Tiende Vertelling.

[Inhoud]Tiende Vertelling.Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt[423]en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was.Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets[424]bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens degedane belofte in de kamer van Meuccioen riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten,[425]omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen,welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegten ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den[426]kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,Dat ik in de borst draag,Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.O mijn geliefde, o mijn eenige rust,Die mij het hart benauwt:Ach, zeg het mij, want anderen vragenDurf ik het niet, en ik weet niet aan wien.Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,Dat mij zoo heeft ontvlamd,Want dag noch nacht vond ik rust,Omdat het gehoor, het gevoel, het gezichtMet ongewone krachtElk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,Waar ik geheel in verzeng;En geen ander dan gij kunt mij sterkenOf mij de verdwenen moed hergeven.Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,Dat ik U ooit vinden zal,Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,Wanneer gij hier zult komen,En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.Het verbeiden dure kort,Totdat gij komen zult, en het blijven lang,Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;Ik zal U houden, wat er ook van kome.En aan Uw zoeten mondZal ik mijn verlangen voldoen.[427]Ik wil er thans niets meer van zeggen.Kom dan spoedig, kom mij omhelzenDaar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.[428]

[Inhoud]Tiende Vertelling.Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt[423]en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was.Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets[424]bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens degedane belofte in de kamer van Meuccioen riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten,[425]omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen,welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegten ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den[426]kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,Dat ik in de borst draag,Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.O mijn geliefde, o mijn eenige rust,Die mij het hart benauwt:Ach, zeg het mij, want anderen vragenDurf ik het niet, en ik weet niet aan wien.Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,Dat mij zoo heeft ontvlamd,Want dag noch nacht vond ik rust,Omdat het gehoor, het gevoel, het gezichtMet ongewone krachtElk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,Waar ik geheel in verzeng;En geen ander dan gij kunt mij sterkenOf mij de verdwenen moed hergeven.Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,Dat ik U ooit vinden zal,Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,Wanneer gij hier zult komen,En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.Het verbeiden dure kort,Totdat gij komen zult, en het blijven lang,Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;Ik zal U houden, wat er ook van kome.En aan Uw zoeten mondZal ik mijn verlangen voldoen.[427]Ik wil er thans niets meer van zeggen.Kom dan spoedig, kom mij omhelzenDaar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.[428]

[Inhoud]Tiende Vertelling.Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt[423]en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was.Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets[424]bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens degedane belofte in de kamer van Meuccioen riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten,[425]omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen,welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegten ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den[426]kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,Dat ik in de borst draag,Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.O mijn geliefde, o mijn eenige rust,Die mij het hart benauwt:Ach, zeg het mij, want anderen vragenDurf ik het niet, en ik weet niet aan wien.Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,Dat mij zoo heeft ontvlamd,Want dag noch nacht vond ik rust,Omdat het gehoor, het gevoel, het gezichtMet ongewone krachtElk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,Waar ik geheel in verzeng;En geen ander dan gij kunt mij sterkenOf mij de verdwenen moed hergeven.Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,Dat ik U ooit vinden zal,Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,Wanneer gij hier zult komen,En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.Het verbeiden dure kort,Totdat gij komen zult, en het blijven lang,Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;Ik zal U houden, wat er ook van kome.En aan Uw zoeten mondZal ik mijn verlangen voldoen.[427]Ik wil er thans niets meer van zeggen.Kom dan spoedig, kom mij omhelzenDaar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.[428]

[Inhoud]Tiende Vertelling.Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt[423]en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was.Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets[424]bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens degedane belofte in de kamer van Meuccioen riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten,[425]omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen,welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegten ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den[426]kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,Dat ik in de borst draag,Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.O mijn geliefde, o mijn eenige rust,Die mij het hart benauwt:Ach, zeg het mij, want anderen vragenDurf ik het niet, en ik weet niet aan wien.Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,Dat mij zoo heeft ontvlamd,Want dag noch nacht vond ik rust,Omdat het gehoor, het gevoel, het gezichtMet ongewone krachtElk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,Waar ik geheel in verzeng;En geen ander dan gij kunt mij sterkenOf mij de verdwenen moed hergeven.Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,Dat ik U ooit vinden zal,Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,Wanneer gij hier zult komen,En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.Het verbeiden dure kort,Totdat gij komen zult, en het blijven lang,Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;Ik zal U houden, wat er ook van kome.En aan Uw zoeten mondZal ik mijn verlangen voldoen.[427]Ik wil er thans niets meer van zeggen.Kom dan spoedig, kom mij omhelzenDaar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.[428]

Tiende Vertelling.Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.

Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.

Twee Sieneezen beminnen een dame, een petemoei van een hunner. De peetvader sterft, komt volgens de hem gedane belofte zijn vriend opzoeken en vertelt hem, hoe het er uitziet in de andere wereld.

Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt[423]en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was.Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets[424]bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens degedane belofte in de kamer van Meuccioen riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten,[425]omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen,welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegten ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den[426]kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,Dat ik in de borst draag,Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.O mijn geliefde, o mijn eenige rust,Die mij het hart benauwt:Ach, zeg het mij, want anderen vragenDurf ik het niet, en ik weet niet aan wien.Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,Dat mij zoo heeft ontvlamd,Want dag noch nacht vond ik rust,Omdat het gehoor, het gevoel, het gezichtMet ongewone krachtElk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,Waar ik geheel in verzeng;En geen ander dan gij kunt mij sterkenOf mij de verdwenen moed hergeven.Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,Dat ik U ooit vinden zal,Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,Wanneer gij hier zult komen,En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.Het verbeiden dure kort,Totdat gij komen zult, en het blijven lang,Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;Ik zal U houden, wat er ook van kome.En aan Uw zoeten mondZal ik mijn verlangen voldoen.[427]Ik wil er thans niets meer van zeggen.Kom dan spoedig, kom mij omhelzenDaar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.[428]

Alleen de koning moest nog vertelllen, welke, toen hij de donna’s zeer treurig zag over den val van den perenboom, die het niet helpen kon, begon: Het is zeer duidelijk, dat elk rechtvaardig koning de eerste dienaar der wetten moet zijn door hem gemaakt[423]en als hij anders handelt, moet men hem beschouwen als een lijfeigene, waardig om gestraft te worden. Het is waar, dat ik gisteren de wet stellend voor onze verhalen van heden, niet de bedoeling had van mijn voorrecht gebruik te maken en niet over het onderwerp te spreken, hetgeen gij allen behandelde. Niet alleen is er verteld, waarover ik zelf had willen spreken, maar er is zooveel schoons gezegd, dat, hoe ik ook zoek, mij er geen invalt, dat ik in verband met dit onderwerp met dit verhaalde zou kunnen vergelijken en daar ik dus moet zondigen tegen mijn wetten en strafbaar ben, verklaar ik mij bereid tot elke boete. De geschiedenis door Elisa verteld van den peetvader en peetmoeder en de dwaasheid der Sieneezen hebben zooveel kracht, zeer geliefde donna’s, dat ik, daargelaten de grappen door slimme vrouwen met hun echtgenooten uitgehaald, er toe gedreven word u een geschiedenis te vertellen, die, hoewel er veel ongeloofelijks in voorkomt, toch aardig is.

Er leefden dan in Siena twee jongelieden uit het volk, waarvan de een Tingoccio Mini en de ander Meuccio di Tura heette. Zij woonden bij de Salaja-poort, gingen altijd samen en waren zeer bevriend. Zij gingen veel naar de kerken en de preeken en hadden meermalen gehoord van hen, die stierven en van de glorie en van de ellende der ziel hiernamaals. Omdat zij daaromtrent zekerheid verlangden, beloofden zij elkaar, dat wie het eerst van hen dood zou gaan, zoo hij kon, zou terugkeeren en nieuws zou vertellen aan hem, die overbleef, en dit bevestigden zij met een eed. Het gebeurde eens, dat Tingoccio peet werd van zekeren Ambruogio Anselmini te Campi Reggi, welke van zijn vrouw, monna Mila een zoon had gekregen. Deze Tingoccio bezocht eens met Meuccio zijn peettante, die een zeer schoone en begeerlijke donna was.Niettegenstaande het peetschap werd hij op haar verliefd en insgelijks Meuccio, dien zij ook zeer beviel en die haar door Tingoccio zeer had hooren prijzen. De een verborg die liefde voor den ander maar niet om dezelfde reden. Tingoccio waakte er voor die aan Meuccio toe te vertrouwen, daar het hem scheen de peettante lief te hebben en hij zou zich geschaamd hebben, als iemand het had geweten. Meuccio nam zich er voor in acht, maar omdat hij gewaar werd, dat zij Tingoccio behoorde. Daarom zeide hij: Als ik dit openbaar, zal hij jaloersch op mij worden en daar hij recht van spreken heeft, zal hij mij zoo hatelijk mogelijk maken en zoo zal ik nooit kans hebben haar te behagen. Nu gebeurde het, dat Tingoccio, wien het het gemakkelijkst viel zijn verlangen aan de donna te bekennen, zoo te werk ging, dat hij van haar genoegen had, hetgeen Meuccio merkte. En hoezeer het hem mishaagde, toch in de hoop eens het doel van zijn begeerte te bereiken, opdat Tingoccio geen aanleiding of grond had zijn plan te vernietigen, deed hij toch of hij niets[424]bespeurde en zoo beminden de beide metgezellen de een gelukkiger dan de ander. Tingoccio vond op het erf van zijn peettante een zachten grond en bewerkte dien zóó, dat hij ziek werd en overleed. Drie dagen na zijn dood kwam hij (daar hij misschien door omstandigheden verhinderd was) volgens degedane belofte in de kamer van Meuccioen riep hem, die stevig sliep. Meuccio ontwaakte en sprak: Wie zijt gij? Hij antwoordde: Ik ben Tingoccio, die volgens den eed u gedaan, ben teruggekeerd om U nieuws te vertellen uit de andere wereld. Meuccio schrikte een weinig, toen hij hem zag, maar toch sprak hij gerust gesteld: Gij zijt welkom, mijn broeder. En toen vroeg hij hem of hij verloren was. Tingoccio antwoordde: Verloren zijn de dingen, die niet worden weer gevonden en hoe zou ik hier kunnen zijn, als ik verloren was geraakt? O, zei Meuccio, zoo bedoel ik het niet, maar ik meen of gij onder de verdoemde zielen zijt in het wrekende vuur van de hel? Toen antwoordde Tingoccio: Zeker niet, maar ik verkeer wel wegens mijn zonden in pijn en angst. Meuccio vroeg in bijzonderheden aan Tingoccio welke straf zij voor elke zonde kregen. Tingoccio meldde die allen. Meuccio vroeg hem of hij iets voor hem doen kon. Toen antwoordde Tingoccio: Zeker, door missen voor mij te laten lezen, gebeden te doen en aalmoezen te geven, omdat die de menschen daar veel hielpen. Meuccio zeide, dat hij dat graag wilde en toen Tingoccio van hem heen ging, dacht Meuccio aan de peettante; Nadat hij het hoofd een weinig had opgeheven, zeide hij: Nu herinner ik het mij, o Tingoccio: welke straf hebt ge daar gekregen voor de peettante, met welke gij, toen gij hier waart, geslapen hebt. Tingoccio antwoordde: Mijn broeder, toen ik daar aankwam, was er iemand, die mijn zonden uit het hoofd scheen te weten en mij beval op een plaats te gaan, waar ik in de grootste smart mijn schulden zou beweenen; daar vond ik vele metgezellen tot dezelfde straf als ik veroordeeld. Ik herinnerde mij, wat ik vroeger gedaan had met de peettante en verwachtte, dat mij groote straf zou opgelegd worden, en rilde geheel van schrik, hoewel ik in een zeer fel vuur was. Toen degene, die naast mij was, dat merkte, zeide hij: Wat hebt gij meer gedaan dan de anderen; gij huivert in het vuur staande? O, zeide ik, mijn vriend, ik ben zeer bang voor het vonnis, door een groote zonde, die ik bedreef. Hij vroeg mij, welke zonde dat was. Ik zeide tot hem: Die zonde was, dat ik met een peettante sliep en ik heb dit zoo vaak gedaan, dat ik er de huid bij liet. En hij zeide spottend: Ga, dwaas, wees niet bang, want hier houdt men geen rekening met peettantes. Toen ik dit hoorde, stelde ik mij weer gerust. Toen de dag naderde, sprak hij: Meuccio, handel met God, want ik kan niet langer bij U blijven; en hij ging heen. Meuccio, die gehoord had, dat men daar beneden met peettantes geen rekening hield, begon met zijn dwaasheid te spotten,[425]omdat hij er al velen ontzien had en werd nu verstandiger. En als frate Rinaldo dat had geweten, had hij niet zooveel praatjes hoeven te verkoopen, toen hij zijn goede peettante tot zijn genoegen overhaalde.

Zephir had zich al verheven, toen de zon het punt van ondergang naderde en de koning zijn verhaal geëindigd had. Hij hief zich den krans van het hoofd, plaatste die op het hoofd van Lauretta en sprak: Madonna, ik kroon U met Uw eigen naam: de Gelauwerde, als koningin van dit gezelschap en wat gij voortaan meent voor allen een genoegen en troost te zijn, zult gij bevelen als heerscheresse. En hij ging zitten. Lauretta, koningin geworden, liet den hofmeester roepen, aan wien zij gelastte, dat hij de tafels in de bekoorlijke vallei wat vroeger dan gewoonlijk liet plaatsen, opdat zij daarna op hun gemak naar hun verblijf zouden kunnen terugkeeren. Daarna zich wendend tot haar gezelschap sprak zij: Dioneo wilde gisteren, dat men heden zou spreken over de poetsen door donna’s gebakken aan hun echtgenooten en indien het niet was, dat ik mij niet van het soort van den bastaardmopshond wil toonen, die zich dadelijk wil wreken, zou ik U zeggen, dat men heden moet spreken van de streken, die mannen jegens hun vrouwen uithalen. Maar, dat daargelaten, zeg ik, dat elk er aan moet denken er van te verhalen,welke bedriegerijen, gewoonlijk of de vrouw jegens den man, of de man jegens de vrouw of de eene jegens den ander pleegten ik geloof, dat het hierom niet minder aangenaam zal zijn, dan het vandaag was en bij die woorden stond zij op en gaf het gezelschap tot aan het uur van het avondmaal vrijaf. De donna’s en de heeren stonden dus tegelijk op, van welke eenigen ontschoeid door het heldere water gingen loopen en anderen zich onder de schoone en rijzige boomen op de groene weide begaven tot ontspanning. Dioneo en Fiammetta zongen langen tijd te samen van Arcita en Palemone en aldus brachten zij den tijd tot het uur van het avondmaal door met het smaken van verschillende genoegens. Toen dit was aangebroken en zij zich bij het meertje aan den disch hadden geplaatst, aten zij bij het gezang van duizend vogels verheugd en steeds verfrischt door een zachten wind, die van de omringende heuvels kwam zonder eenigen last van de muggen te hebben. En toen de tafels waren opgenomen en zij een kleinen ommegang hadden gemaakt door de bekoorlijke vallei, sloegen zij, toen de zon nog hoog stond in het midden van den vespertijd, zooals het de koningin behaagde, naar hun gewoon verblijf den weg in met langzamen tred en schertsend en gekscherend over duizend dingen zoowel over die, waarover dien dag was gesproken als over anderen, bereikten zij omstreeks den nacht het schoone verblijf. Daar verjoegen zij met zeer versche wijnen en met meelspijzen de vermoeienissen van den[426]kleinen tocht en begonnen rondom de schoone fontein te dansen, dan eens op de maat van den doedelzak van Tindaro en dan weer bij die der andere instrumenten. Maar ten slotte beval de koningin, dat Filomena een lied zou zingen, die aldus begon:

Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,Dat ik in de borst draag,Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.O mijn geliefde, o mijn eenige rust,Die mij het hart benauwt:Ach, zeg het mij, want anderen vragenDurf ik het niet, en ik weet niet aan wien.Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,Dat mij zoo heeft ontvlamd,Want dag noch nacht vond ik rust,Omdat het gehoor, het gevoel, het gezichtMet ongewone krachtElk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,Waar ik geheel in verzeng;En geen ander dan gij kunt mij sterkenOf mij de verdwenen moed hergeven.Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,Dat ik U ooit vinden zal,Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,Wanneer gij hier zult komen,En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.Het verbeiden dure kort,Totdat gij komen zult, en het blijven lang,Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;Ik zal U houden, wat er ook van kome.En aan Uw zoeten mondZal ik mijn verlangen voldoen.[427]Ik wil er thans niets meer van zeggen.Kom dan spoedig, kom mij omhelzenDaar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.

Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?

Zie, hoe ongelukkig is mijn leven!

Zal het ooit zijn, dat ik kan terugkeeren,

In den toestand, waaruit mij het trieste afscheid voerde?

Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,Dat ik in de borst draag,Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.O mijn geliefde, o mijn eenige rust,Die mij het hart benauwt:Ach, zeg het mij, want anderen vragenDurf ik het niet, en ik weet niet aan wien.Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.

Zeker ik weet het niet, zoo groot is het vurig verlangen,

Dat ik in de borst draag,

Mij terug te vinden in den staat, waarin ik vroeger was.

O mijn geliefde, o mijn eenige rust,

Die mij het hart benauwt:

Ach, zeg het mij, want anderen vragen

Durf ik het niet, en ik weet niet aan wien.

Helaas, mijn heer, helaas: laat het mij hopen,

Opdat ik mijn verrukte ziel sterken zal.

Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,Dat mij zoo heeft ontvlamd,Want dag noch nacht vond ik rust,Omdat het gehoor, het gevoel, het gezichtMet ongewone krachtElk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,Waar ik geheel in verzeng;En geen ander dan gij kunt mij sterkenOf mij de verdwenen moed hergeven.

Ik kan niet herhalen, hoe het genoegen was,

Dat mij zoo heeft ontvlamd,

Want dag noch nacht vond ik rust,

Omdat het gehoor, het gevoel, het gezicht

Met ongewone kracht

Elk voor zich mij met nieuw vuur ontgloeide,

Waar ik geheel in verzeng;

En geen ander dan gij kunt mij sterken

Of mij de verdwenen moed hergeven.

Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,Dat ik U ooit vinden zal,Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,Wanneer gij hier zult komen,En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.Het verbeiden dure kort,Totdat gij komen zult, en het blijven lang,Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.

Ach, zeg mij of het zoo moet zijn en wanneer het geschiedt,

Dat ik U ooit vinden zal,

Dat ik die oogen kus, die mij deden smachten van verlangen.

Zeg het mij, mijn zoetelief, mijn ziel,

Wanneer gij hier zult komen,

En bemoedig mij door het spoedig mij te zeggen.

Het verbeiden dure kort,

Totdat gij komen zult, en het blijven lang,

Opdat ik minder treur, daar Amor mij heeft gewond.

Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;Ik zal U houden, wat er ook van kome.En aan Uw zoeten mondZal ik mijn verlangen voldoen.

Als het gebeurt, dat ik U ooit zal bezitten,

Weet ik niet of ik zoo dwaas zal zijn,

Gelijk ik was, toen ik U liet heengaan;

Ik zal U houden, wat er ook van kome.

En aan Uw zoeten mond

Zal ik mijn verlangen voldoen.

[427]

Ik wil er thans niets meer van zeggen.Kom dan spoedig, kom mij omhelzenDaar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.

Ik wil er thans niets meer van zeggen.

Kom dan spoedig, kom mij omhelzen

Daar toch de gedachte van den zang mij er toe drijft.

Dit lied deed het geheele gezelschap denken, dat een nieuw en bekoorlijke liefde Filomena benarde en omdat het door de woorden scheen, dat zij meer was gewaar worden dan alleen den aanblik van haar minnaar, hield men haar voor gelukkiger, zoodat er van het gezelschap jaloersch op haar waren. Maar toen het lied was geëindigd en de koningin zich herinnerde, dat de volgende dag een Vrijdag was, zeide zij bekoorlijk tot allen: Gij weet, edele donna’s en gij jongelieden, dat het morgen den dag is gewijd aan het Lijden onzes Heeren en dat wij dien, als ik mij wel herinner, vroom vierden, toen Neifile koningin was, door onze vroolijke vertellingen te staken en hetzelfde zullen wij den nu volgenden rustdag doen. Daar ik het goede voorbeeld van Neifile volgen wil, meen ik, dat het een passende zaak is, dat wij morgen en overmorgen, gelijk wij het vroeger hebben gedaan, ons er van onthouden geschiedenissen te vertellen en dat wij ons herinneren tot heil van onze zielen, wat eertijds in die dagen gebeurde. De vrome taal der koningin beviel aan allen en na hun vrijaf te hebben gegeven, begaven zich allen ter ruste.[428]


Back to IndexNext