HOOFDSTUK I.

Titelpagina

DE DRIE MUSKETIERS.

DOOR

Alexander Dumas.

Opnieuw bewerkt naar het Fransch.

BlankwaardtenSchoonhoven

Rijswijk(Z.-H.)

TWEEDE DEEL.

Een procureurs middagmaal.

Intusschen had het duel, waarin Porthos een zoo luisterrijke rol had gespeeld, hem het middagmaal niet doen vergeten, waarop de procureursvrouw hem had genoodigd. Den volgenden dag te één uur liet hij zich voor de laatste maal door Mousqueton afschuieren, en begaf zich naar de Berenstraat.

Zijn hart klopte, maar niet, als dat van d’Artagnan, van jeugdige, ongeduldige liefde. Neen, een meer lichamelijk gevoel dreef hem voort, hij zou eindelijk dien geheimzinnigen drempel gaan overschrijden, die onbekende trap gaan bestijgen, waarlangs een voor een de oude kronen van meester Coquenard in huis waren gebracht. Hij ging nu inderdaad de bewuste kast beschouwen, waarvan het beeld hem zoo dikwijls in zijn droomen was verschenen; de langwerpige, diepe, met sloten voorziene, verroeste en aan den vloer geklonken kast; de kast, van welke hij zoo dikwerf had hooren spreken, en die de hand van den procureur voor zijn opgetogen blik zou gaan openen. En vervolgens zou hij, de zwerveling op aarde, de man zonder fortuin, zonder bloedverwanten, de soldaat in herbergen, kroegen en posada’s verkeerende, de lekkerbek, meerendeels genoodzaakt zich met eenige toevallig opgedane maaltijden te vergenoegen, nu aan een huiselijken disch aanzitten, het genot van een huiselijk verkeer smaken.

In hoedanigheid van neef alle dagen aan een goedvoorziene tafel te zitten, het geel en gerimpeld voorhoofd van den ouden procureur op te vroolijken, een weinig de jonge klerken te plukken, door hun verschillende kaartspelen en het lanskenet in hun fijnste fijnheden te leeren, en van hen, bij wijze eener fatsoenlijke belooning voor de lessen, die hij hun zou geven, in den tijd van één uur het door hen gespaarde geld van een maand te winnen; dat alles was volstrekt volgens de zeden van dien tijd en lachte Porthos ontzaglijk toe.

De musketier stelde zich wel voor den geest de hier en daar verspreide geruchten nopens de procureurs, hun vrekkigheid, geldzucht en vastendagen; maar dewijl, alles wel beschouwd, behalve eenige oogenblikken van spaarzaamheid, die Porthos steeds zeer ontijdig vond, hij de procureursvrouw dikwijls tamelijk gul had gezien, wel te verstaan voor een procureursvrouw, hoopte hij derhalve een op een goeden voet ingericht huis te vinden.

Voor de deur echter begon de musketier eenigen twijfel te voeden; de toegang was niet geschikt om de lieden aan te moedigen; het was een vuile, donkere gang, waarvan de trap ternauwernood verlicht werd door het grijskleurig daglicht van een nabijzijnde binnenplaats, dat door traliën binnenviel.

Porthos klopte aan een voordeur, laag en met ijzeren spijkers beslagen, zooals de groote deur van hetgrand Châtelet;10) een groote, bleeke klerk, met een bos ongekamde haren op het hoofd, kwam de deur openen en groette als iemand, die gedwongen is een anderen te eerbiedigen, zoowel uit hoofde der groote gestalte, die kracht aanduidt, het krijgsgewaad, dat den staat doet kennen, als der blozende kleur, die de gewoonte van een goed leven te leiden aanduidt. Achter dezen klerk zag hij een tweeden, die kleiner was, daar achter een derden, van grooter afmeting, en een loopjongen van twaalf jaar achter den derden. In allesdrie en een halve klerk, hetgeen in dien tijd een zeer beklant kantoor aanduidde.

10) Het hoogste gerechtshof toen ter tijd te Parijs.

Hoewel de musketier eerst te één uur moest komen, had echter de procureursvrouw een waakzaam oog gehouden en op het hart, en misschien ook wel op de maag van haar aanbidder gerekend, dat hij er voor het bepaalde uur zou wezen. Mevrouw Coquenard naderde dan door de deur van het vertrek, terwijl tegelijkertijd haar gast de deur van de trap binnentrad; de verschijning der waardige dame redde Porthos uit een groote verlegenheid; de klerken beschouwden hem met een nieuwsgierig oog, en hij, niet wetende wat tot die opklimmende klerkenrij te zeggen, bleef sprakeloos.

„Ha, neef!” riep de procureursvrouw, „kom toch binnen, kom toch binnen, mijnheer Porthos!”—De naam Porthos deed op de klerken zijn uitwerking, en zij begonnen te lachen; doch Porthos keerde zich om en alle gezichten hernamen hun ernst.

Men trad het kabinet van den procureur binnen, na de voorkamer, waar de klerken waren, en het kantoor, waar zij behoorden, te zijn doorgegaan. Het laatste was een donkere kamer, opgevuld met papieren. Het kantoor uitkomende, liet men de keuken rechts liggen, en men trad de gezelschapszaal binnen. Al de vertrekken, welke aan elkander verbonden waren, boezemden Porthos niet veel vertrouwen in. De gesprekken moesten van verre door al die opene deuren verstaan worden; bovendien had hij in het voorbijgaan een snellen, onderzoekenden blik in de keuken geworpen, en hij bekende het zich, tot schande zijner procureursvrouw en tot zijn innig leedwezen, dat hij dat vuur, de levendigheid, die beweging niet had gezien, die eenige oogenblikken vóór een goeden maaltijd gewoonlijk in het heiligdom der lekkerbekken heerscht.

De procureur was ongetwijfeld van dat bezoek verwittigd geworden, want hij toonde niet de minste verwondering op het zien van Porthos, die hem tamelijk ongedwongen naderde en hem beleefd groette.

„Wij zijn, naar het schijnt, neven, mijnheer Porthos!”zeide de procureur, zich met alle kracht zijner armen van zijn van rotting gevlochten leuningstoel opheffende.

De grijsaard, in een wijden, zwarten kamerrok gewikkeld, waarin zijn uitgemergeld lichaam als verloren was, zag er nog krachtig, maar droog uit; zijn kleine, grijze oogen schitterden als karbonkels en schenen, met zijn krampachtig bewogen mond, het eenige gedeelte van zijn gezicht, waarin het leven was gebleven. Ongelukkig weigerden de beenen hun dienst aan dat knokachtige werktuig; sedert vijf of zes maanden, dat deze verzwakking zich had doen gevoelen, was van lieverlede de waardige procureur de slaaf zijner vrouw geworden.

De neef werd met onderwerping aangenomen, en dat was alles. Meester Coquenard, indien hij nog vlug ter been ware geweest, zou alle bloedverwantschap met den heer Porthos hebben verloochend.

„Ja, mijnheer! wij zijn bloedverwanten,” zeide Porthos, die trouwens nooit op een hartelijk onthaal van den echtgenoot had gerekend, zonder de minste verlegenheid.—„Door de vrouwen, geloof ik?” zeide de procureur boosaardig.

Porthos begreep die scherts niet en hield ze voor eenvoudigheid, over welke hij in zijn vuistje lachte. Mevrouw Coquenard, die wist, dat een onnoozele procureur een zeldzaamheid in zijn soort was, glimlachte een weinig maar bloosde sterk.

De heer Coquenard had, sedert de komst van Porthos, de oogen ongerust op een groote kast geworpen, die over zijn eikenhouten schrijftafel stond. Porthos begreep, dat die kast, hoewel niet in vorm met die van zijn droomen overeenkomende, de heilrijke schatkist moest zijn, en hij verheugde zich, dat zij werkelijk zes voet hooger dan die van zijn droom was.

Meester Coquenard dreef niet verder zijn genealogisch onderzoek door; maar zijn onrustigen blik van de kast op Porthos werpende, bepaalde hij zich te zeggen: „Mijnheer uw neef zal, alvorens te vertrekken, ons het genoegen wel willen doen ten eten te blijven, nietwaar mevrouw Coquenard?”—Nu ontving Porthos den stoot in de volle borst en voelde dien; het schijnt dat van haar kant mevrouw Coquenard er ook niet ongevoelig voor was, want zij voegde er bij: „Mijn neef zal niet terugkeeren, indien hij vindt, dat wij hem niet wel behandelen; doch het tegenovergestelde is waar, en wijl zijn verblijf teParijsvan korten duur is, zou het ons zeer aangenaam zijn, indien hij ons al die oogenblikken wilde schenken, over welke hij tot aan zijn vertrek kan beschikken.”—„O, mijn arme beenen! mijn arme beenen!” mompelde de heer Coquenard, en hij trachtte te glimlachen. De hulp, welke Porthos te beurt viel, in hetzelfde oogenblik dat hij in zijn hoop een goed middagmaal te doen werd aangevallen, boezemde den musketier voor de procureursvrouw veel erkentelijkheid in.

Weldra sloeg het etensuur. Men trad de eetzaal binnen: een groote, donkere kamer tegenover de keuken. De klerken, die, naar het schijnt, in huis ongewone geuren hadden geroken, waren van een militaire nauwgezetheid en hielden hun tabouretten gereed om neer te zetten; men zag hen bij voorbaat reeds de kinnebakken met een verschrikkelijken eetlust bewegen.

„Tudieu!” dacht Porthos, op de drie uitgehongerden een blik werpende; want de loopjongen, zooals men kan denken, deelde niet in de eer aan des meesters tafel te zitten. „Tudieu!als ik in de plaats van mijn neef was, dan zou ik zulke gulzigaards niet willen behouden. Zij schijnen schipbreukelingen, die in geen zes weken gegeten hebben.”

De heer Coquenard kwam binnen, in zijn stoel voortgerold door mevrouw Coquenard, die Porthos op zijn beurt te hulp kwam, om haar echtgenoot voor de tafel te brengen. Nauwelijks binnengekomen, bewoog hij neus en kinnebakken naar het voorbeeld zijner klerken.—„O, o!” zeide hij, „ziedaar een soep, die er smakelijk uitziet.”

„Wat duivel! zien zij toch zoo buitengewoon smakelijks aan deze soep?” vroeg Porthos zich zelven, ophet zien van een groote hoeveelheid lichtkleurig vleeschnat, waarop geen enkel vet oog zichtbaar was, en op hetwelk eenige weinige broodkorsten dreven, als eilandjes in den Archipel. Mevrouw Coquenard glimlachte, en op een wenk van haar zetten allen zich overhaast aan tafel.

De heer Coquenard werd het eerst bediend, vervolgens Porthos; daarna vulde mevrouw Coquenard haar bord en deelde de korsten, zonder het vleeschnat, aan de overige hongerigen uit. Op dat oogenblik ging de deur der eetkamer al knarsende open, en Porthos bespeurde, door de kier, den kleinen loopjongen, die, aan het feestmaal geen deel mogende nemen, zijn brood at, onderwijl de beide geuren opsnuivende, die uit de keuken en de eetkamer opstegen. Na de soep bracht de dienstmaagd een gekookt hoen, een lekkernij, die de oogen deraanzittendenderwijze deed uitpuilen, dat zij bijna uit hun holten sprongen.

„Men ziet, dat gij uw bloedverwanten liefhebt, mevrouw Coquenard!” zeide de procureur met een bijna tragischen glimlach: „Ziedaar zeker een verrassing, die gij voor uw neef hebt bereid.”

Het arme hoen was doodmager en omhuld met dat dik stekelig vel, dat de beenderen, ondanks hun pogingen, nooit kunnen doorboren; men had het lang moeten zoeken, alvorens het in het hoenderhok te vinden, waar het in een hoek was gekropen, om van ouderdom te sterven.

„Duivelsch!” dacht Porthos, „dat ziet er treurig uit; ik eerbiedig den ouderdom, maar ik acht hem niet veel gekookt of gebraden.”

Hij zag rondom zich, of zijn gevoelen gedeeld werd, maar integendeel, hij bespeurde niets dan gloeiende blikken, die bij voorbaat dat edel hoen, het voorwerp zijner verachting, verslonden. Mevrouw Coquenard trok den schotel tot zich, maakte behendig de twee groote, zwarte pooten los, die zij op het bord van haar man legde, sneed den vleugel voor Porthos af en gaf den schotel terug aan de dienstmaagd, die het dierhad gebracht; deze nam het bijna geheel mede en was verdwenen, alvorens de musketier den tijd had gehad de veranderingen te zien, welke de teleurstelling op de aangezichten bracht, naar het karakter en den aard dergenen, die ze ondervonden.

Na dat hoen werd er een schotel met boonen opgebracht, een ontzaglijk groote schotel, waarop eenige schapenbeenderen, waaraan men bij den eersten aanblik eenig vleesch meende gehecht te zien, hier en daar uitkwamen. Maar de klerken lieten zich door dat schijnbedrog niet misleiden, en de akelige gezichten veranderden in onderworpen gezichten. Mevrouw Coquenard verdeelde dat gerecht onder de jongelieden met de zuinigheid eener goede huismoeder.

Nu was de beurt aan den wijn gekomen. De heer Coquenard schonk uit een steenen, zeer kleine flesch het derde van een glas voor elk der jongelieden, schonk er zich zelven een in, bijna in gelijke evenredigheid en de flesch ging toen onmiddellijk over naar den kant van Porthos en mevrouw Coquenard. De jongelieden vermengden dat derde gedeelte wijn met water; vervolgens, toen zij gedronken hadden, deden zij er opnieuw water bij, en bleven aldus voortgaan, zoodat zij bij het einde van den maaltijd een drank dronken, die van de robijnkleur tot een gele topaaskleur was overgegaan.

Porthos at schroomvallig zijn hoendervleugel en dronk ook een half glas van den zoo zuinig bedeelden wijn, dien hij voor Montreuil11) herkende. Meester Coquenard zag hem den onvermengden wijn inzwelgen en zuchtte.

11) Een goedkoope landwijn.

„Zult gij nog van die boonen eten, neef Porthos?” vroeg mevrouw Coquenard op een toon, die wilde zeggen: „Geloof mij, eet er niet van.”—„Ik dank u, nicht, ik heb geen honger meer.”

Er heerschte een stilte. Porthos wist niet, hoe zich te houden. De procureur herhaalde eenige malen: „O, mevrouw Coquenard! ik maak u mijn compliment,uw diner was waarlijk een feestmaal!”—Porthos verbeeldde zich, dat men hem voor den gek hield, en begon zijn knevel op te krullen en zijn wenkbrauwen te fronsen; maar een blik van mevrouw Coquenard raadde hem geduldig te zijn.

Op dat oogenblik stonden de klerken, op een wenk des procureurs, langzaam van tafel op, vouwden nog langzamer hun servetten, vervolgens groetten zij en vertrokken.—„Gaat, jongelui, gaat de spijsvertering door werkzaamheid bevorderen,” zeide de procureur ernstig.

Toen de klerken zich hadden verwijderd, stond mevrouw Coquenard op en haalde uit een spijskast een stuk kaas, wat geconfijte kweeën en een koek, welken zij eigenhandig van amandelen en honing had bereid. De heer Coquenard fronste de wenkbrauwen op het zien van zooveel gerechten.—„Inderdaad, een feestmaal!” riep hij, zich op zijn stoel bewegende, „een waarachtig feestmaal!Epuloe Epulorum: Lucullus is te eten bij Lucullus!”

Porthos beschouwde de flesch, die voor hem stond, en hij hoopte met wijn, brood en kaas zijn middagmaal te doen; maar de wijn ontbrak dra, de flesch was ledig; mijnheer en mevrouw Coquenard gaven geen blijk zulks te bemerken.—„Het is wel,” dacht Porthos, „dat strekt mij tot waarschuwing.”

Hij liet zijn tong over een klein lepeltje met confituren gaan en bleef met zijn tanden in het door mevrouw Coquenard bereide kleverige deeg zitten.—„Nu,” zeide hij, „is het offer volbracht.”

Meester Coquenard gevoelde, na het genot van een dergelijk maal, hetwelk hij een buitensporigheid noemde, behoefte aan een middagslaapje. Porthos hoopte, dat zulks onmiddellijk en in de kamer, waar men zich bevond, zou plaats hebben; maar hiernaar had de procureur geen ooren; hij moest in zijn vertrek worden teruggerold en hij bleef zoolang schreeuwen, totdat hij voor zijn kast zat, op de kanten van welke hij uit meer voorzorg de voeten zette.

De vrouw van den procureur geleidde Porthos in eenandere kamer.—„Gij kunt driemaal in de week ten eten komen,” zeide mevrouw Coquenard.—„Ik dank u,” antwoordde Porthos, „ik houd niet van iemand overlast aan te doen. Daarenboven, ik moet aan mijn uitrusting denken.”—„Dat is waar ook,” zeide de procureursvrouw zuchtende; „die ongelukkige uitrusting, niet waar?”—„Helaas ja!” hernam Porthos, „dat is waar.”—„Maar waarin bestaat dan toch de uitrusting van uw kompagnie, mijnheer Porthos?”—„O! in velerhande zaken,” antwoordde Porthos; „de musketiers, zooals gij weet, vormen een keurbende en zij hebben een aantal dingen noodig, die de Gardes en Zwitsers kunnen ontberen.”—„Maar noem mij die dan eens.”—„Wel, dat kan zoowat beloopen....” zeide Porthos, die liever over het geheel dan over gedeelten wilde onderhandelen.—De procureursvrouw luisterde angstig.—„Hoeveel?” vroeg zij; „ik hoop, dat het niet meer zal bedragen....”—Zij zweeg, zij had geen woorden meer.—„Och, neen,” zeide Porthos, „het zal niet meer wezen dan vijf en twintig honderd livres. Ik geloof zelfs, dat, met eenige zuinigheid, ik mij met twee duizend zou kunnen redden.”—„Goede God! twee duizend franken! maar dat is al wat ik bezit, en nooit zal mijn man er in toestemmen een dergelijke som te leenen.”

Porthos maakte een veelbeteekenend gebaar. Mevrouw Coquenard begreep het.—„Ik vroeg u naar de voorwerpen, dewijl, daar ik bloedverwanten en klanten heb, die veel handel drijven, ik bijna zeker ben een en ander honderd percent beneden den prijs te verkrijgen, dien gij zoudt moeten betalen.”—„O! als het dat is, wat gij wildet zeggen.”—„Ja, waarde heer Porthos! Moet gij ook niet vooral een paard hebben?”—„Wel zeker.”—„Nu, ik heb juist iets, dat u lijkt....”—„Ha!” riep Porthos, blinkend van vreugd, „ziedaar dus de zaak, wat mijn paard betreft, geschikt; vervolgens moet ik een paard voor mijn knecht en een valies hebben. Wat mijn wapens betreft, hierover behoeft gij u niet te bekommeren, die heb ik.”—„Eenpaard voor uw lakei,” hernam aarzelende de procureursvrouw; „maar dat is op een zoo hoogen voet, mijn vriend!”—„Wel, mevrouw!” zeide Porthos trotsch, „ben ik bij toeval een gemeene kerel?”—„Neen, ik wilde u alleen zeggen, dat een muilezel soms even goede vertooning maakt als een paard, en dat ik meende, door uw knecht Mousqueton een fraaien muilezel te bezorgen....”—„Nu, laat het een fraaie muilezel zijn,” zeide Porthos; „gij hebt gelijk; ik heb zeer voorname Spaansche edellieden gezien, wier gevolg allen op muilezels zaten. Maar dat begrijpt gij wel, mevrouw Coquenard, dat het een muilezel moet zijn met pluimen en bellen.”—„Wees gerust,” zeide de procureursvrouw.—„Nu blijft het valies nog over,” hernam Porthos.—„O! wees hierover niet ongerust,” riep mevrouw Coquenard, „mijn man heeft vijf of zes valiezen, gij kunt het beste kiezen: hij heeft er vooral een, dat hij het liefst op reis medenam, en hetwelk zoo groot is, dat men er de wereld in zou kunnen stoppen.”—„Is uw valies dan ledig?” vroeg Porthos.—„Zeker is het ledig,” antwoordde de procureursvrouw.—„O! maar het valies, dat ik noodig heb,” riep Porthos, „moet een goed gevuld valies zijn, mijn lieve!”

Mevrouw Coquenard slaakte nieuwe zuchten. Molière had zijn tooneelstuk van den Vrek nog niet geschreven; mevrouw Coquenard was dus Harpagon vóór. Kortom, het overige der uitrusting werd achtereenvolgens op dezelfde wijze betwist, en de uitslag der zitting was, dat de procureursvrouw haar man een som van achthonderd franken in specie ter leen zou vragen en het paard en den muilezel leveren, die de eer zouden hebben, Porthos en Mousqueton dáárheen te dragen, waar de roem hen wachtte.

Nadat de voorwaarden vastgesteld waren en de interest bepaald was, zoowel als de tijd der terugbetaling, nam Porthos afscheid van mevrouw Coquenard en keerde naar huis terug met een zeer kwaadaardigen honger.

Kamenier en meesteres.

Intusschen, zooals wij gezegd hebben, werd d’Artagnan, ondanks de stem van zijn geweten, ondanks den wijzen raad van Athos en de zachte herinnering aan mejuffrouw Bonacieux, hoe langer hoe meer verliefd op milady; ook liet hij niet na haar dagelijks het hof te maken, verzekerd, zooals onze avontuurlijke Gaskonjer was, dat vroeg of laat zij zijn liefde zoude beantwoorden.

Op zekeren avond, dat hij, met den neus in den wind, licht als iemand, die een gouden regen verwacht, aankwam, ontmoette hij de kamenier onder de koetspoort; maar nu bepaalde de lieve Ketty er zich niet toe hem in het voorbijgaan toe te lachen, maar zij vatte hem zachtjes bij de hand.—„Goed,” dacht d’Artagnan, „zij is met de een of andere boodschap voor mij vanwege haar meesteres belast; zij zal mij hier of daar een samenkomst willen aanwijzen, die zij mij niet zelve heeft durven mededeelen.”—En hij beschouwde het schoone kind met een van trotschheid blinkend gelaat.

„Ik wilde u wel een paar woorden zeggen, mijnheer de ridder,” stamelde de kamenier.—„Spreek, mijn kind! spreek,” zeide d’Artagnan, „ik luister.”—„Hier! onmogelijk; wat ik u te zeggen heb, vereischt te veel tijd en evenveel geheimhouding.”—„Welnu, wat wilt gij dan, dat ik doe?”—„Indien mijnheer de ridder mij wilde volgen,” zeide Ketty schroomvallig.—„Waar gij wilt, mijn lief kind!”—„Kom dan!”—En Ketty, die de hand van d’Artagnan niet had losgelaten, trok hem langs een kleine, donkere wenteltrap voort, en na hem een vijftiental treden te hebben doen opklimmen, opende zij een deur.—„Ga binnen, mijnheer de ridder, hier zullen wij alleen zijn en vertrouwelijk kunnen spreken.”—„En wat is dat voor een kamer, mijn schoon kind?” vroeg d’Artagnan.—„De mijne, mijnheer de ridder!die door deze deur gemeenschap heeft met die mijner meesteres. Maar wees gerust, zij kan niet hooren, wat wij zeggen, daar zij nooit vóór middernacht te bed gaat.”

D’Artagnan wierp rondom zich een blik. De kleine kamer was bevallig van smaak en netheid; maar onwillekeurig vestigden zijn oogen zich op die deur, welke Ketty hem gezegd had die der kamer harer meesteres te zijn.—Ketty raadde, wat er in de ziel des jongelings omging en slaakte een zucht.

„Gij bemint dan zoo innig mijn meesteres, mijnheer de ridder?” vroeg zij.—„Ik weet niet, of ik haar oprecht bemin, maar wat ik weet, is, dat ik dol verliefd op haar ben.”—Ketty slaakte een tweeden zucht.—„Helaas, mijnheer! dat is wel jammer!”—„En wat duivel waarom ziet ge hierin zooveel jammers?”—„Omdat, mijnheer! mijn meesteres u volstrekt niet bemint.”—„Ei,” liet d’Artagnan hooren, „zij zou u belast hebben mij dit te zeggen?”—„O neen, mijnheer! maar ik ben het, die, uit belangstelling voor u, het voornemen heb opgevat het u te zeggen.”—„Ik dank u, goede Ketty! maar alleen voor de bedoeling; want die mededeeling, zooals gij moet bekennen, is niet van de aangenaamste.”—„Dat wil zeggen, dat gij niet gelooft, wat ik u heb gezegd, niet waar?”—„Men heeft altijd moeite dergelijke dingen te gelooven, mijn schoon kind! al ware het slechts uit eigenliefde.”—„Dus, gij gelooft mij niet?”—„Ik beken, dat, zoolang gij mij geen bewijs hebt gegeven van hetgeen gij voorgeeft....”—„Wat zegt gij van dit?”—En Ketty haalde uit haar boezem een naamloos briefje.—„Voor mij?” riep d’Artagnan, haastig het briefje grijpende, en met een even snelle beweging als de gedachte scheurde hij het open, ondanks den kreet, dien Ketty slaakte op het zien van hetgeen hij wilde doen, of liever van wat hij deed.—„Ach, mijn God! mijnheer de ridder! wat doet gij?” riep zij.—„Wel,pardieu!” antwoordde d’Artagnan, „moet ik geen kennis nemen van hetgeen mij wordt toegezonden?”—En hij las:

„Gij hebt mijn eersten brief niet beantwoord; zijt gij dan ongesteld, of zoudt gij de lonken hebben vergeten, die gij mij op het bal van mevrouw de Guise toewierpt? Ziehier wederom een gelegenheid, graaf! laat u die niet ontglippen.”

„Gij hebt mijn eersten brief niet beantwoord; zijt gij dan ongesteld, of zoudt gij de lonken hebben vergeten, die gij mij op het bal van mevrouw de Guise toewierpt? Ziehier wederom een gelegenheid, graaf! laat u die niet ontglippen.”

D’Artagnan verbleekte; hij was in zijn eigenliefde gekwetst, hij meende in zijn liefde gekwetst te zijn.—„Dat briefje is niet voor mij!” riep hij.—„Neen, het is voor een ander; gij hebt mij den tijd niet gelaten u zulks te zeggen.”—„Voor een ander? Zijn naam! zijn naam!” riep d’Artagnan woedend.—„De heer graaf de Wardes!”

De herinnering aan het tooneel vanSt. Germainvertoonde zich toen eensklaps voor den geest van den verwaten Gaskonjer, en bevestigde hetgeen Ketty had geopenbaard.

„Arme, goede mijnheer d’Artagnan!” zeide zij met een stem vol medelijden, opnieuw de hand van den jongeling drukkende.—„Gij beklaagt mij, arme kleine!” zeide d’Artagnan.—„O, ja, uit geheel mijn hart; want ik weet, wat liefde is.”—„Gij weet wat liefde is?” hernam d’Artagnan, haar voor het eerst met zekere aandacht beschouwende.—„Helaas, ja!”—„Welnu, in plaats van mij te beklagen, zoudt gij beter doen mij te helpen op uw meesteres wraak te nemen.”—„En wat soort van wraak zoudt gij op haar willen nemen?”—„Ik zou in de plaats van mijn medeminnaar willen treden.”—„Hierin zal ik u nooit behulpzaam zijn, mijnheer de ridder!” zeide Ketty haastig.—„En waarom niet?” vroeg d’Artagnan.—„Om twee redenen.”—„Welke?”—„De eerste, omdat mijn meesteres u nooit zal beminnen.”—„Hoe weet gij dat?”—„Gij hebt haar diep beleedigd.”—„Hoe kan ik haar hebben beleedigd, ik, die, sinds ik haar ken, aan haar voeten leef als een slaaf. Spreek, ik bid u.”—„Ik zal dat nooit bekennen dan aan den man, die in het diepste van mijn hart kan lezen.”

D’Artagnan beschouwde Ketty voor de tweede maal.Het meisje was van een frischheid en schoonheid, voor welke hertoginnen haar kronen zouden hebben gegeven.

„Ketty?” zeide hij, „ik zal in het diepst van uw hart lezen, laat u dat niet weerhouden, mijn lief kind! maar spreek.”—„O, neen!” riep Ketty, „gij bemint mij niet, gij bemint alleen mijn meesteres, gij zeidet mij zulks nog zooeven.”—„En belet u dat, mij de tweede reden te zeggen?”—„De tweede reden, mijnheer de ridder!” hernam Ketty, bemoedigd door de uitdrukking van des jongelings oogen, „is, dat in de liefde iedereen voor zich zelven handelt.”

Toen eerst herinnerde zich d’Artagnan de smachtende lonken van Ketty, haar glimlach en haar gesmoorde zuchten, telkens wanneer zij hem ontmoette; maar alleen vervuld met de begeerte aan de groote dame te behagen, had hij de kamenier voorbijgezien: die op den arend jacht maakt, let niet op de musch.

Maar nu bemerkte de Gaskonjer in één oogopslag al de voordeelen, die hij uit een liefde kon trekken, welke Ketty hem zoo onnoozel had te kennen gegeven: onderschepping der brieven voor den graaf de Wardes bestemd; bekendheid in de vesting; en alle oogenblikken vrijen toegang in de kamer van Ketty, welke aan die van haar meesteres grensde. De valschaard, zooals men ziet, offerde reeds bij zich zelven het arme, jonge meisje aan de groote dame op.

Het sloeg middernacht, en men hoorde bijna tegelijkertijd de schel in de kamer van milady klinken.—„Groote God!” riep Ketty, „het is mijn meesteres, die mij roept; vertrek, vertrek spoedig!”

D’Artagnan stond op, nam zijn hoed, alsof hij voornemens was te gehoorzamen; vervolgens haastig de deur van een groote kast openende, verborg hij er zich in achter de kleederen en ochtendjaponnen van milady.

„Wat doet gij toch?” riep Ketty.—D’Artagnan, die vooraf den sleutel had genomen, sloot zich in de kast zonder te antwoorden.—„Hoe is het?” riep milady met scherpe stem; „slaapt gij, dat gij niet komt, wanneerik schel?”—En d’Artagnan hoorde met hevigheid de gemeenschapsdeur openen.—„Hier ben ik, milady, hier ben ik!” riep Ketty, haar meesteres tegemoet ijlende. Beiden traden de slaapkamer binnen, en daar de deur open bleef, kon d’Artagnan nog gedurende eenigen tijd milady haar kamenier hooren beknorren; eindelijk bedaarde zij, en het gesprek viel op hem, terwijl Ketty haar meesteres uitkleedde.

„Welzoo!” zeide milady, „ik heb onzen Gaskonjer heden avond niet gezien.”—„Hoe, mevrouw!” zeide Ketty, „is hij niet hier geweest? Zou hij reeds veranderlijk zijn geworden, alvorens gelukkig te zijn gemaakt?”—„Och, neen! hij zal door den heer de Tréville of den heer des Essarts verhinderd zijn geworden. Ik ken ze, Ketty, en dezen heb ik beet.”—„Wat zal mevrouw er mede beginnen?”—„Wat ik met hem zal doen? wees gerust, Ketty! er is tusschen dien man en mij iets, dat hij niet weet. Hij heeft mij bijna mijn krediet bij Zijne Eminentie doen verliezen. O! ik zal mij wreken.”—„Ik dacht, dat mevrouw hem beminde?”—„Ik hem beminnen! ik verfoei hem. Een ezel, die het leven van lord de Winter in zijn handen heeft en het hem niet ontneemt en mij driemaal honderd duizend pond rente doet verliezen.”—„Dat is waar,” zeide Ketty, „uw zoon is de eenige erfgenaam van zijn oom, en tot zijn meerderjarigheid zoudt gij de vruchten van zijn vermogen hebben genoten.”

D’Artagnan rilde tot in het merg van zijn gebeente, toen hij dat heerlijke schepsel hem hoorde verwijten, met die snijdende stem, welke zij zooveel moeite had in het gemeenzaam verkeer te verbergen, een man niet om het leven te hebben gebracht, dien hij haar met zooveel vriendschap had zien behandelen.

„Ook,” ging milady voort, „zou ik mij reeds op hem gewroken hebben, indien, ik weet niet waarom, de kardinaal mij niet had aanbevolen hem te sparen.”—„O, ja! maar mevrouw heeft dat jonge vrouwtje niet gespaard, welke hij beminde.”—„O, de winkeliersvrouw der Doodgraversstraat. Heeft hij niet reedsvergeten, dat zij bestaat? waarlijk een fraaie wraak!”

Een koud zweet besproeide het voorhoofd van d’Artagnan. Die vrouw was dus een monster?—Hij maakte zich weder gereed om te luisteren, maar ongelukkiglijk was het toilet geëindigd.

„Het is wel,” zeide milady, „ga naar uw kamer en tracht morgen een antwoord te krijgen op den brief, dien ik u heb gegeven.”—„Voor den heer de Wardes?” vroeg Ketty.—„Zeker, voor den heer de Wardes.”—„Dat is iemand, die er mij geheel anders uitziet, dan die arme d’Artagnan.”—„Vertrek, juffer!” zeide milady, „ik houd niet van aanmerkingen.”

D’Artagnan hoorde de deur sluiten, vervolgens de twee grendels, die milady er op schoof, ten einde niet gestoord te worden. Van haar kant, maar zoo zachtjes mogelijk, draaide Ketty de deur op het nachtslot. Toen opende d’Artagnan de deur der kast.

„Ach, mijn God!” zeide Ketty zacht, „wat deert u? hoe bleek zijt gij?”—„Dat afschuwelijk schepsel!” mompelde d’Artagnan.—„Stil, stil, vertrek!” zeide Ketty: „één enkel beschot scheidt slechts mijn kamer van die mijner meesteres; men hoort van de eene, al wat er in de andere gesproken wordt.”—„Om het even; maar ik wil niet vertrekken, alvorens gij mij zult gezegd hebben, wat er van juffrouw Bonacieux is geworden.”

Het arme meisje zwoer op het kruisbeeld aan d’Artagnan, dat zij er volstrekt niets van wist, daar haar meesteres nooit, dan ten halve, haar geheimen liet doorgronden. Alleen meende zij te kunnen verzekeren, dat zij nog in leven was.

Wat de oorzaak betrof, die aan milady haar krediet bij den kardinaal bijna had doen verliezen, hiervan wist Ketty nog minder. Maar omtrent deze aangelegenheid was d’Artagnan beter op de hoogte dan zij; daar hij milady op een der schepen had gezien, welke de haven niet mochten verlaten op het oogenblik, dat hijEngelandverliet, twijfelde hij er niet aan, of het betrof de diamanten haken. Het duidelijkste in datalles was, dat de wezenlijke haat, de diepe, ingekankerde haat van milady voor hem daaruit voortsproot, dat hij haar schoonbroeder niet had gedood.

D’Artagnan keerde den volgenden dag naar milady terug. Zij was in een zeer kwade luim; d’Artagnan begreep, dat het niet antwoorden des heeren de Wardes haar zoo boos maakte. Ketty trad binnen; maar milady ontving haar zeer ruw. Een blik, dien zij op d’Artagnan sloeg, wilde zeggen: „Gij ziet, wat ik om uwentwil lijd.”

Intusschen bedaarde de schoone leeuwin tegen het einde des avonds; zij luisterde glimlachend naar het zoet gekout van d’Artagnan; zij gaf hem zelfs haar hand te kussen.

D’Artagnan vertrok, niet meer wetende wat te denken; maar een Gaskonjer zijnde, dien men niet gemakkelijk het hoofd deed verliezen, had hij bij zich zelven een zeker plan gevormd. Hij vond Ketty aan de deur, en gelijk den vorigen avond, begaf hij zich in haar kamer, om iets nieuws te vernemen. Ketty was erg beknord en van onoplettendheden beschuldigd geworden. Milady begreep niets van het zwijgen van graaf de Wardes; zij had Ketty bevolen zich te negen uur den volgenden ochtend te vertoonen, ten einde haar bevelen te ontvangen.

D’Artagnan deed aan Ketty beloven, den volgenden morgen bij hem te komen, om hem van den aard dier bevelen kennis te geven. Het arme meisje beloofde d’Artagnan alles, wat hij wilde: zij was verliefd!

Te elf uur zag hij Ketty naderen; zij had wederom een briefje van milady in de hand. Nu trachtte het arme kind niet eens het aan d’Artagnan te betwisten, zij liet hem begaan; want zij behoorde met ziel en lichaam aan haar schoonen soldaat.

D’Artagnan opende het tweede briefje, dat evenmin naam of opschrift droeg, en las het volgende:

„Ziedaar de derde maal dat ik u schrijf, om u te zeggen, dat ik u bemin; zorg, dat ik u niet voorde vierde maal schrijve, om u te zeggen, dat ik u verfoei.”

„Ziedaar de derde maal dat ik u schrijf, om u te zeggen, dat ik u bemin; zorg, dat ik u niet voorde vierde maal schrijve, om u te zeggen, dat ik u verfoei.”

D’Artagnan werd beurtelings rood en bleek, terwijl hij het briefje las.—„O, gij bemint haar steeds?” zeide Ketty, die geen oogenblik haar blik van het gelaat des jongelings had afgewend.—„Neen, Ketty! gij bedriegt u, ik bemin haar niet meer, maar ik wil mij over haar verachting wreken.”

Ketty zuchtte.—D’Artagnan nam een pen en schreef:

„Mevrouw! tot hiertoe twijfelde ik, of het wel aan mij was, dat uw beide briefjes gericht waren, daar ik mij voor een dergelijke eer onwaardig vond. Maar thans moet ik wel aan de grootheid uwer gunst gelooven, omdat niet alleen uw brief maar ook uw kamenier mij bevestigen, dat ik het geluk heb door u bemind te worden. Ik zal mijn vergiffenis te elf uur heden avond komen afsmeeken.... Dit nog één dag uit te stellen zou in mijn oogen zijn u een nieuwe beleediging doen.—Hij, dien gij den gelukkigsten der menschen maakt.”

„Mevrouw! tot hiertoe twijfelde ik, of het wel aan mij was, dat uw beide briefjes gericht waren, daar ik mij voor een dergelijke eer onwaardig vond. Maar thans moet ik wel aan de grootheid uwer gunst gelooven, omdat niet alleen uw brief maar ook uw kamenier mij bevestigen, dat ik het geluk heb door u bemind te worden. Ik zal mijn vergiffenis te elf uur heden avond komen afsmeeken.... Dit nog één dag uit te stellen zou in mijn oogen zijn u een nieuwe beleediging doen.—Hij, dien gij den gelukkigsten der menschen maakt.”

Dat briefje was geen werkelijke valschheid. D’Artagnan teekende het niet; maar het was een onkieschheid, en zelfs lijnrecht in strijd met de hedendaagsche zeden; het was iets, dat naar het schandelijke zweemde; doch men spaarde elkander in dien tijd minder dan men heden doet. Bovendien wist d’Artagnan, door haar eigen bekentenis, dat zij zich aan hoogverraad had schuldig gemaakt, terwijl hij voor haar slechts zeer weinig achting koesterde. Eindelijk wilde hij haar, wegens haar koketterie jegens hem, en haar gedrag ten aanzien van juffrouw Bonacieux, straffen.

Het plan van d’Artagnan was zeer eenvoudig: uit de kamer van Ketty kwam hij in het vertrek harer meesteres; hij zou de trouwelooze beschaamd maken, hij zou haar dreigen ruchtbaarheid aan de zaak te geven, om van haar, door vreesaanjaging, al datgenete vernemen, wat betrekking op het lot van juffrouw Bonacieux had. Misschien zou wellicht de vrijheid der lieve winkeliersvrouw de uitslag dezer samenkomst zijn.

„Ziedaar,” zeide de jongeling, aan Ketty het briefje verzegeld ter hand stellende, „geef dien brief aan milady; het is het antwoord van den heer de Wardes.”

De arme Ketty werd bleek als een doode; zij raadde den inhoud van het briefje.—„Luister, mijn lief kind!” zeide haar d’Artagnan, „gij begrijpt, dat dit op de eene of andere wijze een einde moet nemen: milady kan ontdekken, dat gij het eerste briefje aan mijn knecht hebt gegeven in plaats van aan den knecht van den graaf; dat ik het andere heb geopend, dat de heer de Wardes had moeten openen. Dan zal zij u wegjagen, en gij kent haar, het is geen vrouw, om daarbij haar wraak te laten.”—„Helaas!” zuchtte Ketty, „waarom mij aan dat alles blootgesteld?”—„Voor mij, dat weet ik wel, mijn allerschoonste!” zeide de jongeling, „ik ben u daarom zeer dankbaar, dat zweer ik u.”—„Maar wat behelst uw briefje eigenlijk?”—„Milady zal het u zeggen.”—„Ach, gij bemint mij niet!” riep Ketty, „en ik ben wel ongelukkig.”

Ketty weende lang, alvorens te kunnen besluiten den brief aan milady te brengen; maar eindelijk gaf zij, uit vriendschap voor den jongeling, toe: dit was alles, wat d’Artagnan begeerde.

Waarin wordt gehandeld over de uitrusting van Aramis en Porthos.

Sedert de vier vrienden, elk voor zich, op hun uitrusting jacht maakten, bestond er geen bepaalde samenkomst meer tusschen hen: men nam het middagmaal afzonderlijk, waar men zich bevond, of liever, men ontmoette elkander, waar men kon. Ook de dienstverslond een gedeelte van den kostbaren tijd, die zoo spoedig vervloog.

Men had alleen bepaald, eenmaal in de week bij elkander te komen, en wel te één uur in het huis van Athos, aangezien deze, volgens zijn eed, den drempel zijner deur niet wilde overschrijden.

Het was juist de dag der samenkomst, dat Ketty bij d’Artagnan was geweest. Nauwelijks was Ketty vertrokken, of d’Artagnan begaf zich naar de straat Férou. Hij vond Athos en Aramis philosofeerende; Aramis was eenigszins geneigd om het priesterkleed weer aan te trekken. Athos, volgens gewoonte, raadde hem dit niet aan of af. Athos wilde aan iedereen zijn vrijen wil laten. Hij gaf nooit een raad, dan wanneer men hem dien vroeg, en dan moest men dit nog wel tweemaal doen.—Gewoonlijk vraagt men alleen raad om dien niet te volgen, of om, indien men hem heeft gevolgd, aan iemand te kunnen verwijten, dien te hebben gegeven.

Porthos trad een oogenblik na d’Artagnan binnen. De vier vrienden waren dus voltallig. De vier gezichten drukten vier verschillende gevoelens uit: dat van Porthos gerustheid, dat van d’Artagnan hoop, dat van Aramis bekommering, dat van Athos onverschilligheid.

Nadat het gesprek eenige oogenblikken had geduurd, en Porthos te kennen had gegeven, dat een hooggeplaatste dame zich wel had willen belasten hem uit zijn verlegenheid te redden, trad Mousqueton binnen. Hij kwam Porthos verzoeken naar huis te komen, waar, zeide hij met een allerbedroefdst gezicht, zijn tegenwoordigheid werd vereischt.

„Is het mijn uitrusting?” vroeg Porthos.—„Ja en neen,” antwoordde Mousqueton.—„Maar wat wilt gij dan zeggen?”—„Kom, mijnheer!”

Porthos stond op, groette zijn vrienden en volgde Mousqueton.

Een oogenblik later verscheen Bazijn voor de deur.

„Wat wilt gij, mijn vriend?” zeide Aramis op dien zachten toon, welken hij aannam, telkens wanneerzijn denkbeelden hem tot de kerk trokken.—„Een man wacht mijnheer te huis,” antwoordde Bazijn.—„Een man, wat voor een man?”—„Een bedelaar.”—„Geef hem een aalmoes, Bazijn! en zeg hem, voor een armen zondaar te bidden.”—„Die bedelaar wil u met alle geweld spreken en gelooft, dat gij zeer verheugd zult zijn hem te zien.”—„Heeft hij iets bijzonders voor mij?”—„Ja wel: ‚indien de heer Aramis mocht aarzelen zich bij mij te vervoegen, zult gij hem zeggen, dat ik vanTourskom.’”—„VanTours? Ik kom!” riep Aramis. „Duizendmaal verschooning, heeren! maar die man brengt mij ongetwijfeld het nieuws, waarop ik wacht.”—En opstaande verwijderde hij zich haastig.

Nu bleven Athos en d’Artagnan alleen.

„Ik geloof, dat die snaken hun zaak hebben gevonden.... Wat denkt gij er van, d’Artagnan?” vroeg Athos.—„Ik weet, dat Porthos op den goeden weg is,” zeide d’Artagnan, „en wat Aramis betreft, om u de waarheid te zeggen, ik ben omtrent hem nooit ernstig ongerust geweest. Maar gij, mijn waarde Athos! gij, die zoo edelmoedig de pistolen van den Engelschman hebt uitgedeeld, die uw rechtmatig eigendom waren, wat zult gij doen?”—„Ik ben zeer tevreden dien snaak gedood te hebben, aangezien hij de dwaze nieuwsgierigheid had, mijn waren naam te willen kennen; maar indien ik mij van zijn pistolen had meester gemaakt, zouden zij mij als een wroeging op de ziel drukken.”—„Och kom, mijn waarde Athos! gij hebt waarlijk een te ver gaande kieschheid.”—„Spreken wij over iets anders. Wat zeide mijnheer de Tréville, die mij gisteren de eer deed mij te komen bezoeken, over uw verdachte verkeering met die Engelschen, die door den kardinaal worden beschermd.”—„Dat is te zeggen, dat ik een Engelsche vrouw bezoek, dezelfde van wie ik u heb gesproken.”—„O ja, die blonde vrouw, omtrent welke ik u een raad gegeven heb, dien gij u natuurlijk wel gewacht zult hebben te volgen.”—„Ik heb u mijn redenen gezegd. Ik heb de zekerheid verkregen, datdie vrouw betrokken is in de ontvoering van juffrouw Bonacieux.”—„Ja, ik begrijp, dat gij, om de eene vrouw terug te vinden, aan de andere het hof maakt. Dat is de langste maar de vermakelijkste weg.”

Wij zullen de twee vrienden verlaten, die elkander weinig bijzonders hadden te zeggen, om Aramis te volgen.

Op het bericht, dat de man, die hem wilde spreken, vanTourskwam, zagen wij, met welke haast de jongeling Bazijn gevolgd, of liever vooruit was gesneld; hij deed op die wijze slechts één sprong van de straat Férou in de straat van Vaugirard. Te huis komende, vond hij werkelijk een man van een kleine gestalte, met geestige oogen, doch overigens in lompen gekleed.

„Zijt gij het, die naar mij hebt gevraagd?” vroeg de musketier.—„Dat is te zeggen, dat ik den heer Aramis wensch te spreken; zijt gij het, die dus heet?”—„Ik zelf, hebt gij mij iets ter hand te stellen?”—„Ja, indien gij mij zekeren geborduurden zakdoek vertoont.”—„Hier is hij,” zeide Aramis, een sleutel uit zijn borst halende en daarmede een klein ebbenhouten, met paarlemoer ingelegd kistje openende. „Hier is hij, ziedaar.”—„Goed,” zeide de bedelaar, „verwijder uw lakei.”

Want Bazijn, nieuwsgierig te weten wat de bedelaar van zijn meester verlangde, had zijn schreden naar die van hem geregeld en was bijna even spoedig als zijn meester aangekomen. Maar deze haast baatte hem niet veel. Op het verzoek van den bedelaar gaf zijn meester hem een wenk te vertrekken, en hij was wel genoodzaakt te gehoorzamen.

Toen Bazijn vertrokken was, wierp de bedelaar een snellen blik rondom zich, ten einde zeker te zijn, dat niemand hem zien of hooren kon, en toen zijn gescheurd buis openende, dat door een lederen riem kwalijk werd toegehouden, begon hij het bovenste van zijn gewaad los te tornen, waaruit hij een brief haalde. Aramis slaakte een kreet van vreugde op het zien van het zegel, kuste het schrift en met een bijna godsdienstigeneerbied opende hij den brief, die het volgende behelsde:

„Vriend, het lot wil, dat wij voor een zekeren tijd nog gescheiden blijven; maar de schoone dagen der jeugd zijn niet voor altijd verloren.... Doe uw plicht in het leger, ik doe den mijne elders. Neem, hetgeen brenger dezes u zal ter hand stellen; ga ten oorlog als een schoon en goed edelman, en denk aan mij. Vaarwel! of liever tot weerziens.”

„Vriend, het lot wil, dat wij voor een zekeren tijd nog gescheiden blijven; maar de schoone dagen der jeugd zijn niet voor altijd verloren.... Doe uw plicht in het leger, ik doe den mijne elders. Neem, hetgeen brenger dezes u zal ter hand stellen; ga ten oorlog als een schoon en goed edelman, en denk aan mij. Vaarwel! of liever tot weerziens.”

De bedelaar bleef steeds voortgaan met zijn buis los te tornen; hij haalde een voor een uit zijn kleederen honderd vijftig dubbele Spaansche pistolen, welke hij op tafel telde; vervolgens opende hij de deur, groette en vertrok, zonder dat de verbaasde jongeling hem een woord had durven toespreken.—Toen herlas Aramis den brief en bemerkte, dat dezelve een postscriptum had:

„P.S. Gij kunt den brenger met alle onderscheiding ontvangen; hij is graaf en grande vanSpanje.”

„P.S. Gij kunt den brenger met alle onderscheiding ontvangen; hij is graaf en grande vanSpanje.”

„O, gouden droomen!” riep Aramis, „o, wat heerlijk leven. Ja, wij zijn nog jong! Ja, wij zullen nog gelukkige dagen genieten.... O, voor u! voor u mijn liefde, mijn bloed, mijn leven! Alles, alles, alles voor mijn schoone minnares!”—En hij kuste den brief hartstochtelijk, zonder zelfs eens naar het goud te zien, dat op tafel blonk.

Bazijn krabde aan de deur; Aramis had geen reden meer hem op een afstand te houden, hij veroorloofde hem dus binnen te komen. Bazijn ontstelde op het gezicht van al dat goud en vergat, dat hij d’Artagnan moest aandienen, die, nieuwsgierig te weten wie de bedelaar was, na Athos verlaten te hebben, naar Aramis was gegaan. En dewijl d’Artagnan geen plichtplegingen met Aramis maakte, diende hij zich zelven aan, daar Bazijn zulks scheen te vergeten.

„Wel duivelsch, mijn waarde Aramis!” zeide d’Artagnan, „indien dat de pruimen zijn, die men u vanTourszendt, moet gij den tuinier, die ze plukt, mijn compliment maken.”—„Gij bedriegt u, mijn waarde!” zeide Aramis, steeds even geheimhoudend, „ze zijn van mijn boekverkooper, die mij den prijs zendt van dat éénlettergrepig dichtstuk, dat ik ginds begonnen was.”—„Waarlijk?” zeide d’Artagnan, „inderdaad, uw boekverkooper is gul, mijn waarde Aramis! dat is al wat ik u kan zeggen.”

„Hoe is het mogelijk, heeren!” riep Bazijn, „brengt een dichtstuk zooveel geld op! Ach, mijnheer! gij doet al wat gij wilt; gij zult de heeren Voiture en de Benserade op zijde streven.... O, ik houd veel van dichtkunde. Een dichter is bijna een priester.... Ach, mijnheer Aramis! wordt toch poëet, ik bid u.”—„Bazijn, mijn vriend, ik geloof, dat gij u in het gesprek mengt.”—Bazijn begreep, dat hij ongelijk had, hij boog het hoofd en vertrok.

„Zoo,” zeide d’Artagnan, „het schijnt dat gij uw voortbrengselen tegen hun gewicht aan goud verkoopt? Gij zijt wel gelukkig, mijn vriend! maar wees voorzichtig, gij zult den brief verliezen, die uit uw buis steekt en die zeker ook van uw boekverkooper is.”

Aramis bloosde tot in het wit der oogen, stak den brief dieper in zijn buis en knoopte het dicht.

„Mijn waarde d’Artagnan!” zeide hij. „Als gij wilt, zullen wij onze vrienden gaan bezoeken, en dewijl ik rijk ben, zullen wij, heden te beginnen, weer samen het middagmaal nemen, in afwachting dat gij op uw beurt rijk zult worden.”—„Waarlijk,” zeide d’Artagnan, „dat is niet te weigeren. Het is lang geleden, dat wij een behoorlijk middagmaal hebben genoten, en daar ik heden avond een min of meer gewaagde onderneming moet ten uitvoer brengen, zou het mij niet onaangenaam zijn, dat beken ik, mij met eenige flesschen ouden Bourgogne het hoofd wat op te winden.”—„Goed, het zal oude Bourgogne zijn, ik verfoei ze ook niet,” zeide Aramis, die, op het gezicht van goud, elke gedachte aan afzondering liet varen. En na drie of vier dubbele pistolen in zijn zak te hebben gestoken, om in de dadelijkebehoeften te voorzien, sloot hij de overige in het met paarlemoer ingelegde ebbenhouten kistje, waarin reeds de bewuste zakdoek lag, die hem tot talisman had gediend.

Beide vrienden begaven zich eerst naar Athos, die, getrouw aan zijn eed van niet uit te gaan, zich belastte ten zijnent het middagmaal te doen bezorgen. Daar hij zich wonderwel verstond op het aanrechten van een gastmaal, maakten d’Artagnan en Aramis geen de minste moeilijkheid, om hem dien gewichtigen last op te dragen. Vervolgens begaven zij zich naar Porthos, toen zij aan den hoek der straat du Bac Mousqueton ontmoetten, die in bedroefde houding een muilezel en een paard voor zich uitdreef.

D’Artagnan slaakte een kreet van verwondering, waaraan eenig gevoel van blijdschap niet te miskennen was.—„Wel, daar is mijn geel paard!” riep hij, „bezie eens dat paard.”—„O, wat leelijke vos!” zeide Aramis.—„Welnu, mijn waarde!” hernam d’Artagnan, „dat is het paard, waarop ik teParijsben gekomen.”—„Wat, kent mijnheer dat paard?” vroeg Mousqueton.—„Het heeft al een zeer vreemde kleur,” zeide Aramis; „van mijn leven heb ik zulk haar niet gezien.”—„Dat geloof ik wel,” zeide d’Artagnan; „ik heb er daarom ook drie kronen voor gekregen, en zulks moet wel voor het haar geweest zijn, want het rif is waarachtig geen achttien franken waard. Maar hoe komt dat paard in uw bezit, Mousqueton?”—„Ach!” zeide de knecht, „spreek er mij niet van, mijnheer! dat is een afschuwelijke trek van den man onzer hertogin.”—„Hoe dat, Mousqueton?”—„Wel ja, een zeer voorname dame, de hertogin, heeft op ons een zeer goed oog.... maar ik vraag u om verschooning; mijn meester heeft mij geheimhouding bevolen. Zij had ons gedwongen, een kleine gedachtenis aan te nemen: een voortreffelijken Spaanschen hengst en een Andalusischen muilezel; wonderen om te zien. Maar de echtgenoot is er achter gekomen; hij heeft in het voorbijgaan de beide heerlijke dieren, die men ons zond, in beslag genomen,en in de plaats er van die afschuwelijke dieren gegeven.”—„Die gij hem terugbrengt?” vroeg d’Artagnan.—„Ja,” antwoordde Mousqueton. „Gij begrijpt, dat we dergelijke dieren niet kunnen aannemen voor die, welke men ons beloofd heeft.”—„Volstrekt niet.Pardieu!hoewel ik gaarne Porthos op mijn geel paard had gezien. Dat zou mij een denkbeeld hebben gegeven, hoe ik, teParijskomende, er uitzag. Maar houden wij u niet op, Mousqueton! ga de boodschap uws meesters doen, ga. Is hij te huis?”—„Ja, mijnheer!” zeide Mousqueton, „maar ik verzeker u, hij is in een zeer slechte luim.”

En hij vervolgde zijn weg in de richting der kade van de Grands Augustins, terwijl beide vrienden aan de deur van den rampzaligen Porthos schelden. Deze had hen de plaats zien overgaan, maar hij wachtte er zich wel voor, hun te openen. Zij schelden dus tevergeefs.

Intusschen vervolgde Mousqueton zijn weg; de Pont Neuf overgaande en steeds de twee bonken voor zich uitdrijvende, bereikte hij de Berenstraat. Daar gekomen bond hij, ingevolge het bevel zijns meesters, het paard en den muilezel aan den klopper der deur van den procureur; vervolgens, zonder zich over hun toekomstig lot te bekreunen, keerde hij naar Porthos terug en gaf dezen kennis van de volvoering zijner opdracht.

Na verloop van eenigen tijd begonnen de twee ongelukkige dieren, die sedert des ochtends niet meer hadden gegeten, een zoo verschrikkelijk geweld te maken, door den klopper op te heffen en dan weer te laten vallen, dat de procureur aan zijn loopjongen het bevel gaf, in de buurt te gaan onderzoeken, aan wien dat paard en die muilezel behoorden. Mevrouw Coquenard herkende haar geschenk, begreep aanvankelijk niets van deze terugbezorging; maar dra verklaarde het bezoek van Porthos haar zulks. De gramschap, die in de oogen des musketiers blonk, ondanks de moeite die hij deed zich in te houden, beangstigde de gevoelige minnares. En inderdaad, Mousqueton had zijn meester niet verheeld, dat hij d’Artagnan en Aramis had ontmoet,en dat d’Artagnan in het gele paard den Bearneeschen hit had herkend, op welken hij teParijswas gekomen, en dien hij voor drie kronen had verkocht.

Porthos vertrok, na met de procureursvrouw een samenkomst in het klooster van St. Magloire te hebben afgesproken. De procureur, ziende dat Porthos zich verwijderde, verzocht hem ten eten, welke uitnoodiging Porthos met een majestueuze houding van de hand wees.

Mevrouw Coquenard begaf zich bevende naar het klooster St. Magloire, want zij voorzag de verwijtingen, die haar wachtten; maar zij was als betooverd door de goede manieren van Porthos. Al wat een in zijn eigenliefde gekwetste man van vervloekingen en verwijtingen op het hoofd eener vrouw kan doen neervallen, liet Porthos op het gebogen hoofd der procureursvrouw neerkomen.—„Helaas!” zeide zij, „ik heb ten beste gehandeld. Een onzer klanten is paardenkooper; hij was aan het kantoor geld schuldig, maar toonde zich onwillig; ik heb toen dat paard en dien muilezel genomen voor hetgeen hij ons schuldig was. Hij had mij twee koninklijke dieren beloofd.”—„Welnu, mevrouw!” zeide Porthos, „indien hij u meer dan vijf kronen schuldig was, dan is uw paardenkoopman een dief.”—„Het is niet verboden, zoo goedkoop mogelijk te koopen, mijnheer Porthos!” zeide de procureursvrouw, zich trachtende te verontschuldigen.—„Neen, mevrouw! maar zij, die zoo goedkoop trachten te koopen, moeten anderen veroorloven, edelmoediger vrienden te zoeken.”—En Porthos, zich op zijn hiel omdraaiende, deed een stap om zich te verwijderen.

„Mijnheer Porthos! mijnheer Porthos!” riep de procureursvrouw, „ik heb ongelijk, ik beken het: ik had niet moeten dingen, waar het de uitrusting van een edelman zooals gij zijt gold.”

Porthos, zonder te antwoorden, deed een tweeden stap. De procureursvrouw verbeeldde zich hem te zien in een schitterende wolk, omringd van hertoginnen en markiezinnen, die zakken vol goud voor zijn voeten wierpen.

„Wacht toch in ’s hemels naam, mijnheer Porthos?” riep zij, „wacht toch, en spreken wij eerst te zamen.”—„Met u te spreken brengt mij ongeluk aan.” zeide Porthos.—„Maar zeg mij dan, wat verlangt gij?”—„Niets; want dat is hetzelfde, alsof ik u om iets vraag.”

De procureursvrouw hing aan den arm van Porthos, en in de hevigheid harer smart riep zij: „Mijnheer Porthos! ik weet volstrekt niets van het gebeurde; weet ik iets van het paard! heb ik kennis van het tuig!”—„Gij moest het aan mij hebben overgelaten, die er mede bekend ben, mevrouw! maar gij hebt willen bezuinigen en derhalve op woekerwinst willen leenen.”—„Hierin heb ik ongelijk gehad, mijnheer Porthos! maar ik zal het herstellen, op mijn woord van eer.”—„En op wat wijze?” vroeg de musketier.—„Luister! heden avond gaat mijnheer Coquenard den hertog de Chanlais spreken, die hem heeft doen roepen. Die samenkomst zal ten minste twee uur duren; kom dus, wij zullen alleen zijn en kunnen dan onze rekening opmaken.”—„Zoo is het goed, dat heet ik spreken, mijn lieve.”—„Zult gij mij vergiffenis schenken?”—„Wij zullen zien,” antwoordde Porthos majestueus.—En scheidende herhaalden beiden: „Tot van avond?”

„Duivelsch!” dacht Porthos, zich verwijderende, „het schijnt, dat ik de geldkist van den heer Coquenard begin te naderen.”

Des nachts zijn alle katten grijs.

De door Porthos en d’Artagnan zoo ongeduldig verwachte avond genaakte eindelijk.—D’Artagnan vertoonde zich als gewoonlijk tegen negen uur ten huize van milady. Hij vond haar in een heerlijke luim; nooit had zij hem zoo goed ontvangen. Onze Gaskonjerbespeurde bij den eersten aanblik, dat het voorgewende briefje van den graaf de Wardes door Ketty aan haar meesteres was bezorgd geworden en zijn uitwerking had gedaan. Ketty trad met eenige sorbets binnen. Haar meesteres glimlachte haar met een allerbekoorlijkst gelaat allervriendelijkst toe; maar het arme meisje was zoo treurig over d’Artagnan’s tegenwoordigheid bij milady, dat zij niet eens de goedheid van deze bemerkte.

D’Artagnan beschouwde beurtelings die twee vrouwen, en hij was gedwongen zich zelven te bekennen, dat de natuur, haar vormende, zich bedrogen had: aan de voorname dame had zij een lage, valsche ziel gegeven; aan de kamenier daarentegen een beminnend en trouw hart geschonken.

Te tien uur begon milady eenige ongerustheid te doen blijken; d’Artagnan raadde zeer goed, wat zulks beteekende, zij zag op de pendule, stond op, ging weer zitten en glimlachte d’Artagnan toe op een wijze, die te kennen gaf: „Gij zijt zeer beminnelijk, maar gij zoudt nog beminnelijker zijn, indien gij u verwijderdet.”

D’Artagnan stond op en nam zijn hoed; milady gaf hem haar hand te kussen. De jongeling bespeurde, dat zij die drukte en begreep, dat zulks ontstond uit een gewaarwording, niet van koketterie, maar van erkentelijkheid wegens zijn vertrek.—„Zij bemint hem tot dolwordens toe!” mompelde hij.

Ketty wachtte hem niet in de voorkamer, noch in de gang, noch aan de koetspoort. D’Artagnan moest zich alleen naar de trap en de kleine kamer begeven. Ketty zat met haar handen voor de oogen en weende. Zij hoorde d’Artagnan binnenkomen, maar zij richtte het hoofd niet op. De jongeling trad naar haar toe en nam haar handen; toen barstte zij in gesnik uit.

Zooals d’Artagnan vermoedde, had milady, toen zij den brief ontving, dien zij meende het antwoord van den graaf de Wardes te zijn, in de dronkenschap harer vreugd alles aan de kamenier verhaald; vervolgens had zij haar, ter belooning voor de wijze op welke zij dezenkeer haar boodschap had verricht, een beurs gegeven. Ketty, in haar kamer komende, had de beurs in een hoek geworpen, waar ze geheel open was blijven liggen, terwijl er drie of vier goudstukken op het vloerkleed waren uitgevallen. Het arme meisje, de stem van d’Artagnan hoorende, richtte eindelijk het hoofd op.

D’Artagnan schrikte over de verandering van haar gelaat. Zij vouwde de handen op een smeekende wijze, maar zonder één woord te durven spreken. Hoe weinig gevoelig d’Artagnan’s hart ook was, voelde hij zich verteederd door deze stomme smart; doch hij was te zeer gehecht aan zijn plannen, en vooral aan het laatste, om iets in zijn voornemens te veranderen; hij gaf aan Ketty niet de minste hoop van zijn roekelooze onderneming te zullen afzien, die hij besloten had ten uitvoer te brengen; alleen stelde hij haar die voor zooals zij werkelijk was, namelijk: als een eenvoudige wraakneming op milady voor haar koketterie en als het eenige middel, dat hem overbleef, om van haar, door vrees voor schande, de verlangde bekentenissen nopens juffrouw Bonacieux te verkrijgen. Dit plan was overigens te gemakkelijker uit te voeren, daar milady, uit hoofde van redenen welke men zich niet kon verklaren, maar die van veel gewicht schenen, Ketty had aanbevolen al de lichten van haar vertrek, zelfs die in de kamer der kamenier, uit te dooven.

Na verloop van een oogenblik hoorde men milady zich in haar slaapkamer begeven. D’Artagnan verborg zich daarop haastig in zijn kast. Nauwelijks was hij er in, of de schel klonk. Ketty keerde tot haar meesteres terug, maar liet de deur niet open; het beschot was echter zoo dun, dat men bijna alles hoorde, wat er tusschen beide vrouwen werd gezegd.

Milady scheen dronken van vreugd; zij liet zich door Ketty de minste bijzonderheden der vermeende samenkomst van de kamenier met den graaf de Wardes herhalen; op welke wijze hij den brief had ontvangen, hoe hij had geantwoord, hoe de uitdrukking van zijn gezicht was geweest, of hij verliefd scheen; en bij aldie vragen was de arme Ketty genoodzaakt zich goed te houden en antwoordde met een gesmoorde stem, van welke haar meesteres zelfs niet den toon opmerkte. Zoo zelfzuchtig is het geluk.

Dewijl eindelijk het uur harer samenkomst met den graaf naderde, deed milady inderdaad al het licht in haar kamer uitdooven en gelastte Ketty naar haar kamer terug te keeren en den heer de Wardes, zoodra deze zou komen, binnen te leiden.

Het wachten van Ketty was van geen langen duur. Nauwelijks had d’Artagnan door het sleutelgat der deur de donkerheid bespeurd, waarin de kamer was gedompeld, of hij trad uit zijn schuilplaats op hetzelfde oogenblik dat Ketty de gemeenschapsdeur sloot.

„Wat beteekent dat leven?” vroeg milady.—„Ik ben het,” zeide d’Artagnan half zacht, „ik, graaf de Wardes.”—„O, mijn God! mijn God!” lispte Ketty, „hij heeft niet eens het door hem zelf bepaalde uur kunnen afwachten.”—„Welnu,” zeide milady met een bevende stem, „waarom komt hij niet binnen? Graaf! graaf!” voegde zij er bij, „gij weet wel, dat ik u wacht.”

Op dezen roep verwijderde d’Artagnan zachtjes Ketty en trad de kamer van milady binnen.

Indien woede en smart een ziel kunnen folteren, dan is het die van den minnaar, die onder een vreemden naam liefdesbetuigingen ontvangt, welke voor zijn begunstigden mededinger zijn bestemd. D’Artagnan was in een door hem niet voorzienen, smartelijken toestand; de jaloezie knaagde hem aan het hart, en hij leed bijna evenveel als de arme Ketty, die op dat oogenblik in de aangrenzende kamer weende.

„Ja, graaf!” zeide milady, zoo zacht mogelijk een zijner handen in de hare drukkende; „ja, ik ben gelukkig door de liefde, welke uw blikken en uw woorden mij telkens uitdrukten, wanneer wij elkander ontmoetten. Ook ik bemin u. O! morgen, morgen wil ik een pand van u, dat mij ten bewijze zal strekken, dat gij aan mij denkt;—en daar gij mij zoudt kunnen vergeten, ziedaar.”—En zij stak een ring aan den vinger van d’Artagnan,dien zij van den hare nam. Het was een prachtige saffier, omringd van brillanten.

De eerste beweging van d’Artagnan was, haar dien terug te geven; maar milady voegde er bij: „Neen, neen, bewaar dien ring ter liefde van mij. Gij bewijst mij daarenboven, door dien aan te nemen,” ging zij met een bewogene stem voort, „een grooteren dienst dan gij u kunt verbeelden.”

„Die vrouw is vol geheimen,” dacht d’Artagnan.—Op dat oogenblik was hij op het punt alles te openbaren. Hij opende den mond, om milady te zeggen wie hij was, en met welk een wraakzuchtig doel hij was gekomen, maar zij hernam: „Arme engel! dien dat monster van een Gaskonjer bijna het leven heeft ontnomen.”—Hij was dat monster.—„Ach!” vervolgde milady, „lijdt gij nog aan uw wonde?”—„Ja, nog zeer veel,” zeide d’Artagnan, die niet wist wat te antwoorden.—„Wees gerust,” lispte milady op een niet zeer geruststellenden toon voor haar hoorder, „ik, ik zal u wreken, en gruwelijk wreken.”

„Duivelsch,” dacht d’Artagnan bij zich zelven, „het oogenblik mijner bekentenis is nog niet gekomen.”

D’Artagnan had eenige oogenblikken noodig om zich van die korte samenspraak te herstellen; al de denkbeelden van wraak, die hij had medegebracht, waren volkomen vervlogen. Die vrouw oefende op hem een ongelooflijke macht uit: hij haatte en aanbad haar tevens; hij had nooit gedacht, dat twee zoo tegenstrijdige gevoelens in hetzelfde hart konden wonen en, met elkander vereenigd, een zonderlinge, in zeker opzicht duivelachtige liefde konden vormen.

Intusschen was het reeds één uur geworden; het was tijd te scheiden. D’Artagnan, op het oogenblik van milady te verlaten, voelde niets anders meer dan een hevig leedwezen zich van haar te moeten verwijderen, en onder het hartstochtelijkst vaarwel, dat men elkander van weerszijden deed, werd er nog voor de volgende week een nieuwe samenkomst bepaald.

De arme Ketty hoopte eenige woorden aan d’Artagnante kunnen zeggen, wanneer hij door haar kamer zou gaan; maar milady geleidde hem zelve in de duisternis en verliet hem eerst op de trap.

Den volgenden dag begaf d’Artagnan zich naar Athos. Het avontuur, waarin hij was betrokken, was zoo zonderling, dat hij hem om raad wilde vragen. Hij verhaalde hem alles. Athos fronste eenige keeren de wenkbrauwen.

„Uw milady schijnt mij een allerlaagst schepsel te zijn; maar gij hebt niettemin ongelijk gehad, haar te misleiden. Gij hebt u hierdoor op de een of andere wijze een vijand gemaakt.”—Ondertusschen beschouwde Athos met aandacht den saffier met diamanten omzet, die aan den vinger van d’Artagnan de plaats van den ring der koningin had ingenomen, welken laatste hij zorgvuldig in een kistje had geborgen.—„Gij beziet dien ring?” zeide de Gaskonjer, trotsch, voor de blikken zijner vrienden een zoo rijk geschenk ten toon te kunnen spreiden.—„Ja,” zeide Athos, „hij herinnert mij een familie-juweel.”—„Hij is fraai, niet waar?” vroeg d’Artagnan.—„Heerlijk!” antwoordde Athos; „ik wist niet, dat er twee saffieren van die fraaiheid bestonden. Hebt gij dien voor uw diamant verruild.”—„Neen, het is een geschenk van mijn schoone Engelsche, of liever, van mijn schoone Fransche; want, hoewel ik het haar niet heb gevraagd, ben ik zeker, dat zij inFrankrijkis geboren.”—„Hebt gij dien ring van milady?” riep Athos met een stem, in welke het gemakkelijk was een diepe ontroering te bemerken.—„Uit eigen beweging heeft zij mij dien hedennacht gegeven.”—„Laat mij dien ring eens zien?” zeide Athos.—„Hier is hij,” antwoordde d’Artagnan, hem van zijn vinger nemende.

Athos beschouwde hem met nog meer aandacht en werd zeer bleek: vervolgens paste hij hem aan den ringvinger van zijn linkerhand; hij paste aan dien vinger, alsof hij er voor gemaakt was. Een wolk van toorn en wraak vertoonde zich op het gewoonlijk zoo kalme voorhoofd van den edelman.

„Het is niet mogelijk, dat het dezelfde is,” hernam hij. „Hoe zou die ring in het bezit van miladyClarickgekomen zijn? En echter is het bijna niet mogelijk, dat er tusschen twee juweelen een zoo groote gelijkenis bestaat.”—„Kent gij dien ring?” vroeg d’Artagnan.—„Ik meende hem te herkennen,” zeide Athos, „maar ik heb mij vergist.”—En hij gaf hem aan d’Artagnan terug, zonder echter zijn oog er van af te wenden.

„Wees zoo goed, d’Artagnan!” zeide hij na een kort oogenblik, „doe dien ring van uw vinger, of keer den steen naar binnen; hij herinnert mij zooveel vreeselijks, dat mijn hoofd er niet toe zoude staan om met u te spreken.... Kwaamt gij mij niet om raad vragen, en zeidet gij mij niet, dat gij in verlegenheid waart omtrent hetgeen gij doen moet? maar wacht eens, geef mij dien saffier nog eens; degene, welken ik bedoel, moet aan een der zijden door een of ander toeval beschadigd zijn.”

D’Artagnan trok opnieuw den ring van zijn vinger en gaf dien aan Athos weder. Athos ontroerde.

„Zie, zie,” zeide hij, „is het niet zonderling?”—En hij toonde d’Artagnan den schrap, welken hij zich herinnerde te bestaan.—„En van wien hadt gij dien saffier, Athos?”—„Van mijn moeder, die hem van haar moeder had gekregen. Zooals ik u zeide, is het een oud juweel, dat nooit uit de familie moest gaan.”—„En gij hebt het.... verkocht?” vroeg d’Artagnan aarzelende.—„Neen,” hernam Athos met een zonderlingen glimlach; „in een verliefd oogenblik gaf ik den ring, zooals hij u is gegeven.”

D’Artagnan bleef op zijn beurt in gedachten verzonken. Hij meende in het leven van milady afgronden te zien, welker diepten donker en vreeselijk waren. Hij stak den ring niet aan zijn vinger, maar in zijn zak.

„Luister!” zeide Athos, zijn hand vattende, „gij kent de vriendschap, die ik u toedraag, d’Artagnan! indien ik een zoon had, zou ik hem niet meer beminnen dan u; welnu, geloof mij, zie af van die vrouw; ik ken haar niet, maar een soort van ingeving zegt mij, dat het een verloren schepsel, en er iets noodlottigs in haaris.”—„Gij hebt gelijk,” zeide d’Artagnan, „ook zal ik daarom van haar scheiden. Ik beken u, dat die vrouw mij zelven schrik aanjaagt.”—„Zult gij dien moed hebben?” vroeg Athos.—„Ik zal dien hebben,” antwoordde d’Artagnan, „en wel oogenblikkelijk.”—„Welnu, mijn kind! gij hebt gelijk,” zeide de edelman, de hand des Gaskonjers drukkende met een bijna vaderlijke teederheid. „En God geve, dat deze vrouw, die nauwelijks in uw levensloop is getreden, er geen noodlottig spoor in achterlate.”

En Athos groette d’Artagnan met een hoofdknik, als iemand die wil te kennen geven, dat het hem niet onaangenaam zou zijn, alleen met zijn gedachten te blijven.

Te huis komende, vond d’Artagnan Ketty, die hem wachtte. De koorts gedurende een maand kon het arme kind niet meer hebben veranderd dan één uur van jaloezie en smart had gedaan. Zij was door haar meesteres naar den graaf de Wardes gezonden. Haar meesteres was krankzinnig van liefde en dronken van vreugd; zij wilde weten, wanneer de graaf haar een nieuw bezoek zou komen brengen. En de arme Ketty, bleek en bevende, wachtte op het antwoord van d’Artagnan.

Athos had een grooten invloed op den jongeling. De raad van zijn vriend, gevoegd bij de gevoelens van zijn eigen hart en de herinnering aan juffrouw Bonacieux, die hem slechts zelden verliet, hadden hem doen besluiten, thans, nu zijn hoogmoed was voldaan, milady niet weer te zien. Zijn antwoord bestond eenvoudig in een pen te nemen en den volgenden brief te schrijven, dien hij evenmin teekende als den vorigen:


Back to IndexNext