Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus:[Inhoud]Eerste Vertelling.Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed[429]zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel[430]er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.[Inhoud]Tweede Vertelling.De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een[431]heiligen oorlog1tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon2zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters,hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen:Het water loopt naar het ravijnen beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij eenKyrieof eenSanctusop en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet[432]merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore[433]zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder eensalvum me fac3, terwijl hij het wenschtesine custodia,4zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed[434]terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.De steen die onzichtbaar maakt.De steen die onzichtbaar maakt.8eDag—3eVertelling.[Inhoud]Derde Vertelling.Calandrino, Bruno en Buffalmacco5dalen in de vallei der Mugnone6af om den Heliotroop7te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa[435]op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.[436]De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci8, door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten[437]te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij[438]zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen[439]kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik[440]maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.[Inhoud]Vierde Vertelling.De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en[441]hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden[442]zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole9maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza10genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn[443]armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.[444][Inhoud]Vijfde Vertelling.Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten11, die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het[445]gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder[446]te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.
Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus:[Inhoud]Eerste Vertelling.Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed[429]zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel[430]er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.[Inhoud]Tweede Vertelling.De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een[431]heiligen oorlog1tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon2zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters,hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen:Het water loopt naar het ravijnen beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij eenKyrieof eenSanctusop en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet[432]merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore[433]zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder eensalvum me fac3, terwijl hij het wenschtesine custodia,4zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed[434]terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.De steen die onzichtbaar maakt.De steen die onzichtbaar maakt.8eDag—3eVertelling.[Inhoud]Derde Vertelling.Calandrino, Bruno en Buffalmacco5dalen in de vallei der Mugnone6af om den Heliotroop7te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa[435]op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.[436]De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci8, door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten[437]te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij[438]zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen[439]kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik[440]maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.[Inhoud]Vierde Vertelling.De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en[441]hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden[442]zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole9maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza10genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn[443]armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.[444][Inhoud]Vijfde Vertelling.Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten11, die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het[445]gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder[446]te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.
Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus:[Inhoud]Eerste Vertelling.Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed[429]zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel[430]er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.[Inhoud]Tweede Vertelling.De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een[431]heiligen oorlog1tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon2zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters,hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen:Het water loopt naar het ravijnen beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij eenKyrieof eenSanctusop en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet[432]merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore[433]zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder eensalvum me fac3, terwijl hij het wenschtesine custodia,4zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed[434]terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.De steen die onzichtbaar maakt.De steen die onzichtbaar maakt.8eDag—3eVertelling.[Inhoud]Derde Vertelling.Calandrino, Bruno en Buffalmacco5dalen in de vallei der Mugnone6af om den Heliotroop7te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa[435]op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.[436]De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci8, door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten[437]te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij[438]zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen[439]kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik[440]maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.[Inhoud]Vierde Vertelling.De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en[441]hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden[442]zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole9maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza10genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn[443]armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.[444][Inhoud]Vijfde Vertelling.Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten11, die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het[445]gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder[446]te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.
Reeds verschenen op den Zondagochtend boven den top der hoogste bergen de stralen van het stijgende licht en verdween iedere schaduw en herkende men duidelijk alle bergen, toen de koningin en haar gezelschap opgestaan door het met dauw bedekte gras liepen. Omstreeks het midden van het derde uur bezochten zij een naburig kerkje, waarin zij bij den heiligen dienst toehoorden. Terug gekeerd zongen en dansten zij een wijle na met genoegen en vreugde ontbeten te hebben en daarna met verlof van de koningin kon, wie het wilde, ter ruste gaan. Toen de zon den cirkel van den meridiaan reeds was doorgetogen, gingen zij allen, gelijk het de koningin behaagde, volgens het gebruik om te vertellen zitten bij den schoonen fontein en op haar bevel begon Neifile aldus:
[Inhoud]Eerste Vertelling.Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed[429]zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel[430]er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.
Eerste Vertelling.Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.
Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.
Gulfardo vraagt van Guasparruolo geld te leen en geeft dit aan zijn vrouw, die hem toestond met haar te slapen. In haar bijzijn zegt hij tot Guasparruolo, dat hij het haar terugbetaalde.
Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed[429]zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel[430]er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.
Indien God het aldus heeft beschikt, dat ik vandaag met mijn vertelling aanvang, behaagt dit ook mij. En verliefde donna’s, daar er tot nu toe veel gezegd is van de streken, die vrouwen met mannen hebben uitgehaald, heb ik lust u er een te vertellen, niet met de bedoeling den man te laken of om te zeggen, dat het voor die vrouw niet goed was, maar om den man te prijzen en de vrouw te laken en aan te toonen, dat ook de mannen, wie hen vertrouwt, weten voor den gek te houden, evenals zij door de vrouwen, die zij gelooven, worden misleid. Het zou goed[429]zijn voor wie het duidelijker wil uitdrukken, het geen grap te noemen maar verdiende loon, omdat men, waar de vrouw zeer eerbaar moet zijn en haar reinheid evenals haar leven moet bewaren, geen reden heeft haar te misleiden. En dit kan zoo nooit geheel, gelijk men zal toegeven door onze zwakheid zijn. Ik beweer, dat zij het vuur waard is, die zich hiertoe voor geld verkoopt, terwijl zij, die door liefde hiertoe komt—ik ken de zeer groote krachten daarvan—van een niet al te streng rechter vergiffenis verdient gelijk een paar dagen geleden Filostrato toonde, dat men gedaan had met madonna Filippa in Prato.
Er leefde dan vroeger in Milaan een duitsch soldaat, Gulfardo (Wolfaard), een dappere kerel en zeer trouw, wat weinig bij de Duitschers voorkomt en leende men hem geld, dan gaf hij dit eerlijk terug, en hij kon genoeg kooplieden vinden, die hem voor een kleinen interest zooveel leenden, als hij wilde. Hij richtte in Milaan verblijf houdend zijn liefde op een zeer schoone vrouw, madonna Ambruogia, de echtgenoote van een zeer rijken koopman, Guasparruolo Cagastraccio, die met hem zeer bevriend was en daar hij in stilte beminde, vroeg hij haar, zonder dat iemand het bemerkte een dag te spreken en smeekte haar, dat het haar zou behagen zijn liefde te beantwoorden en dat hij van zijn kant bereid was alles te doen, wat zij zou bevelen. De donna na lang praten besloot te doen, wat Gulfardo wilde, als daaruit twee dingen zouden volgen: ten eerste, dat hij het nooit aan iemand zou openbaren; ten tweede, dat hij rijk, haar tweehonderd goudguldens zou geven, die zij voor iets noodig had en dat zij hem daarna altijd van dienst zou zijn. Gulfardo, die dit hoorde, veranderde verontwaardigd door haar laagheid zijn liefde voor haar, die hij voor een waardige donna hield, in haat. Hij peinsde er over haar te bedriegen en deed alsof hij zeer gaarne een en ander voor haar wilde doen om haar te behagen en liet haar vragen, wanneer zij wilde, dat hij bij haar kwam om het geld te brengen en zei, dat nooit iemand het zou merken, behalve een metgezel, waarop hij zeer vertrouwde en in alles zijn deelgenoot. De slechte donna was tevreden en liet hem weten, dat Guasparruolo, haar man, voor zijn zaken binnen eenige dagen naar Genua moest en dat zij hem dit nader zou mededeelen. Toen het hem tijd scheen, ging Gulfardo naar Guasparruolo en zeide hem: Ik heb tweehonderd goudguldens noodig, welke ik gaarne wil leenen tegen rente. Guasparruolo zeide, dat hij dit gaarne wilde doen en gaf hem het geld.
Een paar dagen later ging Guasparruolo naar Genua en zij berichtte Gulfardo, dat hij bij haar zou komen met de twee honderd goudguldens. Gulfardo nam zijn metgezel met zich mede. Nadat hij haar had gevonden, was het eerste, wat hij deed, haar die tweehonderd goudguldens ter hand te stellen, terwijl zijn metgezel[430]er bij was en Gulfardo sprak: Madonna, hier is het geld en geef het aan uw man, als hij terug zal gekeerd zijn. De donna nam het aan en bemerkte niet, waarom Gulfardo dit zeide, maar zij geloofde, dat hij het deed om zijn metgezel niet te laten bemerken, dat hij het voor zijn genoegen gaf. Daarom zeide zij: Ik zal het gaarne doen, maar ik wil zien, hoeveel het is, en nadat zij ze op een tafel geworpen had en bevonden, dat er twee honderd waren, was zij innerlijk zeer tevreden, legde ze weg, keerde tot Gulfardo terug en na hem in haar kamer te hebben geleid, voldeed zij hem niet alleen dien nacht maar vele anderen. Toen Guasparruolo van Genua kwam en Gulfardo had uitgevorscht, wanneer hij te samen met zijn vrouw zou zijn, begaf hij zich tot hen en zeide tot Guasparruolo: De twee honderd goudguldens, die gij mij geleend hebt, had ik niet noodig. En daarom bracht ik ze dadelijk aan Uw vrouw terug en gij zult dus mijn rekening wel willen uitwisschen. Guasparruolo vroeg de donna of zij het geld ontvangen had. Zij, die den getuige er bij zag, kon niet ontkennen, maar zeide: Zeker heb ik het ontvangen; ik had vergeten het U te zeggen. Toen zeide Guasparruolo: Gulfardo, het is in orde; ga met God, en ik zal Uw rekening uitmaken. Gulfardo vertrok en de donna bleef in de klem achter en gaf aan haar man den gemeenen prijs van haar slechtheid en zoo maakte de sluwe minnaar zich vroolijk over zijn gierige donna zonder kosten.
[Inhoud]Tweede Vertelling.De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een[431]heiligen oorlog1tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon2zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters,hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen:Het water loopt naar het ravijnen beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij eenKyrieof eenSanctusop en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet[432]merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore[433]zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder eensalvum me fac3, terwijl hij het wenschtesine custodia,4zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed[434]terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.De steen die onzichtbaar maakt.De steen die onzichtbaar maakt.8eDag—3eVertelling.
Tweede Vertelling.De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.
De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.
De pastoor van Varlungo slaapt met monna Belcolore laat haar zijn koorkleed tot pand en leent van haar een vijzel. Hij geeft dien terug en vraagt haar den rok terug, dien hij haar tot pand liet. De donna laat hem dien met een scherp woord overreiken.
De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een[431]heiligen oorlog1tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon2zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters,hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen:Het water loopt naar het ravijnen beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij eenKyrieof eenSanctusop en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet[432]merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore[433]zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder eensalvum me fac3, terwijl hij het wenschtesine custodia,4zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed[434]terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.De steen die onzichtbaar maakt.De steen die onzichtbaar maakt.8eDag—3eVertelling.
De heeren zoowel als de donna’s prezen gelijkelijk, wat Gulfardo de gierige Milaneesche gedaan had, toen de koningin zich tot Pamfilo keerde en hem glimlachend beval te volgen, en Pamfilo begon aldus: Schoone donna’s. Ik moet U een kleine novelle verhalen tegen hen gericht, die ons voortdurend benadeelen, zonder dat wij het hen kunnen doen, namelijk tegen de priesters, die een[431]heiligen oorlog1tegen onze vrouwen hebben ondernomen en wien het schijnt, dat zij slechts de kwijtschelding van schuld en boete verwerven, wanneer zij er een meester zijn geworden, alsof dit er mee gelijk staat, dat zij den Sultan zelf uit Alexandrië gebonden en wel naar Avignon2zouden hebben gevoerd. De ongelukkige leeken kunnen het het hun niet leveren, hoewel zij met niet minder vuur hun wraak jegens hun moeders, hun zusters,hun vriendinnen en hun dochters uitoefenen dan, waarmee zij hun vrouwen aanvallen. En daarom ben ik van plan U een dorpsliefde te verhalen, lachwekkender om het slot dan om de lengte, waarvan gij als vrucht zult kunnen plukken, dat men van de priesters niet alles gelooven moet.
Ik zeg dan, dat er te Varlungo, een dorp hier vrij dichtbij, een vermetel priester leefde en schelmsch in dienst van de vrouwen, welke, daar hij niet al te goed kon lezen, toch met vele goede en heilige bewoordingen ’s Zondags aan den voet van een olm zijn gemeenteleden vermaakte. Hij bezocht het meest de vrouwen, wanneer hun mannen elders heengingen, en meer dan een van zijn voorgangers bracht hij hun dikwijls bidprentjes en wijwater en eindjes kaars tehuis en gaf hun zijn zegen. Nu bekoorde hem onder al zijn vrouwelijke parochianen het meest monna Belcolore, de vrouw van een boer, die zich Bentivegna del Mazzo liet noemen, welke inderdaad een aardige en flinke boerin was, bruin en welgemaakt en beter geschapen voor zekere kunst dan iedere ander. En behalve dat kon zij het best op de tamboerijn slaan en zingen:Het water loopt naar het ravijnen beter een rondedans of een rei aanvoeren, als het noodig was, dan een harer buurvrouwen met een schoonen doek sierlijk in de hand. Daardoor werd de priester zoo op haar verliefd, dat hij er gek van werd. En wanneer hij haar Zondagsmorgens in de kerk gewaar werd, zeide hij eenKyrieof eenSanctusop en deed zijn best een groot meester in de zangkunst te schijnen, terwijl het was, of een ezel balkte. Maar als hij haar niet zag, kweet hij zich heel gewoon van die taak. Maar toch wist hij zoo te werk te gaan, dat Bentivegna del Mazzo het niet merkte, noch een buurman, dien hij had. En om beter de vriendschap van monna Belcolore te verwerven gaf hij haar van tijd tot tijd een klein geschenk. Soms zond hij haar een bosje van verschen knoflook, van welke hij de schoonste uit den omtrek in zijn tuin had, dan weer een mandje met erwten of een bosje nieuwe mei uien of sjalotten en toen hij de kans schoon zag, na haar een weinig bespied te hebben, maakte hij uit verliefdheid gekheid met haar en zij, de preutsche spelend, deed of zij het niet[432]merkte en verzette zich, zoodat mijnheer de pastoor zijn doel niet kon bereiken.
Toen de priester eens op het middaguur door de streek slenterde, ontmoette hij Bentivegna del Mazzo met een beladen ezel. Hij sprak hem aan en vroeg hem, waar hij heen ging. Hierop antwoordde Bentivegna: Sere, ik ga naar de stad voor een zaak en ik breng deze dingen naar mijnheer Bonaccorri van Ginestreto, opdat hij mij helpe, daar ik niet weet, waarom men mij voor den rechter dagvaardt in een oproeping mij gestuurd door zijn procureur. De priester zeide opgeruimd: Je doet goed, mijn zoon, ga dus met mijn zegen en kom spoedig terug en als gij Lapuccio of Naldino soms ziet, zeg hun dan, dat zij mij de riemen voor mijn dorschvlegels brengen. Bentivegna zeide, dat het zou gebeuren en terwijl hij naar Florence ging, dacht de priester, dat het tijd was naar Belcolore te gaan en zijn kans te wagen. En nadat hij was doorgestapt, maakte hij niet halt, voor hij bij haar was binnen getreden en sprak: God behoede ons; wie is daar? Belcolore, die op den zolder was gegaan en hem hoorde, zeide: O sere, gij zijt welkom; waarom dwaalt gij zoo door de hitte? De priester antwoordde: Als God wil, zal ik een poosje bij u blijven; uw man is naar de stad gegaan. Belcolore daalde af, ging zitten en begon koolzaad uit te zoeken. De pastoor zeide: Wel, Belcolore, moet gij mij voortdurend laten versmachten? Belcolore begon te lachen en te zeggen: Och, wat doe ik u? De priester hernam: Gij doet mij niets, maar gij laat mij u niets doen, wat ik zou willen en wat God beval. Belcolore sprak: Ach, ga weg, ga weg! O, doen priesters zulke dingen? De priester antwoordde: Waarom niet? Ik zeg u, dat wij het beter doen dan andere menschen. En weet je waarom? Omdat wij de molen weinig laten malen, maar werkelijk het zal u voordeel doen, als gij mij laat gaan. Belcolore antwoordde: Welk voordeel kan mij dat verschaffen, daar gij allen zoo gierig zijt als de duivel. Toen voegde de pastoor er aan toe: Wilt gij een paar schoenen of een haar-lint of een mooien wollen doek of wat wilt ge? Belcolore sprak: Dat is wat moois! Dat heb ik allemaal, maar waarom geeft gij mij niet iets anders, dat ik wil en ik zal doen, wat gij wilt. Toen sprak de pastoor: Zeg, wat gij wilt, en ik zal het gaarne doen.
Belcolore hernam: Zaterdag moest ik naar Florence gaan om wol terug te brengen, die ik gesponnen heb en mijn spinnewiel te laten herstellen en als gij mij vijf lire leent, die gij wel hebt, zal ik van den woekeraar mijn donkerpaarsen rok en mijn leeren ceintuur voor de feestdagen terughalen, die ik bij mijn huwelijk meebracht, en waarmee ik naar de kerk en overal heen kan en zoo zal ik altijd kunnen doen, wat gij wilt. De pastoor antwoordde: Dat God mij een goed jaar geeft; ik heb ze niet bij mij, maar eer het Zaterdag is, zal ik maken, dat gij ze bezit. Ja, zeide Belcolore[433]zoo doet gij allen groote beloften en houdt er geen een. Denkt gij met mij te handelen als Biliuzza, die met leege handen thuis kwam? Bij God, dat zult gij niet doen want zij is daarna publieke vrouw geworden. Als gij ze niet hebt, ga ze halen. Kom, zei de pastoor, laat mij niet naar huis gaan; nu is de kans gunstig, en als ik zou weggaan en terugkeeren, is er misschien iemand. En zij sprak: Goed. Wilt gij uw gang gaan, geef ze dan, en als gij het niet wilt, laat het. De priester, die zag, dat zij niet bereid was te doen, wat hij wilde zonder eensalvum me fac3, terwijl hij het wenschtesine custodia,4zeide: gij gelooft dus niet, dat ik ze u zal brengen. Vertrouw mij en ik laat u als pand dezen koorrok van blauw laken. Belcolore hief het gelaat hoog op en zei: Zoo. Die koorrok? En wat is die waard? De pastoor hernam: Wat hij waard is? Weet, dat die twee- of driedraadsch is en er zijn er, die gelooven vier-draadsch en het is nog geen veertien dagen geleden, dat ik bij Lotto, den uitdrager, er zeven lire voor betaalde, en ik heb hem goedkoop gekregen, naar wat Buglietto mij zeide, en gij weet, dat die verstand heeft van die blauwe lakenstoffen. Ah zoo, zei Belcolore, God helpe mij; ik zou het nooit geloofd hebben, maar geef hem mij maar. Mijnheer de priester, die den boog gespannen had, trok het koorkleed uit, gaf het haar en zij, na het te hebben onderzocht, zeide: Sere, laat ons in de schuur gaan, want daar komt nooit iemand. En hier verheugde zich de priester een heelen tijd, terwijl hij haar de zoetste kussen van de wereld gaf en haar familielid van God den Heer maakte; daarna vertrok hij in zijn soutaan, alsof hij van een bruiloftsfeest ter bediening kwam en ging naar de kerk terug.
Daar bedenkend, dat al de eindjes kaars, die hij het jaar uit de aangebodenen spaarde, niet de helft van vijf lire waarde hadden, meende hij een slechte zaak te hebben gemaakt en hij had er berouw over. Hij peinsde er over, hoe hij den koorrok zonder onkosten terug zou krijgen. En daar hij slim was, dacht hij er maar al te goed over na, hoe hij zou handelen en kwam tot het volgende plan: Den volgenden dag, een feestdag, stuurde hij een jongen van een zijner buren naar Belcolore om haar steenen vijzel te leenen, daar hij saus wilde maken en ontbijten met Binguccio van den Poggio en Nuto Buglietti. Belcolore zond hem dien. Toen het uur van het ontbijt was aangebroken, riep de pastoor, die onderstelde, dat Bentivegna del Mazzo en Belcolore aten, zijn klerk en sprak tot hem: Neem dien vijzel en breng dien terug bij Belcolore en zeg, dat sere haar wel bedankt en dat gij haar het kleed[434]terugvraagt, dat de jongen haar tot pand liet. De klerk ging naar het huis van Belcolore, en vond haar met Bentivegna aan tafel. Hij zette den vijzel op den grond en deed de boodschap. Toen Belcolore hoorde, dat het kleed werd teruggevraagd, wilde zij antwoorden, maar Bentivegna zeide met een boos gezicht: Gij vraagt dus een pand aan mijnheer de pastoor? Ik beken voor Christus, dat ik grooten lust heb je een flinke stomp onder de kin te geven; ga, haal hem zou gauw als je kunt en als hij weer iets vraagt, al was het onze ezel of iets anders mag hem niets geweigerd worden. Belcolore stond grommend op, ging naar haar linnenkist onder het bed, trok het kleed er uit, gaf het aan den klerk en sprak: Gij zult aldus namens mij tot den heer pastoor spreken: Belcolore zegt, dat zij God bidt, dat gij nooit meer met haar vijzel saus zult maken, omdat gij haar daarmee geen groote eer hebt bewezen. De klerk ging met het kleed weg en deed aan den heer pastoor de boodschap, waarop hij lachend zeide: Zeg, haar, wanneer gij haar ziet, dat als zij mij haar vijzel niet leenen zal, ik haar mijn stamper niet leen. Bentivegna geloofde, dat de vrouw die woorden sprak, omdat hij haar had bekoord en dacht er niet meer over. Maar Belcolore werd kwaad op den pastoor en sprak hem tot den wijnoogst niet meer toe. Later, toen de priester haar gedreigd had, haar in den muil van den grooten Lucifer te sturen, werd ze zeer bang en voor most en heete kastanjes, die hij haar gaf, werd zij goed met hem en deden zij elkaar nog menigmaal genoegen. En in plaats van de vijf lire liet de priester haar tamboerijn herstellen en daar een schel aanhangen en daarmee was zijn voldaan.
De steen die onzichtbaar maakt.De steen die onzichtbaar maakt.8eDag—3eVertelling.
De steen die onzichtbaar maakt.
8eDag—3eVertelling.
[Inhoud]Derde Vertelling.Calandrino, Bruno en Buffalmacco5dalen in de vallei der Mugnone6af om den Heliotroop7te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa[435]op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.[436]De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci8, door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten[437]te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij[438]zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen[439]kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik[440]maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.
Derde Vertelling.Calandrino, Bruno en Buffalmacco5dalen in de vallei der Mugnone6af om den Heliotroop7te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.
Calandrino, Bruno en Buffalmacco5dalen in de vallei der Mugnone6af om den Heliotroop7te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.
Calandrino, Bruno en Buffalmacco5dalen in de vallei der Mugnone6af om den Heliotroop7te zoeken. Calandrino meent dien gevonden te hebben en gaat met steenen beladen naar huis. Zijn vrouw scheldt hem uit en hij, toornig geworden, slaat haar en vertelt aan zijn metgezellen, wat zij beter weten dan hij.
Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa[435]op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.[436]De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci8, door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten[437]te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij[438]zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen[439]kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik[440]maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.
Toen de geschiedenis van Panfilo geëindigd was, lachten de donna’s, evenzeer als zij het nog doen. De koningin droeg Elisa[435]op, dat die zou volgen, welke lachend begon: Bekoorlijke donna’s. Ik zal mijn best doen u een kleine vertelling te verhalen even waar als aardig en die u evenzoo kan doen lachen als Panfilo door de zijne.
In onze stad, die altijd van verschillende gewoonten en van zonderlinge lieden vol is geweest, leefde niet lang geleden een schilder, Calandrino, een onnoozel en vreemd man, die meestentijds met twee andere schilders omging: Bruno en Buffalmacco, een paar vroolijke lieden, uitgeslapen en slim, die met Calandrino omgingen, omdat zij van zijn onnoozelheid vaak groot plezier hadden. Gelijktijdig leefde er in Florence een jonkman van wonderbare beminnelijkheid, snaaksch en voorkomend, Maso del Saggio; deze hoorde van de onnoozelheid van Calandrino en wilde zich genoegen verschaffen door hem een poets te bakken of iets zonderlings te doen gelooven. Daar hij hem toevallig in de kerk van San Giovanni vond en hem aandachtig zag kijken naar de schilderijen en het houtsnijwerk van het sacraments-huisje, dat boven het altaar van die kerk staat en dat er niet lang geleden geplaatst werd, dacht hij, dat het nu tijd was voor zijn plan en na een metgezel te hebben ingelicht, wat hij doen wilde, naderden zij Calandrino, die alleen zat, en deden of zij hem niet zagen. Zij begonnen met elkaar te spreken over de kracht van verschillende steenen, van welke Maso zoo stellig sprak of hij een groot juwelier was. Calandrino leende aan deze praatjes het oor. Hij stond kort daarna op en merkte, dat het geen geheim was en voegde zich bij hen, wat Maso zeer beviel. Deze zette zijn gesprek voort en Calandrino vroeg, waar die krachtdadige steenen gevonden werden. Maso antwoordde, dat men de meesten vond in Berlinzone, een stad der Basken in een streek, die Bengodi heette, waar men de wijnstokken met saucijzen opbond en men een gans voor geld krijgt en het mandje er van voor niets op den koop toe en daar was een berg geheel van geraspte parmezaansche kaas, waarop menschen staan, die niets anders deden dan maccaroni en reepjes deeg bakken in kippensaus en ze dan naar beneden werpen en die er het meest van nam, had er ook het meest van. Daar dichtbij liep een kleine beek van den besten witten wijn, die men ooit drinkt, zonder dat er ooit een druppel water in kwam. O, zeide Calandrino, dat is een goed land, maar zeg mij, wat doet men met de kapoenen, die zij braden? Maso antwoordde: De Basken eten die allen op. Toen sprak Calandrino: Waart gij daar ooit? Hierop antwoordde Maso: Ik ben er meer dan duizend maal geweest. Toen antwoordde Calandrino: En hoeveel mijlen is het ver? Maso hernam: Het is meer dan zooveel mijlen loopen, als een heele nacht door zingen duurt. Calandrino voegde er bij: Dat moet dan verder zijn dan de Abruzzen. Jawel, zeide Maso, het is iets verder.[436]
De onnoozele Calandrino, die Maso deze woorden hoorde zeggen met een uitgestreken gezicht, had er vertrouwen in, hield het voor een feit en zeide: Het is voor mij te ver weg, maar als het dichter bij was, zou ik er eens met U willen heengaan alleen om die maccaroni er te zien afvallen en mij een roes te drinken. Maar vertel mij, opdat God U zegene, vindt men in die streken geen van die steenen van groote kracht? Hierop antwoordde Maso: Ja, men vindt er twee soorten steenen; de eenen zijn de steenen van Settignano en van Montisci8, door welke, wanneer er molensteenen van gemaakt worden, het meel wordt bereid en daarom zegt men in die landen, dat van God de genadebewijzen komen en van Montisci de molensteenen, maar er zijn er daar zooveel, dat zij bij ons even weinig waard zijn als bij hun de smaragden, want daarvan zijn er grooter bergen dan de Morello, die te middernacht schitteren. En weet, dat, wie de molensteenen zou laten polijsten en in ringen zou laten zetten, vóór zij doorboord worden, en ze naar den Sultan brengt, er voor zou krijgen, wat hij verlangde.
De andere is een steen, welke wij, juweliers, Heliotroop noemen, van zeer groote kracht, omdat wie hem bij zich draagt, door niemand gezien wordt. Toen sprak Calandrino: Dat zijn groote krachten, maar waar vindt men dien tweede? Hierop antwoordde Maso, dat men die in de Mugnone vond. Calandrino vroeg: Hoe groot is die steen! En welke kleur heeft hij? Maso antwoordde: Zij is van verschillende grootte en bijna zwart. Calandrino, die al die dingen in zich had opgenomen, deed, alsof hij iets had te verrichten, verliet Maso en besloot die steensoort te gaan zoeken, maar hij nam zich voor het niet te doen, zonder dat Bruno en Buffalmacco het wisten, van wien hij bijzonder veel hield. Hij ging ze zonder verwijl zoeken en besteedde het verdere deel van den morgen om ze te vinden. Toen het uur van den noen al voorbij was, herinnerde hij zich, dat zij werkten in het vrouwenklooster van Faënza en hoewel het zeer warm was, liet hij zijn zaken in den steek, ging naar hen toe en zeide tot hen: Vrienden, wanneer gij mij gelooft, kunnen wij de rijkste mannen van Florence worden, daar ik van een betrouwbaar man gehoord heb, dat er in de Mugnone een steen is, welke dengeen, die deze draagt, onzichtbaar maakt. Daarom zou het mij goed lijken, dat wij, vóór iemand anders er heengaat, er ons heen begeven om te zoeken. Wij zullen dien zeker vinden, daar ik dien ken en als wij dien gevonden hebben, wat zullen wij dan anders hoeven te doen dan dien in onze beurs te steken en naar de tafels der wisselagenten[437]te gaan, welke altijd vol zijn van grossen en florijnen? En dan zullen wij er van nemen, zooveel wij willen. Niemand zal ons zien en wij zullen ons verrijken zonder den ganschen dag de muren te moeten bekladden gelijk de slakken doen. Toen Bruno en Buffalmacco hem hoorden, begonnen zij te glimlachen en deden, of zij zeer verbaasd waren en prezen den raad van Calandrino, maar Buffalmacco vroeg, welken naam die steen had. Calandrino, die weinig hersens had, was de naam ontschoten. Daarom antwoordde hij: Wat hebben we met dien naam te maken, als wij de kracht er van kennen? Laten wij hem dadelijk gaan zoeken. Welnu, zeide Bruno, hoe ziet hij er uit? Calandrino antwoordde: Zij zijn van elken vorm, maar allen zijn haast zwart. Wij hebben dus op allen te letten, die zwart zijn. Laat ons daarom geen tijd verliezen. Hierop zeide Bruno tot Buffalmacco gewend: Hetgeen Calandrino zegt, is goed, maar het is nu het uur niet, daar de zon hoog is en recht op de Mugnone valt en het net is of de steenen verkalkt zijn en wit schijnen. Nochtans voor de zon ze gedroogd heeft zijn ze zwart. En nu zijn er ook vele lieden, daar het heden werkdag is, naar de Mugnone, die ons daar ziende zouden raden, wat wij gingen doen; wellicht zou de steen hun in handen komen en wij zouden den draf door den galop verloren hebben. Dus is het beter morgen te gaan, omdat men dan beter de kleur kan onderscheiden; ook is het dan feestdag en niemand zal er zijn. Buffalmacco prees den raad van Bruno en Calandrino vereenigde zich er mee en zij stelden vast, dat zij den volgenden zondagmorgen alle drie zouden gaan zoeken. Calandrino verzocht hen beslist er niemand over te spreken. Toen zij zeiden dit te doen, vertelde hij hun, wat hij gehoord had van de streek van Bengodi en bevestigde met eeden, dat dit zoo was. Toen Calandrino ze verlaten had, spraken die twee onder elkaar af, wat ze zouden doen.
Toen de morgen aanbrak, stond Calandrino bij het krieken van den dag op en na de metgezellen te hebben gewekt, gingen zij door de San Gallo-poort, daalden naar den Mugnone af en gingen steenen zoeken. Calandrino ging als de ijverigste voorop en sprong haastig overal, waar hij een zwarten steen zag, raapte hem gretig op en bewaarde dien op zijn borst. De metgezellen volgden en raapten er af en toe ook een op. Calandrino was niet ver gegaan of hij had er de borst vol van, toen hief hij de slippen van zijn rok op, die niet aan het lichaam gesloten was en maakte daarvan een wijden zak door ze over zijn leeren gordel te slaan, vulde die en evenzoo na van zijn mantel een zak te hebben gemaakt, vulde hij dien ook. Buffalmacco en Bruno zagen, dat Calandrino geheel beladen was en toen het etensuur naderde, zeide Bruno tot Buffalmacco: Waar is Calandrino? Buffalmacco, die hem dichtbij[438]zag, keerde zich om en antwoordde dan hier, dan daar kijkend: Ik weet het niet, maar zooeven toch was hij nog voor ons. Bruno zeide: het doet er weinig toe; het schijnt, dat hij naar huis is gegaan om te eten en ons tot de dwaasheid heeft gebracht zwarte steenen in den Mugnone te gaan zoeken. Kijk, hoe goed hij dit heeft klaar gespeeld, zei toen Buffalmacco, ons bedriegt en hier achterlaat, die zoo dwaas waren hem te gelooven. Kijk! Wie anders zou dwaas genoeg zijn geweest te gelooven, dat in de Mugnone een steen van die kracht wordt gevonden? Calandrino, die deze woorden hoorde, verbeeldde zich, dat de steen hem in handen gekomen was en dat zij door haar werking hem niet zagen. Ten zeerste verheugd over dit geluk, nam hij zich voor zonder iets te zeggen naar huis te gaan en begaf zich op weg. Toen Buffalmacco dit zag, zeide hij tot Bruno: Waarom zullen wij niet heengaan? Bruno antwoordde: Ja, laat ons gaan; maar ik zweer, dat Calandrino het ons niet meer zal leveren; en als ik dicht bij hem was als den heelen morgen, zou ik hem zooveel van die steenen tegen zijn hielen gooien, dat hij misschien wel een maand aan die grap zou denken. Het mikken en raken tegen den hiel van Calandrino was nu het werk van een oogenblik.
Toen Calandrino de pijn voelde, trok hij den voet omhoog en begon te zuchten, maar zweeg toch en ging verder. Buffalmacco, die een van de keien in de hand genomen had, zeide tot Bruno: Zeg, kijk eens wat een mooie kei; hoe zal die Calandrino tegen de ribben komen en na hem te hebben weggeslingerd, kwam hij met kracht tegen zijn ribben. Op die wijze wierpen zij hem met steenen van de Mugnone tot aan de San Gallo-poort. Nadat zij de steenen, die zij verzameld hadden, hadden weggegooid, hielden zij een oogenblik stand bij de tolgaarders; deze ingelicht deden of ze niets zagen en lieten met het meeste plezier van de wereld Calandrino stil door. Zonder oponthoud begaf hij zich naar zijn huis bij de Canto alla Macina (Molenhoek). De fortuin was de grap zóó gunstig, dat, terwijl Calandrino langs de rivier ging en door de stad, hem niemand tegen kwam, daar elk aan het ontbijt was. Aldus beladen kwam Calandrino daar aan. Toevallig stond zijn echtgenoote, monna Tessa, een schoone en verstandige vrouw, boven aan den trap en een weinig boos over zijn lang uitblijven, zag zij hem aankomen en begon schimpend te zeggen: Broerlief, de duivel zal je nooit meer thuis brengen; iedereen heeft ontbeten, nu gij terugkeert. Calandrino merkte, dat hij gezien was en vol spijt zeide hij: Wee mij, slechte vrouw, zijt gij daar? Gij hebt mij ongeluk gebracht, maar bij God: ik zal het je betalen. Hij ging in een kleine kamer, ontdeed zich van de verzamelde steenen, liep naar zijn vrouw, wierp haar bij de haren aan zijn voeten en daar hij zijn armen en beenen nu goed bewegen[439]kon, gaf hij haar overal schoppen en stompen zonder een haar op haar hoofd te laten of één plaats, die niet bezeerd was, en het hielp haar niets met gevouwen handen om genade te roepen. Buffalmacco en Bruno gingen Calandrino, nadat zij met de tolgaarders hadden gelachen, langzaam achterop en toen zij bij zijn deur waren, hoorden zij het wreede pak ransel, dat hij zijn vrouw gaf en veinzend pas te zijn aangekomen, riepen zij hem. Calandrino geheel bezweet en vuurrood vertoonde zich aan het venster en verzocht ze boven te komen. Zij hielden zich eenigszins verstoord, gingen naar boven en zagen de kamer vol steenen en in een der hoeken de vrouw met loshangende haren, gehavend, doodsbleek, het heele gelaat verminkt, droevig huilende en in een anderen hoek Calandrino met gescheurde kleeren en hijgend als een afgemat mensch. Toen zij dit een oogenblik hadden aanschouwd, zeiden zij: Wat is dat, Calandrino? Gaat gij bouwen, dat wij hier zooveel steenen zien? En wat scheelt monna Tessa? Het schijnt, dat gij haar hebt geslagen. Wat is dat voor fraais? Calandrino, vermoeid door het steenen dragen, de woede, waarmee hij zijn vrouw had geslagen, en door de smart over het geluk, dat hij meende te hebben verloren, kon zijn geest niet bedwingen te antwoorden. Buffalmacco ging voort: Calandrino, als gij een andere reden tot toorn hadt, hadt gij ons toch niet voor den gek moeten houden, want gij hebt ons er toe gebracht met U den kostbaren steen te zoeken, hebt ons zonder een woord tot God of den duivel te spreken in de Mugnone als een paar mallen achtergelaten en ge zijt naar huis gegaan, wat wij U zeer kwalijk nemen, maar zeker zal het de laatste grap zijn, die gij met ons uithaalt. Bij die woorden deed Calandrino zich geweld aan om te zeggen: Metgezellen, wordt niet boos, de zaak is anders. Ik, ongelukkige, had dien steen gevonden en wilt gij hooren, dat ik de waarheid spreek: Toen gij mij de eerste maal hebt geroepen, was ik op minder dan tien vademen afstand van U en daar ik zag, dat gij niet kwaamt en mij niet zaagt, ging ik voor U de stad in en ben ik voortdurend recht voor U uit gegaan. En nu vertelde hij hun tot het einde toe, wat zij hadden gedaan en gezegd en toonde hun den rug en de hielen evenals de kwetsuren en ging voort: Toen ik de poort inging met al die steenen, werd er niets gezegd en gij weet, hoe lastig die tolgaarders zijn om alles na te kijken. Ook kwam ik op straat verscheidene buren en vrienden tegen, die mij altijd aanspreken en tot drinken uitnoodigen en nu zelfs geen half woord zeiden, alsof zij mij niet zagen. Ten slotte, toen ik hier kwam heeft die duivelsche, vervloekte vrouw mij gezien en gij weet, de hoe vrouwen elk voorwerp hun kracht doen verliezen, zoodat ik, die mij den gelukkigsten man van Florence kon noemen, de ongelukkigste ben. Ik heb haar daarom zooveel geslagen, als ik[440]maar kon en ik weet niet, wat mij weerhoudt, dat ik haar niet de aderen open, want vervloekt is het uur, waarop ik haar zag en zij in mijn huis kwam! En toen zijn toorn weer aanwakkerde, wilde hij opstaan om haar opnieuw te slaan. Buffalmacco en Bruno deden, of zij zich zeer verwonderden en bevestigden, wat Calandrino zeide en hadden zoo’n grooten lachlust, dat zij haast stikten, maar toen zij hem zoo woedend zagen, dat hij weer zijn vrouw wilde slaan, stonden zij op en hielden hem tegen en zeiden, dat de donna er geen schuld aan had, maar hij zelf, die wist, dat de vrouwen van de voorwerpen alle kracht doen te loor gaan en haar niet gezegd had, op te passen bij hem dien dag niet te verschijnen en dat God hem dat geluk had ontnomen, hetzij, omdat het hem niet mocht te beurt vallen of omdat hij van plan was geweest zijn metgezellen te bedriegen. En na vele woorden werd met groote moeite de vrouw met hem verzoend en vertrokken zij hem neerslachtig achterlatend met het huis vol steenen.
[Inhoud]Vierde Vertelling.De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en[441]hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden[442]zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole9maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza10genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn[443]armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.[444]
Vierde Vertelling.De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.
De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.
De provoost van Fiesole bemint een weduwe, die hem niet bemint. Hij gelooft met haar te slapen, doch doet dit met haar dienstmaagd en de broeders van de donna doen hem betrappen door den bisschop.
Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en[441]hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden[442]zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole9maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza10genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn[443]armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.[444]
Toen Elisa aan het eind van haar novelle gekomen was en tot groot genoegen van het gezelschap had verteld, keerde de koningin zich naar Emilia en gaf haar aldus te kennen, dat zij na Elisa zou vertellen; deze begon: Waardige donna’s. Hoe de priesters, de broeders en alle geestelijken de heerschers over onze geesten zijn, is in vele novellen aangetoond, maar daar men er nooit zooveel van kan vertellen, of er blijft nog meer over, zal ik u een verhaal doen van een provoost, die ondanks alles wilde, dat een edelvrouw hem genoegen zou doen, doch, daar zij zeer slim was, hem behandelde, gelijk hij het verdiende.
Gelijk ieder uwer weet, was Fiesole, welks heuvel wij van hier zien kunnen, een zeer oude en groote stad; hoewel thans geheel vervallen, heeft zij toch nog een bisschop. In de buurt van de hoofdkerk bewoonde een edelvrouw, weduwe, monna Piccarda, een landgoed met een niet te groot huis, waar zij het grootste deel van het jaar vertoefde met haar twee broeders, welopgevoede en[441]hoffelijke jongelieden. De provoost van de kerk werd, terwijl zij gewoon was daarheen te gaan en zij nog zeer jong, schoon en bekoorlijk was, op haar verliefd, zoodat hij zich niet bedwingen kon. Na eenigen tijd was hij zoo ontvlamd, dat hij haar dit mededeelde, smeekte met zijn liefde vrede te hebben en hem ook te beminnen. Deze provoost was al oud, maar van zeer jeugdigen temperament, vermetel, trotsch, had een hoog idee van zich zelf en manieren en gewoonten vol aanstellerij. Hij was zoo vervelend en hinderlijk, dat niemand hem welgezind was en als iemand een hekel aan hem had, was het die donna, want niet alleen dat zij hem niet mocht lijden, maar zij haatte hem meer dan kiespijn. Daarom zeide de slimme vrouw:
Messire, dat gij mij lief hebt, is mij zeer aangenaam en ik moet en zal u liefhebben, maar bij uw liefde en de mijne mag nooit iets oneerbaars voorkomen. Gij zijt mijn geestelijke vader en priester en reeds den ouderdom nabij, hetgeen u eerbaar en kuisch moet maken en ook ik ben geen kind, dien zulke verliefdheden passen. Ik ben weduwe en gij weet, hoe zeer men eerbaarheid van weduwen vereischt en neem mij dus niet kwalijk, dat ik u nooit zal lief hebben op de wijze, waarop u dit vraagt. De provoost, die van haar niets anders kon gedaan krijgen, toonde zich bij den eersten tegenslag noch verwonderd, noch overwonnen, maar hield zijn dwaze indringerigheid vol, viel haar vaak lastig met brieven en boodschappen en deed dit zelfs, als hij haar in de kerk zag komen. Zij vond deze vervolging te hinderlijk en te ergerlijk, en zij besloot hem zijn verdiende loon te geven maar niets te doen, voor zij er met haar broeders over had gesproken. Na hen gezegd te hebben, wat de provoost in het schild voerde, en ook wat zij van plan was te doen en na daarin van hen volkomen verlof te hebben gekregen, ging zij een paar dagen later naar de kerk. De provoost zag haar, ging toen dadelijk naar haar toe en en begon op een familiare manier met haar te spreken. Toen de donna hem zag aankomen en hem aankeek, zette zij een verheugd gezicht en na hem ter zijde te hebben getrokken en nadat hij haar veel had gezegd op zijn gebruikelijke wijze, sprak de donna na een diepen zucht: Messere, ik heb dikwijls gehoord, dat er geen kasteel bestaat zoo sterk, dat niet, als het elken dag bestormd wordt, eens wordt genomen, wat ik wel zie, dat mij gebeurd is. Gij hebt zoo om mij gedraaid met zoete woorden en hoffelijkheden, dat gij mij mijn voornemen hebt doen verbreken en dat ik bereid ben, zoo u dit behaagt, de uwe te willen zijn. De provoost zeide verheugd: Madonna, dank en om u de waarheid te zeggen, heb ik mij zeer verbaasd, dat gij zoo terughoudend waart, daar mij dit nog nooit was overkomen. Integendeel heb ik enkele malen gezegd: Als de vrouwen van zilver waren, zouden[442]zij geen oortje waard zijn als munt, omdat er geen een aan den hamer weerstand biedt. Maar laten wij dit nu terzijde stellen: Wanneer kunnen wij samen zijn! Mijn lieve heer, wanneer het ons behaagt; ik heb geen echtgenoot, aan wien ik rekenschap moet geven. Maar waar zullen wij samen zijn? De provoost hernam: Niet in uw huis? De donna antwoordde: Messere, gij weet, dat ik twee broeders heb, die nacht en dag thuiskomen met hun vrienden en mijn woning is niet te groot; daarom kan dat daar niet gebeuren of gij moet u houden als een stomme en in het donker geen gerucht maken evenals de blinden. Als gij dit wilt doen, zal het gaan, omdat zij niet in mijn kamer doordringen, maar de hunne is zoo dicht bij de mijne, dat niet het minste woordje kan gezegd worden. De provoost zeide toen: Madonna, dat is goed voor een of twee nachten, maar dan zullen wij elders meer op ons gemak zijn. De donna sprak: Messere, dat staat toch aan u, maar één ding bid ik u, dat dit geheim blijft. Daarop ging de provoost voort: Madonna, twijfel daar niet aan en indien het kan, zorg dan, dat wij vanavond te zamen zijn. De donna sprak: Dat bevalt mij en na haar te hebben gezegd, hoe en wanneer hij zou komen, ging hij heen.
Deze donna had een meid, die lang niet jong was, en zij had het misvormdste gezicht dat men ooit zag; een platten neus, een scheeven mond, dikke lippen, slechte en groote tanden en zij keek loensch en had altijd pijn in de oogen en had een groene en gele kleur, zoodat zij den zomer niet scheen doorgebracht te hebben in Fiesole9maar in Sinigaglia. Behalve dat was zij mank en een weinig scheef aan den rechterkant. Zij heette Ciuta en omdat zij zulk een misvormd gezicht had, werd zij door elk man Ciutazza10genoemd. Hoewel zij leelijk was, was zij bovendien snibbig. De donna sprak tot haar: Ciutazza, als gij mij vanavond een dienst wilt doen, zal ik u een mooi hemd geven. Toen Ciutazza van een hemd hoorde spreken, antwoordde deze: Madonna voor een hemd zal ik mij in het vuur werpen en meer nog. Welnu, zeide de donna, ik wil, dat gij vannacht in mijn bed slaapt met een man en dat gij hem liefkoost en zóó, dat het niet wordt opgemerkt door mijn broeders, want gij weet, dat die vlak bij u slapen. Ciutazza zeide: Desnoods wil ik er wel met zes in plaats van een slapen. Toen de avond viel, kwam messere de provoost en de twee jongelieden waren in hun kamer en lieten zich wel hooren; daarom ging de provoost tersluiks en in het donker in die van de donna naar bed en van den anderen kant Ciutazza. Mijnheer de provoost, die waande de donna aan zijn zijde te hebben, nam Ciutazza in zijn[443]armen en begon haar te kussen zonder een woord te spreken en Ciutazza hem en hij begon zich met haar te bevredigen na langdurige begeerte.
Toen de donna dit had gedaan, beval zij aan haar broers, dat zij de rest zouden doen van wat zij hadden afgesproken, die, heimelijk uit de kamer gegaan, zich naar het plein begaven en de fortuin was hun gunstiger, dan zij het zelf gewenscht hadden, want daar de warmte groot was, vroeg de bisschop om met hen naar hun huis te gaan en met hen te drinken. Zij vertelden hem hun bedoeling, begaven zich met hem op weg en na met hem op een zeer koele, kleine binnenplaats te zijn gegaan, waar veel lichten waren aangestoken, dronk hij met groot genoegen van een hunner goede wijnen. Na gedronken te hebben, zeiden de jongelieden: Messer, omdat gij ons zulk een gunst hebt bewezen, dat gij u verwaardigd hebt ons kleine huisje te bezoeken, wenschen wij, dat het u zal behagen een zaakje te zien, dat wij u zullen toonen. De bisschop antwoordde: Gaarne. Een van de jongelieden nam een toorts, ging voorop en de bisschop en de anderen volgden en wendden zich naar de kamer, waar mijnheer de provoost met Ciutazza lag. Deze had zich gehaast tot ruiterdienst en had dien al drie maal verricht en daardoor vermoeid en door de warmte sliep hij met Ciutazza in zijn armen. Toen de jongelieden in de kamer traden en daarna de bisschop, werd hem de provoost aangewezen met Ciutazza in dien toestand. Messer de provoost richtte zich op, zag het licht en de lieden rondom, schaamde zich, werd bang en stak het hoofd onder de lakens. De bisschop beleedigde hem zeer en liet zijn hoofd te voorschijn trekken en hem zien, met wie hij geslapen had. De provoost, die het bedrog ontdekte, werd ook door de schande de treurigste man ter wereld; na zich op bevel des bisschops gekleed te hebben, werd hij naar huis gezonden om een groote boete te doen onder goede bewaking. Later wilde de bisschop weten, hoe het kwam, dat hij met Ciutazza had geslapen. De jongelieden vertelden hem alles. Toen de bisschop dit had gehoord, prees hij de donna en ook de jongelieden, die zonder zich met het bloed van den priester te bevlekken hem hadden behandeld, zooals hij het verdiende. De bisschop legde hem veertig dagen kerkerstraf op, maar de liefde en de woede deden hem die negen en veertig dagen beklagen. Behalve dat kon hij sinds dien tijd nooit uitgaan zonder door de kinderen te worden bespot met: Kijk daar heb je hem, die met Ciutazza sliep, wat voor hem zoo hinderlijk was, dat hij er haast gek van werd. En op die manier raakte de donna den last van den vervelenden provoost kwijt en verdiende Ciutazza het hemd en een goeden nacht.[444]
[Inhoud]Vijfde Vertelling.Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten11, die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het[445]gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder[446]te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.
Vijfde Vertelling.Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.
Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.
Drie jongelieden trekken een Marcezaansch rechter te Florence, terwijl hij zitting houdt, zijn broek uit.
Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten11, die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het[445]gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder[446]te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.
Emilia had haar vertelling geëindigd, terwijl de weduwe door allen geprezen was, toen de koningin naar Filostrato ziende, sprak: Aan u is thans de beurt om te verhalen. Hierop antwoordde hij haastig, dat hij gereed was en begon: Verrukkelijke donna’s. De jongeling, waarvan Elisa u zooeven gesproken heeft, namelijk Maso del Saggio, herinnert mij aan een novelle van hem en eenige van zijn kameraden, welke, hoewel er uitdrukkingen in voorkomen, die u zullen doen blozen, niettemin zooveel stof tot lachen geeft, dat ik u die toch zal mededeelen.
Gelijk gij allen kunt gehoord hebben, komen in onze stad zeer dikwijls Marcezaansche schouten11, die gewoonlijk menschen met weinig gevoel zijn en die zulk een bekrompen en ellendig leven leiden, dat het niets anders schijnt dan één schraperij en door hun armoe en hun ingeboren gierigheid, brengen zij rechters en notarissen mede, die menschen schijnen eer achter de ploeg vandaan gehaald of uit een touwslagerij dan uit de scholen der magistratuur. Toen een van hen als baljuw bij ons gekomen was, bracht hij een rechter mee, Niccola van San Lepidio, die naar het uiterlijk eerder een ketellapper scheen en die alleen aangesteld was om misdadige zaken te onderzoeken. En daar er dikwijls burgers kwamen, die niets in het gerechtshof te maken hadden, zocht Maso del Saggio daar op een morgen naar een vriend en keek naar den zetel van messer Niccola. Deze scheen hem een vreemde vogel en hij nam hem van het hoofd tot de voeten op. En terwijl hij hem zag met een zwart geworden baret van bont en een ganzenpen in den gordel en de toga langer dan het sleepend gewaad daaronder, aanschouwde hij onder andere vreemde dingen iets opmerkelijks en dat was een broek zoo wijd, dat het achterstuk tot op de helft van zijn beenen viel, als hij zat, terwijl de kleeren van voren van nauwheid open stonden. Zonder hem langer te beturen en niet verder zoekend, ging hij iemand anders opsporen en vond twee van zijn vrienden, Ribi en Matteuzzo, jongelieden even snaaksch als Maso en zeide tot hen: Als gij mij welgezind zijt, ga dan met mij mee naar het[445]gerechtshof, waar ik jullie de gekste kerel van de wereld zal laten zien. Hij ging met hen daarheen en toonde hun dien rechter en zijn broek.
Zij begonnen er om te lachen, zoover ze die zien konden; na dichter bij de banken te zijn gekomen, waar mijnheer de rechter zetelde, zagen zij, dat zij er licht onder konden kruipen en bovendien, dat de planken, waarop deze de voeten zette, zoo gebroken waren, dat men er met gemak hand en arm door kon steken. Toen sprak Maso tot zijn kameraden: Laten wij hem zijn broek heelemaal uittrekken, want dat gaat best. Ieder van de gezellen had opgelet, hoe het mogelijk was. Den volgenden morgen kwamen zij terug en daar het gerechtshof vol menschen was, ging Matteuzo, wien niemand gewaar werd, onder de bank en begaf zich juist onder de plaats, waar de rechter de voeten zette. Maso, die den rechter aan den eenen kant genaderd was, nam hem bij een slip van zijn toga en Ribi, die van den anderen kant kwam, deed het zelfde en Maso sprak: Edelachtbare, o edelachtbare, ik bid u bij God, dat gij, eer die spitsboef, die daar aan uw zijde staat, weggaat, mij door hem een paar schoenen doet terug geven, welke hij van mij gestolen heeft en toch zegt hij van niet, en ik zag nog geen maand geleden, dat hij ze opnieuw liet zoolen. Ribi van den anderen kant schreeuwde hard: Edelachtbare, geloof hem niet, want hij is een bedrieger en omdat hij weet, dat ik hier gekomen ben om een valies op te eischen, dat hij van mij heeft weggenomen, is hij hier gekomen en praat van de schoenen, die ik pas sinds eergisteren in huis heb. En als gij mij niet gelooft, zal ik tot getuigenis brengen la Trecca, die naast mij woont en la Grassa, de dikke pensverkoopster en iemand, die het vuil ophaalt van Santa Maria tot Verzaja, die ze zag, toen hij van het dorp terugkeerde. Maar van zijn kant liet Ribi hem niet uitspreken, maar schreeuwde ook en ging nog meer te keer. Terwijl de rechter rechtop stond om beter te hooren, nam Matteuzo de kans waar, stak de hand door een scheur van de planken en trok zeer hardhandig het achterstuk van de broek van den rechter omlaag. Onmiddellijk viel de broek neer, daar de rechter mager en zonder heupen was. Hij voelde iets, maar wist niet wat het was en wilde de broek optrekken, zich weer bedekken en gaan zitten, doch Maso hield hem aan den eenen en Ribi aan den anderen kant vast en zij riepen luid: Messere, gij beleedigt mij door mij niet aan te willen hooren en weg te willen gaan. Zulke kleinigheden behandelt men niet schriftelijk in onze gemeente.
En bij die woorden hielden zij hem zóó bij zijn slippen vast, dat allen, die in het gerechtshof waren, zagen, dat hem de broek afgetrokken was. Maar Matteuzo na hem eenigen tijd te hebben vastgehouden liet hem los, kwam naar buiten en ging heen zonder[446]te zijn opgemerkt. Ribi, die meende, dat hij genoeg gepleit had, zeide: Bij God, ik ga hulp zoeken bij den burgemeester. En Maso, die de toga losliet, zeide: Neen, ik zal hier nog dikwijls terug komen, als gij het niet zoo druk hebt; en zij gingen zoo gauw als zij konden weg. Mijnheer de rechter, die zijn broek had opgetrokken in tegenwoordigheid van iedereen, bemerkte nu, alsof hij pas wakker werd, de grap en vroeg, waar die twee heengegaan waren, die gevraagd hadden naar de schoenen en het valies, maar daar men ze niet terugvond, zwoer hij bij de darmen van God zelf, dat hij wilde weten of het te Florence gewoonte was aan rechters de broek uit te trekken, wanneer zij zetelden in het gestoelte der justitie. De schout, die dit hoorde, maakte veel kabaal, maar toen zijn vrienden hem hadden uiteengezet, dat dit alleen was geschied om hem aan te toonen, dat de Florentijners wisten, dat hij dwazen had gebracht, omdat hij die goedkooper kon krijgen, waar hij behoord had rechters te brengen, vond hij het beter te zwijgen en ditmaal had die zaak daarom geen verder gevolg.