[Inhoud]Zevende Vertelling.Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt.18Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een[274]wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino[275]niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino[276]door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.[Inhoud]Achtste Vertelling.Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde[277]te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri19luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele[278]ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in[279]rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.Het vreeselijke maal.Het vreeselijke maal.4eDag—9eVertelling.Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam[280]werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.[281][Inhoud]Negende Vertelling.Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.20Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur[282]Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na:jij bent des doods!Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van[283]hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de[284]grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.[Inhoud]TiendeVertellingen.De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, diemaëstroMazzeo delle Montagna21heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke[285]gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.Het uur van den vesper brak aan en demaëstromoest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi22, welke hij om niets ter wereld anders dan[286]dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden23. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging[287]voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.De slaapdrank.De slaapdrank.4eDag—10eVertelling.Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere[288]draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen:Wie is daar?Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen:Houdt den dief! Houdt den dief!Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw,[289]gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide:Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico24hem morgen laat ophangen.En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem[290]in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer25en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd,[291]waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid vanmaëstroMazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen26en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken vanwat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd.Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem[292]te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:Weenend toon ik,Hoe een hart zich met recht beklaagt,Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.Amor, die eerstIn mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,Zonder op heil te hopen,Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.Dat ik elke marteling licht achtte,Die in mijn geest,Droef gebleven,Mij was overkomen; maar mijn dwalingKen ik thans en niet zonder smart.Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,Is mij van haar verlaten te zien,In wien ik alleen hoopte;Want toen dacht ik het meest te zijnIn haar gratie en haar dienaar.Zonder de schade vooruit te zienVan mijn toekomstig leedBemerkte ik, dat zij van anderen de waardeDaarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.[293]Toen ik mij daaruit verjaagd zag,Ontstond er in het hart een droeve klacht.Die er nog in klinkt.En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheenDoor hooge schoonheid gesierdEn meer dan ooit ontvlamd,Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.Hoezeer mijn smart zonder troost is,Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roepMet trieste stemme,En ik zeg u, dat ik zóó brand,Dat ik om minder foltering den dood verlang.Kom dan en maakAan mijn wreed en ongelukkig levenMet één slag een einde en aan mijn razernij;Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.Geen ander leven, geen andere troostRedt mij meer dan de dood van mijn smart,Dat men mij dien voortaan schenke.Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnenEn dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.Ach, doe dit, omdat ten onrechte.Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.O mijn lied, indien niemand u leert,Kan het mij niet schelen, omdat niemandDan ik u kan zingen,En moeite alleen wil ik u geven,Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleenToont ten volle, hoe onverschilligHet trieste, bittere leven,Mij is, hem biddend, dat hij in beterHaven mij brengt door zijn waarde.Weenend toon ik, enz.De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien[294]had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.[295]
[Inhoud]Zevende Vertelling.Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt.18Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een[274]wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino[275]niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino[276]door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.[Inhoud]Achtste Vertelling.Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde[277]te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri19luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele[278]ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in[279]rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.Het vreeselijke maal.Het vreeselijke maal.4eDag—9eVertelling.Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam[280]werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.[281][Inhoud]Negende Vertelling.Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.20Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur[282]Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na:jij bent des doods!Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van[283]hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de[284]grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.[Inhoud]TiendeVertellingen.De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, diemaëstroMazzeo delle Montagna21heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke[285]gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.Het uur van den vesper brak aan en demaëstromoest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi22, welke hij om niets ter wereld anders dan[286]dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden23. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging[287]voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.De slaapdrank.De slaapdrank.4eDag—10eVertelling.Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere[288]draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen:Wie is daar?Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen:Houdt den dief! Houdt den dief!Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw,[289]gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide:Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico24hem morgen laat ophangen.En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem[290]in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer25en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd,[291]waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid vanmaëstroMazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen26en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken vanwat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd.Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem[292]te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:Weenend toon ik,Hoe een hart zich met recht beklaagt,Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.Amor, die eerstIn mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,Zonder op heil te hopen,Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.Dat ik elke marteling licht achtte,Die in mijn geest,Droef gebleven,Mij was overkomen; maar mijn dwalingKen ik thans en niet zonder smart.Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,Is mij van haar verlaten te zien,In wien ik alleen hoopte;Want toen dacht ik het meest te zijnIn haar gratie en haar dienaar.Zonder de schade vooruit te zienVan mijn toekomstig leedBemerkte ik, dat zij van anderen de waardeDaarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.[293]Toen ik mij daaruit verjaagd zag,Ontstond er in het hart een droeve klacht.Die er nog in klinkt.En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheenDoor hooge schoonheid gesierdEn meer dan ooit ontvlamd,Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.Hoezeer mijn smart zonder troost is,Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roepMet trieste stemme,En ik zeg u, dat ik zóó brand,Dat ik om minder foltering den dood verlang.Kom dan en maakAan mijn wreed en ongelukkig levenMet één slag een einde en aan mijn razernij;Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.Geen ander leven, geen andere troostRedt mij meer dan de dood van mijn smart,Dat men mij dien voortaan schenke.Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnenEn dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.Ach, doe dit, omdat ten onrechte.Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.O mijn lied, indien niemand u leert,Kan het mij niet schelen, omdat niemandDan ik u kan zingen,En moeite alleen wil ik u geven,Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleenToont ten volle, hoe onverschilligHet trieste, bittere leven,Mij is, hem biddend, dat hij in beterHaven mij brengt door zijn waarde.Weenend toon ik, enz.De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien[294]had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.[295]
[Inhoud]Zevende Vertelling.Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt.18Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een[274]wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino[275]niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino[276]door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.[Inhoud]Achtste Vertelling.Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde[277]te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri19luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele[278]ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in[279]rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.Het vreeselijke maal.Het vreeselijke maal.4eDag—9eVertelling.Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam[280]werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.[281][Inhoud]Negende Vertelling.Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.20Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur[282]Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na:jij bent des doods!Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van[283]hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de[284]grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.[Inhoud]TiendeVertellingen.De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, diemaëstroMazzeo delle Montagna21heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke[285]gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.Het uur van den vesper brak aan en demaëstromoest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi22, welke hij om niets ter wereld anders dan[286]dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden23. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging[287]voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.De slaapdrank.De slaapdrank.4eDag—10eVertelling.Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere[288]draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen:Wie is daar?Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen:Houdt den dief! Houdt den dief!Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw,[289]gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide:Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico24hem morgen laat ophangen.En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem[290]in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer25en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd,[291]waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid vanmaëstroMazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen26en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken vanwat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd.Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem[292]te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:Weenend toon ik,Hoe een hart zich met recht beklaagt,Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.Amor, die eerstIn mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,Zonder op heil te hopen,Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.Dat ik elke marteling licht achtte,Die in mijn geest,Droef gebleven,Mij was overkomen; maar mijn dwalingKen ik thans en niet zonder smart.Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,Is mij van haar verlaten te zien,In wien ik alleen hoopte;Want toen dacht ik het meest te zijnIn haar gratie en haar dienaar.Zonder de schade vooruit te zienVan mijn toekomstig leedBemerkte ik, dat zij van anderen de waardeDaarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.[293]Toen ik mij daaruit verjaagd zag,Ontstond er in het hart een droeve klacht.Die er nog in klinkt.En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheenDoor hooge schoonheid gesierdEn meer dan ooit ontvlamd,Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.Hoezeer mijn smart zonder troost is,Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roepMet trieste stemme,En ik zeg u, dat ik zóó brand,Dat ik om minder foltering den dood verlang.Kom dan en maakAan mijn wreed en ongelukkig levenMet één slag een einde en aan mijn razernij;Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.Geen ander leven, geen andere troostRedt mij meer dan de dood van mijn smart,Dat men mij dien voortaan schenke.Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnenEn dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.Ach, doe dit, omdat ten onrechte.Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.O mijn lied, indien niemand u leert,Kan het mij niet schelen, omdat niemandDan ik u kan zingen,En moeite alleen wil ik u geven,Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleenToont ten volle, hoe onverschilligHet trieste, bittere leven,Mij is, hem biddend, dat hij in beterHaven mij brengt door zijn waarde.Weenend toon ik, enz.De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien[294]had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.[295]
[Inhoud]Zevende Vertelling.Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt.18Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een[274]wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino[275]niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino[276]door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.
Zevende Vertelling.Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt.18
Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt.18
Simona bemint Pasquino; zij komen in een tuin samen, waar Pasquino zich met een salie-blad de tanden wrijft en sterft. Simona wordt gevangen genomen en om aan den rechter te toonen, hoe hij gestorven is, doet zij het ook en sterft op haar beurt.18
Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een[274]wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino[275]niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino[276]door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.
Pamfilo had zich van zijn taak gekweten, toen de koning, die niet het minste medelijden toonde met Andreuola, Emilia aanzag en haar vertrouwelijk te kennen gaf, dat het hem aangenaam zou zijn, indien zij hun, die gesproken hadden, zou navolgen. Deze zonder eenig uitstel begon: Waarde gezellinnen. De novelle, verteld door Pamfilo, drijft mij er toe u er een te verhalen geheel aan de zijne gelijk. Zoo ook van Simona gezegd moet worden, dat zij als Andreuola haar minnaar verloor en als deze werd gevangen genomen, bevrijdde zij zich niet door kracht en deugd, maar door een plotselingen dood van haar rechters.
En gelijk het al onder ons gezegd is, dat, hoewel Amor graag de huizen der edelen bewoont, hij niet weigert in die der armen te verblijven, maar integendeel er soms zijn krachten toont, doet hij zich als de machtigste meester bij de rijksten vreezen. Dit zal zoo niet geheel dan toch voor een groot deel uit mijn vertelling blijken, waarbij het mij behaagt in onze stad terug te keeren, waarvan wij heden door over zooveel dingen te spreken en door verschillende deelen der wereld te doorreizen, ons zoo ver hebben verwijderd.
Er leefde dan niet lang geleden in Florence een schoon en lief jong meisje, wanneer men haar karakter beschouwde en de dochter van een armen vader, die Simona heette, en hoe gaarne zij ook met eigen handen haar brood wilde verdienen en haar bestaan onderhouden met het spinnen van wol, was zij toch niet zoo arm van ziel, dat zij niet brandde om Amor in haar hart te ontvangen, die onder de trekken en de aangename woorden van een jonkman van niet hooger stand dan zij en belast was door zijn meester, een[274]wolhandelaar, haar de wol te brengen, een grooten lust toonde om er plaats in te vinden. Na hem dus te hebben ontvangen in den vorm van den bekoorlijken jongeling, die haar beminde en die Pasquino heette, brandde zij zeer van verlangen en durfde niet verder gaan met spinnen en bij iedere streng gesponnen wol, die zij om den spil draaide, stiet zij duizend zuchten uit heeter dan vuur, en dacht aan hem, die haar deze te spinnen had gegeven. Hij van den anderen kant, die er zich voor beijverde, dat de wol van zijn meester goed gesponnen werd, lette alleen op die, welke Simona spon en op geen andere of zij alleen het heele weefsel moest maken. Daar de een waakte en de ander blij was bewaakt te worden, en de een meer begeerte had en de andere meer vrees en schaamte verjoeg dan gewoonlijk, vereenigden zij zich tot gemeenschappelijke genoegen. Deze genoegens bevielen hun zoo, dat zij niet alleen niet wachtten tot de een door den ander werd uitgenoodigd, maar dat beide genoodzaakt werden het elkaar te vragen. Terwijl zoo hun heerlijkheid van den eenen dag op den anderen voortging en bij het voortgaan steeds vermeerderde, zeide Pasquino tot Simona, dat hij wilde, dat zij een middel zocht om in den tuin te komen, waar hij haar heen wilde leiden, opdat zij dit meer op hun gemak en met minder argwaan konden verkrijgen. Simona zeide, dat het haar beviel en nadat zij op een zondag na den eten aan haar vader te verstaan had gegeven, dat zij plan had naar den aflaat van San Gallo te gaan, begaf zij zich met een van haar gezellinnen, Lagina genaamd, naar den tuin, die Pasquino haar had aangewezen. Daar vond zij hem met een van zijn vrienden, die Puccino heette, maar die lo Stramba (de Krombeen) werd genoemd en nadat er een nieuwen liefdebond was gesloten tusschen Stramba en Lagina, namen zij hun genoegen waar in het eene deel van den tuin en lieten Stramba en Lagina in een ander deel hun gang gaan.
Er was in dat deel van de gaarde, waar Pasquino en Simona zich hadden begeven, een zeer groote en schoone salie-struik. Zij zetten zich aan diens voet neer en na zich langen tijd te hebben verheugd en veel te hebben gesproken over een avondmaal, dat zij in dien tuin rustig wilden houden, keerde Pasquino zich tot dien grooten plant, plukte daarvan een blad en begon zich daarmede de tanden en het tandvleesch te wrijven, zeggende, dat de salie zeer goed reinigde van alles wat er in achter bleef, wanneer men gegeten had. En nadat hij zich een weinig had gewreven, keerde hij met zijn praten terug tot het avondmaal, waarvan hij eerst sprak. Hij ging daar nog niet lang mede voort, toen hij geheel van uiterlijk begon te veranderen en na dien omkeer duurde het maar kort, dat hij het gezicht en de spraak verloor en weldra stierf hij. Simona dit ziende, begon te schreien en te jammeren en Stramba en Lagina te roepen. Zij kwamen haastig aanloopen en daar zij Pasquino[275]niet alleen dood zagen, maar geheel gezwollen en vol donkere vlekken op het gelaat en het lichaam, riep Stramba opeens: O, slecht schepsel, jij hebt hem vergiftigd. Hij maakte veel alarm, zoodat het door velen, die vlak bij den tuin woonden, werd vernomen. Deze kwamen op het geschreeuw aanzetten. Toen zij hem dood vonden en opgezwollen en Stramba hoorden klagen en Simona hoorden beschuldigen, dat zij hem verraderlijk had vergiftigd en zij, door de smart over het onverwachte ongeluk, dat haar haar minnaar had ontnomen, buiten zich zelve zich niet wist te verdedigen, werd door allen beweerd, dat het was gelijk Stramba zeide. Zij werd daarom gevangen genomen, terwijl ze steeds bitter weende en naar het paleis van den schout gebracht. Daar, op aandringen van Stramba, l’Atticciato (de Sterke) en Malagevole (de Lastige), gezellen van Pasquino, die er bij waren gekomen, begon een rechter zonder uitstel aan de zaak te geven, het feit te onderzoeken. Daar hij niet kon begrijpen, dat zij bij deze gebeurtenis kwaadwillig of schuldig was geweest, wilde hij in haar tegenwoordigheid het lijk zien en de plaats en het middel, door haar aan hem verteld, omdat hij het door haar woorden niet goed genoeg begreep. Hij liet haar dus zonder gedruisch naar de plek voeren, waar het lichaam van Pasquino nog lag, gezwollen als een vat, en nadat hij er later heen was gegaan en zich over den doode had verwonderd, vroeg hij haar, hoe het gebeurd was. Zij ging naar de saliestruik en na elk voorafgaand voorval verteld te hebben, deed zij om het gebeurde geheel te doen begrijpen, juist gelijk Pasquino had gedaan door zich met een van de bladen de tanden te wrijven. Ondertusschen werd dit door Stramba en l’Atticciato en door de andere vrienden en metgezellen van Pasquino in tegenwoordigheid van den rechter nietig en ijdel verklaard en zij met meer nadruk van misdaad beschuldigd en eischten zij niet anders dan dat de brandstapel de straf voor zulk een boosheid zou zijn. De ongelukkige was door smart over den verloren minnaar en door vrees voor de straf, geëischt door Stramba, ontzet en doordat zij zich met het blad de tanden gewreven had, viel zij in den toestand, waarin eerst Pasquino verkeerd had, tot groote verbazing van de aanwezigen, neer.
O gelukkige zielen, wien het op één dag ten deel valt de hevige liefde en het vergankelijke leven te eindigen! En gelukkiger nog, indien gij te samen op een plaats heengaat! En het gelukkigst, indien gij elkaar hiernamaals lief hebt en zooals gij het hier deed! Maar gelukkig boven allen de ziel van Simona—naar ons oordeel,—waarvan de fortuin niet duldde, dat de onschuld onder de getuigenis leed van Stramba en l’Atticciato en Malagevole, misschien wolkaarders of nog minder soort lieden, en die het voor zich een eervoller weg vond om met hetzelfde stervenslot van haar minnaar zich aan hun schurkerij te onttrekken en de ziel van haar Pasquino[276]door haar zoo bemind, te volgen. De rechter geheel ontsteld evenals allen, die er bij waren, wist niet wat te zeggen en bleef langen tijd onbewegelijk. Toen tot meerder nadenken gekomen, zeide hij: Dit bewijst, dat die salie vergiftig is, wat gewoonlijk niet met die plant het geval is. Maar opdat deze geen ander op die wijze schade kan doen, moet men die tot de wortels afhakken en in het vuur smijten. Toen dit door den tuinwachter in tegenwoordigheid van den rechter was gebeurd, had men den grooten struik nog niet neer gehouwen of de oorzaak van den dood der arme minnenden bleek. Er was onder den struik van die salie een pad van wonderlijke grootte, waarvan zij bevestigden, dat het venijn de plant moést hebben vergiftigd. Daar niemand de pad durfde naderen, legden zij rondom een zeer grooten hoop van droog hout en verbrandden hem met de salie-struik. Dat was het einde van het proces van den heer rechter bij den dood van den armen Pasquino. Hij met zijn Simona werden zoo opgezwollen door Stramba en l’Atticciato en Guccio Imbratta en Malagevole in de kerk van San Paolo begraven, waarvan zij parochianen waren.
[Inhoud]Achtste Vertelling.Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde[277]te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri19luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele[278]ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in[279]rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.Het vreeselijke maal.Het vreeselijke maal.4eDag—9eVertelling.Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam[280]werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.[281]
Achtste Vertelling.Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.
Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.
Girolamo bemint Salvestra; toegevend aan de beden van zijn moeder, gaat hij naar Parijs, keert terug en vindt haar gehuwd. Hij treedt heimelijk in haar huis en sterft aan haar zijde. Men draagt hem in een kerk, waar Salvestra aan zijn zijde sterft.
Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde[277]te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri19luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele[278]ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in[279]rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.Het vreeselijke maal.Het vreeselijke maal.4eDag—9eVertelling.Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam[280]werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.[281]
Het verhaal van Emilia vond haar einde, toen op bevel des konings, Neifile aldus begon: Waardige donna’s. Naar mijn meening zijn er lieden, die meenen meer te weten dan anderen en die minder weten en daarom zijn ze niet alleen verwaten genoeg tegen den raad der menschen maar ook tegen de natuur der dingen hun denkwijze te stellen, uit welke aanmatiging reeds zeer groote kwalen zijn voortgekomen, terwijl men er nooit iets goeds uit zag volgen. En omdat onder de andere, natuurlijke dingen, zij, die het minst raadgevingen of tegenspraken duldt, de liefde behoort, wier aard het is, dat zij eer zich zelf verteert dan dat zij zich ophoudt bij een ontvangen waarschuwing, is het mij te binnengevallen U een vertelling te doen van een donna, die trachtend wijzer te zijn dan zij behoorde[277]te wezen en was en die de zaak niet gedoogde, waarin zij haar verstand wou toonen en gelooft de liefde uit het hart te kunnen rukken van een minnaar, welke de sterren wellicht er in geplaatst hadden, er toe kwam tegelijkertijd de liefde en de ziel uit het lichaam van haar zoon te verdrijven.
Er was dan in onze stad, naar hetgeen de ouden verhalen, een zeer groot en rijk koopman, wiens naam Leonardo Sighieri19luidde, die van zijn donna een zoon Girolamo had en na diens geboorte, nadat hij zijn zaken met zorg had geregeld, uit dit leven scheidde. De voogden van het kind met zijn moeder te samen leidden goed en eerlijk zijn zaken. Het kind groeide op met de anderen van de buren en sloot met meer dan eenig ander uit den omtrek vriendschap met een meisje van zijn leeftijd, de dochter van een kleermaker. Toen de ouderdom toenam, veranderde de vriendschap in liefde en zoo vurig, dat Girolamo zich niet goed voelde, als hij haar soms niet zag en zeker had zij hem niet minder lief dan hij haar.
De moeder van den jongen, die dit gezien had, schold hem verscheidene malen en sloeg hem. Daarna, daar Girolamo zich niet weerhouden kon, beklaagde zijn moeder zich er over bij zijn voogden en daar zij geloofde, door den grooten rijkdom van haar zoon, van den pruimenboom een oranje-appel te kunnen plukken, zeide zij tot hen: Die jongen van ons, die nauwelijks veertien jaar is, is zoo verliefd op de dochter van onzen buurman, den kleermaker, die Salestra heet, dat, indien wij haar niet uit zijn oogen weg halen, hij haar tot zijn ongeluk op een goeden dag tot vrouw zal nemen, zonder dat iemand het weet en ik zal daarna nooit meer vroolijk zijn of hij zal verteren, als hij haar met een ander zal zien trouwen en daarom schijnt het mij, dat gij om het te ontwijken hem ergens ver hier vandaan moet sturen om in een winkel te dienen, opdat zij op die manier van hem verwijderd, hem niet zien kan en daar uit de gedachte zal gaan en wij hem later een welgeboren donna tot vrouw kunnen geven. De voogden zeiden, dat de donna gelijk had en dat zij naar hun vermogen zouden handelen. Nadat zij het kind in den winkel hadden laten roepen, begon er een te zeggen op beminnelijken toon: Mijn jongen, je wordt nu groot; het is goed, dat gij zelf uw zaken leert behartigen; daarom zouden wij er zeer mee ingenomen zijn; als gij eenigen tijd in Parijs zoudt vertoeven, waar gij zult zien, hoe een groot deel van uw geld verhandeld wordt zonder te rekenen, dat gij er veel beter en meer opgevoed en rijker zult worden, wat hier niet gebeuren kan, daar gij er vele[278]ridders en baronnen en edellieden zult zien, en als gij hun zeden hebt leeren kennen, kunt gij hier later terugkeeren. De jongen luisterde ingespannen en antwoordde kort, dat hij er niets van wilde weten, omdat hij even goed als een ander meende in Florence te kunnen blijven. De waarde heeren hoorden dit en berispten hem nog meer, maar daar zij uit hem geen ander antwoord konden krijgen, vertelden zij het aan de moeder.
Deze fel vertoornd, niet wegens zijn weigering naar Parijs te gaan maar om zijn liefde, beleedigde hem zwaar en toen om het te verzoeten met lieve woordjes begon zij hem te vleien en hem zacht te vragen, of hij wou doen, wat zijn voogden wenschten en zij wist hem zoo te bepraten, dat hij toestemde er een jaar en langer te blijven en dat gebeurde. Girolamo ging dus zeer verliefd naar Parijs en werd er met uitstel op uitstel twee jaar gehouden. Vandaar keerde hij meer dan ooit ontvlamd terug, vond zijn Salvestra gehuwd met een goed jonkman, tentenmaker van beroep en was daarover uiterst bedroefd. Maar toen ziende, dat het niet anders kon, deed hij zijn best zich rust te verschaffen en na ontdekt te hebben, waar zij woonde, begon hij volgens de gewoonte der verliefde jongelieden daar langs te gaan in het geloof, dat zij hem niet vergeten had, gelijk hij haar niet. Maar de zaak nam een anderen keer; zij dacht niet meer aan hem, alsof zij hem nooit had gezien en als zij er zich nog iets van herinnerde, toonde zij het tegendeel, wat de jongeling in korten tijd gewaar werd en niet zonder zeer groote smart. Maar niettemin deed hij, al wat hij kon om dit in zijn ziel te verbergen; daar echter niets scheen te helpen, besloot hij om niet weg te kwijnen haar te spreken. Nadat hij door een buurman ingelicht was, hoe het huis van zijn vriendin was gebouwd, trad hij er op een avond, toen zij en haar man waren gaan waken bij buren, in ’t geheim binnen en verborg zich in haar kamer achter tentendoeken, die er waren uitgespannen en wachtte, totdat zij huiswaarts gekeerd en te bed waren en hij zag, dat de man sliep en ging toen naar die zijde, waar hij gemerkt had, dat Salvestra was gaan liggen, legde zijn hand op haar borst en zeide zachtjes: O mijn ziel, slaapt gij al! De vrouw, die niet sliep, wilde schreeuwen, maar de jonkman sprak haastig: Bij God, schreeuw niet, want ik ben uw Girolamo. Toen zij dit hoorde, zeide zij sidderend: Zeg, bij God, Girolamo, ga heen; de tijd is voorbij, dat het in onze kindsheid niet verboden was verliefd te zijn; ik ben, gelijk gij ziet gehuwd; daarom past het niet meer, dat ik op een anderen man acht geef dan op mijn echtgenoot en nu bid ik u bij den eenigen God, dat gij heengaat. Want als mijn man u zou bespeuren, kunnen wij onderstellen, dat, zoo er geen ander kwaad uit voortkomt, er toch uit zou volgen, dat ik noch in vrede noch in rust meer met hem zou kunnen leven, waar ik door hem bemind in[279]rust met hem leef. De jonkman hoorde die woorden en voelde diepe smart en toen hij aan den vroegeren tijd dacht en aan zijn liefde nooit door den afstand verminderd en er de vele beden en beloften van vroeger bijvoegde, bezat hij er niets meer van. Daarom met het verlangen te sterven, bad hij haar ten slotte, dat zij, als loon voor zooveel liefde, zou toestaan, dat hij naast haar ging liggen, zoodat hij zich een weinig kon verwarmen, want hij was door het wachten als ijs geworden. Hij beloofde haar, dat hij er niets van zou zeggen, noch haar zou aanraken en dat hij heen zou gaan, als hij een weinig verwarmd was.
Salvestra, die medelijden met hem had, stond hem dit onder die voorwaarden toe. Aldus strekte hij zich naast haar uit zonder haar aan te raken en in een opwelling herdenkend de langdurige liefde, haar toegedragen, en haar tegenwoordige hardheid en de verloren hoop, besloot hij niet langer te leven en zijn geest in zich zelf vernietigend, sloot hij de vuist en stierf aan haar zijde. Na eenigen tijd verwonderde zich de jonge vrouw over zijn standvastigheid, vreesde, dat haar man zou wakker worden en begon te zeggen: Wel, Girolamo, waarom ga je niet weg? Maar daar zij hem niet hoorde antwoorden, dacht zij, dat hij was ingeslapen. Daarom de hand uitstrekkend om hem te wekken, begon zij hem te betasten en hem aanrakend, voelde zij een ijzige koude, waarover zij zich zeer verbaasde. Toen zij hem met meer kracht beroerde en voelde, dat hij niet bewoog, zag zij na dit meermalen te hebben herhaald, dat hij dood was. Hierover was zij zeer bedroefd en bleef in groote verlegenheid niet wetend wat te doen. Ten slotte bedacht zij te zien, wat haar echtgenoot zou zeggen alsof het een ander persoon betrof en na hem te hebben gewekt, vertelde zij wat haar overkomen was, alsof het met een ander gebeurd was en vroeg hem daarop, wat, indien het haar gebeurde, te doen stond. De goede man antwoordde, dat het hem scheen, dat men hem, die dood was in stilte naar zijn huis moest voeren en hem daar laten, zonder eenige kwaadwilligheid jegens de vrouw te hebben, welke hem niet voorkwam te hebben gefaald. Toen zeide de jonge vrouw: Wel, dat moeten wij dan doen, en zijn hand nemend liet zij hem den dooden jonkman aanraken. Hij, zeer ontsteld, stond op, stak een licht aan en zonder met de vrouw verder te spreken, trok hij het lijk zijn eigen kleeren aan, en zonder uitstel, overtuigd van de onschuld zijner vrouw, tilde hij dit op zijn schouders, droeg het naar de deur van diens huis, legde het neer en liet het daar achter.
Het vreeselijke maal.Het vreeselijke maal.4eDag—9eVertelling.
Het vreeselijke maal.
4eDag—9eVertelling.
Bij het aanbreken van den dag, toen men den man dood voor de deur zag, ontstond er een groot rumoer, vooral door de moeder en nadat men overal gezocht had en gekeken en noch wond noch stoot ontdekte, geloofden de doktoren algemeen, dat hij van verdriet was dood gebleven, zooals hij daar lag. Het lichaam[280]werd dan ook in een kerk gebracht en hier kwam de moeder met vele andere verwante donna’s en buurvrouwen en zij begonnen over hem zeer heftig te weenen en te treuren. Terwijl het geklaag zeer groot werd, zeide de goede man, in wiens huis hij gestorven was, tot Salvestra: Zeg, doe een mantel over je hoofd, ga naar de kerk, waar Girolamo is heen gevoerd, begeef je tusschen de vrouwen en luister, naar wat men u vertelt. Ik zal hetzelfde doen onder de mannen, opdat wij vernemen of men iets kwaads van ons zegt. Dit beviel aan de jonge vrouw, die door een laat medelijden was aangegrepen, want zij verlangde hem te zien, aan wien zij bij zijn leven met niet één kus genoegen had willen doen en ging er heen. Maar het is wonderlijk te denken, hoe moeilijk de krachten der liefde zijn te verklaren. Het ongeluk opende dat hart, dat de blijde fortuin van Girolamo niet had kunnen doordringen en al de oude vlammen laaiden weer omhoog en veranderden dit tot zooveel erbarmen, toen zij het gelaat van den doode zag, dat zij verborgen onder haar mantel en gemengd tusschen de andere donna’s geen stand hield, voor zij tot het lijk was genaderd. Daar stiet zij een schrillen kreet uit, wierp zich op het gelaat van den jonkman en had den tijd niet zijn gelaat met tranen te baden, want ternauwernood had zij hem aangeraakt of, gelijk het Girolamo gebeurd was, ontnam de smart haar het leven. De andere vrouwen wilden haar bemoedigen, zeiden, dat zij wat op zou staan en herkenden haar nog niet. Toen zij zich nog niet verhief en men haar wilde doen oprijzen en onbewegelijk vond en haar toch zich deed verheffen, zag men dat zij Salvestra was en tegelijk bespeurde men, dat zij was gestorven. Daarop begonnen de vrouwen, door dubbel medelijden bewogen, nog meer te weeklagen. De tijding verspreidde zich buiten de kerk onder de mannen, en bereikte ook haar echtgenoot, die tusschen hen stond en die zonder te hooren naar troost of steun van wie ook, langen tijd weende. En toen hij de geschiedenis, die dien nacht gebeurd was van dien jonkman en zijn vrouw aan een genoegzaam aantal van hen had verteld, deed die elkeen leed. Toen de overleden jonge vrouw was opgenomen en versierd gelijk men dit gewoon is met de dooden te doen, legde men haar op dezelfde baar naast den jongen man en nadat daar lang was getreurd, werden beide in eenzelfde graf begraven en hen, die de liefde niet als levenden had kunnen vereenigen, verbond onafscheidelijk de dood.[281]
[Inhoud]Negende Vertelling.Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.20Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur[282]Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na:jij bent des doods!Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van[283]hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de[284]grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.
Negende Vertelling.Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.20
Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.20
Seigneur Guillaume Roussillon geeft zijn gemalin het hart te eten van seigneur Guillaume Gardestagne, dien hij doodde en dien zij beminde. Als zij dit te weten komt, werpt zij zich uit een hoog venster op de aarde, sterft en wordt met haar minnaar begraven.20
Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur[282]Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na:jij bent des doods!Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van[283]hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de[284]grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.
Toen de geschiedenis van Neifile geëindigd was, niet zonder het geheele gezelschap tot groot medelijden te hebben bewogen, begon de koning, die het voorrecht van Dioneo niet wilde schenden, daar er geen ander te spreken had: Medelijdende donna’s. Ik heb thans een vertelling gereed, welke, omdat de ongelukken der liefde u zoo ontroeren, u niet minder tot erbarming zal bewegen dan de voorafgaande, omdat dezen, die ik u ga vertellen met menschen van hooger hoedanigheid geschied is en nog van treuriger verwikkeling dan die in de vorigen verhaald. Gij moet dan weten, dat, naar wat de Provençalen verhalen, er in Provence twee edele ridders leefden, die elk een kasteel en vazallen beheerschten en waarvan de een Guillaume Roussillon en de ander Guillaume Gardestagne heette. Daar zij beide mannen waren bedreven in den wapenhandel, hielden ze veel van elkaar en hadden de gewoonte altijd samen te gaan tournooien of ten steekspel te gaan, of naar iedere andere wapenoefening en gekleed in dezelfde kleuren. Hoewel elk op zijn kasteel woonde en het een van het andere wel tien mijl verwijderd was, werd toch, daar seigneur Guillaume Roussillon een zeer schoone en begeerlijke vrouw tot echtgenoote had, seigneur[282]Guillaume Gardestagne ten zeerste ondanks de vriendschap en den omgang tusschen hen, op haar verliefd en zoo, dat hij door een en andere daad het de donna deed bemerken. Daar zij hem als een zeer dapper ridder kende, beviel haar dit en begon zij hem liefde toe te dragen, zóó dat zij niets anders dan hem verlangde en beminde, en zij verwachtte ook niets anders dan door hem te worden veroverd. Het duurde ook niet lang of dit gebeurde en zij waren te samen en meermalen beminden zij elkaar zeer. Toen zij het minder verborgen deed, werd de echtgenoot dit gewaar en was zeer verontwaardigd, waardoor de groote vriendschap, die hij voor Gardestagne koesterde, overging in een doodelijken haat. Maar hij wist dit beter te verbergen dan de twee minnenden hun liefde en overlegde, hoe ze te dooden. Toen Roussillon in dien toestand was en er een groot tournooi in Frankrijk werd aangekondigd, berichtte hij dit dadelijk aan Gardestagne en gelastte hem te zeggen, of hij, indien het hem behaagde, bij hem kwam en te samen zouden zij overleggen of zij er heen zouden gaan en hoe, Gardestagne antwoordde verheugd, dat hij zonder dralen den volgenden dag bij hem zou komen avondmalen. Roussillon vernam dit en dacht, dat de tijd was gekomen om hem te kunnen dooden en den volgenden dag steeg hij gewapend met een van zijn knechten te paard en stelde zich een mijl van het kasteel in een bosch in hinderlaag, waar Gardestagne voorbij moest komen. Na een geruime poos op hem te hebben gewacht, zag hij hem met twee bedienden bijna ongewapend naderen als iemand, die nergens op verdacht is en toen hij hem daar zag, waar hij het wenschte, doodde hij hem verraderlijk en vol boozen toeleg met een lans in de vuist en riep hem na:jij bent des doods!Dit te zeggen en hem die lans door de borst te stooten, was het werk van een zelfde oogenblik. Gardestagne zonder zich eenigszins te kunnen verdedigen of een woord te kunnen spreken, viel van die lans doorboord en stierf kort daarop. Zijn knechten, zonder herkend te hebben wie het had gedaan, keerden de koppen der paarden en vluchtten zoo snel zij konden naar het kasteel van hun heer.
Roussillon steeg af, opende met een mes de borst van Gardestagne en rukte er met eigen handen het hart uit, liet dit in een pennoen (lans-wimpel) wikkelen en beval aan een van zijn knechten, dat die het daarin zou dragen. En nadat hij aan elk had gezegd, dat ze den moed niet moesten hebben er over te spreken, steeg hij weer te paard en toen het al nacht was, ging hij weer naar zijn kasteel terug. De donna, die gehoord had, dat Gardestagne dien avond ten eten zou komen en met het grootste verlangen hem verwachtte, verwonderde zich zeer, dat zij hem niet zag naderen en zei tot haar man: Hoe komt het, heer, dat Gardestagne niet gekomen is? Hierop zeide de echtgenoot: Madame, ik heb van[283]hem gehoord, dat hij eerst morgen hier kan zijn, waarover de donna een weinig verstoord was. Toen Roussillon was afgestegen liet hij den kok roepen en zeide tot hem: Gij zult dit hart van een wild zwijn nemen en er een gerecht van maken zoo goed en lekker om te eten als gij het maar weet, en wanneer ik aan tafel zal zijn, zult gij het mij opdragen in een zilveren schotel.
De kok nam het aan, wijdde er al zijn kunst aan en al zijn ijver, hakte het, deed er goede kruiden bij en maakte er een uitstekenden ragout van. Toen het tijd was, zette seigneur Guillaume zich met zijn vrouw aan tafel. Het maal kwam, maar hij door de begane misdaad in gedachte gestoord, at weinig. De kok bracht hem den ragout, welke hij voor de donna liet neerzetten, hield zich dien avond verzadigd en prees dien zeer. De donna, die trek had, begon er van te eten en die scheen haar goed; daarom at zij dien geheel op. Toen de ridder gezien had, dat zij hem geheel had opgegeten, zeide hij: Mevrouw, hoe is u die spijs bevallen? De donna antwoordde: Mijn heer, werkelijk, hij beviel mij goed. God helpe mij, ik geloof u—zei de ridder—en het verwondert mij niet, als dood u bevallen heeft, wat levend meer dan iets anders u aanstond.
De vrouw hoorde dit en bleef een oogenblik onbewegelijk. Toen zei ze: Hoe! Wat hebt gij mij laten eten? De ridder antwoordde: Dat, wat gij gegeten hebt, is werkelijk het hart geweest van den heer Guillaume Gardestagne, dien gij als oneerlijke vrouw hebt bemind en weet wel, dat hij het is geweest, omdat ik hem dit met deze handen uit de borst heb gerukt, kort voor ik hier kwam. Men behoeft niet te vragen of de donna dit hoorende van hem, dien zij boven alles beminde, bedroefd was en na eenige oogenblikken antwoordde zij: Gij deed wat een oneerlijk en slecht ridder moest doen; want indien ik, terwijl hij mij niet er toe dwong, hem tot den heer van mijn liefde heb gemaakt en u hiermee had beleedigd, had niet hij maar ik de straf moeten dragen. Maar dat het aan God behage, dat nooit andere spijs op een zoo nobel voedsel volgt als op het hart van dien dapperen en hoffelijken ridder, gelijk Guillaume Gardestagne was. Zij stond op en wierp zich zonder verder bedenken uit een venster achter haar. Het raam was zeer hoog boven den grond, zoodat de vrouw niet alleen stierf, maar geheel werd verpletterd. Toen seigneur Guillaume dit zag, was hij geheel verbluft en het scheen hem, dat hij kwaad had gedaan en daar hij bevreesd was voor de boeren en voor den graaf van Provence, deed hij de paarden zadelen en ging heen. Den volgenden morgen was het door de geheele streek bekend, wat er gebeurd was; daarom werden door de lieden van het kasteel van Guillaume Gardestagne en ook van die uit het slot van de donna met de[284]grootste droefenis en weedom de twee lijken afgehaald en in de slotkapel van de vrouwe in een zelfde grafgewelf geplaatst en daarop verzen geschreven, die uitdrukten wie zij waren, die er in begraven lagen en de wijze en de oorzaak van hun dood.
[Inhoud]TiendeVertellingen.De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, diemaëstroMazzeo delle Montagna21heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke[285]gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.Het uur van den vesper brak aan en demaëstromoest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi22, welke hij om niets ter wereld anders dan[286]dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden23. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging[287]voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.De slaapdrank.De slaapdrank.4eDag—10eVertelling.Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere[288]draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen:Wie is daar?Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen:Houdt den dief! Houdt den dief!Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw,[289]gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide:Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico24hem morgen laat ophangen.En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem[290]in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer25en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd,[291]waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid vanmaëstroMazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen26en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken vanwat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd.Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem[292]te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:Weenend toon ik,Hoe een hart zich met recht beklaagt,Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.Amor, die eerstIn mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,Zonder op heil te hopen,Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.Dat ik elke marteling licht achtte,Die in mijn geest,Droef gebleven,Mij was overkomen; maar mijn dwalingKen ik thans en niet zonder smart.Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,Is mij van haar verlaten te zien,In wien ik alleen hoopte;Want toen dacht ik het meest te zijnIn haar gratie en haar dienaar.Zonder de schade vooruit te zienVan mijn toekomstig leedBemerkte ik, dat zij van anderen de waardeDaarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.[293]Toen ik mij daaruit verjaagd zag,Ontstond er in het hart een droeve klacht.Die er nog in klinkt.En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheenDoor hooge schoonheid gesierdEn meer dan ooit ontvlamd,Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.Hoezeer mijn smart zonder troost is,Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roepMet trieste stemme,En ik zeg u, dat ik zóó brand,Dat ik om minder foltering den dood verlang.Kom dan en maakAan mijn wreed en ongelukkig levenMet één slag een einde en aan mijn razernij;Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.Geen ander leven, geen andere troostRedt mij meer dan de dood van mijn smart,Dat men mij dien voortaan schenke.Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnenEn dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.Ach, doe dit, omdat ten onrechte.Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.O mijn lied, indien niemand u leert,Kan het mij niet schelen, omdat niemandDan ik u kan zingen,En moeite alleen wil ik u geven,Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleenToont ten volle, hoe onverschilligHet trieste, bittere leven,Mij is, hem biddend, dat hij in beterHaven mij brengt door zijn waarde.Weenend toon ik, enz.De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien[294]had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.[295]
TiendeVertellingen.De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.
De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.
De vrouw van een dokter doet haar voor dood gehouden, bedwelmden minnaar in een koffer, welke twee woekeraars met hem er in naar hun huis dragen. Zij worden hem gewaar en hij wordt voor een dief gehouden. De dienstmaagd van de donna verhaalt voor het gerecht, dat zij het was, die hem in den koffer der woekeraars deed, waardoor hij de galg ontloopt en de woekeraars worden wegens diefstal van den koffer tot geldboete veroordeeld.
Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, diemaëstroMazzeo delle Montagna21heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke[285]gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.Het uur van den vesper brak aan en demaëstromoest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi22, welke hij om niets ter wereld anders dan[286]dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden23. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging[287]voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.De slaapdrank.De slaapdrank.4eDag—10eVertelling.Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere[288]draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen:Wie is daar?Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen:Houdt den dief! Houdt den dief!Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw,[289]gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide:Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico24hem morgen laat ophangen.En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem[290]in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer25en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd,[291]waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid vanmaëstroMazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen26en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken vanwat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd.Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem[292]te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:Weenend toon ik,Hoe een hart zich met recht beklaagt,Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.Amor, die eerstIn mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,Zonder op heil te hopen,Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.Dat ik elke marteling licht achtte,Die in mijn geest,Droef gebleven,Mij was overkomen; maar mijn dwalingKen ik thans en niet zonder smart.Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,Is mij van haar verlaten te zien,In wien ik alleen hoopte;Want toen dacht ik het meest te zijnIn haar gratie en haar dienaar.Zonder de schade vooruit te zienVan mijn toekomstig leedBemerkte ik, dat zij van anderen de waardeDaarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.[293]Toen ik mij daaruit verjaagd zag,Ontstond er in het hart een droeve klacht.Die er nog in klinkt.En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheenDoor hooge schoonheid gesierdEn meer dan ooit ontvlamd,Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.Hoezeer mijn smart zonder troost is,Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roepMet trieste stemme,En ik zeg u, dat ik zóó brand,Dat ik om minder foltering den dood verlang.Kom dan en maakAan mijn wreed en ongelukkig levenMet één slag een einde en aan mijn razernij;Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.Geen ander leven, geen andere troostRedt mij meer dan de dood van mijn smart,Dat men mij dien voortaan schenke.Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnenEn dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.Ach, doe dit, omdat ten onrechte.Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.O mijn lied, indien niemand u leert,Kan het mij niet schelen, omdat niemandDan ik u kan zingen,En moeite alleen wil ik u geven,Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleenToont ten volle, hoe onverschilligHet trieste, bittere leven,Mij is, hem biddend, dat hij in beterHaven mij brengt door zijn waarde.Weenend toon ik, enz.De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien[294]had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.[295]
Daar de koning zijn verhaal geëindigd had, bleef alleen Dioneo zijn taak over, die dit wetend en al daartoe aangespoord door den koning, begon: De verhaalde ellenden der ongelukkige liefden hebben niet slechts aan u, donna’s, maar ook mij de oogen en het hart bedroefd, waardoor ik zeer heb verlangd, dat er een einde aan kwam. Nu, God zij geloofd, zijn zij geëindigd, tenzij ik nog aan die kwade waar een slechte zou willen toevoegen, waarvoor de hemel mij behoede. Want zonder te blijven bij zulk een triestig onderwerp, zal ik over iets vroolijkers en beters beginnen, waardoor ik misschien een aanwijzing geef tot wat morgen moet verteld worden.
Gij moet dan weten, zeer schoone jonge dames, dat er nog niet lang geleden in Salerno een groot medicus in de chirurgie leefde, diemaëstroMazzeo delle Montagna21heette, die tot den hoogsten ouderdom gekomen, een schoone en lieve donna uit zijn stad tot vrouw had genomen in het bezit van voorname en rijke[285]gewaden en van andere kostbaarheden en van al wat aan een donna kan behagen meer dan eenige anderen van die plaats; het is waar, dat zij het meestal koud in bed had, omdat zij door den maëstro slecht werd toegedekt. Deze, gelijk messer Ricciardo di Chinzica, van wien wij spraken, die aan de zijne de rustdagen leerde waarnemen, beweerde tegenover haar, dat slapen met een vrouw, ik weet niet hoeveel dagen kostte, om zich te herstellen en dergelijke onzin meer, waar ze maar heel slecht tevreden mee was; evenwel verstandig en van grooten geest, besloot zij om het geld voor het huis te sparen, de eerste gelegenheid de beste waar te nemen en te genieten met een ander en nadat zij hoe langer hoe meer jongelingen had beschouwd, hield zij er eindelijk een in het hart, waaraan zij met al haar hoop hechtte, met haar geheele ziel en haar geheele vermogen. De jonkman bemerkte dit en haar zeer beklagend, keerde ook hij al zijn liefde tot haar. Deze heette Ruggieri van Jeroli, van edele geboorte, maar van een slecht leven en een laakbaar gedrag, zóó dat hij verwant noch vriend had, die hem goed wilde doen of hem zien wilde en door heel Salerno werd hij beschuldigd van diefstallen en andere laagheden, waarom de donna weinig gaf, daar hij haar om een andere reden beviel en zij regelde alles zoo met een dienstmaagd, dat zij samen konden komen. En nadat zij eenig genoegen hadden gesmaakt, begon de donna hem te laken wegens zijn schandelijk leven en hem te verzoeken uit liefde tot haar hiermee op te houden en om hem de gelegenheid te geven dit te doen, begon zij hem dan met eene, dan met een andere som geld te steunen.
Terwijl zij dit intusschen samen zeer heimelijk volhielden, werd den dokter een zieke toevertrouwd, die een kwaal aan het been had. De medicus zag dit en zeide tot zijn ouders, dat, als hij er een rottend gebeente uithaalde, hij het dan heelemaal moest laten afzetten of hij zou sterven. Door hem het been er uit te snijden, kon hij genezen, maar hij zou het niet ondernemen zonder hem als ten doode opgeschreven te beschouwen. Toen zijn ouders hierin hadden toegestemd, gaven zij hem met dit doel aan hem over. De arts, die meende, dat de zieke zonder bedwelming de pijn niet zou verduren, noch zich zou laten helpen, moest tot na den vesper wachten, om dat te doen en liet voor hem ’s morgens een soort drank bereiden, welke opgedronken hem even lang zou doen slapen als hij tijd noodig had om hem pijn te doen met de bewerking. Hij liet dien drank bij zich thuis brengen en zette dien neer in een hoek van zijn kamer zonder aan iemand te zeggen wat dit was.
Het uur van den vesper brak aan en demaëstromoest tot hem gaan. Toen kwam er een bode tot hem van een zijner grootste vrienden van Amalfi22, welke hij om niets ter wereld anders dan[286]dadelijk zou moeten bezoeken, omdat die in een groot gevecht was geweest, waarbij velen gekwetst waren geworden. De dokter stelde het genezen van het been tot den volgenden morgen uit, besteeg zijn kleine bark en begaf zich naar Amalfi. Daar de donna wist, dat hij dien nacht niet naar huis zou komen als gewoonlijk, liet zij in stilte Ruggieri komen, liet hem in haar kamer en sloot hem daarin op tot andere lieden uit het huis zouden gegaan zijn om te slapen. Ruggieri bleef dus in de kamer op de donna wachten en had, hetzij door de vermoeienis op den dag verduurd of door zout eten te hebben genuttigd of misschien uit gewoonte een vreeselijken dorst en zag in het venster dien drank, welken de dokter voor den zieke had bereid, en denkend water te drinken, bracht hij dien aan den mond en dronk dien geheel op. Het duurde niet lang of een zware slaap beving hem en hij sluimerde in. De donna, zoo gauw ze kon, kwam in de kamer, vond Ruggieri ingeslapen, begon hem te betasten en met gedempte stem te zeggen, dat hij zou opstaan, maar het hielp niets; hij antwoordde, noch bewoog. Daardoor een weinig vertoornd stiet de donna hem met meer kracht aan en sprak: Sta op, slaapkop; want als je wilt slapen, moet je naar huis gaan en niet hier komen. Ruggieri, aldus geschud, viel van een stoel, waarop hij lag, ter aarde en toonde niet meer gevoel dan een doode. Hierover nog al ontsteld, wilde de donna hem optillen en hem nog sterker schudden, hem bij den neus nemen en aan den baard trekken; maar het was alles ijdel, hij had zijn ezel goed vastgebonden23. Daarom begon de donna te vreezen, dat hij dood was, maar toch begon zij hem vinnig in de huid te prikken en die te schroeien met een aangestoken kaars, maar niets baatte. Daarom geloofde zij, die geen geneeskundige was als haar man, dat hij zonder twijfel dood was. Men behoeft dus niet te vragen, daar zij hem boven alles beminde, of zij treurig was. Daar zij geen leven durfde maken, begon zij zacht over hem te klagen en te weenen over dit ongeluk. Maar na eenigen tijd uit vrees bij haar schade schande op te loopen bedacht zij, dat zij dadelijk een middel moest vinden om hem als doode het huis uit te krijgen en daar zij geen raad wist, riep zij stilletjes haar meid, toonde haar het ongeval en vroeg haar meening. De meid, die zich zeer verwonderde, hem nog trok en kneep en zonder gevoel zag, beweerde, gelijk de donna zeide, dat hij heusch dood was en gaf den raad, dat hij buitenshuis moest gebracht worden. De donna antwoordde haar: En waar zullen wij hem heen dragen, opdat men er geen erg in krijgt, dat men hem van hier heeft weggebracht wanneer het morgen zal gezien worden? De meid ging[287]voort: Mevrouw, ik zag van avond heel laat voor den winkel van dien timmerman onzen buurman, een niet al te groote kist, die als de baas hem niet in huis heeft gezet, al te goed voor ons plan te pas komt, omdat wij hem daarin kunnen doen en hem twee of drie messteken kunnen geven en hem daar laten. Wie hem er in zal vinden, weet niet of hij van hier of elders er in is gestopt; bovendien zal men gelooven, omdat hij een gemeene jongen is geweest, dat hij uitgegaan voor iets kwaads, door een vijand van hem gedood is en daarna in de kist geduwd.
De raad van de meid beviel aan de donna, maar niet hem een por te geven en zij zeide, dat om niets ter wereld haar ziel zou dulden, dat dit gebeurde en gelastte haar te kijken of de kist daar nog stond, die zij had gezien. Zij keerde terug en zeide van ja. De meid nu, die jong en sterk was, geholpen door de donna, tilde Ruggieri op haar schouders en terwijl de donna vooruit ging om te zien of er niemand aankwam, liepen zij naar de kist, deden hem er in, sloten die en lieten haar staan. Eenige dagen te voren hadden een paar huizen verder twee jonge mannen hun intrek genomen, die op woeker leenden en die begeerig veel te verdienen en weinig te verteren, behoefte hadden aan meubelen en den vorigen dag de kist gezien hadden en samen hadden afgesproken, als die er ’s nachts bleef staan, die in huis te dragen. Toen het middernacht werd, gingen zij het huis uit, vonden die en zonder verder te kijken droegen zij die haastig, hoewel ze hun zwaar scheen, naar binnen en zetten haar in een kamer neer, waar hun vrouwen sliepen, zonder zich er om te bekommeren haar behoorlijk te plaatsen en na haar dus te hebben laten staan, gingen zij slapen.
De slaapdrank.De slaapdrank.4eDag—10eVertelling.
De slaapdrank.
4eDag—10eVertelling.
Ruggieri, die een aardig dutje gedaan had, den drank al had verteerd en de kracht er van verwerkt, werd bij het naderen van den morgen wakker en daar hij door de bedwelming als geradbraakt was en zijn zinnen hun kracht hadden teruggekregen, bleef bij hem toch in de hersens een verbazing achter, welke niet alleen dien nacht, maar daarna verscheidene dagen hem buiten westen hield. Toen hij de oogen opende en niets zag en de handen hier en ginds uitstrekte en zich in die kist bevond, begon hij zijn herinneringen te verzamelen en tot zich zelf te zeggen: Wat is dat? Waar ben ik? Slaap ik of waak ik? Ik herinner mij toch, dat ik van avond in de kamer van mijn donna kwam en nu schijn ik in een kist te liggen. Wat wil dat zeggen? Zou de dokter zijn thuis gekomen of er een ander ding zijn gebeurd, waardoor de donna mij, die sliep, hier zou hebben verborgen? Ik geloof het en het zal zeker zoo zijn. Daarom begon hij zich stil te houden en te luisteren of hij iets gewaar werd. Toen hij dit lang had gedaan en hij het in de kist, die klein was, erg benauwd kreeg en zich geheel gekneusd voelde aan de zijde, waarop hij lag, wilde hij zich op de andere[288]draaien, maar deed dit zoo bijdehand, dat hij met een der ribben tegen de kanten van de kist stootte, die niet op een gelijken vloer was geplaatst, en haar deed tuimelen en daarna vallen en met dien val maakte zij een groot geraas, zoodat de vrouwen, die naast elkaar sliepen, wakker werden, bang werden en uit angst zich stil hielden. Ruggieri wist niet wat te denken van den val van de kist, maar daar hij haar door dit voorval open zag, dacht hij het beter, dat er iets anders gebeurde dan er in te blijven. En daar hij niet wist, waar hij was en dan het eene, dan het andere zich verbeeldde, begon hij op den tast af door het huis te gaan om te weten of hij een trap of deur vond, waardoor hij weg kon komen. Toen de vrouwen, die wakker waren, hem hoorden stommelen, begonnen zij te roepen:Wie is daar?Ruggieri, die de stemmen niet kende, antwoordde niet; daarom begonnen de vrouwen de twee jonge mannen te roepen, die, omdat zij lang hadden gewaakt, vast sliepen en die van dit alles niets hadden bemerkt. Daarop stonden de vrouwen nog meer bevreesd geworden op, gingen naar de vensters en begonnen te schreeuwen:Houdt den dief! Houdt den dief!Toen liepen van verschillende plaatsen tal van buren, deze over het dak en gene van de eene en een derde van een andere zijde samen en traden het huis binnen en ook de jongelieden, ontwaakt door dit rumoer, stonden op. Ruggieri (die dit zag en door verbazing buiten zich zelve naar geen kant wou of kon vluchten) gaven zij gevangen in handen van de wachters van den baljuw dier gemeente, die daar op het leven waren toe geloopen. Voor den schout gebracht, omdat hij door allen voor een grooten schurk werd gehouden, werd hij dadelijk op de pijnbank gelegd en bekende in het huis van den woekeraar te zijn getreden om te stelen; daarom wilde de baljuw hem zonder uitstel laten opknoopen. Het nieuwtje werd ’s ochtends door heel Salerno verbreid, dat Ruggieri gevat was om te stelen in het huis der woekeraars. Toen de donna en de meid dit hoorden, waren zij zoo vol verbazing over dit nieuws, dat zij haast geloofden, dat, wat zij den afgeloopen nacht gedaan hadden, niet gebeurd was, doch slechts een droom geweest was. Maar bovendien voelde de donna over het gevaar, waarin Ruggieri verkeerde, zulk een smart, dat ze haast niet tot bedaren was te krijgen. Kort na drie uur, toen de medicus van Malfi teruggekeerd was, vroeg hij, waar de drank was gebleven, omdat hij zijn zieke wilde genezen en toen hij vond, dat de flesch leeg was, maakte hij een groot rumoer, dat er niets in het huis op zijn plaats bleef. De donna, die door erger smart gepijnigd werd, antwoordde woedend: Wat zoudt gij zeggen, meester, bij een gewichtige zaak, als gij voor zoo’n omgevallen flesch met drank al zoo’n spektakel maakt! Is er niet meer van te krijgen op de wereld? Hierop ging de maëstro voort: Vrouw,[289]gij dacht, dat het klaar water was; het is het niet, maar een drank om te doen slapen. En hij vertelde haar, waarom hij die had bereid. Toen de donna dit had gehoord, meende zij, dat Ruggieri die gedronken had en hem daarom dood had geschenen en zeide:Maëstro, dat wisten wij niet en maakt u daarom een anderen. Kort daarop keerde de meid, die op bevel van mevrouw uit was gegaan om te weten, wat men van Ruggieri vertelde, terug en zeide: Madonna, men zegt van Ruggieri, dat hij een slechte kerel is en dat, naar wat ik kon vernemen, vriend noch verwant is opgestaan of het wil om hem te helpen, en men houdt het voor zeker, dat de Stadico24hem morgen laat ophangen.
En behalve dat zal ik u een andere nieuwe zaak vertellen, die ik meen te begrijpen, namelijk hoe hij in het huis der woekeraars is geraakt en hoort u wel: u kent wel de timmerman, waar tegenover de kist stond, waar wij hem in stopten; hij was juist met iemand, die beweerde, dat het zijn kist was, in den grootsten twist ter wereld, want hij vroeg er een prijs voor en de meester antwoordde, dat hij de kist niet had verkocht, maar dat die hem van nacht was ontstolen.
Hierop antwoordde deze: Het is niet waar, gij hebt hem integendeel verkocht aan de twee woekeraars, gelijk die mij van nacht vertelden, toen ik in hun huis was op het oogenblik, dat Ruggieri er gevangen werd genomen. De timmerman antwoordde: Dat liegen ze, want ik verkocht hun die nooit, maar ze hebben die van nacht gestolen; laten wij naar hen toe gaan. En dadelijk gingen zij eensgezind naar het huis der woekeraars en ik ben hier gekomen. En gelijk gij kunt zien, begrijp ik, dat op die manier Ruggieri, waar hij gevonden werd, heen is gevoerd, maar ik weet niet, hoe hij er uit is gekomen. De donna begreep toen best, hoe het met de zaak stond, vertelde aan de meid, wat zij van den dokter gehoord had en verzocht haar tot de bevrijding van Ruggieri hulp te verleenen, daar zij tegelijkertijd, als ze wilde, Ruggieri kon doen ontkomen en haar eer kon dienen. De meid sprak: Madonna, onderricht mij het en ik zal gaarne alles doen. De donna, die het benauwd had en met onmiddellijk beraad overlegd had, wat er moest gedaan worden, stelde de meid geregeld op de hoogte. Deze ging eerst naar den dokter en begon klagend te zeggen: Messer, ik moet u vergeving vragen voor een groote domheid, die ik jegens u heb begaan. De dokter zei: Hoe zoo? En de meid, die niet ophield met schreien, ging voort: Mijnheer, gij weet, wat met den jongen Ruggieri van Jeroli het geval is, met wien ik, terwijl ik hem beviel, zoowel door vrees als door liefde dit jaar heb geleefd. Daar hij wist, dat u gisteravond niet hier waart, drong hij zoo bij mij aan, dat ik hem[290]in uw huis in mijn kamer meenam om te slapen en daar hij dorst had en ik geen toevlucht had tot water of wijn en ik niet wilde, dat mevrouw, die in de zaal was, mij zou zien, herinnerde ik mij, dat ik in uw kamer een flesch met water gezien had. Ik liep daar heen, gaf hem dit te drinken en zette de flesch weer neer, waar ik haar vandaan had gehaald, waarover ik hoorde, dat u in huis groote ruzie hebt gemaakt. En zeker beken ik, dat ik kwaad deed, maar wie doet dit wel eens niet? Het spijt mij erg, dat ik het gedaan heb, niet zoozeer daarom als om wat er uit zal volgen, dat Ruggieri op het punt staat het leven te verliezen. Daarom bid ik u zooveel ik kan, dat u mij vergeeft en dat u mij toestaat, dat ik Ruggieri ga helpen, waarin ik het kan.
Toen de medicus dit hoorde, antwoordde hij, hoe kwaad hij ook geweest was, schertsend: Gij hebt u zelf geschonken, omdat gij, waar gij geloofde van nacht een jonge man te hebben, die u zeer goed de peluw zou schudden, je een slaapkop naast je hadt. Ga daarom en zorg voor de redding van uw minnaar en pas voortaan op hem niet meer in huis te brengen, want dan zal ik je die keer en deze betaald zetten. De meid, dien het scheen, dat zij voor den eersten stap goed te werk was gegaan, ging zoo gauw zij kon naar de gevangenis, waar Ruggieri zich bevond en vleide den bewaarder zoo, dat hij haar Ruggieri liet spreken. Zij, na hem te hebben verteld, wat hij voor den Stadico moest antwoorden, indien hij wilde vrij worden, deed zoo haar best, dat zij voor den rechter kwam. Deze, voor hij naar haar wilde luisteren, omdat zij flink en sterk was, wilde eerst eens zijn haak slaan in die dwaze meid van Onzen Lieven Heer25en zij om gehoord te worden, had er niet op tegen en toen zij van die omhelzing was opgestaan, zeide zij: Heer, gij hebt Ruggieri van Jeroli als dief gevangen genomen, maar dat is niet waar. En met den aanvang beginnend vertelde zij hem de geschiedenis van stukje tot beetje, hoe zij als zijn minnares hem in het huis van den dokter had gebracht en hem er drank had te drinken gegeven in onwetendheid en hoe zij hem als een doode in de kist had gestopt; daarna vertelde zij, wat zij tusschen den meester-timmerman en den eigenaar van de kist had hooren praten en verklaarde zoo, hoe Ruggieri in het huis van de woekeraars kwam. De Stadico, die begreep, dat het gemakkelijk viel om te weten of het waar was, vroeg eerst aan den dokter of dat van dien drank een feit was. Toen liet hij den timmerman komen en hem aan wien de kist had behoord en de woekeraars en bevond na veel gepraat, dat de woekeraars de kist dien nacht hadden gestolen en in huis hadden gevoerd.
Ten slotte ontbood hij Ruggieri en na hem te hebben gevraagd,[291]waar hij den vorigen avond zijn onderkomen had gevonden, antwoordde hij, dat hij dit niet wist, maar dat hij zich wel herinnerde, dat hij zijn logies zou gaan zoeken bij de meid vanmaëstroMazzeo, in wiens kamer hij den drank had gedronken, omdat hij zoo’n dorst had, maar dat hij niet wist, hoe het gebeurde, dat hij in de kist der woekeraars was gevonden. De rechter, die dit alles hoorde, en er groot pleizier van had, liet het de meid en Ruggieri en den timmerman en de woekeraars meermalen opnieuw vertellen. Toen hij ten slotte zag, dat Ruggieri onschuldig was, veroordeelde hij de woekeraars, die de kist hadden gestolen tot een geldboete van tien oncen26en liet Ruggieri vrij. Hoezeer haar dit ten harte ging, hoeft men niet te vragen en de donna was er ten zeerste blij mee. Deze lachte er dikwijls om met hem en met de goede meid, die hem messteken had willen geven en beleefde er pleizier van, terwijl hun liefde en genoegen steeds van goed tot beter ging. En ik zou willen, dat het mij ook zoo ging, maar niet, dat ik in de kist wordt gestopt.
Zoo de eerste verhalen de harten der begeerenswaardige donna’s zeer hadden bedroefd, deed dit laatste van Dioneo ze lachen en vooral toen hij vertelde, dat de rechter zijn haak had ingeslagen, dat zij zich konden herstellen van de meewarigheid met de anderen. Maar toen de koning zag, dat de zon geel begon te worden en dat het einde van zijn heerschappij gekomen was, verontschuligde hij zich met aardige woorden over hetgeen hij had gedaan, namelijk over zoo treurige stof te hebben laten spreken en over die van den rampspoed der minnenden en toen dit geschied was, stond hij op, hief den lauwerkrans van het hoofd en terwijl de donna’s afwachtten, wie hem zou dragen, plaatste hij dien bekoorlijk op het geheel blonde hoofd van Fiammetta met de woorden: Ik draag aan u deze kroon over, als degene, die het best voor den zwaren dag van heden ons met dien van morgen zal kunnen troosten. Fiammetta, wier haren gekruld waren, lang en van goud en bij wien ze over blanke en ranke schouders vielen en waarvan het gelaat eenigzins dik was, had een glanzende, natuurlijke kleur als van blanke leliën vermengd met roode rozen, met twee oogen in het hoofd als van een pelgrims-valk en met een allerliefst klein mondje, waarvan de lipjes robijnrood waren en antwoordde lachend: Filostrato, ik neem haar gaarne aan en opdat gij beter bemerkt, wat gij hebt gedaan, wil en beveel ik, dat van nu af aan ieder zich voorbereidt om morgen te spreken vanwat aan een of ander minnaar, na enkele wreede en ongelukkige voorvallen, gelukkig ten deel werd.Dit voorstel beviel aan allen. En zij, na den hofmeester te hebben geroepen en over de zaken, die te pas kwamen, met hem[292]te hebben beschikt, gaf, nadat het heele gezelschap van zijn zetels was opgestaan, tot aan het uur van het avondmaal blijmoedig aan ieder de vrijheid. Dezen derhalve, begonnen ten deele door den tuin, welks schoonheid niet zoo spoedig ging vervelen en ten deele naar den molen, die buiten deze werkte en dezen hier en gene daar, naar hun verschillenden smaak zich onderscheidene genoegens te verschaffen tot aan het uur van het avondmaal. Toen dit was aangebroken en allen bijeen waren als naar gewoonte, aten zij bij de schoone fontein met zeer groot genoegen en wel bediend. En daarvan opgestaan, gaven zij zich, gelijk bij hen gebruik was, over aan dans en zang en terwijl Filomena den dans leidde, zei de koningin: Filostrato, ik wil niet afwijken van mijn voorgangers, maar gelijk die hebben gedaan, wil ik, dat men op mijn bevel een zang zal zingen en omdat ik er zeker van ben, dat uw liederen zoodanig zijn als uwe verhalen, willen wij, opdat geen andere dan deze dag gestoord zij door de ongelukkige liefden, dat gij er een opzegt, dat u het meest zal behagen. Filostrato antwoordde, dat hij gaarne wilde en zonder verwijl begon hij op deze wijze te zingen:
Weenend toon ik,Hoe een hart zich met recht beklaagt,Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.Amor, die eerstIn mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,Zonder op heil te hopen,Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.Dat ik elke marteling licht achtte,Die in mijn geest,Droef gebleven,Mij was overkomen; maar mijn dwalingKen ik thans en niet zonder smart.Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,Is mij van haar verlaten te zien,In wien ik alleen hoopte;Want toen dacht ik het meest te zijnIn haar gratie en haar dienaar.Zonder de schade vooruit te zienVan mijn toekomstig leedBemerkte ik, dat zij van anderen de waardeDaarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.[293]Toen ik mij daaruit verjaagd zag,Ontstond er in het hart een droeve klacht.Die er nog in klinkt.En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheenDoor hooge schoonheid gesierdEn meer dan ooit ontvlamd,Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.Hoezeer mijn smart zonder troost is,Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roepMet trieste stemme,En ik zeg u, dat ik zóó brand,Dat ik om minder foltering den dood verlang.Kom dan en maakAan mijn wreed en ongelukkig levenMet één slag een einde en aan mijn razernij;Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.Geen ander leven, geen andere troostRedt mij meer dan de dood van mijn smart,Dat men mij dien voortaan schenke.Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnenEn dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.Ach, doe dit, omdat ten onrechte.Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.O mijn lied, indien niemand u leert,Kan het mij niet schelen, omdat niemandDan ik u kan zingen,En moeite alleen wil ik u geven,Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleenToont ten volle, hoe onverschilligHet trieste, bittere leven,Mij is, hem biddend, dat hij in beterHaven mij brengt door zijn waarde.Weenend toon ik, enz.
Weenend toon ik,Hoe een hart zich met recht beklaagt,Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.
Weenend toon ik,
Hoe een hart zich met recht beklaagt,
Omdat Amor in zijn geloof is bedrogen.
Amor, die eerstIn mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,Zonder op heil te hopen,Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.Dat ik elke marteling licht achtte,Die in mijn geest,Droef gebleven,Mij was overkomen; maar mijn dwalingKen ik thans en niet zonder smart.
Amor, die eerst
In mijn hart haar heeft gesteld voor wie ik zucht,
Zonder op heil te hopen,
Gij hebt haar zoo vol deugd getoond.
Dat ik elke marteling licht achtte,
Die in mijn geest,
Droef gebleven,
Mij was overkomen; maar mijn dwaling
Ken ik thans en niet zonder smart.
Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,Is mij van haar verlaten te zien,In wien ik alleen hoopte;Want toen dacht ik het meest te zijnIn haar gratie en haar dienaar.Zonder de schade vooruit te zienVan mijn toekomstig leedBemerkte ik, dat zij van anderen de waardeDaarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.
Wat mij mijn dwaling heeft doen kennen,
Is mij van haar verlaten te zien,
In wien ik alleen hoopte;
Want toen dacht ik het meest te zijn
In haar gratie en haar dienaar.
Zonder de schade vooruit te zien
Van mijn toekomstig leed
Bemerkte ik, dat zij van anderen de waarde
Daarin had opgenomen en mij er uit had verjaagd.
[293]
Toen ik mij daaruit verjaagd zag,Ontstond er in het hart een droeve klacht.Die er nog in klinkt.En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheenDoor hooge schoonheid gesierdEn meer dan ooit ontvlamd,Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.
Toen ik mij daaruit verjaagd zag,
Ontstond er in het hart een droeve klacht.
Die er nog in klinkt.
En dikwijls vervloek ik den dag en het uur,
Dat mij het eerst haar verliefd gelaat verscheen
Door hooge schoonheid gesierd
En meer dan ooit ontvlamd,
Vergaat mijn geloof, mijn hoop en mijn moed,
Mijn ziel, die versmachtend dit alles verfoeit.
Hoezeer mijn smart zonder troost is,Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roepMet trieste stemme,En ik zeg u, dat ik zóó brand,Dat ik om minder foltering den dood verlang.Kom dan en maakAan mijn wreed en ongelukkig levenMet één slag een einde en aan mijn razernij;Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.
Hoezeer mijn smart zonder troost is,
Heer, dat kunt gij gevoelen, zoo vaak ik u roep
Met trieste stemme,
En ik zeg u, dat ik zóó brand,
Dat ik om minder foltering den dood verlang.
Kom dan en maak
Aan mijn wreed en ongelukkig leven
Met één slag een einde en aan mijn razernij;
Want waar ik ook zal gaan, zal ik die minder gevoelen.
Geen ander leven, geen andere troostRedt mij meer dan de dood van mijn smart,Dat men mij dien voortaan schenke.Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnenEn dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.Ach, doe dit, omdat ten onrechte.Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.
Geen ander leven, geen andere troost
Redt mij meer dan de dood van mijn smart,
Dat men mij dien voortaan schenke.
Maak een einde, Amor, door dezen aan mijn pijnen
En dat men mijn hart van zulk een ellendig leven ontrooft.
Ach, doe dit, omdat ten onrechte.
Mij alle vreugd en genoegen ontnomen is,
Maak haar gelukkig, door mij te doen sterven, o Heer,
Gelijk gij haar gelukkig hebt gemaakt met een nieuwen minnaar.
O mijn lied, indien niemand u leert,Kan het mij niet schelen, omdat niemandDan ik u kan zingen,En moeite alleen wil ik u geven,Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleenToont ten volle, hoe onverschilligHet trieste, bittere leven,Mij is, hem biddend, dat hij in beterHaven mij brengt door zijn waarde.
O mijn lied, indien niemand u leert,
Kan het mij niet schelen, omdat niemand
Dan ik u kan zingen,
En moeite alleen wil ik u geven,
Dat gij Amor terug vindt en dat gij aan hem alleen
Toont ten volle, hoe onverschillig
Het trieste, bittere leven,
Mij is, hem biddend, dat hij in beter
Haven mij brengt door zijn waarde.
Weenend toon ik, enz.
Weenend toon ik, enz.
De woorden van dit lied toonden duidelijk genoeg, hoe de zielstoestand was van Filostrato en de oorzaak daarvan en misschien[294]had nog beter het gelaat van de dame het getoond, die aan den dans deelnam, indien de schaduwen van den komenden nacht den blos op haar gezicht niet zouden hebben verduisterd. Maar toen hij dit ten einde had gebracht, werden er verscheidene anderen gezongen, totdat het uur van slapen gekomen was: daarom op bevel van de koningin, trok ieder zich in zijn kamer terug.[295]