[Inhoud]Negende Dag.Negende Dag.De achtste dag derDecameroneeindigt; de negende vangt aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem bevalt.De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den licht-azuren tint van den achtsten1hemel in donkerblauw veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend aldus begon:[492][Inhoud]Eerste Vertelling.Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de[493]graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de[494]verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg.[495]De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen:Wie is daar?Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.[496][Inhoud]Tweede Vertelling.Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte,[497]liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt[498]en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.[Inhoud]Derde Vertelling.Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen.2Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het[499]wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels3moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend,maëstroSimone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat[500]ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione4echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig[501]en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea5klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, diemaëstroSimone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.[Inhoud]Vierde Vertelling.Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden[502]te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messerFortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende[503]te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben[504]en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.[Inhoud]Vijfde Vertelling.Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus[505]begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in[506]diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van[507]merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes6en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit,[508]daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van[509]verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te[510]smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.[Inhoud]Zesde Vertelling.Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit[511]grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar[512]hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging[513]naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.[514][Inhoud]Zevende Vertelling.Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren,ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich[515]zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.[Inhoud]Achtste Vertelling.Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.[516]Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou[517]U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat:Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat:geeft U hem robijnkleuren dievriendenzijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord vangeeft U hem robijnkleuren vanvrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messerFilippohem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk[518]was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.[Inhoud]Negende Vertelling.Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping[519]waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hemvoor hun moeilijkste en neteligste zaken om raaden onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen7van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde[520]zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg.Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso[521]gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van hetGa naar den Ganzenbruggehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.[Inhoud]Tiende Vertelling.Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden[522]begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw[523]maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd:doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als[524]ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die metblijdschapde hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zalvan hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:[525]Ik ben heel jong en gaarneVerheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.Dank zij de liefde en de zoete gedachten.Ik ga door de groene weiden en aanschouwDe witte en gele en roode bloemen,De rozen op de struiken en de blanke leliën,En allen ga ik vergelijkenMet het gelaat van hem, die mij beminde,En mij nam en mij altijd zal houden als haar,Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.Wanneer ik er van dezen een vind,Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijktPluk ik die, kus ik die en spreek ik tot dezeEn, gelijk ik weet, openbaar ik dieGeheel mijn ziel en al wat zij begeert;Dan met de anderen maak ik daarvan een kransGewonden door mijn blonde en lichte haren.En hetzelfde genot, dat de bloem van natureSchenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,Alsof ik de persoon zelf zag,Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;Dat wat zijn zoete geur mij geeft,Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.Zij verlaten nooit mijn gemoedAls van de andere donna’s, bitter noch zwaar,Maar zij ontsnappen dit warm en zachtEn gaan tot mijn liefde’s aanschijn,Die, als hij ze voelt, om mij te behagenZijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.[526]
[Inhoud]Negende Dag.Negende Dag.De achtste dag derDecameroneeindigt; de negende vangt aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem bevalt.De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den licht-azuren tint van den achtsten1hemel in donkerblauw veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend aldus begon:[492][Inhoud]Eerste Vertelling.Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de[493]graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de[494]verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg.[495]De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen:Wie is daar?Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.[496][Inhoud]Tweede Vertelling.Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte,[497]liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt[498]en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.[Inhoud]Derde Vertelling.Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen.2Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het[499]wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels3moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend,maëstroSimone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat[500]ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione4echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig[501]en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea5klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, diemaëstroSimone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.[Inhoud]Vierde Vertelling.Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden[502]te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messerFortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende[503]te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben[504]en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.[Inhoud]Vijfde Vertelling.Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus[505]begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in[506]diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van[507]merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes6en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit,[508]daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van[509]verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te[510]smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.[Inhoud]Zesde Vertelling.Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit[511]grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar[512]hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging[513]naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.[514][Inhoud]Zevende Vertelling.Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren,ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich[515]zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.[Inhoud]Achtste Vertelling.Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.[516]Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou[517]U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat:Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat:geeft U hem robijnkleuren dievriendenzijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord vangeeft U hem robijnkleuren vanvrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messerFilippohem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk[518]was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.[Inhoud]Negende Vertelling.Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping[519]waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hemvoor hun moeilijkste en neteligste zaken om raaden onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen7van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde[520]zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg.Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso[521]gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van hetGa naar den Ganzenbruggehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.[Inhoud]Tiende Vertelling.Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden[522]begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw[523]maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd:doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als[524]ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die metblijdschapde hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zalvan hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:[525]Ik ben heel jong en gaarneVerheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.Dank zij de liefde en de zoete gedachten.Ik ga door de groene weiden en aanschouwDe witte en gele en roode bloemen,De rozen op de struiken en de blanke leliën,En allen ga ik vergelijkenMet het gelaat van hem, die mij beminde,En mij nam en mij altijd zal houden als haar,Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.Wanneer ik er van dezen een vind,Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijktPluk ik die, kus ik die en spreek ik tot dezeEn, gelijk ik weet, openbaar ik dieGeheel mijn ziel en al wat zij begeert;Dan met de anderen maak ik daarvan een kransGewonden door mijn blonde en lichte haren.En hetzelfde genot, dat de bloem van natureSchenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,Alsof ik de persoon zelf zag,Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;Dat wat zijn zoete geur mij geeft,Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.Zij verlaten nooit mijn gemoedAls van de andere donna’s, bitter noch zwaar,Maar zij ontsnappen dit warm en zachtEn gaan tot mijn liefde’s aanschijn,Die, als hij ze voelt, om mij te behagenZijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.[526]
Negende Dag.Negende Dag.De achtste dag derDecameroneeindigt; de negende vangt aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem bevalt.
Negende Dag.
De achtste dag derDecameroneeindigt; de negende vangt aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem bevalt.
De achtste dag derDecameroneeindigt; de negende vangt aan. Onder het bewind van Emilia vertelt iedereen, wat hem bevalt.
De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den licht-azuren tint van den achtsten1hemel in donkerblauw veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend aldus begon:[492][Inhoud]Eerste Vertelling.Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de[493]graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de[494]verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg.[495]De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen:Wie is daar?Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.[496][Inhoud]Tweede Vertelling.Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte,[497]liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt[498]en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.[Inhoud]Derde Vertelling.Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen.2Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het[499]wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels3moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend,maëstroSimone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat[500]ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione4echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig[501]en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea5klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, diemaëstroSimone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.[Inhoud]Vierde Vertelling.Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden[502]te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messerFortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende[503]te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben[504]en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.[Inhoud]Vijfde Vertelling.Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus[505]begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in[506]diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van[507]merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes6en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit,[508]daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van[509]verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te[510]smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.[Inhoud]Zesde Vertelling.Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit[511]grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar[512]hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging[513]naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.[514][Inhoud]Zevende Vertelling.Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren,ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich[515]zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.[Inhoud]Achtste Vertelling.Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.[516]Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou[517]U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat:Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat:geeft U hem robijnkleuren dievriendenzijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord vangeeft U hem robijnkleuren vanvrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messerFilippohem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk[518]was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.[Inhoud]Negende Vertelling.Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping[519]waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hemvoor hun moeilijkste en neteligste zaken om raaden onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen7van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde[520]zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg.Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso[521]gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van hetGa naar den Ganzenbruggehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.[Inhoud]Tiende Vertelling.Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden[522]begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw[523]maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd:doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als[524]ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die metblijdschapde hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zalvan hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:[525]Ik ben heel jong en gaarneVerheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.Dank zij de liefde en de zoete gedachten.Ik ga door de groene weiden en aanschouwDe witte en gele en roode bloemen,De rozen op de struiken en de blanke leliën,En allen ga ik vergelijkenMet het gelaat van hem, die mij beminde,En mij nam en mij altijd zal houden als haar,Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.Wanneer ik er van dezen een vind,Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijktPluk ik die, kus ik die en spreek ik tot dezeEn, gelijk ik weet, openbaar ik dieGeheel mijn ziel en al wat zij begeert;Dan met de anderen maak ik daarvan een kransGewonden door mijn blonde en lichte haren.En hetzelfde genot, dat de bloem van natureSchenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,Alsof ik de persoon zelf zag,Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;Dat wat zijn zoete geur mij geeft,Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.Zij verlaten nooit mijn gemoedAls van de andere donna’s, bitter noch zwaar,Maar zij ontsnappen dit warm en zachtEn gaan tot mijn liefde’s aanschijn,Die, als hij ze voelt, om mij te behagenZijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.[526]
De dageraad, welks glans den nacht doet vlieden, had reeds den licht-azuren tint van den achtsten1hemel in donkerblauw veranderd en de bloemkens richtten zich al op in de velden, toen Emilia haar gezellinnen en de jonge lieden deed roepen. Toen zij met langzame schreden de koningin waren gevolgd, begaven zij zich naar een boschje niet ver van het verblijf en toen zij daar in waren geloopen, zagen zij de dieren zooals geiten, herten en anderen beveiligd tegen jagers door de heerschende pestziekte hen afwachten, zonder vrees, alsof zij bevriend met hen waren geworden. En de dieren naderend, of zij ze wilden vangen, vermaakten zij zich door ze te doen rennen en springen. Maar toen de zon geheel op was, keerden allen terug. Zij waren met eikenloof bekransd en hadden de handen vol geurige kruiden of bloemen en wie ze zou ontmoet hebben, had niets anders kunnen zeggen dan: O dezen zullen niet door den dood overwonnen worden of het zal in vreugde zijn. Aldus gaande schrede na schrede, zingend en spelend en schertsend kwamen zij bij hun verblijf en vonden hun bedienden feestelijk gestemd. Toen zij wat uitgerust hadden, gingen zij niet aan tafel voor zes liederen, het een al aardiger dan het andere, waren gezongen. Vervolgens werd het water voor de handen aangereikt en plaatste de hofmeester ze aan tafel en allen aten vroolijk, gaven zich daarna over aan dans en fluitspel en op bevel der koningin ging, wie wilde, uitrusten. Maar toen het uur gekomen was, vereenigden allen zich op de gewone plaats om te vertellen, waarop de koningin naar Filomena ziende, zeide, dat zij een aanvang zou maken met de verhalen, welke glimlachend aldus begon:[492]
[Inhoud]Eerste Vertelling.Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de[493]graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de[494]verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg.[495]De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen:Wie is daar?Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.[496]
Eerste Vertelling.Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.
Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.
Madonna Francesca, bemind door een zekeren Rinuccio en een zekeren Alessandro en die geen van beide lieft heeft, bevrijdt zich handig van hen door den een als doode in een graftombe te stoppen en dezen door den ander er uit te laten halen, zoodat geen van beide het gestelde doel bereiken.
Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de[493]graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de[494]verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg.[495]De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen:Wie is daar?Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.[496]
Madonna, het is mij zeer aangenaam, daar het u behaagt, dat ik de eerste moet zijn, die in dit open en vrije veld, waar Uwe Doorluchtigheid ons de gelegenheid geeft, mag beginnen met verhalen en zoo ik het goed zal doen, twijfel ik er niet aan, dat zij, die later komen het beter zullen volbrengen. In onze vertellingen, o genadige donna’s, is dikwijls genoeg aangetoond, hoe groot de kracht der liefde is. Toch geloof ik niet, dat er alles van gezegd is noch, dat men er alles van weet te zeggen, al zou men er een jaar over spreken. En omdat de liefde niet alleen de minnenden aan verschillende doodsgevaren bloot stelt, maar ze zelfs in de verblijven der dooden voert, trekt het mij aan u een geschiedenis te vertellen, waaruit gij niet alleen de macht der liefde, maar ook de slimheid van een waardige donna zult leeren kennen, en wat zij aanwendde om zich er twee van den hals te schuiven, die haar tegen haar verlangen lief hadden.
In de stad Pistoja leefde vroeger een zeer schoone weduwe, welke twee van onze Florentijnen, die er in ballingschap woonden, ten zeerste beminnen, Rinuccio Palermini en Alessandro Chiarmontesi genaamd, zonder dat zij iets van elkaar wisten. Elk van hen ging zoo voorzichtig mogelijk te werk om haar liefde te verwerven. En daar deze edelvrouw, die madonna Francesca de’ Lazzari heette, zeer dikwijls met boodschappen en smeekbeden van beide werd lastig gevallen en onverstandig er meermalen naar had geluisterd en er zich wijselijk aan wilde onttrekken, kwam bij haar een gedachte op om zich van hun vervolging te bevrijden. Zij wilde hun een dienst vragen, welke zij dacht, dat geen van beide haar zou doen, hoewel het mogelijk was, opdat zij, als ze het niet deden, een ware of schijnbare reden had hun verzoeken niet meer aan te hooren.
In Pistoja was iemand gestorven, die, hoe hoog zijn edele voorvaderen ook stonden aangeschreven, bekend was als de gemeenste kerel, die daar en overal had bestaan; hij was zoo mismaakt en van zulk een ongewoon uiterlijk, dat wie hem niet zou gekend hebben en hem zag, bang geworden zou zijn. Hij werd begraven in de[493]graftombe bij de kerk der Minderbroeders. Dat zou een goede hulp voor haar plan zijn. Daarom zeide zij tot haar dienstmaagd: Gij kent den hinder en den angst, die ik den ganschen dag ondervind door die twee Florentijners, Rinuccio en Alessandro. Ik ben niet van zins hen met mijn liefde ter wille te zijn en om ze kwijt te raken, heb ik mij voorgenomen ze op de proef te stellen door een feit, waarvan ik zeker ben, dat zij het niet willen doen; zoo zal deze vervolging tegen mij ophouden. Luister: Gij weet, dat heden op het kerkhof der Minderbroeders Scannadio, (zoo heette die gemeene vent,) begraven werd, voor welken niet als doode maar als levende, de dapperste mannen bang waren. Gij zult eerst in ’t geheim naar Alessandro gaan en hem aldus toespreken: Madonna Francesca laat u weten, dat thans de tijd gekomen is, dat gij haar liefde kunt verkrijgen, die gij zoo hebt verlangd. Om een reden, dien gij later zult weten, moet een van haar verwanten het lijk van Scannadio bij haar thuis brengen, die van morgen begraven werd. Die dit moet doen is zeer bang voor hem als doode en wil niet; daarom verzoekt zij u bij wijze van grooten dienst van avond naar Scannadio’s tombe te gaan, dat gij zijn kleeren zult aantrekken en er blijven, of gij deze waart, totdat men zal komen en zonder dat gij iets zeggen of u verroeren zult, u er uit zult laten halen en naar haar huis laten brengen. Zij zal u dan ontvangen en met u blijven en gij zult, naar het u behaagt, kunnen vertrekken om het overige aan haar over te laten. En indien hij zegt dit te willen doen, is het goed; mocht hij niet willen, zeg hem dan namens mij, dat hij niet meer verschijnen moet, waar ik ben en dat hij, als zijn leven hem lief is, mij geen berichten of boodschappen stuurt. Daarna zult gij naar Rinuccio Palermini gaan en gij zult hem aldus toespreken: Madonna Francesca zegt, dat zij bereid is uw elk genoegen te doen, mits gij haar een grooten dienst doet, en dat is, dat gij vannacht naar de tombe gaat, waaronder van morgen Scannadio begraven is en hem zonder dat gij iets zegt er heimelijk uit haalt en bij haar thuis brengt. Dan zult gij zien, waarom zij dit wil en gij zult met haar uw genoegen hebben. Wilt gij het niet doen, dan bericht zij u haar nooit meer boodschappen te zenden.
De meid ging naar beide toe en vertelde aan elk, wat haar was opgedragen. Zij antwoordden beiden, dat zij voor haar niet in een graf maar in de hel zouden gaan, wanneer het haar zou behagen. De meid gaf het antwoord aan de donna, die wilde zien of zij gek genoeg zouden zijn het te doen. Toen de nacht gevallen was en het uur van den eersten slaap begonnen, kleedde Alessandro zich in een wambuis, ging het huis uit om in plaats van Scannadio in het graf te gaan liggen, maar terwijl hij er heenging, bekroop hem groote angst en hij begon tot zich zelf te zeggen: Zie, ben ik niet een groote ezel? Waar ga ik heen? Hoe weet ik, dat de[494]verwanten van die donna, die misschien bemerkt hebben, dat ik haar bemin, haar dit niet laten doen om mij in dat graf te vermoorden. Indien dat zou gebeuren, zou ik er alleen de schade van hebben; of kan het zijn, dat misschien een vijand mij dit heeft op den hals geschoven, die haar wellicht lief heeft? En daarna zeide hij: Maar laat ons onderstellen, dat daar niets van waar is en dat haar verwanten mij naar haar huis brengen, dan geloof ik, dat zij niet de bedoeling hebben het lichaam van Scannadio weg te nemen om het voor het laatst te omhelzen of dit haar te laten doen maar het in stukken te hakken, omdat hij hun op eenigerlei wijze beleedigd heeft. Zij zegt mij, dat ik niet moet spreken van wat ik gewaar word. Maar als zij mij de oogen uitstaken, de tanden uittrokken, mij de handen afkapten of een spelletje van dit soort speelden, waar zou ik dan aan toe zijn? Hoe zal ik stil kunnen blijven? En indien ik spreek, zouden zij mij herkennen en kwaad doen of als zij mij geen kwaad doen, zal ik nog niets hebben, want zij zullen mij niet bij de donna laten. En de donna zal zeggen, dat ik haar gebod heb overtreden en nooit iets doen, wat mij zal behagen. Bij die woorden was hij haast naar huis gegaan, maar toch dreef de groote liefde hem voort met tegenstrijdige beweringen en met zooveel kracht, dat die naar het graf leidden. Nadat hij Scannadio had uitgekleed, zich zelf herkleed had en de tombe over zich had gesloten en op diens plaats was gaan liggen, begon hij na te denken wie deze geweest was en de dingen, die bij nacht plaats hadden niet alleen in de graven der dooden maar ook elders en al zijn haren rezen overeind en het scheen hem, dat opeens Scannadio zich recht op verhief en hem zou worgen. Maar versterkt door hevige liefde overwon hij die en andere gedachten en bleef liggen, of hij dood was en wachtte af.
Te middernacht ging Rinuccio het huis uit om te doen, wat hem door zijn donna was opgedragen en terwijl hij voortliep, kwam hij op verschillende gedachten over allerlei mogelijkheden: bijvoorbeeld, dat hij in de handen van de justitie zou vallen en dat hij als toovenaar zou verbrand worden of kwaad met Scannadio’s verwanten en meer wat hem weerhield. Maar van voornemen veranderend zeide hij: Zal ik neen zeggen op het eerste, waarom die edelvrouw mij vraagt, die ik zoo bemin, wanneer ik haar gunst moet winnen? Al moest ik er voor sterven, zou ik toch doen, wat ik heb beloofd. Hij kwam bij het graf en opende het zachtjes. Toen Alessandro bemerkte, dat het geopend werd, hield hij zich toch stil, hoewel hij zeer bang was. Rinuccio, die er in gegaan was en geloofde het lichaam van Scannadio aan te vatten, nam Alessandro bij de voeten en trok hem er uit, nam hem op de schouders en ging naar het huis van de donna; op niets anders lettend stootte hij dikwijls tegen een of andere plank langs den weg.[495]De nacht was zoo donker, dat hij niet kon onderscheiden, waar hij heen ging. Toen Rinuccio aan den drempel van de deur was der edelvrouw, die aan de vensters met haar meid wachtte om te zien of hij Alessandro meebracht en zich er al op voorbereid had ze beide weg te sturen, kwamen de knechten van den schout, die in die straat zich hadden opgesteld en in stilte op den loer stonden om een bandiet te overvallen. Zij hoorden het gedruisch, dat Rinuccio met de voeten maakte, en haalden opeens een licht te voorschijn om te zien, waar ze heen moesten gaan en riepen met opgeheven schilden en lansen:Wie is daar?Daar Rinuccio wist, wat dat was en geen tijd had voor lang overleg, liet hij Allessandro vallen en vluchtte, zoover zijn beenen hem dragen konden. Alessandro, die snel was opgestaan, ging in de kleeren van den doode in andere richting aan den haal. De donna had door het licht, dat de knechten omhoog hielden, Rinuccio duidelijk gezien met Alessandro op den rug in het gewaad van Scannadio en verwonderde zich zeer over den grooten moed van beide, maar met al haar verbazing lachtte zij, toen zij Alessandro ter aarde zag werpen en vluchten. Hierover zeer vroolijk loofde zij God, dat Hij haar van dezen had bevrijd. Zij ging naar binnen en was het met haar meid eens, dat zonder twijfel beide haar zeer moesten liefhebben. Rinuccio, die zijn ongeluk vervloekte, ging niet naar huis, maar toen de dienaren van den schout uit die straat waren heengegaan, keerde hij terug, en begon hem op den tast zoeken om zijn plicht te vervullen, maar daar hij meende, dat de gerechtsdienaars hem vandaar moesten hebben opgenomen, ging hij toen treurig naar huis. Alessandro, in twijfel en zonder te weten, wie hem had gedragen en bedroefd over dit ongeval ging eveneens naar huis. Den volgenden morgen, toen de tombe van Scannadio open werd gevonden en men hem er niet in zag, omdat Alessandro hem in de diepte daarvan had gerold, sprak heel Pistoja daarover op allerlei manieren en meenden de dwazen, dat hij door duivels was weggevoerd. Niettemin vroeg elk der beide minnaars, die aan de donna hadden verteld, wat er gebeurd was en zich zoo verontschuldigden, dat haar bevel niet geheel nagekomen was, haar gunst en haar liefde. Maar daar zij deed of zij hun niet geloofde, maakte zij zich van hen vrij met het antwoord: nooit iets voor hen te willen doen, omdat zij niet hadden gedaan, wat zij had gevraagd.[496]
[Inhoud]Tweede Vertelling.Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte,[497]liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt[498]en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.
Tweede Vertelling.Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.
Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.
Een abdis staat in groote haast en in het donker op om een harer nonnen met haar minnaar te betrappen. Daar zij zelf met een priester slaapt en gelooft haar sluierkap op het hoofd te hebben gezet, plaatst zij er de broek op van den priester. Als de betrapte non dat ziet en het haar doet bemerken, bevrijdt zij zich van straf en blijft daardoor bij haar minnaar.
Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte,[497]liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt[498]en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.
Filomena zweeg en allen prezen de handigheid van de donna, terwijl daarentegen niet de liefde maar de vermetele aanmatiging der minnaars niet voor liefde maar voor dwaasheid werd gehouden, toen de koningin vol gratie tot Elisa zeide: Zeer geliefde donna’s. Madonna Francesca wist zich, gelijk gezegd is, zeer slim van haar last te bevrijden, maar een jonge non, welke de fortuin hielp, verloste zich zelf uit een dreigend gevaar door haar scherts. Gelijk gij weet, zijn er genoeg menschen, die zeer dwaas zijn en zich van anderen de meerderen en de kastijders maken; zooals gij door mijn novelle begrijpen zult, worden die door het toeval soms zelf terecht gebrandmerkt en dat gebeurde met de abdis, onder welks gezag de non stond, waarover ik zal spreken.
In Lombardië was een klooster, zeer beroemd om zijn heiligheid en zijn vroomheid, waarin, onder meerdere nonnen, een jong meisje was van edel bloed en begaafd met wonderbare schoonheid, welke Isabetta heette en die op een dag, toen zij een harer verwanten door de tralies naderde om te spreken, op een knap jonkman, die daarbij stond, verliefd werd. En deze, die zag, dat zij zeer schoon was, en uit haar oogen haar verlangen had begrepen, werd evenzoo op haar verliefd en niet zonder groote smart van beide verduurden zij dien hartstocht langen tijd zonder gevolg. Ten slotte: daar elk begeerig was, vond hij een weg om in het geheim naar zijn non te gaan, waardoor zij zeer gelukkig was en hij haar verscheidene keeren tot groot genoegen van beiden bezocht. Eens op een nacht zag een der schoone donna’s hem van Isabetta vertrekken zonder dat zij het merkte, wat zij aan anderen over vertelde. Zij wilden haar eerst bij de abdis beschuldigen, welke madonna Usimbalda heette, een goede en heilige donna volgens de meening der dames-nonnen en elk, die haar kende; daarop wilden zij, opdat geen ontkenning kon plaats hebben, hem met het jonge meisje door de abdis laten betrappen. Zij verdeelden in het geheim de nachtwaken en de wachten om ze te snappen. Daar Isabetta dat niet merkte,[497]liet zij hem op een nacht komen, wat ook zij wisten, die daarop loerden. Dezen, toen het al laat in den nacht was, verdeelden zich in tweeën; een deel begaf zich op wacht bij de deur der cel van Isabella en een ander liep naar de kamer der abdis. Zij klopten aan de deur en zeiden tot haar, die al antwoord gaf: Mevrouw, sta gauw op, want wij hebben ontdekt, dat Isabella een jonkman in de cel heeft. De abdis was dien nacht samen met een priester, die zij dikwijls in een koffer liet komen. Toen zij dit hoorde en vreesde, dat de nonnen misschien door al te veel haast of door moedwil de deur zouden open stooten, stond zij haastig op en kleedde zich, zoo goed als het kon, in den donker. Terwijl zij geloofde zekere gevouwen sluiers aan te vatten, welke zij om het hoofd dragen en die zij het psalmboek noemen, kwam haar de broek van den priester in handen en zij had zooveel haast, dat zij zonder het te merken in plaats van het psalmboek zich die om het hoofd deed en naar buiten ging en na snel de deur achter zich te hebben toegetrokken sprak zij: Waar is die van God vermaledijde? En met de anderen, die van zulk een ijverzucht en nieuwsgierigheid brandden om Isabella op heeterdaad te zien betrappen, dat zij niet bemerkten wat de abdis om het hoofd droeg, ging deze naar de deur van de cel en wierp die, geholpen door een andere non tegen den vloer en toen zij binnen waren getreden, vonden zij op het bed de twee minnenden in elkaars armen. Door zulk een verrassing onthutst en niet wetend wat te doen, hielden zij zich stil. Het meisje werd dadelijk door de andere nonnen beetgepakt en op bevel van de abdis naar de kapittel-zaal gebracht. De jonkman, die was achtergebleven, had zijn kleeren weer aangedaan. Hij wachtte af, welk einde die zaak zou hebben met de bedoeling een kwaad spelletje te spelen, als men aan de jonge nieuwelinge iets zou doen en haar met zich mede te voeren. De abdis, die in het kapittel den hoofdzetel innam, begon in tegenwoordigheid van al de nonnen, die allen de schuldige aankeken, haar den grootsten smaad toe te voegen, daar zij de heiligheid, de eerbaarheid en den goeden naam van het klooster met haar schandelijke en laakbare daden had bevlekt. Bij de beleediging voegde zij de ernstigste bedreigingen. Het meisje beschaamd en verlegen als schuldige wist niet wat te antwoorden, maar zwijgend boezemde zij de anderen medelijden in.
Daar de abdis met verwijten voortging, hief het meisje het hoofd op en zag, wat die op haar hoofd had en de banden, die er links en rechts afhingen, waarop zij alles begrijpend, rustig sprak: Madonna, als God u helpt, maak dan uw kap in orde en zeg mij dan, wat gij wilt. De abdis, die haar niet begreep, zeide: Wat kap, slechte meid? Of hebt gij den moed om gekheid te maken? Schijnt het je soms, dat gij hier nog schertsen moogt? Toen sprak het meisje andermaal: Madonna, ik bid u, dat gij uw kap los knoopt[498]en zeg dan aan mij, wat gij wilt. Daarop richtten verscheidene nonnen het oog naar de kap van de abdis en daar zij er de handen aan legde, bemerkte zij, waarom Isabella dat zeide.
Toen de abdis zich aldus betrapt zag, veranderde zij van toon en kwam tot het besluit, dat het onmogelijk was zich tegen de prikkelingen van het vleesch te verweren en daarom zeide zij, dat elk heimelijk, gelijk het tot dien dag gebeurd was, de kans moest waarnemen. Nadat het meisje was vrijgelaten, ging zij weer met haar priester naar bed en Isabella met haar minnaar, welken zij vaak ten spijt van hen, die jaloersch op haar waren, liet komen. De anderen, die zonder minnaar waren, zochten zoo goed zij konden in het geheim hun heil.
[Inhoud]Derde Vertelling.Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen.2Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het[499]wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels3moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend,maëstroSimone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat[500]ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione4echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig[501]en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea5klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, diemaëstroSimone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.
Derde Vertelling.Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen.2
Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen.2
Meester Simone doet op aandringen van Bruno, Buffalmacco en Nello Calandrino gelooven, dat hij zwanger is. Deze geeft Bruno geld voor kapoenen en wordt beter zonder te bevallen.2
Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het[499]wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels3moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend,maëstroSimone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat[500]ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione4echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig[501]en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea5klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, diemaëstroSimone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.
Toen Elisa haar vertelling eindigde en allen God hadden gedankt voor de blijde bevrijding der jonge non uit de beten harer ijverzuchtige gezellinnen, beval de koningin Filostrato te volgen, die zonder verdere orders af te wachten, begon: Zeer schoone donna’s. De ruwe, marchesaansche rechter, van wien ik gisteren sprak, dwingt mij een novelle van Calandrino te vertellen. En daar, wat van hem gezegd wordt, de vreugde zal vermeerderen, hoewel er van hem en zijn metgezellen al voldoende gesproken is, zal ik u vertellen, wat ik gisteren van plan was.
Het is vroeger al genoeg aangetoond, wie Calandrino was en de anderen, van welke ik in deze historie moet spreken. Een tante van Calandrino stierf en liet tweehonderd lire contant na. Calandrino zeide er een landgoed voor te willen koopen en met alle makelaaars van Florence onderhandelde hij of hij tienduizend goudguldens had te verteren, maar de zaak sprong af, toen men hem den prijs voor het landgoed gevraagd had. Bruno en Buffalmacco, die het[499]wisten, hadden hem meermalen gezegd, dat hij het best zou doen zich met hen te vermaken inplaats grond te koopen, alsof hij kogels3moest fabriceeren, maar behalve hiertoe hadden zij hem er evenmin toe kunnen krijgen hen ten eten te vragen. Toen zij op een dag zich daarover beklaagden en er een metgezel van hen bijgekomen was, die Nello heette, een schilder, overlegden zij, om zich op kosten van Calandrino te goed te doen. Zonder uitstel, na geregeld te hebben, wat zij te doen hadden, beloerden zij den volgenden morgen, hoe laat de Calandrino uit huis ging. Nauwelijks was hij de deur uitgegaan, of Nello ging hem tegemoet en zeide: Goeden dag, Calandrino. Calandrino antwoordde hem, dat God hem een goeden dag en een goed jaar zou geven. Hierna hield Nello hem een weinig op en zag hem in het gelaat. Calandrino sprak tot hem: Waar kijkt gij naar? Nello zeide: Hebt gij vannacht niets gemerkt? Gij schijnt mij dezelfde man niet meer. Calandrino twijfelde en zeide: Wee mij! Wee mij! Wat zou ik hebben? Nello sprak: Dat weet ik niet, maar gij schijnt mij geheel veranderd; het zal misschien niets zijn en hij liet hem gaan. Calandrino liep argwanend door en voelde niet het minste. Maar toen trad Buffalmacco hem tegemoet en na hem gegroet te hebben, vroeg hij hem, of hij niets voelde.
Calandrino antwoordde: Ik weet het niet, maar toch zeide mij Nello zooeven, dat ik hem geheel veranderd scheen; zou het mogelijk zijn dat ik iets mankeer? Buffalmacco zeide: Gij zoudt wel iets kunnen mankeeren; gij schijnt half dood. Het scheen Calandrino, dat hij de koorts had. Toen kwam Bruno en het eerste wat hij zei was: Calandrino, wat ziet gij er uit! Het is, of gij dood zijt! Calandrino, die zoo hoorde spreken, dacht bepaald, dat hij ziek was en ongerust vroeg hij hem: Wat te doen? Bruno sprak: Ga naar huis en te bed, laat u goed toedekken en uw water naar onzen vriend,maëstroSimone, brengen. Hij zal u dadelijk zeggen, wat er gebeuren moet en als er iets te doen is, willen wij dat op ons nemen. En terwijl Nello zich bij hen voegde, gingen zij met Calandrino naar zijn huis en toen hij geheel onthutst in de kamer kwam, zeide hij tot de vrouw: Kom en dek mij goed toe, want ik voel mij erg ziek. Toen hij te bed ging, zond hij een kleine dienstbode met zijn water naar dokter Simone, die een winkel hield op de Oude Markt onder het uithangbord van de Meloen. En Bruno zeide tot zijn metgezellen: Blijft gij met hem hier; ik wil vernemen, wat de medicus zal zeggen en als het noodig zal zijn, hem hier brengen. Calandrino sprak toen: Ga, mijn vriend, en zie hoe het er mee staat, want ik weet niet, wat[500]ik gevoel. Bruno, die naar meester Simone ging, kwam er voor de kleine meid, die het water droeg en had hem weldra op de hoogte gebracht. Toen de kleine meid binnentrad en de dokter de urine gezien had, zeide hij: Ga heen en zeg aan Calandrino, dat hij zich goed warm houdt en dat ik dadelijk bij hem kom. Het meisje bracht dit over en het duurde niet lang of de dokter en Bruno kwamen. Nadat de medicus naast hem was gaan zitten, voelde hij hem de pols en sprak in het bijzijn van de vrouw: Kijk Calandrino, om als vriend tot u te spreken hebt gij geen ander kwaad dan dat gij zwanger zijt. Toen Calandrino dit hoorde, begon hij smartelijk te schreien en te zeggen: Wee mij! Tessa, wat hebt gij mij gedaan, dat gij niet anders dan boven woudt liggen? Ik heb het je wel gezegd. De eerbare donna, die dit hoorde, werd heelemaal rood van schaamte en met gebogen voorhoofd zonder een woord te spreken ging zij de kamer uit.
Calandrino riep weeklagend: Wee mij! Ongelukkige, die ik ben! Hoe zal ik doen? Hoe zal ik van dat kind bevallen? Waar moet het uit komen? Ik ben verloren door de hartstocht van mijn vrouw; dat God haar zoo treurig make als ik vroolijk zou willen wezen. O, als ik gezond was, zou ik zeker opstaan en haar zoo’n pak slaag geven, dat ik haar heelemaal zou radbraken. Het komt mij toe, want ik had haar niet op mij moeten laten klimmen. Kom ik er goed af, dan kan zij van verlangen daarna sterven. Bruno en Buffalmacco en Nello moesten zoo lachen, dat zij haast stikten, maar zij hielden zich in. Meester Scimmione4echter lachte zoo gul, dat men al zijn tanden had kunnen trekken. Maar toen Calandrino zich aan den dokter toevertrouwde en hem vroeg raad en hulp te verschaffen, zeide de dokter tot hem: Calandrino, ik wil niet, dat gij u kwelt, want—God zij geloofd—hebben wij het feit zoo spoedig bemerkt, dat ik u met weinig moeite en binnen weinig dagen zal verlossen, maar het is noodig er wat geld voor uit te geven. Calandrino sprak: Wee mij, dokter! Om Gods wil! Ik heb hier tweehonderd lire, waarmee ik een landgoed wou koopen; als die noodig zijn, neem ze, opdat ik niet hoef te bevallen, want ik weet niet, hoe ik zou moeten doen. Ik heb de vrouwen zulk een leven hooren maken, als zij moeten bevallen, hoewel zij er ruimte genoeg voor hebben, dat ik geloof, indien ik barenswee zou krijgen, eer te sterven dan te bevallen. De arts sprak: Denk daar niet aan. Ik zal u een goeden, lekkeren, gedistilleerden drank geven, die in drie morgens alles zal doen verdwijnen en gij zult gezonder blijven dan een visch. Maar wees voortaan wijs en handel niet zoo dwaas meer. Wij hebben voor dien drank drie goede en vette kippen noodig[501]en gij geeft aan elk van uw vrienden vijf lire, voor welke zij alles koopen en het naar mijn winkel zullen brengen en morgen zal ik u bij Gods heiligen naam van dien gedistilleerden drank sturen en gij moet er een goeden, grooten beker per keer van drinken.
Calandrino hoorde dit en sprak: Dokter, ik vertrouw op u; en na vijf lire te hebben gegeven aan Bruno en geld voor de drie paar kapoenen, verzocht hij hem zich die moeite te geven tot zijn dienst. De dokter, na te zijn vertrokken, liet voor hem een weinig chiarea5klaar maken en zond hem die. Nadat Bruno de kippen gekocht had en de verdere benoodigdheden om te smullen, aten zij die samen op. Calandrino dronk dien morgen van de chiarea en de medicus met de drie kameraden kwamen bij hem; na hem den pols te hebben gevoeld, zeide hij: Calandrino gij zijt zonder twijfel genezen; gij kunt weer naar uw zaken gaan. Calandrino, die verheugd opstond, ging naar zijn werk en prees overal de prachtige kuur, diemaëstroSimone hem had laten doormaken. Bruno en Buffalmacco en Nello hadden genoegen met list de gierigheid van Calandrino te hebben bespot, hoewel mevrouw Tessa, die het gewaar werd, er met haar man hevig over twistte.
[Inhoud]Vierde Vertelling.Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden[502]te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messerFortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende[503]te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben[504]en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.
Vierde Vertelling.Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.
Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.
Cecco van messer Fortarrigo verspeelt te Buonconvento al zijn goed en het geld van Cecco van messer Angiulieri, zijn meester. Hij loopt den ander in zijn hemd achterna en zeggend, dat die hem beroofd heeft, laat hij hem vangen door de boeren, doet diens kleeren aan en op zijn paard gesprongen, gaat hij er vandoor en laat den ander in zijn hemd achter.
De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden[502]te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messerFortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende[503]te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben[504]en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.
De woorden van Calandrino tot zijn vrouw werden door het gezelschap met groot gelach aangehoord. Toen Filostrato zweeg, begon Neifile, naar het de koningin behaagde: Waardige donna’s. Indien het niet moeilijker was voor de menschen anderen hun verstand en hun deugd te toonen, dan hun dwaasheid of hun ondeugd, zouden velen zich te vergeefs inspannen hunne woorden[502]te beteugelen. En dit heeft de domheid van Calandrino voldoende bewezen, die volstrekt niet noodig had te genezen van de kwaal, waaraan zijn simpelheid hem deed gelooven en in het publiek de geheime genoegens van zijn vrouw mede te deelen. Dit heeft mij een geheel tegengestelde zaak in het geheugen gebracht namelijk, hoe de boosaardigheid van den een met schade en schande het verstand van den ander overtrof.
Niet vele jaren geleden leefden er in Siena twee mannen van al rijpen leeftijd, beide Cecco genaamd, maar de een van messer Angiulieri en de ander van messerFortarrigo. Zij kwamen in karakter overeen en vooral in één ding, namelijk, dat zij beiden hun vaders haatten, daardoor werden ze vrienden en zochten elkaar vaak op. Angiulieri was knap en welgemanierd en hij vond, dat hij slecht kon blijven in Siena van het pensioen hem door zijn vader verstrekt. Hij vernam, dat er een kardinaal als pauselijk gezant was gekomen in het markgraafschap Ancona bij wien hij zeer in den gunst stond, en besloot tot hem te gaan, daar hij geloofde zoo zijn toestand te verbeteren, Nadat hij zijn vader dit had doen weten, kwam hij met hem overeen te ontvangen, wat die hem anders gedurende zes maanden gaf, opdat hij zich kon kleeden, paarden kon aanschaffen en op weg gaan. Dat hij iemand zocht om hem van dienst te zijn, werd bekend aan Fortarrigo; deze bad, dat hij hem zou medenemen als bediende, onderhoorige of wat hij wilde zonder eenig loon maar alleen onderhoud. Angiulieri antwoordde hem, dat hij hem niet mede wilde nemen, omdat hij speelde en zich bedronk. Fortarrigo antwoordde daarop, dat hij zich daarvoor zou wachten en bevestigde dit alles met vele eeden en voegde er zooveel smeekbeden aan toe, dat Angiulieri overwonnen zeide, dat hij er vrede mee had.
Op een morgen gingen zij op weg en gebruikten te Buonconvento het middagmaal. Nadat Angiulieri gegeten had, had hij, daar het zeer warm was, een bed in de herberg laten opmaken en na zich te hebben ontkleed geholpen door Fortarrigo, ging hij slapen na hem gezegd te hebben hem om negen uur te wekken. Terwijl Angiulieri sliep, ging Fortarrigo in de taveerne; na wat gedronken te hebben, begon hij met eenige lieden te spelen. In korten tijd verloor hij zijn geld en al de kleeren, die hij aan had. Begeerig te herwinnen en in zijn hemd ging hij, waar Angiulieri stevig sliep en haalde zooveel geld, als hij bij zich had, uit zijn beurs en naar het spel teruggekeerd, verloor hij dit als het andere. Toen Angiulieri ontwaakte, vroeg hij naar Fortarrigo, die niet was te vinden. Angiulieri meende, dat hij in een of andere hoek dronken sliep, gelijk hij vroeger placht te doen. Daarom dacht hij er over hem te laten schieten, het zadel te laten opleggen en een valies op zijn rijpaard en nam zich voor te Corsignano een anderen bediende[503]te nemen. Hij wilde den waard betalen, maar vond zijn geld niet. Hierover ontstond groot rumoer in het huis van den waard en hij dreigde ze allen gevankelijk naar Siena te laten brengen. Daar komt Fortarrigo in zijn hemd aanzetten om de kleeren te stelen, gelijk hij het geld had ontvreemd. Toen hij Angiulieri zag te paard stijgen, zeide hij: Wat is dat, Angiulieri? Willen wij al heengaan! Kom, wacht nog even. Er moet hier iemand komen, die mij op mijn wambuis achtendertig stuivers heeft geleend. Ik ben er zeker van, dat hij het voor vijf en dertig teruggeeft, als ik dadelijk betaal. Onderwijl kwam er iemand bij, die Angiulieri verzekerde, dat Fortarrigo hem zijn geld had ontstolen en toonde hem de som, die hij bij hem verloor. Hierdoor zeer verstoord beleedigde Angiulieri Fortarrigo zeer en als hij niet voor meer dan voor God alleen bang was geweest, zou hij hem leelijk hebben te pakken genomen en dreigde hem te laten ophangen of hem uit Siena te doen verbannen en steeg te paard.
Fortarrigo deed of Angiulieri dit niet hem maar tot een ander had gezegd en sprak: Angiulieri, laten wij die woorden voor een beter oogenblik bewaren, die niets waard zijn. Laat ons daaraan denken. Wij zullen het voor vijf en dertig stuivers terug hebben door het contant te betalen, terwijl, als wij tot morgen wachten, het niet minder dan acht en dertig zal komen, gelijk hij mij vroeg en doe mij toch genoegen, daar ik ze op zijn aanraden heb ingezet. Zeg, waarom zouden wij die stuivers niet uitwinnen? Toen Angiulieri hem zoo hoorde spreken, werd hij wanhopig en het meest, omdat hij zich beloerd zag door de lieden om hem heen, die niet schenen te gelooven, dat Fortarrigo het geld van Angiulieri had verspeeld, maar dat Angiulieri daar nog schuld aan had en hij sprak tot hem: Wat heb ik met uw wambuis te maken. Laten ze jou maar ophangen, die niet alleen het mijne geroofd en verspeeld hebt, maar bovendien mijn reis hebt belemmerd en nog den gek met mij scheert. Fortarrigo hield echter vol, alsof hij dit niet tot hem zeide en sprak: Zeg, waarom wilt gij mij die drie stuivers niet laten winnen? Gelooft gij, dat ik u niet nog kan dienen met geld? Kom, doe het, als gij nog wat om mij geeft. Waarom hebt gij zoo’n haast? Wij zullen van avond nog wel te Torrenieri aankomen. Doe het, trek de beurs open, weet, dat ik in heel Siena zou kunnen zoeken en er geen zou vinden, dat mij zoo goed stond als dit. En te moeten zeggen, dat ik hem dit voor acht en dertig stuivers moet laten! Het is wel veertig waard of nog meer, zoodat ge mij zoo op twee manieren schaadt. Angiulieri zeer wrevelig, dat hij door hem bestolen werd en hem zoo hoorde spreken, sloeg zonder hem te antwoorden, den weg in naar Torrenieri. Daarop begon Fortarrigo, die op een listige gedachte kwam, in zijn hemd hem na te loopen en na hem wel twee mijlen gevolgd te hebben[504]en steeds om het wambuis vragend, ging Angiulieri er hard van door om zich het gezanik uit de ooren te houden. Toen werden er door Fortarrigo boeren in een veld nabij den straatweg gezien voor Angiulieri uit. Hij begon hard te schreeuwen: Houdt hem! Houdt hem! waarop de een met zijn houweel en de ander met zijn spade voor Angiulieri verschenen, in de meening, dat degeen, die in zijn hemd liep te schreeuwen, beroofd was en pakten hem beet. Het hielp weinig of hij hun zeide, hoe de zaak stond. Toen Fortarrigo daar aankwam, zeide hij met een kwaad gezicht: Ik weet niet, waarom ik je niet vermoord, gemeene dief. En tot de dorpelingen gewend, sprak hij: Ziet gij, heeren, hoe hij mij in de herberg heeft achtergelaten na eerst alles van mij te hebben verspeeld. Ik kan wel zeggen, dat ik door God en door u zooveel zal terugwinnen, dat ik u er altijd dankbaar voor zal zijn. Angiulieri vertelde het anders, maar er werd niet naar geluisterd. Fortarrigo wierp met behulp der dorpelingen het paard op den grond en na hem te hebben beroofd, deed hij zijn kleeren aan en te paard gestegen, liet hij Angiulieri in zijn hemd en blootsvoets achter, ging naar Siena en vertelde overal, dat hij het paard en de kleeren van Angiulieri had gewonnen. Angiulieri, die rijk naar den kardinaal in het markgraafschap hoopte te gaan, kwam arm en in zijn hemd te Buonconvento terug en durfde uit schaamte zich niet dadelijk naar Siena begeven, maar toen hem kleeren geleend waren, ging hij op den knol, dien Fortarrigo bereed, naar zijn verwanten te Corsignano, waar hij bleef tot zijn vader hem opnieuw hielp. Zoo bedierf de boosheid van Fortarrigo het goede voornemen van Angiulieri, terwijl hij toch ter plaatse en op tijd hem niet ongestraft liet loopen.
[Inhoud]Vijfde Vertelling.Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus[505]begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in[506]diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van[507]merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes6en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit,[508]daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van[509]verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te[510]smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.
Vijfde Vertelling.Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.
Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.
Calandrino wordt op een jong meisje verliefd. Bruno maakt voor hem een schriftelijken talisman, waardoor zij hem volgt, als hij haar daarmee aanraakt. Wanneer hij door zijn vrouw wordt betrapt, geeft het een grooten en ernstig en twist.
Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus[505]begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in[506]diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van[507]merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes6en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit,[508]daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van[509]verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te[510]smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.
Toen het korte verhaal van Neifile geëindigd was, zonder dat het gezelschap er te veel om gelachen of over gesproken had, keerde de koningin zich naar Fiammetta en beval haar te volgen, welke zeer welgemoed antwoordde, dat zij gaarne wilde en aldus[505]begon: Allerliefste donna’s. Gelijk ik meen, dat gij weet, zijn er dingen, die te meer behagen, naarmate men er meer van spreekt, mits men den tijd en de plaats, die dezen eischen, behoorlijk weet te kiezen, wanneer men ervan wil spreken. En daarom als ik beschouw, waarom wij hier zijn (want wij zijn hier om genoegen en goede tijdpasseering te hebben en voor niets anders) geloof ik, dat al wat vreugde en vermaak kan verschaffen, hier de vereischte plaats en tijd vindt. En hoewel er al duizende malen over gerept werd, is het niet noodig over iets anders te praten om zich te vermaken. Er is al dikwijls over de daden van Calandrino gesproken en indien ik er aan denk, gelijk voor kort Filostrato zeide, dat die allen vermakelijk zijn, durf ik u er nog wel een novelle van vertellen, die ik om van de waarheid af te wijken wel had kunnen samenstellen onder andere namen. Maar omdat dit het genoegen bij de hoorders zeer vermindert, zal ik u dit daarom in den echten vorm verhalen.
Niccolo Cornacchini was onze medeburger, een rijk man, en had onder anderen een schoone bezitting in Camerata, waar hij een voornaam en fraai kasteel liet bouwen en overeen kwam met Bruno en Buffalmacco het geheel te beschilderen. Dezen, omdat het werk groot was, namen Nello en Calandrino mee en begonnen te arbeiden. Elke kamer was voorzien van een bed en van andere benoodigdheden en een oude meid bleef huisbewaarster, omdat er geen ander dienstpersoneel was. Een zoon van genoemden Niccolo, die Filippo heette, een ongehuwd jonkman, bracht er soms voor zijn plezier een vrouw heen, hield die er een of twee dagen en stuurde haar dan weg. Eens bracht hij er een mee, die Niccolosa heette, welke een treurig sujet, Mangione genaamd, in een huis te Camaldoli onderhield en uithuurde. Zij was mooi en goed gekleed en voor een vrouw van haar soort welgemanierd en aardig in den omgang. Toen zij eens op een middag uit de kamer was gegaan in een witten rok met de haren om het hoofd gerold en zich aan een put op de binnenplaats van het kasteel de handen en het gezicht waschte, kwam Calandrino daar water halen en groette haar vriendelijk. Zij keek hem aan meer, omdat hij haar een rare kerel scheen dan door een ander verlangen. Calandrino zag haar aan en daar zij hem mooi leek, zocht hij voorwendsels en ging met het water niet naar de metgezellen terug; maar omdat hij haar niet kende, durfde hij haar niets te zeggen. Zij, die dit gewaar werd, keek hem soms aan om hem voor den mal te houden en slaakte een paar zuchten. Daardoor ontvlamde Calandrino dadelijk en ging niet van de binnenplaats weg, voor zij door Filippo in de kamer werd geroepen.
Calandrino deed niets dan zuchten, wat Bruno bemerkte, omdat hij hem dikwijls op de handen keek en groot vermaak schepte in[506]diens doen en laten en zeide: Wat duivel, mankeert jou, kameraad? Je doet niets dan zuchten. Hierop sprak Calandrino: Vriend, als ik iemand had, die mij zou helpen, zou ik het goed maken. Hoe? zeide Bruno. Calandrino hernam: Gij moet het aan niemand zeggen, er is hier een jong meisje schooner dan een fee, welke zoo verliefd op mij is, dat het u een bijzonder geval zou schijnen. Ik merkte het pas, toen ik water ging halen. Wee mij! hernam Bruno, pas op, dat het niet de vrouw is van Filippo. Calandrino ging voort: Dat geloof ik, omdat hij haar riep en zij naar hem toeging, maar wat wil dat zeggen? Ik zou in die dingen Christus bedriegen en niet slechts Filippo. Ik zal u de waarheid zeggen, vriend, zij bevalt mij onuitsprekelijk. Toen sprak Bruno: Vriend, ik zal je wel vertellen, wie zij is en als zij de vrouw is van Filippo, zal ik uw zaken in twee woorden in orde krijgen, omdat zij met mij zeer bevriend is. Maar hoe zullen wij maken, dat Buffalmacco het niet weet? Ik zal haar nooit kunnen spreken, zonder dat hij er bij is. Calandrino hervatte: Ik bekommer mij niet om Buffalmacco, maar laat ons op Nello passen, want hij is een verwant van mijn vrouw Tessa en zou voor ons alles bederven. Bruno sprak: Goed zoo. Bruno wist heel goed, wie zij was en bovendien had Filippo het hem verteld. Daarom, toen Calandrino een oogenblik het werk had verlaten en naar haar was gaan zien, vertelde Bruno alles aan Nello en aan Buffalmacco en zij regelden, wat zij hem om zijn verliefdheid zouden leveren. Toen hij terugkeerde, zeide Bruno zachtjes: Hebt gij haar gezien? Calandrino antwoordde: Wee mij, ja, zij doet mij sterven. Bruno hervatte: Ik wil gaan kijken om te zien of zij de bedoelde is en laat mij dan maar gaan. Daarop ging Bruno in den hof en vond daar Filippo en haar en vertelde hun, wat Calandrino gezegd had, en regelde ook met hen, wat zij moesten doen en zeggen om pret te hebben.
En tot Calandrino teruggekeerd sprak hij: Zij is het en wij moeten dit zeer slim aanleggen, omdat, als Filippo het merkt, al het water van den Arno het niet kan afwasschen. Maar wat wilt gij, dat ik haar van uw kant zeg, als ik haar toevallig spreek? Calandrino antwoordde: Wel gij moet haar voor alles zeggen, dat ik haar van mij duizendmaal zwanger wensch en ik haar dienaar ben! Bruno zeide: Ja, laat mij maar gaan. Toen het uur van het avondmaal kwam en zij het werk hadden neergelegd, naar de binnenplaats afdaalden en Filippo en Niccolosa daar waren, bleven zij daar eenigen tijd. Daar begon Calandrino Niccolosa te beschouwen en haar zoo verstaanbare lonken toe te werpen, dat een blinde het moest merken. Zij van haar kant deed alles, wat zij moest om hem goed te ontvlammen en volgens de voorlichting, die zij van Bruno had gehad, nam zij de beste gelegenheid waar, terwijl Filippo met Buffalmacco en de anderen deden of zij praatten en er niets van[507]merkten. Maar toch na eenigen tijd gingen zij heen tot grooten spijt van Calandrino en terwijl ze zich naar Florence begaven, zeide Bruno tot Calandrino: Ik zeg u, dat gij haar smelt als het ijs voor de zon, bij het Lichaam van Christus; als gij uw guitaar hier haalt en een beetje met haar uw liefdeliederen zingt, zult gij haar door de ramen doen springen. Calandrino zeide: Zou je denken, dat ik die moet halen? Ja, antwoordde Bruno. Hierop sprak Calandrino: Gij geloofde mij heden niet, toen ik het u zeide: Zeker, vriend, ik weet beter dan ieder ander man dat te doen, wat ik wil. Wie zou anders dan ik zoo spoedig zulk een donna verliefd hebben kunnen maken? Werkelijk, dat hadden die soort jongelieden, die alles rondbazuinen, niet kunnen gedaan krijgen, die den geheelen dag overal heen gaan en in duizend jaar nog niets winnen. Nu, ik wil, dat gij mij een weinig met mijn ribeba (mandoline) zult zien; gij zult mooi spelen hooren. Weet wel, dat ik niet zoo oud ben, als ik schijn; zij heeft dat wel gemerkt. Maar ik zal het haar doen merken, wanneer ik haar aan den scheepshaak sla; bij het ware Lichaam van God, ik zal haar voorspelen, dat zij mij naloopt als een gekkin haar kind. O zeide Bruno, gij zult haar besnuffelen als de zwijnen en het schijnt mij al, dat ik u haar rooden mond zie bijten met uw tanden als guitaarhoutjes6en haar wangen, die twee rozen schijnen en haar heelemaal opeten.
Calandrino, welke deze woorden hoorde, scheen er al mee bezig te zijn en liep zoo vroolijk te zingen en te dansen, dat hij uit zijn vel leek te springen. Toen hij den volgenden dag de ribeba haalde, zong hij tot groot vermaak van het heele gezelschap met haar verscheidene liederen. In korten tijd begon hij zoo naar haar te verlangen, dat hij bijna bijna niet meer werkte, maar duizend keer per dag naar het raam, de deur en op de binnenplaats liep om haar te zien. Zij ging handig volgens de voorschriften van Bruno te werk en gaf hem zeer dikwijls aanleiding. Bruno zelf gaf hem antwoord op zijn boodschappen en voor haar deed hij het ook menigmaal. Wanneer zij niet op het kasteel was, wat meestentijds gebeurde, zond zij hem brieven, waarin zij hem groote hoop gaf voor zijn verlangens en verklaarde, dat zij bij haar ouders was, waar hij haar toen niet kon vinden.
Op die manier hadden Bruno en Buffalmacca het grootste plezier en lieten zich, alsof het door zijn donna gevraagd werd, nu eens een ivoren kam en dan weer een beurs of een mesje en meer zulke snuisterijen schenken en gaven hem in ruil daarvoor valsche juweelen, waar Calandrino zeer blij mee was. Bovendien haalden zij er bij hem goede gastmalen en andere voordeelen uit,[508]daar zij op zijn belangen letten. Nadat zij hem wel twee maanden op die wijze hadden bezig gehouden zonder er iets voor te hebben gedaan en Calandrino zag, dat het werk ten einde liep en meende, dat, als hij niet tot een resultaat kwam, zijn liefde zou eindigen, voor zijn taak was afgeloopen, begon hij Bruno aan te zetten. Daarom zeide Bruno tot Calandrino, toen het meisje eens was teruggekomen en hij eerst met Filippo en haar had afgesproken, wat er gedaan moest worden: Kijk, vriend, die donna heeft mij wel duizend maal beloofd te zullen doen, wat gij wilt en ten slotte doet zij niets en het schijnt mij, dat zij u bij den neus leidt en daarom zullen wij er haar toe nopen, of zij wil of niet. Calandrino antwoordde: Ja, om Gods wil, laten wij dit gauw doen. Bruno hernam: Zou Hij u dan moed geven haar met een schriftelijken talisman aan te raken, dien ik u zal geven? Calandrino ging voort: Goed. Dan, zei Bruno, laat mij dan een perkament brengen uit vel van een ongeboren kalf en een levende vleermuis en drie korrels wierook en een heilige kaars en laat mij gaan.
Calandrino bracht den ganschen avond door met zijn jachtwerktuigen om een vleermuis te vangen en toen hij er eindelijk een had, bracht hij die met de andere benoodigdheden naar Bruno. Deze, die zich in een kamer had begeven, schreef op dat perkament een paar dwaasheden van hem met wat tooverletters, bracht ze hem en zeide: Calandrino, gij moet haar met dit geschrift aanraken; zij zal u dadelijk volgen en doen wat gij wilt. En om kort te gaan, als Filippo heden ergens heen gaat, spreek haar toe, raak haar aan en ga in de schuur hiernaast, die de beste plaats is, omdat er nooit iemand komt. Gij zult zien, dat zij u zal volgen. Wanneer zij er is, weet gij wel, wat gij te doen hebt. Calandrino was zeer gelukkig en na het formulier te hebben opgenomen, zeide hij: Kameraad, laat mij gaan. Nello, voor welken Calandrino zich in acht nam, vermaakte zich hiermee ook en ging er mee voort hem voor den mal te houden en daarom gelijk Bruno hem gelast had, ging hij naar Florence naar de vrouw van Calandrino en zeide haar: Tessa, gij weet hoeveel slagen Calandrino u gaf zonder reden op den dag, dat hij met de steenen uit den Mugnone thuis kwam en daarom wensch ik, dat gij dit wreekt en als gij het niet doet, zult gij mij niet meer tot familie hebben noch tot vriend. Hij is daar ginds verliefd geworden op een donna en zij is zóó gemeen, dat zij zich dikwijls genoeg met hem opsluit. Niet lang geleden hadden zij een afspraak. Daarom wil ik, dat gij er heengaat en hem betrappen zult en kastijden. Toen de donna dit hoorde, scheen haar dit geen grapje, maar zij zeide: Wee mij, beruchte dief, doe jij mij dat? Bij het kruis van God, dat zal zoo niet gebeuren.
Na haar mantel te hebben aangedaan en met een vrouw in gezelschap, ging zij er snel met Nello heen. Toen Bruno haar van[509]verre zag aankomen, zeide hij tot Filippo: Kijk, onze vriend. Filippo ging naar de plaats, waar Calandrino en de anderen werkten en sprak: Maestri, ik moet nu naar Florence gaan, werk hard door. En toen hij uit de kamer was gegaan, verborg hij zich om te zien, wat Calandrino zou doen. Calandrino, daar hij geloofde, dat Filippo zich verwijderd had, daalde dadelijk op de binnenplaats af, waar hij Niccolosa alleen vond en na haar te zijn genaderd, bewees hij haar wat meer vriendschap dan gewoonlijk. Daarop raakte Calandrino haar aan met het formulier en richtte zich zonder meer naar de schuur, waarheen Niccolosa hem volgde. Toen de deur was gesloten, omarmde zij Calandrino en wierp hem op het stroo, dat daar op den grond lag, sprong hem als te paard op den rug en legde hem de handen op de schouders zonder hem haar gelaat te doen naderen, keek hem aan als met groot verlangen en sprak: O mijn zoete Calandrino, hart van mijn lijf, mijn ziel, mijn schat, mijn rust, hoelang heb ik u begeerd! Gij hebt mij met uw bekoring smoorlijk verliefd gemaakt; gij hebt mij met uw ribeba het hart gestreeld Zou het mogelijk kunnen zijn, dat ik u krijg? Calandrino, die zich nauwelijks kon bewegen, zeide: Och, mijn lieve ziel, laat mij u kussen. Niccolosa sprak: O, gij hebt groote haast, laat mij mijn oogen verzadigen aan uw zoet gelaat.
Bruno en Buffalmacco waren naar Filippo gegaan en alle drie zagen en hoorden dit. En reeds wilde Calandrino Niccolosa kussen, toen daar Nello met monna Tessa aan kwam zetten, die zeide; Ik doe een belofte aan God, als ze niet samen zijn. Bij de deur van de schuur gekomen stiet de donna, die woedend was, er met de handen tegen en binnengetreden zag zij Niccolosa te paard op Calandrino zitten. Deze, zoodra zij de donna zag, stond op, vluchtte weg en ging daarheen, waar Filippo was. Monna Tessa vloog met de nagels aan het gelaat naar Calandrino, die nog niet opgestaan was, krabde hem overal en na hem bij de haren te hebben gerukt en hem heen en weer te hebben getrokken, zeide zij: Jou leelijke, gemeene hond. Waarom doe jij me dat? Oude gek, vervloekt zij het goed, dat ik je heb willen doen. Schijnt het je soms, dat je thuis niet genoeg hebt te doen, dat je op anderen verliefd wordt? Een mooie minnaar ben je me! Ken jij je zelf dan niet, stakker? Ken je je dan niet, dwaas, die je bent? Want als je je geheel zoudt uitpersen, zou er nog geen vocht genoeg uitkomen om er een saus van te maken. Bij het geloof in God, het was Tessa niet, die jou zwanger maakte; dat God haar straffe, wie het ook zij, want zij moet wel niet veel bijzonders wezen, die verliefd is op zulk een fijn juweel, als jij bent. Calandrino, die zijn vrouw zag komen, stond verstomd, en had den moed niet zich eenigzins tegen haar te verdedigen, maar geheel bekrabd, geplukt en geslagen, raapte hij zijn hoed op, stond op en begon zijn vrouw nederig te[510]smeeken, dat zij niet zou schreeuwen, als zij niet wilde, dat hij heelemaal aan stukken zou worden gescheurd, omdat die vrouw, die bij hem was, van den heer van het kasteel hoorde. De donna sprak: Best. Dat God hem een treurig jaar geve. Bruno en Buffalmacco, die met Filippo en Niccolosa over die ontmoeting zich slap hadden gelachen, deden of ze op het spektakel afgingen en na met veel praatjes de donna tot rust te hebben gebracht, gaven zij aan Calandrino den raad naar Florence te gaan en niet meer terug te keeren, opdat Filippo, indien hij er iets van zou merken, hem geen kwaad zou doen. Zoo keerde Calandrino treurig en heelemaal geplukt en gekrabd naar Florence terug en had geen moed meer daarheen terug te komen, dag en nacht gekweld en gehinderd door de verwijten van zijn vrouw en maakte een einde aan zijn brandende liefde, nadat hij zijn metgezellen, Niccolosa en Filippo, veel had laten lachen.
[Inhoud]Zesde Vertelling.Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit[511]grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar[512]hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging[513]naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.[514]
Zesde Vertelling.Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.
Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.
Twee jongelieden slapen bij een waard, waarvan de een bij de dochter gaat liggen en de vrouw van deze per ongeluk bij den ander in bed komt. Hij, die met de dochter is, gaat daarna naast den vader in bed en vertelt hem alles in de meening dit aan zijn metgezel toe te vertrouwen. Zij maken te zamen kabaal. De vrouw, die het gewaar wordt, gaat in het bed bij haar dochter en dan maakt zij met een paar woorden alles weer goed.
Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit[511]grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar[512]hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging[513]naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.[514]
Calandrino, die meermalen het gezelschap had doen lachen, deed het ook ditmaal weer. Toen daarna de donna’s over zijn daden zwegen, gelastte de koningin, dat Panfilo zou voortgaan, die sprak: Lofwaardige donna’s. De naam van Niccolosa, door Calandrino bemind, heeft mij de geschiedenis van een andere Niccolosa in het geheugen geroepen, welke ik wil vertellen, omdat gij in deze zult zien, dat een plotselinge inval van een goede vrouw een groot schandaal voorkwam.
In de vlakte van de Mugnone was niet lang geleden een goed man, die voor hun geld aan reizigers te eten en te drinken gaf en daar hij arm was en een klein huis bezat, herbergde hij soms uit[511]grooten nood niet iedereen maar wel bekenden. Deze had een zeer schoone vrouw, van wien hij twee kinderen had. De een was een schoon en lief jong meisje van vijftien of zestien jaar, die nog geen man had; de ander was een kleine knaap, nog geen jaar oud, dien de moeder zelf zoogde. Tot het jonge meisje had een knappe, aardige en adellijke jonkman van onze stad de oogen opgeslagen, die dikwijls door de straat kwam en haar vurig beminde. En zij, die er zich veel op beroemde door zulk een jonkman bemind te worden en die haar best deed hem door opvallende vriendelijkheden te boeien, werd ook op hem verliefd en meermalen zou door den wil van beide partijen die liefde gevolg hebben gehad, als Pinuccio (zoo heette de jonkman) niet de schande van het meisje en de zijne had willen ontwijken. Maar toch daar hun hartstocht van dag tot dag vermeerderde, kwam de begeerte bij Pinuccio op om toch met haar samen te zijn en het kwam hem in de gedachte een middel te vinden bij den vader zijn intrek te nemen, meenende, daar hij den bouw van haar huis wist, dat, indien hij dit deed, hij er toe kon komen met haar samen te zijn, zonder dat iemand het merkte. Hij bracht het zonder verwijl ten uitvoer. Met een vertrouwden metgezel, Adriano, die bekend was met deze liefde, nam hij twee huurpaarden en plaatste daarop twee valiezen vol stroo en zij gingen ’s avonds uit Florence. Na een omweg te hebben gemaakt kwamen zij, toen het al nacht was, op de vlakte van de Mugnone, en vandaar, alsof zij uit Romagna terugkeerden, gingen zij naar het huis en klopten bij den goeden man aan. Deze was gastvrij en opende haastig de deur. Pinuccio sprak tot hem: Gij moet ons dezen nacht herbergen; wij geloofden Florence te bereiken maar konden dit niet, zoodat wij op dit uur hier zijn gekomen. Hierop antwoordde de waard: Pinnaccio, gij weet wel, hoe moeilijk ik een man kan herbergen, maar omdat het geen tijd meer is elders heen te gaan, zal ik u naar mijn vermogen huisvesten.
De jongelieden stalden hun paarden, traden de herberg binnen, haalden hun avondeten voor den dag en aten met den waard te samen. De waard had niets dan een klein kamertje en had daarin, zoo goed hij kon, de kleine bedden gezet en daardoor was er weinig ruimte gebleven, daar twee bedden aan een zijde van de kamer geplaatst waren en zoo kon men niet anders dan moeilijk er tusschen door gaan. De waard liet het minst slechte der drie bedden voor de beide metgezellen gereed maken en liet hen ter ruste gaan. Toen zij na eenigen tijd veinsden te slapen, liet de waard in een van de twee bedden de dochter liggen en hij ging zelf in het andere met zijn vrouw, die naast het bed de wieg plaatste, waarin haar zoontje lag. Toen Pinuccio alles gezien had en meende, dat zij alle sliepen, stond hij op en begaf zich naar het bed, waarin het door hem beminde meisje lag en ging naast haar liggen. Hij werd door haar[512]hoewel zij het angstig deed, blijde ontvangen en bleef en genoot, zooals zij verlangden. Terwijl Pinuccio bij het meisje was, liet een kat iets vallen, wat de vrouw des huizes, die wakker was geworden, merkte. Daarom vreezend dat er iets was, stond zij in het donker op en ging daarheen, waar zij het geluid had gehoord. Adriano moest toevallig opstaan voor een natuurlijke behoefte. Hij voelde de wieg en daar hij er niet langs kon zonder die op te heffen, nam hij die op en zette die naast het bed, waar hij zelf sliep. Toen hij voldaan had aan datgene, waarvoor hij was opgestaan, ging hij zonder zich om de wieg te bekommeren in bed. De donna, die gezocht had en bevond, dat er niet was, wat zij vreesde, dacht er aan een licht aan te steken, maar na tegen de kat gescholden te hebben keerde zij in het kamertje terug en op den tast ging zij recht op het bed af, waarin haar man sliep. Maar daar zij de wieg niet vond, zeide zij tot zich zelve: Wee mij, ongelukkige, zie wat ik deed! Ik ging recht in het bed van mijn gasten. Na de wieg te hebben gevonden ging zij in dat bed, waar die nu naast stond en legde zich naast Adriano neer. Adriano, die nog niet was ingeslapen, ontving haar goed en vriendelijk en deed zonder verder te spreken meer dan eens zijn plicht tot genoegen van de donna.
Pinuccio vreesde, dat de slaap hem zou overvallen na het genoegen, dat hij had gesmaakt. Hij stond naast haar op en keerde naar zijn bed terug. Daar gekomen en de wieg vindend, dacht hij, dat dit het bed van den waard was. Een weinig verder gaande, legde hij zich naast den waard, die door de komst van Pinuccio ontwaakte. Pinuccio, die waande, dat hij aan de zijde van Adriano lag, zeide: Ik zeg u, dat er niets heerlijker was dan Niccolosa; ik heb er het grootste genoegen van gehad, dat ooit een man met een vrouw kende en ik zeg u, dat ik meer dan zes mijlen heb afgelegd, voordat ik ben heengegaan. De waard, die de praatjes hoorde en wien dit niet erg beviel, zeide eerst tot zich zelf: Wat duivel, doet die hier? Daarna, meer geprikkeld dan voorzichtig, zeide hij: Pinuccio, gij hebt een groote laagheid gedaan en ik begrijp niet, waarom gij mij dat doet. Maar bij het Lichaam van God, ik zal het je betalen. Pinuccio, die niet zeer slim was en zijn dwaling niet bemerkte, beproefde zich niet te herstellen, maar zeide: Zeg, hoe zal ik het u vergoeden? Wat kunt gij mij doen? De vrouw van den waard sprak tot Adriano: Wee mij! Hoor de gasten, waarover hebben die samen woorden? Adriano sprak lachend: Laat gaan, dat God hun een slecht jaar geve; zij dronken gisteravond te veel. De donna, wien het scheen, dat zij haar man hoorde knorren, bemerkte opeens, waar zij was en met wien. Daarom als slimme vrouw, zonder een woord spreken, stond zij dadelijk op en na de wieg van haar zoontje te hebben opgenomen, droeg zij die met overleg naast het bed, waar hun dochter sliep en ging[513]naast deze liggen. Daarna doende of zij ontwaakt was, vroeg zij hem, wat hij met Pinuccio sprak. De echtgenoot antwoordde: Hoort gij niet, dat hij vertelt, wat hij vannacht bij Niccolosa gedaan heeft? De donna sprak: Hij liegt als een ketter. Hij heeft niet bij Niccolosa geslapen, want ik legde mij naast haar en vanaf dat oogenblik heb ik niet geslapen en als gij het gelooft, zijt gij een beest. Gij drinkt ’s avonds zooveel, dat gij ’s nachts droomend hier of daar heengaat, en het schijnt u dan, dat gij wonderen doet. Het is jammer, dat gij den hals niet breekt, maar wat doet Pinuccio daar? Waarom is hij niet in zijn bed? Van den anderen kant zeide Adriano, die zag, dat de donna slim haar schande en die van haar dochter verborg: Pinuccio, ik heb het je honderd keer gezegd niet buitenshuis te gaan, want het gebrek van u in den droom op te staan en verzinsels als waar te vertellen, zullen u nog eens leelijk ongeluk bezorgen. Kom hier terug, dat God u een slechten nacht geve. De waard, die dit hoorde begon al te licht te gelooven, dat Pinuccio gedroomd had. Daarom hem bij den schouder vattend, en heen en weer schuddend riep hij: Pinuccio, sta op; ga terug naar uw bed. Pinuccio, die vernomen had, wat er gezegd was, begon als iemand, die droomde in andere fantasiën te vervallen, waarom de waard ten zeerste lachte. Toen hij zich hoe langer hoe meer voelde schudden, deed hij of hij ontwaakte en Adriano roepend, zeide hij: Is het al dag, dat gij mij roept? Adriano sprak: Ja, kom hierheen. Deze nog altijd veinzend zeer slaperig te zijn, stond op en ging te bed met Adriano. Toen het dag werd en hij was opgestaan, ging de waard met hem spotten. Zoo pratende maakten de beide jongelingen hun paarden gereed, en laadden hun valiezen op; na met den waard te hebben gedronken en te zijn opgestegen kwamen zij te Florence, Tevreden over de wijze, waarop de zaak had plaats gehad, over het gevolg en na opnieuw maatregelen te hebben genomen, kwam Pinuccio weer met Niccolosa te samen, die haar moeder had verzekerd, dat hij bepaald had gedroomd. Daarom zeide de donna, zich de omhelzingen van Adriano herinnerend, dat zij alleen had gewaakt.[514]
[Inhoud]Zevende Vertelling.Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren,ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich[515]zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.
Zevende Vertelling.Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.
Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.
Talano van Molese droomt, dat een wolf de keel en het gelaat van zijn vrouw geheel verscheurt; hij zegt, dat zij op moet passen, zij doet het niet waarop het gebeurt.
Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren,ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich[515]zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.
Toen de geschiedenis van Pamfilo geëindigd was en de slimheid van de donna door allen was geprezen, zeide de koningin tot Pamfilo, dat zij de hare moest aanvangen, die aldus begon: Bekoorlijke donna’s. Vroeger is er reeds gesproken over de gebleken juistheid van droomen, waarover velen spotten. Hoewel er over gesproken is, zal ik niet nalaten er u een te vertellen, die zeer kort is, welke nog niet lang geleden een mijner buurvrouwen overkwam, omdat zij een droom, die haar man had, niet wilde gelooven.
Ik weet niet of gij hier Talano di Molese kent, een zeer eerbaar man. Deze had een meisje, Margarita genaamd, schoon boven alle anderen tot vrouw, maar meer dan elk was zij grillig, onaangenaam en zoo kregel, dat zij nooit iets naar het oordeel van anderen wilde doen, en hoe moeilijk dit ook voor Talano was te verduren, duldde hij dit, omdat het zoo moest. Op een nacht, toen Talano met zijn Margarita op een zijner landgoederen sliep, zag hij in een droom zijn vrouw door een zeer schoon bosch gaan, dat zij niet ver van hun huis hadden. Er kwam aan een kant een groote en wreede wolf te voorschijn, die snel haar naar de keel vloog en haar op den grond trok. Zij schreeuwde om hulp en trachtte zich aan hem te onttrekken. Toen zij uit zijn muil kwam, was haar gansche keel en gelaat verminkt. Toen hij den volgenden morgen opstond, zeide hij tot de vrouw: Vrouw, hoewel uw kregel karakter mij nooit heeft veroorloofd een goeden dag met u door te brengen, zou ik toch treurig zijn, wanneer u kwaad overkwam en daarom, indien gij naar mijn raad wilt luisteren,ga heden niet uit huis. Toen zij hem vroeg waarom, vertelde hij zijn droom. De donna, die het hoofd schudde, zeide: Wie u kwaad wil, droomt kwaad van u. Gij bekommert u zeer om mij, maar gij droomt van mij, wat gij wenscht en daarom zal ik er steeds voor oppassen u het genoegen te geven met dit of ander onheil. Daarop hernam Talano: Ik wist wel, dat gij zoo zoudt spreken, want wie iemand met hoofdzeer kamt, krijgt er geen dank voor, maar ik voor mij zeg u, dat om uw bestwil en nogmaals raad ik het u aan, dat gij vandaag thuis blijft of tenminste niet in ons bosch te gaan.
De donna sprak: Goed, ik zal het doen. En toen zeide zij in zich[515]zelf: Hebt gij gezien hoe hij boosaardig gelooft mij bang te maken, als ik vandaag naar het bosch ga? Hij heeft daar zeker een slechte vrouw ontboden en wil niet, dat ik hem er vind. O, hij zou goed blinden kunnen misleiden en ik zou wel dwaas zijn, als ik het geloofde. Maar hij zal het niet gedaan krijgen. Ik ga toch kijken, al moest ik er den ganschen dag waken om te zien welken koop hij heden wil sluiten.
Toen de man aan den eenen kant het huis verliet, ging zij er aan den anderen kant uit en heimelijk ging zij dadelijk naar het dichtste gedeelte van het bosch, verborg zich en bleef opletten.
Terwijl zij wachtte zonder aan den wolf te denken, komt daar zoo’n groot en vreeselijk dier vlak bij haar uit dicht struikgewas en zij kon ternauwernood: God, help mij! roepen, toen de wolf haar al naar de keel was gevlogen. Na haar stevig te hebben beetgepakt droeg hij haar weg, of zij een lammetje was. Zij kon zich niet verweren noch schreeuwen, zoo was haar keel toegeklemd en terwijl de wolf haar droeg, had die haar zeker geworgd, als niet een paar herders hem door hun kreten hadden gedwongen haar los te laten. Ellendig en ontdaan werd zij door de herders herkend en naar huis gedragen en na langdurige zorg door de doktoren genezen. Haar keel en een deel van haar gelaat waren zoo verminkt, dat zij steeds misvormd bleef en leelijk. Daarna schaamde zij zich te verschijnen, waar zij vroeger gezien was en beklaagde zich dikwijls over haar nukkigheid en onwil, hoewel het haar niets zou gekost hebben geloof te hechten aan den droom van haar man.
[Inhoud]Achtste Vertelling.Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.[516]Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou[517]U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat:Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat:geeft U hem robijnkleuren dievriendenzijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord vangeeft U hem robijnkleuren vanvrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messerFilippohem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk[518]was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.
Achtste Vertelling.Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.
Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.
Biondello drijft den spot met Ciacco door een middagmaal, waarover Ciacco zich listig wreekt door hem, een schandelijk pak slaag te geven.
Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.[516]Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou[517]U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat:Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat:geeft U hem robijnkleuren dievriendenzijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord vangeeft U hem robijnkleuren vanvrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messerFilippohem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk[518]was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.
Iedereen in het vroolijk gezelschap zeide, dat, wat Talano gezien had, in den slaap geen fantasie was geweest, maar een visioen, zóó was het uitgekomen. Maar toen iedereen zweeg, beval de koningin, dat Lauretta zou volgen, die sprak: Zeer wijze donna’s. Gelijk zij, die voor mij hebben gesproken, allen zijn begonnen te praten over een reeds behandelde zaak, zoo beweegt mij de geduchte wraak gisteren door Pampinea verteld, welke de student uitoefende, er een te verhalen, die pijnlijk genoeg was, hoewel niet zoo wreed. En daarom wil ik U het volgende vertellen.[516]
Er bevond zich te Florence iemand, die door allen Ciacco werd genoemd, de vraatzuchtigste man, die er ooit bestond. Daar hij de verteringen niet kon maken, die zijn gulzigheid vereischte en hij toch welgemanierd was en goed en geestig wist te antwoorden, deed hij zijn best in ’t geheel geen hoveling te zijn maar een tafelschuimer en bezocht hen, die rijk waren en die lekker aten. Bij hen ging hij dikwijls middag- en avondmalen, hoewel hij er nooit toe werd uitgenoodigd. Gelijktijdig leefde er iemand in Florence, die Biondello heette, klein van stuk, zeer keurig van kleeding en en schitterender dan een mot met zijn kapsel op het hoofd, zijn blonde dos, waarvan het eene haar niet langer was dan het ander, die hetzelfde vak als Ciacco (het zwijn) uitoefende. Toen hij op een morgen van de vasten zich daarheen had begeven, waar men de visch verkoopt en er twee zeer groote lampreien kocht voor messer Vieri de’ Cerchi, werd hij door Ciacco opgemerkt. Hij naderde Biondello en zeide: Wat beteekent dit? Biondello antwoordde hem: Men heeft er gisteren drie anderen gestuurd nog veel mooier dan dezen en een steur naar messer Corso Donati, die, daar zij niet voldoende waren om een paar edellieden te verzadigen, mij die twee anderen liet koopen. Zult gij er niet heengaan? Ciacco antwoordde, dat hij er komen zou. Toen het hem tijd scheen, begaf hij zich naar messer Corso en vond hem daar met enkelen van zijn buren, die nog niet waren gaan middagmalen. Hij antwoordde hun, toen deze hem vroeg, wat hij kwam doen: Mijnheer, ik kom met U en Uw gezelschap middagmalen. Messer Corso antwoordde hem: Gij zijt welkom en laat ons beginnen. Toen zij aan tafel zaten, aten zij eerst grauwe erwten en gezouten tonijn en gebakken visch uit den Arno. Ciacco, die het bedrog van Biondello bemerkt had en in stilte boos was, nam zich voor het hem te betalen. Kort daarop ontmoette hij hem, die reeds velen over den grap had doen lachen. Biondello, die hem zag, ontmoette hem en vroeg hem lachend, hoe de lampreien van messer Corso gesmaakt hadden, waarop Ciacco antwoordde: Voor acht dagen verstreken zijn, zult gij het mij nog veel beter weten te vertellen. En zonder het plan uit te stellen nam hij van Biondello afscheid, kwam met een slim makelaar den prijs overeen en na dien een glazen flesch te hebben gegeven, leidde hij hem in de buurt van de galerij der Cavicciuoli en wees hem daarin een ridder, messer Filippo Argenti, een groot, krachtig en sterk man, trotscher, driftiger en nukkiger dan wie ook en zeide tot hem: Gij zult naar dezen toegaan met die flesch in de hand en hem dit zeggen: Messer Biondello zendt mij tot U om U te verzoeken zoo goed te zijn die robijnkleur te geven met uw goeden rooden wijn, omdat hij zich wat met zijn vrienden vermaken wil, maar pas op, dat Argenti U niet bij de kladden neemt, want hij zou[517]U een kwaden dag bezorgen en gij zoudt mijn plannen er mee bederven. De makelaar sprak: Hebt u nog iets anders te zeggen? Ciacco zeide: Neen, ga maar. En als gij dit zult gezegd hebben, kom dan hier terug bij mij met de flesch en ik zal U betalen. Toen de makelaar was heengegaan, deed hij de boodschap aan messer Filippo. Messer Filippo, die weinig hersens had en meende, dat Biondello, dien hij kende, hem voor den gek wilde houden, sprak met ontvlamd gelaat:Wat maakt gij robijnrood en welke vrienden zijn dat? Dat God U en hem een slecht jaar zal geven!Hij stond op en stak den arm uit om den makelaar beet te pakken, maar deze nam de vlucht en ging langs een anderen weg naar Ciacco, die alles had gezien en zeide hem, wat messer Filippo had geantwoord. Ciacco betaalde tevreden den makelaar en rustte niet, eer hij Biondello had gevonden, tot wien hij zeide: Zijt gij een dezer dagen niet in de galerij der Cavicciuoli geweest? Biondello antwoordde: Wel neen, waarom vraagt gij mij dit? Ciacco zeide: Omdat messer Filippo U laat zoeken; ik weet niet, wat hij wil. Toen sprak Biondello: Goed, ik zal hem spreken.
Toen Biondello was weggegaan, ging Ciacco hem achterna om te zien, hoe dat zou afloopen. Messer Filippo, die den makelaar niet had kunnen krijgen, verging in zich zelf van toorn en kon uit de woorden van den makelaar niets anders halen dan, dat Biondello op aandrang van wien dan ook, hem voor den mal hield. Terwijl hij zoo kwaad was, kwam Biondello nader; zoodra hij dien zag, ging hij hem tegemoet en gaf hem een hevigen vuistslag in het gelaat. Wee mij, messer, zeide Biondel, wat is dat? Messer Filippo nam hem bij de haren, trok hem de kap van hoofd en na zijn mantel ter aarde hebben geworpen en hem stevig te hebben geranseld zeide hij: Verrader! Gij zult ondervinden, wat dat:geeft U hem robijnkleuren dievriendenzijn, die gij zendt om dat te zeggen! Meent gij, dat ik een kind ben? En hij beukte hem op het gezicht met ijzeren vuisten, liet hem geen haar meer op zijn hoofd en na hem door den modder te hebben gesleurd, verscheurde hij al zijn kleeren. Hij deed dit met zooveel kracht, dat Biondello geen woord kon spreken. Hij had wel iets gehoord vangeeft U hem robijnkleuren vanvrienden, maar hij wist niet, wat dat beteekende. Ten slotte nadat messerFilippohem leelijk had geslagen en er veel menschen om heen kwamen, trokken die hem met de grootste moeite verminkt en verbijsterd uit zijn handen.
Zij zeiden hem, waarom messer Filippo dat had gedaan en laakten hem om wat hij gezegd had en beweerden, dat messer Filippo geen man was om mee te spotten.
Biondello verontschuldigde zich klagend en zeide, dat hij messer Filippo nooit om wijn had gevraagd. Toen hij een beetje hersteld was, ging hij verslagen naar huis in de meening, dat dit het werk[518]was van Ciacco. En toen na eenige dagen de schrammen op zijn gezicht verdwenen waren, ging hij weer uit en vond hij Ciacco, die hem lachend vroeg: Biondello, hoe lijkt U de wijn van messer Filippo? Biondello antwoordde: Hadden de lampreien van messer Corso U maar zoo bevallen. Toen sprak Ciacco: Het hangt voortaan van U af, dat, wanneer gij mij zoo wilt te eten geven, ik ook U zóó te drinken geef.
Biondello, die wist, dat hij bij Ciacco meer kwaad dan goed kon opdoen, bad God, dat die hem met vrede zou laten en paste voortaan op hem niet meer voor den mal te houden.
[Inhoud]Negende Vertelling.Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping[519]waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hemvoor hun moeilijkste en neteligste zaken om raaden onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen7van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde[520]zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg.Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso[521]gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van hetGa naar den Ganzenbruggehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.
Negende Vertelling.Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.
Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.
Twee jongelieden vragen raad aan Salomo, de een: hoe hij bemind kan worden, de ander: hoe hij zijn weerspannige vrouw kan verbeteren. Aan den een antwoordt hij lief te hebben, aan den ander naar de Ganzenbrug te gaan.
Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping[519]waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hemvoor hun moeilijkste en neteligste zaken om raaden onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen7van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde[520]zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg.Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso[521]gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van hetGa naar den Ganzenbruggehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.
Er bleef voor niemand te vertellen over dan de koningin, want zij wilde het voorrecht voor Dioneo behouden, en zij begon, toen de donna’s genoeg hadden gelachen om den ongelukkigen Biondello, vroolijk aldus: Beminnelijke donna’s. Als men met een goeden geest de orde der dingen beschouwt, zal men gemakkelijk zien, hoe de meerderheid der vrouwen door de natuur en de gewoonten en de wetten onderworpen is aan de mannen en dat zij zich moeten regelen en gedragen naar hun besluiten. En om rust, troost en vrede te hebben met een man moet zij nederig, geduldig en gehoorzaam zijn en zeker eerbaar wezen, wat de hoogste schat is van elke verstandige vrouw. En wanneer de wetten, die het algemeen belang op het oog hebben, het ons niet leerden, de gewoonten en de gebruiken, wier krachten groot en eerbiedwaardig zijn, zou de natuur het ons duidelijk bewijzen; zij schiep ons met fijne en broze lichamen, met verlegen en schuchtere zielen, maakte onze lichaamskrachten gering, onze stemmen bekoorlijk en onze bewegingen bevallig. Dit bewijst duidelijk, dat wij door anderen geregeerd moeten worden. En wie daaraan behoefte heeft, moet gehoorzaam en eerbiedig zijn jegens zijn meester. Wie hebben wij anders tot heeren en helpers dan de mannen? Dus moeten wij ze vereeren en ons onderwerpen. Wie van dien regel afwijkt, acht ik een ernstige berisping[519]waard en een harde kastijding. Tot deze beschouwing voert mij, wat Pampinea van de weerspannige vrouw van Talano verhaalde, aan welke God die kastijding zond, die haar man haar niet kon geven en daarom acht ik allen een strenge en harde straf waard, die er van afwijken bekoorlijk, welwillend en onderworpen te zijn.
Het behaagt mij U een oordeel van Salomo te vertellen als een goed middel om hen te genezen, die met deze kwaal behept zijn. Geen goede vrouw behoeft te denken, dat het voor haar is gezegd, hoewel de mannen dit spreekwoord gebruiken: een goed en een slecht paard heeft de sporen noodig, een goede en een slechte vrouw den stok. Wie in scherts deze woorden wilde uitleggen, geeft men licht toe, dat ze waar zijn. Wie ze ernstig zou willen opvatten, zeg ik, dat ze moet erkennen. Alle vrouwen zijn van nature bewegelijk en buigzaam en daarom is het noodig, dat men ze met den stok straft. Wie te veel buiten de termen gaan verdienen er straf mee en opdat de deugd van de goeden versterkt wordt, moet de stok ze steunen en bang maken. Maar ik zal nu het preeken ter zijde laten om te komen tot, wat ik wil zeggen.
Door de geheele oude wereld was de roem van de wonderbaarlijke wijsheid van Salomo al verbreid en de mildheid, waarmee hij ieder de bewijzen er van gaf, die dit met zekerheid wilde weten. Velen van verschillende deelen der aarde kwamen bij hemvoor hun moeilijkste en neteligste zaken om raaden onder anderen vertrok daartoe een zeer rijk en adellijk jongeling, Melisso uit de stad Lajazzo. Terwijl hij te paard naar Jeruzalem toog, verliet een ander jonkman Jozef Antiochië langs denzelfden weg. Gelijk het de gewoonte der reizigers is, knoopte hij met hem een gesprek aan. Nadat Melisso van Jozef zijn toestand had vernomen en vanwaar hij was, vroeg hij hem, waar hij heenging en waarom, en Jozef antwoordde, dat hij naar Salomo ging om hem raad te vragen over zijn echtgenoote, die meer dan eenige andere vrouw weerspannig en boosaardig was en die hij noch met gebeden noch met liefkoozingen noch hoe ook van haar onwil kon afbrengen. Daarna vroeg hij ook hem, vanwaar hij was en waar hij heenging en waarom, waarop Melisso antwoordde: Ik ben van Lajazzo en zoo’n ongeluk heb ik ook. Ik ben een rijk jonkman en ik verteer mijn bezit door mijn medeburgers aan tafel te noodigen en te ontvangen en het is zonderling te moeten denken, dat ik toch geen mensch vind, die mij goed wil doen en daarom ga ik mij raad schaffen om bemind te worden. Aldus reisden zij te samen en in Jeruzalem gekomen werden zij door een der baronnen7van Salomo voor den koning geleid. Melisso verklaarde[520]zijn toestand. Hem antwoordde Salomo: Heb lief. En toen dit gezegd was, werd Melisso dadelijk buiten gebracht en Jozef zeide, waarom hij gekomen was. Hierop antwoordde Salomo niets anders dan: Ga naar de Ganzenbrug. Na die woorden werd Jozef eveneens zonder verwijl uit de tegenwoordigheid des konings geleid en vond Melisso terug en zeide hem, welk antwoord hij kreeg.Toen zij de bedoeling noch het voordeel er van konden begrijpen, gingen zij, of ze misleid waren, terug. Nadat zij eenige dagen voortgetrokken waren, kwamen zij bij een rivier, waarover een schoone brug spande en daar er een groote karavaan van muilezels en paarden met lasten overging, moesten zij wachten. Toen haast alles voorbij was, werd een muildier opeens schichtig en het wilde niet voort. De drijver nam een knuppel en sloeg het hevig. Maar de muilezel liep rechts, links en terug, doch wilde volstrekt niet vooruit. De verwoede drijver gaf hem overal nog duchtiger slagen, maar het gaf niets. Melisso en Jozef zeiden meermalen tot den drijver: Zeg, stommeling, wat doe je? Wilt gij hem dooden? Waarom doet gij Uw best niet hem vriendelijk en zachtjes te leiden! Hij zal dan eerder gaan dan door hem te ranselen. De drijver antwoordde: Gij kent Uw paarden en ik mijn muildier; laat mij dus met hem gaan. En hierna begon hij hem opnieuw te ranselen en gaf hem zooveel slaag, dat de ezel vooruit ging en de drijver dien bleek te kennen. Toen de jongelieden wilden vertrekken, vroeg Jozef aan een man, die aan den ingang van de brug zat, hoe of die plaats heette. De man antwoordde: Messere, zij heet de Ganzenbrug. Toen Jozef dit gehoord had, herinnerde hij zich de woorden van Salomo en sprak tot Melisso: Nu ik zeg U, kameraad, dat de raad mij door Salomo gegeven goed en waar kan zijn, omdat ik nu duidelijk inzie, dat ik mijn vrouw niet genoeg sloeg. Deze muilezeldrijver heeft mij getoond wat ik doen moet. Toen zij na eenige dagen te Antiochië waren aangekomen, hield Jozef Melisso eenigen tijd bij zich om uit te rusten en hij werd zeer koeltjes door de vrouw ontvangen. Jozef zeide haar het avondmaal gereed te maken, gelijk Melisso zou vaststellen. Toen Melisso zag, dat dit Jozef beviel, gaf hij dit met weinig woorden te kennen. De donna, als naar gewoonte, deed het niet, gelijk Melisso het aangaf, maar bijna geheel tegenovergesteld. Toen Jozef dit zag, zeide hij woedend: Was het U niet gezegd, hoe gij het avondmaal moest gereed maken? De donna, die zich trots omkeerde, sprak: Wat wil dat zeggen? Zeg, waarom eet gij niets als gij wilt avondmalen? Het is mij wel zoo gezegd, maar het beviel mij niet het zoo te doen. Als het U bevalt, des te beter; zoo niet, laat het staan. Melisso verwonderde zich over het antwoord van de donna en laakte haar zeer. Jozef sprak: Vrouw, gij zijt nog steeds dezelfde, maar geloof me, dat ik je zal veranderen. Tot Melisso[521]gekeerd, sprak hij: Vriend, spoedig zullen wij den raad van Salomo beproeven; laat het U niet hinderen en houdt niet voor een spel, wat ik zal doen; denk aan het antwoord van den drijver. Melisso sprak hierop: Ik ben in Uw huis en zal U daarin niet lastig vallen. Jozef, die een gladden stok had gevonden van een jongen eikentak, begaf zich in de kamer, waar de donna brommend heen was gegaan. Hij nam haar bij de haren, wierp haar op den grond en begon hard te slaan. De donna schreeuwde en dreigde, maar jozef hield niet op en zij begon geheel gebroken om genade te vragen, opdat hij haar niet zou vermoorden en zeide, dat zij nooit iets meer tegen zijn zin zou doen. Jozef hield niet op, maar sloeg integendeel nog met meer woede dan eens op de zijden, op de heupen, op de schouders en ranselde, totdat hij moede was. Geen been en geen deel van haar rug bleef ongedeerd.
Daarna ging hij naar Melisso en sprak: Morgen zullen wij zien welk gevolg de raad van hetGa naar den Ganzenbruggehad heeft. Na eenigen tijd gerust te hebben en zich de handen te hebben gewasschen, avondmaalde hij met Melisso en toen het tijd was, gingen zij slapen. De boosaardige vrouw stond met groote moeite op en wierp zich te bed; ’s ochtends zeer vroeg opgestaan, liet zij Jozef vragen, wat zij zou klaar maken. Hij, die om deze vraag met Melisso lachte, gaf dit op en daarop vonden zij op den bepaalden tijd teruggekeerd alles en in de opgegeven orde gereed. Toen prezen zij den vernomen raad ten zeerste. Na eenige dagen vertrok Melisso en teruggekeerd, vertelde hij aan een wijs man, wat hij van Salomo had gehoord. Deze sprak tot hem: Ik kan U geen waarder noch beter raad geven. Gij weet, dat gij niemand lief hebt en de eerbewijzen en de diensten, die gij verstrekt, schenkt gij niet uit naastenliefde maar uit praalzucht. Heb dus lief, gelijk Salomo zeide, en men zal U lief hebben. Aldus werd de weerspannige vrouw gekastijd en de jongeling werd bemind.
[Inhoud]Tiende Vertelling.Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden[522]begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw[523]maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd:doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als[524]ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die metblijdschapde hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zalvan hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:[525]Ik ben heel jong en gaarneVerheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.Dank zij de liefde en de zoete gedachten.Ik ga door de groene weiden en aanschouwDe witte en gele en roode bloemen,De rozen op de struiken en de blanke leliën,En allen ga ik vergelijkenMet het gelaat van hem, die mij beminde,En mij nam en mij altijd zal houden als haar,Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.Wanneer ik er van dezen een vind,Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijktPluk ik die, kus ik die en spreek ik tot dezeEn, gelijk ik weet, openbaar ik dieGeheel mijn ziel en al wat zij begeert;Dan met de anderen maak ik daarvan een kransGewonden door mijn blonde en lichte haren.En hetzelfde genot, dat de bloem van natureSchenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,Alsof ik de persoon zelf zag,Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;Dat wat zijn zoete geur mij geeft,Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.Zij verlaten nooit mijn gemoedAls van de andere donna’s, bitter noch zwaar,Maar zij ontsnappen dit warm en zachtEn gaan tot mijn liefde’s aanschijn,Die, als hij ze voelt, om mij te behagenZijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.[526]
Tiende Vertelling.Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.
Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.
Donno Ganni betoovert op aandringen van zijn peet Pietro de vrouw van deze, zoodat ze in een merrie verandert. Wanneer hij er een staart aan wil hechten, verstoort peet Pietro, omdat hij er geen staart bij wil hebben, de geheele betoovering.
De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden[522]begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw[523]maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd:doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als[524]ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die metblijdschapde hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zalvan hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:[525]Ik ben heel jong en gaarneVerheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.Dank zij de liefde en de zoete gedachten.Ik ga door de groene weiden en aanschouwDe witte en gele en roode bloemen,De rozen op de struiken en de blanke leliën,En allen ga ik vergelijkenMet het gelaat van hem, die mij beminde,En mij nam en mij altijd zal houden als haar,Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.Wanneer ik er van dezen een vind,Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijktPluk ik die, kus ik die en spreek ik tot dezeEn, gelijk ik weet, openbaar ik dieGeheel mijn ziel en al wat zij begeert;Dan met de anderen maak ik daarvan een kransGewonden door mijn blonde en lichte haren.En hetzelfde genot, dat de bloem van natureSchenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,Alsof ik de persoon zelf zag,Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;Dat wat zijn zoete geur mij geeft,Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.Zij verlaten nooit mijn gemoedAls van de andere donna’s, bitter noch zwaar,Maar zij ontsnappen dit warm en zachtEn gaan tot mijn liefde’s aanschijn,Die, als hij ze voelt, om mij te behagenZijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.[526]
De novelle door de koningin verhaald, deed de donna’s een weinig mompelen en de jongelieden lachen, maar toen zij ophielden[522]begon Dioneo aldus te spreken: Lieve donna’s. Tusschen witte duiven schijnt een zwarte raaf schooner dan een vlekkelooze zwaan. Evenzoo vermeerdert te midden van vele wijzen een minder verstandige de glans en de schoonheid van hun verstand, hun genoegen en vermaak. Aldus moet ik, daar gij allen zeer bescheiden en gematigd zijt, te meer waard zijn, ik, die integendeel weinig geest heb en Uw deugd meer doen schitteren door mijn minderwaardigheid. Bijgevolg moet ik grooter vrijheid hebben om mij te toonen, gelijk ik ben. Ik moet met meer geduld door U worden aangehoord, wat niet zou moeten gebeuren, indien ik wijzer was. Ik zal U een niet al te lange historie vertellen, waaruit gij kunt begrijpen, hoezeer zij moeten oppassen, die iets door tooverkracht willen gedaan krijgen en hoe een kleine fout alles bederft.
Het vorige jaar was er te Barletta een priester, donno Gianni van Barolo, die slechts een arme parochie had om van te leven en daarom op een merrie hier en daar op de jaarmarkten in Apulië zaken deed. Aldus reizend sloot hij intieme vriendschap met zekeren Pietro van Tresanti, die hetzelfde vak met een ezel uitoefende en tot teeken van genegenheid noemde hij hem op de Apulische manier peet Pietro; zoo vaak hij in Barletta aankwam, leidde hij hem altijd naar zijn kerk, hield hem daar bij zich in huis en ontving hem zoo goed als hij kon. Peet Pietro, die zeer arm was en een huisje had in Tresanti, ternauwernood groot genoeg voor hem, zijn dochter, zijn schoone vrouw en zijn ezel, ontving donno Gianni, zoo dikwijls die in Tresanti was, in zijn woning uit erkentelijkheid voor het onthaal bij dezen in Barletta genoten. Maar peet Pietro had niets anders tot logies dan een klein bed, waarin hij met zijn vrouw sliep, en kon hem niet huisvesten, gelijk hij wilde, maar hij legde hem te slapen op een weinig stroo in een kleinen stal, waar het paard van den heer Gianni naast zijn ezel stond. De donna wist, hoe de priester haar man te Barletto ontving en had meermalen, wanneer de priester bij hen kwam, willen gaan slapen bij een buurvrouw, Zita Carapresa van Giudice Leo, opdat de priester bij haar echtgenoot in het bed zou slapen, maar hij wilde het nooit. Eens sprak hij tot haar: Petemoeder Gemmata, stel U over mij gerust, want als het mij bevalt, verander ik dit paard in een mooi jong meisje en slaap daarmee. Wanneer ik het wil, wordt zij weer merrie en daarom wil ik er niet van scheiden. De jonge vrouw verwonderde zich, geloofde hem, vertelde dit aan haar man en voegde er bij: indien hij zoo Uw vriend is, waarom laat gij U dan die tooverij niet leeren, want dan kunt gij van mij een paard maken en zaken doen met den ezel en de merrie en wij zullen het dubbele winnen. Wanneer wij naar huis zullen terugkeeren, kunt gij mij dan niet weer de vrouw[523]maken, die ik ben? Peet Pietro, die zeer onnoozel was, vereenigde zich met dien raad en verzocht donno Gianni hem dit te leeren. Donno Gianni deed zijn best hem die dwaasheid uit het hoofd te praten, maar daar hij dit niet kon, zeide: Kijk, omdat gij het toch wilt, zullen wij morgen opstaan, voor het dag is en ik zal U dit toonen. Het moeielijkste is er de staart aan te hechten. Peet Pietro en petemoeder Gemmata sliepen ’s nachts nauwelijks; met zooveel verlangen wachtten zij. Zij stonden kort voor den dageraad op en riepen donno Gianni, die in zijn hemd in de kamer van peet Pietro kwam en zeide: Ik weet niemand, voor wien ik dit zou doen behalve voor U. Gij moet nakomen, wat ik U zal zeggen. Zij zeiden, dat zij zouden doen, wat hij zou gelasten.
Donno Gianni gaf aan peet Pietro een kaars en zeide: Let wel op, wat ik doe en onthoud goed, hoe ik spreek en pas op, als gij er op gesteld zijt, niet alles te bederven, dat gij, bij wat gij ook hoort of ziet, geen enkel woord spreekt. En bidt God, dat de staart er goed wordt aangehecht. Peet Pietro nam de kaars aan en zeide, dat hij alles zou doen. Daarop liet donno Gianni petemoeder Gemmata uitkleeden, zoo naakt als ze geboren was, en liet haar de handen en de voeten op den grond zetten gelijk de paarden en onderrichtte haar ook, dat zij bij al, wat er zou gebeuren, niets zou zeggen. Hij begon haar de handen, het gezicht en het hoofd aan te raken en sprak: Dit zij de schoone kop van het paard en na haar de haren te hebben beroerd, zeide hij: Dat zullen de schoone manen van het paard zijn. Daarna de armen aanrakend, zeide hij: Dit zullen de mooie pooten en de hoeven van de merrie zijn. Daarna betastte hij haar de borst en daar hij die hard en rond vond, voelde hij ontwaken, wat niet genoemd kan worden en zeide: En dit zij de schoone borst van het paard. En zoo deed hij met de ruggegraat en de buik, met de achterste, met de dijen en met de beenen.
Ten slotte, toen er niets meer te tooveren was dan de staart, zeide hij geen weerstand meer biedend aan zijn hartstocht: En dit wordt de mooie staart van de merrie. Peet Pietro, die aandachtig tot nu toe bij alles had toegezien en die ook dit zag en wien dit niet goed scheen, sprak: O donno Gianni, ik wil er geen staart bij, ik wil er geen staart bij! Maar de vruchtbare stamper, waardoor alle planten wortel schieten, was er al, toen donno Gianni zeide: O wee, peet Pietro, wat hebt gij gedaan! Zei ik U niet, dat gij geen woord zou spreken bij al wat gij ziet? Maar gij hebt met praten alles bedorven en er is geen middel meer het over te doen. Peet Pietro zeide: Goed, dien staart wil ik er niet aan. Waarom hebt gij niet tegen mij gezegd:doet gij dit? en bovendien hebt gij dien er te laag aan gehangen. Donno Gianni sprak: Waarom hebt gij dien er niet eerst even goed aan kunnen hechten als[524]ik? De vrouw, die deze woorden hoorde, stond op en zeide te goeder trouw tot haar man: Ezel, die je bent, waarom heb je Uw zaken en de mijnen bedorven? Welke merrie hebt gij ooit zonder staart gezien? Als God mij helpt: gij zijt arm, maar het zou jammer wezen, als gij niet nog veel armer zoudt worden. Daar er dus geen middel meer was om van de vrouw een merrie te maken, kleedde zij zich treurig en neerslachtig weer aan en peet Pietro legde er zich weer op toe met een ezel, gelijk hij gewoon was, zijn oud beroep uit te oefenen ging met donno Gianni te samen naar de jaarmarkt van Bitonto en vroeg hem nooit meer zulk een dienst.
Hoe zeer men om die geschiedenis lachte, beter door de donna’s begrepen dan Dioneo wilde, kan ieder denken, die er nog om zal lachen. Maar toen de verhalen geëindigd waren en de zon al begon te verkoelen, stond de koningin op, die het einde van haar heerschappij gekomen zag. Na zich den krans van het hoofd te hebben genomen, zette zij dien Pamfilo op het hoofd, die daarvoor alleen nog overbleef en glimlachend sprak zij: Mijn heer, een groote last valt U ten deel, die nu de laatste zijt om deze te vervullen, waarvoor God U de genade verleene gelijk aan mij om U koning te doen zijn. Pamfilo, die metblijdschapde hulde ontving, antwoordde: Uw deugd en die mijner andere onderdanen zal maken, dat ik eveneens te prijzen zal zijn. Na volgens de gewoonte van zijn voorgangers met den hofmeester over de noodige zaken te hebben beschikt, keerde hij zich tot de wachtende donna’s en zeide: Verliefde donna’s. De bescheidenheid van Emilia, die heden onze koningin is geweest, gaf U tot ontspanning vrije keuze te spreken over, wat U het meest zou behagen. Daar gij nu uitgerust zijt, acht ik het goed tot de gebruikelijke wetten terug te keeren en daarom wil ik, dat iedereen morgen spreken zalvan hen, die door mildheid of grootmoedigheid iets hebben verricht om liefde of om andere dingen. Als gij dit vertelt, zal het Uw zielen zeker tot welgezind en verdienstelijk handelen stemmen. Want ons leven, dat in ons sterfelijk lichaam niet anders dan kort kan zijn, vereeuwigt zich door den roem. Iedereen, die niet gelijk de dieren slechts den buik dient, moet dit verlangen en ook met allen ijver dit doen. Het thema beviel aan het vroolijk gezelschap, dat met verlof van den nieuwen koning opstond en zich aan de gewone genoegens overgaf, elk naar zijn verlangen en zoo deden zij tot het avondmaal. Toen zij daar verheugd weer waren samengekomen en alle met ijver en orde waren bediend, stonden zij op voor hun gebruikelijke dansen en voor misschien duizend liederen, die aardiger van woorden dan meesterlijk van klank waren.
Hierna beval de koning aan Neifile, dat zij er een zou zingen.
Deze met klare en blijde stem begon bekoorlijk en zonder verwijl aldus:[525]
Ik ben heel jong en gaarneVerheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.Dank zij de liefde en de zoete gedachten.Ik ga door de groene weiden en aanschouwDe witte en gele en roode bloemen,De rozen op de struiken en de blanke leliën,En allen ga ik vergelijkenMet het gelaat van hem, die mij beminde,En mij nam en mij altijd zal houden als haar,Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.Wanneer ik er van dezen een vind,Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijktPluk ik die, kus ik die en spreek ik tot dezeEn, gelijk ik weet, openbaar ik dieGeheel mijn ziel en al wat zij begeert;Dan met de anderen maak ik daarvan een kransGewonden door mijn blonde en lichte haren.En hetzelfde genot, dat de bloem van natureSchenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,Alsof ik de persoon zelf zag,Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;Dat wat zijn zoete geur mij geeft,Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.Zij verlaten nooit mijn gemoedAls van de andere donna’s, bitter noch zwaar,Maar zij ontsnappen dit warm en zachtEn gaan tot mijn liefde’s aanschijn,Die, als hij ze voelt, om mij te behagenZijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!
Ik ben heel jong en gaarneVerheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.Dank zij de liefde en de zoete gedachten.
Ik ben heel jong en gaarne
Verheug ik mij en ik zing in het nieuwe seizoen.
Dank zij de liefde en de zoete gedachten.
Ik ga door de groene weiden en aanschouwDe witte en gele en roode bloemen,De rozen op de struiken en de blanke leliën,En allen ga ik vergelijkenMet het gelaat van hem, die mij beminde,En mij nam en mij altijd zal houden als haar,Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.
Ik ga door de groene weiden en aanschouw
De witte en gele en roode bloemen,
De rozen op de struiken en de blanke leliën,
En allen ga ik vergelijken
Met het gelaat van hem, die mij beminde,
En mij nam en mij altijd zal houden als haar,
Die geen andere gedachten heeft dan zijn genoegens.
Wanneer ik er van dezen een vind,Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijktPluk ik die, kus ik die en spreek ik tot dezeEn, gelijk ik weet, openbaar ik dieGeheel mijn ziel en al wat zij begeert;Dan met de anderen maak ik daarvan een kransGewonden door mijn blonde en lichte haren.
Wanneer ik er van dezen een vind,
Die, naar ’t mij schijnt, hem wel gelijkt
Pluk ik die, kus ik die en spreek ik tot deze
En, gelijk ik weet, openbaar ik die
Geheel mijn ziel en al wat zij begeert;
Dan met de anderen maak ik daarvan een krans
Gewonden door mijn blonde en lichte haren.
En hetzelfde genot, dat de bloem van natureSchenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,Alsof ik de persoon zelf zag,Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;Dat wat zijn zoete geur mij geeft,Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.
En hetzelfde genot, dat de bloem van nature
Schenkt aan de oogen, dit zelfde geeft het mij,
Alsof ik de persoon zelf zag,
Die mij met zijn zoete liefde heeft ontvlamd;
Dat wat zijn zoete geur mij geeft,
Zou ik niet met woorden kunnen uitdrukken,
Maar mijn zuchten zijn er de oprechte getuigen van.
Zij verlaten nooit mijn gemoedAls van de andere donna’s, bitter noch zwaar,Maar zij ontsnappen dit warm en zachtEn gaan tot mijn liefde’s aanschijn,Die, als hij ze voelt, om mij te behagenZijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!
Zij verlaten nooit mijn gemoed
Als van de andere donna’s, bitter noch zwaar,
Maar zij ontsnappen dit warm en zacht
En gaan tot mijn liefde’s aanschijn,
Die, als hij ze voelt, om mij te behagen
Zijn ziel naar mij beweegt en tot mij ijlt,
Als ik op het punt sta te zeggen: O kom, dat ik niet wanhoop!
Het lied van Neifile werd zoowel door de koning als door de donna’s zeer geprezen en daar de nacht al ver was gevorderd, beval de koning toen, dat elk zou gaan rusten.[526]