Zevende Vertelling.

[Inhoud]Zevende Vertelling.De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon hij, die zeer volgzaam was:Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan moeten wij ons[110]houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon14, die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië15, had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica16en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een[111]na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met gebaren hun[112]ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan[113]de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de booze daad.Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza17in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna[114]den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun[115]toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn eigen vrouw.Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood[116]kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten[117]komen, de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door hen het best[118]kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.[119]Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen[120]Osbech met zijn krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde.[121]Het is waar, dat het zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval door die dame daar aan[122]een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit[123]te zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen om het te plunderen.[124]Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de[125]kade Antigono voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als de maan.[126][Inhoud]Achtste Vertelling.De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig aantal, zeg ik dan:Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren,[127]scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie18waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze[128]oorzaken, schijnt het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken[129]aan de kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij[130]er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief[131]hadden, zoowel omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw[132]moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in[133]den kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.[134]Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van[135]zijn bedienden, dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te spelen.Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn[136]zoon gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden, begraven.Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar[137]toch sloeg hij geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest. Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.[138]

[Inhoud]Zevende Vertelling.De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon hij, die zeer volgzaam was:Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan moeten wij ons[110]houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon14, die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië15, had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica16en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een[111]na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met gebaren hun[112]ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan[113]de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de booze daad.Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza17in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna[114]den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun[115]toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn eigen vrouw.Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood[116]kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten[117]komen, de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door hen het best[118]kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.[119]Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen[120]Osbech met zijn krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde.[121]Het is waar, dat het zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval door die dame daar aan[122]een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit[123]te zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen om het te plunderen.[124]Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de[125]kade Antigono voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als de maan.[126][Inhoud]Achtste Vertelling.De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig aantal, zeg ik dan:Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren,[127]scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie18waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze[128]oorzaken, schijnt het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken[129]aan de kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij[130]er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief[131]hadden, zoowel omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw[132]moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in[133]den kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.[134]Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van[135]zijn bedienden, dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te spelen.Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn[136]zoon gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden, begraven.Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar[137]toch sloeg hij geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest. Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.[138]

[Inhoud]Zevende Vertelling.De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon hij, die zeer volgzaam was:Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan moeten wij ons[110]houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon14, die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië15, had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica16en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een[111]na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met gebaren hun[112]ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan[113]de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de booze daad.Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza17in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna[114]den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun[115]toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn eigen vrouw.Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood[116]kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten[117]komen, de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door hen het best[118]kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.[119]Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen[120]Osbech met zijn krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde.[121]Het is waar, dat het zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval door die dame daar aan[122]een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit[123]te zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen om het te plunderen.[124]Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de[125]kade Antigono voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als de maan.[126][Inhoud]Achtste Vertelling.De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig aantal, zeg ik dan:Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren,[127]scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie18waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze[128]oorzaken, schijnt het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken[129]aan de kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij[130]er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief[131]hadden, zoowel omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw[132]moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in[133]den kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.[134]Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van[135]zijn bedienden, dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te spelen.Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn[136]zoon gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden, begraven.Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar[137]toch sloeg hij geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest. Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.[138]

[Inhoud]Zevende Vertelling.De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon hij, die zeer volgzaam was:Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan moeten wij ons[110]houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon14, die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië15, had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica16en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een[111]na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met gebaren hun[112]ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan[113]de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de booze daad.Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza17in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna[114]den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun[115]toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn eigen vrouw.Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood[116]kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten[117]komen, de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door hen het best[118]kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.[119]Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen[120]Osbech met zijn krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde.[121]Het is waar, dat het zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval door die dame daar aan[122]een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit[123]te zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen om het te plunderen.[124]Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de[125]kade Antigono voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als de maan.[126]

Zevende Vertelling.De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.

De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.

De sultan van Babylon geeft een zijner dochters ten huwelijk aan den koning van Algarvië, welke door verschillende avonturen binnen den tijd van vier jaar door de handen gaat van negen mannen in verschillende streken. Eindelijk aan den vader als jonkvrouw teruggegeven, gaat zij gelijk vroeger naar den koning van Algarvië als bruid.

Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon hij, die zeer volgzaam was:Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan moeten wij ons[110]houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon14, die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië15, had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica16en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een[111]na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met gebaren hun[112]ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan[113]de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de booze daad.Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza17in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna[114]den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun[115]toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn eigen vrouw.Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood[116]kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten[117]komen, de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door hen het best[118]kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.[119]Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen[120]Osbech met zijn krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde.[121]Het is waar, dat het zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval door die dame daar aan[122]een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit[123]te zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen om het te plunderen.[124]Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de[125]kade Antigono voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als de maan.[126]

Indien de vertelling van Emilia langer geduurd had, zou het medelijden van de jonge dames met de lotgevallen van vrouwe Beritola ze hebben doen schreien. Maar toen hieraan een einde was gemaakt, behaagde het de koningin, dat Pamfilo zou volgen om de zijne te vertellen; daarom begon hij, die zeer volgzaam was:

Lieve dames! Het is moeilijk door ons te beseffen wat goed voor ons is. Zoo heeft men dikwijls kunnen zien, dat vele lieden, die meenden zonder zorg en rustig te kunnen leven, wanneer zij rijk werden, tot God daarom baden niet alleen, maar geen enkele moeite of gevaar ontzagen om dit te worden. Dezen, zoodra ze dat bereikten, vonden menschen, die uit begeerte naar een zoo groot vermogen, hen weer vermoorden, en welke op hun beurt, voor ze zich verrijkt hadden, weer hun wijze van leven wenschten. Anderen van een lage afkomst tot het toppunt van staatsmacht gestegen door duizend gevaarlijke veldslagen, door het bloed van broeders en vrienden en die geloofden dat dit de hoogste toestand van geluk was, zonder de eindelooze zorgen en angsten waarvan zij dien ook vol zagen en bespeurden, leerden niet anders dan door hun wijze van sterven, dat men in het goud op de koningstafel vergift drinkt. Er waren er velen, die de lichaamskracht en de schoonheid en ook zekere menschen, die sieraden met de hevigste begeerte verlangden en die eveneens als genen niet van te voren gewaar werden naar iets verkeerds te hebben gehaakt en dat die verlangens de oorzaak waren van hun dood of van een treurig leven. En opdat ik niet afzonderlijk van alle menschelijke begeerten spreek, beweer ik alleen, dat er niets door een sterveling kan worden uitgekozen, dat met volle zekerheid tegen de wisselingen der fortuin, bestand is. Willen wij dus wijs handelen, dan moeten wij ons[110]houden aan wat Hij geeft en kan geven, die alleen weet, wat goed voor ons is. Maar daar gij, donna’s, het meest zondigt in één opzicht, gelijk de menschen in verschillende dingen door begeerten, namelijk door het verlangen schoon te zijn, in zoover dat ge, niet tevreden met de schoonheden u door de natuur geschonken, die nog door wonderlijke kunstmiddelen zoekt te verhoogen, staat het mij aan u te verhalen, hoe ongelukkig het was voor een Saraceensche vrouw om schoon te zijn, die in minder dan vier jaar daardoor negenmaal opnieuw bruiloft vierde.

Reeds lang geleden leefde er een Sultan van Babylon14, die Beminedab heette en bij wien zijn leven lang alles naar wensch geschiedde. Deze had onder anderen onder zijn vele telgen, mannelijke en vrouwelijke, een dochter, Alathiel, die, volgens het zeggen van elk die haar zag, de schoonste vrouw ter wereld van dien tijd was. Omdat hij in een groote nederlaag, die hij veroorzaakt had aan een menigte Arabieren, welke hem van achteren hadden aangevallen, uitstekend was geholpen door den koning van Algarvië15, had hij, toen de koning hem een bijzonderen gunst vroeg, hem deze tot vrouw geschonken. Hij deed haar een goed bewapend en flink loopend schip bestijgen met een aanzienlijk geleide van mannen en vrouwen en met een voorname en rijke uitrusting zond haar hem zoo toe en beval haar Gode aan. Toen de zeelui zagen, dat het goed weer was, zetten ze volle zeilen bij, vertrokken uit de haven van Alexandrië en voeren zoo verscheidene dagen. Reeds waren zij Sardinië voorbij en scheen het einde van hun reis hun nabij, toen op een dag plotseling verschillende winden opstaken, die elk op andere wijze heftig het vaartuig, waarop de donna en de zeelieden waren, zoo rammeiden, dat zij zich meermalen voor verloren hielden. Maar toch als dappere mannen, alle kunst en alle kracht aanwendend, hielden zij het door de eindelooze zee bestreden toch vol. Toen de derde nacht van den opgestoken storm naderde en die niet ophield, maar meer en meer toenam, wisten zij niet, waar ze waren en konden het noch door zeemanskunst noch op het gezicht af weten, omdat de hemel donker bewolkt en zwart van duisternis was. Ze waren niet ver van Majolica16en voelden het schip splijten. Aldus geen middel ziende om te ontvluchten en daar ieder aan zich zelf en niet aan anderen dacht, lieten ze een sloep in zee en daar ze zich hierin meer vertrouwden dan op het lekke schip, wierpen de officieren er zich het eerst in. Daarop volgden de mannen, die op het vaartuig waren, de een[111]na den ander, hoewel wie het eerst er in waren afgedaald met het mes in de hand wilden beletten, dat allen er insprongen, maar geloovend den dood te ontvluchten sprongen zij allen er in neer. Daar de boot niet zooveel menschen kon dragen door de woeligheid van het weer, ging zij onder en alle, die er in waren, verdronken. Het schip, dat door een hevigen wind werd voortgedreven, hoewel het lek was en reeds bijna vol water, liep zeer snel en stiet op een strand van het eiland Majolica, terwijl er niemand op gebleven was dan de donna en haar vrouwen, die allen overwonnen door den storm op zee en de angst, voor dood daarop lagen uitgestrekt. De schok was zoo hevig, dat alles vastliep in het zand op een steenworp afstand zoowat van het strand. Daar bleef het geteisterd door de zee den ganschen nacht zonder door den wind te worden vlot gemaakt. Toen het helder dag werd en de storm een weinig bedaarde, hief de donna, die halfdood was, het hoofd op en zoo zwak als zij was, begon zij dan die, dan gene van haar metgezellen aan te roepen; maar zij riep voor niets, want de geroepenen waren veel te ver weg.

Daar zij op niets antwoord hoorde geven, noch iemand zag, verwonderde zij zich zeer en begon zeer bevreesd te worden. Zij hief zich op zoo goed zij kon en zag de donna’s die in haar gezelschap waren en al de andere vrouwen liggen. Zij onderzocht dan de een, dan de ander, maar vond na veel roepen er weinigen bij bewustzijn, alsof zij allen dood waren door vreeselijken honger of van angst, waardoor de vrees van de donna nog grooter werd. Maar niettemin bedwong zij haar angst uit behoefte aan beraad, omdat zij zich geheel alleen daar bevond, niet wetend waar ze was en wekte de anderen op, die bij kennis waren, en deed die opstaan. Toen zij bemerkte, dat die niet wisten, waar de mannen waren heengegaan en toen zij het schip op het strand geloopen en vol water zag, begon zij met hen te zamen jammerlijk te klagen. Het was reeds middag, voor zij iemand op het strand of elders zagen, aan wien zij eenig medelijden konden inboezemen om hen te helpen. Het uur van den noen was al voorbij toen toevallig van zijn huis gaande daar een edelman voorbij kwam, die Pericon van Visalgo heette, met enkele van zijn trawanten te paard, die, het schip ziende, dadelijk begreep wat er gebeurde en aan een van zijn knechten beval onmiddellijk er op te klimmen en hem te vertellen wat er aan de hand was. Hoewel de knecht het met moeite deed, klom hij er toch op en vond er de adellijke jonge dame met het weinige geleide, dat zij had, die zich zeer verlegen onder de sneb van den voorsteven van het schip verborgen hield. Toen die hem zagen, riepen zij klagend meermalen zijn barmhartigheid in, maar daar het zoo gesteld was, dat zij niet verstaan werden noch dat zij hem verstonden, deden zij hun best met gebaren hun[112]ongeluk te beduiden. De knecht beschouwde alles zoo goed hij kon en vertelde aan Pericon wat er gaande was. Hij liet de vrouwen er spoedig afhalen en de kostbaarste dingen, die er op waren en ging met hen naar zijn kasteel. Toen de donna’s met levensmiddelen en met rust versterkt waren, begreep hij door de rijke gewaden, dat de donna, die hij gevonden had een voorname edelvrouw moest wezen en merkte, dat ook aan den eerbied, die hij háár alleen door de anderen zag bewijzen. En hoewel zij bleek was en geheel ontdaan door de woede der zee, schenen haar trekken aan Pericon toch zeer schoon. Hierdoor maakte hij dadelijk bij zich zelf het plan, dat, als zij geen echtgenoot had, hij haar tot vrouw wilde hebben en als hij haar niet tot echtgenoote kon krijgen, dan haar vriendschap te vragen. Pericon was een man van fier uiterlijk en heel zwaar gebouwd. Hij had haar steeds uitstekend laten bedienen, en toen zij geheel hersteld was en hij zag, dat ze boven alle verwachting schoon was, betreurde hij zeer, dat hij haar niet kon verstaan noch zij hem en aldus niet weten kon wie zij was, maar ontvlamde niettemin bovenmatig door haar schoonheid in liefde. Met hoffelijke en verliefde attenties deed hij zijn best haar zonder tegenstand tot zijn bevrediging over te halen, maar dat hielp niets. Zij wees zijn gedienstigheid beslist af en de hartstocht van Pericon werd daardoor nog grooter. De dame bemerkte het, daar ze al gedurende verscheidene dagen daar verkeerde en begreep door de gewoonten van die lieden, dat zij zich onder Christenen bevond en op een plaats, waar, indien zij zich had bekend gemaakt en als men het had geweten, het haar weinig had geholpen. Zij bedacht, dat op den duur òf met geweld òf door toe te geven, zij Pericon’s zin moest volgen en besloot met hoogheid van ziel de ellende van haar lot te trotseeren. Zij beval aan haar vrouwen, waarvan er niet meer dan drie over waren, dat zij aan niemand zouden toonen wie ze waren, behalve als ze zich ergens bevonden, waar zij blijkbaar uitkomst voor hun bevrijding zagen. Bovendien vermaande zij hen vooral hun kuischheid te bewaren, en beweerde, dat zij zich had voorgenomen, dat niemand ooit dan alleen haar man van haar zijn zin zou krijgen. Haar vrouwen prezen haar daarom en zeiden naar hun vermogen haar raad te zullen opvolgen. Pericon ontbrandde van dag tot dag sterker en hoe meer hij zich in de nabijheid van het begeerde voorwerp zag en hoe meer hij zich verstooten voelde en bemerkte, dat zijn listen hem niets baatten, hoe meer hij sluwheid en kunstmiddelen aanwendde om het gebruiken van geweld tot het uiterste te bewaren. Hij had een enkele maal bemerkt, dat de donna van wijn hield, juist omdat zij niet gewoon was deze te drinken, daar haar godsdienst het haar verbood en hij besloot hiermee als met een dienaar van Venus haar machtig te worden.

Hij deed, alsof hij zich niet meer bekommerde om hetgeen, waarvan[113]de donna zich zoo afkeerig toonde, en gaf op een avond bij wijze van een plechtig feest een mooi avondmaal, waarop de donna kwam. Op dat feest gaf hij, daar het gastmaal door verschillende oorzaken vroolijk was, bevel aan hem, die haar bediende, haar van verschillende gemengde wijnen te laten drinken. Dit gelukte zeer goed en zij, die er zich niet voor in acht nam, bekoord door het drinken, gebruikte meer dan met haar eerbaarheid was overeen te brengen, zoodat zij, alle voorbijgaande tegenspoed vergetend, vroolijk werd en toen zij eenige vrouwen op de wijze van Majolica zag dansen, begon zij op de Alexandrijnsche manier. Pericon zag dit en scheen, wat hij verlangde, nabij te zijn. Deze zette met meer overvloed van spijzen en wijnen het maal voort en rekte dit tot laat in den nacht. Toen eindelijk de gasten vertrokken waren, trad hij alleen de kamer binnen met de donna, welke meer verhit door den wijn dan bekoeld door eerzaamheid, alsof Pericon een van haar vrouwen was, zonder eenige schaamte zich in zijn tegenwoordigheid ontkleedde en zich te bed begaf. Pericon stelde het niet uit haar te volgen, maar toen hij het licht had uitgedaan, legde hij zich snel naast haar neer en na haar in zijn armen te hebben gesloten begon hij zonder eenige tegenspraak van haar zich op verliefde wijze te verheugen. Toen zij dit gewaar werd berouwde het haar, daar zij nooit van te voren had geweten van welk wapen de mannen zich bedienen, dat zij niet dadelijk op de vleierijen van Pericon was ingegaan en zonder te wachten, dat zij tot zoo zoeten nacht werd uitgenoodigd, verzocht zij er zelf herhaaldelijk om niet met woorden, die zij niet verstaanbaar kon maken, maar met gebaren. Bij dit groote genoegen van Pericon en haar, bereidde de fortuin niet tevreden haar van koningin te hebben gemaakt tot vriendin van een kasteelbezitter haar nog treuriger liefdesverhouding. Pericon had een broeder van vijfentwintig jaar, knap en frisch als een roos, die Marato heette. Toen deze haar gezien had en zij hem zeer beviel, scheen het hem, naar de gebaren, die hij van haar kon begrijpen, dat hij zeer in haar gunst stond en meenend, dat niets wat hij verlangde, hem haar zou ontnemen dan alleen de waakzaamheid van Pericon, kwam hij op een wreede gedachte en op dat denkbeeld volgde zonder verwijl de booze daad.

Er was toen toevallig in de haven van de stad een vaartuig beladen met koopwaren voor Clarentza17in Romania, waarvan twee jonge Genueezen de meesters waren en reeds was het zeil geheschen om, daar de wind gunstig was, te vertrekken. Met hen sloot Marato een overeenkomst en beval, hoe door hen de donna[114]den volgenden nacht moest worden opgenomen. Toen dit gedaan was en het nacht werd en hij met zich zelf had overlegd, wat er gebeuren moest, ging hij heimelijk naar het huis van Pericon, die nergens op verdacht was, met eenige van zijn betrouwbaarste metgezellen, welke hij had verzameld om ze te zeggen wat hij van plan was en verborg zich volgens hun afspraak aldaar. Een deel van den nacht ging voorbij; hij deed zijn metgezellen open en begaf zich daarheen, waar Pericon met de donna sliep. Daar ontsloot hij de kamer; zij vermoordden Pericon in den slaap, bedreigden de ontwaakte en klagende vrouw met den dood, als zij eenig rumoer maakte en voerden haar mede. Zonder opgemerkt te worden begaven zij zich met een groot deel der kostbaarheden van Pericon naar de kade. Zonder verwijl gingen Marato en de donna scheep, terwijl de metgezellen huiswaarts keerden. De zeelieden spanden met een goeden en frisschen wind het zeil voor hun reis. De dame beklaagde zich bitter zoowel over het eerste ongeluk als over het tweede, maar Marato gebruikt een middel, dat God hem gaf en begon haar zoo te troosten, dat zij zich naar hem voegde en Pericon vergat en reeds scheen zij gelukkig, toen de fortuin haar een nieuwe smart bereidde of die met de voorbijgeganen niet tevreden was. Want daar zij zeer schoon was, gelijk wij al meermalen zeiden en van zeer lofwaardige manieren, werden de twee heeren van het schip zoo op haar verliefd, dat zij alles vergetend en van plan haar het hof te maken, zich steeds in acht namen, dat Marato er de oorzaak niet van zag. Ze merkten die liefde echter bij elkander op, hadden hierover een geheim onderhoud en kwamen overeen den buit van die liefde te deelen, alsof liefde gelijk handelswaar of geld wordt behandeld. Zij zagen, dat Marato zeer op haar lette en dat zij daardoor in hun plannen werden gedwarsboomd. Daarom zetten ze op een goeden dag alle zeilen bij en toen Marato op den achterspiegel stond, naar de zee keek en op niets acht gaf, naderden zij tegelijk, grepen hem snel van achteren aan en wierpen hem in het water. Eerst nadat zij een mijl ver weg waren, kon pas iemand bemerken, dat Marato over boord was geraakt. De donna vernam dit en geen middel ziende om hem terug te krijgen, begon zij op het schip op nieuw te weeklagen. De twee minnaars kwamen haar dadelijk troosten en met zoete woorden en groote beloften, hoewel zij er weinig van verstond, wisten zij haar, die niet zoozeer den verloren man als wel haar ongeluk betreurde, te kalmeeren. Na verschillende malen lange gesprekken met haar te hebben gehouden, scheen zij hen als het ware getroost en begonnen zij onder elkaar te bepraten, wie het eerst van hen met haar zou slapen. Daar elk de eerste wilde zijn en zij het hierover niet eens werden, begonnen zij met kwade woorden en onder beleedigingen te twisten en toen hun[115]toorn toenam, gingen zij elkaar met de hand aan het mes woedend te lijf en gaven elkaar (daar wie op het schip waren, ze niet konden redden) verscheidene steken, zoodat er een dood viel en de ander op vele plaatsen van zijn lichaam ernstig verwond bleef leven. Dit mishaagde de donna zeer, daar zij zich daar alleen zag zonder hulp of raad van wien ook. Zij vreesde zeer, dat de toorn van de verwanten en vrienden der twee heeren zich tegen haar zou richten, maar de gebeden van den gekwetste en de snelle aankomst te Chiarenza, bevrijdden haar van het doodsgevaar.

Daar ging zij met den gewonde aan land en terwijl zij met hem in een herberg was, verbreidde zich de faam van haar schoonheid door de stad en kwam den prins van Morea ter ooren, die zich toen te Chiarenza bevond. Daarom wilde die haar zien en toen dit plaats had en zij hem toen schooner leek dan de faam meldde, werd hij dadelijk zoo op haar verliefd, dat hij aan niets anders kon denken. Toen hij gehoord had, hoe zij daar was gekomen, begreep hij, dat hij haar zou kunnen bezitten. Terwijl hij middelen zocht en daar de verwanten van den gekwetste hem kenden, stuurden zij haar zonder af te wachten aan den prins, wat hem zeer aangenaam was en ook aan de dame, omdat zij uit een groot gevaar scheen te zijn gered. Nu de prins haar zag, meende hij, behalve door haar schoonheid, getooid met koninklijke dracht, en daar hij op geen andere wijze kon weten wie zij was, dat zij een edelvrouw moest zijn en daardoor nam zijn liefde voor haar nog meer toe. Hij onderhield haar eervol niet als vriendin, maar behandelde haar als zijn eigen vrouw.

Sinds de donna op de voorbijgegane rampen niet meer terug zag en zij daar een zeer goed leven had en geheel herstelde, werd zij opgeruimd en haar schoonheden fleurden zoo op, dat men in heel Romania over niets anders scheen te kunnen spreken. Aldus kreeg de hertog van Athene, een jong en knap man, een vriend en verwant van den prins, de begeerte haar eens te zien. Hij kondigde aan een bezoek te komen brengen, gelijk hij vaak gewoon was, kwam met een fraai en aanzienlijk gezelschap te Chiarenza en werd daar met eer en met een groot feest ontvangen. Toen men eenige dagen later over de schoonheden van die donna sprak, vroeg de hertog of zij zoo wonderbaar mooi was als men zeide. Hierop antwoordde de prins: Veel mooier, maar laat niet mijn woorden, doch uwe oogen er u het bewijs van leveren. Op het verzoek van den hertog aan den prins, gingen zij naar haar toe; zij ontving ze, toen zij van te voren van hun komst verwittigd was, zeer hoffelijk en met vriendelijk gelaat en tusschen hen gezeten, kon zij zich niet onderhouden in hun gesprekken, omdat zij weinig of niets van hun taal verstond. Daarom beschouwde elk haar als een schoon voorwerp en het meest de hertog, die ternauwernood[116]kon gelooven, dat zij een stervelinge was. Hij werd het liefdegift niet gewaar, dat hij bij het aanschouwen met de oogen indronk en geloofde zijn genoegen te kunnen voldoen door haar te zien, maar werd ellendig onrustig, doordat hij zich vurig in haar verliefde. Toen hij met den prins van haar afscheid nam, achtte hij dien boven allen gelukkig, dat hij zulk een schoon voorwerp tot zijn welgevallen had en na vele en verschillende overwegingen meer lettend op zijn vurige liefde dan op zijn eer, overlegde hij of hij den prins niet van dit genot zou kunnen berooven en zichzelf er mee gelukkig kon maken. Daar hij geneigd was zich te haasten en alle reden en recht van een der partijen ter zijde liet, zon hij met zijn gansche ziel op listen.

Op een goeden dag, volgens het booze plan door hem ontworpen met een geheimen kamerheer van den prins, die Ciuriaci heette, maakt hij zeer in ’t geheim al zijn paarden en bagage klaar om te kunnen vertrekken. Toen de nacht viel, werd hij met een metgezel, geheel gewapend, stil door gezegden man binnen in de kamer van den prins gelaten. Deze stond, terwijl de donna sliep, wegens de grootte hitte geheel naakt aan een venster naar de haven gekeerd om een koelte op te vangen, die vandaar kwam. Daar hij zijn metgezel van te voren had gewaarschuwd wat er te doen was, ging hij zachtjes door de kamer naar het venster en trof den prins met een mes in de ribben dat het aan de anderen kant er uit kwam, pakte hem beet en wierp hem naar buiten. Het paleis was boven de zee en zeer hoog en het venster, waaraan de prins toen stond, zag uit op een muurwerk, dat het geweld van de zee had vernield, op een kade, waar weinig of nooit iemand kwam. Aldus gelijk de hertog had voorzien, werd de val van het lichaam van den prins door niemand opgemerkt, wat ook niet kon. Toen de metgezel van den hertog zag, dat dit gebeurd was, deed hij of hij Ciuriaci wilde omhelzen en wierp hem haastig een door hem meegebrachten strik om bij wijze van strop en trok zoo, dat Ciuriaci geen geluid kon maken. De hertog kwam er ook bij, ze worgden den kamerdienaar en smeten hem er uit evenals de prins. Toen dit gebeurd was en dit blijkbaar noch door de donna, noch door anderen bespeurd was, nam de hertog een licht in de hand en hield dit over het bed en ontwaarde heimelijk de donna, die vast sliep. Hij zag haar geheel en bewonderde haar zeer en hoewel hij haar reeds gekleed had gezien, beviel zij hem naakt nog meer. Hierdoor van nog heeter begeerte ontbrand en niet verschrikt door de misdaad pas door hem bedreven, boog hij zich nog met bebloede handen naast haar en legde zich nevens haar, die geheel slaapdronken geloofde, dat het de prins was. Maar toen hij eenigen tijd met het grootste genoegen naast haar had gelegen, liet hij na opgestaan te zijn en eenige van zijn dienaren te hebben laten[117]komen, de donna oppakken, zoo dat ze geen geluid kon geven en door een geheime deur, waardoor hij binnen was gekomen, wegbrengen en zoo stil mogelijk te paard zetten. Hij ging met zijn geheele gevolg op reis en weer terug naar Athene. Maar omdat hij gehuwd was, ging hij niet naar die stad, maar naar een zeer schoon landgoed, dat hij niet ver daar buiten aan zee bezat, waar hij de diep bedroefde donna heenvoerde en haar verborgen hield en met onderscheiding liet bedienen van wat zij noodig had. De hovelingen van den prins hadden den volgenden morgen tot het uur van den noen gewacht, dat hij zou opstaan, maar toen zij niets hoorden, trapten zij de deuren van zijn kamers open, die niet op slot gedaan waren. Daar zij er niemand vonden, dachten zij, dat hij in het geheim was weggegaan om eenigen tijd tot zijn genoegen met die schoone dame alleen te blijven en maakten er zich niet ongerust meer over. Maar terwijl dat geschiedde, kwam een gek den volgenden dag tusschen de ruïnes, waar de lichamen van den prins en van Ciuriaci lagen, trok Ciuriaci bij den strik te voorschijn, liep er vandaan en sleepte hem achter zich voort. Dit werd niet zonder verbazing door velen gemerkt, die met listen door den gek zich daarheen lieten leiden, waar hij dien vandaan gesleurd had en waar men tot zeer groote smart van de heele stad dat van den prins vond. Men begroef hem met eerbewijzen en toen men de bedrijvers van zulk een misdaad zocht en zag, dat de hertog van Athene er niet meer was, maar heimelijk was vertrokken, dacht men, dat hij het moest gedaan hebben en dat hij de donna met zich mee had gevoerd. De stedelingen vervingen hun prins door een broeder van deze en spoorden dien zooveel ze konden tot wraak aan. Hij verzekerde zich, dat het was, gelijk men dacht en vrienden en verwanten en dienaars van verschillende plaatsen opgeroepen hebbend, verzamelde hij een mooi, groot en machtig leger en toog uit om den hertog van Athene te beoorlogen. Toen de hertog dit hoorde, maakte hij ook al zijn krachten tot zijn verdediging gereed en vele edelen kwamen hem te hulp. Daaronder bevonden zich gezonden door den keizer van Constantinopel diens zoon Constantijn en zijn neef Manovello met een mooi en groot gevolg, welke door den hertog met eere werden ontvangen en nog meer door de hertogin, omdat die hun zuster was.

Daar de zaken van dag tot dag verergerden, liet de hertogin op een geschikt oogenblik beide in haar kamer komen en met veel tranen en veel woorden verhaalde zij hun daar de heele historie en de oorzaken van den oorlog. Zij maakte melding van de beleediging haar door den hertog wegens die vrouw aangedaan. Hij geloofde haar in het verborgene te onderhouden. Zij beklaagde zich hierover zeer en bad hen voor de eer van den hertog en tot haar verlichting herstel aan te brengen, wat door hen het best[118]kon gebeuren. De jongelieden wisten, hoe alles had plaats gehad en daarom zonder haar veel te vragen, troostten zij de hertogin zoo goed ze konden en vervulden haar van goede hoop. Toen ze van haar wisten, waar de donna zich bevond, vertrokken zij en daar zij de wonderbare schoonheid van de dame dikwijls hadden hooren roemen, verlangden zij haar te zien en verzochten den hertog, dat hij haar vertoonde. Deze herinnerde zich niet, wat met den prins was gebeurd door haar aan hem zelf te doen aanschouwen en beloofde dit. Hij liet in een zeer fraaien tuin op de plaats, waar de donna woonde een prachtig middagmaal gereed maken en liet hen daar den volgenden morgen met weinig anderen metgezellen eten. Terwijl Constantijn met haar aanzat, begon hij haar vol bewondering te beschouwen en gaf in zich zelf toe, dat hij nooit zoo iets schoons had gezien en dat het de hertog zeker te vergeven was en ieder ander, die om zulk een schoonheid te bezitten, verraad pleegde of een andere lage daad. Doordat hij haar telkens aankeek en haar steeds meer bewonderde, overkwam hem hetzelfde als den hertog. Hij vertrok verliefd op haar, liet alle gedachte aan den oorlog varen, en peinsde hoe hij haar het best aan den hertog kon ontvoeren en zijn liefde voor iedereen zou verbergen. Maar terwijl hij van dat vuur brandde, kwam de tijd tot uitrukken tegen den prins, die het gebied van den hertog al naderde. Daarom vertrokken de hertog en Constantijn en al de anderen volgens het gegeven plan uit Athene. Hij ging naar de grenzen om weerstand te bieden en opdat de prins niet meer kon voorwaarts rukken. Hier bleef Constantijn en had altijd zijn ziel en geest bij die donna, en verbeeldde zich, dat, nu de hertog niet in de buurt was, hij aan zijn lust zeker zou kunnen voldoen door een reden te hebben naar Athene terug te keeren en deed of hij zeer ziek was. Daarom met verlof van den hertog ging hij, na al zijn macht aan Manovello te hebben overgedragen naar Athene, naar zijn zuster. Na eenige dagen bracht hij haar aan het praten over de behandeling, die zij van den hertog scheen te ondergaan, doordat deze de donna onderhield. Hij zeide haar, dat hij haar zou helpen voor zoover zij het verlangde en dat hij de donna, waar zij zich ook bevond, zou laten wegvoeren. De hertogin meende, dat Constantijn dit deed om harentwil en niet uit liefde voor de donna, en zeide, dat het haar zeer naar den zin was, indien hij het werkelijk zoo deed, dat de hertog nooit zou weten, dat zij er in had toegestemd, waar Constantijn ten volle voor instond. De hertogin stemde er in toe, dat hij deed, wat hij het geschiktst achtte. Constantijn liet stil een lichte bark uitrusten en liet die op een avond komen in de buurt van den tuin, waar de donna woonde, na aan de zijnen, die er op waren, te hebben uiteengezet, wat er te doen was. Daarna ging hij met de anderen naar het paleis, waar de donna verblijf hield.[119]

Daar werd hij door hen, die in haar dienst waren, vriendelijk ontvangen en ook door de donna, en ging met haar, gevolgd door haar dienaren en zijn metgezellen, naar den tuin, zooals hij begeerde. En alsof hij de donna namens den hertog alleen wilde spreken, begaf hij zich met haar naar een poort, die op de zee uitkwam en welke reeds door een van zijn trawanten geopend was. Nadat hij daar volgens het afgesproken teeken de bark had gemerkt, liet hij haar snel opnemen en op het schip zetten en zeide gekeerd tot haar gevolg: Niemand mag zich verroeren of een woord spreken, indien hij niet wil sterven, omdat ik niet van plan ben den hertog van zijn vrouw te berooven, maar de schande uit te wisschen, die hij mijn zuster aandeed. Niemand durfde hierop te antwoorden. Onderwijl besteeg Constantijn met de zijnen het schip, naderde de dame, die weeklaagde, beval, dat de riemen in het water werden gestoken en in zee te gaan. Eer vliegend dan drijvend kwamen zij bij den volgenden dageraad te Egina. Constantijn stapte hier aan land, rustte uit en voldeed aan zijn verlangen met de donna, die zich over haar noodlottige schoonheid beklaagde. Zij bestegen vervolgens weer het schip, kwamen in enkele dagen te Chios en daar uit vrees voor een berisping van zijn vader en dat de geroofde dame hem niet zou worden toegestaan, behaagde het Constantijn als op een veilige plaats te blijven. Daar beweende de schoone donna verscheidene dagen haar lot, maar er op nieuw door Constantijn getroost zooals hij het den vorigen keer had gedaan, begon zij pleizier te krijgen in wat de fortuin haar van te voren had bereid.

Terwijl de zaken aldus voortgingen, kwam Osbech, destijds koning der Turken, die in voortdurenden krijg was met den keizer, in dien tijd toevallig te Smirna. Hij hoorde er, dat Constantijn zich te Chios ophield zonder eenige voorzorg en er een wellustig leven leidde met een vrouw, die hij had geroofd. Hij begaf zich op een nacht met enkele lichte oorlogschepen er heen, landde er heimelijk met zijn manschappen, overviel er velen in den slaap, eer zij konden bemerken, dat er vijanden gekomen waren en ten slotte werden enkelen gewaarschuwden, die naar de wapens grepen, gedood. Na het heele eiland te hebben platgebrand, en den buit en de gevangenen op schip te hebben gebracht, keerden zij naar Smirna terug. Daar aangekomen vond Osbech, die een jonge man was bij het beschouwen van den buit de schoone donna en wetend, dat zij het was, die met Constantijn had geleefd en op bed slapend was gevangen genomen, was hij zeer gelukkig haar te zien, maakte haar dadelijk tot zijn vrouw, vierde bruiloft en legde zich verscheidene maanden lang met haar verheugd ter ruste.

De keizer, die voor dat die dingen gebeurden, een verdrag had aangegaan met Basano, koning van Capadocië, opdat die tegen[120]Osbech met zijn krachten aan den eenen kant aanviel, en hij van de andere zijde dien met de zijnen zou aangrijpen, en die het nog niet had kunnen nakomen, omdat enkele zaken, die Basano eischte, hem niet aanstonden als minder voordeelig, stond, toen hij vernam wat er met zijn zoon was gebeurd, zeer bedroefd, zonder uitstel, toe wat de koning van Capadocië verlangde. Hij spoorde hem aan, zooveel hij kon, zich op Osbech te werpen en maakte zich gereed hem van de andere zijde te lijf te gaan.

Osbech vernam dit, verzamelde zijn leger, voor hij door de twee machtige souvereinen was ingesloten, ging den koning van Capadocië tegemoet, liet de schoone dame in Smirna ter bewaking achter aan een trouwe dienaar en vriend en na den koning van Capadocië kort daarop ontmoet te hebben, streed hij, werd in den slag gedood en zijn leger verslagen en verstrooid. Hierdoor rukte Basano zegevierend naar Smirna en zag, dat alle hem als overwinnaar gehoorzaamden. De dienaar van Osbech, die Antiochus heette, aan wien de schoone donna ter bewaking was gebleven, werd, hoewel hij reeds bejaard was, op haar verliefd, omdat hij haar zoo schoon vond zonder de trouw aan zijn vriend en heer te bewaren. Daar hij haar taal kende (wat haar zeer aangenaam was, daar het haar scheen, dat zij gedwongen werd verscheidene jaren als doofstomme te leven, omdat zij niemand kon verstaan noch door wie ook begrepen kon worden), maakte hij, door de liefde geprikkeld, zich in weinige dagen met haar zoo gemeenzaam, dat zij kort daarop, niet meer lettend op hun heer, die oorlog voerde, niet alleen vrienden werden door intimiteit, maar verliefd werden en elkaar wonderbaarlijk genoegen verschaften. Doch toen zij vernamen, dat Osbech overwonnen en dood was en dat Basano naderde en alles plunderde, namen zij samen het besluit dien niet af te wachten, maar na het grootste deel der kostbaarheden, die aan Osbech behoorden te hebben meegenomen, begaven zij zich te samen heimelijk naar Rhodes, waar zij niet lang bleven of Antiochus werd doodelijk ziek. Hij was er toevallig gelogeerd met een koopman van Cyprus, van wien hij veel hield en die zijn vertrouwdste vriend was. Toen hij zijn einde voelde naderen, dacht hij er aan hem zoowel zijn goederen als zijn dierbare donna na te laten. Reeds den dood nabij, riep hij ze beide tot zich en sprak tot hen:

Ik voel mij zonder twijfel verzwakken, wat mij leed doet, daar ik mij nooit zoo er in verheugde te leven als ik het nu deed. Het is waar, dat ik over één zaak tevreden sterf, omdat ik daartoe gedwongen, mij zie heengaan in de armen van de twee personen, die ik meer dan eenige anderen, die er op de wereld bestaan, bemin, namelijk in de uwe, beste vriend en in die van deze vrouw, die ik meer dan mijzelf heb lief gehad, sinds ik haar kennen leerde.[121]Het is waar, dat het zorgelijk voor mij is, haar hier te zien blijven als vreemde en zonder hulp of raad, terwijl ik sterf, en het zou voor mij nog erger zijn, indien ik u niet hier zag, die—geloof ik—voor haar dezelfde vriendschap zal hebben als gij voor mij zoudt gehad hebben. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat, zoo ik mocht sterven, aan u mijn goederen en haar zullen toevertrouwd zijn en dat gij voor de een zoowel als voor de anderen doet, wat gij meent, dat mijn ziel rust zal geven. En u, liefste vrouw, verzoek ik, dat gij na mijn dood mij niet vergeet, opdat ik mij daarop kan beroemen, dat ik op dit ondermaansche bemind ben geweest door de schoonste vrouw, die ooit door de natuur was voortgebracht. Indien gij beide mij hierop geruststelling kunt geven, zal ik zonder twijfel getroost heengaan. De bevriende koopman en de donna weenden beide evenzeer bij het hooren van die woorden en toen hij dit gezegd had, gaven zij hem moed en beloofden hem op hun woord dat te doen, wat hij vroeg, indien hij mocht sterven. Het duurde niet lang of hij overleed en zij lieten hem eervol begraven.

Toen eenige dagen later de koopman van Cyprus alles had geregeld, wat hij op Rhodes te doen had en naar Cyprus wilde terugkeeren op een schip van Catalanen, dat zich daar bevond, vroeg hij aan de donna, wat zij wilde doen, daar hij naar Cyprus terug moest. De donna antwoordde hem, dat zij, als het hem beviel gaarne met hem mee zou gaan, hopend, dat zij uit vriendschap voor Antiochus door hem als een zuster zou behandeld worden. De koopman antwoordde, dat hij met al, wat haar aanstond, tevreden was, en opdat zij tegen iedere beleediging, die kon voorkomen, voor zij in Cyprus waren, beveiligd zou zijn, beweerde hij, dat zij zijn vrouw was. En toen zij op het schip gingen, werd hun een hut bij den voorsteven gegeven, opdat de daden niet met de woorden tegenstrijdig waren en sliep hij met haar in een vrij klein bed. Hierdoor gebeurde wat bij het vertrek van Rhodes geen van beide van plan was, namelijk dat door de duisternis, de gelegenheid en de warmte van het bed, omstandigheden, die niet gering zijn (terwijl ze de vriendschap en liefde voor den overleden Antiochus vergaten), zij door een gelijke begeerte gedreven, elkaar begonnen te liefkozen, zoodat zij eer zij te Baffa aangekomen waren, een verbintenis hadden aangegaan. Toen zij te Baffa waren, leefde zij er nog lang met den koopman. Toevallig kwam daar voor zaken een edelman Antigono genaamd, op hoogen leeftijd, maar van hooger verstand en met weinig geld, omdat hem, daar hij zich voor vele dingen in dienst had gesteld van den koning van Cyprus, de fortuin ongunstig was geweest. Op een goeden dag ging hij langs het huis, waar de schoone donna woonde, toen de Cypriaansche koopman met zijn waren zich in Armenië bevond en werd hij bij toeval door die dame daar aan[122]een venster opgemerkt. Omdat zij zeer schoon was, begon hij haar strak aan te kijken en zich te herinneren, dat hij haar vroeger moest gezien hebben, maar hij kon maar niet bedenken waar. De schoone dame, die langen tijd de speelbal der fortuin geweest was, maar die den tijd naderde, dat haar ongelukken een einde moesten nemen, herinnerde zich, zoodra hij Antigono gewaar werd, dat zij hem in Alexandrië in dienst van haar vader in niet weinig aanzien had gekend Aldus kreeg zij dadelijk hoop, dat zij nog eens door zijn raad tot den koninklijken rang kon terugkeeren, en wetend, dat haar koopman er niet was, liet zij zoo gauw ze kon Antigono roepen. Toen die kwam, vroeg zij verlegen of hij Antigono van Famagosta was gelijk zij geloofde. Antigono antwoordde van ja en zeide bovendien: Madonna, ik meen u te herkennen, maar ik kan mij op geenerlei wijze herinneren vanwaar, en bid u daarom, indien dit u niet hindert dat gij mij in het geheugen terugbrengt wie gij zijt. De donna hoorde wie hij was en luid weenend wierp ze zich met haar armen om zijn hals en vroeg na eenigen tijd aan hem, die zich zeer verbaasde, of hij haar nooit in Alexandrië gezien had. Zoodra Antigono de vraag vernam, herkende hij haar dadelijk als Alathiel, de dochter van den Sultan, die men in zee verdronken waande en wilde haar de verschuldigde eerbied betuigen.

Maar zij dulde het niet en verzocht hem een oogenblik naast haar te gaan zitten. Toen Antigono dit deed, vroeg hij haar eerbiedig hoe en wanneer en van waar zij hier gekomen was, omdat men het in den ganschen lande van Egypte voor zeker hield, dat zij reeds voor vele jaren den dood had gevonden in de golven. Daarop antwoordde de donna: Ik wou maar, dat het gebeurd was liever dan het leven te leiden wat ik gehad heb en ik geloof, dat mijn vader hetzelfde zou wenschen, indien hij het ooit te weten kwam en na die woorden begon zij bitter te weenen. Toen hernam Antigono: Mevrouw, verlies den moed niet, voor het noodig is. Vertel mij, als het u behaagt, uw lotgevallen en hoe uw leven geweest is. Misschien kan de zaak door ons nog zoo loopen, dat wij met Gods hulp alles in orde maken Antigono, sprak de schoone donna, het schijnt, als ik u zie, dat ik mijn vader aanschouw en mij bewogen voel door die liefde en door die teederheid, die ik hem moet toedragen. Terwijl ik mij voor u kon onbekend houden, heb ik mij aan u doen kennen en er zijn weinig menschen, waarover ik door ze toevallig te zien, zoo blij had kunnen zijn als ik het ben door u te hebben aanschouwd en herkend. Daarom zal ik aan u, wat ik in mijn ongelukkig leven steeds verborgen hield, als aan een vader openbaren. Indien gij mij op eenigerleiwijze tot mijn vroegeren toestand kunt doen terugkeeren, bid ik u het te beproeven. Indien gij het niet kunt, verzoek ik u aan niemand ooit[123]te zeggen mij te hebben gezien of ooit iets van mij te hebben bespeurd. Bij die woorden schreide zij voortdurend over hetgeen haar was overkomen van den dag af, dat zij op Majolica schipbreuk leed tot op het oogenblik, dat zij hem verslag deed. Hierover begon Antigono medelijdend te weenen en zei na eenig nadenken: Mevrouw, daar het geheim is gebleven bij uw ongelukken wie gij zijt kan ik u zonder twijfel aan uw vader nog dierbaarder weergeven en daarna aan den koning van Algarvië als echtgenoote. Toen zij vroeg hoe, zette hij haar planmatig uiteen wat er gedaan moest worden en opdat er geen oponthoud zou tusschen komen, ging Antigono dadelijk naar Famagosta terug, kwam bij den koning en zeide: Sire, indien het u behaagt, kunt gij u zelf op een zelfde oogenblik groote eer aandoen en aan mij een grooten dienst bewijzen zonder groote kosten voor u. De koning vroeg hoe. Toen sprak Antigono: Te Baffa is de schoone, jonge dochter van den Sultan aangekomen, van welke zoo lang het gerucht ging, dat zij verdronken was en om haar eer te redden heeft zij lang groote ontbering geleden; zij is nu arm en verlangt naar haar vader terug te keeren. Indien het u aanstaat haar onder mijn hoede te stellen, zal dat voor u een groote eer zijn en voor mij een groot voordeel. Ik geloof niet, dat de Sultan dien dienst ooit zal vergeten. De vorst door koninklijke edelmoedigheid bewogen, antwoordde dadelijk, dat het hem behaagde, liet haar met eerbewijzen halen en te Famagosta komen, waar zij door hem en door de koningin met een onbeschrijfelijke vreugde en met buitengewoon eerbetoon werd ontvangen. Door den koning en de koningin naar haar lotgevallen ondervraagd, antwoordde zij volgens de voorlichting haar door Antigono gegeven en verhaalde alles.

Weinige dagen daarna zond de koning haar op haar verzoek met een schoon en aanzienlijk geleide van heeren en dames onder de leiding van Antigono naar den Sultan, die haar—wat niemand hoeft te vragen—met vreugde ontving en ook Antigono met haar geheele gevolg. Toen zij wat had uitgerust, wilde de Sultan weten, waardoor ze nog leefde en waar zij zoo lang gebleven was zonder ooit iets van haar toestand te laten vernemen. De donna, die de voorlichtingen van Antigono zeer goed had onthouden, begon tot haar vader aldus te spreken:

Mijn vader, ongeveer den twintigsten dag na mijn afscheid van u werd ons schip door een zwaren storm aangegrepen en stiet op een nacht op zekere stranden daar in het Westen nabij een plaats Aigues-Mortes genaamd. Wat er van de mannen geworden is, die op het schip waren zal ik wel nooit te weten komen. Zooveel herinner ik mij wel, dat toen het dag werd en ik als uit den doode opstond, het gebarsten schip reeds door boeren was opgemerkt. Die waren uit de gansche streek toegeloopen om het te plunderen.[124]Ik en twee vrouwen werden op het strand gedragen en dadelijk door jonge mannen gegrepen, die deze de eene en gene de andere van onze gezellinnen medenamen en vluchtten. Wat er van hen geworden is, zal ik ook wel nooit te weten komen. Maar toen ik door twee jongelieden werd aangerand, die met elkaar streden om mij te bezitten, en die mij bij de haren sleepten, terwijl ik steeds luid schreeuwde, kwamen er langs dezen, die mij een eind weegs voortsleurden om in een groot bosch te gaan, vier mannen op dat oogenblik te paard aanrijden. Zoodra toen de jonge mannen, welke mij voorttrokken, die zagen, lieten ze mij dadelijk los en namen de vlucht. De vier mannen, die mij van een gezaghebbend uiterlijk schenen, kwamen, dit ziende, naar de plaats, waar ik was en vroegen mij vele dingen. Ik antwoordde veel maar werd niet door hen verstaan en kon het ook hen niet. Na lang beraad zetten zij mij op een van hun paarden, leidden mij naar een klooster van vrouwen van hun godsdienst en daar—al weet ik niet, wat ze ook zeiden—werd ik zeer welwillend en steeds met onderscheiding opgenomen en met groote vroomheid heb ik toen met hen te samen den Heiligen Crescentius van Valcreuse gediend, dien de vrouwen van dit land zeer lief hebben. Maar toen ik al eenigen tijd bij hen was, reeds een weinig hun taal had geleerd en zij mij vroegen wie ik was en van waar, begreep ik ook waar ik was en vreesde ik, dat, als ik de waarheid zou zeggen, zij mij zouden verjagen als vijandin van hun Kerk. Ik antwoordde, dat ik de dochter van een groot edelman op Cyprus was, die mij naar Creta had gestuurd om te worden uitgehuwelijkt, waar wij bij ongeluk op het strand geloopen waren en schipbreuk leden.

Dikwijls uit vrees voor erger volgde ik hun dienst; eindelijk vroeg mij het hoofd van die dames, welke zij abdis noemen, of ik naar Cyprus wilde terugkeeren en ik antwoordde, dat ik niets liever wilde, maar zij, bezorgd voor mijn eer, had mij aan niemand willen toevertrouwen, die naar Cyprus ging. Maar er waren zekere goede lieden met hun vrouwen uit Frankrijk gekomen, waarvan er eene een verwante was van de abdis en toen zij vernam, dat zij naar Jeruzalem gingen om het Heilige Graf te bezoeken, waar zij Hem, dien zij voor God houden, werd begraven, nadat Hij door de Joden was gekruisigd, beval zij mij hun aan en verzocht hun mij op Cyprus aan mijn vader terug te geven. Hoeveel eer die edellieden mij bewezen en hoe vriendelijk zij met hun dames mij behandelden, zou een lange geschiedenis wezen om te vertellen. Wij kwamen aldus scheep gegaan na enkele dagen te Baffa en toen ik mij daar zag aankomen, waar niemand mij kende en ik niet wist wat te zeggen aan de edellieden, die mij aan mijn vader wilden terugbrengen gelijk hun door de eerbiedwaardige abdis was gelast, liet Allah, die zich misschien over mij erbarmde, op de[125]kade Antigono voor mij gereed staan op het oogenblik, dat wij te Baffa aan wal stapten. Haastig riep ik hem en in onze taal om niet door de edellieden noch door hun vrouwen verstaan te worden, en vroeg ik hem mij als zijn dochter te ontvangen. Hij begreep mij dadelijk en na mij een groote vreugd te hebben betuigd, bewees hij, voor zoover zijn armoede het hem veroorloofde, eer aan die heeren en dames en leidde mij naar den koning van Cyprus. Deze ontving mij met zulke eerbewijzen en heeft mij zoo naar u teruggezonden, dat het niet te vertellen is. Als er aan u nog iets moet verhaald worden, zal Antigono, die mijn lotgevallen van mij vele malen heeft gehoord, dit doen. Antigono zeide toen zich tot den Sultan keerend: Heer, zij heeft gesproken gelijk zij verscheidene malen met mij deed en gelijk deze heeren en dames, waarmee zij kwam, mij berichtten. Alleen heeft zij nagelaten een ding te zeggen, en ik meen, dat zij dit verwaarloosde, omdat het haar niet zou passen het u mede te deelen, namelijk hoe vaak die edellieden en die dames, waarmee zij kwam, spraken van haar eerbaar leven onder die vrome nonnen en van haar deugd en van haar reine zeden en van de tranen en de klachten dier dames en heeren, toen zij, nadat die zusters haar mij hadden overgegeven, vertrokken. Wanneer ik u hiervan alles zou willen vertellen, zou niet alleen deze dag, maar ook de volgende nacht niet voldoende zijn; ik wil er alleen dit nog maar van zeggen, dat volgens hen en naar wat ik er van heb kunnen zien, gij u er op kunt beroemen, dat gij de schoonste, de braafste en de waardigste dochter hebt van alle vorsten, die thans een kroon dragen.

De Sultan gaf naar aanleiding hiervan een fabelachtig feest en bad Allah meermalen, dat Hij hem de genade verleende aan allen de dure diensten te kunnen vergelden, die zijn dochter hadden geëerd en vooral aan den koning van Cyprus, door wien zij met zooveel onderscheiding was terug gezonden. Eenige dagen later, nadat hij groote geschenken had laten gereed maken voor Antigono, gaf hij hem verlof naar Cyprus terug te keeren en liet aan den koning per brief en door bijzondere gezanten dank betuigen voor wat hij voor zijn dochter had gedaan. Hierna, omdat hij wilde ten einde brengen wat hij had begonnen namelijk, dat zij de vrouw werd van den koning van Algarvië, liet hij hem dit alles uiteen zetten en schreef hem bovendien, dat die, indien het hem behaagde haar te bezitten, haar liet halen. De koning van Algarvië deed dit zeer verheugd en na met alle eerbewijzen haar te hebben laten overkomen, ontving hij haar zeer vriendelijk. En zij die misschien door acht mannen tienduizend keer geliefkoosd was, legde zich als een maagd aan zijn zijde en deed hem gelooven, dat zij het was en leefde zeer gelukkig langen tijd met hem als koningin. En daarom zegt men: Een gekuste mond verliest geen geluk, maar vernieuwt zich integendeel als de maan.[126]

[Inhoud]Achtste Vertelling.De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig aantal, zeg ik dan:Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren,[127]scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie18waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze[128]oorzaken, schijnt het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken[129]aan de kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij[130]er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief[131]hadden, zoowel omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw[132]moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in[133]den kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.[134]Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van[135]zijn bedienden, dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te spelen.Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn[136]zoon gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden, begraven.Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar[137]toch sloeg hij geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest. Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.[138]

Achtste Vertelling.De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.

De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.

De graaf van Angers wordt valsch beschuldigd, vlucht in ballingschap en laat zijn twee kinderen in Engeland achter. Hij keert daar terug uit Ierland onder anderen naam, vindt ze in een goeden toestand, gaat als stalknecht naar het leger van den koning van Frankrijk en wordt na onschuldig te zijn bevonden, in zijn vroegeren rang hersteld.

De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig aantal, zeg ik dan:Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren,[127]scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie18waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze[128]oorzaken, schijnt het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken[129]aan de kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij[130]er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief[131]hadden, zoowel omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw[132]moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in[133]den kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.[134]Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van[135]zijn bedienden, dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te spelen.Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn[136]zoon gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden, begraven.Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar[137]toch sloeg hij geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest. Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.[138]

De dames zuchtten vaak over de verschillende lotgevallen van de schoone donna, maar wie weet welke reden hen deed zuchten? Misschien waren er onder hen, die niet minder van verlangen naar een zoo vaak herhaalde bruiloft dit deden dan uit medelijden met Alathiel. Doch dit zullen we voor het oogenblik ter zijde laten. Toen de laatste woorden van Pamfilo ze hadden doen lachen en de koningin daardoor zag, dat de vertelling geëindigd was, keerde zij zich tot Elisa en beval haar, dat die met een van haar histories de orde zou vervolgen. Deze met een blijmoedig gelaat zeide: Het is een zeer ruim terrein, waarop wij ons heden begeven en ieder kan er niet een, maar al licht wel tien tochten op ondernemen. Zoo heeft de fortuin dit gebied voorzien van vreemde en ernstige gevallen en om er een te gaan verhalen van dit oneindig aantal, zeg ik dan:

Sinds de heerschappij over Rome van het Frankische Huis was overgegaan van de afstammelingen van Karel den Grooten op de Duitschers, ontstond er tusschen de Franken en eerstgenoemde natie een zeer groote vijandschap en een felle en voortdurende oorlog, waarvoor zoowel ten behoeve van de verdediging van zijn land als voor de ontvangen beleediging de koning van Frankrijk en een zijner zonen met alle macht uit hun gebied met bijna alle vrienden en verwanten, die zij bijeen konden brengen, een groot leger verzamelden om tegen de vijanden op te rukken. Voordat zij vertrokken, maakten zij om hun rijk niet zonder bestuur te laten Gautier d’Angers in hun plaats tot vicaris-generaal van het geheele fransche Koninkrijk en begaven zich op weg, want zij meenden, dat die een edel en wijs man en een getrouw vriend en dienaar was en hoewel vrij bedreven in de kunst van oorlogvoeren,[127]scheen hij het hun nog meer voor die moeilijkheden dan voor dit werk. Gautier begon aldus, toen hij het ambt eenmaal aanvaard had, met verstand en orde over alles te spreken met de koningin en haar schoondochter en hoewel zij onder zijn hoede en jurisdictie18waren gesteld, eerde hij ze toch steeds als zijn gebiedsters en meerderen. Deze Gautier was zeer schoon van gestalte, misschien veertig jaar oud en zoo beminnelijk en hoffelijk als eenig ander edelman maar zijn kon en bovendien was hij de aardigste en de meest kiesche ridder, die men toen kende en die het meeste zorg besteedde aan zijn uiterlijk. Toen de koning van Frankrijk en zijn zoon al naar den oorlog waren, waarvan ik gesproken heb, en de vrouw van Gautier stierf, die hem zonder meer slechts een jongen en een meisje, nog zeer jong naliet, liet de vrouw van den zoon des konings, terwijl hij het hof van die vorstinnen bezocht en met hem vaak over de staatszaken sprak, de oogen op hem rusten, beschouwde met groote genegenheid zijn persoon en zijn manieren en ontbrandde voor hem in felle, verborgen liefde.

Daar zij zich jong en frisch voelde en wist, dat hij zonder vrouw was, dacht zij licht haar begeerte te kunnen voldoen en dat haar niets verhinderde dan haar verlegenheid. Zij besloot hem die liefde te toonen en die verlegenheid te verjagen. Toen ze eens alleen was en het oogenblik gekomen scheen, liet zij hem halen, alsof ze over andere zaken met hem wilde spreken. De graaf, wiens gedachte ver van die dame was, ging dadelijk naar haar toe en nadat hij zich met haar, gelijk zij wilde, op een sofa had neergezet heel alleen in een kamer, en de graaf reeds twee keer gevraagd had, waarom zij hem had ontboden en zij zweeg, begon zij eindelijk door liefde bewogen en geheel vuurrood van schaamte, klagend en bevend te stamelen: Mijn zeer lieve en zoete vriend en heer, gij kunt als wijs man licht beseffen hoe groot de zwakheid der mannen en vrouwen is en om verschillende redenen grooter bij den een dan bij den ander. Daarom moet volgens een rechtvaardig rechter dezelfde zonde door het verschillende karakter der bedrijvers niet dezelfde straf ontvangen. En wie zou zeggen, dat men niet veel meer een armen man en een arme vrouw moet brandmerken, die met arbeid hun brood moeten verdienen, als zij door liefde worden geprikkeld en daaraan zouden toegeven dan een rijke en niets doende dame en aan wien niets, wat aan haar begeerten behaagt, zou ontbreken? Ik geloof bepaald niemand. Daarom meen ik, dat gezegde dingen een groote reden tot verontschuldiging moeten zijn ten gunste van haar, die ze kan aanvoeren, indien zij aan haar liefde toegeeft. En het overige moet het feit doen, dat zij een wijs en waardig minnaar heeft gekozen, indien dit de oorzaak is, dat zij bemint. Deze[128]oorzaken, schijnt het mij, zijn bij mij aanwezig en bovendien meer anderen moeten mij tot liefhebben dwingen, als mijn jeugd en de afwezigheid van mijn echtgenoot, die thans mij ten dienste staan tot verdediging van mijn vurige liefde tot U. Indien die zaken op U denzelfden invloed hebben als op wijze mannen, bid ik u om mij raad en steun te geven bij wat ik u zal vragen. Het is waar, dat door de afwezigheid van mijn echtgenoot ik geen weerstand kon bieden aan mijne begeerten noch aan de kracht der liefde, welke van zooveel invloed zijn, dat die de sterkste mannen en niet slechts de teedere vrouwen reeds meermalen hebben overwonnen en ze nog elken dag overwinnen en dat ik in de rijkdom en ledigheid, waarin gij mij ziet, mij heb laten verleiden aan de genoegens der liefde toe te geven en verliefd te worden. Daar ik weet, dat, indien dit bekend werd, het niet eerbaar zou genoemd worden, vind ik het niettemin, mits het verborgen is en blijft, volstrekt niet erg. Want toch is Amor zoo gunstig voor mij geweest, dat hij mij niet alleen de noodige kennis heeft gegeven voor het kiezen van mijn minnaar, maar dat hij mij er zeer bij geholpen heeft, daar hij u aan mij waardig heeft getoond om door een edelvrouw gelijk ik ben, bemind te worden, u, die, als mijn oordeel mij niet bedriegt, de schoonste, beminnelijkste, aangenaamste en wijste ridder zijt, dien men in het fransche koninkrijk vinden kan. En indien ik zeggen kan zonder man te zijn, kunt gij ook beweren gij zonder vrouw te wezen; daarom bid ik u in naam van een liefde zoo groot als die ik u toedraag, dat gij mij de uwe niet weigert en dat gij medelijden hebt met mijn jeugd, die werkelijk als het ijs in het vuur door u verteert.

Bij die woorden kwamen de tranen in zulk een overvloed, dat zij, die nog meer tot hem smeeken wilde, er niet verder over kon spreken, maar het gelaat buigend en als overwonnen, liet zij schreiend het hoofd op de borst van de graaf vallen. De graaf, die een zeer loyaal ridder was, begon met de ernstigste verwijten die zoo dwaze liefde te berispen en haar terug te stooten, die hem al om den hals wilde vliegen. Hij begon haar te bezweren, dat hij liever wilde gevierendeeld worden dan zoo iets toe te staan tegen de eer van zijn heer hetzij door hem, hetzij door iemand anders. Toen zij dit hoorde, vergat de donna opeens de liefde en in wilde woede ontbrand zeide zij: Aldus zou ik door u, een gewonen ridder, op die wijze met mijn verlangen versmaad worden! Maar God beware u, nu gij mij wilt doen sterven, dat ik u niet uit de wereld help. Bij die woorden greep zij plots met de handen in de haren en terwijl ze die verwarde en alle uitrukte en zich bijna de kleeren van de borst scheurde, begon zij met luider stem te schreeuwen: Help, help! De graaf van Angers wil mij geweld aandoen! De graaf dit ziende en meer wantrouwend jegens den nijd van de hovelingen dan jegens van zijn geweten en bevreesd, dat er meer geloof zou worden geschonken[129]aan de kwaadwilligheid van die vrouw dan aan zijn onschuld, stond zoo spoedig mogelijk op, snelde uit het vertrek en het paleis en vluchtte naar zijn huis, waar hij zonder anderen raad af te wachten zijn twee kinderen te paard zette en zelf op een ander gestegen zich zoo spoedig mogelijk naar Calais begaf.

Bij het gerucht van de donna liepen velen toe, die, toen zij haar zagen en de oorzaken van haar kreten hadden gehoord, niet alleen aan haar woorden geloof hechtten, maar er bij voegden, dat het knappe uiterlijk en de galante manieren van den graaf lang door hem waren aangewend om dat te bereiken. Ze liepen dan ook woest naar de huizen van den ridder om hem in hechtenis te nemen, maar toen zij hem er niet vonden, begonnen zij die alle te plunderen en men brak ze daarop tot op den grond toe af. De tijding, zoo ongunstig als men die verbreidde, bereikte in het leger den koning en zijn zoon, die zeer vertoornd hem en zijn afstammelingen veroordeelden tot een eeuwige ballingschap en rijke geschenken beloofden aan wien ze levend of dood bij hen bracht. De graaf, die het betreurde dat hij door te vluchten van onschuldig zich schuldig deed schijnen, kwam zonder herkend te worden of zich te doen kennen met zijn twee kinderen te Calais, stak snel naar Engeland over en ging armelijk gekleed naar Londen, waar hij voor er binnen te gaan uitvoerig zijn twee kleine kinderen raad gaf en voornamelijk betreffende twee zaken: ten eerste, dat zij met geduld hun armoe droegen, waarin buiten hun schuld de fortuin hun met hem had gebracht en verder, dat zij met de meeste voorzichtigheid zich er voor zouden hoeden nooit aan iemand te toonen, waar zij vandaan kwamen noch wiens zonen zij waren, als ze hun leven liefhadden. De zoon, Louis genaamd, was negen jaar oud en de dochter, die Violante heette, misschien zeven. Gelijk met hun jeugdigen leeftijd overeenkwam, begrepen ze beide de les van hun vader volkomen en toonden dit ook later door hun daden. Om te slagen scheen het hem beter hun namen te veranderen en zoo deed hij; hij noemde den jongen Perot en het meisje Jeannette en armelijk gekleed te Londen aangekomen, gelijk wij dat van Fransche vagebonden zien, begonnen zij daar te bedelen.

Toen zij bij toeval hierdoor op een morgen bij een kerk stonden, kwam daaruit een voorname dame, die de vrouw was van een der hofmaarschalken van den koning van Engeland. Zij zag den graaf en zijn twee kindertjes, die om een aalmoes baden en vroeg, waar zij vandaan kwamen en of het zijn kinderen waren. Hierop antwoordde hij, dat hij uit Picardië kwam en dat hij door een vergrijp van zijn oudsten zoon, een schelm, met die twee gedwongen was te vertrekken. De dame, die medelijdend was, liet de oogen op het meisje rusten, dat haar zeer beviel, omdat zij schoon, lief en innemend er uit zag en zeide: Beste man, als gij[130]er vrede mee hebt, dat ik uw dochtertje tot mij neem, omdat zij zoo’n gunstig uiterlijk heeft, zal ik haar gaarne huisvesten en indien zij een brave vrouw wil worden, zal ik haar uithuwen op het gunstig oogenblik zoo, dat het haar wel zal gaan. Dit verzoek beviel den graaf zeer; hij stemde haastig toe en gaf haar onder tranen aan haar over en beval haar zeer aan. Toen hij zoo zijn dochter geplaatst had en wel wist bij wien, besloot hij niet langer daar te blijven; bedelend trok hij het eiland door en kwam met Perot in Wales niet zonder groote vermoeidheid, daar hij niet gewoon was te voet te gaan. Daar was een andere maarschalk des konings, die in grooten staat met een talrijk personeel leefde, in welks hof telkens de graaf en zijn zoon verschenen om te eten. In dien hof, waar een der zoons van den maarschalk en andere adellijke kinderen waren en er knapenspelen uitvoerden als hardloopen en springen, begon Perot zich met hen te vermengen en even vlug of vlugger dan eenig ander dit te doen. Toen de maarschalk dit eens zag en hem de manier en de wijze van doen van den jongen bevielen, vroeg hij wie dit was. Hem werd verteld, dat hij de zoon was van een arm man, die dikwijls om een aalmoes daar kwam, waarop de maarschalk dien liet ontbieden. De graaf, die God om niets anders bad, stond hem vrijelijk af, hoezeer het hem verdriet deed van hem te moeten scheiden. Toen hij aldus zijn zoon en dochter geborgen zag, wilde hij niet langer in Engeland blijven, maar zoo goed hij kon ging hij naar Ierland en te Stanford gekomen verhuurde hij zich aan een vazal van den graaf van dat land als knecht en deed alles wat een bediende of stalknecht behoort te doen en daar bleef hij langen tijd zonder herkend te worden onder veel moeite en lasten.

Violante, Jeannette genaamd, die met de edelvrouw in Londen gebleven was, groeide in jaren, in kracht en in schoonheid en kwam zoo in de gunst zoowel van de dame als van haar man en van ieder ander in het huis en van elkeen, die haar kende, dat het een wonder was om te zien. Er was dan ook niemand, die op haar gewoonte en manieren lette, die niet beweerde, dat zij de grootste rijkdom en eer waardig was. Hierdoor had de donna, die haar van haar vader ontvangen had, zonder ooit te kunnen weten wie Violante was dan door wat ze van hem gehoord had, zich voorgesteld haar op eervolle wijze naar den stand, waartoe de edelvrouw haar rekende te behooren, uit te huwelijken. Maar God, de rechtvaardige kenner van de hoedanigheden, kende haar als adellijke jonkvrouw en wist, dat zij zonder schuld voor de zonde van anderen leed en beschikte het anders. Men moet gelooven, dat hetgeen gebeurde, opdat zij niet in de hand van een minderen man kwam, door Zijn goedheid werd bewerkstelligd. De edelvrouw, bij welke Jeannette woonde, had van haar man een eenigen zoon, dien deze en zij ten zeerste lief[131]hadden, zoowel omdat het een jongen was als omdat hij het door zijn deugd en zijn hoedanigheden verdiende, daar hij meer dan een ander welopgevoed was, waardig, dapper en schoon van gestalte. Hij was misschien zes jaar ouder dan Jeannette en daar hij haar zeer schoon en vol gratie vond, werd hij zoo hevig op haar verliefd, dat hij buiten haar niets meer zag. En daar hij zich verbeeldde, dat zij van lage afkomst was, waagde hij het niet alleen haar aan zijn vader en moeder tot vrouw te vragen, maar vreezend dat hij berispt zou worden, omdat hij begonnen was als een poorter verliefd te worden, hield hij zijn liefde zoo goed hij kon verborgen. Daardoor martelde die liefde hem nog meer dan wanneer hij haar had geopenbaard. Hiervan werd hij door overmaat van smart ernstig ziek. Verscheidene doctoren werden tot zijn genezing ontboden en nadat zij elk teeken van zijn ziekte hadden beschouwd en geen die kon begrijpen, wanhoopten zij allen aan zijn genezing. De vader en de moeder van den jonkman werden hierover zoo bedroefd en neerslachtig, dat er niets ergers voor hen bestond om te dragen en meermalen smeekte zij met medelijdende vragen wat de oorzaak van zijn lijden was, waarop hij zuchtend als antwoord gaf, dat hij zich geheel voelde verteren. Eens was een heel jonge maar zeer geleerde dokter bij hem en hield hem bij den arm, waar men den pols pleegt te voelen, toen Jeannette, die uit eerbied voor zijn moeder hem met zorg bediende, om eenige reden in de kamer kwam, waar de jonge man lag. Zoodra de jongeling haar zag, voelde hij zonder een woord te spreken of een gebaar te maken met meer kracht het liefdevuur in het hart, waardoor zijn pols sterker dan gewoonlijk begon te kloppen, wat de medicus dadelijk merkte. Hij verwonderde zich en bleef zwijgen om te zien, hoe lang dat kloppen zou duren. Zoodra Jeannette de kamer uitging, hield het kloppen op; daardoor scheen het den arts, dat hij voor een deel de oorzaak van zijn ziekte had geraden en een oogenblik later, alsof hij aan Jeannette iets wilde vragen en de zieke steeds bij den arm houdend, liet hij haar roepen. Ze kwam onmiddellijk en ze was nog niet in de kamer of het kloppen van de pols kwam bij den jonkman terug en toen ze weg was, hield het op. Toen de dokter daardoor voldoende zekerheid dacht te hebben, stond hij op en na den vader en de moeder ter zijde te hebben geroepen zeide hij tot hen: De gezondheid van uw zoon is niet in de macht der doktoren maar berust in de handen van Jeannette, welke, gelijk ik duidelijk uit zekere teekenen heb begrepen, den jongeling vurig lief heeft, hoewel zij er niets van merkt naar ik meen te zien. Weet thans wat u te doen staat, als zijn leven u lief is. De edelman en zijn vrouw waren verheugd, toen zij hoorden, dat er toch een middel was tot zijn herstel, hoewel het hun speet, dat waar was, waaraan zij twijfelden, namelijk dat zij Jeannette aan hun zoon tot vrouw[132]moesten geven. Zij gingen dan ook toen de dokter was vertrokken naar den zieke en de donna sprak tot hem aldus: Mijn zoon, ik had nooit geloofd, dat gij mij een van uwe verlangens zoudt hebben verborgen en dat ik u zou zien verzwakken door hieraan niet te voldoen, omdat gij er zeker van kunt en moet zijn, dat ik alles, wat ik tot uw bevrediging zou kunnen aanwenden, al was het minder dan eerlijk, van zelf zou doen. Maar nu gij zoo hebt gehandeld is God barmhartiger voor u geweest dan gij zelf en opdat gij aan die ziekte niet sterft, heeft Hij mij de oorzaak van uwe ziekte geopenbaard, die niets anders is dan een hartstochtelijke liefde, die gij voor een jong meisje hebt, wie het dan ook zij. Gij hoeft u er werkelijk niet over te schamen, omdat uw leeftijd het eischt en als gij niet verliefd zoudt zijn, zou ik u er minder om achten. Aldus mijn zoon, wees voor mij niet op uw hoede maar beken mij al uw verlangens en werp de zwaarmoedigheid en de gedachte, die gij hebt en waaruit die ziekte voortkomt, weg; vat moed en wees er zeker van, dat er niets bestaat tot uw bevrediging, wat ik zoo mogelijk niet zal doen voor u, die ik meer lief heb dan mijn leven. Verjaag de verlegenheid en de vrees en zeg mij vrij of ik voor uw liefde iets kan doen. En als gij meent, dat ik mij er niet om bekommer en dit tot een goed einde voert, houdt mij dan voor de wreedste moeder, die ooit een zoon baarde.

Toen de jongeling de woorden van de moeder hoorde, bloosde hij eerst; hij bedacht, dat niemand meer aan zijn verlangen kon voldoen, verjoeg zijn verlegenheid en zeide: Mevrouw, niets anders heeft mij mijn liefde doen verbergen dan dat ik bemerkt heb bij de meeste lieden dat zij, als zij oud zijn, zich hun jeugd niet meer willen herinneren. Maar omdat ik u daartoe wel bereid zie, zal ik niet alleen bekennen, wat gij hebt gemerkt, maar ik zal u toevertrouwen op wie ik verliefd ben op voorwaarde, dat binnen uw vermogen zoodanig gevolg uit uw belofte voortkomt, dat gij mij weer gezond zult zien. De donna—te veel vertrouwend, dat het gebeuren zou op de wijze, waarnaar zij zich het voorstelde—antwoordde gulweg, dat hij gerust elk verlangen zou openbaren, want dadelijk zou zij beproeven wat hem zou bevredigen. Mevrouw, zei toen de jonkman, de groote schoonheid en de lofwaardige manieren van onze Jeannette en de onmogelijkheid haar mijn liefde te doen bemerken, hoewel zij medelijdend is en het gemis aan moed die liefde aan wie ook toe te vertrouwen, hebben mij in den toestand gebracht waarin gij mij ziet. Indien gij, wat gij mij hebt beloofd op de een of andere wijze niet nakomt, wees er dan zeker van, dat mijn leven kort zal zijn. De donna, die het meer tijd achtte voor bemoediging dan voor berisping, zeide glimlachend: Ah, mijn zoon, woudt gij daarvoor ziek worden? Bedaar en laat mij begaan tot gij eenmaal beter zult zijn. De jonkman vol goede hoop toonde in[133]den kortst mogelijken tijd teekens van de grootste verbetering, waarover de donna zeer verblijd begon met na te komen, wat zij had beloofd.

Ze liet op een goeden dag Jeannette roepen en vroeg haar schertsenderwijze zeer hoffelijk of ze een of anderen minnaar had. Jeannette werd zeer rood en antwoordde: Mevrouw, een arm meisje en uit haar huis verjaagd gelijk ik ben en die in dienst van anderen verkeert gelijk ik doe, vraagt men niet en past het niet liefde te verwachten. Hierop sprak de donna: Indien gij er geen hebt, willen wij er u een geven, met wien gij zeer gelukkig zult zijn en meer behagen zult hebben in uw schoonheid, want het zou niet betamen aan een meisje zoo mooi als gij, dat gij zonder minnaar zoudt blijven. Hierop antwoordde Jeannette: Mevrouw, gij hebt mij uit de armoede van mijn vader gescheiden en mij als uw dochter opgevoed en daarom zal ik alles tot uw genoegen doen maar hierin niet, daar ik geloof er goed mee te handelen. Indien het u behaagt mij een man te geven zal ik dien trachten lief te hebben, maar geen ander, want van de erfenis mijner voorvaderen is mij niets overgebleven behalve de eer, welke ik hoop te bewaren en te dienen, zoolang ik leef. Dit woord scheen zeer nadeelig aan de donna voor haar plan om de belofte aan haar zoon te houden, hoewel zij als verstandige vrouw in stilte het meisje zeer prees en zeide: Maar Jeannette, als Zijne Majesteit de koning, die een jong man is gelijk gij een mooi meisje, van u liefde begeerde, zoudt gij hem die weigeren? Zij antwoordde daarop dadelijk: De koning zou mij geweld aan kunnen doen, maar hij zou mij nooit anders kunnen krijgen dan op eerlijke wijze. De dame begreep hoe ze dacht, liet alle woorden verder ter zijde en besloot haar op de proef te stellen. Aldus gaf zij haar zoon het plan te kennen om als hij genezen zou zijn, haar met hem in een kamer te laten en dat hij zijn best zou doen met haar zich zijn genoegen te verschaffen. Zij zeide, dat het haar schandelijk leek voor haar zoon op te komen als een koppelaarster en het meisje te bidden. De jongeling was hierover in ’t geheel niet tevreden en werd opeens veel erger ziek. Toen de donna dit zag, openbaarde zij haar bedoeling aan Jeannette. Maar zij vond haar standvastiger dan ooit. Zij vertelde aan haar echtgenoot, wat zij met het meisje had besproken en hoewel het hun pijnlijk scheen, overlegden zij met wederzijdsch goedvinden haar aan hem tot gemalin te geven, daar ze liever haar zoon levend zag dan met een echtgenoote zijner niet waardig dan dood en zonder eenige vrouw, en zoo deden zij na vele gesprekken.

Jeannette was hierover zeer verheugd en dankte God met vroom gemoed, dat Hij haar niet had vergeten, maar toch noemde zij zich nooit anders dan de dochter van een Picardiër. De jonge man genas, vierde gelukkiger dan ieder ander man bruiloft en wijdde veel tijd aan haar.[134]

Perot, die met den maarschalk van den koning van Engeland in Wales was gebleven, steeg ook in den gunst van zijn heer en werd een knapper en dapperder man dan wie ook op het eiland, zoodat noch bij de steekspelen, noch bij het worstelen, noch bij eenige andere wapenoefening er iemand was, die hem evenaarde. Daarom was hij onder den naam Perot, de Picardiër, bij allen bekend en beroemd. En gelijk God zijn zuster niet had vergeten, zoo toonde Hij ook aan hem te denken, want toen er in die streek een pestziekte kwam, nam die de helft der bewoners weg zonder te rekenen, dat het grootste deel van de rest uit vrees naar andere streken vluchtte, zoodat het geheele land verlaten scheen. Door die ziekte stierven de maarschalk, zijn heer, diens vrouw, een zijner zoons en vele anderen zoowel broeders als neven en verwanten, en er bleef geen ander over dan een reeds huwbaar meisje en met eenige andere dienaren: Perot. Toen de pest een weinig ophield, nam ze hem, die een rechtschapen en goed man was tot echtgenoot, tot genoegen en op raad van een klein aantal vasallen, die in het leven waren gebleven en maakte hem tot heer van alles, wat aan haar vervallen was. Het duurde niet lang of toen de koning van Engeland hoorde, dat de maarschalk dood was en daar hij de kracht van Perot, den Picardiër, kende, zette hij hem in de plaats van den overledene en gaf hem diens waardigheid. Dat gebeurde in korten tijd met de twee onschuldige kinderen van den graaf van Angers, door hem als verloren achtergelaten.

Het was al achttien jaar geleden, dat de graaf van Angers vluchtend Parijs had verlaten en sinds woonde hij in Ierland. Hij had een vrij ellendig leven, had veel moeten verduren en toen hij al oud werd, kreeg hij zin om te weten, zoo hij kon, wat er van zijn twee kinderen geworden was. Daar hij zich geheel van uiterlijk veranderd zag en hij zich sterker voelde door lange arbeid dan toen hij als jonkman niets uitvoerde, bleef hij niet, waar hij lang was geweest maar vertrok arm en slecht uitgerust, kwam in Engeland en ging daarheen, waar hij Perot had achtergelaten. Hij vond hem als maarschalk en als een groot heer en zag hem gezond, sterk en knap terug; dit beviel hem zeer, maar hij wilde zich niet laten herkennen voor hij wist, wat er van Jeannette geworden was. Daarom begaf hij zich op weg en maakte geen halt, voor hij in Londen kwam en daar, na voorzichtig naar de donna te hebben gevraagd aan wien hij het meisje had overgelaten, vond hij Jeannette als vrouw van haar zoon. Dit viel hem zeer mee en hij achtte al zijn vroegere tegenspoed gering, nu hij zijn kinderen levend en in goeden staat had terug gevonden en verlangend haar te zien, begon hij als arm man zich op te stellen in de buurt van haar huis. Toen Jacquet Lamiens—zoo heette de echtgenoot van Jeannette—hem daar eens zag, arm en oud, kreeg hij medelijden en beval aan een van[135]zijn bedienden, dat hij hem in zijn huis voerde en dat hij hem uit barmhartigheid te eten gaf, wat de knecht gaarne deed. Jeannette had reeds van Jacquet verscheidene zoons gekregen, waarvan de oudste niet ouder dan acht jaar was. Het waren de mooiste en de aanvalligste kinderen ter wereld. Zoodra zij den graaf zagen eten, gingen zij om hem heen staan en begonnen hem vreugde te betuigen alsof zij zich door geheime kracht bewogen voelden, dat hij hun grootvader was. De graaf herkende zijn kleinkinderen en begon ze liefde te toonen en te streelen; daardoor wilden de kinderen niet meer van hem weg, hoezeer de man belast met het toezicht op hen ze ook riep. Jeannette bemerkte dit, ging de kamer uit, kwam, waar de graaf zich bevond en dreigde ze te kastijden, als ze niet deden, wat hun meester wilde. De kinderen begonnen te schreien en te zeggen, dat zij bij dien braven man wilden blijven, dien zij meer lief hadden dan hun meester. De dame en de graaf lachten daarom. De graaf was opgestaan niet op de wijze van een vader, maar als een arm man om zijn dochter eerbied te betuigen als edelvrouw en voelde, toen hij haar zag, in het hart een wonderbare vreugde.

Maar noch toen, noch later herkende zij hem, omdat hij zeer was verouderd bij wat hij placht te zijn, daar hij oud en kaal was en een langen baard had en mager en bruin was geworden en eer een ander man scheen dan de graaf. Toen de donna zag, dat de kinderen niet van hem wilden scheiden en huilden, toen zij ze wilde doen heengaan, zeide zij tot den meester, dat hij ze toch daar maar een weinig liet blijven. Terwijl dit gebeurde, kwam de vader van Jacquet terug en hoorde dit van hun meester. Daarom zeide hij, die Jeannette minachtte: Laat ze aan het slechte avontuur over dat God hen bezorgt, want zij keeren terug, vanwaar ze afkomstig zijn. Zij stammen door hun moeder af van bedelaars en het is dus niet te verwonderen, dat zij gaarne met bedelaars verkeeren. De graaf hoorde deze woorden en was er zeer bedroefd over, maar toch het hoofd gebogen duldde hij die beleediging gelijk hij vele anderen gedragen had. Jacquet, die de ontvangst had gezien, welke de kinderen den goeden man bereidden, namelijk aan den graaf, hoezeer het hem ook mishaagde, hield toch zooveel van hen, dat hij liever dan ze te zien schreien beval, dat, indien de goede man daar in eenigen dienst wilde treden, hij er welkom zou zijn. Hij antwoordde, dat hij daar gaarne bleef, maar dat hij niet anders kon dan de paarden oppassen, wat hij zijn heele leven gedaan had. Men vertrouwde hem derhalve een paard toe en hij begon, zoodra hij dit verzorgd had, met de kinderen te spelen.

Terwijl de fortuin op die wijze als hier beschreven den graaf van Angers en de kinderen leidde, stierf de koning van Frankrijk na vele wapenstilstanden met de Duitschers en in zijn plaats werd zijn[136]zoon gekroond, wiens vrouw den graaf had verjaagd. Toen die den laatsten wapenstilstand met de Duitschers had geëindigd, begon hij op nieuw een zeer fellen krijg, waarbij om hem als nieuwe verwant te helpen de koning van Engeland een groot aantal soldaten zond onder bevel van Perot, zijn maarschalk en van Jacquet Lamiens, den zoon van den anderen maarschalk, waarmee de brave man, te weten de graaf, heen ging en zonder door iemand herkend te worden langen tijd in het kamp bleef als stalknecht. Daar gedroeg hij zich als een flink man, zoowel door raadgevingen als door daden meer dan men van hem vergde. Gedurende den oorlog werd de koningin van Frankrijk ernstig ziek en toen zij haar einde zag naderen, biechtte zij, gedreven door haar zonde, vroom aan den aartsbisschop van Rouaan, die door allen als een zeer heilig en goed mensch werd beschouwd en onder andere zonden verhaalde zij hem, dat door haar aan den graaf van Angers groot onrecht was gedaan. Ze had er geen vrede mee het hem slechts te vertellen, maar zij verhaalde in tegenwoordigheid van vele andere waardige mannen alles, wat er gebeurd was en verzocht hen bij den koning te bewerken, dat de graaf, indien hij leefde, in zijn rang zou worden hersteld en zoo niet dan een van zijn zoons. Niet lang daarna werd zij, uit dit leven verscheiden, begraven.

Toen die bekentenis aan den koning was verteld, bewoog hem dit na eenige zuchten over het onrecht den braven man aangedaan door het gansche leger en bovendien op vele andere plaatsen een oproep te doen, opdat, wie hem inlichtingen zou verstrekken over den graaf van Angers of althans over zijn zoons, ruimschoots door hem beloond zou worden, daar hij hem voor onschuldig hield aan hetgeen waarvoor hij in ballingschap was gegaan volgens de bekentenis gedaan door de koningin en plan had hem tot zijn vroegeren rang en een meerderen te doen terugkeeren. Toen de graaf in de gedaante van een stalknecht dit hoorde en merkte, dat dit waar was, begaf hij zich dadelijk naar Jacquet en verzocht hem samen te komen met Perot, omdat hij hun wilde aanwijzen wie de koning zocht. Toen alle drie aldus vereenigd waren, zeide de graaf tot Perot, die er al aan dacht zich bekend te maken: Perot, hier is Jacquet, die uw zuster tot vrouw heeft, maar die nooit een bruidschat heeft gehad en opdat uw zuster niet zonder bruidschat blijft, wil ik, dat hij en geen ander de belooning krijgt, die de koning zoo groot voor u belooft en ik zeg u als zoon van den graaf van Angers en voor Violante, uw zuster en uw vrouw en voor mij, dat ik zelf de graaf van Angers en uw vader ben. Perot hoorde dit, keek hem strak aan, herkende hem spoedig, omhelsde hem en viel schreiend aan zijn voeten. Jacquet hoorde eerst, wat de graaf gezegd had en toen ziende wat Perot deed, werd hij op eens zoo overstelpt door verwondering en blijdschap, dat hij nauwelijks wist wat te doen. Maar[137]toch sloeg hij geloof aan zijn woorden en schaamde zich zeer over de beleedigende woorden, die hij jegens den graaf als stalknecht had gebruikt, viel hem schreiend te voet en vroeg voor elke vroegere beleediging vergeving, welke de graaf, na hem welwillend te hebben opgeheven, hem schonk. Nadat zij alle drie over hun verschillende lotgevallen hadden gesproken en zich te samen zeer hadden beklaagd en verheugd, wilde Perot en Jacquet den graaf van kleeding laten verwisselen, maar hij stond dit niet toe en wilde dat eerst Jacquet de zekerheid had de beloofde belooning te ontvangen en dat hij, als dit gebeurd was, hem aan den koning zou voorstellen in zijn dracht van palfrenier om hem meer beschaamd te maken. Jacquet verscheen dus met den graaf en Perot voor den koning en bood aan hem den graaf en diens kinderen voor te stellen, waardoor deze hem volgens den gedanen oproep moest beloonen. De koning liet spoedig in aller tegenwoordigheid de belooning brengen, die wonderbaar scheen in de oogen van Jacquet. Hij beval hem die mee te nemen, indien hij werkelijk den graaf en zijn kinderen bracht, gelijk hij het beloofde. Toen keerde Jacquet zich om en na den graaf-stalknecht en Perot voor zich te hebben geplaatst zeide hij: Sire, zie hier vader en zoon; de dochter, die mijn vrouw is en niet hier, zult gij met Gods hulp spoedig zien. De koning, dit hoorend, zag den graaf aan en hoewel hij veel was verouderd bij wat hij vroeger was, herkende hij hem toch na hem eenigen tijd te hebben aangezien en met tranen in de oogen hief hij hem die geknield bleef, op, kuste en omarmde hem, sprak met Perot vriendelijk en beval, dat de graaf dadelijk van kleederen, bedienden, paarden en wapenrusting voorzien zou worden, gelijk dat zijn adeldom eischte, wat spoedig gebeurde. Bovendien behandelde de koning Jacquet met veel eer en wilde alles weten van zijn vroegere lotgevallen. En toen Jacquet de hooge belooningen aanvaardde, omdat hij hem den graaf en de kinderen had aangewezen, zeide de graaf tot hem: Neem dit van de schatten van Zijne Majesteit den koning en denk er aan tot uw vader te zeggen, dat uw zonen, zijn kleinkinderen en de mijnen niet van moederskant van een bedelaar afstammen. Jacquet nam de geschenken aan en liet zijn vrouw en schoondochter te Parijs komen. De vrouw van Perot kwam ook mee en daar maakte zij allen met den graaf een groot feest, dien de koning in al zijn rechten had hersteld en meer had gemaakt dan hij ooit was geweest. Toen ging elk met ’s konings verlof huiswaarts en de graaf leefde te Parijs tot aan zijn dood roemrijker dan ooit.[138]


Back to IndexNext