[Inhoud]Negende Vertelling.Saladin vermomd als koopman wordt ontvangendoormesser Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon3, die daar[566]al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet[567]uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen eneekhoren-vellenen daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden[568]door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden[569]voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich[570]kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens[571]sprak Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet[572]alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar gij[573]verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt.Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met vele tranen:Ga met Goden ging de kamer uit; al de andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van nooit[574]geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om te vertellen.Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij:God helpe ons!Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u nietoveronze vrees, omdat er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze was verheugd over zijn fortuin,[575]en zij dankten samen God. Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt.De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig[576]en als vriend, dat hijmet zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen.[Inhoud]Tiende Vertelling.De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het spook4zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen[577]nog had te spreken, begon hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde.Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past.En uw geloof, dat gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in[578]alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt.Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar[579]dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik … meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De[580]donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij[581]haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen,[582]waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en[583]de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en[584]nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.Griselda.Griselda.10eDag—10eVertelling.De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:Indien Amor zonder ijverzucht zou komenWeet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezenMeer verheugd dan ik.Indien blijde jeugdMet een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moetOf waarde van deugdOf moed of dapperheid,Verstand, fraaie manieren of sierlijke taalOf volmaakte bekoorlijkhedenBen ik die, zeker want tot mijn heilVerliefd zag ikDie allen in hem, die mijn hoop is.Maar omdat ik bemerk,Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,Beef ik van angstEn vrees ik voor erger.Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,Die mij de ziel ontneemt;En wat mij het hoogste geluk is,Maakt mij troosteloos,Doet mij diep zuchten en ellendig leven.[585]Als ik zoo vertrouwdeIn mijn heer als ik zijn waarde besef,Zou ik niet jaloersch zijn;Maar men ziet er zooveel,Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,Dat ik ze allen voor schuldig houd.Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,En van elk, die hij aanziet,Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.Bij God, dat elke donnaGewaarschuwd zij, dat zij niet overlegtMij hiermee te grievenWant als er een zou wezen,Die met woorden of teekens of liefkoozingenMij hierin zou schaden,Of die veroorzaken en ik het zou wetenZou ik misvormd willen worden,Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.[586]
[Inhoud]Negende Vertelling.Saladin vermomd als koopman wordt ontvangendoormesser Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon3, die daar[566]al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet[567]uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen eneekhoren-vellenen daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden[568]door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden[569]voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich[570]kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens[571]sprak Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet[572]alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar gij[573]verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt.Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met vele tranen:Ga met Goden ging de kamer uit; al de andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van nooit[574]geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om te vertellen.Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij:God helpe ons!Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u nietoveronze vrees, omdat er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze was verheugd over zijn fortuin,[575]en zij dankten samen God. Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt.De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig[576]en als vriend, dat hijmet zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen.[Inhoud]Tiende Vertelling.De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het spook4zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen[577]nog had te spreken, begon hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde.Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past.En uw geloof, dat gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in[578]alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt.Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar[579]dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik … meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De[580]donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij[581]haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen,[582]waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en[583]de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en[584]nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.Griselda.Griselda.10eDag—10eVertelling.De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:Indien Amor zonder ijverzucht zou komenWeet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezenMeer verheugd dan ik.Indien blijde jeugdMet een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moetOf waarde van deugdOf moed of dapperheid,Verstand, fraaie manieren of sierlijke taalOf volmaakte bekoorlijkhedenBen ik die, zeker want tot mijn heilVerliefd zag ikDie allen in hem, die mijn hoop is.Maar omdat ik bemerk,Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,Beef ik van angstEn vrees ik voor erger.Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,Die mij de ziel ontneemt;En wat mij het hoogste geluk is,Maakt mij troosteloos,Doet mij diep zuchten en ellendig leven.[585]Als ik zoo vertrouwdeIn mijn heer als ik zijn waarde besef,Zou ik niet jaloersch zijn;Maar men ziet er zooveel,Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,Dat ik ze allen voor schuldig houd.Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,En van elk, die hij aanziet,Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.Bij God, dat elke donnaGewaarschuwd zij, dat zij niet overlegtMij hiermee te grievenWant als er een zou wezen,Die met woorden of teekens of liefkoozingenMij hierin zou schaden,Of die veroorzaken en ik het zou wetenZou ik misvormd willen worden,Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.[586]
[Inhoud]Negende Vertelling.Saladin vermomd als koopman wordt ontvangendoormesser Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon3, die daar[566]al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet[567]uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen eneekhoren-vellenen daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden[568]door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden[569]voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich[570]kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens[571]sprak Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet[572]alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar gij[573]verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt.Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met vele tranen:Ga met Goden ging de kamer uit; al de andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van nooit[574]geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om te vertellen.Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij:God helpe ons!Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u nietoveronze vrees, omdat er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze was verheugd over zijn fortuin,[575]en zij dankten samen God. Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt.De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig[576]en als vriend, dat hijmet zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen.[Inhoud]Tiende Vertelling.De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het spook4zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen[577]nog had te spreken, begon hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde.Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past.En uw geloof, dat gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in[578]alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt.Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar[579]dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik … meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De[580]donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij[581]haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen,[582]waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en[583]de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en[584]nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.Griselda.Griselda.10eDag—10eVertelling.De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:Indien Amor zonder ijverzucht zou komenWeet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezenMeer verheugd dan ik.Indien blijde jeugdMet een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moetOf waarde van deugdOf moed of dapperheid,Verstand, fraaie manieren of sierlijke taalOf volmaakte bekoorlijkhedenBen ik die, zeker want tot mijn heilVerliefd zag ikDie allen in hem, die mijn hoop is.Maar omdat ik bemerk,Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,Beef ik van angstEn vrees ik voor erger.Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,Die mij de ziel ontneemt;En wat mij het hoogste geluk is,Maakt mij troosteloos,Doet mij diep zuchten en ellendig leven.[585]Als ik zoo vertrouwdeIn mijn heer als ik zijn waarde besef,Zou ik niet jaloersch zijn;Maar men ziet er zooveel,Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,Dat ik ze allen voor schuldig houd.Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,En van elk, die hij aanziet,Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.Bij God, dat elke donnaGewaarschuwd zij, dat zij niet overlegtMij hiermee te grievenWant als er een zou wezen,Die met woorden of teekens of liefkoozingenMij hierin zou schaden,Of die veroorzaken en ik het zou wetenZou ik misvormd willen worden,Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.[586]
[Inhoud]Negende Vertelling.Saladin vermomd als koopman wordt ontvangendoormesser Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon3, die daar[566]al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet[567]uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen eneekhoren-vellenen daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden[568]door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden[569]voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich[570]kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens[571]sprak Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet[572]alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar gij[573]verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt.Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met vele tranen:Ga met Goden ging de kamer uit; al de andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van nooit[574]geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om te vertellen.Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij:God helpe ons!Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u nietoveronze vrees, omdat er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze was verheugd over zijn fortuin,[575]en zij dankten samen God. Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt.De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig[576]en als vriend, dat hijmet zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen.
Negende Vertelling.Saladin vermomd als koopman wordt ontvangendoormesser Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.
Saladin vermomd als koopman wordt ontvangendoormesser Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.
Saladin vermomd als koopman wordt ontvangendoormesser Torello, die een Kruistocht medemaakt. Messer Torello stelt voor zijn vrouw een termijn om weer te mogen huwen. Hij wordt gevangen genomen en door den Sultan opgemerkt als valkenier. De Sultan herkent hem en wordt herkend en ontvangt hem zeer goed. Messer Torello wordt ziek en wordt door tooverkunst in één nacht naar Pavia overgebracht op de bruiloft, welke men voor zijn hertrouwde vrouw maakte, door haar herkend en keert met haar naar huis terug.
Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon3, die daar[566]al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet[567]uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen eneekhoren-vellenen daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden[568]door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden[569]voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich[570]kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens[571]sprak Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet[572]alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar gij[573]verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt.Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met vele tranen:Ga met Goden ging de kamer uit; al de andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van nooit[574]geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om te vertellen.Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij:God helpe ons!Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u nietoveronze vrees, omdat er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze was verheugd over zijn fortuin,[575]en zij dankten samen God. Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt.De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig[576]en als vriend, dat hijmet zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen.
Fiametta eindigde en de grootmoedige dankbaarheid van Titus werd door allen gelijkelijk geprezen, toen de koning de laatste vertelling bewarend voor Dioneo aldus begon te spreken: Begeerenswaardige donna’s. Filomena sprak over de vriendschap de waarheid en met recht beklaagde zij zich aan het einde, dat die zoo weinig door de stervelingen gewaardeerd wordt. En als wij hier waren om de gebreken der wereld te verbeteren of toch ze te laken, zou ik met langer gesprek haar woorden vervolgen, maar omdat ons doel een ander is, viel het mij in u met een vrij lange geschiedenis, maar toch aardig, een grootmoedigheid van Saladin te verhalen, opdat gij daaruit zult hooren, dat, zoo men niet de gansche vriendschap van iemand door onze ondeugden kan winnen, men althans er genoegen in kan hebben een dienst te bewijzen, hopend, dat—hoe ook—daaruit een belooning volgen zal.
Ten tijde van keizer Frederik den Eerste ondernam men een algemeenen kruistocht om het Heilige Land te veroveren. Saladin, een zeer waardig heerscher en toen Sultan van Babylon3, die daar[566]al van te voren iets van hoorde, nam zich voor zelf de toebereidselen er van te aanschouwen om beter gereed te staan. Hij regelde al zijn zaken in Egypte, gaf voor een pelgrimstocht te doen en begaf zich met twee van zijn grootste en wijste mannen en slechts drie dienaren als koopman vermomd op weg. Zij zwierven door vele christelijke landen en door Lombardije rijdend om de bergen over te gaan, ontmoetten zij op weg van Milaan naar Pavia een edelman, messer Torello d’Istria van Pavia, die met zijn knechten, honden en valken zich naar zijn landgoed begaf aan den Tessino. Zoodra Torello ze zag, begreep hij, dat zij edellieden en vreemden waren en wenschte hij ze te onthalen. Toen Saladin aan een van zijn dienaren vroeg, hoever Pavia nog af was en of hij er bijtijds kon binnenkomen, liet Torello den knecht niet antwoorden, maar hij zelf sprak: Heeren, gij kunt Pavia niet bijtijds binnentreden. Dan, vroeg Saladin, behage het u ons te wijzen, waar wij het best verblijven, omdat wij vreemdelingen zijn. Torello sprak: Dat zal ik gaarne doen; ik was juist op het punt een der mijnen in de buurt van Pavia te sturen. Ik zal hem u meegeven en hij zal u leiden naar een plaats, waar gij zeer goed kunt verblijven. Hij gelastte de verstandigste van zijn onderhoorigen, wat hij te doen had en zond hem met dezen weg. Hij ging naar zijn landgoed en liet snel een goed avondmaal gereed maken en de tafels in zijn tuin zetten en daarna wachtte hij ze aan de deur. De knecht sprak met de edellieden over verschillende dingen en voerde ze langs bepaalde wegen om naar het landgoed van zijn heer, zonder dat zij het merkten. Toen Torello hen zag, ging hij ze te voet tegemoet en sprak lachend: Heeren, wees allen welkom. Saladin, die zeer hoffelijk was, bemerkte, dat deze ridder er aan twijfelde, dat hij de uitnoodiging niet zou hebben aangenomen, als hij dit gedaan had, toen hij hem op weg aantrof, en hij ze met overleg naar zijn huis geleid had, opdat ze niet konden weigeren den avond met hem door te brengen en den groet beantwoordend, sprak hij: Messer, indien men zich kon beklagen over de hoffelijkheid van de menschen, moesten wij het over u doen, die, daargelaten, dat gij ons belet hebt onzen weg te vervolgen, ons gedwongen hebt, en die, terwijl uw welwillendheid voor ons slechts een groet waard was, zoo hoffelijk waart. De wijze en welsprekende ridder antwoordde: Heeren, wat gij van ons ontvangt, zal bij hetgeen voor u passen zou, naar uw uiterlijk te oordeelen, een povere ontvangst worden, maar werkelijk buiten Pavia zoudt gij het nergens goed treffen en daarom moge het u niet hinderen, dat gij wat zijt omgeloopen om wat meer geriefelijkheid te hebben.
Zoo sprekend hadden zijn bedienden de reizigers omringd, die afgestegen waren en voerden de paarden weg en Torello leidde de drie edellieden naar hun kamer, waar hij ze de laarzen liet[567]uittrekken en verfrisschen met zeer jongen wijn. Hij hield ze in aangename gesprekken tot het maal. Saladin en zijn metgezellen en alle bedienden kenden Latijn, zoodat ze elkaar zeer goed verstonden en het scheen aan hun allen, dat die ridder de aardigste en beleefdste man was en beter praatte dan wie ze ook kenden. Messer Torello schenen zij edele mannen en veel meer dan hij eerst had gedacht, waarom hij het in stilte betreurde, dat hij ze niet met gezelschap en een statiger gastmaal dien avond kon onthalen. Daarom wilde hij dit den volgenden morgen herstellen en na een van zijn bedienden gezegd te hebben, wat hij doen wilde, zond hij hem naar zijn vrouw, die zeer verstandig en grootmoedig was, te Pavia, bij wie men de poorten nooit sloot. Daarna leidde hij de edellieden in den tuin en vroeg ze hoffelijk, wie zij waren. Saladin antwoordde: Wij zijn cyprische kooplieden en gaan voor onze zaken naar Parijs. Torello ging voort: Mocht het God behagen, dat onze streek zulke edellieden voortbracht, als Cyprus kooplieden oplevert. En toen men hierna over meer had gesproken, werd het tijd om te avondmalen. Hij noodigde ze uit het maal eer aan te doen. Toen de tafel was opgeheven, zag Torello spoedig, dat zij moede waren en liet ze in zeer schoone bedden slapen.
De knecht deed de boodschap te Pavia aan de donna, die niet met vrouwelijke maar met koninklijke ziel dadelijk een groot aantal vrienden en dienaren van Torello liet roepen, alles voor een grootsch gastmaal liet gereed maken en bij toortslicht vele der edelste burgers liet uitnoodigen. Ze liet lakens halen en zijden stoffen eneekhoren-vellenen daarmee alles opsieren. Bij den dageraad stonden de edellieden op, waarna Torello te paard steeg. Hij liet zijn valken komen, leidde ze naar een naburig moeras en liet hun zien, hoe ze vlogen. Maar toen Saladin iemand verlangde, die hem naar Pavia en naar de beste herberg zou leiden, zeide Torello: Dat doe ik, daar ik er heen moet. Zij waren daarmee tevreden en gingen tegelijk met hem op reis en toen het al drie uur was en zij bij de stad waren gekomen en meenden, dat zij naar de beste herberg waren gegaan, bereikten zij het huis van Torello, waar wel vijftig van de edelste burgers waren om de ridders te ontvangen, die dadelijk hun toomen en paarden omringden. Saladin en zijn gezellen begrepen al te wel, wat dit beteekende en zeiden: Messer Torello, dat hebben wij niet gevraagd; gij hebt den vorigen nacht genoeg gedaan en meer dan wij verlangden. Hij antwoordde: Heeren, wat gisteravond gedaan werd, weet ik, is meer te danken aan het toeval dan aan u, zoodat gij noodzakelijk in mijn klein buiten moest komen. Wat dat van morgen betreft, ben ik aan u verplicht en met mij al die edele burgers, die u omringen, aan wien gij, als het u beleefd schijnt, kunt weigeren met u te ontbijten.
Saladin en zijn metgezellen werden overreed, stegen af en werden[568]door de edellieden ontvangen, en naar de kamers geleid, die zeer rijk voor hen waren versierd. Nadat zij hun reisgewaad hadden afgelegd en zich wat hadden verfrischt, kwamen zij in de zaal, waar alles prachtig gereed was gemaakt.
Toen het water voor de handen was aangereikt en men zich aan tafel had gezet, werden zij rijkelijk met vele spijzen bediend, zoodat, als de keizer er gekomen was, men hem niet meer eer had kunnen bewijzen. En hoewel Saladin en zijn metgezellen groote heeren waren en gewoon groote dingen te zien, verwonderden zij zich toch zeer en het scheen hun des te fraaier, daar zij wisten, dat de ridder een burger was en geen vorst. Toen men na den eten over andere dingen wat gesproken had, gingen de edellieden van Pavia, daar het zeer warm was, naar Torello’s wensch wat rusten en hij bleef met hun drieën achter en trad met hen in een kamer, opdat alles wat hem dierbaar was, door hen gezien werd en liet daarom zijn waardige vrouw roepen. Deze groot en schoon van gestalte en rijk gekleed trad tusschen haar twee zoontjes, die engeltjes geleken, op hen toe en groette ze bekoorlijk. Zij stonden op en ontvingen haar met eerbied en na haar tusschen zich geplaatst te hebben vleiden zij haar zeer met haar twee zoontjes. Maar toen zij met hen een aangenaam gesprek had aangeknoopt en Torello een oogenblik was heengegaan, vroeg zij lieftallig, waar zij vandaan kwamen en heengingen. Zij antwoordden daarop als aan Torello. Toen sprak de donna met blij gelaat: Nu zie ik, dat vrouwelijk doorzicht nuttig kan zijn en daarom bid ik u, dat gij mij de bijzondere gunst bewijst deze kleine gift niet te weigeren noch dit kwalijk te nemen, dat ik die liet komen, maar omdat de donna’s naar hun kleinen geest kleine geschenken geven moet gij hierbij meer letten op de goede gezindheid dan op de hoeveelheid. Zij liet voor hen twee paar gewaden komen, het een geborduurd met zijde en het andere met eekhoornvel niet passend voor burgers of kooplieden maar voor ridders en drie rokken van taf en linnen en zeide: Neem die, ik heb u gekleed met de gewaden van mijn heer. Wanneer gij er acht op geeft, dat gij ver van uw vrouwen zijt en op de lengte van de gemaakte reis en op die, welke gij nog maken moet en dat de kooplieden zindelijke en gemakzuchtige menschen zijn, zullen zij u van nut wezen, hoewel ze weinig waarde hebben.
De edellieden verwonderden zich en bemerkten, dat Torello in geen enkel opzicht zijn hoffelijkheid jegens hen wilde verwaarloozen en zij twijfelden er aan, terwijl zij de voornaamheid van de koopvrouw zagen, dat Torello hen niet kende. Maar toch antwoordde een van hen: Madonna, dat zijn prachtige kleederen en dat is niet licht aan te nemen, indien uw beden er ons niet toe dwongen. Daarna keerde messer Torello terug en de donna beval ze Gode aan en vertrok en liet hun bedienden ook van dergelijke gewaden[569]voorzien. Torello verzocht hen met veel aandrang, dat zij dien ganschen dag bij hem bleven. Daarom na te hebben geslapen en in hun gewaden gekleed gingen zij met hem wat door de stad rijden en toen het uur van het avondmaal gekomen was, aten zij met voorname dischgenooten zeer overvloedig. Toen het tijd was, gingen zij rusten en bij dageraad stonden zij op en vonden in plaats van hun vermoeide knollen drie zware en goede ridderpaarden en ook nieuwe en sterke dieren voor hun knechten. Saladin keerde zich hierbij tot zijn metgezellen en sprak: Ik zweer bij Allah, dat ik nooit een beschaafder, hoffelijker en voorkomender man gezien heb als deze en als de christelijke koningen zoo vorstelijk zijn als deze ridderlijk is, zal de sultan van Babylon niet hoeven te verwachten, dat een hunner, nog minder zoovelen als er zijn, hem zullen aanvallen om niet te spreken van hen, die zich gereed maken. Maar wetend, dat hij tevergeefs zijn geschenken zou weigeren, bedankten zij daarvoor zeer beleefd en stegen te paard. Messer Torello begeleidde hen een heel eind en hoezeer het scheiden van Torello Saladin moeite kostte, zooveel vriendschap had hij voor hem opgevat, toch gedwongen voort te gaan, verzocht die hem terug te keeren. Deze, hoe hard het hem ook viel te scheiden, zeide: Heeren, ik wil het doen, omdat het u behaagt, maar dit zeg ik u: ik weet niet, wie gij zijt, noch wil ik er meer van weten, dan gij verkiest; maar wie gij ook zijt, gij zult mij geen oogenblik doen gelooven, dat gij kooplieden zijt en ik beveel u Gode aan. Saladin, die reeds van alle bedienden van Torello afscheid had genomen, antwoordde hem: Messer, het zal nog kunnen voorkomen, dat wij u onze koopwaar kunnen toonen, waardoor wij uw geloof zullen bevestigen en ga met God.
Saladin en zijn metgezellen vertrokken met het vaste voornemen, dat als zijn leven gespaard bleef en de oorlog, dien hij verwachtte, niet zijn val zou zijn, niet minder eer te bewijzen aan messer Torello dan deze hem had gedaan: en hij sprak veel van hem en zijn vrouw en prees alles steeds meer. Toen hij het geheele Westen met groote inspanning was doorgetrokken en in zee was gestoken, ging hij met zijn metgezellen terug naar Alexandrië en maakte zich geheel ingelicht tot de verdediging gereed. Messer Torello keerde naar Pavia terug en in lang nadenken wie die drie konden wezen; maar hij kwam daar niet achter. Toen de tijd voor den Kruistocht gekomen was en overal groote toebereidselen gemaakt werden, wilde messer Torello ondanks de beden en tranen van zijn donna beslist heengaan en toen alles klaar was om op te stijgen, zeide hij haar, die hij ten zeerste liefhad: Donna, gelijk gij ziet, ga ik bij die kruisvaart mee tot eer van mijn persoon en tot heil van mijn ziel; ik beveel u onze zaken aan en onze eer en daar ik zeker ben van het heengaan maar door duizend gevallen, die zich[570]kunnen voordoen heelemaal niet zeker van den terugkeer, wil ik, dat gij mij een groote gunst bewijst: Wat er ook gebeure, zoolang gij geen tijdingen hebt omtrent mijn leven, dat gij één jaar en één maand en één dag op mij zult wachten, te beginnen van af heden, mijn vertrek. De donna, die zeer schreide, antwoordde: Messer Torello, ik weet niet, hoe ik de smart zal verduren, waarin gij mij achterlaat, maar zoo mijn leven sterker is dan deze en U het tegendeel mocht overkomen, leef en sterf in de zekerheid, dat ik als vrouw van messer Torello en van zijn nagedachtenis zal leven en sterven. Hierop antwoordde hij: Vrouw, ik ben er zeker van, dat, voor zoover het van u afhangt, wat gij belooft, gebeuren zal, maar gij zijt een jonge vrouw en schoon en van voorname familie en uw deugd is groot en overal bekend: daarom twijfel ik niet, dat vele voorname en edele mannen, als er niets van mij gehoord wordt, u zullen vragen aan uw familie. Gij zult u tegen hun aanzoeken, hoezeer gij ook wilt, niet kunnen verzetten en door geweld zult gij hun wil moeten doen. Dit is de reden, waarom ik u dien termijn en geen grooteren stel. De donna sprak: Ik zal doen, wat ik zal kunnen en wanneer ik toch iets anders zou moeten doen, zal ik u zeker gehoorzamen. Ik bid God, dat gij binnen dien termijn terugkeert. De donna omhelsde schreiend Torello; zij trok een ring van den vinger, gaf hem dien en sprak: Indien ik sterf, zoo ik u niet terugzie, denk dan aan mij, als gij dien zien zult. Hij nam dien aan, steeg te paard en na allen vaarwel gezegd te hebben, ging hij op reis. Te Genua ging hij met zijn gezelschap op een galei en kwam spoedig te Acre en vereenigde zich met het andere leger van de Christenen, waarin dadelijk een zware, besmettelijke ziekte uitbrak. Intusschen, of het de krijgskunst of de kans van Saladin was, het overschot der Christenen daaraan ontsnapt werd door hem gevangen genomen en in vele steden verdeeld en gekerkerd. Ook messer Torello werd te Alexandrië in de gevangenis gezet. Daar men hem niet kende en hij vreesde zich te doen kennen, begon hij door noodzakelijkheid gedwongen vogels te fokken, waarin hij een groot meester werd en daardoor de aandacht trok van Saladin. Deze liet hem daarom vrij en hield hem als zijn valkenier. Messer Torello, die niet anders dan de christen van Saladin genoemd werd, die hem niet herkende, noch de Sultan hem, had zijn gedachten in Pavia en had meermalen beproefd te vluchten, maar het was hem nooit gelukt Toen eenige Genueezen als gezanten bij den Sultan kwamen om verscheidene medeburgers los te koopen en vertrekken moesten, schreef hij in een brief aan zijn vrouw, dat hij leefde en zoo spoedig mogelijk bij haar zou terugkeeren en dat zij hem zou verwachten. Hij bad vurig een der gezanten, dien hij kende, dat hij zou zorgen dien in handen te stellen van den abt van San Pietro di Ciel d’oro, die zijn oom was. Eens[571]sprak Saladin hem over zijn vogels; Torello glimlachte en maakte een beweging met zijn mond, die Saladin, toen hij te Pavia was, meermalen had opgemerkt. Daardoor keek hij hem strak aan en hij herinnerde zich Torello. Hij staakte dit gesprek en zei: Zeg mij, Christen, uit welk land van het Westen zijt gij? Mijnheer, zeide Torello, ik ben Lombardiëer uit de stad Pavia, een arm man en van lagen stand. Toen Saladin dit hoorde, haast zeker van datgene, waaraan hij twijfelde, zeide hij verheugd in zich zelf: God heeft mij de gelegenheid gegeven hem te toonen, hoe aangenaam zijn hoffelijkheid mij was en zonder meer liet hij al zijn kleeren in een kamer brengen, voerde hem er in en sprak: Kijk, christen, of er onder die gewaden geen is, dat gij ooit hebt gezien. Torello zag die, welke zijn vrouw aan Saladin had geschonken, maar dacht, dat die het niet konden wezen en antwoordde: Mijnheer, ik ken er geen van; het is wel waar, dat die twee op rokken gelijken, waarmee ik drie kooplieden, die bij mij verblijf hielden, gekleed heb. Toen kon Saladin zich niet meer houden, omhelsde hem innig en sprak: Gij zijt messer Torel d’Istria en ik ben een van de drie kooplieden, aan wien uw donna die rokken heeft gegeven en nu is het tijd om u zekerheid te geven omtrent mijn koopwaar, gelijk ik u bij mijn vertrek zeide, dat gebeuren kon. Torello verheugde zich zeer en schaamde zich. Hij was blij hem te gast te hebben gehad en verlegen, omdat hij hem armelijk ontvangen had. Saladin sprak: Messer Torello, omdat God u hier gezonden heeft, denk, dat ik niet meer hier de heer ben maar gij. Na te samen een groot feest te hebben gevierd, deed hij hem koninklijk kleeden en na hem voor al zijn groote baronnen te hebben gebracht en veel tot zijn lof te hebben gezegd, beval hij, dat elk zijn gunst op prijs zou stellen en dat hij even geëerd zou zijn als hij zelf. Dit deed van toen af iedereen, maar veel meer dan de anderen de twee heeren, die Saladin’s metgezellen in zijn huis waren geweest.
De grootte van de plotselinge glorie, waarin Torello zich bevond, deed hem een weinig de dingen uit Lombardije vergeten, vooral omdat hij vast hoopte, dat zijn brieven zijn oom zouden bereiken. In het kamp, waar het leger der Christenen, op den dag, dat zij door Saladin gevangen werden genomen, zich bevond, was een provençaalsch ridder van weinig beteekenis gestorven, die messer Torello de Dignes heette. Daar Torello d’Istria door het heele leger om zijn adel bekend was, hoorde ieder zeggen: messer Torello is dood en geloofde, dat het Torello d’Istria was en zijn gevangenneming hield de bedrogenen in dien waan. Vele Italianen, waaronder er verscheiden durfden beweren, dat ze hem dood gezien hadden, gingen met die tijding terug en beweerden zelfs, dat ze bij de begrafenis geweest waren. Toen zijn familie dit wist, was dit de oorzaak van zeer groote en onnoemelijke droefheid, niet[572]alleen bij deze maar bij al zijn kennissen. Groot was de rouw en treurigheid van zijn vrouw, die eenige maanden voortdurend in tranen doorbracht en toen zij wat minder begon te treuren en door vele voorname mannen van Lombardije gevraagd werd, drongen haar broeders bij haar aan te hertrouwen. Zij weigerde vaak met groot geklaag, maar ten slotte gedwongen volgde zij het verlangen van haar familie met inachtneming van de voorwaarde, die zij aan Torello beloofd had. Omstreeks acht dagen voor haar huwelijk, zag Torello te Alexandrië een man, die hij met de Genueesche gezanten op de galei had zien stijgen, die naar Genua ging. Hij liep op hem toe en vroeg hem, hoe de reis geweest was en wanneer zij te Genua waren aangekomen. Hij sprak tot hem: Mijnheer, ik hoorde te Creta, dat de galei een slechte reis deed. In de buurt van Sicilië verhief zich een gevaarlijke storm, die haar op de zandbanken van Barbarije deed stooten. Geen levende ziel ontkwam en twee van mijn broeders kwamen om. Torello geloofde deze woorden en herinnerde zich, dat de termijn binnen kort eindigen zou en daar hij dacht, dat zijn toestand te Pavia niet bekend was, achtte hij het zeker, dat zijn vrouw hertrouwd zou zijn. Hij verloor van verdriet zijn eetlust, legde zich te bed en wilde sterven. Saladin hoorde dit en vernam na ernstig aandringen zijn smart en ziekte, en laakte, dat hij dit niet eerder gezegd had. Hij smeekte hem beter te worden bewerend, dat hij dan zou beproeven hem op den bepaalden termijn naar Pavia te voeren. Torello geloofde hem en daar hij vaak had gehoord, dat dit meermalen was gebeurd, begon hij aan te sterken en bij Saladin op spoed aan te dringen. Saladin gelastte aan een toovenaar, dat die een weg zou vinden om Torello in één nacht op een bed naar Pavia te vervoeren. Hij antwoordde, dat dit zou gebeuren, maar dat hij in diepen slaap moest zijn. Toen dit geregeld was, ging Saladin tot Torello terug en daar hij hem geheel bereid vond op den bepaalden datum in Pavia te zijn of, als dit niet kon, te sterven, sprak hij: Messer Torello, als gij uw vrouw innig lief hebt en gij er niet aan twijfelt, dat zij de vrouw van anderen wordt, weet God, dat ik u geenszins zou laken, omdat zij van alle donna’s, die ik ooit zag, degene is, die in gewoonten, manieren en wijze van optreden, daargelaten haar schoonheid, slechts een vergankelijke bloem, mij het meest van allen te loven en beminnenswaardig schijnt. Het zou mij zeer aangenaam zijn, omdat de fortuin u hierheen zond, dat wij zullen leven als heeren, gelijk wij tijdens mijne regeering geleefd zouden hebben. Omdat God het niet toe stond, toen het in u opkwam te sterven of naar Pavia te gaan voor den gestelden termijn, verlangde ik zeer tijdig te weten met welke eer, grootheid en het gevolg, dat uw deugd verdient, ik u naar uw huis moest laten voeren. Dit is mij niet gegund, maar daar gij[573]verlangt er spoedig te zijn, zal ik u er toch heen zenden. Torello antwoordde: Mijn heer, zonder uw woorden hebben uw daden mij genoeg uw welwillendheid getoond, die ik niet in zoo hooge mate verdiende en ik zal gerust leven en sterven. Maar omdat ik die keus deed, bid ik u om dit spoedig te doen, want het is morgen de laatste dag, waarop ik verwacht wordt. Saladin antwoordde, dat hij er voor zou zorgen en den volgenden dag liet Saladin in een groote zaal een rein, schoon en rijk bed van matrassen opmaken, allen naar hun gewoonte van fluweel en goudlaken. Hij liet er een pronkdeken op leggen bewerkt met ornamenten van zeer groote parels en met zeer kostbare steenen, die in het Westen zeer hoog geschat worden en twee oorkussens, gelijk daarbij vereischt wordt.
Toen beval hij Torello, die herstelde, een gewaad aan te doen op saraceensche manier, het rijkste en het mooiste, wat ooit door iemand gezien was en plaatste hem op het hoofd een van zijn grootste tulbanden. Het was al laat, toen Saladin zich met velen van zijn baronnen in die kamer begaf. Hij ging naast hem zitten en sprak bedroefd: Messer Torello, het uur van scheiden nadert en omdat ik u niet kan vergezellen noch laten begeleiden, nu de weg het niet toestaat, neem ik hier afscheid van u. Voordat ik u dus bij Allah aanbeveel, bid ik u bij onze vriendschap, dat gij aan mij denkt en indien het mogelijk is, voordat onze leeftijd vervuld is, dat gij, als gij uw zaken in Lombardije geregeld hebt, tenminste één keer mij komt opzoeken, opdat ik dan verheugd de leemte kan aanvullen, die ik thans moet verdragen. Gij moet geen bezwaar maken mij brieven te sturen en mij alles te vragen, wat gij wenscht, en wat ik voor u liever doen zal dan voor wie ook. Torello kon zijn tranen niet weerhouden en door dezen belemmerd, antwoordde hij, dat hij onmogelijk zijn weldaden en zijn waarde zou vergeten en dat hij zou doen, wat hij hem aanbeval, mits hem de tijd daartoe verleend werd. Saladin omhelsde hem innig en zeide met vele tranen:Ga met Goden ging de kamer uit; al de andere baronnen namen daarop afscheid van hem en gingen met Saladin in die zaal, waar het bed geplaatst was. Daar de toovenaar het oogenblik van vertrek afwachtte en het bespoedigde, kwam er een dokter met een drank. Hij gaf hem dien als versterking en kort daarop sliep hij in. Zoo werd hij op bevel van Saladin in zijn fraai bed vervoerd, waarop hij een kostbaren krans plaatste en kenmerkte dien zoo, dat men later wel begrijpen kon, dat deze door Saladin aan de vrouw van Torello was gezonden. Daarop deed hij aan den vinger van Torello een ring, waarin een robijn gezet was, glanzend als een toorts van haast onschatbare waarde. Vervolgens liet hij hem een degen aangorden, waarvan het beslag niet licht te schatten was en hij liet hem bovendien een halsketen om hangen van nooit[574]geziene parels met andere kostbare juweelen en aan beide zijden liet hij twee zeer groote bekkens vol dubloenen plaatsen en vele parelsnoeren, ringen en gordels en andere zaken, wat lang zou zijn om te vertellen.
Hierop kuste hij Torello opnieuw en beval den toovenaar zich te haasten, opdat dadelijk in tegenwoordigheid van Saladin het bed met den geheelen messer Torello werd weggevoerd en hij bleef met zijn baronnen over hem spreken. Reeds was Torello in de kerk van San Piero in Ciel d’oro van Pavia neergedaald met al de genoemde juweelen en sieraden en sliep hij nog, toen de vroegmis luidde, de koster met een licht in de kerk kwam en dadelijk het kostbare bed zag en niet alleen verwonderd was, maar zeer bang vluchtte. De abt en de monniken zagen dit, verbaasden zich en vroegen hem de reden daarvan. De koster vertelde het. O, sprak de abt, je bent toch geen kind meer en niet in een vreemde kerk, dat je zoo gauw moet schrikken; laten we gaan kijken wie boe! boe! tegen je geroepen heeft. De abt en de monniken staken meer lichten aan en allen zagen in de kerk dit wonderbare en rijke bed en den ridder en terwijl ze aarzelend en schroomvallig zonder vlak bij het bed te komen de edele steenen beschouwden, richtte, toen de kracht van den drank uitgewerkt had, messer Torello zich op met een grooten zucht. Zoodra de monniken hem zagen, vluchtten de abt met hun allen verschrikt en schreeuwden zij:God helpe ons!Messer Torello opende de oogen en zag duidelijk, dat hij was, waar Saladin het verlangd had. Hij ging zitten, zag met aandacht om zich heen en hoezeer hij vroeger al de vrijgevigheid van Saladin gekend had, scheen die hem nu nog grooter. Niettemin zonder zich verder te bewegen riep hij den abt en verzocht hem niet bang te zijn, omdat hij Torello, zijn neef, was. De abt werd toen nog banger, daar hij hem verscheidene maanden dood waande, maar na eenigen tijd werd hij gerust gesteld, maakte het teeken des kruises en ging naar hem toe. Torel sprak: Mijn vader, waarom zijt gij bang? Ik leef Goddank en ben van over zee teruggekeerd. De abt, hoewel Torello een langen baard droeg en op zijn Arabisch gekleed was, herkende hem spoedig en geheel bedaard, nam hij hem bij de hand en sprak: Mijn zoon, gij zijt behouden teruggekeerd; verbaas u nietoveronze vrees, omdat er hier niemand is, die niet vast gelooft, dat gij dood zijt en dat madonna Adalieta, uw vrouw, overreed door de bedreigingen van haar ouders en tegen haar wil hertrouwd is en van morgen naar haar nieuwen man zal gaan; de bruiloft is gereed. Torello, door de abt en de monniken zeer goed ontvangen, smeekte van zijn terugkeer niet te spreken, totdat hij zijn taak zou volbracht hebben. Nadat hij de rijke juweelen in veiligheid had laten brengen, vertelde hij alles aan den abt. Deze was verheugd over zijn fortuin,[575]en zij dankten samen God. Torel sprak: Voor zij mijn terugkeer weet, wil ik haar houding bij die bruiloft zien en hoewel het geen gebruik is, dat geestelijken naar zulk een gastmaal gaan, wil ik, dat gij mij vermomt om er samen te komen. De abt vond dit goed en toen het dag werd, vroeg hij aan den nieuwen echtgenoot verlof om met een ambtsbroeder op de bruiloft te zijn, wat den pas gehuwden zeer aanstond. Op het etensuur gingen zij naar diens huis door ieder met verbazing beschouwd, maar hij werd door niemand herkend en de abt vertelde aan allen, dat hij een Saraceen was door den Sultan naar den koning van Frankrijk gezonden als ambassadeur. Torello werd dus aan tafel geplaatst vlak tegenover zijn vrouw. Zij keek hem aan, hoewel zij hem niet herkende, want de groote baard en het ongewone gewaad en het vaste geloof, dat hij dood was, beletten dit. Toen Torello wilde beproeven of zij zich hem herinnerde, deed hij den ring van zijn vinger, dien de donna hem bij zijn vertrek gegeven had, liet een jongen knecht roepen, die hem vroeger diende en zeide: Zeg namens mij aan de jonge vrouw, dat het in mijn land de gewoonte is, wanneer een vreemdeling gelijk ik hier eet aan het gastmaal van een jonggehuwde vrouw ten teeken van goedkeuring, dat zij hem haar beker geeft vol met wijn, waarvan, nadat de vreemdeling heeft gedronken, zooveel hij lust en hij die weer heeft toegedekt, de vrouw de rest drinkt.De jonkman deed de boodschap aan de donna, die welgemanierd en verstandig hem voor een groot edelman hield en wilde toonen, dat zijn komst haar aangenaam was. Zij liet een grooten, vergulden beker schoonmaken en vullen en naar den ridder brengen. Torello, die haar ring in den mond had gestopt, liet dien bij het drinken er in vallen, dekte den beker weer toe en stuurde dien aan de donna. Deze nam hem aan, opdat zij zijn gewoonte volgde, maakte hem open, zette dien aan den mond, zag den ring en zonder iets te zeggen bezag zij hem even. Zij herkende dien, greep dezen, tuurde hem star aan, herkende hem, werd als dol, wierp de tafel voor haar omver en schreeuwde: Dit is mijn heer, dit is werkelijk messer Torello! Zij liep naar de tafel, waaraan hij zat zonder te letten op de lakens of wat er op stond, wierp zich aan zijn hals, omarmde hem innig en men kon haar niet scheiden, wat men ook zeide of deed, voor messer Torello had gezegd, dat zij tot zich zelf zou komen, omdat er nog tijd genoeg was tot onmhelzen.
Nadat zij zich hersteld had, maar de heele bruiloft in de war kwam en men ten deele blijder was dan ooit, omdat men zulk een edelman herwon, bleef, toen hij er om vroeg, ieder stil. Toen vertelde Torello alles en zeide, dat het den edelman, die zijn vrouw had gehuwd, niet moest mishagen, dat hij haar weer tot zich nam. De nieuwe echtgenoot, hoewel verlegen, antwoordde grootmoedig[576]en als vriend, dat hijmet zijn eigendom mocht doen, wat hij wilde. De donna gaf den krans en den ring aan den nieuwen echtgenoot terug, deed zich dien uit den beker aan en zette zich den krans op gezonden door Saladin en van daar gingen zij met bruiloftspraal naar het huis van messer Torello en daar bekeken hem al de troostelooze vrienden, verwanten en burgers als een wonder en hielden een lang en vroolijk feest. Messer Torello maakte hem, die de kosten van de bruiloft had gedragen van zijn dure juweelen deelgenoot en ook den abt en vele anderen. Door vele berichten verwittigde hij Saladin van zijn gelukkigen terugkeer, bleef zijn vriend en dienaar en leefde sinds met zijn donna vele jaren en hoffelijk voor anderen. Dat was het einde van de ongelukken van messer Torello en die van zijn dierbare vrouw en het loon van hun beleefdheid. Velen doen hun best zoo te handelen, die, hoewel zij de middelen hebben, het zóó slecht doen, dat zij hun grootmoedigheid voor meer verkoopen dan die waard is. Als er daarom voor hen geen loon op volgt, moeten zij er zich niet over verwonderen.
[Inhoud]Tiende Vertelling.De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het spook4zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen[577]nog had te spreken, begon hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde.Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past.En uw geloof, dat gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in[578]alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt.Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar[579]dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik … meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De[580]donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij[581]haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen,[582]waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en[583]de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en[584]nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.Griselda.Griselda.10eDag—10eVertelling.De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:Indien Amor zonder ijverzucht zou komenWeet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezenMeer verheugd dan ik.Indien blijde jeugdMet een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moetOf waarde van deugdOf moed of dapperheid,Verstand, fraaie manieren of sierlijke taalOf volmaakte bekoorlijkhedenBen ik die, zeker want tot mijn heilVerliefd zag ikDie allen in hem, die mijn hoop is.Maar omdat ik bemerk,Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,Beef ik van angstEn vrees ik voor erger.Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,Die mij de ziel ontneemt;En wat mij het hoogste geluk is,Maakt mij troosteloos,Doet mij diep zuchten en ellendig leven.[585]Als ik zoo vertrouwdeIn mijn heer als ik zijn waarde besef,Zou ik niet jaloersch zijn;Maar men ziet er zooveel,Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,Dat ik ze allen voor schuldig houd.Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,En van elk, die hij aanziet,Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.Bij God, dat elke donnaGewaarschuwd zij, dat zij niet overlegtMij hiermee te grievenWant als er een zou wezen,Die met woorden of teekens of liefkoozingenMij hierin zou schaden,Of die veroorzaken en ik het zou wetenZou ik misvormd willen worden,Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.[586]
Tiende Vertelling.De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.
De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.
De markies van Saluzzo door de verzoeken van zijn leenmannen gedwongen tot trouwen, neemt naar vrije keus de dochter van een dorper. Hij krijgt twee zonen, die hij schijnbaar laat dooden. Daarna voorgevend zijn vrouw niet meer lief te hebben en een andere te begeeren, doet hij zijn eigen dochter terugkeeren of die zijn tweede vrouw wordt, na de moeder in haar hema te hebben weggejaagd. Wanneer hij haar in alles toegevend ziet, doet hij haar terugkeeren, hem dierbaarder dan ooit, toont haar de volwassen zonen, eert haar en doet haar eeren als markgravin.
Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het spook4zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen[577]nog had te spreken, begon hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde.Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past.En uw geloof, dat gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in[578]alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt.Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar[579]dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik … meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De[580]donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij[581]haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen,[582]waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en[583]de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en[584]nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.Griselda.Griselda.10eDag—10eVertelling.De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:Indien Amor zonder ijverzucht zou komenWeet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezenMeer verheugd dan ik.Indien blijde jeugdMet een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moetOf waarde van deugdOf moed of dapperheid,Verstand, fraaie manieren of sierlijke taalOf volmaakte bekoorlijkhedenBen ik die, zeker want tot mijn heilVerliefd zag ikDie allen in hem, die mijn hoop is.Maar omdat ik bemerk,Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,Beef ik van angstEn vrees ik voor erger.Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,Die mij de ziel ontneemt;En wat mij het hoogste geluk is,Maakt mij troosteloos,Doet mij diep zuchten en ellendig leven.[585]Als ik zoo vertrouwdeIn mijn heer als ik zijn waarde besef,Zou ik niet jaloersch zijn;Maar men ziet er zooveel,Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,Dat ik ze allen voor schuldig houd.Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,En van elk, die hij aanziet,Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.Bij God, dat elke donnaGewaarschuwd zij, dat zij niet overlegtMij hiermee te grievenWant als er een zou wezen,Die met woorden of teekens of liefkoozingenMij hierin zou schaden,Of die veroorzaken en ik het zou wetenZou ik misvormd willen worden,Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.[586]
Toen het lange verhaal van den koning geëindigd was, zeide Dioneo lachend: De goede man, die de rechte staart wou laten neerhalen van het spook4zou geen twee oortjes gegeven hebben voor al de lofuitingen van u voor messer Torello. Daar hij alleen[577]nog had te spreken, begon hij: Mijn lieve donna’s. Naar het mij schijnt, is deze dag gewijd aan een koning, sultans en meer lieden van dien rang en opdat ik niet afwijk, wil ik u van een markgraaf verhalen: geen grootmoedige daad maar een buitengewone beestachtigheid, hoewel er voor hem ten slotte goeds uit voort kwam. Toch raad ik niemand hem te volgen, want het is jammer, dat het zoo voor hem eindigde.
Lang geleden was onder de markgraven van Saluzzo de doorluchtigste van hun huis een jonkman, Gualtieri, die ongetrouwd zijn tijd doorbracht met de valkenvangst, de jacht en niet aan het huwelijk dacht, waarom hij zeer wijs verdiende genoemd te worden. Zijn leenmannen beviel dit niet en zij verzochten hen een vrouw te nemen, opdat hij niet zonder erfgenaam bleef en zij niet zonder heer. Zij boden zich aan er een van zulk een waarde te zoeken en van zulk bloed, dat hij goede hoop mocht koesteren en zeer tevreden zou zijn. Gualtieri antwoordde: Mijn vrienden. Gij dwingt mij tot iets, wat ik mij voorgenomen had nooit te doen, daar het moeielijk is er een te vinden, die zich in mijn gewoonten schikt en groot de overvloed van het tegendeel en hard het leven van hem, wiens vrouw bij hem niet past.En uw geloof, dat gij uit de manieren van den vader en moeder de dochters kunt kennen, waardoor gij mij er een wilt geven, die mij bevalt, is een dwaasheid, omdat ik niet weet, waar gij de vaders zoudt hebben kunnen kennen of de geheimen van hun moeders; hoe het ook zij, ook als men ze kent, zijn toch dikwijls de dochters aan de ouders ongelijk. Maar, omdat gij mij in ketenen wilt boeien, heb ik er vrede mee. En opdat ik er mij niet over zal hebben te beklagen, als er kwaad voor mij uit voort komt, zal ik haar zelf zoeken en wie ik ook kies, als zij door u niet als donna geëerd wordt, zult gij tot uw groote schade ondervinden, hoe gevaarlijk het was mij tot een huwelijk te dwingen. De waardige mannen zeiden, dat zij tevreden waren, mits hij zich maar een vrouw koos. De manieren van een arm meisje uit een dorp dicht bij zijn kasteel, hadden Gualtieri zeer behaagd en daar zij hem zeer mooi scheen, dacht hij, dat hij met haar een gelukkig leven kon leiden en vroeg haar ten huwelijk. Hierna liet Gualtieri al zijn vrienden uit den omtrek bijeenkomen en sprak tot hen: Mijn vrienden, het behaagde u, dat ik een vrouw nam meer om u dan uit eigen beweging. Gij weet, dat gij mij hebt beloofd de donna te eeren, wie ik ook nemen zou. De tijd is gekomen, dat ik mijn belofte aan u en gij die aan mij moet nakomen. Ik heb een meisje gevonden hier heel dicht bij, dat ik als vrouw binnen enkele dagen naar huis leid. Denk er dus aan, dat het bruiloftsfeest schoon wordt en haar eervol te ontvangen, opdat ik over u zoo tevreden kan zijn als gij over mij. De goede lieden antwoordden verheugd, dat zij, wie het ook was, haar in[578]alles als gebiedster zouden eeren. Hierna maakten zij en ook Gualtieri zich gereed voor een groot bruiloftsfeest. Vrienden en verwanten en groote edellieden en anderen uit den omtrek werden uitgenoodigd. Hij liet verscheidene rijke gewaden maken naar het model van een jonge vrouw, die hem gelijk van maat scheen met zijn meisje, en ook bestelde hij gordels, een ring, een fraaien krans en verder al wat voor een bruid vereischt wordt.
Op den bruiloftsdag steeg Gualtieri op de helft van het derde uur te paard en sprak tot iedereen, die gekomen was om hem eer aan te doen: Heeren, het is tijd de bruid te halen. Hij begaf zich met allen naar het dorp en toen zij het huis van den vader van het meisje bereikt hadden, ontmoetten zij haar met water van de fontein in grooten haast terugkeerende. Toen Gualtieri haar ontwaarde, riep hij haar bij haar naam Griselda en vroeg, waar haar vader was. Zij antwoordde bedeesd: Mijnheer, hij is in huis. Gualtieri steeg af en na iedereen bevolen te hebben op hem te wachten, trad hij in de arme hut, waar hij haar vader Giannucole vond en sprak: Ik ben gekomen om Griselda te huwen, maar eerst wil ik in haar bijzijn iets van u weten. Ik vroeg haar of zij altijd, als ik haar tot vrouw genomen heb, haar best zou doen te behagen en over niets kwaad zou worden en gehoorzaam zou zijn, hetgeen zij alles toestemde. Toen leidde Gualtieri haar bij de hand naar buiten en in tegenwoordigheid van het geheele gevolg liet hij haar naakt uitkleeden, en na de bestelde gewaden te hebben laten komen, liet hij haar snel kleeden en schoeien en op de nog losse haren een krans zetten. Toen iedereen zich verwonderde, sprak hij: Heeren, dit is degene, die ik tot vrouw begeerde, en tot haar, die bloosde en verward was: Griselda, wilt gij mij tot man? Zij antwoordde: Mijn heer, ja. Hij zeide: En ik wil u tot vrouw; en in aller bijzijn huwde hij haar. Hij liet haar op een sierpaard stijgen en eervol begeleid voerde hij haar naar huis. Daar was de bruiloft schoon en groot en het feest niet minder dan alsof hij de dochter van den koning van Frankrijk genomen had. Het scheen, dat de jonggehuwde met de kleeren ook van ziel en gewoonten veranderde. Zij was schoon van gestalte en gelaat, even voorkomend, lieftallig en welgemanierd als mooi, niet als een dochter van Giannucole en een herderin, maar van een edel heer, waarmee zij al haar kennissen verbaasde. Bovendien was zij zoo gehoorzaam en gedienstig aan den echtgenoot, dat hij zich voor den best beloonden man ter wereld hield en evenzoo was zij tegen zijn onderhoorigen zoo genadig en welwillend, dat ieder haar beminde en eerde en haar welzijn, gezondheid en voorspoed wenschte. Zij zeiden, dat Gualtieri wijs had gehandeld als weinigen en de scherpzinnigste man ter wereld was, daar niemand anders haar hooge deugd verborgen onder haar arme kleeren en haar[579]dorpsgewoonten had bespeurd. Kortom zij wist niet slechts in haar markgraafschap maar overal weldra zoo te handelen, dat zij over haar goedheid deed spreken en het tegendeel deed beweren, indien men iets gezegd had tegen haar man, toen hij haar trouwde. Zij leefde niet lang met Gualtieri of zij werd ernstig ziek en beviel van een dochter, waarover Gualtieri zeer verheugd was. Maar kort daarop kreeg hij een nieuwe gedachte en wel om haar lijdzaamheid aan een onverdragelijke proef te onderwerpen. Hij toonde zich toornig en zeide, dat zijn vazallen zeer ontevreden waren met haar lage afkomst en zij treurig waren, dat zij een dochter had gekregen en niets deden dan mompelen. Toen de donna dit hoorde, zeide zij zonder van gelaat te veranderen of van goed voornemen bij iedere daad: Mijn heer, doe met mij, wat gij gelooft dat uw eer en vrede is, want ik zal mij met alles vergenoegen, omdat ik weet, dat ik minder ben dan zij en dat ik de rang niet waardig ben, waartoe gij mij door uw hoffelijkheid gebracht hebt. Dit antwoord was Gualtieri zeer aangenaam, omdat zij volstrekt niet trotsch was geworden, nadat hij haar gezegd had, dat zijn leenmannen haar dochter niet mochten lijden. Hij gaf aan een zijner knechten bevelen, zond haar die en deze sprak met zeer treurig gelaat: Madonna, als ik niet wil sterven, moet ik dat doen, wat mijn heer mij beveelt. Hij heeft mij bevolen uw kind te nemen en dat ik … meer zeide hij niet. De donna begreep, dat hem bevolen was het te dooden. Zij nam het uit de wieg, kuste en zegende het, hoewel zij groot hartzeer gevoelde en zonder een spier te vertrekken legde zij het in de armen van den knecht en sprak: Zie, doe geheel, wat uw en mijn heer u heeft opgedragen, maar zorg, dat de wilde dieren en vogels het niet verslinden, of het moet u bevolen zijn. De knecht nam het meisje mee en vertelde aan Gualtieri, verwonderd over haar standvastigheid, wat de donna gezegd had. Hij zond hem naar Bologna naar een bloedverwant, die zonder ooit te zeggen, wie het meisje was, het met zorg grootbracht.
Toen werd de donna op nieuw ziek en beviel van een zoon, die Gualtieri zeer dierbaar was. Maar daar het hem niet genoeg was, wat hij gedaan had, trof hij de donna nog pijnlijker en met geveinsden toorn zeide hij haar eens: Donna, nu gij een knaap hebt gekregen, heb ik het niet met de mijnen kunnen uithouden, zoo hard verwijten zij mij, dat een kleinzoon van Giannucole na mij hun heer moet worden, zoodat ik, indien ik niet verjaagd wil worden, een andere vrouw moet nemen. De donna antwoordde lijdzaam niet anders dan: Mijnheer, bekommer u niet om mij, daar niets mij dierbaar is dan uw wil. Kort daarop zond Gualtieri op dezelfde wijze zijn zoon weg, deed ook of hij die had laten dooden, doch stuurde hem om hem op te voeden naar Bologna. De[580]donna zweeg weer, waarover Gualtieri zich zeer verwonderde en in zich zelf beweerde hij, dat geen andere had kunnen doen als zij. En als hij niet gezien had, dat zij verzot op haar kinderen was, had hij ondersteld, dat zij om hen niet gaf, maar hij wist, dat zij gewoon was verstandig te handelen. Zijn onderhoorigen, denkend, dat hij zijn kinderen had laten ombrengen, spraken veel kwaad van hem, noemden hem wreed en hadden veel medelijden met haar. Zij zeide tot de donna’s niets meer dan, dat haar alleen hetzelfde behaagde als hun vader. Toen reeds vele jaren voorbij gegaan waren sinds de geboorte van haar dochter en het Gualtieri tijd scheen de uiterste proef te nemen met haar lijdzaamheid, zeide hij, dat hij Griselda niet meer tot vrouw wenschte, dat hij slecht en lichtzinnig had gehandeld door haar te nemen en dat hij daarom van den Paus verlof wilde erlangen voor een andere, waarover hij door vele goede mannen gelaakt werd. Hierop antwoordde hij alleen, dat het hem aanstond. Toen de donna duchtte naar het huis van haar vader terug te keeren en misschien weer de schapen te moeten hoeden en hem met een andere vrouw te zien, wien zij slechts goed had gedaan, had zij in stilte zeer groot verdriet. Maar toch gelijk zij de andere slagen van het lot verdroeg, besloot zij met strak gelaat ook dit te verduren.
Kort daarop liet Gualtieri valsche brieven van Rome komen en liet aan zijn leenmannen zien, dat de Paus hem verlof gaf een andere vrouw te nemen. Daarom riep hij haar tot zich en sprak: Vrouw, door dispensatie, mij vanwege den Paus verleend, kan ik een andere vrouw nemen; omdat mijn voorvaderen groote heeren en edellieden in deze streken waren en de uwen altijd dorpers, wil ik u niet langer tot vrouw. Keer naar het huis van Giannucole terug met uw bruidschat en dan zal ik een andere hierheen voeren. De donna, die dit niet zonder groote spanning aanhoorde, weerhield tegen de natuur der vrouwen haar tranen en sprak: Mijn heer, ik heb altijd geweten, dat mijn lage afkomst volstrekt niet met uw adel overeenstemde en wat ik met u geweest ben, erkende ik altijd door God en door u mij te zijn gegeven. Het behaagt u dit terug te nemen en dus aan mij dit terug te geven. Zie hier uw trouwring. Gij beveelt mij u de bruidschat terug te geven. Daarvoor hebt gij niet noodig mij te betalen met geld of vee, omdat ik niet vergeet, dat gij mij naakt hebt genomen. En indien gij het eerbaar oordeelt, dat dit lichaam, waarin ik uw kinderen heb gedragen, door allen gezien wordt, zal ik naakt heengaan, maar ik bid u, dat gij in ruil voor mijn maagdelijkheid, die ik hier bracht en niet meenam, mij tenminste een enkel hemd geeft buiten de bruidschat, die ik niet kan wegvoeren. Gualtieri, die meer lust had om te huilen dan in iets anders, zeide toch met hard gelaat: Gij krijgt er een. De aanwezigen baden hem, dat hij[581]haar een gewaad gaf, opdat men niet zou zien, dat zij, meer dan dertien jaar zijn vrouw, zoo arm en zoo schandelijk zijn kasteel verliet, maar te vergeefs. De donna, die allen Gode aanbeval, keerde in een hemd, barrevoets en zonder hoofddeksel tot haar vader terug onder tranen en klachten van alle aanwezigen. Giannucole (die nooit had kunnen gelooven, dat Gualtieri zijn dochter werkelijk als vrouw hield en dit elken dag verwachtte) had de kleeren bewaard, die zij had uitgedaan op den morgen, dat Gualtieri haar trouwde. Hij ontving haar en kleedde haar weer aan. Zij wijdde zich weer aan de kleine zorgen voor zijn huis en verdroeg met sterke ziel den wreeden aanval van het vijandige lot.
Hierop berichtte Gualtieri aan de zijnen, dat hij een dochter had genomen van de graven van Panago en terwijl hij groote toebereidselen maakte voor de bruiloft, ontbood hij Griselda en zeide haar: Ik breng deze donna, die ik pas heb genomen en wil, dat zij van het begin af aan geëerd wordt. Gij weet, dat ik in huis geen vrouwen heb, die de kamers weten in te richten noch wat voor zulk een feest vereischt wordt. Daarom moet gij, die dit alles kent, dit doen. Noodig uit, wie u goeddunkt en ontvang ze, of gij hier meesteres zijt. Dan kunt gij na de bruiloft naar huis terugkeeren. Hoewel elk woord een messteek was in het hart van Griselda, die van de liefde voor hem niet zoo licht had kunnen afstand doen als van de fortuin, antwoordde zij: Mijn heer, ik ben geheel bereid. Zij ging met haar kleeren van grof en dik laken van Romagna door dat huis, waar zij kort te voren in haar hemd uit was gegaan, begon de kamers te reinigen en te ordenen, behangsels en tapijten in de zalen te brengen, de keuken in orde te maken en zich met alles bezig te houden, alsof zij een dienstmeisje was. Na aan Gualtieri te hebben medegedeeld, dat zij al de edelvrouwen uit den omtrek uitnoodigde, wachtte zij het feest af. Toen de bruiloftsdag aanbrak, ontving zij, hoewel zij zeer armelijke kleeren aan had, met een voorname geest en houding al de dames en met blij gelaat. Gualtieri had zijn kinderen met zorg te Bologna laten opvoeden bij zijn verwante, die gehuwd was in de familie der graven van Panago. Zijn dochter was al twaalf jaar oud en de schoonste, die men ooit had gezien en zijn zoon was zes jaar. Hij verzocht den verwant te Bologna met de kinderen naar Saluzzo te komen en een fraai en voornaam gezelschap mee te brengen en allen te zeggen, dat hij het meisje meebracht als zijn vrouw zonder aan iemand te openbaren, wie zij was. De edelman, die handelde gelijk de markgraaf het verlangde, ging op reis en kwam kort na het etensuur te Saluzzo, met de dochter en haar broeder en met een nobel geleide, waar hij al de boeren en vele andere buren uit den omtrek vond, die de nieuwe bruid van Gualtieri verwachtten. Toen zij door de donna’s ontvangen was en in de zaal gekomen,[582]waar de tafels waren, trad Griselda haar blijmoedig tegemoet en sprak: Madonna, wees welkom. De edelvrouwen (die vaak, maar vergeefs, Gualtieri hadden verzocht, dat Griselda in een kamer zou blijven of dat hij haar een van haar vroegere gewaden leende, opdat zij zoo niet voor de vreemdelingen zou verschijnen) werden aan tafel gezet en bediend. Het meisje werd door iedereen bekeken en ieder zeide, dat Gualtieri een goeden ruil had gedaan, en met de anderen prees Griselda haar zeer en ook haar broeder. Gualtieri, dien het scheen, dat hij alles gezien had, wat hij van de lijdzaamheid van zijn vrouw begeerde en dat zij in ’t geheel niet door de nieuwe gebeurtenissen veranderde en zeker was, dat dit niet voortkwam uit domheid, vond het tijd haar van die bitterheid te bevrijden, welke hij meende, dat zij onder een onbewogen gelaat verborgen hield. Nadat hij haar dus had laten komen, zeide hij in aller bijzijn glimlachend: Hoe lijkt u onze bruid! Mijn heer, antwoordde Griselda, zij komt mij zeer goed voor en als zij zoo wijs is als mooi—want dat geloof ik—twijfel ik niet, dat gij met haar bepaald als de gelukkigste ridder ter wereld zult leven. Maar zoo ik kan, bid ik u, dat gij haar niet de smarten veroorzaakt als de andere, vroeger de uwe, want ik geloof, dat zij die nauwelijks kan verdragen, zoowel omdat zij een jong meisje is, als omdat zij beter en voornamer is opgevoed, terwijl de andere van jongs af voortdurend hard moest werken. Gualtieri, die zag, dat zij die bepaald zijn vrouw waande en toch niet ongunstiger sprak, zette haar naast zich en zeide: Griselda, het is thans tijd, dat gij de vruchten plukt van uw langdurige lijdzaamheid en dat zij, die mij vroeger wreed en onrechtvaardig en dom hebben genoemd, weten, dat ik dit deed met een voorop gezet doel. Ik wilde u leeren vrouw te zijn en hun de hunne leeren kiezen en te behouden en mij een voortdurende rust veroveren voor geheel mijn leven. Ik was hier, toen ik u tot vrouw nam, zeer bang en om er de proef van te nemen, heb ik u op zooveel manieren geschokt en gekwetst. Daar ik gezien heb, dat gij u in woord en daad nooit tegen mijn wil hebt verzet, en het mij voorkwam, dat ik van u zou hebben, wat ik verlangde, wil ik u in een één uur teruggeven, wat ik u in velen ontnomen heb en ik zal met de hoogste vreugde de veroorzaakte wonden herstellen. Neem daarom haar met blij gemoed, die gij mijn vrouw waant en haar broeder als uw en mijn kinderen weer aan. Zij zijn het, van wie gij en vele anderen lang meenden, dat ik ze wreed liet vermoorden en ik ben uw echtgenoot, die u boven alles bemin en die gelooft zich er op te kunnen beroemen, dat er geen is, die zoo met zijn vrouw tevreden kan zijn. Toen omhelsde en kuste hij haar en hij stond op met haar, die schreide van vreugde en zij gingen samen naar de dochter, die toen geheel overbluft zat, en toen zij haar en ook den broeder innig had omhelsd, waren zij en[583]de vele andere aanwezigen bevrijd van hun waan. De donna’s, zeer verheugd van de tafels opgestaan, gingen met Griselda in de kamer, ontdeden haar onder de beste voorteekens van de grove dracht, kleedden haar opnieuw en leidden haar als edelvrouw, wat zij zelfs onder haar lompen scheen, naar de zaal. Daar maakte men met de kinderen een wonderbaar feest, daar ieder er vroolijk over was en vermeerderde men de blijdschap en de feestelijkheid en verlengde die vele dagen en noemden zij Gualtieri zeer wijs, hoewel zij de proeven met zijn donna genomen voor al te wreed en ondragelijk hielden en bovenal vonden zij Griselda zeer verstandig. De graaf van Panago kwam na eenige dagen van Bologna terug en Gualtieri, die Giannucole uit zijn werk had gehaald, behandelde hem als zijn schoonvader, zoodat hij met eere en zeer gelukkig voortaan op zijn ouden dag leefde. Gualtieri, die zijn dochter voornaam uithuwde, leefde lang en gelukkig met Griselda en eerde haar steeds, zooveel hij kon.
Wat kan men hier anders zeggen dan, dat engelengeesten in armelijke harten afdalen, gelijk men in de koninklijke paleizen er vindt, die eerder waard zijn zwijnen te hoeden dan adelsrechten uit te oefenen over de menschen? Wie anders dan Griselda zou met een niet alleen strak maar blij gelaat de harde en ongehoorde proeven hebben verduurd van Gualtieri? Het zou voor hem misschien niet kwaad zijn geweest, als hij er eene getroffen had, die, nadat hij deze in haar hemd uit het huis had gejaagd, zich door een ander de peluw had laten schudden om er slechts een mooi gewaad voor te krijgen.
Het verhaal van Dioneo was uit en de donna’s, zeer verschillend van meening, prezen en laakten. De koning, met het gelaat ten hemel, ziende, dat de zon al laag was op het uur van den vesper zonder zich van zijn zetel te verheffen begon aldus te spreken: Schoone donna’s. Naar ik geloof, weet gij, dat het verstand der stervelingen niet alleen daarin bestaat de vroegere dingen in het geheugen te bewaren en het tegenwoordige te begrijpen, maar door beide de toekomstigen te kunnen voorzien, waarvoor groote mannen befaamd waren. Het zal morgen veertien dagen zijn, dat wij uit Florence gingen om ons te vermaken tot behoud van onze gezondheid en ons leven en tot de verslagenheid en de smarten en de angsten, door de pest in onze stad, weken. Dit hebben wij naar mijn oordeel eerbaar gedaan. Daarom, als ik wel heb gezien, hoezeer de histories vroolijk waren en misschien tot den bijslaap aantrekken, ook het voortdurend eten en drinken en het spelen en zingen, alles dingen, die zwakke zielen tot minder eerlijke dingen leiden, heeft men geen daad, geen woord, niets van uwe of onze zijde kunnen laken. Voortdurende eerbaarheid, eendracht en broederlijke welwillendheid heb ik hier gekend, wat zeker u tot eer en[584]nut en mij zeer aangenaam is. Maar opdat er uit een al te lange gewoonte geen verveling ontstaat en opdat een al te lang verblijf niet tot twist leidt en daar ieder gedurende zijn dag dat deel van de eer heeft gehad, dat ik nog geniet, oordeel ik, wanneer het u mocht behagen, dat het goed zou zijn terug te keeren. Anders, indien gij er wel over denkt, zou ons gezelschap, reeds bij vele anderen in den omtrek bekend, zich zoo kunnen vermeerderen, dat al ons genoegen zou ophouden en als gij mijn raad goedkeurt, zal ik mijn kroon tot ons vertrek bewaren, wat ik morgen wensch te doen. Als gij er anders over denkt, ben ik al gereed te kiezen, wie ik voor den volgenden dag moet kronen.
Griselda.Griselda.10eDag—10eVertelling.
Griselda.
10eDag—10eVertelling.
De redeneeringen tusschen de donna’s en de jongelieden waren velen, maar ten slotte beschouwden zij den raad des konings als nuttig en rechtmatig en zij besloten aldus te doen. Zij lieten dus den hofmeester roepen en men sprak met hem af, hoe men den volgenden morgen zou handelen. Nadat het gezelschap vrijaf had gekregen tot het uur van het avondmaal, stond men op. De donna’s en de anderen gaven zich als steeds, deze aan dit, gene aan dat vermaak over. Op het uur van het avondmaal zaten zij met het grootste genoegen aan en daarna begonnen zij te zingen, te spelen en te dansen. En terwijl Lauretta een dans leidde, beval de koning aan Fiammetta een lied te zingen, dat zij zeer bekoorlijk begon:
Indien Amor zonder ijverzucht zou komenWeet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezenMeer verheugd dan ik.Indien blijde jeugdMet een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moetOf waarde van deugdOf moed of dapperheid,Verstand, fraaie manieren of sierlijke taalOf volmaakte bekoorlijkhedenBen ik die, zeker want tot mijn heilVerliefd zag ikDie allen in hem, die mijn hoop is.Maar omdat ik bemerk,Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,Beef ik van angstEn vrees ik voor erger.Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,Die mij de ziel ontneemt;En wat mij het hoogste geluk is,Maakt mij troosteloos,Doet mij diep zuchten en ellendig leven.[585]Als ik zoo vertrouwdeIn mijn heer als ik zijn waarde besef,Zou ik niet jaloersch zijn;Maar men ziet er zooveel,Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,Dat ik ze allen voor schuldig houd.Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,En van elk, die hij aanziet,Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.Bij God, dat elke donnaGewaarschuwd zij, dat zij niet overlegtMij hiermee te grievenWant als er een zou wezen,Die met woorden of teekens of liefkoozingenMij hierin zou schaden,Of die veroorzaken en ik het zou wetenZou ik misvormd willen worden,Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.
Indien Amor zonder ijverzucht zou komenWeet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezenMeer verheugd dan ik.
Indien Amor zonder ijverzucht zou komen
Weet ik niet, of er één donna ter wereld zou wezen
Meer verheugd dan ik.
Indien blijde jeugdMet een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moetOf waarde van deugdOf moed of dapperheid,Verstand, fraaie manieren of sierlijke taalOf volmaakte bekoorlijkhedenBen ik die, zeker want tot mijn heilVerliefd zag ikDie allen in hem, die mijn hoop is.
Indien blijde jeugd
Met een schoonen minnaar een donna gelukkig maken moet
Of waarde van deugd
Of moed of dapperheid,
Verstand, fraaie manieren of sierlijke taal
Of volmaakte bekoorlijkheden
Ben ik die, zeker want tot mijn heil
Verliefd zag ik
Die allen in hem, die mijn hoop is.
Maar omdat ik bemerk,Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,Beef ik van angstEn vrees ik voor erger.Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,Die mij de ziel ontneemt;En wat mij het hoogste geluk is,Maakt mij troosteloos,Doet mij diep zuchten en ellendig leven.
Maar omdat ik bemerk,
Dat andere donna’s even wijs zijn als ik,
Beef ik van angst
En vrees ik voor erger.
Want ik zie bij de anderen dezelfde begeerte,
Die mij de ziel ontneemt;
En wat mij het hoogste geluk is,
Maakt mij troosteloos,
Doet mij diep zuchten en ellendig leven.
[585]
Als ik zoo vertrouwdeIn mijn heer als ik zijn waarde besef,Zou ik niet jaloersch zijn;Maar men ziet er zooveel,Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,Dat ik ze allen voor schuldig houd.Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,En van elk, die hij aanziet,Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.
Als ik zoo vertrouwde
In mijn heer als ik zijn waarde besef,
Zou ik niet jaloersch zijn;
Maar men ziet er zooveel,
Wie het ook zij—die den minnaar verlokken,
Dat ik ze allen voor schuldig houd.
Dit bedroeft mij en ik zou gaarne sterven,
En van elk, die hij aanziet,
Vermoed ik en vrees ik, dat zij hem meesleept.
Bij God, dat elke donnaGewaarschuwd zij, dat zij niet overlegtMij hiermee te grievenWant als er een zou wezen,Die met woorden of teekens of liefkoozingenMij hierin zou schaden,Of die veroorzaken en ik het zou wetenZou ik misvormd willen worden,Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.
Bij God, dat elke donna
Gewaarschuwd zij, dat zij niet overlegt
Mij hiermee te grieven
Want als er een zou wezen,
Die met woorden of teekens of liefkoozingen
Mij hierin zou schaden,
Of die veroorzaken en ik het zou weten
Zou ik misvormd willen worden,
Als ik haar niet bitter die dwaasheid deed beweenen.
Toen Fiammetta haar zang had geëindigd, sprak Dioneo lachend aan haar zijde: Madonna, het zou een groote beleefdheid zijn Uw minnaar aan al de donna’s te doen kennen, opdat men niet door onwetendheid U zijn bezit ontrooft, daar gij er toornig om zoudt kunnen worden. Vervolgens zongen vele anderen hierover en toen het haast middernacht was, gingen allen, naar het den koning behaagde, rusten. En toen de nieuwe dag verscheen en de hofmeester al het noodige reeds vooruit had gestuurd, stonden zij op en gingen onder de leiding van den verstandigen koning op weg naar Florence. Nadat de drie jongelieden de zeven donna’s in de Santa Maria Novella hadden achtergelaten, de kerk, waaruit zij met hen waren vertrokken en zij van hen verlof hadden gekregen, gaven zij zich aan hun andere genoegens over. Wat de donna’s betreft, die gingen, toen het hun tijd scheen naar huis.[586]