Zesde Dag.

[Inhoud]Zesde Dag.Zesde Dag.De vijfde dag van deDecameroneeindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta begonnen samen Troïlus en Crescida1te zingen. En reeds was het uur om consistorium2te houden weergekeerd, toen de koningin alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar de[355]reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam.3En ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten. Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.[356]Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:[Inhoud]Eerste Vertelling.Een ridder vraagt aan madonna Oretta4met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk[357]wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei:Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.[Inhoud]Tweede Vertelling.De bakker Cisti5doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of[358]de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius6, bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken7, die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer[359]het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam:[360]Naar de Arno.8De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes9naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.[Inhoud]Derde Vertelling.Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van[361]Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf,watik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego10della Ratta, maarschalk van koning Ruberto11. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen12, die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes13naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot[362]om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.[Inhoud]Vierde Vertelling.Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola14een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en[363]toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend:Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben.Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado[364]zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij:Ho, ho,door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt nietHo, ho,geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.[Inhoud]Vijfde Vertelling.Messer Forese van Rabatta15en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci16vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden[365]geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde[366]snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent.17Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.[Inhoud]Zesde Vertelling.Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo,18door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma19zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore.[367]Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence,[368]maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.[Inhoud]Zevende Vertelling.Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen.20Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan[369]zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw[370]beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.[Inhoud]Achtste Vertelling.Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend[371]Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.[Inhoud]Negende Vertelling.Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is[372]overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi21, messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier22gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.[373]Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.[Inhoud]Tiende Vertelling.Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.23Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp,[374]waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien24voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engelGabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.[375]Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel[376]van Altopascio25mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco26met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.De veer van den engel Gabriël.De veer van den engel Gabriël.6eDag—10eVertelling.Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid hetConfiteorop, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige[377]zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia27en Ruffia28, zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna29, waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen30, waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden31en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen32zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht.[378]Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messerNonmiblasmete Sevoipiace33, den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligenMichaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engelGabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de[379]kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan[380]gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf,over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde.[381]De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringddoorzes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de[382]kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt!34Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan,[383]dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,Kan ik nauwelijks gelooven,Dat niet een andere klauw mij grijpt.Ik ging heel jong in uw oorlogGeloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,En ik legde al mijn wapens nederAls hij die vertrouwen heeft:Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,Gij waart mij op de hielenMet uw wapens en uw wreede nagels.Toen, eenmaal omslingerd door uw ketensVoor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,Vol bittere tranen en smarten,Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;En zijn heerschappij is zoo wreed,Dat nooit zuchten hem bewogenNoch klachten, die mij dooden.Al mijn gebeden vervaagt de wind.Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hoorenDaardoor stijgt mijn marteling ieder uurEn is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.Heer, heb medelijden met mijn smartenEn doe, wat ik niet vermagLever mij hem over in uw ketenen.Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althansDe banden geknoopt door de hoop.Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwenWeer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,En als de smart verdwijnen zal,Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.[385]

[Inhoud]Zesde Dag.Zesde Dag.De vijfde dag van deDecameroneeindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta begonnen samen Troïlus en Crescida1te zingen. En reeds was het uur om consistorium2te houden weergekeerd, toen de koningin alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar de[355]reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam.3En ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten. Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.[356]Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:[Inhoud]Eerste Vertelling.Een ridder vraagt aan madonna Oretta4met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk[357]wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei:Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.[Inhoud]Tweede Vertelling.De bakker Cisti5doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of[358]de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius6, bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken7, die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer[359]het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam:[360]Naar de Arno.8De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes9naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.[Inhoud]Derde Vertelling.Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van[361]Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf,watik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego10della Ratta, maarschalk van koning Ruberto11. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen12, die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes13naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot[362]om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.[Inhoud]Vierde Vertelling.Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola14een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en[363]toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend:Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben.Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado[364]zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij:Ho, ho,door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt nietHo, ho,geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.[Inhoud]Vijfde Vertelling.Messer Forese van Rabatta15en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci16vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden[365]geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde[366]snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent.17Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.[Inhoud]Zesde Vertelling.Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo,18door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma19zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore.[367]Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence,[368]maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.[Inhoud]Zevende Vertelling.Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen.20Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan[369]zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw[370]beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.[Inhoud]Achtste Vertelling.Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend[371]Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.[Inhoud]Negende Vertelling.Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is[372]overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi21, messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier22gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.[373]Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.[Inhoud]Tiende Vertelling.Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.23Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp,[374]waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien24voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engelGabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.[375]Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel[376]van Altopascio25mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco26met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.De veer van den engel Gabriël.De veer van den engel Gabriël.6eDag—10eVertelling.Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid hetConfiteorop, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige[377]zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia27en Ruffia28, zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna29, waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen30, waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden31en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen32zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht.[378]Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messerNonmiblasmete Sevoipiace33, den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligenMichaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engelGabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de[379]kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan[380]gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf,over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde.[381]De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringddoorzes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de[382]kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt!34Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan,[383]dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,Kan ik nauwelijks gelooven,Dat niet een andere klauw mij grijpt.Ik ging heel jong in uw oorlogGeloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,En ik legde al mijn wapens nederAls hij die vertrouwen heeft:Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,Gij waart mij op de hielenMet uw wapens en uw wreede nagels.Toen, eenmaal omslingerd door uw ketensVoor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,Vol bittere tranen en smarten,Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;En zijn heerschappij is zoo wreed,Dat nooit zuchten hem bewogenNoch klachten, die mij dooden.Al mijn gebeden vervaagt de wind.Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hoorenDaardoor stijgt mijn marteling ieder uurEn is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.Heer, heb medelijden met mijn smartenEn doe, wat ik niet vermagLever mij hem over in uw ketenen.Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althansDe banden geknoopt door de hoop.Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwenWeer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,En als de smart verdwijnen zal,Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.[385]

Zesde Dag.Zesde Dag.De vijfde dag van deDecameroneeindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.

Zesde Dag.

De vijfde dag van deDecameroneeindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.

De vijfde dag van deDecameroneeindigt, de zesde vangt aan. Onder het bewind van Elisa spreekt men van dengene, die, aangespoord door een of andere aardige zet zich verweert, of met een snel antwoord of doorzicht zich behoedt voor schade, gevaar of schande.

De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta begonnen samen Troïlus en Crescida1te zingen. En reeds was het uur om consistorium2te houden weergekeerd, toen de koningin alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar de[355]reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam.3En ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten. Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.[356]Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:[Inhoud]Eerste Vertelling.Een ridder vraagt aan madonna Oretta4met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk[357]wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei:Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.[Inhoud]Tweede Vertelling.De bakker Cisti5doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of[358]de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius6, bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken7, die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer[359]het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam:[360]Naar de Arno.8De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes9naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.[Inhoud]Derde Vertelling.Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van[361]Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf,watik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego10della Ratta, maarschalk van koning Ruberto11. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen12, die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes13naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot[362]om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.[Inhoud]Vierde Vertelling.Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola14een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en[363]toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend:Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben.Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado[364]zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij:Ho, ho,door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt nietHo, ho,geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.[Inhoud]Vijfde Vertelling.Messer Forese van Rabatta15en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci16vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden[365]geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde[366]snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent.17Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.[Inhoud]Zesde Vertelling.Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo,18door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma19zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore.[367]Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence,[368]maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.[Inhoud]Zevende Vertelling.Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen.20Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan[369]zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw[370]beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.[Inhoud]Achtste Vertelling.Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend[371]Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.[Inhoud]Negende Vertelling.Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is[372]overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi21, messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier22gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.[373]Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.[Inhoud]Tiende Vertelling.Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.23Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp,[374]waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien24voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engelGabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.[375]Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel[376]van Altopascio25mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco26met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.De veer van den engel Gabriël.De veer van den engel Gabriël.6eDag—10eVertelling.Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid hetConfiteorop, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige[377]zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia27en Ruffia28, zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna29, waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen30, waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden31en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen32zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht.[378]Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messerNonmiblasmete Sevoipiace33, den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligenMichaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engelGabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de[379]kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan[380]gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf,over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde.[381]De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringddoorzes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de[382]kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt!34Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan,[383]dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,Kan ik nauwelijks gelooven,Dat niet een andere klauw mij grijpt.Ik ging heel jong in uw oorlogGeloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,En ik legde al mijn wapens nederAls hij die vertrouwen heeft:Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,Gij waart mij op de hielenMet uw wapens en uw wreede nagels.Toen, eenmaal omslingerd door uw ketensVoor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,Vol bittere tranen en smarten,Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;En zijn heerschappij is zoo wreed,Dat nooit zuchten hem bewogenNoch klachten, die mij dooden.Al mijn gebeden vervaagt de wind.Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hoorenDaardoor stijgt mijn marteling ieder uurEn is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.Heer, heb medelijden met mijn smartenEn doe, wat ik niet vermagLever mij hem over in uw ketenen.Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althansDe banden geknoopt door de hoop.Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwenWeer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,En als de smart verdwijnen zal,Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.[385]

De maan in het midden des hemels geklommen, had zijn stralen verloren en reeds onder het nieuwe, wassende licht, was elk deel der aarde verhelderd, toen de koningin opgestaan haar gezelschap liet wekken en zij zich met langzame schreden verwijderden van den schoonen heuvel, zich over het gras verspreidden, over verschillende dingen spraken, van gedachten wisselden over de meerdere of mindere schoonheid van verhaalde novellen en nog over de verscheidene daarin voorkomende gevallen weer lachten, tot het aan allen tijd scheen, toen de zon warmer begon te worden, naar huis terug te gaan. Daarom keerden zij hun schreden daarheen, vanwaar ze gekomen waren. En ginds, waar de tafels al gedekt stonden en alles met geurige kruiden en met schoone bloemen bezaaid was, begonnen zij, voor het warmer werd, op verzoek der koningin te eten. Toen zij verzadigd waren, zongen zij, voor zij iets anders deden, eenige schoone en aardige liederen; deze ging slapen, gene schaakspelen en een ander hervatte dit. En Dioneo met Lauretta begonnen samen Troïlus en Crescida1te zingen. En reeds was het uur om consistorium2te houden weergekeerd, toen de koningin alle als gewoonlijk had laten roepen en zij rondom de fontein gingen zitten. Reeds wilde zij bevel geven de eerste geschiedenis te verhalen, toen er iets gebeurde, wat nog nooit was geschied, namelijk dat er door de koningin en allen een groot rumoer werd gehoord, dat de meiden en knechts in de keuken maakten. Men liet daarom den hofmeester komen en vroeg hem, wat de oorzaak was van het geschreeuw en het tumult en hij antwoordde, dat het leven gaande was tusschen Licisca en Tindaro. Maar de[355]reden wist hij niet, hoewel hij er toch heen wou gaan om ze te doen zwijgen, wanneer hij van hunnentwege daartoe bevel kreeg. De koningin gelastte hem Licisca en Tindaro dadelijk te laten komen; nadat dit geschied was, vroeg zij hun, wat de oorzaak van het tumult was. Tindaro wilde er op antwoorden, toen Licisca, die een vrouw van een zekeren leeftijd was en trotscher dan eenige andere en verhit door haar geschreeuw, met een kwaad gezicht naar hem gekeerd, zeide: Kijk, die ezel van een vent, die den moed heeft, wanneer ik er bij ben, vóór mij te spreken! Laat mij aan het woord. En tot de koningin gewend, ging zij voort: Madonna, die wil mij de vrouw van Sycophante leeren kennen. Die wil mij, alsof ik haar nooit bezocht had, wijs maken, dat in de eerste huwelijksnacht, toen Sycophante met haar sliep, Messire Mazza met geweld en bloedverlies in den Zwarten Berg kwam.3En ik zeg, dat het niet waar, is maar dat het integendeel vreedzaam ging en tot groot genoegen van beide. En hij is wel zoo stom, dat hij maar al te goed gelooft, dat de jonge meisjes gek genoeg zijn om hun tijd te verliezen en berusten voor hun vader en broeders, die hun zes van de zeven keer drie of vier jaar langer laten wachten dan ze moesten om ze uit te huwen. Ze zouden het goed maken, broederlief, als ze zoo lang wachtten. Bij het geloof in Christus—en ik moet toch weten wat ik zeg, als ik zweer—ik heb geen buurvrouw, die als maagd naar haar man is gegaan en ook van de getrouwde vrouwen weet ik, hoe en wat voor poetsen ze hun mannen bakken. En die ezel wil mij de vrouwen doen kennen of ik van gisteren ben. Terwijl Licisca sprak, moesten de donna’s zoo lachen, dat men ze al hun tanden had kunnen trekken.

De koningin had haar wel zes maal het zwijgen opgelegd, maar het hielp niets, zij hield maar niet op voor ze gezegd had, wat haar uit den mond viel. Toen zij klaar was, zeide de koningin lachend tot Dioneo: Dioneo, dat is iets voor U. En daarom, als wij onze verhalen verteld hebben, zult gij zorgen, dat gij hierover het eindoordeel uitspreekt Hierop antwoordde Dioneo haastig: Madonna, het oordeel is uitgesproken zonder dat er meer voor noodig is om te hooren en ik zeg, dat Licisca gelijk heeft en geloof, dat het is zooals zij zegt en Tindaro is een ezel. Toen Licisca dit hoorde, begon zij te lachen en tot Tindaro gewend, zeide zij: Dat heb ik je wel gezegd. Ga weg met Gods genade; geloof jij er soms meer van te weten dan ik, jij, die als de zuigelingen je oogen nog niet open hebt gedaan. Ik heb, Goddank, niet voor niets geleefd.[356]

Als de koningin haar niet met een kwaad gezicht het zwijgen had opgelegd, en haar niet bevolen had er geen woord meer aan toe te voegen noch ruzie te maken, als ze geen slaag wou hebben en met Tindaro weggejaagd worden, had men den heelen dag wel met haar aan den gang kunnen blijven. Toen zij heengegaan waren, beval de koningin aan Filomena, dat zij met de verhalen aanving. Zij begon blijmoedig aldus:

[Inhoud]Eerste Vertelling.Een ridder vraagt aan madonna Oretta4met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk[357]wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei:Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.

Eerste Vertelling.Een ridder vraagt aan madonna Oretta4met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.

Een ridder vraagt aan madonna Oretta4met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.

Een ridder vraagt aan madonna Oretta4met hem te paard te gaan zitten en haar een verhaal te doen. Als hij echter slecht vertelt, verzoekt zij hem haar weer te doen afstijgen.

Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk[357]wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei:Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.

Jonge dames. Evenals op de schoone avonden de sterren de sieraden des hemels zijn en in de lente de bloemen van de groene weiden en de struiken bedekt met hun loover de heuvels tooien, zoo zijn de geestige woorden dit van de lofwaardige manieren en de schoone gesprekken. En omdat zij kort moeten zijn, passen zij beter de donna’s dan de heeren te meer, omdat het lange spreken meer aan de vrouwen dan aan de mannen misstaat. Het is waar, dat, wat er ook de reden van zij, of door de minderheid van onzen geest of door de zonderlinge vijandschap, die de hemel aan onzen tijd toont, er thans weinig donna’s of geen zijn, die er een kan zeggen op het juiste oogenblik of indien men er haar een zegt, het weet te verstaan gelijk het behoort, wat in ’t algemeen ons tot schande strekt. Maar daar er over dit onderwerp al genoeg beweerd is door Pampinea, wil ik er niet meer van zeggen. Maar om U te doen zien, hoeveel schoons zij in zich bevatten, als zij op het juiste oogenblik verteld worden, behaagt het mij U te verhalen van de hoffelijke manier, waarop een edelvrouw aan een ridder het stilzwijgen wist op te leggen.

Gelijk velen van U het hebben kunnen zien of hooren, leefde er nog niet lang geleden in onze stad een lieve, welopgevoede en welsprekende donna en van een waardigheid, zoo dat ik haar naam niet verbergen wil—zij heette dan madonna Oretta en was de vrouw van messer Ger Spina—welke toevallig buiten was gelijk[357]wij nu. Zij ging van de eene plaats naar de andere om zich te ontspannen met donna’s en cavalieri, welke zij dien dag allen ten middagmaal had gehad. Daar de weg was van daar, waar men vertrok tot ginds, waar allen te voet wilden heengaan, zeide een der ridders van het gezelschap: Madonna Oretta, wanneer gij wilt, zal ik U te paard een groot deel van den weg nemen, dien wij zullen gaan en ik zal U dan een der schoonste verhalen van de wereld doen. Hierop antwoordde de donna: Messire, daarom bid ik U ten zeerste en het zal mij zeer aangenaam zijn.

Messire de ridder, wien misschien de degen beter aan de zijde stond dan het verhalen met den mond, hoorde dit en begon een novelle, die hij zelf voor zeer schoon hield, maar daar hij drie of vier keer dezelfde woorden herhaalde en dan op hetzelfde terugkwam en telkens zei:Ik heb het niet goed gezegd, en vaak de namen verwarde en den een met den ander verwisselde, bedierf hij die op barbaarsche wijze zonder er van te spreken, dat hij zeer slecht de hoedanigheid der personen en de gebaren, die zij maakten, weergaf. Hiervan brak madonna Oretta herhaaldelijk, terwijl zij hem hoorde, het zweet uit en werd ze wee om het hart, alsof zij ziek was en flauw dreigde te vallen. Toen zij het eindelijk niet langer kon uithouden, en begreep, dat de edelman in de war was en er niets meer van terecht zou brengen, zeide zij schertsend: Messer, Uw paard heeft een te harden loop, daarom bid ik U mij te laten afstijgen. De ridder, die eigenlijk beter toehoorder dan verteller was, begreep dit woord en nam dit in scherts als aardigheid op en begon over andere dingen te spreken, terwijl hij zonder die af te maken, de begonnen en slecht voortgezette vertelling staakte.

[Inhoud]Tweede Vertelling.De bakker Cisti5doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of[358]de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius6, bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken7, die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer[359]het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam:[360]Naar de Arno.8De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes9naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.

Tweede Vertelling.De bakker Cisti5doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.

De bakker Cisti5doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.

De bakker Cisti5doet met een woord messer Geri Spina inzien, dat hij een onbescheiden vraag doet.

Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of[358]de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius6, bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken7, die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer[359]het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam:[360]Naar de Arno.8De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes9naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.

Het antwoord van madonna Oretta werd door elk der donna’s en der heeren zeer geprezen, waarop de koningin beval, dat Pampinea zou volgen. Daarom begon zij aldus: Schoone donna’s. Ik zou door mij zelf niet kunnen beoordeelen wie meer zondigt of de natuur door een nobele ziel aan een slecht lichaam te verbinden of[358]de fortuin door een gewoon beroep op te leggen aan een lichaam met een edelen geest begaafd als bij onzen medeburger Cisti, wat wij ook nog bij velen hebben kunnen zien. Dezen Cisti met een hooge ziel begiftigd, maakte de natuur bakker. En zeker zou ik en de natuur en de fortuin gelijkelijk verfoeien, indien ik niet wist, dat de natuur zeer voorzichtig is en de fortuin duizend oogen heeft, hoewel de dwazen haar als blind voorstellen. Ik geloof, dat zij als bedachtzame lieden, dikwijls doen, onzeker zijn van de toekomst, de kostbaarste voorwerpen om ze in veiligheid te stellen op de minste plaatsen in huis verbergen als de minst verdachte plekken en ze er slechts bij hooge noodzakelijkheid uit te voorschijn halen, daar de minste plaats juist zekerder dienst doet dan de mooiste kamer het zou kunnen. En aldus verbergen dikwijls de twee hoogste regeerders der wereld hun kostbaarste dingen in het duister van de beroepen, die als de laagsten bekend staan, opdat, als zij er die uit te voorschijn halen, hun glans des te klaarder verschijnt. Het behaagt mij U een kleine historie te verhalen, hoe de bakker Cisti, die de oogen des geestes terug gaf aan messer Geri Spina, dit toonde, wat mij de geschiedenis in het geheugen riep van madonna Oretta, die zijn vrouw was. Ik zeg dan, dat paus Bonifacius6, bij wien messer Geri Spina in groot aanzien stond, eenige van zijn edellieden als ambassadeurs naar Florence had gezonden voor eenige belangrijke zaken7, die in het huis van messer Geri Spina waren afgestegen, welke hen bij de zaken van den Paus hielp. Wat er ook de reden van zij, elken morgen gingen messer Geri en de gezanten van den Paus langs Santa Maria Ughi, waar de bakker Cisti zijn bakkerij had en persoonlijk zijn beroep uitoefende. Hoewel de fortuin hem een zeer nederig beroep had gegeven, was zij hem toch zoo welwillend geweest, dat hij er rijk in was geworden en zonder dit beroep ooit voor een ander te verlaten zeer ruim leefde, terwijl hij onder andere goede dingen altijd de beste witte en roode wijnen had, die men in Florence of buiten vond. Hij zag elken morgen messer Geri en de gezanten van den Paus langs zijn deur gaan en daar het zeer warm was, meende hij, dat het een groote beleefdheid was hun witten wijn te drinken te geven, maar op zijn stand lettend en dien van messer Geri, scheen het hem niet passend hem uit te noodigen, maar hij wilde een middel verzinnen, dat messer Geri er toe zou voeren zich zelf uit te noodigen. Daar hij een geheel wit vest aan had en een altijd gewasschen sloof, die hem eer[359]het uiterlijk gaven van een molenaar dan van een bakker, liet hij zich elken morgen op het uur, dat messer Geri met de gezanten moest voorbijgaan voor zijn deur een nieuwe kan vol frisch water brengen en een kleine, nieuwe, bologneesche flesch met zijn goeden witten wijn en twee bekers, die van zilver schenen, zoo blank waren die. Daarna ging hij zitten en als ze voorbijgingen, na twee of drie keer te hebben gespuwd begon hij zoo smakelijk dien wijn van hem te drinken, dat een doode er trek in zou krijgen.

Toen messer Geri dat een of twee ochtenden gezien had, vroeg hij op den derden: Wel, Cisti, is die goed! Cisti stond snel op en zeide: Zeker, messere, maar ik kan het U niet doen begrijpen, als gij er niet van proeft. Messer Geri, wien of de hitte van het weer of meer dan gewone arbeid of misschien het smakelijk drinken, wat hij Cisti had zien doen, dorst had gegeven, zeide glimlachend tot de gezanten gekeerd: Heeren, het is goed, dat wij eens proeven van den wijn van dezen waarden man; misschien is die zóó, dat wij er geen berouw van zullen hebben, en met hen samen ging hij naar Cisti. Deze, die dadelijk een mooie bank uit den winkel had laten halen, verzocht hen te gaan zitten en zeide tot de knechts, die al vooruit kwamen om de glazen te vullen: Metgezellen, ga achteruit en laat mij dien dienst verrichten, want ik kan niet minder goed wijn mengen dan bakken. En wacht u er niet mee er een teug van te proeven. Bij die woorden, na zelf vier schoone en nieuwe bekers gespoeld te hebben, liet hij een kleine flesch van zijn wijn komen, waarvan hij gedienstig messer Geri en zijn metgezellen te drinken gaf. Het scheen hun de beste wijn, dien zij sinds lang gedronken hadden; daarom na hem veel geprezen te hebben kwam messer Geri, zoolang de gezanten daar bleven, elken morgen met hen drinken.

Toen hun zaken afgedaan waren en zij tot vertrek gereed waren, gaf messer Geri een prachtig gastmaal, waaraan hij een groot deel van de eerzaamste burgers uitnoodigde en ook Cisti, die er op geenerlei voorwaarde wilde komen. Messer Geri beval daarop aan een van zijn knechts aan Cisti een kleine flesch van diens wijn te gaan vragen en er bij de eerste spijzen een halven beker per persoon van te schenken. De knecht misschien zeer aanmatigend, omdat hij nooit van dien wijn had kunnen drinken, nam een groote flesch, maar toen Cisti deze zag, zeide hij: Mijn zoon, messer Geri heeft u niet tot mij gezonden. De knecht beweerde herhaaldelijk het tegendeel, maar kreeg geen ander antwoord, keerde naar messer Geri terug en vertelde hem dit. Hierop antwoordde messer Geri: Ga terug en zeg hem, dat ik het deed en als hij u weer zoo antwoordt, vraag hem dan naar wien ik u dan zend?

De knecht ging terug en zeide: Cisti, stellig zendt messer Geri mij toch naar u. Cisti antwoordde: Mijn zoon, dat is bepaald niet waar. Aan wien zendt hij mij dan? vroeg de knecht. Cisti hernam:[360]Naar de Arno.8De knecht berichtte dit aan messer Geri en dadelijk gingen zijn geestesoogen hem open en sprak hij tot den knecht: Laat mij de flesch zien, die gij medebrengt. Nadat hij die had gezien, zeide hij: Cisti zegt de waarheid en na hem te hebben beschimpt liet hij hem een passende flesch meenemen, Cisti zag de flesch opnieuw en zeide: Nu weet ik zeker, dat hij u naar mij toezendt en hij vulde haar met genoegen. Denzelfden dag liet hij een vat met dien wijn vullen en liet dit zachtjes9naar het huis van messer Geri dragen, ging er vervolgens zelf heen, vond hem en zeide: Messer, ik wilde niet, dat gij gelooven zoudt, dat de groote flesch vanmorgen mij had verschrikt, maar daar het mij scheen, dat gij vergeten waart, dat ik mij aan u dezer dagen vertoond had met kleine flesschen, namelijk met wijn die niet voor de bedienden is, heb ik u dit vanochtend willen herinneren. Daar ik er niet langer op wil passen, heb ik u dien doen toekomen; doe er thans mee wat gij wilt. Aan messer Geri was het geschenk van Cisti zeer aangenaam en hij toonde hem zooveel dank als passend was en hield hem daarna steeds in eere en tot vriend.

[Inhoud]Derde Vertelling.Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van[361]Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf,watik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego10della Ratta, maarschalk van koning Ruberto11. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen12, die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes13naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot[362]om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.

Derde Vertelling.Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.

Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.

Monna Nonna de’Pulci maakt met een vlug antwoord aan de minder eerlijke scherts van den bisschop van Florence een einde.

Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van[361]Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf,watik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego10della Ratta, maarschalk van koning Ruberto11. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen12, die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes13naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot[362]om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.

Toen Pampinea haar vertelling geëindigd had, en zoowel het antwoord als de vrijgevigheid van Cisti door allen zeer waren geprezen, behaagde het aan de koningin, dat Laurella daarna zou spreken, die vroolijk aldus met verhalen begon: Bekoorlijke donna’s. Eerst heeft Pampinea en nu Filomena inderdaad genoeg gesproken van ons gebrek aan geest en de schoonheid van gevatte woorden, waartoe het dus niet noodig is terug te keeren. Maar behalve dat, wat al van antwoorden gezegd is, is hun hoedanigheid zoo, dat zij hen, die ze verstaat, niet meer moeten bijten als schapen en niet als de hond, want wanneer het woord zóó sterk bijt, dan is het geen scherts meer maar een beleediging. Dit deden heel goed zoowel de woorden van mevrouw Oretta als het antwoord van[361]Cisti. Het is waar, dat, als men tot verweer spreekt en hij, die dan antwoordt, bijt als een hond, diegene mij niet te laken schijnt, die het eerst door een hond is gebeten, daar dit anders niet zou gebeurd wezen en men moet dus er op letten, hoe, wanneer en met wien en ook waar men schertst. Omdat een onzer prelaten daar geen acht op gaf, ontving hij geen minderen beet, dan hij gaf,watik u in een klein verhaal wil aantoonen. Toen messer Antonio d’Orso bisschop was van Florence, een waardig en wijs prelaat, kwam daar een catalaansch edelman, messer Dego10della Ratta, maarschalk van koning Ruberto11. Daar die edelman zeer schoon van lichaam was en een zeer groot liefhebber van vrouwen, bekoorde onder de andere florentijnsche donna’s hem er een, die zeer schoon was en de nicht van een broeder des genoemden bisschops. Daar hij had bemerkt, dat haar echtgenoot, van hoe goede familie ook, zeer gierig was en slecht, kwam hij met hem overeen hem vijfhonderd goudguldens te geven, als hij hem een nacht met zijn vrouw zou laten slapen. Daarom liet hij zilveren popolijnen12, die toen koers hadden, vergulden en gaf hem die na met de vrouw te hebben geslapen, hoewel het tegen haar zin was. Daar allen dit wisten, had de gemeene kerel er schade bij en spot en de bisschop als wijs man deed of hij niets er van wist.

Daar de bisschop en de maarschalk veel met elkaar omgingen, zagen zij op Sint Johannes13naast elkaar rijdend de donna’s loopen langs den weg, waar wedloopen werden gehouden, en bemerkte de bisschop een jong meisje, dat de tegenwoordige pestziekte ons ontnomen heeft en dat monna Nonna de’Pulci heette, een nicht van messer Messer Rinucci en dat gij alle moet gekend hebben. Het was toen een frisch en een mooi meisje, dat goed praatte en openhartig was van natuur.

Zij wachtte sinds een oogenblik haar man bij de poort van San Piero. De bisschop toonde haar aan den maarschalk en toen hij bij haar was, legde hij zijn hand op haar schouder en sprak: Nonna, hoe bevalt U deze man. Gelooft gij hem te kunnen veroveren? Het scheen aan Nonna, dat die woorden een weinig haar eer raakten en van dien aard waren, dat die haar konden schandvlekken voor degenen,—en dat waren er vele—die ze hoorden. Daarom niet bedoelend die besmetting af te wisschen maar stoot[362]om stoot te geven, antwoordde zij snel: Messire, misschien zou hij overwinnen, maar ik zou dan geen valsch geld vragen. Toen de maarschalk en de Bisschop zich gelijkelijk aangetast voelden, de een als dader van een oneerlijke zaak jegens de nicht van des bisschops broeder en de andere als degeen, die de beleediging trof, omdat het zijn nicht was, gingen zij zonder elkaar aan te zien beschaamd en zwijgend weg en spraken den heelen dag geen woord meer. Zoo was het dus de jonge vrouw, die gebeten werd, niet verboden anderen met scherts terug te bijten.

[Inhoud]Vierde Vertelling.Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola14een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en[363]toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend:Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben.Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado[364]zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij:Ho, ho,door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt nietHo, ho,geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.

Vierde Vertelling.Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.

Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.

Chichibio, kok van Currado Gianfigliazzi doet tot zijn redding met een vlug antwoord den toorn van Currado in lachen overgaan en ontsnapt aan het kwade lot, waarmee hij door Currado werd bedreigd.

Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola14een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en[363]toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend:Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben.Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado[364]zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij:Ho, ho,door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt nietHo, ho,geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.

Reeds zweeg Lauretta en werd Nonna ten hoogste door allen geprezen, toen de koningin gelastte, dat Neifile zou volgen. Zij sprak: Verliefde donna’s. Hoewel de zwakheid van geest dikwijls vlugge en nuttige en schoone woorden ingeeft aan hen, die ze zeggen al naar de omstandigheden, komt ook dikwijls de fortuin vreesachtige lieden te hulp en legt er hun opeens op de tong, die nooit met kalm brein door den spreker zouden kunnen gevonden worden, wat ik U door mijn novelle wil aantoonen. Currado Gianfigliazzi, gelijk elk van U het heeft kunnen hooren en zien, is altijd beschouwd geworden als een edel burger van onze stad. Vrijgevig en prachtlievend leidt hij een leven van baanderheer, liefhebbert voortdurend met honden en vogels om nu niet te spreken van zijn ernstiger werken. Hij had eens op een dag met een van zijn valken bij Peretola14een kraanvogel gedood en daar hij haar vet en jong vond, liet hij dien naar zijn kok brengen, die Chichibio heette, een Venetiaan, en gelastte hem dien te braden voor het avondmaal en haar wel te verzorgen. Chichibio, die net zoo nieuwbakken van hersens was als hij er uitzag, maakte den kraanvogel klaar, deed hem op het vuur en begon hem met ijver te braden. Toen die zoo goed als gaar was en er een sterke geur van af kwam, kwam er een vrouwtje van het land, Brunetta genaamd, waarop Chichibio zeer verliefd was, in de keuken en[363]toen zij den reuk van den kraan gewaar werd en den vogel zag, verzocht zij Chichibio dringend er haar de dij van te geven. Chichibio antwoordde haar zingend:Gij zult haar niet van mij hebben, donna Brunetta, gij zult haar niet van mij hebben.Hierover kwaad antwoordde Brunetta: Bij het geloof in God, als gij mij haar niet geeft, zal je van mij nooit meer iets hebben, wat je bevalt. En in korten tijd wisselden zij vele woorden. Tenslotte gaf Chichibio, na een van de dijen losgesneden te hebben, die aan de donna om haar niet boos te maken. Toen de kraan daarna opgediend was voor Currado en een vreemdeling, dien hij had uitgenoodigd, zonder die dij, en Currado daarover verwonderd was, liet hij Chichibio roepen en vroeg hem wat daarmee gebeurd was. De domme Venetiaan antwoordde dadelijk: Signor, de kraanvogels hebben maar één dij en één poot. Currado antwoordde woedend: Wat duivel hebben ze maar een dij en een poot? Heb ik dan geen andere kranen dan die gezien? Chichibio ging voort: Het is, mijnheer, zooals ik U zeg en als het U aanstaat, zal ik het U bij de levenden laten zien. Currado ter wille van den vreemdeling, die bij hem was, wilde er verder geen woorden over hebben, maar zeide: Daar gij mij zegt dit te zullen aantoonen bij de levenden, iets wat ik nooit heb gezien of hooren zeggen, wil ik dit morgenochtend zien en zal dan tevreden zijn, maar ik zweer u bij het lichaam van Christus, dat, als het anders zal wezen, ik u zal tracteeren op een manier, dat gij u tot uw schade mijn naam zult herinneren, zoolang gij hier zult leven.

Het onderhoud hield dus voor dien avond op en den volgenden morgen, zoodra het dag werd, stond Currado, die door den toorn niet had kunnen slapen, nog geheel prikkelbaar op en beval, dat de paarden werden voorgebracht en nadat hij Chichibio op een hengst had laten klimmen, zeide hij, terwijl hij hem naar een rivier leidde, aan welker oever altijd bij den dageraad kraanvogels te zien waren: Nu zullen we spoedig zien, wie gisterenavond gelogen heeft, gij of ik. Chichibio, die zag, dat de toorn van Currado nog voortduurde en dat hij zijn domheid bekennen moest en niet wist, hoe hij het doen moest, reed in den grootsten angst van de wereld naast Currado en had graag, als hij had gekund, willen vluchten, maar daar dit onmogelijk was, keek hij dan weer vooruit en dan weer achteruit en op zijde en al, wat hij zag, waren, meende hij, kraanvogels, die op twee pooten stonden. Maar ternauwernood waren zij bij de rivier gekomen of het eerste wat zij zagen, waren een twaalftal kranen, die allen op een poot stonden, gelijk zij gewoon zijn, als zij slapen. Daarom wees hij ze ijlings aan Currado en zeide: Gij kunt duidelijk genoeg zien, messer, dat ik u gisteravond de waarheid heb gezegd, dat de kraanvogels maar een dij en een poot hebben, als gij ziet naar hen, die daar staan. Currado[364]zeide bij het zien van deze: Wacht maar, tot ik je zal toonen, dat ze er twee hebben en ze wat meer naderend, schreeuwde hij:Ho, ho,door welken kreet de kraanvogels de andere poot uitstaken en na eenige treden begonnen te vluchten. Hierop zeide Currado tot Chichibio gekeerd: Hoe lijkt het, je schelm? Schijnt het je nu, dat zij er twee op na houden? Chichibio, geheel van streek, antwoordde, niet wetend, hoe het in hem opkwam: Ja, messer, maar u hebt nietHo, ho,geroepen tegen dien van gisteravond, want als U daartegen zoo hadt geschreeuwd, had die ook de andere dij en den anderen poot uitgestoken, zooals dezen hebben gedaan. Dit beviel zoo aan Currado, dat al zijn toorn in goedmoedigheid en lachen veranderde en hij sprak: Chichibio, je hebt gelijk; ik had dit moeten doen. Zoo vermeed Chichibio met zijn vlug en aardig antwoord het kwade gevolg en verzoende zich met zijn meester.

[Inhoud]Vijfde Vertelling.Messer Forese van Rabatta15en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci16vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden[365]geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde[366]snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent.17Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.

Vijfde Vertelling.Messer Forese van Rabatta15en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.

Messer Forese van Rabatta15en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.

Messer Forese van Rabatta15en meester Giotto, de schilder, komen van Mugello en bespotten elkaar onderweg over hun leelijk voorkomen.

Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci16vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden[365]geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde[366]snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent.17Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.

Zoodra Neifile zweeg en de donna’s veel genoegen hadden gehad in het antwoord van Chichibio, sprak Pamfilo naar den wil der koningin: Zeer geliefde donna’s. Het gebeurt dikwijls, dat, gelijk de fortuin onder lagere beroepen soms zeer groote schatten van deugd verbergt, wat Pampinea kort te voren aantoonde, aldus ook in de leelijkste gedaanten van menschen wonderbare geest door de natuur is neergelegd. Dit blijkt zeer sterk bij twee onzer burgers, van wien ik u in ’t kort hoop te spreken. Want de een, die messer Forese van Rabatta heette, was klein en misvormd van figuur met een plat en knorrig gezicht, zoodat hij bij wien ook der Baronci16vergeleken nog leelijk zou geweest zijn. Deze was zoo doorkneed in de kennis der wetten, dat hij door vele bekwame mannen voor een heele boekenkast van rechtsgeleerdheid werd gehouden. En de ander, die Giotto heette, had een zoo uitstekenden[365]geest, dat er niets was in de natuur, de moeder en de oorzaak aller dingen door de voortdurende wenteling des hemels, dat hij niet met het stilet, de pen of het penseel weer kon geven, dat zij daarop niet slechts gelijkend maar eer de voorwerpen zelf schenen, zoodat het zintuig van het gezicht der menschen, er door misleid, hen die deed houden voor echt in plaats nagebootst. En daar hij die kunst weer in het volle licht heeft gesteld, die vele eeuwen begraven was onder de dwalingen van enkelen, die meer schilderden om de oogen der onwetenden te bekoren dan den geest der kenners te voldoen, kan men met recht hem een der stralen van Florence’s glorie noemen. En dit des te meer, omdat hij in leven als meester onder de anderen dien roem met zooveel meer nederigheid verwierf, daar hij steeds weigerde meester genoemd te worden. Deze titel door hem verworpen omglanst hem des te meer, naarmate die met des te meer verlangen door hen, die minder dan hij kenden of door zijn leerlingen gretig werd aangenomen. Maar hoewel zijn kunst zeer groot was, was hij daarom nog niet van figuur of van aanblik mooier dan messer Forese. Maar laat ik tot de geschiedenis overgaan:

Messer Forese en Giotto hadden in Mugello hun bezittingen en toen messer Forese de zijnen was gaan zien, in dien tijd van den zomer als de rechtbanken vacantie nemen en op een slecht karrepaard er heen ging, ontmoette hij den reeds gezegden Giotto, die eveneens de zijnen bezichtigd had en die naar Florence terugkeerde. Deze was noch door zijn paard, noch door zijn bagage beter voorzien dan de ander en als oude lieden vergezelden zij elkaar met langzamen gang. Gelijk wij het dikwijls zien gebeuren, overviel hen een plotse stortbui, die hen zoo spoedig ze konden deed vluchten in het huis van een boer, met wien zij beide bevriend en bekend waren. Maar daar de regen na eenigen tijd niet scheen te willen ophouden en zij denzelfden dag te Florence wilden zijn, leenden zij van den landman twee oude mantels van laken van Romagna en twee hoeden heelemaal rood van ouderdom, omdat er geen beteren waren en begaven zich weer op weg. Toen zij eenigen tijd waren voortgegaan en zich geheel doorweekt zagen en smerig door de modderspatten, die de paarden met de pooten in menigte opwierpen—wat ze er juist niet beter deed uitzien—en het weer wat opklaarde, begonnen zij, die lang zwijgend waren voortgegaan, te spreken. Messer Forese, die voortreed en naar Giotto luisterde, welke een zeer goed prater was, begon hem van ter zijde, van boven en overal te bekijken en daar hij er in elk opzicht zoo schandelijk en ontoonbaar uitzag, begon hij zonder eenigen eerbied voor zijn persoon te lachen en zeide: Giotto, als ons op dit oogenblik een vreemde tegemoet kwam, die u nooit zou gezien hebben, gelooit gij, dat hij zou wanen, in u den grootsten schilder van de wereld voor zich te hebben gelijk gij zijt? Giotto antwoordde[366]snel: Messire, ik geloof, dat hij het zou denken, wanneer hij u ziende, zou meenen, dat u het a, b, c kent.17Toen messer Forese dit hoorde, erkende hij zijn dwaling en zag zich met dezelfde munt betaald, waarmee hij zijn koren verkocht had.

[Inhoud]Zesde Vertelling.Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo,18door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma19zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore.[367]Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence,[368]maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.

Zesde Vertelling.Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.

Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.

Michele Scalza bewijst aan zekere jongelieden, dat de Baronci de oudste edellieden ter wereld zijn en van de Maremma en wint er een avondmaal mee.

De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo,18door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma19zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore.[367]Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence,[368]maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.

De donna’s lachten nog om het gevatte antwoord van Giotto, toen de koning aan Fiammetta beval te volgen, die aldus begon te spreken: Jonge dames. Pamfilo,18door aan de Baronci te herinneren, die gij toevallig niet kent als hij, heeft mij een verhaal in het geheugen geroepen, waarin zonder van ons onderwerp af te wijken, u wordt aangetoond hoe groot hun adel was en daarom behaagt het mij u dit te vertellen.

Nog niet lang geleden was er in onze stad een jonkman, Michele Scalza genaamd, die de aardigste en aangenaamste mensch ter wereld was en die de nieuwste nieuwtjes bij de hand had. Daarom zorgden de florentijnsche jongelieden er wel voor hem in hun gezelschap te hebben. Toen hij op een goeden dag met eenigen van hen te Mont’ Ughi was, deed zich onder hen de vraag op wie de edelste en oudste lieden van Florence waren. Enkelen van hen beweerden, dat het de Uberti’s waren, en anderen de Lamberti’s en deze die en gene weer anderen, naar het hun inviel. Scalza hoorde deze, glimlachte en sprak: Ga heen, simpelen, die jullie bent, gij weet niet, wat ge zegt: de edelste en oudste lieden niet van Florence maar van de heele wereld en van de Maremma19zijn de Baronci en alle philosoofjes en elk, die ze kent, zijn het er met mij over eens. En opdat gij begrijpt, dat ik van geen anderen dan van hen spreek, zeg ik u, dat ik de Baronci bedoel, uw buren van Santa Maria Maggiore.[367]Toen de jongelieden, die van hem iets anders verwachtten, dit hoorden, begonnen zij allen met hem te spotten en zeiden: Gij scheert met ons den gek, alsof wij de Baronci niet zouden kennen als gij. Scalza zeide: Neen, bij de heilige Evangeliën, ik zeg integendeel de waarheid, en indien er iemand onder u is, die er een avondmaal om wil verwedden om dit aan te bieden aan hem, die overwint, met de zes kameraden, die hem bevallen, zal ik mij gaarne daartoe verbinden en nog meer: ik zal mij er bij onderwerpen aan het oordeel van elk, dien gij wilt. Een van hen, Neri Mannini sprak: Ik ben bereid om dit avondmaal te wedden en nadat zij het er over eens waren geworden tot rechter Piero di Fiorentino te nemen, in wiens huis zij woonden, gingen zij naar hem toe en al de anderen om Scalza te zien verliezen en hem te plagen en vertelden alles, wat door hem gezegd was.

Piero, die een voorzichtig jongmensch was en die eerst de woorden van Neri had aangehoord, keerde zich daarna tot Scalza en zeide: En hoe kunt gij bewijzen, wat gij beweert? Scalza antwoordde: Wat? Ik zal het zóó bewijzen, dat niet alleen gij, maar hij, die het ontkent, zal zeggen, dat ik de waarheid vertel. Gij weet, dat, naarmate het geslacht van menschen ouder is, het ook als edeler beschouwd wordt en daarvan was juist zoo pas onder hen sprake en de Baronci zijn ouder dan eenige andere familie, zoodat zij edeler zijn en als ik bewijs, dat zij de oudsten zijn, zal ik zonder twijfel bij de zaak hebben overwonnen. Gij moet weten, dat de Baronci al geschapen zijn door God den Heer in den tijd, dat hij schilderen begon te leeren, maar de anderen in den tijd, toen Hij het kon. En om te weten, dat ik hierin de waarheid zeg, herinner u daartoe de Baronci en de andere menschen; waar gij alle anderen kunt zien met goed gebouwde gezichten en behoorlijk van verhoudingen, kunt gij de Baronci zien: den een met een heel lang en smal gelaat, den ander met een buitengewoon breed gezicht en dezen met een heelen langen neus en dien met een korten en genen met de kin vooruit en om zich zelf gebogen en met kaken, welke die van een ezel schijnen. En deze heeft het eene oog grooter dan het andere en die nog het eene lager dan het andere gelijk de gezichten plegen te wezen, welke de kinderen maken, als zij pas beginnen teekenen te leeren. Daaruit, zooals ik reeds zeide, blijkt voldoende, dat God de Heer ze maakte toen hij leerde schilderen, zoodat zij aldus ouder zijn dan de andere lieden en daardoor adellijker. Hierover dachten toen zoowel Piero, die scheidsrechter was als Neri, die om het avondmaal had gewed en ieder ander en nadat zij de geestige redeneering van Scalza hadden gehoord, begonnen allen te lachen en te bevestigen, dat Scalza gelijk had en dat hij het avondmaal gewonnen had en dat voorzeker de Baronci de edelste en de oudste familie waren niet slechts van Florence,[368]maar van de wereld en van de Maremma. En het is daarom, dat Pamfilo, die de leelijkheid van het gezicht van messer Forese wou weergeven, met recht had gezegd, dat hij leelijk had geschenen naast een der Baronci.

[Inhoud]Zevende Vertelling.Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen.20Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan[369]zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw[370]beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.

Zevende Vertelling.Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen.20

Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen.20

Madonna Filippa wordt door haar echtgenoot met een minnaar gevonden en voor de rechtbank geroepen. Zij bevrijdt zich met een vlug en aardig antwoord en doet de wet wijzigen.20

Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan[369]zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw[370]beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.

Reeds zweeg Fiammetta en nog lachte iedereen om de nieuwe redeneerwijze door Scalza gebruikt om boven allen de Baronci tot den adel te rekenen, toen de koningin aan Filostrato beval te vertellen en hij begon te zeggen: Waardige donna’s. Het is een schoone zaak in alle opzichten goed te kunnen spreken, maar ik vind dit het schoonste het dáár te kunnen doen, waar de noodzakelijkheid het vereischt. Dit verstond een edelvrouw, waarvan ik wil spreken, die niet alleen haar hoorders tot vroolijkheid en lachen bracht, maar zich uit de strikken van een smadelijken dood losmaakte gelijk gij zult hooren.

In de gemeente van Prato bestond vroeger een wet, waarlijk niet minder schandelijk dan hard, welke zonder eenig onderscheid te maken beval, dat de vrouw verbrand moest worden, welke door den echtgenoot met een minnaar op overspel werd betrapt evenals die, welke voor geld met een ander man gevonden werd. Terwijl die wet bestond, werd een edelvrouw, schooner en verliefder dan welke andere ook, die madonna Filippa heette, in haar eigen kamer op een nacht gevonden door Rinaldo de’ Pugliesi, haar man, in de armen van Lazzarino de’ Guazzagliotri, een adellijk en knap jonkman uit die gemeente, dien zij meer dan zich zelf lief had. Toen Rinaldo dat zag, weerhield hij zich zeer verwoed ternauwernood ze na te zitten en ze te vermoorden en indien hij niet aan[369]zich zelf getwijfeld had, had hij het, den aandrang van zijn toorn volgend, gedaan. Daar hij zich daarvan weerhouden had, kon hij zich niet bedwingen dat te wenschen door de wet van Prato, wat hem zelf niet veroorloofd was teweeg te brengen, namelijk den dood van zijn vrouw. En daar hij om de schuld van de donna te bewijzen genoegzame gegevens had, liet hij, zoodra het dag werd, zonder verder raad in te winnen en de vrouw te hebben aangeklaagd, haar voor het gerecht roepen. De donna, die een groot hart had, gelijk gewoonlijk zij plegen te hebben, die van nature hartstochtelijk zijn, was, hoewel haar ouders en vrienden het haar afraadden, geheel gereed te verschijnen en zij wilde liever door de waarheid te bekennen met sterke ziel sterven dan laf vluchten, bij verstek veroordeeld in ballingschap leven en zich onwaardig toonen jegens zulk een minnaar, in wier armen zij den verloopen nacht had doorgebracht.

Terwijl zij vergezeld was van een groot aantal donna’s en mannen, en door allen werd aangeraden te ontkennen, vroeg zij voor den magistraat met een flink gelaat en een vaste stem, wat hij van haar wilde. De magistraat, die haar aanzag en vond, dat zij zeer schoon was en van zeer lofwaardige manieren en gelijk haar woorden het getuigden, van grooten moed, begon medelijden met haar te krijgen en vreesde, dat zij dat zou bekennen, waardoor hij haar moest doen sterven, terwijl hij haar eer wilde redden. Maar toch, daar hij zich niet kon onthouden haar te vragen, wat hem haar had doen dagvaarden, zeide hij tot haar: Madonna, gelijk gij ziet, is hier Rinaldo, uw man en hij beklaagt zich over U, van wie hij zegt, dat hij U met een ander man op echtbreuk heeft betrapt; en daarom vraagt hij, dat ik volgens een wet hier geldig, U daarvoor straf door U te doen sterven; maar ik kan dat niet doen, wanneer gij het niet bekent en pas daarom wel op wat gij antwoordt en zeg mij of het waar is, waarvan Uw echtgenoot U beschuldigt. De donna, zonder een oogenblik te vreezen, antwoordde met zeer bekoorlijke stem: Messire, het is waar, dat Rinaldo mijn echtgenoot is en dat hij mij in den afgeloopen nacht in de armen vond van Lazzarino, waarin ik door de goede en volmaakte liefde, die ik hem toedroeg, dikwijls was en dit zal ik nooit ontkennen, maar gelijk ik zeker ben, dat U bekend is, moeten de wetten gelijk zijn en gemaakt met de toestemming van hen, op wien zij betrekking hebben. Dat gebeurt evenwel niet, daar zij alleen de arme vrouwen dwingt, welke veel beter dan de mannen voor vele wetten bevoegd zouden zijn. En bovendien heeft geen enkele donna, toen die wet gemaakt werd, er niet alleen geen toestemming bij gegeven, maar geen een werd er bij geraadpleegd; daarom mag men die terecht slecht noemen. En indien gij daar de uitvoerder van wilt zijn ten koste van mijn lichaam en ziel, ben ik tot Uw[370]beschikking, maar eer gij voortgaat met eenige zaak te beoordeelen bid ik U, dat gij mij een kleine gunst bewijst, namelijk dat gij mijn man vraagt of ik elken keer en zooveel keer als hem beviel zonder ooit te weigeren uit mij zelf mij hem geheel overgaf of niet. Hierop antwoordde Rinaldo zonder af te wachten, wat de rechter zou vragen, haastig, dat de vrouw zonder eenigen twijfel aan elk verlangen van hem geheel tot zijn genoegen had voldaan. Dan, vervolgde de donna gevat, mijnheer de rechter, indien hij altijd van mij heeft gekregen, wat hij noodig had en begeerde, wat moest ik of wat moet ik doen met wat hij mij vrij laat? Moet ik dat aan de honden voor werpen? Is het niet beter er een edelman mee te dienen, die mij meer dan zich zelf lief heeft dan het verloren te doen gaan of het te laten bederven?

Bij dit onderzoek van zulk een bekende vrouw waren alle bewoners van Prato toegeloopen, die na deze geestige vraag lachend als met één stem schreeuwden, dat de donna gelijk had. Op aanraden van den rechter, veranderde men de wreede wet zóó, dat deze alleen betrekking had op die vrouwen, welke voor geld ontrouw werden. Rinaldo verliet verlegen het verhoor en de donna ging in glorie vroolijk naar huis.

[Inhoud]Achtste Vertelling.Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend[371]Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.

Achtste Vertelling.Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.

Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.

Fresco dringt bij zijn nicht aan niet in een spiegel te kijken, wanneer haar het zien van leelijke menschen hinderde.

De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend[371]Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.

De novelle verhaald door Filostrato trof de harten van de donna’s met eenige schaamte en zij gaven er met een eerbaren blos zichtbaar op hun gelaat blijk van en toch konden zij zich ternauwernood van lachen onthouden. Toen hij tot het einde gekomen was, keerde de koningin zich tot Emilie en gelastte, dat die zou volgen. Deze verhief zich, alsof zij uit den slaap opstond en begon zuchtend: Verliefde, jonge dames. Omdat een langdurige gedachte mij hier ver vandaan heeft gevoerd, zal ik gedwongen zijn onze koningin te gehoorzamen, misschien met een korter historie dan wanneer ik met mijn geest hier aanwezig was geweest. Ik zal u de zotte dwaling vertellen van een meisje, dat door een scherts van een harer ooms zou verbeterd zijn, zoo zij verstandig genoeg was geweest hem te hebben begrepen.

Een zekere Fresco van Celatico had een nicht, schertsend[371]Ciesca genaamd, die hoewel zij schoon was van vorm en gelaat, toch niet zoo engelachtig was als dikwijls het geval is en zich zoo edel waande, dat zij gewoon was mannen, vrouwen en alles te laken, zonder er op te letten, dat zij zelf onbehagelijker en driftiger dan eenige andere donna was. Zij was zoo trotsch, alsof zij tot de dynastie der koningen van Frankrijk behoord had. Als zij op straat liep, scheen zij zoo sterk de lucht van verbrand vuil te ruiken, dat zij niets deed dan haar neus snuiten, alsof zij bij iedereen stank bespeurde. Bovendien had zij nog vele andere, hinderlijke manieren. Zij ging eens naar huis teruggekeerd, waar Fresco was, zitten, vol landerigheid en deed niets dan zuchten. Fresco vroeg haar: Ciesca, waarom zijt gij, terwijl het heden feest is, zoo spoedig naar huis terug gekeerd? Zij antwoordde geheel uit de hoogte door zotheid: Omdat ik geloof, dat er nooit op de wereld zooveel onaangename en vervelende menschen zijn geweest als nu; er is er niet een op straat of die mishaagt mij als de duivel. En ik geloof niet, dat er een vrouw op de wereld is, wien het hinderlijker is al die nare gezichten te zien en om daar niet naar te kijken ben ik naar huis gegaan.

Fresco, wien de manieren van zijn nicht zeer hinderden, antwoordde: Meisje, als de onaangename gezichten je zoo verdrieten en je toch blijmoedig wilt leven, kijk dan nooit in den spiegel. Maar zij van ziel zoo hol als een riet en die Salomo meende te evenaren, verstond de ware beteekenis der scherts van Fresco niet beter dan een schaap: Integendeel, zeide zij, ik wil mij zelf zien als de andere vrouwen en zoo bleef zij in haar stompzinnigheid en is nog zoo.

[Inhoud]Negende Vertelling.Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is[372]overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi21, messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier22gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.[373]Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.

Negende Vertelling.Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.

Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.

Guido Cavalcanti beleedigt in beleefde termen zekere florentijnsche ridders, die hem hadden verrast.

Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is[372]overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi21, messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier22gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.[373]Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.

Toen de koningin bemerkt had, dat Emilia haar verhaal had verteld en dat behalve degeen, die het voorrecht had, het laatst te spreken, zij dit nog moest doen, begon zij aldus: Lieve donna’s. Hoewel gij mij twee van de novellen ontnomen hebt, die ik wilde verhalen, is er mij één overgebleven, waarvan het slot een zoo aardig antwoord bevat, dat er misschien nooit een met zulk een diepen zin gezegd is.

Gij moet dan weten, dat er vroeger in onze stad veel schoone en lofwaardige gebruiken bestonden, waarvan er slechts een is[372]overgebleven, dank zij de gierigheid, die tegelijk met den rijkdom is toegenomen en de eersten er uit verdreven heeft. Een van die gewoonten was, dat de edellieden zich op verschillende plaatsen in Florence verzamelden en groepen vormden en slechts hen toelieten, die de kosten konden dragen. Zij hielden dan bij den een, dan bij den ander open tafel. Zij noodigden dikwijls vele vreemde edellieden en ook burgers uit. Eens per jaar minstens kleedden zij zich op dezelfde wijze en de adellijksten reden te paard, hielden wapenspelen en dikwijls bij voorname feesten of als een of ander blij bericht van overwinning of van iets anders de stad had bereikt. Onder deze gezelschappen was er een van messer Betto Brunelleschi21, messer Betto, die met zijn metgezellen dikwijls zijn best had gedaan, Guido, den zoon van Cavalcante de’Cavalcanti te halen, omdat hij behalve een der beste redenaars ter wereld een uitstekend natuur-philosoof (het gezelschap gaf daar weinig om) en heel aardig was, wel bemind, zeer bespraakt en omdat hij beter wist, wat hem paste dan welk edelman ook. Hij was zeer rijk en wist volgens alle eischen te ontvangen. Maar messer Betto was er bij hem nooit in geslaagd dit gedaan te krijgen en hij en zijn kameraden geloofden, dat het kwam, omdat Guido in zijn bespiegelingen zeer afgezonderd van de menschen leefde. En omdat hij in eenige opzichten van de meening der Epicuristen was, zeide de groote menigte, dat hij met zijn bespiegelingen geen ander doel had dan om te bevinden, dat er geen God was.

Eens was Guido vertrokken van den Tuin van San Michele en langs de renbaan van Adimari tot San Giovanni gekomen. Er waren toen rondom San Giovanni groote graven in marmer en steen, die thans zich bevinden in Santa Reparata. Toen hij tusschen de zuilen van porfier22gekomen was, en die graven en de poort van San Giovanni, welke gesloten was kwam messer Betto met zijn gezelschap over het Santa Reparata-plein en toen ze Guido tusschen die graven zagen, zeiden ze: Laten we hem eens plagen. Ze gaven hun paarden de sporen, alsof zij voor de grap een aanval op hem deden, waren achter hem, voor hij het merkte en zeiden hem: Guido, gij weigert ons gezelschap, maar kijk, als gij bevonden zult hebben, dat God niet bestaat, wat zult gij dan doen? Hierop antwoordde Guido vlug, die zich door hen ingesloten zag: Heeren, u kunt mij bij u thuis zeggen, wat gij wilt, en nadat hij zijn hand op een van die graven had gelegd, die groot waren, sprong hij er licht over heen en kwam aan den anderen kant en ging van hen bevrijd heen.[373]

Zij keken elkander aan en zeiden tegen elkander, dat Guido zijn hoofd verloren had en dat, hetgeen hij gezegd had, niets beteekende, omdat het er zóó mee stond, dat zij daar niets meer te vertellen hadden dan alle andere burgers en Guido niet minder dan een van hen. Messer Betto keerde zich toen tot hen en zeide: Gij zijt leeghoofden, als gij niet hebt begrepen, dat hij goed en in weinige woorden de grootste beleediging van de wereld heeft gezegd. Want deze graven zijn de huizen der dooden, omdat de dooden daarin liggen en blijven, welke hij onze huizen noemt om ons te toonen, dat wij en de andere menschen dwazen en en ongeletterden zijn vergeleken bij hem en andere wetenschappelijke mannen en minder dan dood zelfs en daarom zegt hij, zijn wij tehuis. Toen begreep ieder met schaamte, wat Guido had willen zeggen; nooit hinderden zij hem meer en hielden van af dat oogenblik messer Betto voor een slim en verstandig ridder.

[Inhoud]Tiende Vertelling.Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.23Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp,[374]waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien24voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engelGabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.[375]Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel[376]van Altopascio25mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco26met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.De veer van den engel Gabriël.De veer van den engel Gabriël.6eDag—10eVertelling.Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid hetConfiteorop, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige[377]zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia27en Ruffia28, zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna29, waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen30, waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden31en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen32zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht.[378]Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messerNonmiblasmete Sevoipiace33, den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligenMichaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engelGabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de[379]kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan[380]gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf,over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde.[381]De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringddoorzes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de[382]kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt!34Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan,[383]dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,Kan ik nauwelijks gelooven,Dat niet een andere klauw mij grijpt.Ik ging heel jong in uw oorlogGeloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,En ik legde al mijn wapens nederAls hij die vertrouwen heeft:Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,Gij waart mij op de hielenMet uw wapens en uw wreede nagels.Toen, eenmaal omslingerd door uw ketensVoor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,Vol bittere tranen en smarten,Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;En zijn heerschappij is zoo wreed,Dat nooit zuchten hem bewogenNoch klachten, die mij dooden.Al mijn gebeden vervaagt de wind.Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hoorenDaardoor stijgt mijn marteling ieder uurEn is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.Heer, heb medelijden met mijn smartenEn doe, wat ik niet vermagLever mij hem over in uw ketenen.Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althansDe banden geknoopt door de hoop.Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwenWeer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,En als de smart verdwijnen zal,Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.[385]

Tiende Vertelling.Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.23

Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.23

Broeder Cipolla belooft aan een paar boeren, hun een veer te toonen van den engel Gabriël. Hij vindt daarvoor in de plaats kolen en hij zegt hun, dat het die zijn, waarmee Sint Laurentius geroosterd is.23

Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp,[374]waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien24voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engelGabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.[375]Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel[376]van Altopascio25mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco26met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.De veer van den engel Gabriël.De veer van den engel Gabriël.6eDag—10eVertelling.Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid hetConfiteorop, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige[377]zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia27en Ruffia28, zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna29, waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen30, waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden31en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen32zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht.[378]Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messerNonmiblasmete Sevoipiace33, den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligenMichaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engelGabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de[379]kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan[380]gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf,over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde.[381]De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringddoorzes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de[382]kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt!34Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan,[383]dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,Kan ik nauwelijks gelooven,Dat niet een andere klauw mij grijpt.Ik ging heel jong in uw oorlogGeloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,En ik legde al mijn wapens nederAls hij die vertrouwen heeft:Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,Gij waart mij op de hielenMet uw wapens en uw wreede nagels.Toen, eenmaal omslingerd door uw ketensVoor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,Vol bittere tranen en smarten,Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;En zijn heerschappij is zoo wreed,Dat nooit zuchten hem bewogenNoch klachten, die mij dooden.Al mijn gebeden vervaagt de wind.Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hoorenDaardoor stijgt mijn marteling ieder uurEn is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.Heer, heb medelijden met mijn smartenEn doe, wat ik niet vermagLever mij hem over in uw ketenen.Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althansDe banden geknoopt door de hoop.Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwenWeer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,En als de smart verdwijnen zal,Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.[385]

Toen ieder met vertellen gereed was, wist Dioneo, dat het zijn beurt was. Daarom geen plichtgevoel afwachtend, legde hij allen stilte op, die het scherpe woord van Guido prezen en begon: Bekoorlijke donna’s. Hoewel ik het voorrecht heb te zeggen, wat mij het meest behaagt, wil ik heden niet afwijken van onderwerp,[374]waarover gij allen zeer verstandig gesproken hebt. Maar ik wil u aantoonen met welk een voorzichtigheid en onverwacht een der broeders van Santo Antonio aan een strik ontsnapte hem door twee jongelieden gespannen.

Certaldo is een burcht in den Val d’Elsa in ons graafschap gelegen, dat, hoe klein ook, vroeger door edele en welgestelde lieden werd bewoond. Daar hij er veel geld kreeg, had frate Cipolla een der broeders van Santo Antonio de gewoonte er eens per jaar langen tijd heen te gaan, om er de aalmoezen, gegeven door stommelingen, in te zamelen. Hij was er gezien niet minder om zijn naam dan door vroomheid, daar die plaats de best bekende uien24voortbrengt van geheel Toscane. Cipolla was klein van gedaante, rood van haar, van een vroolijk uiterlijk, een gezellig man en behalve dat, hoewel hij niets wist, was hij zoo’n goed en handig spreker, dat wie hem niet kende, hem niet slechts voor een groot redenaar zou gehouden hebben, maar voor Cicero zelf of misschien voor Quintilianus en daarom was hij van allen in die streek de vertrouwde, de vriend of de beschermer. Daar hij volgens zijn gewoonte op een Zondagmorgen in de maand Augustus gekomen was en de mannen en de vrouwen van de naburige dorpen in de hoofdkerk naar de mis waren gegaan, sprak hij: Dames en heeren. Het is uw gewoonte elk jaar aan de armen van baron messer Santo Antonio van uw graan en haver te sturen elk naar zijn vermogen en vroomheid, opdat de zalige Santo Antonio Uw ossen en ezels en varkens en schapen onder zijn bescherming neemt. En in het bijzonder betaalt gij hen, die bij onze broederschap zijn ingeschreven, den kleinen cijns, die men eens per jaar opbrengt. Ik ben door mijn meerdere, dat is de heer abt, gezonden om U daaraan te herinneren en daarom met Gods zegen, als gij de klokken zult hooren luiden na den noen, zult gij hier komen buiten de kerk, waar ik ook tot U zal spreken en gij het kruis zult kussen. Ik ken U allen als zeer devoot jegens den baron, messer Antonio, en zal U door bijzondere genade een zeer heilig en zeer schoon reliek toonen, dat ik zelf uit het Heilige Land van over zee hebt meegebracht, een der veeren van den engelGabriël, die in de kamer van de Maagd Maria achterbleef, toen hij haar de Boodschap bracht in Nazareth. Er waren, toen broeder Cipolla deze woorden sprak, twee zeer sluwe jongelieden in de kerk, Giovanni del Bragoniera en Biagio Pizzini. Nadat zij een weinig gelachen hadden over het reliek van broeder Cipolla, stelden zij elkaar voor, hoewel zij met hem bevriend waren hem met die veer een poets te bakken.[375]

Zij wisten, dat broeder Cipolla dien ochtend in het kasteel ontbeet met een van zijn vrienden en zoodra zij hem daar aan tafel bemerkt hadden, gingen zij naar de herberg, waar de monnik was afgestapt na overeengekomen te zijn, dat Biagio den knecht van broeder Cipolla aan de praat moest houden en Giovanni dan onder de bagage van den broeder naar die veer zou zoeken en die stelen. Broeder Cipolla had een knecht, Guccio Balena, door anderen Guccio Imbratta en Guccio Porco genaamd. Hij was zoo leelijk, dat Lippo Topo nooit zijn gelijke geschilderd heeft. Broeder Cipolla maakte er dikwijls met zijn gezelschap gekheid over en zeide van hem: Mijn knecht bezit negen eigenschappen en als een in het bezit was geweest van Salomo, Aristoteles of Seneca, was die voldoende geweest om hun deugd, hun verstand en hun heiligheid te bederven. Denk eens na en hij heeft er negen, die er noch deugd, noch verstand, noch heiligheid op na houdt. Als men hem soms vroeg naar die negen dingen, antwoordde hij, die ze op rijm had gebracht: Hij is langzaam, vuil en leugenachtig, slordig, ongehoorzaam, kwaadsprekend, zorgeloos, zonder geheugen en ongemanierd. Bovendien heeft hij nog andere ondeugden, waarover het beter is te zwijgen. En het lachwekkendst is, dat hij overal een vrouw wil nemen en een huis huren. Omdat hij een grooten, zwarten en glanzenden baard heeft, gelooft hij zoo mooi te zijn en aardig, dat alle vrouwen die hem zien, verliefd op hem worden en als men hem liet gaan, zou hij ze naloopen, tot hij er zijn gordel bij verloor. Het is waar, dat hij voor mij een groote steun is, omdat er niemand is, hoe vertrouwelijk hij ook met mij mee spreekt, of mijn knecht moet er het zijne van weten en vraagt men mij iets, dan is hij zóó bang, dat ik niet zal weten te antwoorden, dat hij dadelijk ja of neen zegt, al naar hij ’t het best acht. Broeder Cipolla had hem in de herberg achtergelaten en hem gelast op te passen, dat niemand zijn knapzakken zou aanraken, omdat zich daarin heilige dingen bevonden. Maar Guccio Imbratta, die nog verlangender was in de keuken te zijn dan een nachtegaal op de groene takken en vooral als hij er een dienstmeid zag, had in dien van den waard er een gevonden vet, dik, klein en mismaakt en met een paar borsten, die twee mestmanden leken en met een gezicht, dat aan de Baronci herinnerde, en erg zweetend, smerig en berookt; daarop wierp hij zich als een gier op aas en liet de kamer van broeder Cipolla in den steek. Hoewel het Augustus was, ging hij bij het vuur zitten, begon met haar, die Nuta heette, een gesprek, zeide, dat hij volgens getuigenis van een procureur edelman was en dat hij meer dan duizende florijnen rijk was, zonder te rekenen wat hij aan anderen schuldig was en dat hij tot meer in staat was dan God zelf. Zonder te letten op haar muts, waarop zulk een laag vet was, dat zij er den soepketel[376]van Altopascio25mee had kunnen klaar maken, en op haar verscheurde en gelapte schort. Om haar hals en oksels zat vuil zweet en meer vlekken en kleuren dan ooit tartaarsche of indische kleeden vertoonden en hij zeide haar, alsof hij heer van Castiglione was, dat hij haar goed wilde kleeden, haar uit die ellende bevrijden anderen te dienen en haar de hoop te geven op meer fortuin en vele andere dingen. En hoewel hij het op zeer welgezinden toon zeide, verging het in den wind en er bleef niets van over gelijk de schoonsten van zijn ondernemingen. De twee jongelieden vonden aldus Guccio Porco26met Nuta bezig. Verheugd door die omstanstandigheid, traden zij in de kamer van broeder Cipolla; het eerste wat zij zochten, was de knapzak, waarin de veer lag. Toen zij die openden, vonden zij een klein kistje; zij ontsloten dit, ontdekten er een veer in uit een papagaaienstaart en meenden, dat dit degene moest zijn, die hij beloofd had te vertoonen. En allicht kon hij dat in die tijden doen gelooven, omdat nog niet de weeldeartikelen van Egypte, tenzij in een klein deel in Toscane waren ingevoerd en zij hadden zelfs nog nooit van papagaaien gehoord. De jongelingen, blijde die veer gevonden te hebben, namen die mede en het kistje vulden zij met kolen, die zij in een hoek in de kamer zagen. Na het weer te hebben gesloten gingen zij, ongezien, verheugd heen. De onnoozele menschen, die in de kerk waren, vernamen, dat zij na den noen de veer van de engel Gabriël zouden zien. De eene buurman vertelde het aan gene en de eene buurvrouw aan de andere en zoodra ieder had gemiddagmaald; liepen zij naar het kasteel en vonden er ternauwernood plaats en wachtten af om die veer te zien. Broeder Cipolla, die goed gegeten had en een weinig geslapen en de menigte boeren zag, beval aan Guccio Imbratta te zeggen, dat hij met de heiligenklokjes naar het slot zou opklimmen en zijn knapzakken zou brengen. Guccio rukte zich met moeite uit de keuken van Nuta en ging met de gevraagde dingen naar boven. Toen hij daar was aangekomen, ging hij op last van frater Cipolla naar de deur van de kerk en begon met kracht de klokken te luiden.

De veer van den engel Gabriël.De veer van den engel Gabriël.6eDag—10eVertelling.

De veer van den engel Gabriël.

6eDag—10eVertelling.

Frate Cipolla begon, daar hij er niets van had gemerkt, dat zijn bagage veranderd was, zijn preek en zeide tot staving van de feiten vele woorden. Hij moest nu de veer vertoonen, zeide met groote plechtigheid hetConfiteorop, liet twee toortsen aansteken, wikkelde zacht het taf los en na eerst zijn kap te hebben afgenomen haalde hij het kistje te voorschijn. Eerst sprak hij eenige[377]zinsneden uit tot lof en eer van den engel Gabriël en van zijn reliek en opende toen het kistje. Hij zag het met kolen gevuld en dacht, dat Guccio Baleta hem dat niet geleverd had, omdat hij hem er niet toe in staat rekende en hij schold hem even uit, omdat hij het zoo slecht bewaakt had en begreep, dat anderen hem dit hadden gedaan, maar hij vervloekte in stilte zich zelve, dat hij het bewaren van zijn goed had opgedragen aan hem, dien hij kende als slordig, ongehoorzaam, zorgeloos en kort van geheugen. Doch zonder van kleur te verschieten hief hij het gelaat en de handen ten hemel en sprak luide: O Heer, steeds zij uw macht geprezen. Hij sloot het kistje en sprak tot de menigte: Dames en heeren. Gij moet weten, dat ik, toen ik nog zeer jong was, door mijn meerdere gestuurd werd naar dat deel der wereld, waar de zon opgaat en mij werd opzettelijk gelast, dat ik zou zoeken tot ik er de bullen van den grooten Porcellana zou vinden, welke hoewel ze niets kosten om ze zegelen, meer voor anderen van nut zijn dan voor ons. Ik ging op reis, vertrok uit Vinegia en kwam langs den Burcht der Noordoostwinden, reed vandaar door het koninkrijk van Garbo en Baldacca, bereikte Parione en vandaar uit, niet zonder dorst, kort daarna Sardigna. Maar waarom zal ik u van alle landen spreken, die ik heb doorzocht! Ik kwam, nadat ik het kanaal was overgestoken, den arm van San Giorgio genaamd, in Truffia27en Ruffia28, zeer bevolkte rijken en vandaar kwam ik in het gebied van Menzogna29, waar ik vele van onze broeders en van andere godsdiensten vond, die allen den arbeid ontweken uit liefde tot God en zich om weinig bekommerden, mits zij er voor zich zelf voordeel in zagen en veel geld verkwistten. Vandaar trok ik naar het gebied der Abruzzen30, waar de mannen en vrouwen op klompen over de bergen gaan en de varkens met hun eigen darmen aankleeden31en dicht daarbij vond ik lieden, die het brood op stokken en den wijn in zakken dragen. Vandaar kwam ik bij de bergen van Bacchus, waar alle wateren naar beneden loopen en in korten tijd drong ik zoo ver door, dat ik India Pastinaca bereikte, waar ik u zweer bij mijn ordekleed, dat ik de snoeimessen32zag vliegen, iets ongeloofelijks. Maar dit kan mij zelfs Maso del Saggio niet ontstrijden, den grooten koopman, dien ik daar vond, die noten kraakte en de schalen als afval verkocht.[378]Maar omdat ik niet vinden kon, wat ik zocht, keerde ik terug en kwam in het Heilige Land, waar in den zomertijd het oudbakken brood vier denari kost en het versche voor niets wordt verkocht. En daar vond ik den eerwaardigen vader, messerNonmiblasmete Sevoipiace33, den allereerwaardigsten patriarch van Jerusalem, die uit eerbied voor het ordekleed van baron messire Sint Antonius wilde, dat ik al de heilige relieken zag, die hij bij zich had. En er waren er zooveel, dat ik, zoo ik ze allen wilde tellen, tot verscheidene duizenden zou komen. Maar toch om U niet zonder troost te laten, zal ik U er eenigen noemen. Eerst toonde hij mij den vinger van den Heiligen Geest zoo volledig en gaaf, als die ooit is geweest en de kuif van den Serafijn, die aan Sint Franciscus verscheen en een der nagels van de Cherubijnen, een der ribben van het vleesch geworden Woord aan de vensters uitgestald, kleeren van het katholieke Heilig Geloof, eenige stralen der Ster, die aan de drie Magiërs in het Oosten verscheen, een flesch vol zweet van den heiligenMichaël, toen hij tegen den Duivel vocht, de kaak als doodsbeen van Sint Lazarus en anderen. En daar ik hem gul een afschrift schonk der plagiaten van Monte Morello in de volkstaal en van eenige hoofdstukken van Caprezio, die hij lang had gezocht, maakte hij mij deelgenoot van zijn heilige relieken en gaf mij een der nagels van het Heilige Kruis en een klein fleschje gevuld met een weinig klank der klokken van den tempel van Salomo, de veer van den engel Gabriël, waarvan ik U gesproken heb en een der klompen van San Gherardo da Villa Magna, welke ik onlangs te Florence aan Gherardo van Bonsi gaf, die er een zeer grooten eerbied voor heeft. Ook gaf hij mij kolen, waarop de gelukzalige martelaar Sint Laurentius gebraden werd. Deze dingen heb ik alle meegebracht en ik heb ze allen bij mij.

Het is waar, dat mijn meerdere mij nooit heeft toegestaan die te vertoonen, voor hij er zeker van was, dat ze echt waren. Maar nu het door zekere wonderen van hen uitgegaan en door brieven ontvangen van den Patriarch zeker is, heeft hij mij dit veroorloofd, maar ik, bevreesd ze aan anderen toe te vertrouwen, draag die altijd bij mij. Ik draag de veer van den engelGabriël, opdat die niet bederft, in een kistje en de kolen, waarop San Lorenzo gebraden werd in een ander. Dezen zijn zoo aan elkaar gelijk, dat ik dikwijls het eene voor het andere aanvat; dat is mij nu gebeurd, want ik dacht het kistje met de veer te hebben meegenomen en nu heb ik dat meegedragen met de kolen. Ik geloof niet, dat dit het gevolg alleen van een dwaling is maar Gods wil, daar ik mij herinner, dat het feest van San Lorenzo binnen twee dagen plaats heeft. En daar God wenschte, dat ik door U de[379]kolen te toonen, waarmee hij gebraden is, in Uw zielen weer het vuur der vroomheid doe opvlammen, heeft Hij mij de gezegende kolen bedropen van de vochten uit dat heilige lichaam doen meenemen.

Daarom, gezegende zonen, neem Uw kappen af en nader vroom om ze te aanschouwen. Maar weet eerst, dat elk, die door die kolen gemerkt wordt met het teeken des Kruises, het heele jaar er zeker van kan zijn, dat het vuur hem niet zal aanraken zonder dat hij het voelt. Na die woorden zong hij een loflied voor San Lorenzo, opende het kistje en toonde de kolen. Toen de dwaze menigte met vrome bewondering alles had gade geslagen, drongen allen naar broeder Cipolla en gaven hem een beter offerande dan gewoonlijk. Broeder Cipolla begon met de kolen in de hand op de witte hemden, op de keurslijven en de sluiers der vrouwen de grootste kruisen te trekken, die er op konden staan, denkend, dat hoe meer die versleten, hoe meer ze het kistje met geld zouden vullen gelijk hij meermalen ondervonden had. Na op die wijze niet dan tot zijn grootste voordeel al de Certaldeezen te hebben bekruist, deed hij door zijn tegenwoordigheid van geest hen de bedrogenen blijven, die hem voor den mal dachten te houden. Zij waren bij de preek tegenwoordig geweest en daar zij het nieuwe verdedigingsmiddel, door hem aangewend, hadden gehoord, hadden zij zoo gelachen, dat zij dachten hun kaken er bij te verliezen. En toen de menigte vertrokken was, gingen zij naar hem toe en bekenden met genoegen, wat zij hadden uitgehaald en gaven hem zijn veer terug, welke hem het volgende jaar niet minder opbracht dan dien dag de kolen.

Deze historie schonk aan het heele gezelschap groot genoegen en vermaak en het meest toen broeder Cipolla sprak van zijn pelgrimstocht en over de relieken door hem aanschouwd en medegebracht. De koningin zag haar heerschappij geëindigd en stond op, nam den krans en plaatste dien lachend op het hoofd van Dioneo en zeide: Het is tijd, Dioneo, dat gij een weinig den last gewaar wordt van donna’s te regeeren en te leiden. Wees dus koning en bestuur ons aldus, dat als uw rijk uit is, wij U moeten prijzen. Dioneo antwoordde met een lach, de kroon aanvaardend: Gij kunt er reeds velen gezien hebben, ik meen koningen van het schaakbord, die meer waard zijn dan ik, maar zeker, indien gij mij gehoorzaamt gelijk men een koning eerbiedigt, zal ik u daarvan doen genieten zonder hetwelk zeker geen feest volmaakt vroolijk is. Ik zal regeeren, zoo goed ik kan. En nadat hij volgens de gewoonte den hofmeester had laten komen, gelastte hij hem, wat hij te doen had, zoolang zijn heerschappij duurde en sprak daarna:

Waardige donna’s. Er is op zoo verschillende manieren over menschelijke bekwaamheid en de verschillende voorbeelden daarvan[380]gesproken, dat, als juffrouw Licisca niet kort geleden hier was gekomen om mij stof te geven voor de aanstaande vertellingen van morgen, ik er aan twijfel, of het mij niet veel moeite zou gekost hebben een onderwerp te kunnen vinden om over te spreken. Zij, gelijk gij hoorde, zeide, dat zij geen buurvrouw had, die als maagd tot haar echtgenoot was gegaan en zij voegde er aan toe, dat zij wel wist hoe vele en hoedanige streken de getrouwde vrouwen nog aan hun mannen hadden geleverd. Maar het eerste daar gelaten, meen ik, dat het tweede aardig moet zijn om over te spreken en daarom wil ik, dat men morgen spreekt, daar donna Liscisca er mij aanleiding toe gaf,over de streken, die of uit liefde of tot hun redding de vrouwen jegens hun mannen hebben uitgehaald, hetzij die het al of niet merkten. Het behandelen van deze stof scheen aan elk der donna’s slecht te passen en zij verzochten hem het al voorgestelde te veranderen. De koning antwoordde hun: Donna’s. Ik ken het onderwerp, dat ik u voor heb geschreven niet minder goed dan gij en wat gij mij wilt aantoonen, kan mij er niet van af brengen, want ik meen, dat nu de tijd zoo is, dat de menschen er op uit zijn oneerbaar te handelen, elk verhaal geoorloofd is. Of weet gij niet, dat door de verdorvenheid van dit tijdvak de rechters de rechtbanken hebben verlaten, dat de wetten zoowel goddelijke als menschelijke zwijgen en dat groote vrijheid aan elk is geschonken om het leven te beveiligen? Daarom, indien uw eerbaarheid wat minder gevoelig wordt door dit te vertellen, is dat niet om er een of andere laakbare daad op te doen volgen. Maar om u en anderen te vermaken, zie ik niet, welke reden men zou kunnen aanhalen om u later verwijten te kunnen doen. Bovendien is uw gezelschap van af den eersten dag van samenkomst tot op dit uur zeer eerbaar geweest bij alles, wat men ook verteld heeft en het schijnt mij niet, dat het door eenige slechte daad geschandvlekt is, noch met Gods hulp worden zal. En: wie is er die uw fatsoen niet kent? Ik geloof niet, dat dit door genoegelijke gesprekken en zelfs niet door de vrees voor den dood kan verzwakt worden. En om u de waarheid te zeggen, indien men wist, dat gij er een oogenblik voor aarzelde over die streken te praten, zou men misschien denken, dat gij u er schuldig aan voelde en er daarom niet over wilt spreken. Zonder te rekenen dat gij mij een groote eer aandoet, mij, die tot heden aan allen hebt gehoorzaamd, nu gij mij tot uw koning hebt gemaakt, wilt gij mij nu de wet toevertrouwen en niet spreken over wat ik u beveel. Laat dus liever die bedenking varen, die meer eigen is aan slechte zielen dan aan de uwen en laat ieder met goed geluk een mooi verhaal doen.

Toen de dames dit hadden gehoord, zeiden zij, dat het zou gebeuren gelijk hij wenschte; daarom gaf de koning verlof aan elk tot aan het uur van het avondmaal te doen, wat men wilde.[381]De zon stond nog zeer hoog, daar de gedachtenwisseling kort was geweest; toen derhalve Dioneo met de andere jongelieden was gaan schaak spelen, zeide Elisa, die de andere donna’s geroepen had. Daar wij hier zijn, heb ik verlangd u te leiden naar een plaats hier dicht bij, waar ik meen, dat nooit iemand van u was en die men de Dames-Vallei noemt en ik heb nog geen gelegenheid gehad u er heen te brengen, behalve nu, want de zon staat nog hoog en daarom als het u behaagt er heen te gaan, twijfel ik er bepaald niet aan, dat gij, wanneer gij er zult zijn, zeer voldaan zult wezen u er heen te hebben begeven. De donna’s antwoordden, dat zij gereed waren en nadat zij een van hun dienstmaagden hadden geroepen zonder er iets van te zeggen aan de jongelieden, begaven zij zich op weg. Zij waren niet verder dan een mijl gegaan, toen zij de Dames-Vallei bereikten. Zij gingen die door een zeer nauw pad binnen, waaraan een van de zijden een zeer heldere beek liep en vonden die zoo schoon en aangenaam en in het bijzonder op dat oogenblik, toen het zeer warm was, dat men die onder geen beter omstandigheid had kunnen zien. En naar hetgeen elk van hen mij later herhaalde, was de vlakte, die het diep van de vallei vormden zoo rond of zij met een passer was afgecirkeld; zoozeer scheen zij een kunstwerk der natuur en niet van menschenhand. Zij was in omtrek meer dan een halve mijl, omringddoorzes kleine bergen niet al te hoog en op den top van elk zag men een verblijf in den vorm van een schoon lustoord. De hellingen van die kleine bergen daalden zacht naar die vlakte af gelijk wij in de theaters de trappen van hun top van boven naar beneden achtereenvolgens geordend zien dalen, steeds meer hun kring vernauwend. En deze hellingen, voor zoover ze naar het Oosten zich uitstrekten, waren bedekt met wijnranken, olijven, amandelboomen, kersenboomen, vijgenboomen en een groot aantal andere vruchtboomen, zonder dat een duim gronds verloren ging. Zij, die de vlakte tegen den noord oostenwind beschutten, waren allen bedekt met eiken, esschen en andere gewone boomen in de grootste orde geplant. De vlakte, die volgde en die geen anderen toegang had dan die de dames waren ingegaan, was vol dennenboomen, cypressen, laurierboomen en eenige pijnboomen zoo goed gerangschikt en opgesteld, alsof de beste kunstenaar ze daar neergezet had. Zelfs als de zon hoog stond, drong hij er bijna niet door tot den bodem, die een kleine, groene weide was en vol purperkleurige en andere bloemen. En bovendien, wat niet het minst genoegen verschafte, was een beekje, dat uit een der valleien tusschen de genoemde bergjes afdaalde en bij sprongen viel over levendig gekleurd gesteente en dat neerschietend een zeer aangenaam gedruisch maakte en uiteenspattend van verre levend zilver scheen, dat uit een of ander dof voorwerp opschitterde. Beneden in de[382]kleine vlakte gekomen en ontvangen in een klein kanaal liep het vlug tot in het midden van de weide en vormde daar een klein meertje gelijk aan de vijvers, welke de burgers dikwijls in de tuinen maken, als zij dit kunnen. Dit meertje was niet dieper dan een man tot de borst hoog is, zonder dat er eenige troebelheid in was, en toonde in zijn heldere diepte zeer fijn zand, zoodat, wie niets anders te doen zou gehad hebben, de korrels kon tellen, als hij gewild had. En niet alleen liet de diepte water zien, maar er schoten hier en daar zooveel visschen doorheen, dat dit ook een wonder was van genoegen. Het meertje had geen anderen oever dan den bodem van de weide, die te meer schoonheid verspreidde rondom, naarmate zij er meer vochtigheid van ontving. Het te overvloedige water werd in een ander kanaal ontvangen, waardoor het uit de vallei stroomde en liep naar de laagste gedeelten.

Toen de jonge dames hier aangekomen waren na overal te hebben rondgekeken, prezen zij die plaats zeer. Daar het zeer warm was en zij het waterbekken voor zich zagen, overlegden zij of zij daar zouden baden. Na hun meid last te hebben gegeven op den weg te blijven staan en op te letten of er iemand aankwam, ontkleedden zij zich alle zeven en gingen in het water, dat de blankheid van hun lichaam niet meer verborg dan een doorschijnend glas het een roode roos zou hebben gedaan. Daar ze allen er in gegaan waren, zonder dat het water er eenigszins onhelder van geworden was, begonnen zij hier en daar de visschen te vangen met de handen, daar die zich niet konden verbergen. Bij dit vermaak maakten ze er enkelen buit en na eenigen tijd gingen zij er uit; zij kleedden zich weer aan en toen was het uur daar om huiswaarts te keeren. Vroegtijdig bij het paleis aangekomen, vonden zij er nog de jongelieden bij het spel. Pampinea sprak lachend: Wij hebben ons heden waarlijk bedrogen! Waarom, vroeg Dioneo, begint gij dan eerst met daden eer gij met woorden aanvangt!34Pampinea vertelde hem uitvoerig, vanwaar zij kwamen en hoe de plaats er uit zag en wat zij hadden gedaan. De koning, die van de schoonheid van die plek hoorde en deze verlangde te zien, liet snel het avondmaal komen; toen dit allen verzadigd had, gingen de drie jongelieden met hun bedienden naar die vallei en zij prezen deze als een van de schoonste plaatsen van de wereld. En nadat zij er gebaad en zich weer aangekleed hadden en het reeds zeer laat was, keerden zij huiswaarts, waar zij de donna’s dansende vonden, op een wijs, die Fiammetta zong. Toen de dans gedaan was, begonnen zij over de Dames-Vallei te praten en spraken met zooveel lof daarvan,[383]dat de koning den hofmeester ontbood, beval hem het maal voor den volgenden morgen daar klaar te zetten en er bedden te laten aandragen, indien men er wilde slapen of s’esta houden. Hierna liet hij lichten komen, wijn en meelspijzen. Na gebruik daarvan beval hij, zich gereed te maken tot den dans. Toen Pamfilo op zijn bevel een dans geordend had, keerde de koning zich tot Elisa en sprak tot haar met gratie: Schoone, jonge dame. Door u had ik de eer de krans te worden opgezet, en nu wil ik vanavond u de eer laten voor den zang en zing dus het lied, dat U het meest zal behagen. Elisa antwoordde glimlachend, dat zij dit gaarne wilde en begon met een zachte stem aldus:

Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,Kan ik nauwelijks gelooven,Dat niet een andere klauw mij grijpt.Ik ging heel jong in uw oorlogGeloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,En ik legde al mijn wapens nederAls hij die vertrouwen heeft:Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,Gij waart mij op de hielenMet uw wapens en uw wreede nagels.Toen, eenmaal omslingerd door uw ketensVoor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,Vol bittere tranen en smarten,Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;En zijn heerschappij is zoo wreed,Dat nooit zuchten hem bewogenNoch klachten, die mij dooden.Al mijn gebeden vervaagt de wind.Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hoorenDaardoor stijgt mijn marteling ieder uurEn is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.Heer, heb medelijden met mijn smartenEn doe, wat ik niet vermagLever mij hem over in uw ketenen.Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althansDe banden geknoopt door de hoop.Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwenWeer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,En als de smart verdwijnen zal,Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.

Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,Kan ik nauwelijks gelooven,Dat niet een andere klauw mij grijpt.

Liefde, indien ik aan uw klauwen kan ontsnappen,

Kan ik nauwelijks gelooven,

Dat niet een andere klauw mij grijpt.

Ik ging heel jong in uw oorlogGeloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,En ik legde al mijn wapens nederAls hij die vertrouwen heeft:Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,Gij waart mij op de hielenMet uw wapens en uw wreede nagels.

Ik ging heel jong in uw oorlog

Geloovend, dat dit een hooge en zoete vrede was,

En ik legde al mijn wapens neder

Als hij die vertrouwen heeft:

Maar gij, trouwelooze tyran, tuk en roofziek,

Gij waart mij op de hielen

Met uw wapens en uw wreede nagels.

Toen, eenmaal omslingerd door uw ketensVoor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,Vol bittere tranen en smarten,Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;En zijn heerschappij is zoo wreed,Dat nooit zuchten hem bewogenNoch klachten, die mij dooden.

Toen, eenmaal omslingerd door uw ketens

Voor hem, die geboren werd om mij te doen sterven,

Vol bittere tranen en smarten,

Maakte gij mij gevangen en gij hebt mij in zijn macht gesteld;

En zijn heerschappij is zoo wreed,

Dat nooit zuchten hem bewogen

Noch klachten, die mij dooden.

Al mijn gebeden vervaagt de wind.Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hoorenDaardoor stijgt mijn marteling ieder uurEn is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.Heer, heb medelijden met mijn smartenEn doe, wat ik niet vermagLever mij hem over in uw ketenen.

Al mijn gebeden vervaagt de wind.

Hij luistert naar geen, noch wil hij er naar hooren

Daardoor stijgt mijn marteling ieder uur

En is dus het leven mij een last, en toch kan ik niet sterven.

Heer, heb medelijden met mijn smarten

En doe, wat ik niet vermag

Lever mij hem over in uw ketenen.

Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althansDe banden geknoopt door de hoop.Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwenWeer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,En als de smart verdwijnen zal,Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.

Indien gij dit niet wilt, ontkluister dan althans

De banden geknoopt door de hoop.

Zie! ik bid U, Heer, dat Gij dit wilt,[384]

Want als Gij dit doet, heb ik nog vertrouwen

Weer schoon te worden, zooals ik placht te wezen,

En als de smart verdwijnen zal,

Zal ik mij tooien met witte en roode bloemen.

Nadat Elisa met een zeer meewarige verzuchting haar zang had geëindigd en hoewel allen over zulke woorden verwonderd waren, kon toch niemand raden, wat de aanleiding was. Maar de koning, die in goeden luim was, liet Tindaro roepen, en beval hem, dat hij zijn doedelzak voor den dag haalde, op welk geluid hij vele dansen liet uitvoeren. Maar daar reeds een groot deel van den nacht voorbij was, gelastte hij toen, dat elk zou gaan rusten.[385]


Back to IndexNext