hoe dit al uit duizend gevallen gebleken is. Maar dat het verstand de oorzaak is van troost, dat zal ik, gelijk ik beloofde, door een geschiedenisje kortelijk bewijzen.
Saladin, wiens dapperheid zoo groot was, dat die hem niet slechts van een onbeteekenend man tot Sultan van Babylon maakte, maar hem ook vele overwinningen op saraceensche en christelijke koningen deed behalen, had in verschillende oorlogen en door[43]zijn kolossale praal al zijn rijkdom verteerd en toen hij door een toevallig ongeluk een flinke hoeveelheid geld noodig had en niet wist vanwaar hij het zeer spoedig kon krijgen, dacht hij aan een rijken Jood, Melchisedek genaamd, die te Alexandrië op woeker leende. Hij meende zich van dezen te kunnen bedienen, wanneer hij wilde.
Maar hij was zóó gierig, dat hij het nooit van zelf zou hebben gedaan. De Sultan wilde hem geen geweld aandoen; maar daar de nood hem drong, zon hij er op met alle macht, hoe hij zich van den Jood zou bedienen en kwam op het idee hem te dwingen onder een masker van overreding. Hij liet hem roepen en ontving hem vriendelijk, liet hem bij zich plaats nemen en zeide toen tot hem: “Mijn waarde vriend, ik heb van verschillende menschen gehoord, dat gij zeer geleerd zijt en in godsdienstzaken zeer hoog staat, daarom zou ik van U willen weten, welke van de drie godsdiensten gij voor den waarachtigen houdt: de joodsche, de mohammedaansche of de christelijke?”De Jood, die werkelijk een wijs man was, merkte al te wel, dat Saladin het er op toe legde hem in zijn woorden te vangen om hem een ander soort vraag te stellen. Hij meende, dat hij geen van de drie godsdiensten meer dan de anderen moest prijzen, opdat Saladin zijn doel niet bereikte. Daar het hem er op aan scheen te komen een antwoord te geven, waardoor hij niet te vangen was, kwam hem na zijn vernuft gescherpt te hebben, snel voor den geest, wat hij moest zeggen en antwoordde hij:
“Heer, de vraag, die gij mij doet, is schoon, en om U te zeggen, wat ik er van denk, acht ik het goed U een geschiedenis te vertellen, die gij moet aanhooren. Als ik mij niet vergis, herinner ik mij vele malen te hebben hooren verhalen, dat er eens een groot en rijk man leefde, welke onder de duurdere steenen, die hij bij zijn schatten had, een zeer schoon en kostbaar juweel bezat, dat hij om zijn waarde en zijn schoonheid eer wilde bewijzen en tot in der eeuwigheid aan zijn nakomelingen wilde nalaten. Hij beval, dat diegene van zijn zoons, bij welke de ring, als hij hem dien had nagelaten, weer werd gevonden, zijn erfgenaam zou zijn en dat die door de anderen als meerdere geëerd en geëerbiedigd zou worden. Diegene aan wien die werd nagelaten, volgde denzelfden weg bij zijn afstammelingen en die deed gelijk zijn voorganger had gedaan. Om kort te gaan: zoo ging de ring door vele opvolgers van hand tot hand tot hij eindelijk in handen kwam van een, die drie knappe en brave zonen had, zeer gehoorzaam aan hun vader, zoodat hij van alle drie evenveel hield. En de jongelingen, die de traditie van den ring kenden, verlangden elk de meest geëerde der drie te zijn, en ieder verzocht den vader, dat die naar zijn beste weten, daar hij al oud was, hem den ring zou nalaten,[44]als hij kwam te sterven. De brave man, die ze alle drie evenzeer liefhad, wist niet te besluiten aan wie hij hem zou nalaten, en dacht er over na, daar hij die aan alle drie beloofd had, hoe ze alle drie te voldoen. Heimelijk liet hij door een goed kunstenaar twee anderen maken, die zoo op den eersten geleken, dat hij zelf, die ze had laten vervaardigen, ternauwernood den echten er uit kende. En stervend gaf hij in vertrouwen aan elk der drie er een. Ieder van hen wilde zich na den dood des vaders de erfenis en de eer toeëigenen; de een wilde den ander ongelijk geven en bij de opening van het testament toch rechtvaardig handelen. Elk bracht zijn ring te voorschijn. Daar de ringen zoo gelijk aan elkaar gevonden werden, dat men den rechten niet kon onderkennen, bleef de vraag, wie de ware erfgenaam van den vader was hangende en nog is deze onbeslist. En dit zeg ik u, o heer, ook van de drie wetten, gegeven door God den Vader aan de drie volken betreffende welke gij die vraag hebt gesteld: ieder meent, dat zijn erfenis, zijn wet en zijn geboden de waren zijn; maar wie ze heeft, is een vraag, die nog onopgelost is als die van de drie ringen.” Saladin bemerkte, hoe uitstekend Melchisedek aan den strik had weten te ontkomen, dien hij hem voor de voeten had gehouden. Daarom besloot de Sultan hem zijn nood toe te vertrouwen en te zien of hij hem wilde helpen. Zoo deed hij en vertelde hem wat hij van plan was geweest te doen, indien Melchisedek hem niet zoo verstandig had geantwoord. De Jood leende hem ruimschoots elke som, dien Saladin vroeg. Deze betaalde hem dien later geheel terug en bovendien gaf hij hem groote geschenken, hield hem steeds tot vriend en hij bleef bij hem een hoogen en eervollen rang bekleeden.
[Inhoud]Vierde Vertelling.Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:[45]Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en[46]bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was[47]hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.
Vierde Vertelling.Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.
Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.
Een monnik vervalt tot een zonde, waarop de zwaarste straf staat. Hij bewijst echter, dat zijn abt hetzelfde op zijn geweten heeft en redt zich zoodoende uit zijn verlegenheid.
Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:[45]Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en[46]bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was[47]hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.
Reeds zweeg Filomena, toen Dioneo, die naast haar zat, zonder eenig bevel van de koningin af te wachten, volgens de ingestelde orde aldus begon te vertellen:[45]
Lieve dames, indien ik van al het voorgaande de strekking goed heb begrepen, zijn wij hier om ons te amuseeren door verhalen te doen. En opdat het tegenovergestelde niet gebeurt, meen ik, dat het aan ieder vrij moet staan de historie te vertellen, welke hij of zij gelooft, dat het meest u zal vermaken. Nu gij gehoord hebt hoe door de goede betoogen van Jeannot de Sevigny Abrahams ziel werd gered en hoe Melchisedek zijn rijkdommen door zijn wijsheid verdedigde tegen de valstrikken van Saladin, ben ik van plan in het kort te vertellen door welk een list een monnik aan de zwaarste straf ontkwam, zonder dat ik van U afkeuring hoef te verwachten.
Er was in Lunigiana, een landstreek niet ver van Florence een klooster, heiliger en talrijker aan monniken dan er thans een bestaat. Daar leefde een jonge monnik, wiens kracht en jeugd de vasten noch de nachtwaken konden verzwakken. Op een middag om twaalf uur, toen al de andere monniken sliepen en hij alleen buiten de kerk was gekomen, welke op een eenzame plaats lag, ontmoette hij toevallig een nog al mooi meisje, waarschijnlijk de dochter van een der boeren uit den omtrek, die door de velden ging om zekere kruiden te zoeken. Hij had haar nog niet gezien of hij werd geweldig door vleeschelijke lust aangegrepen. Toen hij haar genaderd was, begon hij met haar te spreken en kwam zoo van het een op het ander. Hij kon het best met haar vinden en voerde haar met zich mede in zijn cel, terwijl niemand er iets van merkte. Hij, vervoerd door te veel begeerte, minnekoosde onvoorzichtig. Toevallig ontwaakte de abt en bemerkte, toen hij langzaam de cel voorbijging, het gerucht dat zij te zamen maakten. Om de stemmen beter te onderscheiden naderde hij stil de deur van de cel, luisterde en hoorde duidelijk, dat er een vrouwenstem bij was. Hij was al beslist van zins om de deur te laten openmaken, toen hij opeens bedacht, dat een andere tactiek beter zou zijn. Naar zijn kamer teruggekeerd wachtte hij tot de monnik naar buiten zou komen. De monnik, die nog met het grootste genoegen en vermaak met het meisje bezig was, bleef toch voortdurend op zijn hoede. Het scheen hem, dat hij eenig gerucht van voeten in de slaapzaal had gehoord. Hij loerde door een kleine spleet en vermoedde, dat de abt het meisje in zijn cel bemerkt had. Daar hij wist, dat hieruit groote straf voor hem zou kunnen volgen, was hij zeer ontstemd. Maar hij liet het meisje er niets van merken. Hij overlegde vlug en haastte zich een redmiddel te vinden. Er viel hem een list in en hij ging, na er goed over gedacht te hebben, er toe over. Terwijl hij net deed of hij genoeg van haar had, zeide hij: Ik moet iets verzinnen om je hier uit te krijgen zonder dat iemand het ziet; houdt je daarom, stil tot ik terug ben. Hij ging naar buiten, sloot zijn cel, en ging recht op de kamer van den abt af en[46]bood hem den sleutel aan, gelijk iedere monnik gewoon was te doen, als hij naar bed toe ging. Hij zei met een uitgestreken gezicht: Heer, ik kon niet al het hout bij mij laten bezorgen, dat ik liet hakken, en met uw verlof wil ik daarom naar het bosch gaan en het laten brengen. De abt om beter de zonde te onderzoeken, die de monnik had begaan, en meenende, dat hij niet door hem was opgemerkt, dacht aan toeval, verheugde zich er over, nam gretig den sleutel aan en gaf hem tegelijkertijd verlof. Toen hij hem zag weggaan, begon hij na te denken wat hij zou doen; hij kon in tegenwoordigheid van alle monniken zijn cel openen en hun zijn misdaad toonen; die hadden dan geen reden tegen hem te mopperen, als hij den monnik zou straffen, of hij kon eerst van haar hooren hoe de zaak gebeurd was. Hij bedacht: het kan wel een vrouw of de dochter van een man zijn, die ik liever de schande wil besparen aan alle monniken vertoond te worden. Hij nam zich voor eerst te zien wie er was en daarna te beslissen. Stil ging hij naar de cel, opende die, trad binnen en sloot de deur. Het meisje zag den abt komen, werd zeer beangst en begon vreezend voor schande te jammeren. De heer abt, die zijn oogen den kost gaf, en zag, dat zij mooi en jong was, gevoelde dadelijk, hoewel hij oud was, niet minder de prikkelingen des vleesches dan de jonge monnik, en zei tot zich zelf: Wel, waarom zou ik geen plezier hebben, als ik in de gelegenheid ben! Altijd heb ik verdriet en onaangenaamheden gehad als ik het niet wilde. Dit is een mooi meisje en niemand ter wereld weet het; als ik haar er toe kan krijgen, mij genoegen te doen, weet ik niet waarom ik het zal laten. Wie zal het weten? Nooit zal iemand het merken en verborgen zonde is al half vergeven. Dit geval zal misschien nooit meer voorkomen. Ik meen, dat het zeer verstandig is van het goede gebruik te maken, wanneer God de Heer het schenkt. Dit zeggend, liet hij geheel het voornemen varen, waarmee hij gekomen was, en naderde het meisje dichter, troostte haar langzaam aan en verzocht haar niet te huilen. Hij kwam van het eene in het andere en deed haar zijn begeerte kennen. Het meisje, dat noch van ijzer noch van goud was, leende zich gemakkelijk er toe den abt genoegen te doen Hij omhelsde en kuste haar herhaaldelijk en sprong in het bed van den monnik; daar hij misschien het groote gewicht van zijn waardigheid in aanmerking nam en de teedere leeftijd van het meisje en wellicht vreesde haar door te veel zwaarte te hinderen, legde hij zich niet op haar boezem, maar haar op zijn borst en langen tijd drukte hij haar aan zijn hart.
De monnik, die net had gedaan of hij naar het bosch was gegaan en in de slaapzaal verborgen zat, dacht, toen hij den abt in zijn kamer zag, en daardoor gerustgesteld, dat zijn list moest geslaagd wezen. En toen de cel van binnen werd gesloten, was[47]hij er absoluut zeker van. Hij ging heen, liep voorzichtig naar een spleet, waardoor hij hoorde en zag, wat de abt deed en sprak. Toen de abt lang genoeg met het meisje samen was geweest, en haar in de cel had gesloten, ging hij terug naar zijn kamer. Nadat hij de monnik gewaar was geworden en geloofde, dat die uit het bosch was teruggekeerd, wou hij hem streng berispen en hem laten opsluiten, opdat hij de veroverde buit voor zich alleen behield. Nadat hij hem had laten roepen, onderhield hij hem zeer ernstig met verontwaardigd gezicht en beval, dat hij naar den kerker gebracht werd. De monnik antwoordde gevat: Heer, ik ben nog niet zoo lang lid van de Orde van Sint-Benedictus, dat iedere bijzonderheid van haar mij bekend is. Gij hebt mij nog niet geleerd, dat de monniken de vrouwen niet tot last moeten hebben gelijk de vasten en de nachtwaken, maar nadat gij mij dit hebt voorgedaan, beloof ik u, indien gij mij dit vergeeft, hierin nooit meer te zondigen, en ik zal altijd doen, wat ik u heb zien doen. De abt, die een slimmerd was, begreep dadelijk, dat hij meer van hem wist en dat de monnik gezien had, wat die had uitgehaald. Daarom spijtig over zijn eigen schuld, schaamde hij zich den monnik aan te doen, wat hij zelf had verdiend. Hij vergaf hem en legde hem over hetgeen hij gezien had het zwijgen op, en ze brachten het meisje netjes naar buiten. En daarna kan men gerust gelooven, dat zij haar meermalen lieten terugkomen.