De audiëntie.
De heer de Tréville was op dat oogenblik in een zeer kwade luim; echter groette hij zeer beleefd den jongeling, die een zeer diepe buiging maakte, en glimlachte hij, toen hij zich in den Bearneeschen tongval hoorde aanspreken, die hem èn zijn jeugd èn zijn geboorteland herinnerde; een tweevoudige herinnering, die altijd bij den mensch, in welken leeftijd ook, een glimlach op het gelaat brengt. Maar bijna tegelijkertijd de voorkamer naderende, en d’Artagnan een teeken met de hand gevende, als om hem verlof te verzoeken met de anderen te eindigen alvorens met hem te beginnen, riep hij tot driemalen, bij elken uitroep de stem verheffende, zoodat hij al de tusschentonen doorliep van den gebiedenden tot den vergramden: „Athos! Porthos! Aramis!”
De twee musketiers, met wie wij reeds hebben kennisgemaakt, en die op de beide laatste dezer drie namen antwoordden, verlieten onmiddellijk hierop de groep, waartoe zij behoorden, en traden het kabinet binnen, welks deur achter hen toeviel, zoodra zij over den drempel waren. Hun houding, hoewel niet volkomen gerust, wekte echter, door de even waardige als onderworpen ongedwongenheid, de bewondering van d’Artagnan, die in hen halve goden, en in hun opperhoofd een Olympischen Jupiter, zijn bliksems zwaaiende, zag.
Toen beide musketiers de kamer waren binnengetreden, en de deur achter hen was dichtgevallen, toen het gonzend gemompel in de antichambre, hetwelk door de plaats gehad hebbende oproeping nog meer voedsel had verkregen, opnieuw begonnen was, toen eindelijk de heer de Tréville drie of vier malen zijn kabinet in de geheele lengte, in stilte en met gefronste wenkbrauwen, had doorgewandeld, telkens voorbij Porthos en Aramis gaande, die onbeweeglijk en stom als op de parade, en als vastgeworteld stonden, bleef hij eensklaps voor hen staan en hen met zijn vergramden blik van het hoofd tot de voeten metende, riep hij uit: „Weet gij wel, wat mij de koning heeft gezegd, en dat niet later dan gisteren avond, weet gij ’t, mijne heeren?”—„Neen,” antwoordden na een oogenblik zwijgens beide musketiers; „neen, mijnheer, wij weten het niet.”—„Maar wij hopen, dat gij ons de eer zult aandoen, het ons te zeggen,” voegde Aramis er bij op den beminnelijksten toon en met de bevalligste buiging, die hem mogelijk was.—„Hij heeft mij gezegd, dat hij in het vervolg zijn musketiers onder de lijfwachten van den kardinaal zal zoeken.”—„Onder de lijfwachten van den kardinaal, en waarom dat?” vroeg Porthos driftig.—„Omdat hij wel ziet, dat zijn krachtelooze wijn door een vermenging met goeden verbeterd moet worden.”
De twee musketiers werden rood tot in het wit hunner oogen. D’Artagnan voelde zich zelven niet meer en had gaarne honderd voeten onder den grond willen zijn.—„Ja, ja,” vervolgde de heer de Tréville, met meer en meer hevigheid, „ja, en Zijne Majesteit heeft gelijk; wantop mijn eer, de musketiers maken een misselijk figuur aan het hof. De kardinaal verhaalde gisteren, toen hij met den koning speelde, en met een zweem van medelijden, die mij zeer mishaagde, dat die vervaarlijke musketiers, die geweldmakers, en hij sprak dat woord op een schamperen toon uit, die mij nog veel meer mishaagde; ‚die koppenhakkers,’ voegde hij er bij, mij met zijn tijgerkattenoogen aanziende, ‚zaten eergisteren nog laat in den nacht in de kroeg der straat Férou, terwijl’—en het scheen alsof hij mij in het gezicht uitlachte—‚een patrouille zijner lijfwacht genoodzaakt werd die rustverstoorders aan te houden.’Parbleu!daar moet ge iets van weten! Musketiers aan te houden! Ge waart er bij, loochent het niet, men heeft u herkend, de kardinaal heeft u genoemd. En het komt immers op mij neer, het is immers mijn schuld; want ik ben het, die de keuze mijner manschappen doe.—Spreek, Aramis, wat duivel! waarom vroegt gij mij om den soldatenrok, terwijl u het priesterkleed zoo wel zou gepast hebben. En gij, Porthos! hebt gij alleen een zoo schitterenden bandelier, om er een degen van stroo aan te hangen. En Athos! Ik zie Athos niet! Waar is hij?”
„Mijnheer!” antwoordde Aramis treurig, „hij is ziek, zeer ziek.”—„Ziek! zeer ziek, zegt gij! en wat deert hem?”—„Men vreest, dat het de kinderpokken zijn!” antwoordde Porthos, op zijn beurt een woord in het gesprek willende mengen, „dat zeer jammer zou zijn, want zijn gezicht zou er ongetwijfeld door geschonden worden.”—„De kinderpokken! dat is wederom een fraaie geschiedenis, die gij mij verhaalt, Porthos! Op zijn jaren de pokken te krijgen? Neen, neen, hij is zeker gekwetst, misschien wel dood!.... O! als ik er zeker van was....Sangdieu!mijne heeren musketiers! ik duld niet, dat men die slechte huizen bezoekt, dat men twist op straat maakt en in afgelegen hoeken den degen trekt. Kortom, ik wil niet, dat men der lijfwacht van den kardinaal ten spot verstrekke; want dat zijn brave lieden, rustige, knappe lieden, die zich wel wachten aangehouden te worden, en die zich bovendien nietzouden laten aanhouden, daarvan ben ik zeker.... Zij zouden liever op de plaats het leven laten, dan één voetstap te wijken.... Op den loop gaan, zich uit de voeten maken, vluchten.... dat doen alleen de musketiers des konings!”
Porthos en Aramis beefden van woede. Zij zouden gaarne den heer de Tréville geworgd hebben, indien zij niet in die woorden de groote genegenheid hadden opgemerkt, die hem noopte ze aldus toe te spreken. Zij stampvoetten op het tapijt, ze beten zich op de lippen, tot bloedens toe, en omknelden uit al hun macht de gevesten hunner degens.
In de voorkamer had men, zooals wij gezegd hebben, hooren roepen: Athos! Porthos! Aramis! en naar den toon der stem des heeren de Tréville te oordeelen, begreep men, dat hij blakende van gramschap was. Tien nieuwsgierige hoofden waren tegen het behangsel gedrukt en werden bleek van woede; want de luisterende ooren voor de deur lieten geen woord, geen lettergreep verloren gaan van hetgeen er binnen gezegd werd, terwijl hun monden achtereenvolgens de beleedigende woorden des kapiteins ten aanhoore der geheele antichambre herhaalden. In één oogenblik was het geheele hotel, van de deur van het kabinet tot aan de voordeur, in een geweldige gisting.
„Welzoo! laten de musketiers des konings zich door de lijfwachten van den kardinaal gevangen nemen!” vervolgde de heer de Tréville, die even woedend was in zijn kabinet als zijn krijgslieden daar buiten; en op zijn woorden drukkend en elk, om zoo te spreken, als zoovele dolksteken in de borst zijner hoorders stootende, ging hij voort: „Welzoo! nemen zes lijfwachten van Zijne Eminentie zes musketiers van Zijne Majesteit gevangen!Morbleu!ik heb mijn besluit genomen: Nog in dit uur begeef ik mij naar het Louvre; ik neem mijn ontslag als kapitein des konings, om een luitenantsplaats in dienst des kardinaals te verzoeken, en indien hij ze mij weigert, word ik monnik.”
Op die woorden ging het gemompel in de antichambretot een uitbarsting over. Men hoorde niets anders dan gevloek en godslasteringen. Demorbleu’s, desangdieu’s, deduizend duivelsen meer dergelijke fraaie uitroepen vervulden de lucht.—D’Artagnan zag om naar een gordijn of een behangsel, om zich daar achter te verbergen, en voelde in zich een bovenmatigen lust om onder de tafel te kruipen.
„Welnu, kapitein!” riep Porthos, van kwaadheid stamelende, „ik zal u dan maar de waarheid zeggen: Wij waren zes tegen zes, maar werden verraderlijk overvallen, zoodat, alvorens wij den tijd hadden onze degens te trekken, reeds twee onzer levenloos neerzonken; Athos, zwaar gekwetst, was niet veel beter. Gij kent Athos, kapitein! welnu, hij poogde tot twee malen toe zich op te richten, maar viel beide keeren weder onmachtig neder. Intusschen hebben wij ons niet gewillig overgegeven, neen, men heeft ons met geweld voortgesleept. Maar onderweg gelukte het ons te ontvluchten. Wat Athos betreft, men meende dat hij dood was en liet hem uit dien hoofde gerust op het slagveld liggen, daar men oordeelde, dat het de moeite niet waard was hem mede te voeren. En dat is nu de geheele historie! Wat duivel, kapitein, men wint niet alle veldslagen. De groote Pompejus heeft dien vanPharsaluswel verloren, en koning Frans I, die, zooals ik heb hooren zeggen, zijn man onder de oogen durfde zien, verloor wel dien vanPavia.”—„Daarbij heb ik de eer u te verzekeren, dat ik een der aanvallers met zijn eigen degen heb doorstoken,” zeide Aramis, „want de mijne brak bij den eersten stoot. Met den degen of met een stuk er van, om het even, mijnheer!”—„Dat wist ik niet,” hernam de heer de Tréville op zachter toon: „ik bemerk, dat de kardinaal de zaak wat overdreven heeft.”—„Maar ik bid u, mijnheer,” ging Aramis voort, die, ziende dat zijn kapitein bedaarde, tot een verzoek durfde overgaan, „ik verzoek u, mijnheer! niet te zeggen, dat Athos gekwetst is; hij zou wanhopig zijn, indien zulks ter oore van den koning kwam, en dewijl de wond niet zonder gevaar is, daar de degen, na den schouderte zijn doorgedrongen, de borst heeft geraakt, is het te vreezen....” Op hetzelfde oogenblik werd het voorhangsel der deur opgelicht, en een edel en trotsch gelaat, dat er vreeselijk bleek uitzag, vertoonde zich onder de franjes.
„Athos,” riepen beide musketiers.—„Gij hebt mij ontboden, mijnheer!” zeide Athos tot den heer de Tréville met een zwakke, hoewel geheel en al kalme stem; „gij hebt naar mij gevraagd, zooals mijn wapenbroeders mij hebben gezegd; ik haast mij dus aan uw oproeping te voldoen. Hier ben ik, mijnheer! Wat is er van uw dienst?”—En op deze woorden trad de musketier, in behoorlijke tenue, en als naar gewoonte nauw in zijn kleeding geregen, met tamelijk vasten tred het kabinet binnen.
De heer de Tréville, diep bewogen door dit bewijs van moed, ijlde naar hem toe.—„Ik was juist bezig aan die heeren te zeggen,” zeide hij, „dat ik de musketiers verbied hun leven zonder noodzakelijkheid te wagen; want de koning stelt dappere lieden op zeer hoogen prijs, en de koning is verzekerd, dat zijn musketiers de dapperste lieden der wereld zijn. Uw hand, Athos!”—En zonder te wachten, dat de pas binnengekomene uit zich zelven dit bewijs van vriendschap beantwoordde, vatte de heer de Tréville zijn rechterhand en drukte die uit al zijn macht, zonder te bemerken dat Athos, hoe groot zijn zelfbeheersching ook was, een smartelijke beweging maakte en nog bleeker werd, hetgeen bijna niet mogelijk scheen.
De deur was open gebleven, zóó zeer had de komst van Athos, wiens wonde ondanks de geheimhouding aan allen bekend was, opschudding veroorzaakt. Een gejuich van tevredenheid smoorde de laatste woorden des kapiteins, en twee of drie hoofden, door geestdrift vervoerd, verschenen in de opengelaten deur. Zonder twijfel zou de heer de Tréville deze veronachtzaming der voorschriften van de wellevendheid ernstig bestraft hebben, indien hij niet eensklaps de hand van Athos in de zijne had voelen ineenkrimpen, en de oogen ophem vestigende, ontwaarde hij, dat hij op het punt was in onmacht te vallen. Onmiddellijk hierop viel Athos, die al zijn krachten had verzameld om de smart te weerstaan, doch eindelijk door haar overwonnen was, als dood op den grond neder.—„Een geneesheer!” riep de heer de Tréville. „De mijne! die des konings, de beste, dien gij vinden kunt! Spoedig een geneesheer, ofsangdieu!mijn moedige Athos sterft!”
Op het geschreeuw van den heer de Tréville stormden allen het kabinet binnen, zonder dat hij er aan dacht de deur voor iemand te sluiten, terwijl iedereen naar den gewonde ijlde. Maar al die bedrijvigheid zou weinig gebaat hebben, indien de verlangde geneesheer niet juist in het hotel tegenwoordig ware geweest; deze drong zich nu door het gedrang en naderde den steeds in onmacht liggenden Athos. Maar daar al dat rumoer en die beweging hem geweldig hinderden, verzocht hij vooreerst en wel uitdrukkelijk, den musketier naar een aangrenzende kamer te vervoeren. Dadelijk opende de heer de Tréville een deur en wees den weg aan Porthos en Aramis, die hun vriend in hun armen wegdroegen. Achter deze groep volgde de geneesheer, waarop de deur dicht viel.
Toen werd het kabinet van den heer de Tréville, deze gewoonlijk zoo geëerbiedigde plaats, voor het oogenblik een aanhangsel der voorkamer. Iedereen praatte, redeneerde, schreeuwde, vloekte en wenschte den kardinaal en zijn lijfwachten naar alle duivels. Een oogenblik daarna kwamen Porthos en Aramis terug; de heelmeester en de heer de Tréville waren alleen bij den gewonde gebleven. Eindelijk kwam ook op zijn beurt de heer de Tréville terug. De gewonde was tot zich zelven gekomen, en de heelmeester verklaarde, dat de ongesteldheid des musketiers zijn vrienden niet de minste bekommering moest wekken, daar zijn flauwte eenvoudig door bloedverlies veroorzaakt was.
De heer de Tréville gaf nu een teeken met de hand, en allen verwijderden zich, behalve d’Artagnan, die, niet vergetende dat hij ten gehoore was toegelatengeworden, met Gaskonjische halsstarrigheid op dezelfde plaats was blijven staan. Toen allen vertrokken waren en de heer de Tréville de deur gesloten had, keerde hij zich om en bevond zich met den jongeling alleen. Hetgeen was voorgevallen, had min of meer den draad zijner denkbeelden afgebroken. Hij vroeg dus, wat de halsstarrige verzoeker verlangde. D’Artagnan noemde zich, en de heer de Tréville, zich eensklaps het tegenwoordige en het verledene herinnerende, wist nu waarvan er sprake was.—„Vergeef mij,” zeide hij glimlachende, „vergeef mij, waarde landgenoot! maar ik had u geheel en al vergeten. Gij weet, een kapitein is niet anders dan een huisvader. Krijgslieden zijn groote kinderen; maar dewijl ik volstrekt wil, dat de bevelen des konings en vooral die van Zijne Eminentie den kardinaal stiptelijk worden opgevolgd....”
D’Artagnan kon een glimlach niet bedwingen, en de heer de Tréville dien glimlach bemerkende, oordeelde niet met een onnoozele te doen te hebben; hij veranderde daarom van onderwerp en ging dadelijk tot de zaak over.—„Ik was een groot vriend uws vaders,” zeide hij, „wat kan ik nu voor zijn zoon doen? Haast u; mijn tijd behoort mij niet toe.”—„Mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, „toen ikTarbesverliet en mij herwaarts begaf, stelde ik mij voor, uit hoofde dier vriendschap, van welke gij de herinnering niet hebt verloren, u het musketiersbuis te verzoeken; maar na al hetgeen ik sedert twee uren heb gezien, begrijp ik, dat een dergelijke gunst voor mij te groot is, en vrees ik die onwaardig te zullen zijn.”—„Het is inderdaad een gunst, jonkman!” antwoordde de heer de Tréville; „maar zij kan voor u zoo onbereikbaar niet zijn, als gij wel gelooft, of als gij schijnt te gelooven. Trouwens een besluit van Zijne Majesteit heeft in dit geval voorzien, en ik moet u met leedwezen te kennen geven, dat men niemand als musketier aanneemt, zonder dat hij te voren eenige veldtochten met eere heeft medegemaakt, eenig schitterend wapenfeit bedreven, of twee jaren heeft gediend bij een ander minder begunstigd regiment dan hetonze.”—D’Artagnan boog, zonder iets te antwoorden. Hij was nog meer begeerig naar het musketiersbuis, sedert hij zag, dat het zoo moeilijk te verkrijgen was.—„Maar,” ging de Tréville voort, op zijn landgenoot een doordringenden blik werpende, alsof hij in het diepste van zijn hart wilde lezen; „maar uit achting voor uw vader, mijn ouden wapenbroeder! zooals ik u heb gezegd, wil ik iets voor u doen, mijn jonge vriend! Onze jonge Bearneesche edellieden zijn gewoonlijk niet rijk, en ik twijfel zeer, of de zaken veel veranderd zijn sedert mijn vertrek uit de provincie. Gij zult dus niet veel over hebben van het geld, dat gij hebt medegebracht om van te leven.”
D’Artagnan hief het hoofd trotsch omhoog, alsof hij zeggen wilde, dat hij niet kwam bedelen.—„Goed, jonkman! zeer goed,” hernam de Tréville, „wij kennen die manieren; ik kwam teParijsmet vier kronen in den zak, en ik zou geduelleerd hebben met ieder, die mij had durven zeggen, dat ik niet in staat was het Louvre te koopen.”—D’Artagnan stak nog meer de borst vooruit; want door den verkoop van zijn paard was hij in staat zijn loopbaan met vier kronen meer te beginnen, dan de heer de Tréville de zijne begonnen was.—„Gij moet dan,” zeide hij, „zorgen, dat gij datgene blijft behouden, wat gij hebt, hoe groot deze som ook wezen moge; maar daarentegen behoort gij u ook te volmaken in al de oefeningen, welke een edelman moet kennen. Ik zal nog heden aan den directeur der koninklijke schermschool schrijven, en niet later dan morgen zal hij u zonder de minste betaling aannemen; weiger die gunst niet. De voornaamste en rijkste edellieden verzoeken er vaak om, zonder ze te kunnen verwerven. Gij zult dáár het paardrijden, de schermkunst en het dansen leeren; bovendien zult gij er goede kennissen maken, en van tijd tot tijd moet gij mij een bezoek brengen om mij uw vorderingen mede te deelen en mij te zeggen, waarin ik u van dienst kan zijn.”
D’Artagnan, hoe vreemd ook tot hiertoe aan de hofmanieren, bemerkte echter de koelheid, waarmedehij ontvangen werd.—„Helaas, mijnheer!” zeide hij, „ik bespeur eerst nu het verlies van den aanbevelingsbrief, dien mijn vader mij voor u had medegegeven.”—„Inderdaad,” antwoordde de heer de Tréville, „het verwondert mij, dat gij een zoo verre reis ondernomen hebt, zonder van dat onontbeerlijk en voor ons Bearneezen eenig reismiddel voorzien te zijn.”—„Ik had het, mijnheer! goddank! en in behoorlijken vorm!” riep d’Artagnan uit; „maar men heeft het mij verraderlijk ontroofd.”—En hij vertelde al het voorgevallen teMeung, schilderde den onbekenden edelman af tot in de geringste bijzonderheden, en met zooveel vuur, zooveel waarheid, dat de heer de Tréville er door bekoord werd.
„Dat is al zeer zonderling,” zeide deze laatste peinzend, „gij hadt dus luid over mij gesproken?”—„Welzeker, mijnheer! ik heb deze onvoorzichtigheid begaan. Wat wilt gij, een naam als de uwe moest mij onderweg tot schild verstrekken. Nu kunt gij denken, hoe dikwijls ik er mij mede bedekt heb.”
Vleitaal was destijds zeer in de mode, en de heer de Tréville hield van den wierook als een koning of een kardinaal. Hij moest dus onwillekeurig en met zeker welgevallen glimlachen; maar deze glimlach verdween spoedig, en uit zich zelven op het avontuur te Meung terugkomende, vroeg hij verder: „Zeg mij eens, had die edelman niet een klein litteeken op de wang?”—„Ja, zooals door een voorbijsnorrenden kogel wordt veroorzaakt.”—„Had hij niet een fiere gestalte?”—„Ja.”—„Groot?”—„Ja.”—„Bleek van gelaat en bruin van haar?”—„Ja, ja! hij is het wel! Hoe! kent gij dien man, mijnheer? O, als ik hem ooit ontmoet! en ik zal hem ontmoeten, dat beloof ik u, al was het in de hel!”—„Hij wachtte op een vrouw?” vroeg de Tréville verder.—„Hij is ten minste vertrokken, na een oogenblik met haar te hebben gesproken, die hij verwachtte.”—„Kent gij het onderwerp niet van hun gesprek?”—„Hij stelde haar een doos ter hand, haar tevens te kennen gevende, dat die doos haar schriftelijkebevelen behelsde, en zij ze niet eer dan teLondenmocht openen.”—„Was die vrouw een Engelsche?”—„Hij noemde haarMilady.”—„Hij is het,” mompelde de Tréville, „hij is het! Ik dacht, dat hij nog teBrusselwas.”—„O, mijnheer, indien gij dien man kent!” riep d’Artagnan, „noem hem dan, zeg mij van waar hij is, en gij hebt mij geheel voldaan, zelfs ten aanzien der belofte mij onder de musketiers te doen inlijven; want vóór alles wil ik mij wreken.”—„Onthoud u dáárvan vooral, jongeling!” riep de Tréville; „integendeel, wanneer gij hem ziet naderen langs den eenen kant der straat, begeef u dan naar den anderen kant; stoot niet tegen die rots, gij zoudt als glas verbrijzeld worden.”—„Dat zal niet beletten, wanneer ik hem ooit ontmoet....”—„Zoek hem intusschen niet, als ik u raden mag.”
Eensklaps hield de Tréville op, door een plotseling vermoeden getroffen. De groote haat, welken de jongeling zoo luid tegen den man openbaarde, die, hetgeen vrij onwaarschijnlijk was, hem den brief zijns vaders zou hebben ontstolen, verborg deze haat niet het een of ander verraad? Was die jongeling niet door Zijne Eminentie uitgezonden? Was hij niet gekomen, om hem in een strik te doen loopen? Was die gewaande d’Artagnan niet een zendeling des kardinaals, dien men poogde in zijn huis te doen aannemen en bij hem te plaatsen, ten einde zijn vertrouwen te winnen en hem daarna te doen vallen, zooals duizendmaal het geval geweest was?.... Hij beschouwde d’Artagnan voor den tweeden keer met nog meer scherpheid dan den eersten keer en was maar tamelijk gerustgesteld door dat van stoutmoedige geestigheid en geveinsde nederigheid getuigende gelaat.—„Ik weet wel, dat hij een Gaskonjer is,” dacht hij, „maar hij kan het evengoed voor den kardinaal als voor mij wezen. Laat zien, laat ons hem eens beproeven.—Mijn vriend!” sprak hij op gerekten toon, „ik wil tot u als tot den zoon van mijn ouden vriend spreken (ik beschouw het gebeurde met den verloren brief als waarheid), ik wil, zeg ik,om de koelheid, welke gij aanvankelijk in mijn ontvangst hebt opgemerkt, u de geheimen onzer staatkunde openbaren. De koning en de kardinaal zijn de beste vrienden der wereld; hun schijnbare oneenigheden dienen slechts, om den onnoozelen een rad voor de oogen te draaien. Ik wil niet, dat een landgenoot, een ridderlijk, braaf jongeling, die vooral moet worden voortgeholpen, door al die veinzerij bedrogen wordt en als een lomperd in den strik valt, waarin zoovelen zich verloren hebben.... Wees indachtig, dat ik die beide alvermogende meesters geheel en al ben toegedaan, en dat mijn ernstige bemoeiingen nooit anders ten doel zullen hebben, dan den dienst des konings en dien van den kardinaal, een der uitstekendste mannen dieFrankrijkheeft voortgebracht. Richt u daarom hiernaar, en mocht gij, hetzij uit hoofde van familiebeweegredenen of andere betrekkingen, of zelfs als het ware ingeschapen, den kardinaal een zekere vijandschap toedragen, zooals men die bij onze edellieden ziet, zeg mij dan vaarwel en laat ons scheiden. Ik zal u in alle omstandigheden behulpzaam zijn, maar zonder u aan mijn persoon te verbinden. Ik hoop, dat in alle geval mijn openhartigheid u tot mijn vriend zal maken, want tot hiertoe zijt gij de eerste, met wien ik gesproken heb zooals ik thans doe.”
De Tréville zeide bij zich zelven: „Indien de kardinaal op mij dien loozen vos heeft afgezonden, zal hij zeker niet in gebreke zijn gebleven, daar hij zeer goed weet in welke mate ik hem verfoei, hem te zeggen, dat het beste middel om in mijn gunst te komen hierin bestaat, mij van hem het ergste te verhalen; ook zal de slimme snaak, ondanks mijn betuigingen, mij zeker ten antwoord geven, dat hij voor Zijne Eminentie een onverwinnelijken afschuw heeft.”—Maar het was geheel anders dan de heer de Tréville zich voorgesteld had. D’Artagnan antwoordde met de grootste eenvoudigheid: „Mijnheer! ik ben teParijsgekomen met dezelfde bedoelingen. Mijn vader heeft mij aanbevolen, van niemand dan van den koning, van den kardinaal envan u iets te verdragen; want hij beschouwt u drieën als de eerste personen vanFrankrijk.”—D’Artagnan, zooals men ziet, voegde den heer de Tréville bij de twee overigen; want hij begreep dat die toevoeging niet schaden kon.—„Ik heb dus de grootste achting voor mijnheer den kardinaal,” vervolgde hij, „en den diepsten eerbied voor zijn daden. Het is des te beter voor mij, mijnheer! indien gij tot mij openhartig spreekt; want in dat geval zult gij mij wel de eer aandoen, mij uit hoofde dezer gelijkheid van denkwijze achting toe te dragen; maar indien gij eenig wantrouwen mocht gekoesterd hebben, ’t geen trouwens zeer natuurlijk zoude zijn, gevoel ik, dat ik mij benadeel door de waarheid te zeggen; des te erger voor mij; intusschen zult gij mij uw achting niet onthouden; dit is mij ter wereld het meest waard.”
De heer de Tréville was uiterst verwonderd. Zooveel scherpzinnigheid, kortom, zooveel openhartigheid brachten hem in bewondering, maar ontnamen hem echter niet al zijn wantrouwen; hoe meer die jongeling boven andere jongelieden uitstak, des te meer was hij, ingeval hij zich in hem bedrogen had, te vreezen.—„Gij zijt een braaf jongeling! maar voor het oogenblik is het mij niet mogelijk iets meer te doen, dan hetgeen ik u zooeven aanbood. Mijn deur zal voor u steeds open zijn. Later, daar gij alle oogenblikken mij iets zult kunnen vragen, zult gij waarschijnlijk datgene verkrijgen, wat gij verlangt.”—„Dat wil zeggen, mijnheer! dat gij zult wachten, tot zoolang ik mij dit waardig zal hebben gemaakt? Maar wees gerust,” voegde hij met Gaskonjische gemeenzaamheid er bij: „gij zult niet lang wachten,” en hij groette, om zich te verwijderen, alsof hij voortaan zich zelven met het overige, dat hem betrof, wel zou belasten.
„Maar wacht toch,” zeide de heer de Tréville, hem tegenhoudende, „ik heb u immers een brief voor den direkteur der koninklijke schermschool beloofd. Zijt ge te trotsch om dien aan te nemen, mijn jonge edelman?”—„Neen, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en ik verzekeru, dat het met dezen niet zal gaan als met den anderen. Ik zal hem zoo goed weten te bewaren, dat hij zal komen waar hij behoort, dat bezweer ik u! en wee hem, die het zou beproeven mij dien te ontnemen.”
De heer de Tréville glimlachte over deze grootspraak, en zijn jongen landgenoot bij het venster latende, waar zij gestaan en met elkaar gesproken hadden, zette hij zich aan een tafel en schreef den beloofden aanbevelingsbrief. Onderwijl trommelde d’Artagnan, die niets anders te doen had, een marsch op de vensterruiten en keek de musketiers na, die achtereenvolgens vertrokken, terwijl hij hen zoo lang in het oog hield, totdat zij om den hoek der straat verdwenen. De heer de Tréville, na den brief geëindigd te hebben, verzegelde dien, en, opstaande, naderde hij den jongeling, om hem dien ter hand te stellen; maar op hetzelfde oogenblik, dat d’Artagnan de hand uitstrekte om hem aan te nemen, was de heer de Tréville zeer verbaasd, hem een sprong te zien maken, rood van kwaadheid te zien worden, en het kabinet uit te stormen, uitroepende: „O,sangdieu!nu zal hij mij niet ontkomen.”—„En wie dat?” vroeg de heer de Tréville.—„Hij, mijn dief!” antwoordde d’Artagnan. „Wacht verrader!” en hij verdween.
„Duivelsche gek!” mompelde de Tréville. „Ten minste,” voegde hij er bij, „als dat niet een slimme manier is, om zich uit de voeten te maken, nu hij ziet, dat zijn poging mislukt is.”
De schouder van Athos, de bandelier van Porthos, en de neusdoek van Aramis.
Als woedend snelde d’Artagnan de voorkamer door en bereikte in drie sprongen de trap, van welke hij de treden even snel wilde afspringen, maar in zijn vaartstormde hij blindelings tegen een musketier aan, die door een zijdeur het hotel verliet; zijn hoofd stiet zoo geweldig tegen den schouder des musketiers, dat dezen een kreet, of liever een gebrul ontglipte.—„Verschoon mij,” zeide d’Artagnan, die zijn loop trachtte te hervatten, „verschoon mij, ik heb haast.”—Doch nauwelijks had hij den voet op de eerste trede gezet, of een ijzersterke vuist greep hem bij zijn sjerp en hield hem staande.—„Gij hebt haast!” riep de musketier, wit als een lijkkleed, „en gij stoot mij onder dat voorwendsel; gij zegt, verschoon mij! en gij meent, dat dit voldoende is? Geloof dat niet, jonkman! Is het, omdat gij den heer de Tréville ons een weinig hard hebt hooren toespreken, dat gij meent, dat men met ons kan handelen, zooals hij ons toesprak? Waan dit niet, vriendje! gij! gij zijt de heer de Tréville niet!”—„Ik verzeker u, ik heb het niet met opzet gedaan,” antwoordde d’Artagnan, Athos herkennende, die, nadat hij verbonden was, naar huis ging, „en dewijl ik het niet opzettelijk deed, vraag ik u om verschooning. Ik meen nu, dat dit genoeg is. Ik herhaal u intusschen, en misschien is dit voor het oogenblik te veel, dat ik, op mijn woord van eer, haast heb en zeer veel haast. Laat mij dus los, ik verzoek het u, en laat mij gaan, waar mijn zaken mij roepen.”—„Mijnheer!” zeide Athos, hem los latende, „gij zijt niet beleefd. Men ziet wel aan u, dat gij van verre komt.”—D’Artagnan was reeds drie of vier treden afgegaan, doch op de aanmerking van Athos bleef hij plotseling staan.—„Morbleu!mijnheer,” zeide hij, „van hoe verre ik kom, gij zijt het niet, die mij een les in wellevendheid zult geven, dat verzeker ik u.”—„Misschien,” hernam Athos.—„O! als ik zooveel haast niet had,” riep d’Artagnan, „en ik niet iemand op de hielen zat....”—„Mijnheer de haastige! gij behoeft mij niet na te loopen, om mij te vinden, hoort gij?”—„En waar, als het u belieft?”—„In den omtrek van het Barrevoeter-Karmelieten-klooster.”—„Hoe laat?”—„Om twaalf uur.”—„Om twaalf uur;—het is wel, ik zal er wezen.”—„Trachtmij niet te lang te laten wachten, want kwartier na twaalven, hoort gij? zal ik het zijn, die u zal naloopen en al naloopende u de ooren zal afsnijden.”—„Goed!” riep hem d’Artagnan toe, „men zal er tien minuten voor twaalven zijn.”
Als door den duivel voortgejaagd, spoedde hij zich voort, altijd in de hoop zijn onbekende te zullen achterhalen, wiens langzame tred hem nog niet ver kon gebracht hebben. Maar voor de straatdeur stond Porthos, in gesprek met een der wachtdoende soldaten. Tusschen beide praters was niet meer ruimte dan ter doorlating van een persoon. D’Artagnan oordeelde, dat deze ruimte voldoende voor hem was, en als een pijl uit den boog wierp hij zich tusschen beiden. Maar d’Artagnan had niet op den wind gerekend; immers juist toen hij zijn vaart nam, spreidde de wind den grooten mantel van Porthos uit, zoodat d’Artagnan vlak tegen denzelven inliep. Ongetwijfeld had Porthos reden dit belangrijk gedeelte van zijn gewaad niet te laten glippen; want in plaats van den slip, dien hij vasthield, los te laten, trok hij dien tot zich, zoodat d’Artagnan, door een ronddraaiende beweging, ontstaan ten gevolge van het halsstarrig vasthouden van Porthos, in het fluweel werd gerold.—D’Artagnan, die den musketier hoorde vloeken, wilde van onder den mantel, die hem verblindde, uitkomen, en trachtte in de plooien den weg te vinden. Hij vreesde vooral de nieuwheid van den prachtigen bandelier, dien wij kennen, beschadigd te hebben, want schroomvallig de oogen openende, bevond hij zich met zijn neus tusschen de beide schouders van Porthos, en wel juist op den bandelier. Helaas! zooals de waarde der meeste dingen dezer wereld slechts schijnbaar is, zoo was het ook met den bandelier, die van voren goud, maar van achter eenvoudig van buffelleder was. Porthos, als een echt pronker, die geen geheel gouden bandelier kan verkrijgen, had er althans een gedeeltelijk van goud. Men begrijpt hieruit de noodzakelijkheid eener verkoudheid, en bijgevolg de behoefte van een mantel.
„Ventrebleu!” riep Porthos, alle moeite doendezich van d’Artagnan te ontslaan, die zich op zijn rug verwrong, „zijt gij dan razend, de menschen zóó op het lijf te vallen!”—„Verschoon mij,” zeide d’Artagnan, die van onder den schouder van den reus kwam, „ik heb haast, ik loop iemand na, en....”—„Laat gij bij geval uw oogen te huis, wanneer gij iemand naloopt?” vroeg Porthos.—„Neen!” antwoordde d’Artagnan geraakt, „neen, en wel met mijn oogen zie ik iets, dat anderen niet zien.”—Porthos begreep het of niet; maar hoe het ook zij, hij werd driftig en riep: „Mijnheer! gij zult u laten afranselen, dat zeg ik u, indien gij op die wijze met de musketiers in aanraking komt.”—„Afranselen! mijnheer!” zeide d’Artagnan, „dat woord is niet zeer kiesch.”—„Dat is de spreekwijze van iemand, die gewoon is zijn vijanden onder de oogen te zien.”—„O,pardieu!ik weet wel, dat gij de uwe den rug niet toekeert.”—En de jongeling, verheugd over zijn tergende geestigheid, verwijderde zich, luid lachende.—Porthos schuimbekte van woede en deed een beweging om d’Artagnan aan te vallen.—„Later, later!” riep deze, „wanneer gij uw mantel zult hebben afgelegd.”—„Dus te een uur, achter het Luxembourg.”—„Zeer goed, te een uur,” antwoordde d’Artagnan, den hoek der straat omslaande.
Maar noch in de straat, die hij was doorgeloopen, noch in die, welke zijn blik thans overzag, ontwaarde hij iemand. Hoe langzaam de vreemdeling ook ware voortgetreden, hij had veel wegs afgelegd, of misschien was hij een of ander huis binnengegaan. D’Artagnan vroeg naar hem aan al degenen, die hij ontmoette, vervolgde zijn weg tot aan de overzetpont, keerde terug langs de straatde Seineende la Croix Rouge, maar hij bespeurde niets, volstrekt niets. Intusschen was deze tocht hem in zooverre nuttig, dat, hoe meer het zweet zijn voorhoofd besproeide, zijn bloed meer en meer verkoelde. Hij begon toen over zijn wedervaren na te denken; het was van velerlei aard en weinig goeds voorspellend: Immers, nauwelijks te elf uur in den ochtend, had hij zich reeds de ongenade van den heer de Tréville op den hals gehaald,daar deze zeker zijn zonderlinge wijze van afscheid te nemen niet zeer wellevend moest gevonden hebben. Bovendien had hij onder weg een paar geduchte tweegevechten opgedaan, en wel met twee mannen, die elk voor zich in staat waren drie d’Artagnans naar de andere wereld te zenden: namelijk met twee musketiers, dat is te zeggen, met twee dier wezens, voor welke hij zooveel achting koesterde, dat hij ze bij zich zelven boven alle andere menschen stelde.—Zijn toestand was treurig. Zeker door Athos te worden neergeveld, begrijpt men, dat de jongeling zich niet veel om Porthos bekommerde. Nochtans, daar de hoop het laatste is, wat in ’s menschen hart wordt uitgedoofd, koesterde hij eindelijk de hoop in het leven te zullen blijven, wel te verstaan, na hevige wonden in die beide tweegevechten ontvangen te hebben, en ingeval van overleving deed hij zich voor de toekomst de navolgende vermaningen:
„Hoe heb ik toch zoo onbedachtzaam kunnen handelen en wat een domkop ben ik! Dien dapperen, ongelukkigen Athos met mijn hoofd, als met een stormram, juist tegen zijn gekwetsten schouder te loopen! Zeer verwondert het mij, dat hij mij niet dadelijk heeft doorstoken; hij had hiertoe het recht; immers de smart, die ik hem heb veroorzaakt, moet vreeselijk zijn geweest. Wat Porthos betreft.... ha! op mijn woord, dat is een vrij koddige geschiedenis!” En onwillekeurig begon de jongeling te lachen, doch tevens keek hij bedachtzaam rond, of deze onverklaarbare lachlust niet den een of anderen voorbijganger zou kunnen beleedigen. „Wat Porthos betreft, dat is een vrij koddige historie, maar ik ben desniettemin een ellendige dommerik. Mag men derwijze de lieden tegen het lijf loopen, zonder te voren: maak plaats! te roepen? Neen!.... En mag men hen onder hun mantel gaan bekijken, om te zien wat er niet is te zien? Hij zou mij zeker hebben verschoond, en mij hebben laten loopen, indien ik mij niet op die verbloemde, spottende wijze over dien vervloekten bandelier had uitgelaten; waarachtig! mijn woorden waren fraai verbloemd! O! vervloekte Gaskonjer,die ik ben! de lust tot spotten zal mij nog bekruipen, al word ik gebraden. Welaan, d’Artagnan, mijn vriend!” ging hij voort, zich toesprekende met al de welwillendheid, welke hij meende zich zelven verschuldigd te zijn. „Indien het u gelukt dit gevaar te ontkomen, wat niet waarschijnlijk is, is het noodzakelijk voortaan de grootste beleefdheid in acht te nemen. In het vervolg moet ge u doen bewonderen, als een voorbeeld zien aanwijzen. Beleefd en voorkomend is niet lafhartig zijn. Welnu, heeft ooit iemand er aan gedacht te zeggen, dat Aramis een lafaard is? Immers volstrekt niet; derhalve van heden aan zal ik mij in alle opzichten aan hem spiegelen.... Ha! daar is hij juist.”
D’Artagnan, onder deze alleenspraak zijn weg vervolgende, was op eenige schreden van het hôtel d’Aiguillon genaderd, en daar voor zag hij Aramis, in vroolijken kout met drie edellieden van ’s konings lijfwacht. Ook Aramis had d’Artagnan bespeurd, doch wijl hij nog niet vergeten was, dat het in de tegenwoordigheid van dien jongeling was, dat de heer de Tréville zich des morgens zoo kwaad had gemaakt, en dewijl een getuige dezer den musketiers gedane vermaningen hem in geenen deele aangenaam was, nam hij den schijn aan hem niet te zien. D’Artagnan integendeel, vervoerd door zijn vredelievende voornemens van wellevendheid, naderde de vier jongelieden en maakte een diepe buiging, die hij liet vergezeld gaan van een zoo bevallig mogelijken glimlach. Aramis knikte even met het hoofd, doch glimlachte niet; terwijl alle vier onmiddellijk hun gesprek staakten.
D’Artagnan was niet dom genoeg om niet te bemerken, dat hij te veel was; maar de manieren der groote wereld waren hem nog te vreemd, om op geschikte wijze uit dien neteligen toestand te geraken, waarin gewoonlijk hij zich bevindt, die zich bij lieden voegt, welke hij nauwelijks kent, en zich in een gesprek mengt, dat hem niet aangaat. Hij peinsde dus op een geschikt middel om zich te verwijderen, toen hij bemerkte, dat de zakdoek van Aramis op den grond lag en hij, waarschijnlijkzonder opzet, er den voet op had gezet; dit voorval scheen hem gunstig ter herstelling zijner onwelvoeglijkheid, hij boog zich en met al de bevalligheid, welke hij kon ten toon spreiden, trok hij den zakdoek van onder den voet des musketiers weg, welke pogingen deze ook aanwendde om dien vast te houden, en zeide, hem dien overhandigende: „Ik geloof, mijnheer! dat gij dezen zakdoek niet gaarne zoudt willen verliezen.”
De zakdoek was werkelijk met prachtig borduursel omzoomd, en aan een der hoeken met een kroon en een wapen gemerkt. Aramis werd bloedrood en rukte, eer dan hij hem aannam, den zakdoek uit de handen van den Gaskonjer.—„Ha! ha!” riep een der gardes uit, „durft gij nu nog zeggen, achterhoudende Aramis! dat gij met mevrouw de Bois-Tracy in onmin zijt, terwijl die bekoorlijke dame u zoo goedgunstig haar zakdoeken leent.”—Aramis wierp op d’Artagnan een dier blikken, welke te verstaan geven, dat men zich een onverzoenlijken vijand gemaakt heeft; vervolgens zeide hij met zijn zachte stem: „Gij bedriegt u, mijne heeren! die zakdoek behoort mij niet, en ik weet niet welke gril dien heer noopt hem aan mij, liever dan aan een uwer te geven; om u te bewijzen dat hij mij niet behoort: ziedaar den mijne in mijn zak.”—Bij deze woorden haalde hij zijn eigen zakdoek te voorschijn, een zakdoek even fraai en ook van fijn batist, hoewel die stof destijds zeer duur was; overigens was hij zonder borduursel, zonder wapen en alleen gemerkt met het naamcijfer des eigenaars.
D’Artagnan bleef het diepste stilzwijgen bewaren; hij begreep zijn onhandigheid. Intusschen lieten de vrienden van Aramis zich door die ontkenning niet overtuigen, en een hunner, met geveinsden ernst zich tot den jeugdigen musketier wendende, zeide: „Indien het is, zooals gij voorgeeft, dan zou ik genoodzaakt zijn, mijn waarde Aramis! van u dien doek terug te eischen, want het moet u bekend zijn, dat Bois-Tracy een mijner beste vrienden is; en ik wil niet, dat men de voorwerpen zijner vrouw als zegeteekens ronddraagt.”—„Gijvraagt hem op een geheel ongepaste wijze,” antwoordde Aramis, „en hoezeer de billijkheid uwer vordering, wat de zaak zelve betreft, erkennende, moet ik echter weigeren uit hoofde van den vorm, waarin die gedaan wordt.”—„Het is waar,” waagde d’Artagnan hier bij te voegen, „dat ik den doek niet uit den zak van den heer Aramis heb zien vallen. Hij stond er met den voet op, en bijgevolg dacht ik, dat hij hem behoorde.”—„En gij hebt u bedrogen, mijn waarde heer!” antwoordde Aramis koel en zeer weinig gevoelig voor deze genoegdoening. Toen zich tot den edelman wendende, die zich den vriend van Bois-Tracy had verklaard, vervolgde hij: „Buitendien bedenk ik, waarde boezemvriend van de Bois-Tracy, dat ik niet minder dan gij het zelf kunt zijn, zijn boezemvriend ben, zoodat de zakdoek, wèl beschouwd, even goed uit uw zak als uit den mijne kan zijn gevallen.”—„Neen, op mijn eer!” riep de garde van Zijne Majesteit.—„Gij zweert op uw eer en ik op mijn woord; bijgevolg moet noodzakelijk een van ons beiden liegen. Maar doen wij beter, Montaran! deelen wij hem.”—„Den zakdoek?”—„Ja, dat is een heerlijk denkbeeld!” riepen de beide andere gardes. „Salomons oordeel!”—„Waarachtig, Aramis! gij zijt vol wijsheid.”—De jongelingen barstten in een luid gelach uit, en zooals men wel kan denken, werd over dat geval niet verder gesproken. Na weinige oogenblikken was het gesprek uitgeput, en de drie lijfwachten en de musketier, na elkander vriendschappelijk de hand gedrukt te hebben, vertrokken, de gardes langs den eenen en Aramis langs den anderen kant.
„Het oogenblik is nu gekomen om mij met dien bevalligen heer te verzoenen,” zeide d’Artagnan bij zich zelven, terwijl hij zich gedurende het laatste gedeelte van het gesprek een weinig had verwijderd gehouden; en met dat goede denkbeeld bezield Aramis naderende, die zich verwijderde zonder verder eenige acht meer op hem te slaan, zeide hij: „Mijnheer, ik hoop dat gij mij wel zult willen verschoonen.”—„Och, mijnheer!”hernam Aramis, „veroorloof mij u te doen opmerken, dat gij in deze omstandigheid niet hebt gehandeld zooals het een wellevend man betaamt.”—„Wat, mijnheer! gij veronderstelt....?”—„Ik veronderstel, mijnheer, dat gij niet gek zijt, en gij wel weet, ofschoon gij vanGaskonjekomt, dat men niet zonder reden op zakdoeken trapt. Wat duivel!Parijsis niet met batist bestraat.”—„Mijnheer! gij doet niet wel mij te willen vernederen,” zeide d’Artagnan, wiens aangeboren twistzucht zich boven zijn vreedzame voornemens verhief. „Ik kom vanGaskonje, dat is waar, en dewijl gij zulks weet, behoef ik u niet te zeggen, dat de Gaskonjers niet zeer verdraagzaam zijn, zoodat, wanneer zij eenmaal bekennen een dwaasheid te hebben begaan, zij reeds bij zich zelven volkomen verzekerd zijn de helft meer te doen dan zij moesten.”—„Mijnheer!” antwoordde Aramis, „wat ik u zeg is niet om twist te zoeken. Goddank! ik ben geen vechtersbaas en slechts voorloopig musketier, bijgevolg ga ik slechts dan tot een tweegevecht over, wanneer ik er toe gedwongen word; maar trouwens steeds met grooten weerzin. Maar deze zaak is ernstig, want de goede naam eener dame wordt door u bedorven.”—„Door ons, wilt gij zeggen!” riep d’Artagnan.—„Waarom zijt gij zoo onhandig geweest mij dien doek te geven?”—„Waarom zijt gij zoo onhandig geweest hem te verliezen?”—„Ik heb het u gezegd en ik herhaal het, mijnheer! dat die zakdoek niet uit mijn zak is gekomen.”—„Welnu, dan liegt gij voor de tweede maal, mijnheer! want ik heb hem er zien uitvallen.”—„Ha! gij slaat dien toon aan, mijnheer de Gaskonjer? maar wacht, ik zal u leeren wellevend te zijn!”—„En ik zal u naar uw mis doen terugkeeren, mijnheer de pastoor! trek uit uw degen, en als gij zoo goed wilt zijn, oogenblikkelijk.”—„Nog niet, als het u belieft, mijn lieve vriend! althans niet hier. Ziet gij niet, dat wij juist voor het hôtel d’Aiguillon zijn, dat vol is met dienaren des kardinaals. Wie verzekert mij, dat het Zijne Eminentie niet is, die u heeft belast hem mijn hoofd te bezorgen; maar dewijl ik nog al tamelijk aanmijn hoofd ben gehecht, aangezien het vrij goed op mijn schouders past, zal ik u het leven ontnemen, maak u daar maar niet ongerust over, doch zonder gerucht, op een besloten stille plek; dáár, waar gij bij niemand op uw dood kunt roemen.”—„Gaarne, maar vertrouw hierop niet te veel, en neem den zakdoek mede, of hij u toebehoort of niet, misschien zal hij u te stade komen.”—„Mijnheer is Gaskonjer?” vroeg Aramis.—„Ja, maar mijnheer schijnt uit voorzichtigheid de plaats des gevechts niet te bepalen.”—„De voorzichtigheid, mijnheer! is een volkomen nuttelooze deugd voor musketiers, dat weet ik zeer goed; maar dezelve is onmisbaar voor een geestelijke, en dewijl ik slechts voorloopig musketier ben, wil ik voorzichtig blijven. Te twee uur zal ik de eer hebben u in het hotel des heeren de Tréville te wachten, dáár zal ik met u omtrent een geschikte plaats overeenkomen.”
Beide jongelingen groetten elkander, en Aramis verwijderde zich langs de straat, die naar het Luxembourg leidde, terwijl d’Artagnan, bemerkende dat het te laat werd, den weg naar de Barrevoeter-Karmelieten inslaande, bij zich zelven sprak: „Het is stellig, daar kom ik niet van terug; maar indien ik sterf, zal ten minste een musketier mij den dood hebben gegeven.”
De musketiers des konings en de lijfwacht van den kardinaal.
D’Artagnan kende niemand teParijs. Hij begaf zich alzoo naar de met Athos afgesproken plaats zonder getuigen, voornemens zich met die tevreden te stellen, welke zijn wederpartij zou gekozen hebben. Buitendien was zijn stellig besluit, den dapperen musketier een betamelijke voldoening te geven, echter zonder zwakheid te toonen, daar hij vreesde dat dit tweegevechteen even rampzalig gevolg zou hebben als elke zaak van dien aard, wanneer een jong en sterk jongeling tegenover een gewonden en verzwakten vijand staat: overwonnen, is de zegepraal van dezen dubbel, en overwinnaar, zou men hem van overmacht en een gemakkelijke moedvertooning beschuldigen.—Ten overvloede (of wij zouden het karakter van onzen fortuinzoeker slecht moeten geschetst hebben) heeft onze lezer reeds moeten bemerken, dat d’Artagnan niet onder de gewone soort van menschen behoorde. En ofschoon bij zich zelven verzekerd, dat zijn dood onvermijdelijk was, wilde hij zich niet onderwerpen en zich zoo gedwee den dood overleveren, zooals een ander, minder moedig en minder gematigd dan hij, in zijn plaats zou gedaan hebben. Hij overwoog de verschillende geaardheden dergenen, waartegen hij moest kampen, en begon een meer helder doorzicht in zijn zaak te krijgen. Hij hoopte door middel eener edele genoegdoening, welke hij zich voornam Athos te doen, dezen zich tot vriend te maken, daar buitendien zijn voorname houding en zijn ernstig gelaat hem bijzonder wèl bevielen. Porthos vleide hij zich, door middel van hetgeen hij van den bandelier wist, in verlegenheid te brengen, voornemens zulks, zoo hij niet sneuvelde, aan de geheele wereld te verhalen, welk verhaal, met geestigheid voorgedragen, Porthos in een allerbelachelijkst daglicht moest stellen. Eindelijk, wat den stillen Aramis betreft, voor dezen was hij niet bevreesd, en in de veronderstelling dat hij met hem ook aan de beurt zou komen, belastte hij zich hem goed en wel naar de andere wereld te zenden, of ten minste hem derwijze in het aangezicht te treffen, zooals Cesar had aangeraden het den soldaten van Pompejus te doen, dat voor altijd zijn fraai gelaat, waarop hij zoo trotsch was, geschonden zou zijn.
Daarenboven was d’Artagnan met onwrikbare standvastigheid bezield, voor wat hem door zijn vader zoo ernstig op het hart was gedrukt, en die voornamelijk hierin bestond: dat hij van niemand iets zou verdragen dan van den koning, van den kardinaal en van denheer de Tréville. Hij vloog veeleer dan hij liep naar het klooster derBarrevoeter-Karmelieten, een gebouw zonder vensters en omringd door dorre weilanden, zeer geschikt voor de tweegevechten dergenen, die den tijd niet hadden naar den Pré aux Clercs te gaan, en die in dat geval de eerstgenoemde plek kozen.
Toen d’Artagnan de kleine, bijna niet in het oog vallende plek ontwaarde, die zich aan den voet des kloosters uitstrekte, bevond Athos zich reeds dáár sedert vijf minuten, ofschoon het juist twaalf uur sloeg. Hij was dus even stipt als deSamaritaansche, en de nauwgezetste waarnemer der voorschriften van het tweegevecht zou geen aanmerkingen hebben kunnen maken.—Athos, die nog aan zijn wonde vreeselijk leed, hoewel zij opnieuw door den wondheeler van den heer de Tréville verbonden was, zat op een paal en wachtte zijn vijand met die geruste en waardige houding, welke hem nooit verliet.—D’Artagnan ziende, stond hij op en deed beleefd eenige schreden voorwaarts. Deze van zijn kant naderde zijn tegenpartij met den hoed in de hand, dien hij zoo laag afnam, dat de pluim over den grond sleepte.
„Mijnheer!” zeide Athos, „ik heb twee mijner vrienden doen verzoeken mijn getuigen te zijn, maar die beide heeren zijn nog niet hier. Het verwondert mij, dat zij zoo lang verwijlen, dat is hun gewoonte niet.”—„Ik voor mij heb geen getuigen, mijnheer,” zeide d’Artagnan, „want eerst sedert gisteren teParijsgekomen, heb ik nog met niemand kennis gemaakt dan met den heer de Tréville, aan wien ik ben aanbevolen geworden door mijn vader, die de eer heeft onder zijn vrienden geteld te worden.”
Athos overwoog nog een oogenblik.—„Gij kent niemand hier dan den heer de Tréville?” vroeg hij.—„Alleen hem, mijnheer!”—„Welzoo!” ging Athos voort, gedeeltelijk tot zich zelven, gedeeltelijk tot d’Artagnan zich richtende, „welzoo! maar als ik u het leven ontneem, zal ik wel een kindervreter gelijken.”—„Het is zoo erg niet, mijnheer!” antwoordde d’Artagnan met een groet, die niet van waardigheid was ontbloot: „zooerg niet, daar gij mij de eer aandoet den degen tegen mij te trekken, terwijl gij gewond zijt op een wijze, die u niet weinig moet hinderen.”—„Op mijn woord, de wond hindert mij zeer, en gij hebt mij een duivelsche pijn veroorzaakt; ik kan het niet anders zeggen; maar ik zal de linkerhand gebruiken, dat is mijn gewoonte in dergelijke omstandigheden. Geloof daarom niet, dat ik u genade doe, ik gebruik den degen even goed met beide handen; het zal u zelfs nadeelig zijn; want een linksche maakt het hem, die hierop niet is voorbereid, vrij lastig. Het doet mij dan ook leed, u niet eer van deze bijzonderheid te hebben verwittigd.”—„Mijnheer!” antwoordde d’Artagnan, opnieuw groetende, „ik ben u ten uiterste verplicht voor uw beleefdheid.”—„Gij maakt mij beschaamd,” hernam Athos met edelen zwier, „ik bid u, spreken wij over iets anders, als dit u niet onaangenaam is.—O,sangbleu!wat pijn hebt gij mij gedaan, mijn schouder gloeit!”—„Indien gij mij wildet veroorloven....” zeide d’Artagnan schroomvallig.—„Wat, mijnheer!”—„Ik bezit een wonderdoenden balsem voor wonden; mijn moeder heeft mij dien gegeven en op mij zelven heb ik hem reeds beproefd.”—„Welnu?”—„Welnu, ik ben zeker, dat binnen drie dagen uw wonde door dien balsem zal genezen zijn; en na verloop van drie dagen, wanneer die genezing volkomen is, dan, mijnheer! zal het mij tot veel eer verstrekken tot uw dienst te zijn.”—D’Artagnan sprak deze woorden met een eenvoudigheid uit, die aan zijn beleefdheid eer deed, zonder echter iets van zijn moed te ontnemen.
„Pardieu!mijnheer!” riep Athos, „dat voorstel behaagt mij, hoewel ik het niet aanneem, maar omdat mij dit in u den edelman doet herkennen. Het was op die wijze, dat de dappere ridders ten tijde van Karel den Groote spraken en handelden, en ieder edelman moest ze zich ten voorbeeld stellen. Ongelukkig leven wij niet in den tijd van den grooten keizer; wij zijn tijdgenooten van den kardinaal, en na drie dagen, hoe zorgvuldig men het geheim ook bewaard moge hebben, zal menweten, dat wij een tweegevecht hadden bepaald, en zou men het derhalve beletten. Maar wacht eens, zullen die straatslijpers nog niet gaan verschijnen?”—„Indien gij haast hebt, mijnheer!” vroeg d’Artagnan even eenvoudig als een oogenblik te voren, toen hij aan Athos voorstelde het gevecht drie dagen uit te stellen; „indien gij haast hebt, mijnheer! en gij verlangt dat aan de zaak zonder verwijl een einde wordt gemaakt, wacht dan niet, bid ik u.”—„Wat gij daar zegt is wederom iets, dat mij zeer behaagt,” zeide Athos, d’Artagnan vriendelijk groetende, „gij bewijst hierdoor verstand en bijgevolg moed te bezitten, mijnheer! Ik heb achting voor lieden van uw soort, en ik voorzie, dat, als wij elkander het leven niet ontnemen, ik later veel genoegen in uw gezelschap zal smaken. Wachten wij intusschen die heeren, ik heb al den tijd, en het is een vereischte.... Ha! ziedaar reeds een hunner, geloof ik.”—Het was waar, aan het einde der straatVaugirardbegon men de reusachtige gestalte van Porthos te onderkennen.
„Hoe!” riep d’Artagnan, „is een uwer getuigen de heer Porthos?”—„Ja, bevalt u dat niet?”—„Wel zeker!”—„En ziedaar de tweede.”—D’Artagnan wendde zich naar de zijde, welke Athos hem aanwees en hij herkende Aramis.—„Hoe!” herhaalde hij met nog meer verbazing dan de eerste maal, „is uw tweede getuige de heer Aramis?”—„Ongetwijfeld! weet gij dan niet, dat men ons steeds in elkanders gezelschap ziet, en ons bij de musketiers, bij de lijfwacht en in de stad, zoowel als aan het hof, Athos, Porthos en Aramis, of de drie onafscheidelijken noemt? Maar aangezien gij vanDaxof vanPaukomt....”—„VanTarbes,” hernam d’Artagnan.—„Is het u geoorloofd met deze bijzonderheid onbekend te zijn,” zeide Athos.—„Op mijn woord,” hernam d’Artagnan, „men heeft u den rechten naam gegeven, mijne heeren! en mijn ontmoeting, indien ze ruchtbaar wordt, zal ten minste bewijzen, dat uw vriendschap voor elkander op geen tegenstrijdigheden is gegrond.”
Onderwijl was Porthos genaderd en had Athos met de hand gegroet; vervolgens zich naar d’Artagnan wendende, bleef hij vol verbazing staan.—Wij zullen in het voorbijgaan zeggen, dat hij van bandelier verwisseld was en zijn mantel had afgelegd.—„Hoe! wat beteekent dat?”—„Ik duelleer met mijnheer,” zeide Athos, d’Artagnan met den vinger aanwijzende en zijn vrienden met de hand groetende.—„Ik ook moet met hem vechten,” zeide Porthos.—„Maar niet vóór een uur,” antwoordde d’Artagnan.—„En ook ik heb een tweegevecht met mijnheer,” zeide Aramis op zijn beurt, op het slagveld verschijnende.—„Maar niet vóór twee uur,” zeide d’Artagnan even bedaard.—„Maar om welke reden vecht gij, Athos?” vroeg Aramis.—„Inderdaad, ik weet het bijna zelf niet; hij heeft mij den schouder bezeerd; en gij, Porthos?”—„Wel, ik vecht om te vechten,” antwoordde Porthos blozende.—Athos, die alles opmerkte, zag de lippen van den Gaskonjer zich tot een onmerkbaren glimlach vertrekken.—„Wij zijn ’t oneens geweest over de wijze van zich te kleeden,” zeide de jongeling.—„En gij, Aramis?” vroeg Athos.—„De reden van mijn tweegevecht betreft de godgeleerdheid,” antwoordde Aramis, terwijl hij d’Artagnan door een stillen wenk verzocht de oorzaak van het duel geheim te houden.—Athos zag toen een tweeden glimlach op de lippen van d’Artagnan verschijnen.—„Waarlijk!” riep Athos.—„Ja, het betreft een stelling van den heiligen Augustinus, omtrent welke wij het niet eens zijn,” zeide de Gaskonjer.—„Het is niet te betwisten, hij heeft vernuft,” mompelde Athos.
„En nu, terwijl gij vereenigd zijt, mijne heeren! verzoek ik u, mijn verontschuldigingen aan te hooren.”—Op het woordverontschuldigingverdonkerde het voorhoofd van Athos, een trotsche glimlach zweefde op de lippen van Porthos, en een weigerend gebaar was het antwoord van Aramis.—„Gij begrijpt mij niet, mijne heeren!” hernam d’Artagnan, het hoofd opheffende, van hetwelk een zonnestraal de fijne entoch scherpe lijnen verguldde; „ik vraag u verschooning, ingeval ik buiten staat word gesteld u alle drie mijn schuld te voldoen; want de heer Athos heeft het eerst recht mij naar de andere wereld te zenden, hetgeen niet weinig de waarde uwer schuldvordering, mijnheer Porthos! vermindert; en de uwe, mijnheer Aramis! bijna tot niets brengt.... En thans, mijne heeren! herhaal ik u mijn verzoek, mij te willen verschoonen, doch slechts alleen om die reden; en nu verdedigt u.” Op die woorden en met de meest ridderlijke houding, die men zich kan verbeelden, trok d’Artagnan den degen. Het bloed was hem naar het hoofd gestegen, en op dit oogenblik zou hij den degen getrokken hebben tegen al de musketiers des koninkrijks, evenals hij het nu deed tegen Athos, Porthos en Aramis.
Het was kwart over twaalven; de zon had haar toppunt bereikt en de plaats, welke gekozen was geworden voor het tweegevecht, was aan al haar gloed blootgesteld.—„Het is zeer warm,” zeide Athos, op zijn beurt zijn degen trekkende, „en ik kan mijn buis niet uitdoen; want zooeven nog voelde ik mijn wonde bloeden, en ik vrees, mijnheer hinderlijk te zijn, door hem bloed te vertoonen, dat hij niet heeft doen stroomen.”—„Dat is waar, mijnheer!” zeide d’Artagnan, „en of een ander, of ik, het heeft doen stroomen, ik verzeker u, dat het mij steeds leed zal doen, het bloed te zien van een moedigen edelman zooals gij; ik zal derhalve ook, zonder mij van mijn kleeding te ontdoen, den strijd aangaan.”—„Spoed u toch!” riep Porthos, „het zijn al genoeg complimenten; herinnert u, dat wij onze beurt afwachten.”—„Spreek alleen voor u zelven, Porthos!” viel Aramis hem in de rede, „wanneer gij dergelijke onbetamelijkheden zegt. Voor mij, ik vind datgene, wat die heeren elkander toevoegen, zeer goed en twee edellieden waardig.”—„Als gij gereed zijt, mijnheer!” zeide Athos, zich in postuur stellende.—„Ik wachtte op uw bevelen,” zeide d’Artagnan, het staal kruisende.
Maar nauwelijks hadden de twee klingen tegen elkandergekletterd, of een afdeeling der lijfwacht Zijner Eminentie, aangevoerd door den heer de Jussac, verscheen om den hoek van het klooster.—„De lijfwacht van den kardinaal!” riepen gelijktijdig Porthos en Aramis. „Steekt op, mijne heeren! Steekt op uw degens!”—Doch het was te laat. Beide strijders waren in een houding gezien geworden, die omtrent hun bedoelingen geen twijfel overliet.—„Halt!” riep Jussac, hen naderende, en zijn lieden een teeken gevende hem te volgen. „Halt, musketiers! men vecht hier? Neemt men op die wijze de edikten in acht?”—„Gij zijt zeer edelmoedig, mijne heeren de gardes!” riep Athos wraaklustig; want Jussac was een der aanvallers van twee dagen te voren geweest. „Indien wij u zagen vechten, dan verzeker ik u, dat wij ons wel zouden wachten u zulks te beletten. Laat ons dus begaan, en gij zult vermaak hebben, zonder dat het u eenige moeite kost.”—„Mijne heeren!” riep Jussac, „ik moet u tot mijn groot leedwezen verklaren, dat ik het onmogelijk kan toelaten. Onze plicht gaat voor alles. Steekt dus uw degens op en volgt ons.”—„Mijnheer!” zeide Aramis, Jussac nabootsende, „met groot vermaak zouden wij aan uw vriendelijke uitnoodiging voldoen, indien zulks van ons afhing, maar ongelukkig is dit niet mogelijk; de heer de Tréville heeft het ons verboden. Ga dus uw weg, dat is het beste wat gij doen kunt.”
Deze scherts maakte Jussac driftig.—„Wij zullen u dan aanvallen, indien gij niet gehoorzaamt.”—„Zij zijn met hun vijven,” zeide Athos half luid, „terwijl wij slechts met ons drieën zijn; wederom zullen wij bezwijken en hier op de plaats blijven; want ik verklaar u, dat ik niet overwonnen voor den kapitein wil verschijnen.”
Athos, Porthos en Aramis vereenigden zich, terwijl Jussac zijn soldaten in slagorde schaarde.—Dit korte oogenblik was voldoende, om d’Artagnan tot een besluit te brengen. Het was een dier voorvallen, welke het lot eens menschen voor altijd beslissen; het betrof hier een keus tusschen den koning en den kardinaal;en eenmaal die keuze gedaan, moest men er in volharden. Te vechten, dat is: de wet ongehoorzaam te zijn, zijn hoofd te wagen, zich eensklaps een minister tot vijand te maken, die zelfs machtiger dan de koning was. Ziedaar het verschiet des jongelings, en zeggen wij het tot zijn lof, hij aarzelde geen seconde. Derhalve zich tot Athos en diens vrienden wendende, zeide hij:
„Mijne heeren! ik zal, als gij het mij veroorlooft, iets aan uw gezegde verbeteren. Gij zeidet, dat gij niet meer dan met uw drieën waart, maar het schijnt mij, dat wij met ons vieren zijn.”—„Maar gij behoort niet tot de onzen.”—„Dat is waar,” antwoordde d’Artagnan, „het gewaad ontbreekt mij, maar het hart bezit ik. Van harte ben ik musketier, dat voel ik, mijne heeren! en dat spoort mij aan.”—„Verwijder u, jongeling!” riep Jussac, die aan de gebaren en de uitdrukking van d’Artagnan’s gelaat zeker diens oogmerk geraden had. „Gij kunt u verwijderen, hierin nemen wij genoegen. Berg uw huid, maak u uit de voeten!”
D’Artagnan verroerde zich niet.—„Waarachtig! gij zijt een beste jongen!” zeide Athos, de hand van den jongeling drukkende.—„Spoed u! ga tot een besluit over,” hernam Jussac.—„Welaan,” zeiden Porthos en Aramis, „voeren wij iets uit!”—„Mijnheer is zeer edelmoedig,” zeide Athos. Doch alle drie de jonkheid van d’Artagnan in overweging nemende, vreesden zij voor zijn weinige ondervinding.—„Wij zouden slechts met ons drieën zijn, waarvan een gekwetste, en bovendien een knaap,” hernam Athos, „en echter zou men beweren, dat wij met ons vieren waren.”—„Ja, maar te wijken!” riep Porthos.—„Dat niet,” hernam Athos.—„Onmogelijk!” riep Aramis.—D’Artagnan begreep de reden hunner besluiteloosheid.—„Mijne heeren! stelt mij slechts op de proef,” sprak hij, „ik bezweer u, op mijn eer, mij niet te zullen verwijderen, al worden wij overwonnen.”—„Hoe noemt men u, mijn dappere jonkman?” vroeg Athos.—„D’Artagnan, mijnheer!”—„Welaan dan, Athos, Porthos, Aramis en d’Artagnan! voorwaarts!” riep Athos.—„Welnu, heeren! zijt gijtot een besluit gekomen?” riep Jussac voor de derde maal.—„Dat is reeds gedaan, mijnheer!” antwoordde Athos.—„En wat is uw besluit?” vroeg Jussac.—„Wij zullen de eer hebben ons te verdedigen,” antwoordde Aramis, zijn hoed met de eene hand afnemende en met de andere den degen trekkende.—„Ha! gij biedt weerstand?” riep Jussac.—„Sangdieu!verwondert u zulks?”—En de negen strijders vielen elkander aan met een woede, die intusschen niet blind was.
Athos had tot tegenpartij zekeren Cahussac, een gunsteling des kardinaals; Porthos stond tegenover Biscarat en Aramis tegenover twee vijanden. Wat d’Artagnan betreft, deze viel Jussac aan. Het hart van den jeugdigen Gaskonjer sloeg, als wilde het zijn borst verbrijzelen. Goddank! niet uit vrees, de minste zweem hiervan was bij hem niet aanwezig, maar van ontembaren moed; hij vocht als een woedende tijger, onophoudelijk rondom zijn vijand springende en de wijze van aanval en verdediging, zoowel als zijn standpunt, gedurig veranderende.
Jussac was, zooals men destijds zeide,verlekkerdop den degen en had veel ondervinding er van; echter had hij alle moeite om zich tegen een vijand te verdedigen, die vlug rondspringende, elk oogenblik van de aangenomene regels afweek, naar alle zijden tegelijkertijd uitvallende, terwijl hij zich verdedigde als iemand, die den grootsten eerbied voor zijn lijf heeft.
Eindelijk maakte deze wijze van strijden Jussac ongeduldig. Woedend, door dengenen in bedwang te worden gehouden, dien hij voor een knaap had aangezien, geraakte hij in vuur en begon misslagen te begaan. D’Artagnan, die bij gemis van praktijk echter veel theorie bezat, verdubbelde zijn vlugheid.
Jussac, er een einde aan willende maken, bracht zijn tegenpartij, wijd uitvallende, een geweldigen stoot toe, doch deze weerde dien behendig af, waarop hij, toen Jussac zich weder oprichtte, als een slang onder diens degen gleed en hem den zijne door het lichaam stiet. Jussac viel als lood ter aarde.—D’Artagnanwierp een onrustigen en snellen blik op het slagveld.
Aramis had reeds een zijner vijanden gedood, maar van den tweeden had hij moeite de opvolgende stooten te weren. Echter bleef Aramis nog goed staan en zich verdedigen.
Biscarat en Porthos hadden, tegelijk uitvallende, elkander geraakt; want Porthos had een degenstoot door den arm en Biscarat door het dik van het been. Maar dewijl geen der beide wonden gevaarlijk was, bleven zij hun gevecht met nog meer verwoedheid voortzetten.
Athos, opnieuw door Cahussac gewond, werd blijkbaar nog bleeker, maar hij week geen duimbreed; hij had slechts zijn degen in de andere hand genomen en vocht nu met de linkerhand. D’Artagnan mocht, volgens de destijds bestaande regels van het tweegevecht, een zijner vrienden te hulp komen; terwijl hij zijn blik liet rond gaan om te zien, wie hunner zijn hulp verlangde, trof hem een oogwenk van Athos, vol verhevene uitdrukking. Athos zou liever het leven hebben verloren, dan hulp te roepen; maar hij mocht zijn blik doen spreken en daardoor om bijstand roepen.
D’Artagnan begreep hem, deed een verschrikkelijken sprong en viel Cahussac ter zijde aan, uitroepende: „Verdedig u, mijnheer de garde! of ik doorsteek u.”—Cahussac wendde zich om; het was tijd. Athos, alleen tot hiertoe door zijn buitengewonen moed ondersteund, viel nu op een knie neder.—„Sangdieu!” riep hij tot d’Artagnan, „doorsteek hem niet, jongeling! ik bid u; ik heb nog een oude zaak met hem te vereffenen, zoo haast ik genezen en wel zal zijn. Ontwapen hem slechts, ontwapen hem.... Zoo is het al wel! Best! opperbest!”
Deze uitroep werd Athos door den degen van Cahussac ontrukt, die op twintig stappen afstands van hem neerviel. D’Artagnan en Cahussac snelden gelijktijdig toe, de een om hem weder op te nemen, de ander om er zich meester van te maken, maar d’Artagnan, veel vlugger zijnde, was hem vóór en zette zijn voet op dendegen. Cahussac begaf zich toen snel tot een der door Aramis gevelde gardes, eigende zich diens zwaard toe en wilde tot d’Artagnan terugkeeren; maar op zijn weg ontmoette hij Athos, die, gedurende dat korte oogenblik verpoozing, hetwelk hem d’Artagnan had verschaft, wederom adem schepte en nu, uit vrees dat d’Artagnan zijn vijand zou dooden, het gevecht wilde hervatten. D’Artagnan begreep, dat het Athos onaangenaam zou zijn, indien hij hem hierin voorkwam. Na weinige oogenblikken viel Cahussac met doorstoken hals ter aarde.
Tegelijkertijd hield Aramis de punt van zijn degen op de borst van zijn neergevelden vijand en dwong hem om lijfsgenade te vragen.
Nu bleven Porthos en Biscarat nog over. Porthos schertste onder het strijden en vroeg Biscarat hoe laat het was, hem gelukwenschende met het kapiteinschap van zijn broeder in het regiment van Navarra, maar zijn scherts deed hem niets winnen. Biscarat was een dier ijzersterke mannen, die, slechts dan wanneer zij niet meer leven, vallen.
Intusschen moest er een einde aan worden gemaakt. Een patrouille kon verschijnen en al de strijders, gekwetst of niet, koningsgezinden of kardinalisten, in hechtenis nemen. Athos, Aramis en d’Artagnan omsingelden Biscarat en eischten, dat hij zich zou overgeven. Hoewel alleen tegen allen, en het been door een degensteek doorboord, wilde Biscarat volhouden; maar Jussac, die zich op den elleboog had opgericht, beval hem zich over te geven. Biscarat was een Gaskonjer, zooals d’Artagnan, hij hield zich doof en lachte, terwijl hij, al strijdende, den tijd vond, de punt zijns degens naar een plek op den grond te richten.
„Hier!” zeide hij, alsof hij een vers uit den bijbel las, „hier zal Biscarat sterven, de eenige van al die om hem zijn.”—„Maar zij zijn met hun vieren; vier tegen u alleen; eindig, ik beveel het u.”—„O, als gij het beveelt, dan is het wat anders,” zeide Biscarat, „daar gij mijn brigadier zijt, moet ik u gehoorzamen.”—Enachteruit springende brak hij zijn degen op de knie, ten einde niet verplicht te zijn hem over te geven; Hij wierp de stukken over den kloostermuur, waarna hij, zijn armen kruiselings over de borst slaande, een kardinalistisch liedje begon te fluiten.
Moed wordt altijd zelfs in een vijand geëerbiedigd. De musketiers groetten Biscarat met den degen, dien zij hierna opstaken. D’Artagnan volgde hun voorbeeld, en toen, door Biscarat, de eenige die was staande gebleven, geholpen, droeg hij Jussac, Cahussac en diengene van Aramis’ bestrijders, welke slechts gekwetst was, tot voor de poort van het klooster. De vierde, zooals wij zeiden, was gesneuveld. Daarna luidden zij de kloosterklok, en van de vijf degens er vier medenemende, begaven zij zich, dronken van vreugd, naar het hotel van den heer de Tréville.
Arm in arm zag men hen, de geheele breedte der straat beslaande, elken musketier, dien zij ontmoetten, aanspreken en met zich voeren, zoodat het eindelijk een zegepralende optocht scheen. D’Artagnan’s hart was van blijdschap vervuld, hij ging tusschen Athos en Porthos, hen teederlijk den arm drukkende.
„Al ben ik nog geen musketier,” zeide hij tot zijn nieuwe vrienden, toen zij de deur van het hotel de Tréville binnentraden, „ben ik ten minste tot hun leerling aangenomen, niet waar?”