HOOFDSTUK XI.

HOOFDSTUK XI.Een goed plan.Het was op zekere avond in ’t eind van Augustus 1686, dat MacIntosh en Hartog de hut binnentraden, waarin Kingston en Christian woonden, en om ’n onderhoud met dezen verzochten. Toen dit door de twee Engelsen toegestaan was, begon MacIntosh aldus:“Vrienden, in de eerste plaats verzoeken we jullie om toch niet te denken, dat we komen om te klagen of onze ontevredenheid te kennen te geven. Integendeel zijn we jullie en de drie andere Engelsen zeer dankbaar voor alles wat jullie voor ons, schipbreukelingen van de Stavenisse, hebt gedaan. Je hebt ons van de hongersnood gered, ons hier naar dezeprachtige plek gebracht, en edelmoedig en rojaal van alles voorzien; we kunnen jullie dat nooit vergelden.“Maar er zijn er onder ons, vooral van de Hollanders, die verlangen om naar hun vaderland terug te gaan, en dit is voornamelik ’t geval met de kapitein en z’n dochter.“Jullie zijn al gewoon aan dit land en deze leefwijze, wij nog niet.“We hadden gehoopt dat er spoedig een schip hier in de baai zou binnenlopen, dat ons ten minste naar de een of andere Portugese bezitting kon vervoeren, van waar er meer gelegenheid zou zijn om naar Europa terug te gaan, maar we zijn hier nu al bijna vijf maanden, en in die tijd heeft geen schip de baai van Natal bezocht, en wie weet wanneer dit gebeuren zal. Bovendien vrezen we, dat de kaffers niet altijd jegens ons zo vriendelik gestemd zullen blijven, als ze nu zijn, en wanneer ze vijandig worden en ons aanvallen, zijn wij niet bij machte hen tegen te staan, doch zullen we allen vermoord worden.“We hebben gisteren avond raad gehouden, en mijn vriend Hartog hier, gaf aan de hand, een grote, sterke boot te bouwen, en te trachten daarmee de Kaap te bereiken.“Daar we dat echter niet zonder jullie hulp kunnen doen, zijn Hartog en ik afgevaardigd om van jullieen je drie metgezellen te vernemen, wat jullie van ons plan denken. Keuren jullie ’t goed, dan beloven we om met onze uiterste krachten te helpen ’t ten uitvoer te brengen.”De twee Engelsen hadden met aandacht naarMacIntoshgeluisterd, en toen deze geëindigd had, nam William Christian ’t woord en zei:“Het plan door jullie voorgesteld, is voor ons volstrekt niet nieuw, want verleden jaar hebben Kingston en ik deze kwestie reeds herhaaldelik besproken, maar er waren toen moeilikheden in de weg, die ’t plan onuitvoerbaar maakten. In de eerste plaats waren we te weinig in aantal om zulk ’n groot werk te ondernemen, en in de tweede plaats hadden we niet ’t allernodigste gereedschap. Toen de kapitein van de Good Hope met negen van de onzen naar Mozambique vertrok, nam hij al ’t bruikbare gereedschap met zich, en liet slechts enige versleten en nutteloze artikelen achter. Eerst toen in ’t begin van dit jaar het tweede Engelse scheepje hier aankwam, gelukte het ons om enige dingen te ruilen, en kwamen we zodoende in ’t bezit van ’n stuk of wat bijlen, ’n paar hamers, drie boren en ’n zaag. Maar toen we die kregen, hadden de andere drie reeds kaffervrouwen genomen en bestond er bij hen geen biezondere lust meer om dit land te verlaten.Met ons tweeën konden we natuurlik niets uitrichten. Nu is de zaak echter anders. We zijn met ons allen 16 man sterk, en ofschoon we met heel wat moeilikheden zullen moeten kampen, is ’t plan toch uitvoerbaar, naar ik meen. We zijn natuurlik niet in staat om jullie vanavond ’n beslist antwoord te geven, want we zijn verplicht om onze drie vrienden te raadplegen en hun oordeel te vragen; als zij er echter in toestemmen, moeten we bespreken, hoe we ’t op de beste wijze kunnen aanleggen, en welke middelen te onzer beschikking staan.“We kunnen zo iets niet hals over kop beginnen, om later uit te vinden, dat we te veel hooi op onze vork hebben genomen. Morgen zullen we met hen spreken, en als ze ’t plan goedkeuren, zullen Kingston en ik, en misschien ook de anderen,jullie daarna bezoeken en dan verdere biezonderheden gezamenlik bespreken.”De Tweede en Derde stuurman namen genoegen hiermede en gingen welgemoed naar hun hut terug.De volgende avond kwamen Kingston en Christian werkelik naar de hut van de kapitein en maakten ’n verontschuldiging voor hun drie maats, die, naar ze zeiden, voor belangrijke zaken naar ’t dorp van de Abambo’s waren gegaan.De andere schipbreukelingen van de Stavenissewerden toen geroepen, en daar ’t een warme en heldere avond was, besloot men de vergadering buiten te houden. Wie een bankje of houten stoeltje had, ging dat halen, de anderen vleiden zich neer op de grond. Katrijn was natuurlik ook op de vergadering tegenwoordig.Deze avond was ’t John Kingston, die ’t eerst sprak, en zijn woorden werden door MacIntosh vertolkt, schoon Katrijn een handje meehielp, als de Schot het juiste Hollandse woord niet kon vinden.Kingston zei dan: “Vrienden, volgens belofte gisteren avond aan jullie afgevaardigden gedaan, hebben we vandaag onze drie maters geraadpleegd.“Het kostte ons wel wat moeite om ze te overreden, maar ten laatste stemden ze volmondig met ons plan samen en beloofden om eerlik hun aandeel in ’t werk te verrichten.“Het plan om ’n boot te bouwen, groot en sterk genoeg om ons veilig naar de Kaap de Goede Hoop te brengen, gaat dus door. Tans moeten we de biezonderheden bespreken, en zien welke moeilikheden we te boven moeten komen.“Vooreerst wil ik mededelen, dat alhoewel we enigszins weten hoe ’n boot moet gebouwd worden, geen van ons vijven dit ooit werkelik heeft gedaan, en we hopen dus voor een groot deel op jullie inlichtingen,altans als er iemand onder jullie is, die er meer van weet, dan wij.”Op dat ogenblik viel stuurman MacIntosh de spreker in de rede, en zei:“Daar kan ik jullie in helpen, want vóór ik op zee ging, heb ik zes jaar gewerkt op ’n scheepstimmerwerf te Glasgow, waar men voornamelik boten voor de haringvisserij bouwde, en zo ’n haringbuis, indien goed gemaakt, kan heel wat zee en wind verdragen en zou ons gemakkelik naar de Kaap brengen.”“En hoe groot zou zo ’n boot wezen?” vroeg William Christian.“Minstens 60 voet lang bij 9 voet breed en niet minder dan 8 voet diep, maar nog liever 10 voet, om hem zonder veel ballast toch standvastigheid te geven,” antwoordde de Tweede stuurman.“Goed, dat is reeds heel wat gewonnen,” zei Kingston lachend en toen vervolgde hij:“Hout, en goed hout ook, hebben we in overvloed, en als we de nodige bomen hebben gekapt, zullen we geen moeite hebben dragers te krijgen om ze naar ’t strand te brengen. Bovendien zijn er nog ’n aantal planken in het stuk romp van de Good Hope, dat op ’t strand ligt, die misschien te pas kunnen komen. Bouten kunnen we ook krijgen, maarwat we voornamelik nodig hebben, zijn spijkers. Nu zou ik wel zelf die spijkers kunnen maken, want ik ben niet onbekend met het smidsambacht, maar daarvoor moet ik ijzer van de rechte soort hebben, b.v. een anker. Bij ’t stranden van de Good Hope zijn al de ankers verloren gegaan.”Hier sprong Willem Tuijl op en zei:“Er moet nog heel wat ijzer op ’t wrak van de Stavenisse zijn, als dit ten minste bij deze tijd niet geheel uit elkander is geslagen, en ik meen ook dat ik op ’t strand een oud anker heb zien liggen, maar of dat aan de Stavenisse behoorde, weet ik niet. In alle geval waren er nog heel wat goede planken, vooral in ’t dek, en zelfs als ’t schip uit elkaar geslagen is, zal zonder twijfel ’n gedeelte van de planken aan land zijn gespoeld.”“Dan is er slechts één goed plan,” merkte Christian op, “namelik dat een of twee van ons met ’n klompje dragers teruggaan naar de plek waar de Stavenisse gestrand is, om te zien wat er aan land gespoeld is, en al wat bruikbaar is, naar de Baai te brengen.”“En nu wil ik weten, hoeveel en welk gereedschap de bemanning van de Stavenisse bezit,” zei Kingston verder.Na enig narekenen, was het antwoord hierop, 5 bijlen, 2 graven en 3 pikken.“En één mes,” riep Katrijn lachend uit, terwijl ze ’t grote mes, dat ze van ’t schip meegenomen had, voor den dag haalde, en aan Kingston overhandigde, die zei dat dit van groot nut kon zijn.Daarop verklaarde MacIntosh, dat men nog meer gereedschap uit ’t wrak had gered, maar dat ’t merendeel bij ’t omslaan van de door hen gebouwde boot verloren was gegaan.“En nu komt de laatste vraag,” vervolgde Kingston, “waar is de tent van zeilen, die jullie bij de Stavenisse hadden?”“Die heb je op de plek laten staan, waar hij stond,” antwoordde de barbier, die een van de herstelde zieken was, “en de kaffers hebben die zeker ingepikt.”Kingston bedacht zich ’n ogenblik, sloeg toen met z’n vuist tegen z’n voorhoofd, en riep uit: “Dat is werkelik zo, en dat is de domste streek, die ik ooit in m’n leven uitgehaald heb. Doch ’t zou me niet verwonderen als die tent er nog stond, want kaffers hebben geen nut van ’n zeil, ofschoon ze ’t uit pure moedwilligheid mogen vernield hebben.”“Hoe omtrent proviand voor de reis, meneer Kingston?” vroeg Katrijn, die dit als haar eigen speciaal departement beschouwde.“Daar zullen we voor zorgen, en ge zult geen honger lijden,” antwoordde de Engelsman lachend;“we hebben ruilwaren genoeg om voldoende proviand voor tien zulke boten te krijgen. Laat dat maar gerust aan ons over, op voorwaarde dat u de kost voor ons aan boord kookt, als uw aandeel in ’t werk. Wij zullen voor ’n behoorlik kombuisje zorgen.”“Hoe zult ge de weg naar de Kaap vinden?” vroeg Kapitein Knijf, die tot nu toe ’t stilzwijgen had bewaard.“Turnbull, een van onze kameraads,heeft een kompas, dat we altijd gebruiken op onze landreizen,” antwoordde Christian, “en dat kan ons op zee ook van dienst zijn. ’t Is wel klein, maar vrij juist, en bovendien kunnen we altijd de kust in ’t gezicht houden.”Kapitein Knijf mompelde iets van “onderzeese riffen”, maar zei verder niets.Na nog ’n aantal punten van minder belang besproken te hebben, kwam men ten laatste tot de volgende besluiten:1. Dat aangezien het nu Woensdag was, en er eerst heel wat schikkingen en toebereidselen moesten gemaakt worden, men de volgende Maandag met ’t bouwen van de boot zou beginnen.2. Dat de volgende middag William Christian en MacIntosh met ’n twintigtal kafferdragersdadelik naar ’t wrak van de Stavenisse zouden vertrekken en van daar alles zouden brengen, wat van nut zou kunnen zijn bij de bouw van de boot.3. Dat Kingston ondertussen de verder nodige toebereidselen zou maken, en elk persoon daartoe opgeroepen, hem alle hulp zou verlenen.Het was reeds laat toen de vergadering verdaagde, doch iedereen ging met een hoopvol hart slapen.

HOOFDSTUK XI.Een goed plan.Het was op zekere avond in ’t eind van Augustus 1686, dat MacIntosh en Hartog de hut binnentraden, waarin Kingston en Christian woonden, en om ’n onderhoud met dezen verzochten. Toen dit door de twee Engelsen toegestaan was, begon MacIntosh aldus:“Vrienden, in de eerste plaats verzoeken we jullie om toch niet te denken, dat we komen om te klagen of onze ontevredenheid te kennen te geven. Integendeel zijn we jullie en de drie andere Engelsen zeer dankbaar voor alles wat jullie voor ons, schipbreukelingen van de Stavenisse, hebt gedaan. Je hebt ons van de hongersnood gered, ons hier naar dezeprachtige plek gebracht, en edelmoedig en rojaal van alles voorzien; we kunnen jullie dat nooit vergelden.“Maar er zijn er onder ons, vooral van de Hollanders, die verlangen om naar hun vaderland terug te gaan, en dit is voornamelik ’t geval met de kapitein en z’n dochter.“Jullie zijn al gewoon aan dit land en deze leefwijze, wij nog niet.“We hadden gehoopt dat er spoedig een schip hier in de baai zou binnenlopen, dat ons ten minste naar de een of andere Portugese bezitting kon vervoeren, van waar er meer gelegenheid zou zijn om naar Europa terug te gaan, maar we zijn hier nu al bijna vijf maanden, en in die tijd heeft geen schip de baai van Natal bezocht, en wie weet wanneer dit gebeuren zal. Bovendien vrezen we, dat de kaffers niet altijd jegens ons zo vriendelik gestemd zullen blijven, als ze nu zijn, en wanneer ze vijandig worden en ons aanvallen, zijn wij niet bij machte hen tegen te staan, doch zullen we allen vermoord worden.“We hebben gisteren avond raad gehouden, en mijn vriend Hartog hier, gaf aan de hand, een grote, sterke boot te bouwen, en te trachten daarmee de Kaap te bereiken.“Daar we dat echter niet zonder jullie hulp kunnen doen, zijn Hartog en ik afgevaardigd om van jullieen je drie metgezellen te vernemen, wat jullie van ons plan denken. Keuren jullie ’t goed, dan beloven we om met onze uiterste krachten te helpen ’t ten uitvoer te brengen.”De twee Engelsen hadden met aandacht naarMacIntoshgeluisterd, en toen deze geëindigd had, nam William Christian ’t woord en zei:“Het plan door jullie voorgesteld, is voor ons volstrekt niet nieuw, want verleden jaar hebben Kingston en ik deze kwestie reeds herhaaldelik besproken, maar er waren toen moeilikheden in de weg, die ’t plan onuitvoerbaar maakten. In de eerste plaats waren we te weinig in aantal om zulk ’n groot werk te ondernemen, en in de tweede plaats hadden we niet ’t allernodigste gereedschap. Toen de kapitein van de Good Hope met negen van de onzen naar Mozambique vertrok, nam hij al ’t bruikbare gereedschap met zich, en liet slechts enige versleten en nutteloze artikelen achter. Eerst toen in ’t begin van dit jaar het tweede Engelse scheepje hier aankwam, gelukte het ons om enige dingen te ruilen, en kwamen we zodoende in ’t bezit van ’n stuk of wat bijlen, ’n paar hamers, drie boren en ’n zaag. Maar toen we die kregen, hadden de andere drie reeds kaffervrouwen genomen en bestond er bij hen geen biezondere lust meer om dit land te verlaten.Met ons tweeën konden we natuurlik niets uitrichten. Nu is de zaak echter anders. We zijn met ons allen 16 man sterk, en ofschoon we met heel wat moeilikheden zullen moeten kampen, is ’t plan toch uitvoerbaar, naar ik meen. We zijn natuurlik niet in staat om jullie vanavond ’n beslist antwoord te geven, want we zijn verplicht om onze drie vrienden te raadplegen en hun oordeel te vragen; als zij er echter in toestemmen, moeten we bespreken, hoe we ’t op de beste wijze kunnen aanleggen, en welke middelen te onzer beschikking staan.“We kunnen zo iets niet hals over kop beginnen, om later uit te vinden, dat we te veel hooi op onze vork hebben genomen. Morgen zullen we met hen spreken, en als ze ’t plan goedkeuren, zullen Kingston en ik, en misschien ook de anderen,jullie daarna bezoeken en dan verdere biezonderheden gezamenlik bespreken.”De Tweede en Derde stuurman namen genoegen hiermede en gingen welgemoed naar hun hut terug.De volgende avond kwamen Kingston en Christian werkelik naar de hut van de kapitein en maakten ’n verontschuldiging voor hun drie maats, die, naar ze zeiden, voor belangrijke zaken naar ’t dorp van de Abambo’s waren gegaan.De andere schipbreukelingen van de Stavenissewerden toen geroepen, en daar ’t een warme en heldere avond was, besloot men de vergadering buiten te houden. Wie een bankje of houten stoeltje had, ging dat halen, de anderen vleiden zich neer op de grond. Katrijn was natuurlik ook op de vergadering tegenwoordig.Deze avond was ’t John Kingston, die ’t eerst sprak, en zijn woorden werden door MacIntosh vertolkt, schoon Katrijn een handje meehielp, als de Schot het juiste Hollandse woord niet kon vinden.Kingston zei dan: “Vrienden, volgens belofte gisteren avond aan jullie afgevaardigden gedaan, hebben we vandaag onze drie maters geraadpleegd.“Het kostte ons wel wat moeite om ze te overreden, maar ten laatste stemden ze volmondig met ons plan samen en beloofden om eerlik hun aandeel in ’t werk te verrichten.“Het plan om ’n boot te bouwen, groot en sterk genoeg om ons veilig naar de Kaap de Goede Hoop te brengen, gaat dus door. Tans moeten we de biezonderheden bespreken, en zien welke moeilikheden we te boven moeten komen.“Vooreerst wil ik mededelen, dat alhoewel we enigszins weten hoe ’n boot moet gebouwd worden, geen van ons vijven dit ooit werkelik heeft gedaan, en we hopen dus voor een groot deel op jullie inlichtingen,altans als er iemand onder jullie is, die er meer van weet, dan wij.”Op dat ogenblik viel stuurman MacIntosh de spreker in de rede, en zei:“Daar kan ik jullie in helpen, want vóór ik op zee ging, heb ik zes jaar gewerkt op ’n scheepstimmerwerf te Glasgow, waar men voornamelik boten voor de haringvisserij bouwde, en zo ’n haringbuis, indien goed gemaakt, kan heel wat zee en wind verdragen en zou ons gemakkelik naar de Kaap brengen.”“En hoe groot zou zo ’n boot wezen?” vroeg William Christian.“Minstens 60 voet lang bij 9 voet breed en niet minder dan 8 voet diep, maar nog liever 10 voet, om hem zonder veel ballast toch standvastigheid te geven,” antwoordde de Tweede stuurman.“Goed, dat is reeds heel wat gewonnen,” zei Kingston lachend en toen vervolgde hij:“Hout, en goed hout ook, hebben we in overvloed, en als we de nodige bomen hebben gekapt, zullen we geen moeite hebben dragers te krijgen om ze naar ’t strand te brengen. Bovendien zijn er nog ’n aantal planken in het stuk romp van de Good Hope, dat op ’t strand ligt, die misschien te pas kunnen komen. Bouten kunnen we ook krijgen, maarwat we voornamelik nodig hebben, zijn spijkers. Nu zou ik wel zelf die spijkers kunnen maken, want ik ben niet onbekend met het smidsambacht, maar daarvoor moet ik ijzer van de rechte soort hebben, b.v. een anker. Bij ’t stranden van de Good Hope zijn al de ankers verloren gegaan.”Hier sprong Willem Tuijl op en zei:“Er moet nog heel wat ijzer op ’t wrak van de Stavenisse zijn, als dit ten minste bij deze tijd niet geheel uit elkander is geslagen, en ik meen ook dat ik op ’t strand een oud anker heb zien liggen, maar of dat aan de Stavenisse behoorde, weet ik niet. In alle geval waren er nog heel wat goede planken, vooral in ’t dek, en zelfs als ’t schip uit elkaar geslagen is, zal zonder twijfel ’n gedeelte van de planken aan land zijn gespoeld.”“Dan is er slechts één goed plan,” merkte Christian op, “namelik dat een of twee van ons met ’n klompje dragers teruggaan naar de plek waar de Stavenisse gestrand is, om te zien wat er aan land gespoeld is, en al wat bruikbaar is, naar de Baai te brengen.”“En nu wil ik weten, hoeveel en welk gereedschap de bemanning van de Stavenisse bezit,” zei Kingston verder.Na enig narekenen, was het antwoord hierop, 5 bijlen, 2 graven en 3 pikken.“En één mes,” riep Katrijn lachend uit, terwijl ze ’t grote mes, dat ze van ’t schip meegenomen had, voor den dag haalde, en aan Kingston overhandigde, die zei dat dit van groot nut kon zijn.Daarop verklaarde MacIntosh, dat men nog meer gereedschap uit ’t wrak had gered, maar dat ’t merendeel bij ’t omslaan van de door hen gebouwde boot verloren was gegaan.“En nu komt de laatste vraag,” vervolgde Kingston, “waar is de tent van zeilen, die jullie bij de Stavenisse hadden?”“Die heb je op de plek laten staan, waar hij stond,” antwoordde de barbier, die een van de herstelde zieken was, “en de kaffers hebben die zeker ingepikt.”Kingston bedacht zich ’n ogenblik, sloeg toen met z’n vuist tegen z’n voorhoofd, en riep uit: “Dat is werkelik zo, en dat is de domste streek, die ik ooit in m’n leven uitgehaald heb. Doch ’t zou me niet verwonderen als die tent er nog stond, want kaffers hebben geen nut van ’n zeil, ofschoon ze ’t uit pure moedwilligheid mogen vernield hebben.”“Hoe omtrent proviand voor de reis, meneer Kingston?” vroeg Katrijn, die dit als haar eigen speciaal departement beschouwde.“Daar zullen we voor zorgen, en ge zult geen honger lijden,” antwoordde de Engelsman lachend;“we hebben ruilwaren genoeg om voldoende proviand voor tien zulke boten te krijgen. Laat dat maar gerust aan ons over, op voorwaarde dat u de kost voor ons aan boord kookt, als uw aandeel in ’t werk. Wij zullen voor ’n behoorlik kombuisje zorgen.”“Hoe zult ge de weg naar de Kaap vinden?” vroeg Kapitein Knijf, die tot nu toe ’t stilzwijgen had bewaard.“Turnbull, een van onze kameraads,heeft een kompas, dat we altijd gebruiken op onze landreizen,” antwoordde Christian, “en dat kan ons op zee ook van dienst zijn. ’t Is wel klein, maar vrij juist, en bovendien kunnen we altijd de kust in ’t gezicht houden.”Kapitein Knijf mompelde iets van “onderzeese riffen”, maar zei verder niets.Na nog ’n aantal punten van minder belang besproken te hebben, kwam men ten laatste tot de volgende besluiten:1. Dat aangezien het nu Woensdag was, en er eerst heel wat schikkingen en toebereidselen moesten gemaakt worden, men de volgende Maandag met ’t bouwen van de boot zou beginnen.2. Dat de volgende middag William Christian en MacIntosh met ’n twintigtal kafferdragersdadelik naar ’t wrak van de Stavenisse zouden vertrekken en van daar alles zouden brengen, wat van nut zou kunnen zijn bij de bouw van de boot.3. Dat Kingston ondertussen de verder nodige toebereidselen zou maken, en elk persoon daartoe opgeroepen, hem alle hulp zou verlenen.Het was reeds laat toen de vergadering verdaagde, doch iedereen ging met een hoopvol hart slapen.

HOOFDSTUK XI.Een goed plan.

Het was op zekere avond in ’t eind van Augustus 1686, dat MacIntosh en Hartog de hut binnentraden, waarin Kingston en Christian woonden, en om ’n onderhoud met dezen verzochten. Toen dit door de twee Engelsen toegestaan was, begon MacIntosh aldus:“Vrienden, in de eerste plaats verzoeken we jullie om toch niet te denken, dat we komen om te klagen of onze ontevredenheid te kennen te geven. Integendeel zijn we jullie en de drie andere Engelsen zeer dankbaar voor alles wat jullie voor ons, schipbreukelingen van de Stavenisse, hebt gedaan. Je hebt ons van de hongersnood gered, ons hier naar dezeprachtige plek gebracht, en edelmoedig en rojaal van alles voorzien; we kunnen jullie dat nooit vergelden.“Maar er zijn er onder ons, vooral van de Hollanders, die verlangen om naar hun vaderland terug te gaan, en dit is voornamelik ’t geval met de kapitein en z’n dochter.“Jullie zijn al gewoon aan dit land en deze leefwijze, wij nog niet.“We hadden gehoopt dat er spoedig een schip hier in de baai zou binnenlopen, dat ons ten minste naar de een of andere Portugese bezitting kon vervoeren, van waar er meer gelegenheid zou zijn om naar Europa terug te gaan, maar we zijn hier nu al bijna vijf maanden, en in die tijd heeft geen schip de baai van Natal bezocht, en wie weet wanneer dit gebeuren zal. Bovendien vrezen we, dat de kaffers niet altijd jegens ons zo vriendelik gestemd zullen blijven, als ze nu zijn, en wanneer ze vijandig worden en ons aanvallen, zijn wij niet bij machte hen tegen te staan, doch zullen we allen vermoord worden.“We hebben gisteren avond raad gehouden, en mijn vriend Hartog hier, gaf aan de hand, een grote, sterke boot te bouwen, en te trachten daarmee de Kaap te bereiken.“Daar we dat echter niet zonder jullie hulp kunnen doen, zijn Hartog en ik afgevaardigd om van jullieen je drie metgezellen te vernemen, wat jullie van ons plan denken. Keuren jullie ’t goed, dan beloven we om met onze uiterste krachten te helpen ’t ten uitvoer te brengen.”De twee Engelsen hadden met aandacht naarMacIntoshgeluisterd, en toen deze geëindigd had, nam William Christian ’t woord en zei:“Het plan door jullie voorgesteld, is voor ons volstrekt niet nieuw, want verleden jaar hebben Kingston en ik deze kwestie reeds herhaaldelik besproken, maar er waren toen moeilikheden in de weg, die ’t plan onuitvoerbaar maakten. In de eerste plaats waren we te weinig in aantal om zulk ’n groot werk te ondernemen, en in de tweede plaats hadden we niet ’t allernodigste gereedschap. Toen de kapitein van de Good Hope met negen van de onzen naar Mozambique vertrok, nam hij al ’t bruikbare gereedschap met zich, en liet slechts enige versleten en nutteloze artikelen achter. Eerst toen in ’t begin van dit jaar het tweede Engelse scheepje hier aankwam, gelukte het ons om enige dingen te ruilen, en kwamen we zodoende in ’t bezit van ’n stuk of wat bijlen, ’n paar hamers, drie boren en ’n zaag. Maar toen we die kregen, hadden de andere drie reeds kaffervrouwen genomen en bestond er bij hen geen biezondere lust meer om dit land te verlaten.Met ons tweeën konden we natuurlik niets uitrichten. Nu is de zaak echter anders. We zijn met ons allen 16 man sterk, en ofschoon we met heel wat moeilikheden zullen moeten kampen, is ’t plan toch uitvoerbaar, naar ik meen. We zijn natuurlik niet in staat om jullie vanavond ’n beslist antwoord te geven, want we zijn verplicht om onze drie vrienden te raadplegen en hun oordeel te vragen; als zij er echter in toestemmen, moeten we bespreken, hoe we ’t op de beste wijze kunnen aanleggen, en welke middelen te onzer beschikking staan.“We kunnen zo iets niet hals over kop beginnen, om later uit te vinden, dat we te veel hooi op onze vork hebben genomen. Morgen zullen we met hen spreken, en als ze ’t plan goedkeuren, zullen Kingston en ik, en misschien ook de anderen,jullie daarna bezoeken en dan verdere biezonderheden gezamenlik bespreken.”De Tweede en Derde stuurman namen genoegen hiermede en gingen welgemoed naar hun hut terug.De volgende avond kwamen Kingston en Christian werkelik naar de hut van de kapitein en maakten ’n verontschuldiging voor hun drie maats, die, naar ze zeiden, voor belangrijke zaken naar ’t dorp van de Abambo’s waren gegaan.De andere schipbreukelingen van de Stavenissewerden toen geroepen, en daar ’t een warme en heldere avond was, besloot men de vergadering buiten te houden. Wie een bankje of houten stoeltje had, ging dat halen, de anderen vleiden zich neer op de grond. Katrijn was natuurlik ook op de vergadering tegenwoordig.Deze avond was ’t John Kingston, die ’t eerst sprak, en zijn woorden werden door MacIntosh vertolkt, schoon Katrijn een handje meehielp, als de Schot het juiste Hollandse woord niet kon vinden.Kingston zei dan: “Vrienden, volgens belofte gisteren avond aan jullie afgevaardigden gedaan, hebben we vandaag onze drie maters geraadpleegd.“Het kostte ons wel wat moeite om ze te overreden, maar ten laatste stemden ze volmondig met ons plan samen en beloofden om eerlik hun aandeel in ’t werk te verrichten.“Het plan om ’n boot te bouwen, groot en sterk genoeg om ons veilig naar de Kaap de Goede Hoop te brengen, gaat dus door. Tans moeten we de biezonderheden bespreken, en zien welke moeilikheden we te boven moeten komen.“Vooreerst wil ik mededelen, dat alhoewel we enigszins weten hoe ’n boot moet gebouwd worden, geen van ons vijven dit ooit werkelik heeft gedaan, en we hopen dus voor een groot deel op jullie inlichtingen,altans als er iemand onder jullie is, die er meer van weet, dan wij.”Op dat ogenblik viel stuurman MacIntosh de spreker in de rede, en zei:“Daar kan ik jullie in helpen, want vóór ik op zee ging, heb ik zes jaar gewerkt op ’n scheepstimmerwerf te Glasgow, waar men voornamelik boten voor de haringvisserij bouwde, en zo ’n haringbuis, indien goed gemaakt, kan heel wat zee en wind verdragen en zou ons gemakkelik naar de Kaap brengen.”“En hoe groot zou zo ’n boot wezen?” vroeg William Christian.“Minstens 60 voet lang bij 9 voet breed en niet minder dan 8 voet diep, maar nog liever 10 voet, om hem zonder veel ballast toch standvastigheid te geven,” antwoordde de Tweede stuurman.“Goed, dat is reeds heel wat gewonnen,” zei Kingston lachend en toen vervolgde hij:“Hout, en goed hout ook, hebben we in overvloed, en als we de nodige bomen hebben gekapt, zullen we geen moeite hebben dragers te krijgen om ze naar ’t strand te brengen. Bovendien zijn er nog ’n aantal planken in het stuk romp van de Good Hope, dat op ’t strand ligt, die misschien te pas kunnen komen. Bouten kunnen we ook krijgen, maarwat we voornamelik nodig hebben, zijn spijkers. Nu zou ik wel zelf die spijkers kunnen maken, want ik ben niet onbekend met het smidsambacht, maar daarvoor moet ik ijzer van de rechte soort hebben, b.v. een anker. Bij ’t stranden van de Good Hope zijn al de ankers verloren gegaan.”Hier sprong Willem Tuijl op en zei:“Er moet nog heel wat ijzer op ’t wrak van de Stavenisse zijn, als dit ten minste bij deze tijd niet geheel uit elkander is geslagen, en ik meen ook dat ik op ’t strand een oud anker heb zien liggen, maar of dat aan de Stavenisse behoorde, weet ik niet. In alle geval waren er nog heel wat goede planken, vooral in ’t dek, en zelfs als ’t schip uit elkaar geslagen is, zal zonder twijfel ’n gedeelte van de planken aan land zijn gespoeld.”“Dan is er slechts één goed plan,” merkte Christian op, “namelik dat een of twee van ons met ’n klompje dragers teruggaan naar de plek waar de Stavenisse gestrand is, om te zien wat er aan land gespoeld is, en al wat bruikbaar is, naar de Baai te brengen.”“En nu wil ik weten, hoeveel en welk gereedschap de bemanning van de Stavenisse bezit,” zei Kingston verder.Na enig narekenen, was het antwoord hierop, 5 bijlen, 2 graven en 3 pikken.“En één mes,” riep Katrijn lachend uit, terwijl ze ’t grote mes, dat ze van ’t schip meegenomen had, voor den dag haalde, en aan Kingston overhandigde, die zei dat dit van groot nut kon zijn.Daarop verklaarde MacIntosh, dat men nog meer gereedschap uit ’t wrak had gered, maar dat ’t merendeel bij ’t omslaan van de door hen gebouwde boot verloren was gegaan.“En nu komt de laatste vraag,” vervolgde Kingston, “waar is de tent van zeilen, die jullie bij de Stavenisse hadden?”“Die heb je op de plek laten staan, waar hij stond,” antwoordde de barbier, die een van de herstelde zieken was, “en de kaffers hebben die zeker ingepikt.”Kingston bedacht zich ’n ogenblik, sloeg toen met z’n vuist tegen z’n voorhoofd, en riep uit: “Dat is werkelik zo, en dat is de domste streek, die ik ooit in m’n leven uitgehaald heb. Doch ’t zou me niet verwonderen als die tent er nog stond, want kaffers hebben geen nut van ’n zeil, ofschoon ze ’t uit pure moedwilligheid mogen vernield hebben.”“Hoe omtrent proviand voor de reis, meneer Kingston?” vroeg Katrijn, die dit als haar eigen speciaal departement beschouwde.“Daar zullen we voor zorgen, en ge zult geen honger lijden,” antwoordde de Engelsman lachend;“we hebben ruilwaren genoeg om voldoende proviand voor tien zulke boten te krijgen. Laat dat maar gerust aan ons over, op voorwaarde dat u de kost voor ons aan boord kookt, als uw aandeel in ’t werk. Wij zullen voor ’n behoorlik kombuisje zorgen.”“Hoe zult ge de weg naar de Kaap vinden?” vroeg Kapitein Knijf, die tot nu toe ’t stilzwijgen had bewaard.“Turnbull, een van onze kameraads,heeft een kompas, dat we altijd gebruiken op onze landreizen,” antwoordde Christian, “en dat kan ons op zee ook van dienst zijn. ’t Is wel klein, maar vrij juist, en bovendien kunnen we altijd de kust in ’t gezicht houden.”Kapitein Knijf mompelde iets van “onderzeese riffen”, maar zei verder niets.Na nog ’n aantal punten van minder belang besproken te hebben, kwam men ten laatste tot de volgende besluiten:1. Dat aangezien het nu Woensdag was, en er eerst heel wat schikkingen en toebereidselen moesten gemaakt worden, men de volgende Maandag met ’t bouwen van de boot zou beginnen.2. Dat de volgende middag William Christian en MacIntosh met ’n twintigtal kafferdragersdadelik naar ’t wrak van de Stavenisse zouden vertrekken en van daar alles zouden brengen, wat van nut zou kunnen zijn bij de bouw van de boot.3. Dat Kingston ondertussen de verder nodige toebereidselen zou maken, en elk persoon daartoe opgeroepen, hem alle hulp zou verlenen.Het was reeds laat toen de vergadering verdaagde, doch iedereen ging met een hoopvol hart slapen.

Het was op zekere avond in ’t eind van Augustus 1686, dat MacIntosh en Hartog de hut binnentraden, waarin Kingston en Christian woonden, en om ’n onderhoud met dezen verzochten. Toen dit door de twee Engelsen toegestaan was, begon MacIntosh aldus:

“Vrienden, in de eerste plaats verzoeken we jullie om toch niet te denken, dat we komen om te klagen of onze ontevredenheid te kennen te geven. Integendeel zijn we jullie en de drie andere Engelsen zeer dankbaar voor alles wat jullie voor ons, schipbreukelingen van de Stavenisse, hebt gedaan. Je hebt ons van de hongersnood gered, ons hier naar dezeprachtige plek gebracht, en edelmoedig en rojaal van alles voorzien; we kunnen jullie dat nooit vergelden.

“Maar er zijn er onder ons, vooral van de Hollanders, die verlangen om naar hun vaderland terug te gaan, en dit is voornamelik ’t geval met de kapitein en z’n dochter.

“Jullie zijn al gewoon aan dit land en deze leefwijze, wij nog niet.

“We hadden gehoopt dat er spoedig een schip hier in de baai zou binnenlopen, dat ons ten minste naar de een of andere Portugese bezitting kon vervoeren, van waar er meer gelegenheid zou zijn om naar Europa terug te gaan, maar we zijn hier nu al bijna vijf maanden, en in die tijd heeft geen schip de baai van Natal bezocht, en wie weet wanneer dit gebeuren zal. Bovendien vrezen we, dat de kaffers niet altijd jegens ons zo vriendelik gestemd zullen blijven, als ze nu zijn, en wanneer ze vijandig worden en ons aanvallen, zijn wij niet bij machte hen tegen te staan, doch zullen we allen vermoord worden.

“We hebben gisteren avond raad gehouden, en mijn vriend Hartog hier, gaf aan de hand, een grote, sterke boot te bouwen, en te trachten daarmee de Kaap te bereiken.

“Daar we dat echter niet zonder jullie hulp kunnen doen, zijn Hartog en ik afgevaardigd om van jullieen je drie metgezellen te vernemen, wat jullie van ons plan denken. Keuren jullie ’t goed, dan beloven we om met onze uiterste krachten te helpen ’t ten uitvoer te brengen.”

De twee Engelsen hadden met aandacht naarMacIntoshgeluisterd, en toen deze geëindigd had, nam William Christian ’t woord en zei:

“Het plan door jullie voorgesteld, is voor ons volstrekt niet nieuw, want verleden jaar hebben Kingston en ik deze kwestie reeds herhaaldelik besproken, maar er waren toen moeilikheden in de weg, die ’t plan onuitvoerbaar maakten. In de eerste plaats waren we te weinig in aantal om zulk ’n groot werk te ondernemen, en in de tweede plaats hadden we niet ’t allernodigste gereedschap. Toen de kapitein van de Good Hope met negen van de onzen naar Mozambique vertrok, nam hij al ’t bruikbare gereedschap met zich, en liet slechts enige versleten en nutteloze artikelen achter. Eerst toen in ’t begin van dit jaar het tweede Engelse scheepje hier aankwam, gelukte het ons om enige dingen te ruilen, en kwamen we zodoende in ’t bezit van ’n stuk of wat bijlen, ’n paar hamers, drie boren en ’n zaag. Maar toen we die kregen, hadden de andere drie reeds kaffervrouwen genomen en bestond er bij hen geen biezondere lust meer om dit land te verlaten.Met ons tweeën konden we natuurlik niets uitrichten. Nu is de zaak echter anders. We zijn met ons allen 16 man sterk, en ofschoon we met heel wat moeilikheden zullen moeten kampen, is ’t plan toch uitvoerbaar, naar ik meen. We zijn natuurlik niet in staat om jullie vanavond ’n beslist antwoord te geven, want we zijn verplicht om onze drie vrienden te raadplegen en hun oordeel te vragen; als zij er echter in toestemmen, moeten we bespreken, hoe we ’t op de beste wijze kunnen aanleggen, en welke middelen te onzer beschikking staan.

“We kunnen zo iets niet hals over kop beginnen, om later uit te vinden, dat we te veel hooi op onze vork hebben genomen. Morgen zullen we met hen spreken, en als ze ’t plan goedkeuren, zullen Kingston en ik, en misschien ook de anderen,jullie daarna bezoeken en dan verdere biezonderheden gezamenlik bespreken.”

De Tweede en Derde stuurman namen genoegen hiermede en gingen welgemoed naar hun hut terug.

De volgende avond kwamen Kingston en Christian werkelik naar de hut van de kapitein en maakten ’n verontschuldiging voor hun drie maats, die, naar ze zeiden, voor belangrijke zaken naar ’t dorp van de Abambo’s waren gegaan.

De andere schipbreukelingen van de Stavenissewerden toen geroepen, en daar ’t een warme en heldere avond was, besloot men de vergadering buiten te houden. Wie een bankje of houten stoeltje had, ging dat halen, de anderen vleiden zich neer op de grond. Katrijn was natuurlik ook op de vergadering tegenwoordig.

Deze avond was ’t John Kingston, die ’t eerst sprak, en zijn woorden werden door MacIntosh vertolkt, schoon Katrijn een handje meehielp, als de Schot het juiste Hollandse woord niet kon vinden.

Kingston zei dan: “Vrienden, volgens belofte gisteren avond aan jullie afgevaardigden gedaan, hebben we vandaag onze drie maters geraadpleegd.

“Het kostte ons wel wat moeite om ze te overreden, maar ten laatste stemden ze volmondig met ons plan samen en beloofden om eerlik hun aandeel in ’t werk te verrichten.

“Het plan om ’n boot te bouwen, groot en sterk genoeg om ons veilig naar de Kaap de Goede Hoop te brengen, gaat dus door. Tans moeten we de biezonderheden bespreken, en zien welke moeilikheden we te boven moeten komen.

“Vooreerst wil ik mededelen, dat alhoewel we enigszins weten hoe ’n boot moet gebouwd worden, geen van ons vijven dit ooit werkelik heeft gedaan, en we hopen dus voor een groot deel op jullie inlichtingen,altans als er iemand onder jullie is, die er meer van weet, dan wij.”

Op dat ogenblik viel stuurman MacIntosh de spreker in de rede, en zei:

“Daar kan ik jullie in helpen, want vóór ik op zee ging, heb ik zes jaar gewerkt op ’n scheepstimmerwerf te Glasgow, waar men voornamelik boten voor de haringvisserij bouwde, en zo ’n haringbuis, indien goed gemaakt, kan heel wat zee en wind verdragen en zou ons gemakkelik naar de Kaap brengen.”

“En hoe groot zou zo ’n boot wezen?” vroeg William Christian.

“Minstens 60 voet lang bij 9 voet breed en niet minder dan 8 voet diep, maar nog liever 10 voet, om hem zonder veel ballast toch standvastigheid te geven,” antwoordde de Tweede stuurman.

“Goed, dat is reeds heel wat gewonnen,” zei Kingston lachend en toen vervolgde hij:

“Hout, en goed hout ook, hebben we in overvloed, en als we de nodige bomen hebben gekapt, zullen we geen moeite hebben dragers te krijgen om ze naar ’t strand te brengen. Bovendien zijn er nog ’n aantal planken in het stuk romp van de Good Hope, dat op ’t strand ligt, die misschien te pas kunnen komen. Bouten kunnen we ook krijgen, maarwat we voornamelik nodig hebben, zijn spijkers. Nu zou ik wel zelf die spijkers kunnen maken, want ik ben niet onbekend met het smidsambacht, maar daarvoor moet ik ijzer van de rechte soort hebben, b.v. een anker. Bij ’t stranden van de Good Hope zijn al de ankers verloren gegaan.”

Hier sprong Willem Tuijl op en zei:

“Er moet nog heel wat ijzer op ’t wrak van de Stavenisse zijn, als dit ten minste bij deze tijd niet geheel uit elkander is geslagen, en ik meen ook dat ik op ’t strand een oud anker heb zien liggen, maar of dat aan de Stavenisse behoorde, weet ik niet. In alle geval waren er nog heel wat goede planken, vooral in ’t dek, en zelfs als ’t schip uit elkaar geslagen is, zal zonder twijfel ’n gedeelte van de planken aan land zijn gespoeld.”

“Dan is er slechts één goed plan,” merkte Christian op, “namelik dat een of twee van ons met ’n klompje dragers teruggaan naar de plek waar de Stavenisse gestrand is, om te zien wat er aan land gespoeld is, en al wat bruikbaar is, naar de Baai te brengen.”

“En nu wil ik weten, hoeveel en welk gereedschap de bemanning van de Stavenisse bezit,” zei Kingston verder.

Na enig narekenen, was het antwoord hierop, 5 bijlen, 2 graven en 3 pikken.

“En één mes,” riep Katrijn lachend uit, terwijl ze ’t grote mes, dat ze van ’t schip meegenomen had, voor den dag haalde, en aan Kingston overhandigde, die zei dat dit van groot nut kon zijn.

Daarop verklaarde MacIntosh, dat men nog meer gereedschap uit ’t wrak had gered, maar dat ’t merendeel bij ’t omslaan van de door hen gebouwde boot verloren was gegaan.

“En nu komt de laatste vraag,” vervolgde Kingston, “waar is de tent van zeilen, die jullie bij de Stavenisse hadden?”

“Die heb je op de plek laten staan, waar hij stond,” antwoordde de barbier, die een van de herstelde zieken was, “en de kaffers hebben die zeker ingepikt.”

Kingston bedacht zich ’n ogenblik, sloeg toen met z’n vuist tegen z’n voorhoofd, en riep uit: “Dat is werkelik zo, en dat is de domste streek, die ik ooit in m’n leven uitgehaald heb. Doch ’t zou me niet verwonderen als die tent er nog stond, want kaffers hebben geen nut van ’n zeil, ofschoon ze ’t uit pure moedwilligheid mogen vernield hebben.”

“Hoe omtrent proviand voor de reis, meneer Kingston?” vroeg Katrijn, die dit als haar eigen speciaal departement beschouwde.

“Daar zullen we voor zorgen, en ge zult geen honger lijden,” antwoordde de Engelsman lachend;“we hebben ruilwaren genoeg om voldoende proviand voor tien zulke boten te krijgen. Laat dat maar gerust aan ons over, op voorwaarde dat u de kost voor ons aan boord kookt, als uw aandeel in ’t werk. Wij zullen voor ’n behoorlik kombuisje zorgen.”

“Hoe zult ge de weg naar de Kaap vinden?” vroeg Kapitein Knijf, die tot nu toe ’t stilzwijgen had bewaard.

“Turnbull, een van onze kameraads,heeft een kompas, dat we altijd gebruiken op onze landreizen,” antwoordde Christian, “en dat kan ons op zee ook van dienst zijn. ’t Is wel klein, maar vrij juist, en bovendien kunnen we altijd de kust in ’t gezicht houden.”

Kapitein Knijf mompelde iets van “onderzeese riffen”, maar zei verder niets.

Na nog ’n aantal punten van minder belang besproken te hebben, kwam men ten laatste tot de volgende besluiten:

1. Dat aangezien het nu Woensdag was, en er eerst heel wat schikkingen en toebereidselen moesten gemaakt worden, men de volgende Maandag met ’t bouwen van de boot zou beginnen.2. Dat de volgende middag William Christian en MacIntosh met ’n twintigtal kafferdragersdadelik naar ’t wrak van de Stavenisse zouden vertrekken en van daar alles zouden brengen, wat van nut zou kunnen zijn bij de bouw van de boot.3. Dat Kingston ondertussen de verder nodige toebereidselen zou maken, en elk persoon daartoe opgeroepen, hem alle hulp zou verlenen.

1. Dat aangezien het nu Woensdag was, en er eerst heel wat schikkingen en toebereidselen moesten gemaakt worden, men de volgende Maandag met ’t bouwen van de boot zou beginnen.

2. Dat de volgende middag William Christian en MacIntosh met ’n twintigtal kafferdragersdadelik naar ’t wrak van de Stavenisse zouden vertrekken en van daar alles zouden brengen, wat van nut zou kunnen zijn bij de bouw van de boot.

3. Dat Kingston ondertussen de verder nodige toebereidselen zou maken, en elk persoon daartoe opgeroepen, hem alle hulp zou verlenen.

Het was reeds laat toen de vergadering verdaagde, doch iedereen ging met een hoopvol hart slapen.


Back to IndexNext