HOOFDSTUK XXVIII.

HOOFDSTUK XXVIII.De dood van Katrijn.Juist in de tijd dat de eigenaar van Goede Hoop en zijn vrouw op hun plaats terugkwamen, waren de beroeringen tegen Willem van der Stel ten top gestegen.Adam Tas was gevangen genomen, vier anderen waren naar Europa gezonden en ook uit Drakenstein waren er van de meest invloedrijke Hugenoten naar het Kasteel overgebracht, waaronder Jakob de Savoye, François du Toit en Hercules du Preez; de laatste werd zelfs dadelik op ’n schip geplaatst om naar Mauritius verbannen te worden. Men kan dus begrijpen dat er heel wat opgewondenheid in Drakenstein heerste, want de grote meerderheid van de bevolkingaldaar was tegen de Goeverneur gekant, Fransen zowel als Hollanders.Het was een moeilik geval, waarin Hartog zich bevond. Schoon hij persoonlik niets tegen de Goeverneur had, kon hij de willekeurige handelingen, waaraan Willem van der Stel zich nu schuldig maakte, niet goedkeuren, en evenmin de gevangenneming van mensen, die aan geen misdaad schuldig waren; maar toch had hij besloten zich buiten de verwikkelingen te houden en zich niet met politiek in te laten. Verscheidenen van de oude inwoners spraken met hem over de zaak en zeiden, dat ze niet verstaan konden, waarom hij, die een van de voornaamste inwoners in de buurt was, zich zo van de anderen afscheidde.Hartog gaf hierop slechts te kennen, dat de zaak hem niet aanging en hij zich onzijdig wilde houden.Hoewel geen mens ’t waagde hem enig beledigend woord toe te voegen, kon hij zien, dat zijn handelwijze hem in de achting van de kolonisten had doen dalen en zijn oude vrienden z’n huis zelfs vermeden.Enige weken na zijn terugkomst, werd in Kaapstad een lastbrief tot inhechtenisneming van de oude Willem van Zijl uitgevaardigd.Juist toen dit gebeurde, was Abraham Hartog in Kaapstad en toevallig hoorde hij van deze zaak,door tussenkomst van de Sekretaris van de Politieke Raad. Zonder verzuim zadelde hij zijn paard op en reed spoorslags naar Drakenstein terug, waar hij zich terstond naar het huis van de oude Willem begaf en deze vertelde, wat men tegen hem in ’t schild voerde.“Je moet dadelik vluchten en je ergens verbergen, Oom Willem,” zei Hartog; “als ik er iets aan kan doen, zal je nooit in de tronk komen.”“Waarheen?” vroeg de oude Van Zijl; “de bergen kan ik niet ingaan, want daar heb ik kans dat de Bosjesmannen me vermoorden, en de spionnen van Landdrost Starrenberg, van Stellenbosch, zijn overal in de buurt, en zullen gauw uitvinden, waar ik ben.”“Heb je jouw paard in de stal?” vroeg Hartog, waarop de oude man bevestigend antwoordde.“Zadel ’t dan op, Oom Willem,” zei Hartog, “en rijd met me saam. Ik zal je verbergen, en op een veilige plaats brengen.”“Waar?” vroeg de oude man.“Bij mij op de plaats,” klonk ’t antwoord.De oude Van Zijl keek zijn jonge vriend ongelovig aan en scheen te weifelen.“Maar je bent immers een vriend van de Goeverneur,” merkte hij aan, “en hoe kan je mij dan verbergen? Kijk, Hartog, je gaat me toch niet verraden en me aan de speurdienders overleveren?”Hartog was verontwaardigd over die woorden en sprak op ernstige toon: “Oom Willem, je kent me al 16 jaar, en ik geloof dat je nog nooit uitgevonden hebt, dat ik oneerlik of een schurk ben. Wat ik wil doen, is net om je te helpen, omdat je ’n oude vriend van me bent. Vertrouw je me niet, dan kan ik het niet helpen, maar ’t zou me spijten, als je in moeilikheden kwam.”De eerlike en rondborstige wijze, waarop Hartog sprak, deed de twijfel van de oude boer verdwijnen; hij zadelde zijn paard op, en enige minuten later reden hij en Hartog stapvoets ’t dorp uit; daar dit niets ongewoons was, veroorzaakte het bij niemand verbazing.Langs het pad deelde Hartog aan de oude man mede wat zijn plan was. Hij zou Willem van Zijl verbergen op de zolder van ’t huis en hem daar van al ’t nodige voorzien. Was er geen onraad, dan kon hij naar beneden komen en met Hartog en z’n vrouw samen zijn. Kwam er gevaar, dan moest hij vlug de binnentrap oplopen, die van de kombuis naar de zolder leidde, en zijn schuilplaats weer opzoeken.“Ik geloof dat je bij mij veilig zult zijn,” besloot Hartog; “daar is niemand van de Regering, die er ooit aan denken zal, om jou bij mij te zoeken, enzowel Nortier als mijn volk zijn vertrouwbaar en zullen hun mond niet opendoen, terwijl mijn vrouw maar al te blij zal wezen om jou te helpen.”In werkelikheid was Katrijn zeer verheugd, toen ze Oom Willem in ’t huis zag komen, want zij mocht de oude man graag, terwijl diens vrouw, Tante Sannie, haar menige dienst had bewezen.Hartog deelde aan Katrijn natuurlik ’t geheim mede, en zij kon niet nalaten haar man om de hals te vallen en hem ’n hartelike kus te geven als beloning voor zijn edelmoedig gedrag. Spoedig werd er op zolder een bed opgeslagen en was de oude boer van al ’t nodige voorzien.De dienaren van ’t Gerecht kwamen de volgende dag aan ’t huis van Oom Willem om hem gevangen te nemen, maar de vogel was gevlogen, en hoe men ook heinde en ver zocht of navraag deed, men kon geen spoor van hem ontdekken.Twee dagen later kwam Jan Lubbe, een van de veldwachters of politiebeambten, die te Drakenstein dienst deden, te paard naar Goede Hoop, en vroeg om de heer Hartog te spreken.“Meneer Hartog,” zei hij, “u weet zeker dat er ’n lastbrief is uitgevaardigd tegen de oude Willem van Zijl.”“Wat!” riep Hartog, met ’t meest onschuldigegezicht uit, “welk kwaad heeft die oude man dan gedaan?”“Hij staat beschuldigd van hoogverraad en verzet tegen de Regering, maar hij is gevlucht en we kunnen hem niet vinden, doch we vernemen dat hij eergisteren met u ’t dorp is uitgereden.”“Ja,” zei Hartog bedaard, “dat is zo; maar wat bedoel je daarmee?” vervolgde hij, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. Lubbe aarzelde ’n ogenblik en zei toen: “Wilt u me zeggen waar u afscheid van hem genomen hebt?”“Daar, waar het pad naar mijn plaats afdraait van de grote weg naar Stellenbosch; ik reed toen naar huis en Meneer van Zijl ging verder de grote weg op.”“Weet u niet, waar hij naar toe gegaan is?” vroeg de politiedienaar verder.“Nee,” zei Hartog, “dat heb ik hem niet gevraagd.”Lubbe lachte op ’n eigenaardige wijze en Hartog zag hem scherp aan.“Hoe schijnt ’t mij toe, kerel, alsof je denkt, dat ik iets te doen heb met ’t verdwijnen van de oude Willem van Zijl?” zei hij, met goed nagebootste ergernis. “Als je dat denkt, dan moet je ’t maar zeggen, en dan kan je mijn hele huis en plaats onderzoeken,maar ik bezweer je, dat ik dan dadelik naar de Kaap ga en me bij de Goeverneur zal beklagen, dat ik met zulk een verdenking door jullie, veldwachters, ben lastig gevallen; ik heb invloed genoeg op het Kasteel om te zorgen, dat ze dan iemand anders in jouw plek zullen aanstellen, daar je niet schijnt te weten, hoe een fatsoenlik man te behandelen.”Lubbe werd asvaal van schrik; hij maakte allerlei verontschuldigingen en eindigde met te zeggen, dat hij naar ’t dorp zou terugrijden.“Hoe gauwer je rijdt, hoe beter,” zei Hartog, “en pas voortaan op, dat je me niet meer op mijn plaats met zulke praatjes komt lastig vallen.”Toen de politiedienaar verdwenen was, kwam Katrijn, die blijkbaar luistervink gespeeld had, de kamer binnen, en lachte dat zij schudde over de wijze, waarop haar man de arme Jan Lubbe uit ’t veld had geslagen.Het verblijf van Willem van Zijl op Goede Hoop duurde langer, dan hij of zijn gastheer wel had gedacht. Drie maanden gingen voorbij en nog was men bezig om Willem op te sporen.De oude man zelf scheen verlegen met zijn toestand, en zei ten laatste, dat hij trachten zou, om in de nacht naar ’t land van Waveren te vluchten (tegenwoordigTulbagh), maar hiervan wilde Hartog niets weten.Het werd Desember 1706 en Willem van Zijl was reeds zes maanden op Goede Hoop. Gedurende de laatste weken was de koortsziekte in Drakenstein uitgebroken, waarschijnlik doordat de Bergrivier zeer laag was en niet meer stroomde, en men dus verplicht was, het water uit de stilstaande poelen te drinken. Dit was een oude gewoonte en zelfs de geneeskundigen in die dagen, wisten nog niet, dat dit een van de hoofdoorzaken van de koortsziekte was.Ook op Goede Hoop dronk men het water van de rivier, en omtrent op de helft van de maand begon Katrijn Hartog zich niet wel te gevoelen.Zij verzette zich echter tegen de koortsaanval en bleef nog ’n dag of vier, vijf, op de been, doch ten slotte moest zij ’t bed houden en zond Abraham, die spoedig inzag, dat zijn vrouw zwaar ziek was, om Tante Sannie van Zijl, die op deze wijze toevallig de gelegenheid kreeg om haar verborgen man te zien.De oude vrouw, die werkelik veel ervaring had, zei dadelik, dat Katrijn de koortsziekte had, en bood aan de zieke op te passen, ’n aanbod, dat Hartog met gretigheid aannam.Hij vond ’t echter geraden om ook naar Stellenboschte zenden, waar een Barbier zich toen gevestigd had, en deze te laten overkomen.De Barbier was van hetzelfde gevoelen als Tante Sannie. Hij gaf zekere geneesmiddelen, die echter van geen nut waren, want in die dagen wisten de dokters weinig of niets af van de aard en de behandeling van deze koorts, hoewel die in Europa dikwels voorkwam.Tante Sannie zei, dat de voornaamste zaak was om de krachten van de patiënt op te houden, en voerde haar dus zoveel mogelik met vlees, melk, eieren en ander versterkend voedsel, en dit verergerde natuurlik de ziekte, en deed de ingewanden meer en meer ontsteken. De koorts werd steeds heviger en Katrijn zwakker.Zestien dagen nadat zij voor ’t eerst naar bed was gegaan, verergerde de ziekte plotseling zodanig, dat Abraham Hartog snel geroepen werd; hij stond toen bij ’t sterfbed van zijn vrouw.Ofschoon zwak, was zij toch bij haar volle bewustzijn. Zij voelde zelf dat ’t einde nabij was, en met zwakke stem zei ze: “Abraham, als ik gestorven ben, treur dan niet te lang over me, maar kies je ’n andere vrouw uit, die je misschien gelukkiger zal maken dan ik, door je kinderen te schenken; want ik daal als kinderloze vrouw in ’t graf.”Snikkend wierp de diep bedroefde man zich aan de borst van de stervende, die hem nog toefluisterde: “Begraaf mij naast vader, bij de Kommandeursboom,” en daarna slaakte zij een diepe zucht, en toen Hartog zich ophief, was Katrijn niet meer.De oude Willem van Zijl had ’t gewaagd naar beneden te komen en was getuige geweest van de doodstrijd. Op een wenk van zijn vrouw nam hij zijn jongere vriend onder de arm en leidde hem stil uit ’t vertrek.De begrafenis van Katrijn was een der grootste, die men ooit in Drakenstein had gezien, want de overledene was algemeen bemind geweest.De dag van de teraardebestelling was een zeer zware voor de oude Willem, want hij moest zich van ’s morgens vroeg tot de late avond in zijn schuilplaats verborgen houden, en eerst toen allen de plaats verlaten hadden, kon hij naar beneden komen om Abraham in zijn droefheid te troosten.

HOOFDSTUK XXVIII.De dood van Katrijn.Juist in de tijd dat de eigenaar van Goede Hoop en zijn vrouw op hun plaats terugkwamen, waren de beroeringen tegen Willem van der Stel ten top gestegen.Adam Tas was gevangen genomen, vier anderen waren naar Europa gezonden en ook uit Drakenstein waren er van de meest invloedrijke Hugenoten naar het Kasteel overgebracht, waaronder Jakob de Savoye, François du Toit en Hercules du Preez; de laatste werd zelfs dadelik op ’n schip geplaatst om naar Mauritius verbannen te worden. Men kan dus begrijpen dat er heel wat opgewondenheid in Drakenstein heerste, want de grote meerderheid van de bevolkingaldaar was tegen de Goeverneur gekant, Fransen zowel als Hollanders.Het was een moeilik geval, waarin Hartog zich bevond. Schoon hij persoonlik niets tegen de Goeverneur had, kon hij de willekeurige handelingen, waaraan Willem van der Stel zich nu schuldig maakte, niet goedkeuren, en evenmin de gevangenneming van mensen, die aan geen misdaad schuldig waren; maar toch had hij besloten zich buiten de verwikkelingen te houden en zich niet met politiek in te laten. Verscheidenen van de oude inwoners spraken met hem over de zaak en zeiden, dat ze niet verstaan konden, waarom hij, die een van de voornaamste inwoners in de buurt was, zich zo van de anderen afscheidde.Hartog gaf hierop slechts te kennen, dat de zaak hem niet aanging en hij zich onzijdig wilde houden.Hoewel geen mens ’t waagde hem enig beledigend woord toe te voegen, kon hij zien, dat zijn handelwijze hem in de achting van de kolonisten had doen dalen en zijn oude vrienden z’n huis zelfs vermeden.Enige weken na zijn terugkomst, werd in Kaapstad een lastbrief tot inhechtenisneming van de oude Willem van Zijl uitgevaardigd.Juist toen dit gebeurde, was Abraham Hartog in Kaapstad en toevallig hoorde hij van deze zaak,door tussenkomst van de Sekretaris van de Politieke Raad. Zonder verzuim zadelde hij zijn paard op en reed spoorslags naar Drakenstein terug, waar hij zich terstond naar het huis van de oude Willem begaf en deze vertelde, wat men tegen hem in ’t schild voerde.“Je moet dadelik vluchten en je ergens verbergen, Oom Willem,” zei Hartog; “als ik er iets aan kan doen, zal je nooit in de tronk komen.”“Waarheen?” vroeg de oude Van Zijl; “de bergen kan ik niet ingaan, want daar heb ik kans dat de Bosjesmannen me vermoorden, en de spionnen van Landdrost Starrenberg, van Stellenbosch, zijn overal in de buurt, en zullen gauw uitvinden, waar ik ben.”“Heb je jouw paard in de stal?” vroeg Hartog, waarop de oude man bevestigend antwoordde.“Zadel ’t dan op, Oom Willem,” zei Hartog, “en rijd met me saam. Ik zal je verbergen, en op een veilige plaats brengen.”“Waar?” vroeg de oude man.“Bij mij op de plaats,” klonk ’t antwoord.De oude Van Zijl keek zijn jonge vriend ongelovig aan en scheen te weifelen.“Maar je bent immers een vriend van de Goeverneur,” merkte hij aan, “en hoe kan je mij dan verbergen? Kijk, Hartog, je gaat me toch niet verraden en me aan de speurdienders overleveren?”Hartog was verontwaardigd over die woorden en sprak op ernstige toon: “Oom Willem, je kent me al 16 jaar, en ik geloof dat je nog nooit uitgevonden hebt, dat ik oneerlik of een schurk ben. Wat ik wil doen, is net om je te helpen, omdat je ’n oude vriend van me bent. Vertrouw je me niet, dan kan ik het niet helpen, maar ’t zou me spijten, als je in moeilikheden kwam.”De eerlike en rondborstige wijze, waarop Hartog sprak, deed de twijfel van de oude boer verdwijnen; hij zadelde zijn paard op, en enige minuten later reden hij en Hartog stapvoets ’t dorp uit; daar dit niets ongewoons was, veroorzaakte het bij niemand verbazing.Langs het pad deelde Hartog aan de oude man mede wat zijn plan was. Hij zou Willem van Zijl verbergen op de zolder van ’t huis en hem daar van al ’t nodige voorzien. Was er geen onraad, dan kon hij naar beneden komen en met Hartog en z’n vrouw samen zijn. Kwam er gevaar, dan moest hij vlug de binnentrap oplopen, die van de kombuis naar de zolder leidde, en zijn schuilplaats weer opzoeken.“Ik geloof dat je bij mij veilig zult zijn,” besloot Hartog; “daar is niemand van de Regering, die er ooit aan denken zal, om jou bij mij te zoeken, enzowel Nortier als mijn volk zijn vertrouwbaar en zullen hun mond niet opendoen, terwijl mijn vrouw maar al te blij zal wezen om jou te helpen.”In werkelikheid was Katrijn zeer verheugd, toen ze Oom Willem in ’t huis zag komen, want zij mocht de oude man graag, terwijl diens vrouw, Tante Sannie, haar menige dienst had bewezen.Hartog deelde aan Katrijn natuurlik ’t geheim mede, en zij kon niet nalaten haar man om de hals te vallen en hem ’n hartelike kus te geven als beloning voor zijn edelmoedig gedrag. Spoedig werd er op zolder een bed opgeslagen en was de oude boer van al ’t nodige voorzien.De dienaren van ’t Gerecht kwamen de volgende dag aan ’t huis van Oom Willem om hem gevangen te nemen, maar de vogel was gevlogen, en hoe men ook heinde en ver zocht of navraag deed, men kon geen spoor van hem ontdekken.Twee dagen later kwam Jan Lubbe, een van de veldwachters of politiebeambten, die te Drakenstein dienst deden, te paard naar Goede Hoop, en vroeg om de heer Hartog te spreken.“Meneer Hartog,” zei hij, “u weet zeker dat er ’n lastbrief is uitgevaardigd tegen de oude Willem van Zijl.”“Wat!” riep Hartog, met ’t meest onschuldigegezicht uit, “welk kwaad heeft die oude man dan gedaan?”“Hij staat beschuldigd van hoogverraad en verzet tegen de Regering, maar hij is gevlucht en we kunnen hem niet vinden, doch we vernemen dat hij eergisteren met u ’t dorp is uitgereden.”“Ja,” zei Hartog bedaard, “dat is zo; maar wat bedoel je daarmee?” vervolgde hij, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. Lubbe aarzelde ’n ogenblik en zei toen: “Wilt u me zeggen waar u afscheid van hem genomen hebt?”“Daar, waar het pad naar mijn plaats afdraait van de grote weg naar Stellenbosch; ik reed toen naar huis en Meneer van Zijl ging verder de grote weg op.”“Weet u niet, waar hij naar toe gegaan is?” vroeg de politiedienaar verder.“Nee,” zei Hartog, “dat heb ik hem niet gevraagd.”Lubbe lachte op ’n eigenaardige wijze en Hartog zag hem scherp aan.“Hoe schijnt ’t mij toe, kerel, alsof je denkt, dat ik iets te doen heb met ’t verdwijnen van de oude Willem van Zijl?” zei hij, met goed nagebootste ergernis. “Als je dat denkt, dan moet je ’t maar zeggen, en dan kan je mijn hele huis en plaats onderzoeken,maar ik bezweer je, dat ik dan dadelik naar de Kaap ga en me bij de Goeverneur zal beklagen, dat ik met zulk een verdenking door jullie, veldwachters, ben lastig gevallen; ik heb invloed genoeg op het Kasteel om te zorgen, dat ze dan iemand anders in jouw plek zullen aanstellen, daar je niet schijnt te weten, hoe een fatsoenlik man te behandelen.”Lubbe werd asvaal van schrik; hij maakte allerlei verontschuldigingen en eindigde met te zeggen, dat hij naar ’t dorp zou terugrijden.“Hoe gauwer je rijdt, hoe beter,” zei Hartog, “en pas voortaan op, dat je me niet meer op mijn plaats met zulke praatjes komt lastig vallen.”Toen de politiedienaar verdwenen was, kwam Katrijn, die blijkbaar luistervink gespeeld had, de kamer binnen, en lachte dat zij schudde over de wijze, waarop haar man de arme Jan Lubbe uit ’t veld had geslagen.Het verblijf van Willem van Zijl op Goede Hoop duurde langer, dan hij of zijn gastheer wel had gedacht. Drie maanden gingen voorbij en nog was men bezig om Willem op te sporen.De oude man zelf scheen verlegen met zijn toestand, en zei ten laatste, dat hij trachten zou, om in de nacht naar ’t land van Waveren te vluchten (tegenwoordigTulbagh), maar hiervan wilde Hartog niets weten.Het werd Desember 1706 en Willem van Zijl was reeds zes maanden op Goede Hoop. Gedurende de laatste weken was de koortsziekte in Drakenstein uitgebroken, waarschijnlik doordat de Bergrivier zeer laag was en niet meer stroomde, en men dus verplicht was, het water uit de stilstaande poelen te drinken. Dit was een oude gewoonte en zelfs de geneeskundigen in die dagen, wisten nog niet, dat dit een van de hoofdoorzaken van de koortsziekte was.Ook op Goede Hoop dronk men het water van de rivier, en omtrent op de helft van de maand begon Katrijn Hartog zich niet wel te gevoelen.Zij verzette zich echter tegen de koortsaanval en bleef nog ’n dag of vier, vijf, op de been, doch ten slotte moest zij ’t bed houden en zond Abraham, die spoedig inzag, dat zijn vrouw zwaar ziek was, om Tante Sannie van Zijl, die op deze wijze toevallig de gelegenheid kreeg om haar verborgen man te zien.De oude vrouw, die werkelik veel ervaring had, zei dadelik, dat Katrijn de koortsziekte had, en bood aan de zieke op te passen, ’n aanbod, dat Hartog met gretigheid aannam.Hij vond ’t echter geraden om ook naar Stellenboschte zenden, waar een Barbier zich toen gevestigd had, en deze te laten overkomen.De Barbier was van hetzelfde gevoelen als Tante Sannie. Hij gaf zekere geneesmiddelen, die echter van geen nut waren, want in die dagen wisten de dokters weinig of niets af van de aard en de behandeling van deze koorts, hoewel die in Europa dikwels voorkwam.Tante Sannie zei, dat de voornaamste zaak was om de krachten van de patiënt op te houden, en voerde haar dus zoveel mogelik met vlees, melk, eieren en ander versterkend voedsel, en dit verergerde natuurlik de ziekte, en deed de ingewanden meer en meer ontsteken. De koorts werd steeds heviger en Katrijn zwakker.Zestien dagen nadat zij voor ’t eerst naar bed was gegaan, verergerde de ziekte plotseling zodanig, dat Abraham Hartog snel geroepen werd; hij stond toen bij ’t sterfbed van zijn vrouw.Ofschoon zwak, was zij toch bij haar volle bewustzijn. Zij voelde zelf dat ’t einde nabij was, en met zwakke stem zei ze: “Abraham, als ik gestorven ben, treur dan niet te lang over me, maar kies je ’n andere vrouw uit, die je misschien gelukkiger zal maken dan ik, door je kinderen te schenken; want ik daal als kinderloze vrouw in ’t graf.”Snikkend wierp de diep bedroefde man zich aan de borst van de stervende, die hem nog toefluisterde: “Begraaf mij naast vader, bij de Kommandeursboom,” en daarna slaakte zij een diepe zucht, en toen Hartog zich ophief, was Katrijn niet meer.De oude Willem van Zijl had ’t gewaagd naar beneden te komen en was getuige geweest van de doodstrijd. Op een wenk van zijn vrouw nam hij zijn jongere vriend onder de arm en leidde hem stil uit ’t vertrek.De begrafenis van Katrijn was een der grootste, die men ooit in Drakenstein had gezien, want de overledene was algemeen bemind geweest.De dag van de teraardebestelling was een zeer zware voor de oude Willem, want hij moest zich van ’s morgens vroeg tot de late avond in zijn schuilplaats verborgen houden, en eerst toen allen de plaats verlaten hadden, kon hij naar beneden komen om Abraham in zijn droefheid te troosten.

HOOFDSTUK XXVIII.De dood van Katrijn.

Juist in de tijd dat de eigenaar van Goede Hoop en zijn vrouw op hun plaats terugkwamen, waren de beroeringen tegen Willem van der Stel ten top gestegen.Adam Tas was gevangen genomen, vier anderen waren naar Europa gezonden en ook uit Drakenstein waren er van de meest invloedrijke Hugenoten naar het Kasteel overgebracht, waaronder Jakob de Savoye, François du Toit en Hercules du Preez; de laatste werd zelfs dadelik op ’n schip geplaatst om naar Mauritius verbannen te worden. Men kan dus begrijpen dat er heel wat opgewondenheid in Drakenstein heerste, want de grote meerderheid van de bevolkingaldaar was tegen de Goeverneur gekant, Fransen zowel als Hollanders.Het was een moeilik geval, waarin Hartog zich bevond. Schoon hij persoonlik niets tegen de Goeverneur had, kon hij de willekeurige handelingen, waaraan Willem van der Stel zich nu schuldig maakte, niet goedkeuren, en evenmin de gevangenneming van mensen, die aan geen misdaad schuldig waren; maar toch had hij besloten zich buiten de verwikkelingen te houden en zich niet met politiek in te laten. Verscheidenen van de oude inwoners spraken met hem over de zaak en zeiden, dat ze niet verstaan konden, waarom hij, die een van de voornaamste inwoners in de buurt was, zich zo van de anderen afscheidde.Hartog gaf hierop slechts te kennen, dat de zaak hem niet aanging en hij zich onzijdig wilde houden.Hoewel geen mens ’t waagde hem enig beledigend woord toe te voegen, kon hij zien, dat zijn handelwijze hem in de achting van de kolonisten had doen dalen en zijn oude vrienden z’n huis zelfs vermeden.Enige weken na zijn terugkomst, werd in Kaapstad een lastbrief tot inhechtenisneming van de oude Willem van Zijl uitgevaardigd.Juist toen dit gebeurde, was Abraham Hartog in Kaapstad en toevallig hoorde hij van deze zaak,door tussenkomst van de Sekretaris van de Politieke Raad. Zonder verzuim zadelde hij zijn paard op en reed spoorslags naar Drakenstein terug, waar hij zich terstond naar het huis van de oude Willem begaf en deze vertelde, wat men tegen hem in ’t schild voerde.“Je moet dadelik vluchten en je ergens verbergen, Oom Willem,” zei Hartog; “als ik er iets aan kan doen, zal je nooit in de tronk komen.”“Waarheen?” vroeg de oude Van Zijl; “de bergen kan ik niet ingaan, want daar heb ik kans dat de Bosjesmannen me vermoorden, en de spionnen van Landdrost Starrenberg, van Stellenbosch, zijn overal in de buurt, en zullen gauw uitvinden, waar ik ben.”“Heb je jouw paard in de stal?” vroeg Hartog, waarop de oude man bevestigend antwoordde.“Zadel ’t dan op, Oom Willem,” zei Hartog, “en rijd met me saam. Ik zal je verbergen, en op een veilige plaats brengen.”“Waar?” vroeg de oude man.“Bij mij op de plaats,” klonk ’t antwoord.De oude Van Zijl keek zijn jonge vriend ongelovig aan en scheen te weifelen.“Maar je bent immers een vriend van de Goeverneur,” merkte hij aan, “en hoe kan je mij dan verbergen? Kijk, Hartog, je gaat me toch niet verraden en me aan de speurdienders overleveren?”Hartog was verontwaardigd over die woorden en sprak op ernstige toon: “Oom Willem, je kent me al 16 jaar, en ik geloof dat je nog nooit uitgevonden hebt, dat ik oneerlik of een schurk ben. Wat ik wil doen, is net om je te helpen, omdat je ’n oude vriend van me bent. Vertrouw je me niet, dan kan ik het niet helpen, maar ’t zou me spijten, als je in moeilikheden kwam.”De eerlike en rondborstige wijze, waarop Hartog sprak, deed de twijfel van de oude boer verdwijnen; hij zadelde zijn paard op, en enige minuten later reden hij en Hartog stapvoets ’t dorp uit; daar dit niets ongewoons was, veroorzaakte het bij niemand verbazing.Langs het pad deelde Hartog aan de oude man mede wat zijn plan was. Hij zou Willem van Zijl verbergen op de zolder van ’t huis en hem daar van al ’t nodige voorzien. Was er geen onraad, dan kon hij naar beneden komen en met Hartog en z’n vrouw samen zijn. Kwam er gevaar, dan moest hij vlug de binnentrap oplopen, die van de kombuis naar de zolder leidde, en zijn schuilplaats weer opzoeken.“Ik geloof dat je bij mij veilig zult zijn,” besloot Hartog; “daar is niemand van de Regering, die er ooit aan denken zal, om jou bij mij te zoeken, enzowel Nortier als mijn volk zijn vertrouwbaar en zullen hun mond niet opendoen, terwijl mijn vrouw maar al te blij zal wezen om jou te helpen.”In werkelikheid was Katrijn zeer verheugd, toen ze Oom Willem in ’t huis zag komen, want zij mocht de oude man graag, terwijl diens vrouw, Tante Sannie, haar menige dienst had bewezen.Hartog deelde aan Katrijn natuurlik ’t geheim mede, en zij kon niet nalaten haar man om de hals te vallen en hem ’n hartelike kus te geven als beloning voor zijn edelmoedig gedrag. Spoedig werd er op zolder een bed opgeslagen en was de oude boer van al ’t nodige voorzien.De dienaren van ’t Gerecht kwamen de volgende dag aan ’t huis van Oom Willem om hem gevangen te nemen, maar de vogel was gevlogen, en hoe men ook heinde en ver zocht of navraag deed, men kon geen spoor van hem ontdekken.Twee dagen later kwam Jan Lubbe, een van de veldwachters of politiebeambten, die te Drakenstein dienst deden, te paard naar Goede Hoop, en vroeg om de heer Hartog te spreken.“Meneer Hartog,” zei hij, “u weet zeker dat er ’n lastbrief is uitgevaardigd tegen de oude Willem van Zijl.”“Wat!” riep Hartog, met ’t meest onschuldigegezicht uit, “welk kwaad heeft die oude man dan gedaan?”“Hij staat beschuldigd van hoogverraad en verzet tegen de Regering, maar hij is gevlucht en we kunnen hem niet vinden, doch we vernemen dat hij eergisteren met u ’t dorp is uitgereden.”“Ja,” zei Hartog bedaard, “dat is zo; maar wat bedoel je daarmee?” vervolgde hij, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. Lubbe aarzelde ’n ogenblik en zei toen: “Wilt u me zeggen waar u afscheid van hem genomen hebt?”“Daar, waar het pad naar mijn plaats afdraait van de grote weg naar Stellenbosch; ik reed toen naar huis en Meneer van Zijl ging verder de grote weg op.”“Weet u niet, waar hij naar toe gegaan is?” vroeg de politiedienaar verder.“Nee,” zei Hartog, “dat heb ik hem niet gevraagd.”Lubbe lachte op ’n eigenaardige wijze en Hartog zag hem scherp aan.“Hoe schijnt ’t mij toe, kerel, alsof je denkt, dat ik iets te doen heb met ’t verdwijnen van de oude Willem van Zijl?” zei hij, met goed nagebootste ergernis. “Als je dat denkt, dan moet je ’t maar zeggen, en dan kan je mijn hele huis en plaats onderzoeken,maar ik bezweer je, dat ik dan dadelik naar de Kaap ga en me bij de Goeverneur zal beklagen, dat ik met zulk een verdenking door jullie, veldwachters, ben lastig gevallen; ik heb invloed genoeg op het Kasteel om te zorgen, dat ze dan iemand anders in jouw plek zullen aanstellen, daar je niet schijnt te weten, hoe een fatsoenlik man te behandelen.”Lubbe werd asvaal van schrik; hij maakte allerlei verontschuldigingen en eindigde met te zeggen, dat hij naar ’t dorp zou terugrijden.“Hoe gauwer je rijdt, hoe beter,” zei Hartog, “en pas voortaan op, dat je me niet meer op mijn plaats met zulke praatjes komt lastig vallen.”Toen de politiedienaar verdwenen was, kwam Katrijn, die blijkbaar luistervink gespeeld had, de kamer binnen, en lachte dat zij schudde over de wijze, waarop haar man de arme Jan Lubbe uit ’t veld had geslagen.Het verblijf van Willem van Zijl op Goede Hoop duurde langer, dan hij of zijn gastheer wel had gedacht. Drie maanden gingen voorbij en nog was men bezig om Willem op te sporen.De oude man zelf scheen verlegen met zijn toestand, en zei ten laatste, dat hij trachten zou, om in de nacht naar ’t land van Waveren te vluchten (tegenwoordigTulbagh), maar hiervan wilde Hartog niets weten.Het werd Desember 1706 en Willem van Zijl was reeds zes maanden op Goede Hoop. Gedurende de laatste weken was de koortsziekte in Drakenstein uitgebroken, waarschijnlik doordat de Bergrivier zeer laag was en niet meer stroomde, en men dus verplicht was, het water uit de stilstaande poelen te drinken. Dit was een oude gewoonte en zelfs de geneeskundigen in die dagen, wisten nog niet, dat dit een van de hoofdoorzaken van de koortsziekte was.Ook op Goede Hoop dronk men het water van de rivier, en omtrent op de helft van de maand begon Katrijn Hartog zich niet wel te gevoelen.Zij verzette zich echter tegen de koortsaanval en bleef nog ’n dag of vier, vijf, op de been, doch ten slotte moest zij ’t bed houden en zond Abraham, die spoedig inzag, dat zijn vrouw zwaar ziek was, om Tante Sannie van Zijl, die op deze wijze toevallig de gelegenheid kreeg om haar verborgen man te zien.De oude vrouw, die werkelik veel ervaring had, zei dadelik, dat Katrijn de koortsziekte had, en bood aan de zieke op te passen, ’n aanbod, dat Hartog met gretigheid aannam.Hij vond ’t echter geraden om ook naar Stellenboschte zenden, waar een Barbier zich toen gevestigd had, en deze te laten overkomen.De Barbier was van hetzelfde gevoelen als Tante Sannie. Hij gaf zekere geneesmiddelen, die echter van geen nut waren, want in die dagen wisten de dokters weinig of niets af van de aard en de behandeling van deze koorts, hoewel die in Europa dikwels voorkwam.Tante Sannie zei, dat de voornaamste zaak was om de krachten van de patiënt op te houden, en voerde haar dus zoveel mogelik met vlees, melk, eieren en ander versterkend voedsel, en dit verergerde natuurlik de ziekte, en deed de ingewanden meer en meer ontsteken. De koorts werd steeds heviger en Katrijn zwakker.Zestien dagen nadat zij voor ’t eerst naar bed was gegaan, verergerde de ziekte plotseling zodanig, dat Abraham Hartog snel geroepen werd; hij stond toen bij ’t sterfbed van zijn vrouw.Ofschoon zwak, was zij toch bij haar volle bewustzijn. Zij voelde zelf dat ’t einde nabij was, en met zwakke stem zei ze: “Abraham, als ik gestorven ben, treur dan niet te lang over me, maar kies je ’n andere vrouw uit, die je misschien gelukkiger zal maken dan ik, door je kinderen te schenken; want ik daal als kinderloze vrouw in ’t graf.”Snikkend wierp de diep bedroefde man zich aan de borst van de stervende, die hem nog toefluisterde: “Begraaf mij naast vader, bij de Kommandeursboom,” en daarna slaakte zij een diepe zucht, en toen Hartog zich ophief, was Katrijn niet meer.De oude Willem van Zijl had ’t gewaagd naar beneden te komen en was getuige geweest van de doodstrijd. Op een wenk van zijn vrouw nam hij zijn jongere vriend onder de arm en leidde hem stil uit ’t vertrek.De begrafenis van Katrijn was een der grootste, die men ooit in Drakenstein had gezien, want de overledene was algemeen bemind geweest.De dag van de teraardebestelling was een zeer zware voor de oude Willem, want hij moest zich van ’s morgens vroeg tot de late avond in zijn schuilplaats verborgen houden, en eerst toen allen de plaats verlaten hadden, kon hij naar beneden komen om Abraham in zijn droefheid te troosten.

Juist in de tijd dat de eigenaar van Goede Hoop en zijn vrouw op hun plaats terugkwamen, waren de beroeringen tegen Willem van der Stel ten top gestegen.

Adam Tas was gevangen genomen, vier anderen waren naar Europa gezonden en ook uit Drakenstein waren er van de meest invloedrijke Hugenoten naar het Kasteel overgebracht, waaronder Jakob de Savoye, François du Toit en Hercules du Preez; de laatste werd zelfs dadelik op ’n schip geplaatst om naar Mauritius verbannen te worden. Men kan dus begrijpen dat er heel wat opgewondenheid in Drakenstein heerste, want de grote meerderheid van de bevolkingaldaar was tegen de Goeverneur gekant, Fransen zowel als Hollanders.

Het was een moeilik geval, waarin Hartog zich bevond. Schoon hij persoonlik niets tegen de Goeverneur had, kon hij de willekeurige handelingen, waaraan Willem van der Stel zich nu schuldig maakte, niet goedkeuren, en evenmin de gevangenneming van mensen, die aan geen misdaad schuldig waren; maar toch had hij besloten zich buiten de verwikkelingen te houden en zich niet met politiek in te laten. Verscheidenen van de oude inwoners spraken met hem over de zaak en zeiden, dat ze niet verstaan konden, waarom hij, die een van de voornaamste inwoners in de buurt was, zich zo van de anderen afscheidde.

Hartog gaf hierop slechts te kennen, dat de zaak hem niet aanging en hij zich onzijdig wilde houden.

Hoewel geen mens ’t waagde hem enig beledigend woord toe te voegen, kon hij zien, dat zijn handelwijze hem in de achting van de kolonisten had doen dalen en zijn oude vrienden z’n huis zelfs vermeden.

Enige weken na zijn terugkomst, werd in Kaapstad een lastbrief tot inhechtenisneming van de oude Willem van Zijl uitgevaardigd.

Juist toen dit gebeurde, was Abraham Hartog in Kaapstad en toevallig hoorde hij van deze zaak,door tussenkomst van de Sekretaris van de Politieke Raad. Zonder verzuim zadelde hij zijn paard op en reed spoorslags naar Drakenstein terug, waar hij zich terstond naar het huis van de oude Willem begaf en deze vertelde, wat men tegen hem in ’t schild voerde.

“Je moet dadelik vluchten en je ergens verbergen, Oom Willem,” zei Hartog; “als ik er iets aan kan doen, zal je nooit in de tronk komen.”

“Waarheen?” vroeg de oude Van Zijl; “de bergen kan ik niet ingaan, want daar heb ik kans dat de Bosjesmannen me vermoorden, en de spionnen van Landdrost Starrenberg, van Stellenbosch, zijn overal in de buurt, en zullen gauw uitvinden, waar ik ben.”

“Heb je jouw paard in de stal?” vroeg Hartog, waarop de oude man bevestigend antwoordde.

“Zadel ’t dan op, Oom Willem,” zei Hartog, “en rijd met me saam. Ik zal je verbergen, en op een veilige plaats brengen.”

“Waar?” vroeg de oude man.

“Bij mij op de plaats,” klonk ’t antwoord.

De oude Van Zijl keek zijn jonge vriend ongelovig aan en scheen te weifelen.

“Maar je bent immers een vriend van de Goeverneur,” merkte hij aan, “en hoe kan je mij dan verbergen? Kijk, Hartog, je gaat me toch niet verraden en me aan de speurdienders overleveren?”

Hartog was verontwaardigd over die woorden en sprak op ernstige toon: “Oom Willem, je kent me al 16 jaar, en ik geloof dat je nog nooit uitgevonden hebt, dat ik oneerlik of een schurk ben. Wat ik wil doen, is net om je te helpen, omdat je ’n oude vriend van me bent. Vertrouw je me niet, dan kan ik het niet helpen, maar ’t zou me spijten, als je in moeilikheden kwam.”

De eerlike en rondborstige wijze, waarop Hartog sprak, deed de twijfel van de oude boer verdwijnen; hij zadelde zijn paard op, en enige minuten later reden hij en Hartog stapvoets ’t dorp uit; daar dit niets ongewoons was, veroorzaakte het bij niemand verbazing.

Langs het pad deelde Hartog aan de oude man mede wat zijn plan was. Hij zou Willem van Zijl verbergen op de zolder van ’t huis en hem daar van al ’t nodige voorzien. Was er geen onraad, dan kon hij naar beneden komen en met Hartog en z’n vrouw samen zijn. Kwam er gevaar, dan moest hij vlug de binnentrap oplopen, die van de kombuis naar de zolder leidde, en zijn schuilplaats weer opzoeken.

“Ik geloof dat je bij mij veilig zult zijn,” besloot Hartog; “daar is niemand van de Regering, die er ooit aan denken zal, om jou bij mij te zoeken, enzowel Nortier als mijn volk zijn vertrouwbaar en zullen hun mond niet opendoen, terwijl mijn vrouw maar al te blij zal wezen om jou te helpen.”

In werkelikheid was Katrijn zeer verheugd, toen ze Oom Willem in ’t huis zag komen, want zij mocht de oude man graag, terwijl diens vrouw, Tante Sannie, haar menige dienst had bewezen.

Hartog deelde aan Katrijn natuurlik ’t geheim mede, en zij kon niet nalaten haar man om de hals te vallen en hem ’n hartelike kus te geven als beloning voor zijn edelmoedig gedrag. Spoedig werd er op zolder een bed opgeslagen en was de oude boer van al ’t nodige voorzien.

De dienaren van ’t Gerecht kwamen de volgende dag aan ’t huis van Oom Willem om hem gevangen te nemen, maar de vogel was gevlogen, en hoe men ook heinde en ver zocht of navraag deed, men kon geen spoor van hem ontdekken.

Twee dagen later kwam Jan Lubbe, een van de veldwachters of politiebeambten, die te Drakenstein dienst deden, te paard naar Goede Hoop, en vroeg om de heer Hartog te spreken.

“Meneer Hartog,” zei hij, “u weet zeker dat er ’n lastbrief is uitgevaardigd tegen de oude Willem van Zijl.”

“Wat!” riep Hartog, met ’t meest onschuldigegezicht uit, “welk kwaad heeft die oude man dan gedaan?”

“Hij staat beschuldigd van hoogverraad en verzet tegen de Regering, maar hij is gevlucht en we kunnen hem niet vinden, doch we vernemen dat hij eergisteren met u ’t dorp is uitgereden.”

“Ja,” zei Hartog bedaard, “dat is zo; maar wat bedoel je daarmee?” vervolgde hij, terwijl hij de wenkbrauwen fronste. Lubbe aarzelde ’n ogenblik en zei toen: “Wilt u me zeggen waar u afscheid van hem genomen hebt?”

“Daar, waar het pad naar mijn plaats afdraait van de grote weg naar Stellenbosch; ik reed toen naar huis en Meneer van Zijl ging verder de grote weg op.”

“Weet u niet, waar hij naar toe gegaan is?” vroeg de politiedienaar verder.

“Nee,” zei Hartog, “dat heb ik hem niet gevraagd.”

Lubbe lachte op ’n eigenaardige wijze en Hartog zag hem scherp aan.

“Hoe schijnt ’t mij toe, kerel, alsof je denkt, dat ik iets te doen heb met ’t verdwijnen van de oude Willem van Zijl?” zei hij, met goed nagebootste ergernis. “Als je dat denkt, dan moet je ’t maar zeggen, en dan kan je mijn hele huis en plaats onderzoeken,maar ik bezweer je, dat ik dan dadelik naar de Kaap ga en me bij de Goeverneur zal beklagen, dat ik met zulk een verdenking door jullie, veldwachters, ben lastig gevallen; ik heb invloed genoeg op het Kasteel om te zorgen, dat ze dan iemand anders in jouw plek zullen aanstellen, daar je niet schijnt te weten, hoe een fatsoenlik man te behandelen.”

Lubbe werd asvaal van schrik; hij maakte allerlei verontschuldigingen en eindigde met te zeggen, dat hij naar ’t dorp zou terugrijden.

“Hoe gauwer je rijdt, hoe beter,” zei Hartog, “en pas voortaan op, dat je me niet meer op mijn plaats met zulke praatjes komt lastig vallen.”

Toen de politiedienaar verdwenen was, kwam Katrijn, die blijkbaar luistervink gespeeld had, de kamer binnen, en lachte dat zij schudde over de wijze, waarop haar man de arme Jan Lubbe uit ’t veld had geslagen.

Het verblijf van Willem van Zijl op Goede Hoop duurde langer, dan hij of zijn gastheer wel had gedacht. Drie maanden gingen voorbij en nog was men bezig om Willem op te sporen.

De oude man zelf scheen verlegen met zijn toestand, en zei ten laatste, dat hij trachten zou, om in de nacht naar ’t land van Waveren te vluchten (tegenwoordigTulbagh), maar hiervan wilde Hartog niets weten.

Het werd Desember 1706 en Willem van Zijl was reeds zes maanden op Goede Hoop. Gedurende de laatste weken was de koortsziekte in Drakenstein uitgebroken, waarschijnlik doordat de Bergrivier zeer laag was en niet meer stroomde, en men dus verplicht was, het water uit de stilstaande poelen te drinken. Dit was een oude gewoonte en zelfs de geneeskundigen in die dagen, wisten nog niet, dat dit een van de hoofdoorzaken van de koortsziekte was.

Ook op Goede Hoop dronk men het water van de rivier, en omtrent op de helft van de maand begon Katrijn Hartog zich niet wel te gevoelen.

Zij verzette zich echter tegen de koortsaanval en bleef nog ’n dag of vier, vijf, op de been, doch ten slotte moest zij ’t bed houden en zond Abraham, die spoedig inzag, dat zijn vrouw zwaar ziek was, om Tante Sannie van Zijl, die op deze wijze toevallig de gelegenheid kreeg om haar verborgen man te zien.

De oude vrouw, die werkelik veel ervaring had, zei dadelik, dat Katrijn de koortsziekte had, en bood aan de zieke op te passen, ’n aanbod, dat Hartog met gretigheid aannam.

Hij vond ’t echter geraden om ook naar Stellenboschte zenden, waar een Barbier zich toen gevestigd had, en deze te laten overkomen.

De Barbier was van hetzelfde gevoelen als Tante Sannie. Hij gaf zekere geneesmiddelen, die echter van geen nut waren, want in die dagen wisten de dokters weinig of niets af van de aard en de behandeling van deze koorts, hoewel die in Europa dikwels voorkwam.

Tante Sannie zei, dat de voornaamste zaak was om de krachten van de patiënt op te houden, en voerde haar dus zoveel mogelik met vlees, melk, eieren en ander versterkend voedsel, en dit verergerde natuurlik de ziekte, en deed de ingewanden meer en meer ontsteken. De koorts werd steeds heviger en Katrijn zwakker.

Zestien dagen nadat zij voor ’t eerst naar bed was gegaan, verergerde de ziekte plotseling zodanig, dat Abraham Hartog snel geroepen werd; hij stond toen bij ’t sterfbed van zijn vrouw.

Ofschoon zwak, was zij toch bij haar volle bewustzijn. Zij voelde zelf dat ’t einde nabij was, en met zwakke stem zei ze: “Abraham, als ik gestorven ben, treur dan niet te lang over me, maar kies je ’n andere vrouw uit, die je misschien gelukkiger zal maken dan ik, door je kinderen te schenken; want ik daal als kinderloze vrouw in ’t graf.”

Snikkend wierp de diep bedroefde man zich aan de borst van de stervende, die hem nog toefluisterde: “Begraaf mij naast vader, bij de Kommandeursboom,” en daarna slaakte zij een diepe zucht, en toen Hartog zich ophief, was Katrijn niet meer.

De oude Willem van Zijl had ’t gewaagd naar beneden te komen en was getuige geweest van de doodstrijd. Op een wenk van zijn vrouw nam hij zijn jongere vriend onder de arm en leidde hem stil uit ’t vertrek.

De begrafenis van Katrijn was een der grootste, die men ooit in Drakenstein had gezien, want de overledene was algemeen bemind geweest.

De dag van de teraardebestelling was een zeer zware voor de oude Willem, want hij moest zich van ’s morgens vroeg tot de late avond in zijn schuilplaats verborgen houden, en eerst toen allen de plaats verlaten hadden, kon hij naar beneden komen om Abraham in zijn droefheid te troosten.


Back to IndexNext