Het heeft volstrekt geen nut een betrekking te zoeken voor een jongen man van deze soort, want de plaats, die gij voor hem vindt is of niet geschikt voor zijn bijzondere bekwaamheden of nadat hij er drie dagen geweest is, ontstaat er een geschil tusschen hem en den bestuurder der zaak, dat bewijst, dat die directeur niet gewoon is geweest met heeren om te gaan; en natuurlijk, zooals de moeder van den jongen man u vertelt, kan haar zoon de geschiedenis van de familie niet vergeten.
Als de bedelaar een handelsman is en gij zendt hem klanten, waarom hij inderdaad gebedeld heeft, dan zijn zijn waren zoo slecht, dat geen mensch ze gebruiken kan en de prijs is zoo hoog, dat niemand lust heeft hem te betalen; en daarbij behoort de handelsman gewoonlijk tot die hooge en machtige klasse, die nietzich wil verlagen tot het maken van iets op een andere, dan de degelijke, ouderwetsche wijze en die vooral niet, al moest men van honger omkomen, beneden den prijs wil leveren. Het feit is—het naakte feit—dat deze verheven handelaar niet wenscht te werken, zoolang dwaze menschen hem willen onderhouden.
Langzamerhand doorziet de vriendelijkste dominee bij de toeneming van het onderling verband tusschen de verschillende Kerken deze klasse en hij komt er toe hen te onderwerpen aan een flinke arbeidsproef, meenende dat vroomheid en bedelarij niet kunnen samengaan en weigerende te gelooven, dat ooit iemand zegen geniet onder zijne prediking, die niet wil werken voor zijn brood. Men mag ook aannemen, dat een Christelijke Gemeente, al was zij de licht geloovigste vereeniging op aarde, eindelijk al haar moed bijeen zal garen en tegelijkertijd haar gezond verstand te werk zal stellen en dan zal weigeren om de Christelijke kringen te maken tot een jachtveld voor fatsoenlijke bedelaars, zoodat de godsdienstigelevensmoeden een nieuw middel zullen moeten uitvinden om te ontduiken aan de wet, dat wie niet werkt, niet zal eten.
En het geld, dat wordt bezuinigd op deze parasieten, worde gevoegd bij het fonds tot ondersteuning van emeritus-predikanten.
Niemand heeft meer reden tot dankbaarheid aan zijn publiek dan een dominee, want ik ken geen dienaar, die vriendelijker behandeld wordt. Hoewel er ongetwijfeld in een zoo groot lichaam als de Christelijke Kerk vitlustige en slecht gemanierde Gemeenten zijn, juist zooals er luie en verwarring stichtende dominees zijn, kan men toch zeggen, dat over het algemeen de Gemeente liefderijk is in haar oordeel over haren predikant, geduld heeft met zijn fouten, ten zeerste elk goed werk, dat hij doet, waardeert en zeer dankbaar is voor al zijn goede diensten. Er zijn niet veel klachten, die een welwillend domineemet gezond verstand kan inbrengen tegen een gewone Gemeente, doch hij heeft soms een grief tegen zijn vrienden, die hij niet openbaart, maar die voortwoekert in zijn hart. Het is niet iets, dat zij zeggen of iets, dat zij doen; het is het stille en misschien onbewuste vermoeden, onbewust van hun zijde, dat hij niet genoeg te doen of dat hij een aanmerkelijke hoeveelheid ledigen tijd heeft.
Kon hij staat maken op hunne woorden, dan zou dat vermoeden nooit in hem opkomen, omdat zij slim genoeg zijn, en dat is heel vriendelijk van hen, des Maandags tegen hem te zeggen, dat hij wel heel vermoeid moet zijn na tweemaal zoo wondermooi gepreekt te hebben en dus moet hij wel, daar hij toch maar een mensch is, meenen, dat zij zich verbeelden, dat hij geheel op is na zulk een verstandelijke uitputting. Weer een anderen keer vermanen zij hem, zoo langs hun neus weg, na een praatje over het weer, zich voor overwerking te wachten en zeggen zij niet te kunnen begrijpen, hoe hij instaat is, zooveel te doen. Dit alles is heel vriendelijk en opbouwend en de dominee heeft een aangenaam gevoel, dat zijn werk gewaardeerd wordt en dat hij een van de hardste zwoegers van de wereld is.
Als hij ouder wordt echter, en meer waarde begint te hechten aan den inwendigen toestand van het gemoed der menschen, dan aan de los door hen daarheen geworpen woorden, dan gevoelt hij zich niet op zijn gemak erbij, dat de menschen toch nog niet zoo bepaald overtuigd zijn van zijn regelmatige bezigheden en zijn bezette uren. Lieve dames, en alle dames zijn lief, noodigen hem op een theepartij en dergelijke feestjes, waarbij hij de eenige heer zal zijn; of als er misschien nog een is, dan is het een bejaard man, die zich reeds lang uit de zaken heeft teruggetrokken. Terwijl de dominee de dame dankt voor haar vriendelijke uitnoodiging, komt het hem in de gedachte, dat haar eigen man niet op het aangename partijtje zijn zal, evenmin als haar zoon, omdat zij het te drukhebben en zij zou er niet aan denken, een advocaat of een koopman of een geneesheer of een dagbladschrijver te vragen, tenzij het was voor een groote partij, waarop iedereen komt. Het zou haar een dwaasheid toeschijnen een man van zaken van zijn werk te halen zelfs om een uur door te brengen met haar en andere even bekoorlijke vrouwen. De andere mannen zouden niet komen, omdat zij niet konden. Zij moeten hun werk doen. De dominee wordt uitgenoodigd omdat, zoo als de gastvrouw veronderstelt, hij geen werk heeft, dat hem verhindert. En zij zou hem misschien weinig hoffelijk noemen en zeker heel onvriendelijk, wanneer hij weigerde; en als hij zijn weigering verdedigde door het bezet zijn van zijn tijd, zou wellicht haar oordeel liefdeloos worden en kon zij wel eens meenen, dat hij een andere reden had. Zat hij dan niet in zijn studeerkamer? Waarom kon hij niet even goed in haar huis zijn? En zij zou nooit kunnen begrijpen, dat hij juist op dien achtermiddag moest gebruik maken van een eenige kans omeen noodzakelijk boek meester te worden. Was hij niet een half uur geleden haar huis voorbijgegaan en indien hij kon uitgaan voor een wandeling, waarom kon hij dan dien tijd niet doorgebracht hebben in haar tuin, en hij kan haar niet aan het verstand brengen dat hij een zieke was gaan bezoeken.
Secretarissen van philantropische vereenigingen zijn hem komen vragen om uit een buitenwijk naar het midden van de stad te gaan, en een voorstel te steunen op een openbare vergadering van acht bejaarde heeren en zeven-en-zeventig vrouwen van onzekeren leeftijd, met vier fatsoenlijke bedelaars, die gekomen zijn om te zien of ze niet eenige guldens kunnen leenen van den een of anderen barmhartigen Samaritaan. Het was een uitmuntende vereeniging en ongetwijfeld was het noodig, dat het bestuur herkozen wordt, en de dominee zei dat na verloop van tien minuten, maar terwijl hij naar huis ging, moede en geërgerd is de gedachte bij hem opgekomen of dit nu het beste gebruik was, dat hijvan zijn tijd kon maken en zou de secretaris, hoe onvermoeid die man ook was en hoe dringend ook, er toe gekomen zijn een man van zaken—dat is iemand, die werkelijk iets doet—te vragen zijn kantoor te verlaten te midden van de drukte om drie volle uren van zijn tijd te besteden om naar een buitenwijk te gaan en daar te zeggen, wat totaal onbelangrijk was voor de menschen, op wie het geen bijzonderen indruk zou maken? De dominee weet en de secretaris weet en iedereen weet, dat de man van zaken met de minst mogelijke woorden neen zou gezegd hebben, en dat iemand hem dat kwalijk zou hebben genomen, terwijl iedereen hem een dwaas zou hebben genoemd, als hij er heen was gegaan.
Zulk een tijdverknoeien is onmogelijk behalve voor overoude heeren en voor dominees. En, natuurlijk, als de predikanten inderdaad hun tijd thuis verbeuzelen met het lezen van tijdschriften of het kijken door de ramen of als zij niets anders doen dan hun wijk rondslenteren om beleefdheidsbezoeken te brengen en praatjes overhet weer te houden, dan zou het heel goed zijn, al was het maar voor de verandering, als zij eens een achtermiddag zoek brachten met naar een vergadering te gaan en het gehoor te overtuigen, dat inderdaad het bestuur behoort herkozen te worden.
Treuzelaars van allerlei slag dringen de studeerkamer van een dominee binnen bij voorkeur vóór twaalf uur 's morgens, omdat zij dan zeker zijn hem thuis te vinden, en leggen hem in verbazend lange verhalen uit, dat wij de afstammelingen van de verloren tien stammen zijn; dat alle onzedelijkheid reeds lang uit de wereld verdwenen zou zijn, als wij maar wortelen in plaats van vleesch aten; dat het werk, gedaan door zeker iemand, wiens naam de dominee niet kan uitspreken op een plaats in Klein-Azië, waarvan hij nooit gehoord heeft, het allerbelangrijkste is onder dat der uitwendige zending, altijd alleen afgaande op de mededeelingen van den man, die het salaris beurt in Klein-Azië. Indien een van deze woordenrijke menschenen het zijn er nog maar drie van een honderdtal, elk met het een of ander bijzonders in het hoofd, het waagde een koopmanskantoor te bezoeken, dan zou hij waarschijnlijk niet toegelaten zijn in de kamer van den patroon, en als hij wel erin was gelaten, zou hij zeker gauw verzocht worden de deur van achteren te bekijken.
De onbeschaamdheid van een treuzelaar is verbazend, maar zij heeft grenzen en na eenige ervaring laat zoo iemand den koopman met rust en in den regel probeert hij niet eens een geneesheer aan boord te komen, maar hij nestelt zich als bij instinct en met een gevoel van „ik ben hier thuis” in de studeerkamer van een dominee. Als deze een werkelijk goed man is, dan is de bezoeker in zijn nopjes, want hij heeft een hulpeloos slachtoffer gevonden; maar als de dominee maar onvolmaakt heilig is, dan gaat de zeurkous bijna even vlug de deur uit als bij den koopman, maar dan weet de dominee ook, dat zijn leven voortaan in de macht is van de tong des beuzelaars.
Wat den dominee ergert en te meer naarmate hij minder zijn ergenis luchten kan is, dat al die menschen gelooven, dat hij werkelijk niet weet, wat hij met zijn tijd moet uitvoeren en dat die tijd tot ieders beschikking is. Het feit is echter, dat de predikant van een stadskerk, die getrouw zijn plicht doet, harder werkt dan iemand anders in de maatschappij, behalve een arts met dagelijksche praktijk, een dagbladschrijver en een naaister op een atelier, waar de zweep gebruikt wordt. Hij kan des avonds zoo laat op zitten, als hij wil—en inderdaad moet hij, laat ons zeggen, tot minstens twaalf uur op blijven—om niet ten achteren te raken met zijn leesstof, maar hij moet des morgens weer vroeg bij de hand zijn, omdat wellicht een koopman hem komt spreken vóór negen uur, en omstreeks dien tijd moet hij de eerste brievenzending geopend hebben, die zoo ongeveer uit een twaalftal brieven bestaat en als hij het noodig oordeelt—en het is noodzakelijk in een stad—moet hij dan ook eenblik geslagen hebben in de feiten, die den vorigen dag voorvielen in zijn stad en in de wereld. Van negen tot een moet hij zich voorbereiden voor zijn taak op den preekstoel, voor avondbeurten in de week, voor catechisaties, en voor toevallig werk in kerk of vergadering, zoo vlug hij kan en het uur, dat hij verliest met het ontvangen van bezoekers, moet laat in den avond met interest ingehaald worden. Te een uur veroorlooft hij zich iets te eten, ofschoon hij vaak niet aan de koffietafel in het gezin kan verschijnen, omdat de een of andere slimme bedelaar weet, dat dit de beste tijd is om hem thuis te treffen en, terwijl hij in het drukst van het gesprek is, betreurt hij het verlies van zijn maaltijd en verlangt naar den dag, dat Amerikaansche vindingskracht, vruchtbaar in denkbeelden en spaarzaam met den tijd, een vloeibare voedingsstof zal uitvinden, die hij door een buis tot zich kan nemen, terwijl hij studeert.
Indien hij niet beloofd heeft de benoeming te ondersteunen van een commissie van veertigleden, die een tehuis voor twintig meisjes moet besturen, dan brengt hij zijn tijd van ongeveer twee tot zeven uur door met het bezoeken van menschen, die ziek zijn of vrienden verloren hebben, die lijden onder wereldsche rampen of die pas tot zijn Kerk zijn toegetreden of haar juist verlaten hebben, die hij wenscht over te halen tot eenigen arbeid of die hij in langen tijd niet gezien heeft en waarmee hij voeling wil blijven houden. Hij komt 's avonds thuis, niet omdat zijn werk gedaan is, want deze soort van werk is nooit afgedaan en het einde is er nimmer van te zien, zelfs niet al begon men het des morgens te negen uur en zette men het voort tot 's avonds negen uur, maar omdat niemand langer dan vijf uur achtereen bezoeken kan afleggen.
Bij zijn thuiskomst—en ik beken dit vrijmoedig—veroorlooft de dominee zich weer wat te eten, maar alweer moet het voor hem bewaard worden, omdat een andere bezoeker, die hem in den namiddag was misgeloopen, vaneen onnoozele dienstmaagd, die pas in dienst is gekomen en nog niet goed op de hoogte is van de taak van een predikants-dienstbode, het uur heeft vernomen, waarop de ongelukkige man zijn volgenden maaltijd zal gebruiken en nu reeds een half uur op hem gewacht heeft om den steun van den dominee te vragen voor een genootschap van christelijke liefdadigheid, wat in twee van de drie gevallen slechts een uitwas is van philantropie en in het derde geval iets waarmee de dominee niet de minste aanraking heeft.
Menschen, die niet beter weten, zouden misschien veronderstellen, dat de dominee, na zijn zeer bescheiden maal genuttigd te hebben, vrij zal zijn met zijn vrouw en kinderen in de huiskamer te zitten om zijn plicht te vervullen als hoofd van het gezin en zoo het grootste genot van den geheelen dag te smaken. Het is iets zeldzaams als deze ongelukkige man een avond voor zich zelf heeft, omdat hij gewoonlijk dadelijk na het eten naar een of andere bijeenkomst in zijn kerk moet gaan en terwijl deleden der Gemeente zich over de verschillende avonden verdeelen, wat heel billijk en goed is, moet hij altijd bij alles tegenwoordig zijn, want is hij er niet, dan begint het onderdeel, waarvan hij wegblijft, te kwijnen.
Als hij een avond vrij heeft, dan komt een of ander lid van zijn Gemeente hem vragen een bijeenkomst te bezoeken ten bate van iets, waarin hij betrokken is en er zijn redenen, waarom de dominee niet kan weigeren. Het is best mogelijk, dat diezelfde mijnheer de vorige week gezegd heeft, dat de dominee zich overwerkte en niet zooveel op zich moest nemen, maar als de tijd komt, dat hij zelf een bijl heeft, die geslepen moet worden, dan zal hij niet de minste aarzeling hebben den dominee te vragen den molen te draaien. En inderdaad wordt het openbare werk van den dominee sterk vermeerderd door zijn eigen gemeenteleden, die aan de secretarissen, de treuzelaars en de rest van tijdroovers aanbevelingsbrieven geven met een slot, als: „Ik hoop, dat ge het verzoek vanmijnheerTootlezult inwilligen als een persoonlijke gunst aan mij.” Dezelfde heer doet datmisschienmaar eens in een halfjaar, maar er zijn er een honderd, die hetzelfde met tusschenpoozen doen en zoodoende wordt de dominee aan handen en voeten gebonden door zijn eigen Gemeente.
Was ik een leek en de een of andere gesalariëerde secretaris, die niets anders te doen heeft—zooals het mij soms toeschijnt—dan noodelooze brieven te schrijven en vervelende vergaderingen bijeen te roepen en dominees te ergeren, kwam bij mij en vroeg mij om mijn dominee te plagen totdat hij zijn eigen werk liet staan en de bijeenkomst van den secretaris bezocht, dan zou ik dien secretaris mijn gemoed bloot leggen in de woorden, die een vriendelijke Voorzienigheid mij op dat oogenblik zou ingeven en één dominee zou ten minste geen last hebben van dien secretaris. Als het godsdienstig publiek ooit eenigen twijfel heeft omtrent het geld, dat uitgegeven wordt aan secretarissenen omtrent het nut van hun arbeid, dan kan het misschien een troost wezen voor dat publiek, te weten, dat, zoo lang er gesalariëerde secretarissen van philantropische instellingen zijn, geen stadsdominee ooit er toe zal kunnen komen zijn tijd te verluieren, hetzij door moderne godgeleerdheid te bestudeeren of door te praten met zijn gezin.
Veronderstel echter, dat door den een of anderen buitengewonen zegen, de dominee een avond vrij heeft, werkelijk vrij—wat zoo ongeveer zesmaal per winter voorkomt—en hij begint aan zijn vrouw eens iets voor te lezen, of zij onthaalt hem op wat muziek of de heele familie bladert een kunstwerk door, of—want ik wil zijn zwakke zijde niet verbergen—zij spelen een spelletje samen, zijn vrouw, zijn kinderen en hijzelf. De bel gaat over en de dominee ziet zijn vrouw aan; hij weet, wat dat beteekent. Het is in zulke oogenblikken, dat zijn geloof in een persoonlijken duivel, wiens slimheid even groot is als zijn boosaardigheid, ten sterkste bevestigd wordt.
Niet dat de bezoeker op een vreemde zoo'n duivelachtigen indruk maakt, want hij is eenvoudig een fatsoenlijk, niet bijzonder opmerkelijk burgerman, behoorende tot de Gemeente van den dominee of tot die van een anderen predikant, die even goed op elk ander uur had kunnen komen en zeker op een anderen tijd zou gekomen zijn, als hij een koopman had willen spreken, maar die inbreuk maakt op des dominees vrijen tijd met de stille, doch onbepaalde gedachte, dat, daar de dominee den geheelen dag voor zich zelf had, de avonduren wel ter beschikking van het publiek konden zijn. Wat de boodschap van den bezoeker betreft, hij had even goed kunnen schrijven, maar hij gevoelde, dat het beter kon behandeld worden bij een persoonlijk onderhoud—een kwartier was lang genoeg. Wat ten slotte erop uitloopt, dat deze spraakzame heer den heelen avond bij den predikant in de studeerkamer zit en wanneer hij heen gaat, vol van spijt, dat hij den dominee zoo lang heeft opgehouden, dan zijn de kinderen naar bed ende domineesvrouw zit eenzaam in de leege voorkamer.
Daar is geen tweede mensch, die op deze manier lijdt, zelfs een geneesheer niet, want de menschen dringen niet in zijn consultkamer en blijven er zitten, terwijl zij bij hun gezin behoorden te zijn en hij bij het zijne zou willen wezen. Dokters hebben een hard leven, want zij kunnen op elk uur worden geroepen en beziggehouden van 's morgens tot 's avonds, maar zij hebben ten minste geen last van toevallige bezoeken en beuzelachtige gesprekken om de eenvoudige reden, dat als iemand bij hen komt, hij niet langer dan een kwartier mag blijven en hij moet betalen voor den tijd, dien hij blijft. Natuurlijk is een dominee ten dienste van zijn Gemeente op elk redelijk uur en op elk uur is hij bereid den stervende en den achterblijvende te dienen; maar als elke vreemdeling, die geen enkel recht op hem heeft en die tot hem komt voor zijn eigen zaken, een billijk honorarium moest betalen en het dubbele ervan, indien hijdes avonds kwam, dan zouden wellicht de kinderen van een predikant hun vader leeren kennen en de domineesvrouw zou niet behoeven te klagen, dat zij bijna nooit haar man ziet.
Als een koopman zijn kantoor verlaat en naar zijn huis gaat, zou hij zeer verwonderd zijn, indien daar een makelaar hem kwam opzoeken en een zaak voorstellen. Een arbeider heeft rust in zijn eigen huis, maar een domineeshuis is een doorloop, waarin alle soorten van menschen zich bewegen. Waarom kan het tehuis van een predikant niet even heilig zijn als dat van een handelaar? Waarom mag hij niet even goed als een advocaat zijn uren van dagelijksche rust hebben? Wanneer zullen de Gemeenten en het publiek toch eens begrijpen, dat indien een man verplicht is op de hoogte te blijven van de beste gedachten van den tegenwoordigen tijd en zich meester te maken van de schoonste denkbeelden uit het verleden, wanneer hij zijn herderlijke plichten behoorlijk moet vervullen en zijn aandeel moet hebben in de voornaamste zakender gemeenschap, zijn tijd dan beschermd moet worden tegen indringers en zijn krachten niet moeten verknoeid worden in onbeduidende vergaderingen? Wanneer zullen de menschen begrijpen, dat zijn arbeid even ernstig is en even geregeld is als die van elk anderen man, die een ambt bekleedt en dat, dewijl zijn tijd behoort aan zijn Meester, even goed als zijn talenten en al wat hij overigens bezit, diezelfde tijd niet behoort aan gesalariëerde beambten en spreekgrage bezoekers? Wanneer dat duidelijk begrepen wordt, dan zal het voor de eerste maal tot zekere verstanden doordringen, dat, hoewel de predikant vele zaken moet doen, een daarvan niet is, dat hij in de maatschappij de plaats moet innemen van menschen, die het druk hebben, of dat hij een spreekmachine is op tweede-rangs godsdienstige bijeenkomsten.
Daar is geen predikant, met een gezond hoofd en gevoelig hart, die niet in vrede en vriendschap wenscht te leven met alle afdeelingen zijner Gemeente, maar in het bijzonder is elke dominee gesteld op den eerbied en het vertrouwen der jonge lieden. Dit is niet, omdat dezen wijzer dan de oudere menschen; ook niet omdat zij geestelijker zijn, maar omdat zij minder vormelijk en in hooge mate oprecht zijn.
Een vrouw zal, uit welwillendheid en eerbied een dominee eer bewijzen, omdat hij dominee is; een jonge man respecteert hem wegens zijn persoonlijke eigenschappen. Als de predikanteen ondegelijk, gekunsteld, laf of lui man is, dan, al was hij twaalf maal geordend en zoo welsprekend als Apollo en al had hij een zalvende stem en voordracht en al was hij nog zoo innemend in zijn omgang, doorzien jonge mannen hem; zij verachten hem, willen niets met hem te maken hebben, en weigeren naar de kerk te gaan om zijnentwil, terwijl zij daarentegen, al is de dominee niet knap en zijn preek oppervlakkig, al praat hij maar heel eenvoudig en heeft hij weinig verstand van de gebruikelijke godsdienstige termen, naar hem zullen gaan luisteren, en voor hem zullen opkomen, als achter zijn rug over hem gesproken wordt, hem zullen bezoeken in zijn studeerkamer en hem raadplegen, zoodra zij in de klem zitten, indien zij hem kennen als een degelijk man, die hard werkt en den moed zijner overtuiging bezit in woord en daad.
Zij zijn geen rechters in heiligheid en loopen gevaar werkelijk goede mannen te onderschatten, omdat dezen soms week en verwijfd zijn, maarzij zijn onfeilbare rechters in manlijkheid en bovenal gelooven zij in een dominee, die een flink man is. Zij vragen niet van hem, dat hij meedoet aan hun spelen, want hij wordt misschien al wat oud of heeft een gebrekkig lichaam, maar zij eischen van hem, dat hij in de levenssport zich dapper en eervol gedrage.
De ware dominee is er volmaakt mee tevreden geoordeeld te worden naar den maatstaf der jonge lieden—hoe hij het groote levensspel speelt—maar het hindert hem soms, dat jonge mannen denken, dat hij op één punt een bijzonder voordeel heeft, en hij is de laatste man om een voorgift in den wedstrijd te begeeren. Hij wenscht niet beschut te zijn tegen kritiek of iets toe te krijgen wegens zijn positie, maar hij wil zijn werk doen en gebruik maken van zijn goede kansen, hij wil zijn tegenspoed verdragen en zijn strijd strijden precies als elke andere man. En daarom is de dominee terecht prikkelbaar omtrent één punt van beoordeeling en dat is zijn vacantie.
Verleden zomer—willen we aannemen—bracht hij de maand Augustus op het land door en deed daar niets noemenswaard, behalve wandelen en klimmen en visschen en kolven en rijden en vijftig andere dingen, die hij als jongen ook gedaan had. Hij had zijn vacantie verdiend met elf maanden te preeken, te onderwijzen, te studeeren, vergaderingen te presideeren, raad te geven, te troosten, te berispen, te bezoeken, te regelen en vijftig anderen dingen, die hij, toen hij een jongen was, nooit gedacht heeft ooit te zullen doen. Zijn geweten was aan het einde van den dag volmaakt zuiver, ofschoon hij geen woord geschreven had, omdat hij den volgenden Zondag geen preek behoefde te hebben, en ofschoon hij geen enkel bezoek had afgelegd, omdat er geen mensch te bezoeken was, en hij wenschte zich zelf geluk, omdat hij in de lange dagen van ledigheid lichaamskracht opdeed en zijn geest nieuw leven verwierf voor het werk, dat in den winter hem wachtte.
Eens op een avond kwam een tweewielerlangs den eenzamen weg in vollen spoed en de rijder sprong eraf aan de poort; hij kwam, gekleed in zijn luchtig costuum en blootshoofd door den tuin; zijn gezicht was verbrand tot chocolade-kleur toe, hij zelf overdekt met stof, prettig vermoeid na zijn rit van veertig mijlen, maar vol gezondheid, kracht en vroolijkheid. Hij daagde den dominee uit als eerlijk man precies te zeggen of hij hem kende.
Hem kende! de dominee, zonder te kort te doen aan de deugd der waarheidsliefde, mocht zeggen, dat hij wist, wie hij was; want hij was immers de jonge man, die Zondags morgens altijd op de punt van de voorste bank in den zijvleugel zat en des Zondags avonds orde hield in een jongensschool in het Oost-einde en die altijd bereid was een oogje te houden op den een of anderen kameraad en die zoo'n flink jongmensch was, als er maar konden wezen.
Hij werd in vroolijken triomf binnengehaald en na zich gewasschen te hebben en een stevig maal te hebben gebruikt, zwierven de domineeen hij rond langs de helling van den heuvel en zij spraken over vele zaken; toen zij terugkwamen, zetten zij zich neder in den tuin te midden der geurige bloemen, totdat zij van slaap niet langer konden spreken. Des morgens beklommen zij den heuvel van de achterzijde en bekeken de landstreek en toen aanvaardde de jonge man zijn reis weer en bij een kromming van den weg nam hij afscheid; en terwijl hij vaarwel zei, schudde hij eenigszins treurig het hoofd, want hij ging naar het naaste spoorwegstation en den volgenden dag zou hij weer hard aan het werk zijn in het brandende kantoor in de city. „Mijn laatste dag”, zei hij tot den dominee, toen zij scheidden, „en het is een allerprettigste geweest” en ofschoon de jonge man den dominee niet benijdde, dat hij nog veertien dagen vacantie had, kon deze toch niet nalaten te gevoelen, dat zijn vriend wel dacht, dat de dominee beter af was dan hij.
Toen die gelukkige zomerdag alleen nog maar in de herinnering bestond, zaten beiden eensweer te zamen in de studeerkamer van den dominee—dezen keer voor de brandende houtblokken. Zij spraken over vele dingen—onder andere ook over dien tuin met zijn rijkdom aan anjelieren—en de dominee maakte den jongen man deelgenoot van zijn overdenking en verklaarde te gelooven, dat elke jonge man dezelfde meening koesterde in den grond van zijn hart. Men kwam overeen, dat men dadelijk een bespreking zou openen en de dominee nam op zich te bewijzen, dat hij minder vrijen tijd had dan een kantoorklerk en dat niet om een belachelijke stelling te verdedigen, maar omdat hij meende, dat het de waarheid was. De jonge man had er schik in om tegenpartij te wezen.
Het was inderdaad een eenvoudige rekensom om twee rijen cijfers neer te zetten op een velletje papier en het kleinste getal van het grootste af te trekken; het verschil zou over den uitslag van het twistgesprek beslissen.
Daar de dominee een stadsparochie had en een voorname Gemeente, werd hij edelmoedigerbehandeld dan menig ander van zijn collega's en had hij zes vrije weken per jaar, welke hij verdeelde in twee deelen, een maand aan het eind van den zomer en veertien daag in de lente, wanneer het zware winterwerk geëindigd was. En dit maakte samen twee en veertig dagen. Tusschen Januari en December had hij waarschijnlijk behalve zijn vacantietijd nog wel eens een dag, dat hij uit de stad ging of een halven dag, dien hij in de stad naar vrije verkiezing besteedde. De heele dag buiten werd zeer dikwijls doorgebracht met kolven en den halven dag in de stad gebruikte hij om in een bibliotheek te snuffelen en de boekwinkels te plunderen. Laten al die halve en heelen dagen in het geheel te zamen acht dagen uitmaken, zoodat des dominees vacantie in alles en alles vijftig dagen bedroeg.
Terwijl de dominee zelf dit totaal nederschreef, meende zijn tegenstander, dat het nauwelijks de moeite waard was zijn zaak te verdedigen. Toen de dominee aanhield en den jongen maneen blad papier gaf en een potlood, had het er veel van, dat de geheele zaak niet veel meer dan op een grap zou uitloopen.
„Twaalf dagen is de regel in ons kantoor en het is een bijzondere tref, wanneer men in Augustus kan gaan, want het kunnen ook dagen in April zijn,” zei de jonge man. En hij was reeds bezig twaalf af te trekken van vijftig en benieuwd wat de dominee zou zeggen over een meerderheid van acht en dertig.
„Tellen de Zondagen mee bij uw verlof?” vroeg de dominee. De jonge man gaf toe, dat dit niet zoo was en zoodoende werd het getal twaalf veranderd in veertien, maar dat maakte niet veel verschil.
„Is uw kantoor open op Kerstdag?” ging de dominee voort. „Ik denk van neen; evenmin als op Nieuwjaarsdag, op Paaschmaandag, of op Pinkstermaandag. Gewoonlijk is de tweede Kerstdag ook een vrije dag en Goede Vrijdag ook. Zoo gaan we aardig de hoogte in; dat zijn zes dagen, die gij niet gerekend hadt en dan iser een vrije beursdag in het begin van Augustus, dien gij liefst buiten uw jaarlijksche vacantie sluit. Hoever zijn wij nu? Een en twintig dagen, dat wil zeggen—drie weken. Het is niet veel voor iemand, die zoo hard werkt; maar het is toch meer dan gij hadt uitgerekend.”
„Ja, het vermindert uw meerderheid, maar die is toch altijd nog aanmerkelijk—negen en twintig dagen meer voor den dominee dan voor den klerk.”
„Misschien,” antwoordde de predikant, „maar uw firma moest zich toch eigenlijk schamen,—en zij heeft zoo'n goeden naam en doet zulke groote zaken!—dat haar klerken den geheelen Zaterdag moeten werken inplaats van een halven vrijen dag te hebben. Niets, zou ik zoo zeggen, zou voor een jongmensch aangenamer zijn dan eens op zijn fiets naar buiten te gaan op den Zaterdag-achtermiddag, in den tijd, dat de bloemen beginnen uit te komen en dat de heggen het eerste groen vertoonen of op een anderen tijd een paar uur te gaan schaatsenrijden in het heldere, reine versterkende winterweer.Ik heb medelijden met u,” zei de dominee, „dat gij dien halven vrijen Zaterdag niet hebt. Gij zijt al even slecht af als ik, voor wien Zaterdag op een na de drukste dag van de week is.”
De predikant stond op en wierp een nieuw blok op het vuur, want hij was een edelmoedig man, met een tikje humor, en hij wilde zijn vriend niet verlegen maken.
„Daar heb ik nooit aan gedacht,” zei de jonge man rondborstig, „dat is eerlijk waar. Ik herinner me, dat ik eens medelijden met u kreeg, toen ik ging schaatsenrijden en bij u aanliep om te vragen of ge meegingt en dat ge bezig waart met het maken van uw avondpreek.”
„Welnu,” zei de dominee, „twee-en-vijftig maal een halve dag is zes-en-twintig heele dagen, en daar afgetrokken de twee halve dagen, die in uw geregelde vacantie vallen, blijven er vijf-en-twintig heele dagen over, die moeten opgeteld worden bij uw een-en-twintig dagen, dat maakt zes-en-veertig, of ik moet heelemaal niet kunnen tellen.
„O!” zei de dominee, „heb ik gelijk of niet? Gij staat nu zes-en-veertig tegen mijn vijftig. Ik moet u gelukwenschen met uw minderheid. Geen dominee klaagt over zijn werk, zelfs niet over de drukte en beslommering van den Zaterdag, maar ik vertel u eerlijk,Dick, er zijn oogenblikken, dat hij een leek den Zondag benijdt, want de Zondag is de rustdag van den leek en voor den dominee de dag van harden arbeid. Op dien dag slapen de meeste menschen des morgens iets langer—ofschoon gij waarschijnlijk des Zondagsmorgens te vijf uur opstaat om Duitsch te bestudeeren—en dan ontbijten zij op hun gemak; want waarom zouden zij zich haasten, het is immers geen werkdag? Tusschen het ontbijt en den kerktijd praten zij over alle soorten van zaken en doorbladeren boeken en lezen brieven, die van verre gekomen zijn en gevoelen zich geheel op hun gemak. Als het mooi weer is, kiezen zij den langsten weg om naar de kerk te gaan, liefst door een plantsoen of een park en zij drentelen kerkwaartsmet ongedwongen geest. De vader zit met zijn gezin in hun bank en kan zonder afleiding en zonder vrees zich geheel wijden aan den eeredienst. Misschien denkt hij nooit eens aan de domineesvrouw, die als was zij een weduwe in haar bank zit met hare als verweesde kinderen, want het hoofd des gezins vervult op dien dag zijn zwaarste taak en heeft zooveel te doen bij het leiden van de godsdienstoefening der anderen, dat men nauwelijks kan zeggen, dat hij tijd genoeg heeft om zelf God te vereeren. Wees zoo goed niet in de rede te vallen”—want de jonge man gaf teekenen van toenadering om zich over te geven.
„Weet je,” zei de dominee, in het dansende vuur starend, „dat ik eenige jaren geleden eens een Zondag voor mij zelf had met mijn gezin, en ik kan nog het aangename van dien dag smaken in mijn herinnering. Wij begonnen na het ontbijt te praten over Bijbelsche personen en godsdienstige onderwerpen en ik kwam voor het eerst te weten, hoe mijn jongens er overdachten. Wij zochten boeken op, waarover gesproken was en ik las mijn geliefkoosde gedeelten uit dichters en liet zeldzame uitgaven zien en deed mijn kast met gebonden boeken eens open, waar de banden tegen licht en stof beschermd stonden. We babbelden, we verbeuzelden onzen tijd een weinig, we vermeidden ons in onze schatten. We dronken thee in den tuin, we praatten over den ouden tijd, we maakten plannen voor de toekomst. Wel, ik wandelde met mijn gezin naar de kerk, met licht gemoed en zonder reden tot haast. Zoo zeer genoot ik den dag, dat ik besloot er al van te halen, wat te halen was.
„Denkt gij, dat ik in de kerkekamer ging vóór den dienst, omdat het mijn consistorie was en dat ik den dominee inlichtingen gaf omtrent de aankondigingen, omdat het mijn kerk was? Zeker niet. Ik ging binnen door de voordeur, precies als ieder ander lid van de Gemeente en knikte vriendelijk de kerkeknechts toe, als ik hen voorbij ging. Ik liep door de gangen achter mijn gezinen ging zitten aan het eind van de bank net als ieder ander hoofd van een gezin. Na den dienst ging ik naar de kerkekamer en na binnen gelaten te zijn, dankte ik den dominee voor zijn preek als een van zijn hoorders en toen ging ik naar huis en praatte met mijn jongens over den dienst, want het gesprek liep over de preek van een ander en ik kon op al de mooie gedeelten wijzen. Dien achtermiddag tijd te mijner beschikking hebbende, bezocht ik een zaal, waar een man met een eigenaardige gave aan twee honderd ongeleerde boeren de beginselen van den godsdienst ontvouwde en kwam tehuis heerlijk verfrischt en toen lazen wij weer en praatten en mijn gezin en ik werden heel innig, omdat wij tijd hadden en omdat het Zondag was.
„Bij de avondbeurt had ik het genoegen een jongen man aan de deur op te visschen, die op een plaats wachtte en ik nam hem mee naar mijn bank en legde hem uit, dat hij 's avonds altijd daar kon gaan zitten en dat ik blij was,dat hij was gekomen, omdat wij stellig een heerlijke preek zouden krijgen. Hij keek mij eenigszins nieuwsgierig aan en wilde wat zeggen, toen ik hem voor was en uitlegde, dat ik dien dag niet de dominee van de kerk was, maar eenvoudig zelf toehoorder. Ik praatte al weer met mijn gezin na den dienst—het aangename van den hak op den tak springen, wat echter niet nutteloos behoeft te zijn, van menschen, die niet vermoeid, overspannen zijn en zoo eindigde de dag van rust in een vriendelijke gezelligheid en innerlijke rust. Wij moeten allen iets opofferen,Dick, maar de zwaarste opoffering, die een dominee heeft te doen is zijn Zondag, want zij is tot schade van zijn eigen ziel en die van zijn familie. Wees dankbaar voor uwrustigeZondagen en behoud ze met jaloerschheid voor de rust van geest en lichaam.”
„Ge hebt uw zaak bewezen,” zeiDick; „door vijftig Zondagen en vijftig halve Zaterdagen er bij te voegen, wordt mijn vacantie zes-en-negentig dagen tegenover vijftig van u.”
„Het is laag,” zei de dominee, „een verslagen vijand af te maken, vooral wanneer hij zoo'n goede kerel is, maar cijfers zijn niet voldoende om de zaak geheel uit te drukken, omdat er ook nog gelet moet worden op het verschil in den aard van het werk, dat verricht wordt, laat ons zeggen in een kantoor en in een studeerkamer. Ik weet, dat zaken nauwkeurigheid vereischen, dat er voortdurende inspanning noodig is en dat men telkens voor verrassingen staat en voor teleurstellingen en dat er kans is op grooten tegenspoed, maar de man van zaken heeft ook zijn eigenaardige voordeelen. In de eerste plaats is er een grens aan zijn werk, en als hij des avonds thuis komt, laat hij zijn werk achter. Aan den arbeid van den predikant nu is geen grens. Hij blijft altijd boven zijn hoofd hangen, roept altijd zijn gedachten tot zich, zijn werk spant altijd zijne zenuwen bovenmate, het drukt altijd op zijn geweten. Wanneer hij zich een gezelligen avond veroorlooft, dan verkeert hij niet in dezelfde gunstige omstandighedenals de andere gasten, omdat zij hun brieven hebben afgeschreven en hun geheele dagtaak hebben afgedaan en wanneer zij naar huis gaan dan zal dat wezen om nog even een laatste hoofdstuk van een boek te lezen vóór zij naar bed gaan; maar hij rukt zich los uit werk, dat half af is en als zijn vrienden reeds zijn ingeslapen, brandt op zijn lessenaar het licht nog. Daarenboven—en,Dick, gij kunt u niet verbeelden, wat dat beteekent—de koopman weet, dat hij een zekere hoeveelheid werk in acht uren kan verrichten, omdat het over zaken handelt; maar de dominee weet nooit wat hij kan doen, omdat zijn werk betrekking heeft op denkbeelden. De noodzakelijkheid van voort te brengen, zelfs wanneer de geest niets heeft te uiten, werkt op de zenuwen van den dominee en kan zijn gezondheid benadeelen.
„De dagbladschrijver schrijft elken dag, maar hij heeft nieuwe onderwerpen om over te schrijven; de letterkundige werkt wanneer hij gestemd is; de dominee moet schrijven over een oudonderwerp—ofschoon het belangrijkste wat de geest kan bevatten—en hij moet schrijven, onverschillig of zijn geest helder of dof is. Misschien is er niemand, die zulke oogenblikken van vreugde kent als hij—wanneer hij bezield is; zeker heeft niemand zulke uren van gedruktheid—wanneer hij niet tot zijn onderwerp kan opklimmen. Alleen door geduldig lezen en onophoudelijk gebed kan hij zijn taak vervullen, en dan is hij steeds zoo sterk mogelijk ingespannen en kent nooit de rust van den man, die zijn werk verricht met overvloed van tijd, kracht en denkbeelden. Wanneer de dominee komt te overlijden, terwijl hij nog in de Bediening is, dan zal hij op zijn sterfbed in zijn laatste oogenblikken van bewustheid nog iets te zeggen hebben omtrent een brief, die niet beantwoord is en nog eenige verklaringen te geven hebben aan een gezin, dat niet bezocht is en wanneer zijn geest begint af te dwalen, zal hij ronddolen tusschen teksten, waarmee hij gestreden heeft en pogingen, die niet tot het doel hebben geleid.”
„Hij behoorde elk jaar twee maanden te hebben,” riepDick, „en als ik diaken word, zal ik zorgen, dat mijn dominee daarenboven elke zeven jaar een half jaar vacantie krijgt, opdat hij daarna weer beginne als een geheel nieuw mensch, naar geest en lichaam.”
„Ge zijt een beste kerel,Dick, en ge zijt verstandig voor uwe jaren en als de Kerk haar predikanten behandelde op deze wijze, dan zou zij daar veel voordeel bij hebben. Want elke nieuwe gedachte, die doordringt tot den geest van den dominee, en elk nieuw boek, dat hij leest en elke nieuwe landstreek, die hij ziet en elke nieuwe kunstverzameling, die hij in zijn vacantie bezoekt, vermengt zich met zijn woorden, met zijn leven en de goede zorg, de edelmoedigheid der Gemeenten zou met woeker terugkomen tot hun eigen zielen.”
Men kon niet zeggen, dat de dominee te oud was geworden, want hij was nog in de kracht des levens; ook niet dat zijn gezondheid wankelend was, want hij was sterker dan in de dagen zijner jeugd; ook niet, dat hij had opgehouden te studeeren, want hij las meer dan ooit; ook niet, dat hij zijn tijd niet begreep, want hij was door en door een denker van het heden. Men mocht niet denken, dat hij minder ijverig was in zijn herderlijk werk of minder bekwaam in het regelen van zaken, ook niet, dat hij twist had gehad met zijn Gemeente of zijn Gemeente met hem; ook niet, dat de geest van het districtwas veranderd of dat de kerk haar lidmaten had verloren. Hij preekte even goed als hij ooit deed, en met meer kracht en wijsheid dan twintig jaar geleden. Er waren evenveel leden op de lijst en er werd evenveel geld gecollecteerd en evenveel werk gedaan en de Kerk had een uitmuntenden naam. Het was moeielijk den vinger te leggen op eenige wondeplek bij dominee of Gemeente en toch was de dominee zich bewust en de menschen hadden een onbepaald gevoel, dat er iets haperde. Er was minder geestdrift in de Gemeente, de plichtsvervulling was trager, men haastte zich minder, gehoor te geven aan een verzoek en er was minder opkomst bij de extra-diensten. Er was minder enthousiasme, minder vrijwillig werk, minder trouw.
Na vijftien jaren dienst in dezelfde parochie, na al dien tijd dezelfde menschen te hebben toegesproken, en noodzakelijkerwijze altijd hetzelfde te hebben gezegd, en altijd zich bewogen te hebben in dezelfde wijk, was de dominee zonder eenige fout van zijne zijde, maar eenvoudigtengevolge van de zwakheid der menschelijke natuur, een weinig moede geworden. Hij had zijn frischheid verloren, niet van gedachte of van uitdrukking, maar de frischheid van geest; hij had die lichtheid van ziel, dat hoopvolle in den toon en die eeuwige opgewektheid in de toespraak verloren, waardoor de menschen eens waren aangetrokken en waardoor hij hun hart had gewonnen. En van hunne zijde hadden zij de frischheid verloren te zijnen opzichte; niet dat zij geen eerbied voor hem hadden of niet dankbaar waren voor vroegere diensten of voor zijn tegenwoordigen arbeid, maar zij misten nu dat gevoel van grootsche verwachtingen van hem en zij konden niet meer zoo liefhebbend genieten in hem en zij spraken niet meer met zooveel blijdschap over hem. Hunne harten klopten niet sneller, wanneer hij preekte; het was niet een merkwaardige gebeurtenis, als hij een bezoek bracht en men voelde geen groot ledig, wanneer hij weg bleef. Er was nog steeds een eerlijke genegenheid tusschen den dominee en zijn menschen,maar zij had den hartstocht en het romantische van vroeger jaren verloren. Zij was nu niet opzienbarend, maar regelmatig; misschien een ietsje te kalm en ingetogen om liefde te heeten.
De menschen waren zoo gewoon geworden aan hun dominee, aan zijn voorkomen, zijn stem, zijn denkwijze, zijn eigenaardigheden, dat zij in staat waren hem te critiseeren en zijn fouten met veel nauwkeurigheid op te merken. Het kon hem niet schelen of hij tegengesproken werd, en hij had aanleg om boos te worden, wanneer men zich tegen zijn plannen verzette; hij was te zeer ingenomen met zekeren gedachtengang en preekte niet altijd om te stichten; hij had neiging om zich binnen een beperkten vriendenkring op te sluiten en was niet voldoende ter beschikking van allen; hij gaf te veel aandacht aan werk buiten de Kerk en verzuimde soms zijn herderlijke taak; hij stond erop zijn vrije uren te gebruiken, zooals hem goed docht en scheen er niet aan te denken, dat hij eigenlijk in het geheel geen vrijen tijd behoorde te hebben;hij was soms knorrig, wanneer hem extra-werk werd opgedragen en hij was niet altijd welwillend, wanneer hij iets doen moest, dat niet tot zijn eigenlijke werk behoorde. Tien jaar geleden zou niemand hebben durven zinspelen op deze fouten, want dan zouden de medeleden hem hebben uitgemaakt voor een onredelijk mensch. De dominee was toen juist zooals hij nu is, maar zijn fouten werden toen eenvoudig beschouwd als groote opgewektheid en ernst en vriendschap en toewijding en geestelijk plichtsgevoel. Hij was toen volmaakt bij de schemering van het morgenlicht; hij is nu een gewoon mensch, wiens onvolmaaktheden duidelijk gezien worden in den glans van het volle zonlicht. De dominee ook is nu in staat zijn menschen op een afstand te beschouwen en hen onpartijdig te beoordeelen, terwijl zij eens hem allen lief toeschenen zonder vlek of rimpel of iets van dien aard en gij hadt veiliger het voorkomen van een bruid kunnen gispen in tegenwoordigheid van haar bruidegom, in de bruidsdagenzelfs, dan dat gij één fout hadt mogen aanwijzen in de Gemeente van dien man. Hetzij dat zijn oogen beter hebben leeren zien of dat zijn hart verkoeld is, hij is niet meer onder bekoring; en ofschoon hij zulke zaken niet in het openbaar zou willen zeggen, weet hij heel goed wat er hapert aan zijn menschen. Eenigen van hen zijn hopeloos ingenomen met hun eigen inzichten en ontoegankelijk zelfs voor het beste licht, wat hij natuurlijk meent, dat het zijne is. Anderen zijn zoo liberaal, dat zij bijna in het geheel geen geloof meer hebben en hij vergeet te bedenken, dat hij verantwoordelijk is voor dit gemis aan geloof. Nog anderen zijn zoo wereldschgezind, dat de ernstigste godsdienstige roepstem geen invloed heeft op hun leven en dan zijn er nog, die zoo liefdeloos zijn, dat zij voor de beste zaak niets over hebben om haar te steunen. Het doet hem pijn, dat jonge menschen, die hij onderwees en liefhad niet langer trouw aan hem zijn, maar anderen stemmen dan de zijne de voorkeur geven en met evenveelgeestdrift spreken over anderen, als zij eens spraken over hem; en hij voelt het gemis van die kleine vriendelijkheden, die hem zoo dierbaar waren niet om de waarde ervan, maar omdat zij de heiligheid der vriendschap bezegelden. Hij gelooft nog, dat zijn Gemeente beter is dan eenig andere; hij denkt nog aan hun trouw in het verledene; maar de dagen der eerste liefde zijn voorbij en zijn hart is somtijds bezorgd.
Op een avond waren de ambtsdragers van de Kerk bijeengekomen en toen de zaken waren afgehandeld, raakten zij aan het praten over het kerkelijk leven en over hun dominee. Zij waren over het geheel zeer eerwaarde, gevoelige, goedhartige en oprechte mannen, die wenschten hun best te doen met hun dominee en hem in geen enkel opzicht te ergeren; zij droegen altijd zorg, dat hij behoorlijk zijn salaris ontving en een aangename vacantie had; zij zouden nooit klagen zonder reden en zouden zeker nooit ervan droomen iemand te vragen heen te gaan of hemter zijde te zetten na langen dienst zonder een fatsoenlijk jaargeld. Maar zij waren niet in hun schik met den gang van zaken en na veel over-en-weergepraat, na veel half uitgesproken plannen, veel wenken, veel aanduidingen en veel omschrijvingen was het bijna een uitkomst, toen de heerJudkin, de voorzitter, en een sterke persoonlijkheid in woord en daad, uitdrukking gaf aan wat in hen omging.
„Er is geen mensch,” zei hij, „voor wien ik inderdaad dieper eerbied gevoel dan voor onzen dominee, want hij heeft hard gewerkt en onze Gemeente er bovenop gebracht. Hij is een zeer belezen man en een goed prediker en niemand kan de minste aanmerking maken op zijn leven of zijn gedrag; maar er is geen twijfel en ik meen, dat het beter is zoo iets te zeggen dan dat het in het geheim gevoeld wordt, dat op de een of andere wijze onze dominee langzamerhand zijn invloed op de menschen verliest en dat de Gemeente in toon en in hart niet is, wat zij placht te wezen. Mijn indruk, broederen, is dat,hoewel het een gevaarlijke onderneming voor ons is en hoewel wij waarschijnlijk nooit iemand zullen krijgen, die voor ons doen kan wat onze dominee in het verleden voor ons gedaan heeft, toch zijn werk hier is afgeloopen en dat het best zou wezen, dat hij en wij eens veranderden.” En toenJudkinde vergadering rondzag, bemerkte hij, goed begrepen te zijn en daaruit putte hij aanmoediging voort te gaan.
„Onze dominee staat zoo goed aangeschreven in de Kerk en zijn reputatie is zoo groot, dat hij gemakkelijk een andere plaats zou kunnen krijgen, als hij wilde. Inderdaad heb ik reden om te gelooven, dat hij dikwijls in de gelegenheid is geweest om te veranderen, maar hij heeft altijd geweigerd een beroep in overweging te nemen. Er is niemand in de Gemeente, die den dominee zou willen vragen om heen te gaan—zeker zal ik het niet doen; maar ik maak me sterk, dat een nieuw begin in een nieuwe plaats het best zou wezen voor hem en ik voel mij verplicht er bij te voegen, misschien het bestezou zijn voor ons. Eén zaak zou ik echter nog willen zeggen en dat betreft een geldzaak. Wij hebben geen arme Gemeente en wij zullen altijd wel in staat zijn ons te redden, maar wij hebben een vrij groot tekort in kas en bij de laatste aansporing van den preekstoel is er maar weinig weerklank gegeven. Als de leden wat beter gestemd waren, zouden de noodige vijfduizend gulden in een week zijn bijeengebracht.”
Er was een pauze, waarin verschillende broederen met knikjes en blikken den heerJudkinte kennen gaven, dat hij in hun geest gesproken had en toen werd het stilzwijgen verbroken door den heerStonier, die in de Gemeente en er buiten bekend was wegens uiterste zuinigheid in geldzaken, een totale afwezigheid van gevoel en een ijselijke openhartigheid in het spreken. Men voelde, toen hij het woord nam, dat als de heerJudkineen spijker had ingeslagen in de goede richting, de heerStonierdien zou inslaan tot aan den kop, maar... men kan nooit weten! „We kunnen hier,” zei mijnheerStonier, „veronderstelik, zeggen wat we denken, en er zijn geen reglementen of orders van den dag. Wat mij aangaat, ik wist niet, dat wij van avond hier kwamen om onzen dominee te oordeelen en ik wist niet, dat de heerJudkinen de overigen van plan waren hem min of meer ronduit op beschaafde, Christelijke, deftige wijze te vragen naar een andere plaats om te zien. O jawel, dat is jelui bedoeling, maar ge zijt een troep van zulke poeslieve menschen, dat ge het woord niet uitspreekt en niet zegt, wat ge meent! Wat mij aangaat, ik ben vijftien jaar lang lid van deze Kerk en toen ik hier kwam, was het huis bijna leeg en nu is het vol en de dominee heeft vijftien jaar lang hard gewerkt. Nu, ik laat mij er niet op voorstaan, dat ik een philanthroop ben, en ik geef nooit een cent voor de „bekeering der Joden” en ook niet voor de „vereeniging tot voeding van de straatslijpers,” noch voor eenig ander plan, waarvoor jelui pleit. Ik ben niet, wat men noemt, een milde gever, maar ik hoop, dat ik een eerlijk man ben; enik zal u zeggen, dat, indien ik een man op mijn kantoor had, die mij vijftien jaar gediend en zijn werk goed gedaan had, en ik stelde dan voor om hem weg te zenden, omdat het mij verveelde altijd hetzelfde gezicht aan zijn lessenaar te zien en hetzelfde handschrift onder de oogen te krijgen, dan zou ik mijzelf beschouwen als een schavuit; en ik dank God, dat ik zoo iets nooit gedaan heb met een van mijn bedienden. Als gij iemand kunt aanwijzen, die in mijn kantoor is werkzaam geweest en dien ik heb weggezonden, omdat ik een nieuw gezicht wenschte te zien, dan geef ik vijfhonderd gulden aanTimbuchoof aan welke andere zending gij maar wilt.”
Niemand dong naar den prijs, want het was wel bekend, dat, ofschoon de heerStonierzoo hard was als ijzer voor liefdadigheid onder onbekenden, hij een uitmuntend meester was in zijn eigen zaken.
„Wat betreft het tekort in de fondsen der Kerk, indien dat de reden is, waarom dedominee ontslagen moet worden, dan ben ik bereid om de geheele som zelf bij te passen; en ik doe dat, versta mij wel, als een bewijs van eerbied en dankbaarheid—dankbaarheid, ziet ge, heeren, voor vijftien jaren van harden arbeid!”
Deze man van duidelijke taal was nauwelijks gezeten of de heerLovejoy, de vriendelijkste en aangenaamste mensch van de heele Gemeente, die eenigen tijd lang zeer beweeglijk was geweest, begon te spreken.
„Ik wensch niet te twisten met de lieve broederen, die gesproken hebben, want de heerJudkinis te sterk voor mij en niemand zou broederStonierkunnen beantwoorden op zijn schoon aanbod. Zeer edelmoedig en juist overeenkomstig zijn vriendelijk hart, dat ik sedert vele jaren heb leeren kennen bij mijn kleine werken der liefde; maar dat is een geheim tusschen mijnheerStonieren mij. Wat ik wensch te zeggen, is, dat ik onzen dominee liefheb om hetgeen hij is en om hetgeen hij geweest is voor mij intijden van groote droefheid. Toen..... ik mijn lieve vrouw verloor, bracht hij dag aan dag troost aan mijn hart en onze predikstoel zal voor mij nooit dezelfde zijn zonder onzen dominee.”
Dat was alles, wat de heerLovejoyzei.
Het scheen echter, dat hij een verborgen snaar had aangeraakt in elk der aanwezigen en de een na den ander had iets te zeggen. Het leek wel of zij de zaak, waarover gesproken werd, vergeten waren, zoowel als de kiesche opmerking van den heerJudkin. De een stond op om te zeggen, dat de dominee hem getrouwd had, en dat hij nooit de toespraak bij het huwelijk zou vergeten; een ander had eens plotseling een kiemen jongen verloren en hij geloofde niet, dat zijn vrouw en hij ooit de beproeving zouden doorstaan hebben zonder het meegevoel van den dominee; een derde had wereldsche beproevingen doorgemaakt en het was door een preek van den dominee, dat hij was staande gebleven; en een vierde, die zooals iedereen weet,aan vreeselijke verleidingen had blootgestaan, wenschte nederig te verklaren, dat hij dien avond geen ambt in een Christelijke Kerk zou bekleed hebben zonder de hulp van den dominee in tijden van moeielijkheid. Anderen keken, alsof ook zij wel iets te zeggen hadden en een diaken gebruikte heimelijk zijn zakdoek en eindelijk stond de heerJudkinzelf weer op en toonde zich een man, waardig een Kerk te besturen en te leiden.
„Broederen,” zei hij, „ik drukte de meening uit, die in mijn gemoed was, en ik ben dankbaar, dat ik haar onder woorden gebracht heb, want het spreken heeft mij verlicht en u goed gedaan. Ik neem nu terug, wat ik zei: ik was een weinig moedeloos. BroederStonierheeft volmaakt gelijk en hij heeft ons allen een hart onder den riem gestoken; en als hij het tekort dekt, waarvoor wij hem allen zeer verplicht zijn, dan zal ik gaarne zien, mannen broeders, dat ge mij toestaat de kerk in het najaar te schilderen, want de verf wordt een weinig bleek en ik zou dat willen doen als een erkentelijkheid voorhetgeen de dominee geweest is voor mijn vrouw toen onze jongen tusschen leven en dood zweefde.”
Het voorbeeld van den heerJudkinbracht de ambtsdragers op een nieuw spoor; de een bood aan nieuwe liederenboeken te geven voor de Zondagsschool, waaromtrent eenige moeielijkheid was gerezen; een ander verklaarde, dat als de kerk opnieuw geschilderd werd, hij er voor wilde zorgen, dat ook het wijkgebouw een nieuw kleed kreeg; een derde bood aan een vierde gedeelte te betalen van het salaris voor een zendeling om den dominee er van te ontlasten en drie andere ambtsdragers eigenden zich de overblijvende drievierden toe, totdat er op het laatst niemand was, die zich niet het recht had verzekerd, persoonlijk voor zichzelf, om iets te doen, klein of groot, voor de Kerk, en iedereen deed, wat hij aanbood, uit dankbaarheid aan den dominee voor al wat hij voor hen was geweest en gedaan had gedurende vijftien jaar. En ten slotte maakte de heerLovejoyal zijn broederen week in een gebed, waarin hij dominee en lidmaten brachtvoor den Troon der Genade en zoo pleitte, dat elk, toen hij de plaats verliet, voelde, dat de zegen des Heeren op hem rustte.
De preekbeurt in de week werd gehouden op Woensdagavond en werd in den regel zeer slecht bezocht. Dezen keer was de dominee naar de consistorie gekomen met een benepen hart, en hij bad om de genade den heerLovejoyen een handvol vrome en eerzame vrouwen te kunnen toespreken zonder blijk te geven van ontmoediging en zonder hen moedeloos te maken. Daar waren tijden geweest in het verleden, dat de dienst in de kerk was gehouden en de heerJudkinplacht in de stad op de opkomst te pochen; toen was men uit de kerk naar de groote zaal gegaan; maar in den laatsten tijd werden de weinigen, die kwamen, bijeengeroepen in een kamer, omdat het aangenamer is een kamer bijna vol te zien dan een voor driekwart ledige zaal.
De kamer was vlak naast de kerkekamer en vóór hij naar binnenging, kon hij tellen of er meer of minder dan het gewone dertigtal zoudenzijn. Dezen avond gingen zoovele voeten voorbij zijne deur en er was zoo'n levendige drukte, dat hij geloofde, dat er wel veertig zouden wezen, wat een belangrijk aantal was en hij begon zich lafheid en ongeloof te verwijten. Hij keek den liederenbundel door om een keus te doen, toen de deur openging en de heerLovejoybinnenkwam met zooveel blijkbare tevredenheid op zijn beminnelijk gelaat, dat de dominee zeker was van iets prettigs. „Vergeef me, dat ik u stoor,” zei de goede man, „maar ik kwam vragen of gij niet in de groote zaal zoudt gaan van avond? De kamer is al vol en er komen elke minuut meer menschen. Het zou mij niets verwonderen, als er honderd, misschien tweehonderd kwamen,” en mijnheerLovejoy's gelaat straalde en zonder het te weten drukte hij voor de tweede maal des dominee's hand.
„Ge kunt zeker zijn, dat ik maar al te blij zou zijn, maar.... wat beteekent dit? Weten zij, dat ik zelf zal preeken?” En de dominee leek bezorgd, uit vrees dat de menschen misschientoegestroomd waren in de hoop, dat de een of andere vreemdeling van naam zou spreken.
„Natuurlijk weten zij het en daarom zijn ze gekomen,” antwoordde de heerLovejoymet groote blijdschap; „voor geen mensch anders zouden er zooveel gekomen zijn en als gij van avond niet preektet, zou dat de grootste teleurstelling zijn, die de menschen ooit ondervonden; maar ik moet mij haasten om toe te zien, dat alles in de zaal in orde komt,” en een minuut later hoorde de dominee het geluid van vele stemmen, toen de menschen vroolijk verhuisden van de kamer naar de zaal en zelfs in de consistorie was het te merken, dat er een groote schare zou zijn. Terwijl hij peinsde over de beteekenis hiervan, werd al weer de deur geopend en weer kwam de heerLovejoybinnen.
„We hadden niet genoeg geloof,” riep hij, „we hadden dadelijk naar de kerk moeten gaan. BroederStonierzei op zijn gewone besliste manier: ‚geen halve maatregelen, vooruit naar de kerk;’ maar ik was bang, dat er niet genoegzouden zijn. Ik had ongelijk, heelemaal ongelijk, de kerk zal mooi vol worden van onder tot boven, want de menschen komen gestadig toestroomen—het is een prachtig gezicht, zoo'n stroom. Ik zal u komen halen, als zij allen gezeten zijn; maar geef hun tijd, want het is niet gemakkelijk van de eene plaats naar de andere te gaan, zooals wij van avond gedaan hebben; maar we zullen het anders aanleggen den volgenden Woensdag, dan gaan we dadelijk in de kerk juist als in vroeger tijden” en de heerLovejoyverliet de consistorie als op vleugelen.
Toen de dominee in de kerk kwam, was deze bijna vol en hij gaf met eenige moeite den eersten psalm op, want het schoot in zijn ziel, dat deze menschen gezien hadden, dat hij moedeloos was en dat dit een vernieuwde genegenheid was. Het gebed viel hem zelfs zwaarder dan het lied, ofschoon zijn hart diep bewogen was door dankbaarheid aan God en teeder pleitte voor de menschen. En toen hij genaderd was aan de toespraak, wierp hij zijn papier met punten terzijde, want het leek hem te koud en tevormelijken hij las den honderd-zesentwintigsten psalm langzaam en met bevende stem en in plaats van uitlegging, hield hij op tusschen de verzen en de menschen begrepen. Toen hij het laatste vers las: „Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en weenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven”—aarzelde hij een oogenblik en toen.... sprak hij den zegen uit. Na een oogenblik stil gebed lichtte hij het hoofd op en zag, dat de menschen nog wachtten. De heerJudkinstond op, en naar voren komende voor den lessenaar, dankte hij den dominee verstaanbaar voor al zijn werk—en toen kwamen zij allen, mannen, vrouwen en kinderen—en elk zei op eigen manier hetzelfde; en het gerucht heeft geloopen, datRichard Stonier, die het laatst kwam en niets zeide, voor de eerste en eenige maal in zijn leven van zijn stuk was gebracht.