HOOFDSTUK XVIII.

„Mylord!De persoon, die u deze weinige regels schrijft, heeft de eer gehad den degen met u te kruisen in zekere kleine omheinde weide in de straatd’Enfer.Daar gij sedert meermalen dien persoon uw vriend hebt genoemd, is hij jegens u verplicht die vriendschap door een goede waarschuwing te erkennen. Tot tweemalen toe zijt gij bijna het offer geworden eener bloedverwante, die gij uw erfgename waant, omdat het u onbekend is, dat zij, vóór haar huwelijk inEngeland, reeds inFrankrijkwas gehuwd; maar de derde maal, hetgeen nu het geval is, zoudt gij kunnen bezwijken. Uw bloedverwante is vanla RochellenaarEngelandvertrokken. Bewaak haar bij haar aankomst, want zij wil groote en verschrikkelijke plannen volvoeren. Als gij volstrekt wilt weten, waartoe zij in staat is, lees dan haar verleden op den linkerschouder.”

„Mylord!

De persoon, die u deze weinige regels schrijft, heeft de eer gehad den degen met u te kruisen in zekere kleine omheinde weide in de straatd’Enfer.Daar gij sedert meermalen dien persoon uw vriend hebt genoemd, is hij jegens u verplicht die vriendschap door een goede waarschuwing te erkennen. Tot tweemalen toe zijt gij bijna het offer geworden eener bloedverwante, die gij uw erfgename waant, omdat het u onbekend is, dat zij, vóór haar huwelijk inEngeland, reeds inFrankrijkwas gehuwd; maar de derde maal, hetgeen nu het geval is, zoudt gij kunnen bezwijken. Uw bloedverwante is vanla RochellenaarEngelandvertrokken. Bewaak haar bij haar aankomst, want zij wil groote en verschrikkelijke plannen volvoeren. Als gij volstrekt wilt weten, waartoe zij in staat is, lees dan haar verleden op den linkerschouder.”

„Wel, dat kan niet beter,” zeide Athos, „en gij hebt een stijl als van een staatssecretaris, mijn waarde Aramis! De Winter zal nu een waakzaam oog houden, althans indien de waarschuwing hem gewordt, en al mocht die brief in handen van Zijne Eminentie vallen, kan hij ons niet benadeelen. Maar dewijl de knecht, die vertrekken moet, ons zou kunnen wijsmaken, dat hij inLondenis geweest, en echter teChâtelleraultkan gebleven zijn, moeten wij hem niet meer dan de helft der som geven, met belofte hem de andere helft voor het antwoord te geven. Hebt gij den diamant?”—„Ik heb iets beters dan dat, ik heb het geld,” zeide d’Artagnan, en hij wierp den zak op tafel.

Op den klank van het geld richtte Aramis de oogen hemelwaarts. Porthos sprong op, terwijl Athos onbeweeglijk bleef zitten.

„Hoeveel is er in dien kleinen zak?” vroeg de laatste.—„Zeven duizend franken, in louis van twaalf franken.”—„Zeven duizend franken?” riep Porthos; „was die kleine, nietige diamant zeven duizend franken waard?”—„Het schijnt wel, want daar zijn ze; ik kan toch niet veronderstellen, dat onze vriend d’Artagnan er van het zijne heeft bijgelegd?”—„Maar, heeren! bij dat alles wordt er niet aan de koningin gedacht;trachten wij een weinig voor den welstand van haar lieven Buckingham zorg te dragen; dat is niet meer dan wij haar verschuldigd zijn.”—„Dat is waar,” zeide Athos; „maar dat raakt Aramis.”—„Welnu,” antwoordde deze blozende, „wat moet ik doen?”—„Wel,” hernam Athos, „dat is zeer eenvoudig: een anderen brief voor den knappen persoon, dieToursbewoont, opstellen.”

Aramis vatte wederom de pen op, begon opnieuw te peinzen en schreef de volgende regels, die hij onmiddellijk aan de goedkeuring zijner vrienden onderwierp:

„Lieve nicht!”

„Lieve nicht!”

„O, o!” riep Athos, „is die knappe persoon uw nicht?”—„Mijn volle nicht,” zeide Aramis.—„Laat het dan nicht zijn!”

Aramis vervolgde:

„Lieve nicht!Zijne Eminentie de kardinaal, dien God behoede voor het heil vanFrankrijken het verderf der vijanden van het koninkrijk, is op het punt een einde aan de kettersche rebellen vanla Rochellete maken; het is waarschijnlijk, dat de Engelsche vloot, ter hulp gezonden, niet in het gezicht der stad zal komen; ik zou zelfs durven verzekeren, dat de hertog van Buckingham door een of andere groote gebeurtenis zal belet worden te vertrekken. Zijne Eminentie is de beroemdste staatkundige van den tegenwoordigen tijd, en misschien der toekomstige tijden. Hij zou de zon uitdooven, indien de zon hem hinderde. Deel die gelukkige tijding aan uw zuster mede, lieve nicht! Ik heb gedroomd, dat die vervloekte Engelschman dood was. Ik herinner mij niet meer, of zulks ten gevolge van staal of vergift was. Alleen, en hiervan ben ik zeker, is, dat hij dood was; en gij weet, mijndroomen komen altijd uit. Wees dus verzekerd van mijn spoedige terugkomst.”

„Lieve nicht!

Zijne Eminentie de kardinaal, dien God behoede voor het heil vanFrankrijken het verderf der vijanden van het koninkrijk, is op het punt een einde aan de kettersche rebellen vanla Rochellete maken; het is waarschijnlijk, dat de Engelsche vloot, ter hulp gezonden, niet in het gezicht der stad zal komen; ik zou zelfs durven verzekeren, dat de hertog van Buckingham door een of andere groote gebeurtenis zal belet worden te vertrekken. Zijne Eminentie is de beroemdste staatkundige van den tegenwoordigen tijd, en misschien der toekomstige tijden. Hij zou de zon uitdooven, indien de zon hem hinderde. Deel die gelukkige tijding aan uw zuster mede, lieve nicht! Ik heb gedroomd, dat die vervloekte Engelschman dood was. Ik herinner mij niet meer, of zulks ten gevolge van staal of vergift was. Alleen, en hiervan ben ik zeker, is, dat hij dood was; en gij weet, mijndroomen komen altijd uit. Wees dus verzekerd van mijn spoedige terugkomst.”

„Kostelijk!” riep Athos; „gij zijt de koning der dichters, mijn waarde Aramis! Gij spreekt als de openbaring van Johannes, en gij zijt zoo waar als het evangelie. Er blijft nu slechts over, het adres op den brief te zetten.”—„Dat is zeer gemakkelijk,” zeide Aramis.

Hij maakte op sierlijke wijze den brief dicht, daarop keerde hij hem om en schreef er op:

„Aan mejuffrouw Michon,koopvrouw in lijnwaad teTours.”

„Aan mejuffrouw Michon,koopvrouw in lijnwaad teTours.”

De drie vrienden zagen elkander lachend aan. Men had Aramis beet.—„Nu begrijpt gij wel, heeren!” zeide Aramis, „dat alleen Bazijn den brief naarTourskan brengen. Mijn nicht kent niemand dan Bazijn en stelt alleen in hem vertrouwen. Elk ander zou de zaak doen mislukken. Bovendien is Bazijn eerzuchtig en geleerd. Bazijn kent de geschiedenis, mijne heeren! hij weet, dat Sixtus V, na varkenshoeder te zijn geweest, paus is geworden; en dewijl hij voornemens is tegelijk met mij zich aan de kerk te verbinden, laat hij de hoop ook niet varen nog eenmaal paus, ten minste kardinaal te worden. Nu begrijpt gij wel, dat iemand, die zulke vooruitzichten heeft, zich niet laat vangen, en gevangen wordende, liever martelaar wordt dan te spreken.”

„Zeer goed,” zeide d’Artagnan, „ik sta u van harte Bazijn af, maar laat mij Planchet. Milady heeft hem op zekeren dag met stokslagen de deur uit laten werpen. En dewijl Planchet een zeer goed geheugen heeft, sta ik u borg, indien hij de minste wraak als mogelijk beschouwt, dat hij zich liever levend zal doen radbraken dan er van af te zien. Indien de zaken vanToursde uwe zijn, Aramis! zijn die vanLondende mijne. Ik verzoek dus, dat men Planchet verkieze, die buitendien reeds met mij teLondenis geweest en zeer goed kan zeggen: ‚London, Sir if you please’, en ‚my master,lord d’Artagnan.’ Wees daarom gerust, hij zal zijn weg wel vinden heen en weer.”

„In dat geval,” zeide Athos, „moet Planchet zevenhonderd franken om te gaan en zevenhonderd franken, om terug te keeren hebben, en Bazijn driehonderd franken om te gaan en driehonderd franken om terug te keeren; dat zal de som tot vijf duizend franken verminderen. Wij zullen elk duizend franken nemen om die naar ons goedvinden te gebruiken, en een fonds van duizend franken houden, dat de abt zal bewaren voor buitengewone uitgaven of gemeenschappelijke benoodigdheden. Neemt gij hiermede genoegen?”—„Mijn waarde Athos!” zeide Aramis, „gij spreekt als een Nestor, die, zooals de geheele wereld weet, de wijste onder de Grieken was.”—„Welnu, het is bepaald,” hernam Athos, „Planchet en Bazijn zullen vertrekken. En alles wel beschouwd is het mij niet onaangenaam Grimaud te behouden; hij is aan mijn leefwijze gewoon en ik ben aan hem gehecht; de dag van gisteren heeft hem reeds moeten doen wankelen; die reis zou hem geheel verloren doen gaan.”

Men liet Planchet komen en gaf hem de noodige voorschriften; hij was door d’Artagnan reeds gewaarschuwd, die hem vooreerst roem, ten tweede geld en eindelijk gevaar had doen vooruitzien.

„Ik zal den brief tusschen de voering van mijn kleed steken,” zeide Planchet, „en dien inslikken, wanneer men mij aanhoudt.”—„Maar dan zult gij uw boodschap niet kunnen verrichten,” zeide d’Artagnan.—„Geef er mij van avond een afschrift van, en ik zal het morgen van buiten kennen.”

D’Artagnan beschouwde zijn vrienden als wilde hij vragen: „Wel, wat heb ik u gezegd?”

„En nu,” ging hij voort, zich tot Planchet wendende, „gij hebt aan acht dagen genoeg om u naar lord de Winter te begeven; gij hebt vervolgens wederom acht dagen om terug te keeren; dus in het geheel zestien dagen. Indien gij nu den zestienden dag na uw vertrek des avonds te acht uur niet terug zijt, dan krijgtgij geen geld, al zou het slechts vijf minuten er over zijn.”—„Koop mij dan een horloge, mijnheer!” zeide Planchet.—„Neem dit,” zeide Athos met zijn ruwe edelmoedigheid, „en wees braaf; wees indachtig, dat indien gij spreekt of babbelt of slentert, gij uws meesters hals doet afsnijden, die zooveel vertrouwen in uw getrouwheid stelt, dat hij jegens ons voor u verantwoordelijk is gebleven.... Maar wees tevens ook indachtig dat, indien den heer d’Artagnan een ongeluk gebeurt, ik u overal zal weten te vinden om u den buik open te rijten.”—„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, vernederd door dat wantrouwen, maar vooral verschrikt door die bedaarde houding van den musketier.—„En ik,” zeide Porthos, zijn groote oogen vreeselijk latende rollen, „bedenk dat ik u levend vil.”—„En ik,” zeide Aramis met zijn zachte, welluidende stem, „herinner u, dat ik u als een wilde zachtjes zal roosteren.”—„Ach, mijnheer!”

En Planchet begon te huilen; wij durven niet zeggen of zulks van angst voor de hem gedane bedreigingen was, of van verteedering op het zien dezer zoo nauw aan elkander verbonden vrienden. D’Artagnan vatte hem bij de hand.

„Ziet gij, Planchet!” zeide hij, „die heeren zeggen u dat alleen uit liefde voor mij; maar inderdaad houden zij veel van u.”—„Ach, mijnheer!” zeide Planchet, „òf ik zal slagen, òf men zal mij vierendeelen; maar wees verzekerd, dat er geen stuk van mij zal spreken.”

Het was bepaald, dat Planchet den volgenden dag, des morgens te acht uur, zou vertrekken, ten einde, zooals hij had gezegd, des nachts den brief van buiten te kunnen leeren. Hij won juist twaalf uren bij die schikking, immers hij moest den zestienden dag daarna, des avonds te acht uur, terug zijn.

Des morgens, toen hij wilde te paard stijgen, nam d’Artagnan, die in zijn hart een zwak voor den hertog van Buckingham gevoelde, hem ter zijde en zeide hem: „Luister! Zoodra gij den brief aan lord de Winter zult hebben ter hand gesteld en hij dien gelezen heeft, zultgij hem nog zeggen: ‚Waak over Zijne Genade, lord Buckingham! want men wil hem vermoorden.’ Maar dat, Planchet, hoort gij, is van een zoo ernstigen, gevaarlijken aard, dat ik niet eens aan mijn vrienden heb willen bekennen, dat ik u dat geheim zou toevertrouwen, en al bood men mij een kapiteinsplaats, zou ik u dit niet eens willen opschrijven.”—„Wees gerust, mijnheer!” zeide Planchet, „gij zult ondervinden of men op mij kan rekenen.”—En op een kostelijk paard gezeten, dat hij twintig mijlen verder voor de post moest verwisselen, vertrok Planchet in galop, wel eenigszins inwendig angstig voor de akelige beloften, die de musketiers hem hadden gedaan, maar overigens in de beste gezindheid der wereld.

Bazijn vertrok den volgenden dag naarToursen verkreeg acht dagen om zijn boodschap te verrichten.

De vier vrienden waren, gedurende al den tijd dat beiden afwezig waren, meer dan ooit werkzaam en scherpten hiertoe al hun zintuigen. Zij brachten den dag door in pogingen om te beluisteren wat er rondom hen gesproken werd, in het nagaan der gangen van den kardinaal en het uithooren der koeriers, die aankwamen. Meer dan eens overviel hen een onwillekeurige rilling, wanneer zij geroepen werden ter uitvoering van een onverwachten dienst. Zij waren buitendien genoodzaakt voor hun eigene zekerheid te waken; immers milady was een spookgedaante die, wanneer zij eenmaal aan de lieden was verschenen, hun een gerusten slaap niet meer vergunde.

Op den ochtend van den achtsten dag trad Bazijn, als naar gewoonte frisch en glimlachende, de herberghet Geuzennestbinnen, terwijl de vier vrienden zaten te ontbijten, en volgens afspraak zich tot Aramis wendende, zeide hij: „Ziedaar, mijnheer! het antwoord van uw nicht.”

De vier vrienden wisselden een verheugden blik met elkander; de helft van het werk was verricht; het is waar, dat het de gemakkelijkste en kortste helft was. Aramis nam onwillekeurig blozende den brief, die zeerslecht geschreven en zonder de minste taalkennis was.

„Goede God!” riep hij lachend uit, „nu wanhoop ik er voor altijd aan, dat die arme Michon ooit als de Heer Voiture zal schrijven.”—„Was sagst du doch, die arme Migeon?” vroeg de Zwitser, die met de vier vrienden in gesprek was, toen de brief kwam.—„Ach, mijn God! iets minder dan niets,” zeide Aramis, „het betreft een allerliefst linnenkoopstertje, die ik veel liefde toedraag en die mij ter gedachtenis eenige regels heeft gezonden.”—„Teufel!” zeide de Zwitser, „wenn sie eine ebengrosseTameals ihr Schrift ist, dann bist du mein Freund ein glücklicher Mann.”—„Zie eens wat zij mij schrijft, Athos!”—Athos wierp een blik op den brief en om alle vermoedens te doen verdwijnen, die zouden hebben kunnen ontstaan, las hij luid:

„Neef! mijn zuster en ik kunnen zeer goed droomen uitleggen en zijn er vreeselijk benauwd voor, maar van den uwen zal men hoop ik kunnen zeggen: droomen is bedrog.... Vaarwel, houd u goed en tracht ons van tijd tot tijd eenige tijding van u te doen geworden.Aglaé Michon.”

„Neef! mijn zuster en ik kunnen zeer goed droomen uitleggen en zijn er vreeselijk benauwd voor, maar van den uwen zal men hoop ik kunnen zeggen: droomen is bedrog.... Vaarwel, houd u goed en tracht ons van tijd tot tijd eenige tijding van u te doen geworden.

Aglaé Michon.”

„En van welken droom spreekt zij?” vroeg de dragonder, die onder het lezen was genaderd.—„Ja, was träumte sie?” hernam de Zwitser.—„Wel,pardieu!” zeide Aramis, „van den droom, dien ik heb verhaald.”—„Ach ja! es ist ganz natürlich von sein Traum zu sprechen, aber ich träume nie.”—„Gij zijt wel gelukkig,” zeide Athos opstaande, „en ik zou gaarne zulks met u willen zeggen.”—„Nie!” hernam de Zwitser, verheugd dat een man als Athos hem iets benijdde, „nie! nie!”

D’Artagnan, ziende dat Athos opstond, deed evenzoo, nam zijn arm en vertrok. Porthos en Aramis bleven, om op de kwinkslagen van den dragonder en den Zwitser te kunnen antwoorden. Intusschen ging Bazijn op een bos stroo liggen slapen, en daar zijn verbeelding waakzamer was dan die van den Zwitser, droomde hij,dat de heer Aramis, paus geworden zijnde, hem den kardinaalshoed opzette.

Maar, zooals wij zeiden, had Bazijn, door zijn gelukkige terugkomst, slechts een gedeelte der ongerustheid, die de vier vrienden prikkelde, weggenomen. Het wachten valt lang; en vooral d’Artagnan zou gezworen hebben, dat de dagen acht en veertig uren hadden. Hij vergat de noodwendige langzaamheid der scheepvaart, hij overdreef de macht van milady en schreef aan die vrouw, welke hem een helsche geest scheen, bovennatuurlijke bondgenooten toe, aan haar gelijk; hij verbeeldde zich bij het minste gerucht, dat men hem kwam halen en Planchet terugbracht, om dezen met hem en zijn vrienden te confronteeren. En wat meer is, zijn vertrouwen in den waardigen Picardiër verminderde dagelijks. Die ongerustheid was zoo sterk, dat zij ook Porthos en Aramis overviel; alleen Athos bleef zich zelven gelijk, alsof geen enkel gevaar hem dreigde en hij in zijn gewone sfeer verkeerde.

Vooral waren die teekenen van onrust den zestienden dag zoo zichtbaar bij d’Artagnan en zijn twee vrienden, dat zij niet stil konden blijven en steeds als schimmen op den weg dwaalden, langs welken Planchet moest terugkomen.

„Waarlijk,” zeide Athos, „gij zijt geen mannen, gij zijt kinderen, om u door een vrouw zooveel angst te laten aanjagen. En wat beteekent het in alle geval, gevangen te worden genomen? Welnu, men zal ons uit de gevangenis bevrijden, waaruit men juffrouw Bonacieux wel heeft bevrijd.... Te worden onthalsd? maar wij gaan immers dagelijks in de loopgraven ons nog meer blootstellen; want een kogel kan ons been verbrijzelen, en ik ben zeker, dat een wondheeler ons meer doet lijden, door ons een been af te zetten, dan een beul door ons het hoofd af te slaan. Weest dus gerust, binnen twee, vier of zes uren op het langst zal Planchet hier wezen; hij heeft beloofd hier te zijn, en ik stel veel vertrouwen in de beloften van Planchet, dieer als een zeer brave jongen uitziet.”—„Maar als hij niet komt?” zeide d’Artagnan.—„Welnu, indien hij niet komt, is hij opgehouden, ziedaar alles. Hij kan van het paard zijn gevallen, hij kan over een brug zijn geduikeld, hij kan zooveel spoed hebben gemaakt, dat hij er een verkoudheid door heeft gekregen.... Nemen wij daarom, mijne heeren, de toevalligheden in aanmerking. Het leven is een groote rozenkrans van kleine ellenden, terwijl de wijsgeer lachend de kralen door zijn vingers laat glijden. Weest wijsgeeren, zooals ik het ben, mijne heeren, zet u aan tafel en laat ons drinken; niets geeft aan de toekomst een meer rooskleurigen weerschijn, dan ze door een glas Chambertin heen te beschouwen.”—„Dat is zeer goed,” antwoordde d’Artagnan, „maar ik ben het moede steeds, wanneer ik drink, te moeten vreezen, dat de wijn uit den kelder van milady komt.”—„Gij zijt wel lastig,” zeide Athos. „Een zoo schoone vrouw!”—„Een zoomerkwaardige13) vrouw!” riep Porthos hard lachende.

13) Er is hier in het Fransch een uitdrukking „femme de marque”, die men op een gebrandmerkte vrouw, zooals milady, kan toepassen. Porthos wist, gelijk men weet, van de zaak niet af.

Athos ontroerde, bracht de hand aan het voorhoofd, om er het zweet af te wisschen, en stond op zijn beurt op met een zenuwachtige spanning, die hij niet kon bedwingen.

De dag liep ten einde, en de avond naderde langzaam, maar hij kwam toch; de kroegen vulden zich met drinkers. Athos, die zijn aandeel van den diamant had ontvangen, verliethet Geuzennestniet meer; hij had in den heer de Busigny, die den vrienden bereids een prachtig maal had gegeven, een hem waardigen drinkebroer gevonden. Zij waren met elkander, volgens gewoonte, aan het dobbelen, toen het zeven uur sloeg; men hoorde de patrouilles voorbijgaan, die de wachtposten gingen verdubbelen. Te half acht werd de taptoe geslagen.

„Wij zijn verloren,” zeide d’Artagnan, Athos in het oor fluisterende.—„Gij wilt zeggen, dat wij verlorenhebben,” zeide Athos bedaard, uit zijn zak tien louis d’or halende, die hij op tafel wierp. „Komt, heeren!” ging hij voort, „men slaat de taptoe; wij gaan slapen.”

En Athos verliethet Geuzennest, gevolgd door d’Artagnan. Aramis kwam achterna, den arm aan Porthos gevende. Aramis zeide bij zich zelven verzen op, en Porthos trok zich van tijd tot tijd wanhopend eenige haren uit den knevel.

Maar daar verschijnt eensklaps in de duisternis een schim, van welke de gestalte aan d’Artagnan niet onbekend is, terwijl een ook bekende stem hem toeroept: „Mijnheer! ik breng u uw mantel, want het is koud van avond.”—„Planchet!” riep d’Artagnan buiten zich zelven van vreugd.—„Planchet!” riepen Porthos en Aramis.—„Welnu ja, wat is er aan Planchet wonders te zien?” zeide Athos. „Hij heeft beloofd te acht uur terug te zullen zijn, en ziedaar slaat het acht uur. Bravo, Planchet! gij zijt een man van uw woord, en indien gij ooit uw meester mocht verlaten, heb ik voor u een plaats in mijn dienst open.”—„Neen, nooit,” zeide Planchet, „nooit zal ik den heer d’Artagnan verlaten.”

En tegelijkertijd voelde d’Artagnan, dat Planchet hem een briefje in de hand stopte. D’Artagnan had veel lust Planchet te omhelzen; maar hij was bevreesd, dat dit bewijs van genegenheid midden op den weg, jegens zijn lakei betoond, den een of anderen voorbijganger zou opvallen, en hij bedwong zich.—„Ik heb het antwoord,” zeide hij tot Athos en zijn vrienden.—„Goed,” hernam Athos, „laat ons binnengaan, en wij zullen het lezen.”

Het briefje brandde in de hand van d’Artagnan; hij wilde zijn schreden verhaasten, maar Athos nam hem bij den arm, en de jongeling was genoodzaakt zijn stap naar dien van zijn vriend te regelen. Eindelijk trad men de tent binnen, men stak een lamp aan, en terwijl Planchet voor de deur bleef staan, ten einde te zorgen, dat de vier vrienden niet werden overvallen,brak d’Artagnan met een bevende hand het zegel los en opende den zoo lang verwachten brief.

Hij behelsde slechts een halven regel echt Engelsch schrift, van een volkomen Spartaansche zakelijkheid:

„Thank you; be easy.”

„Thank you; be easy.”

Hetgeen wilde zeggen: ik dank u: wees gerust. Athos nam den brief uit de handen van d’Artagnan, stak hem in de vlam der lamp en liet hem niet los, voordat hij tot asch verteerd was. Vervolgens riep hij Planchet.

„Thans, mijn jongen!” zeide hij, „kunt gij de zevenhonderd franken eischen, maar gij waagdet niet veel met een dergelijk briefje.”—„Dat heeft niet belet, dat ik allerhande middelen heb moeten bedenken, om het goed te verbergen,” zeide Planchet.—„Welnu,” zeide d’Artagnan, „verhaal ons dat eens.”—„Duivelsch,” zeide Planchet, „dat vereischt veel tijd, mijnheer!”—„Gij hebt gelijk, Planchet! bovendien is de taptoe geslagen en men zou ons opmerken, indien men langer dan bij de anderen licht bij ons zag.”—„Goed,” zeide d’Artagnan, „laat ons gaan slapen, slaap wel, Planchet!”—„Op mijn woord, mijnheer! dat zal de eerste maal sedert zestien dagen zijn.”—„Voor mij ook,” zeide d’Artagnan.—„Voor mij ook,” hernam Aramis.—„Luistert, wilt gij dat ik u de waarheid zegge? Voor mij ook,” zeide Athos.

Noodlottigheid.

Intusschen was milady dronken van toorn en brulde op het verdek van het vaartuig als een leeuwin, die werd ingescheept. Zij was zelfs op het punt geweest in zee te springen, om de kust te bereiken, want zij vond het denkbeeld ondragelijk, dat zij, na door d’Artagnanbeleedigd, door Athos bedreigd te zijn geworden, nuFrankrijkverliet, zonder zich op hen gewroken te hebben. Weldra kreeg dat gevoelen zoodanig de overhand, dat zij, alles wagende wat voor haar hieruit nadeeligs zou kunnen voortspruiten, den kapitein verzocht haar aan wal te zetten; maar de kapitein, verlangend uit zijn gevaarlijken toestand te geraken, daar hij tusschen Fransche en Engelsche kapers zat, als de vleermuis onder de ratten en vogels, maakte zooveel mogelijk spoed omEngelandte bereiken; hij weigerde dus halsstarrig aan datgene gehoor te geven, wat hij een vrouwengril noemde, zijn passagier, die trouwens door den kardinaal bijzonder was aanbevolen, belovende, haar in een der havens vanBretagne, hetzij in die vanLorientof vanBrest, aan land te zetten.

Maar ondertusschen bleef de wind ongunstig en de zee onstuimig; men laveerde en maakte niet veel voortgang. Negen dagen na uitCharentete zijn vertrokken zag milady, bleek van verdriet en woede, eindelijk de blauwachtige kust vanFinisterredagen. Zij berekende dat, om dien hoek vanFrankrijkte doorreizen en tot den kardinaal terug te keeren, zij ten minste drie dagen noodig had; hierbij gevoegd één dag voor de ontscheping, maakte vier dagen. Hierbij de vorige negen voegende, zoo waren er dertien dagen verloren. Dertien dagen, in welke zoovele gewichtige gebeurtenissen teLondenhadden kunnen plaats hebben! Zij begreep tevens, dat de kardinaal ongetwijfeld woedend over haar terugkomst zoude zijn en bijgevolg meer genegen wezen de klachten, welke men tegen haar zoude inbrengen, aan te hooren, dan haar beschuldigingen tegen anderen. Zij zeilde derhalveBrestenLorientvoorbij, zonder bij den kapitein aan te dringen, die van zijn kant zich wel wachtte haar in het minste iets te herinneren.

Milady vervolgde dus haar weg, en denzelfden dag, dat Planchet zich tePortsmouthnaarFrankrijkinscheepte, liep de zendelinge Zijner Eminentie zegevierend de haven binnen. De geheele stad was in een buitengewone gisting; vier pas gebouwde groote schepen warente water gelaten. Aan het havenhoofd stond, met goud belegd en volgens gewoonte schitterende van diamanten en edelsteenen, den hoed versierd met een witte veder, die langs zijn schouder golfde, Buckingham, omringd door een staf, bijna even schitterend als hij. Het was een dier zoo zeldzaam fraaie dagen, op welkeEngelandzich herinnert dat een zon bestaat. De bleeke, maar nochtans schitterende ster ging in het westen onder, tevens de zee en den hemel in purper hullende en als met strepen vuurs bedekkende, die op de torens en oude huizen der stad een laatsten gouden straal wierpen en de glasruiten deden glinsteren als de weerschijn van een brand.

Toen milady, die bij het naderen der kust de meer doordringende en balsemgeurige zeelucht inademde, al die toebereidselen en krachtsontwikkeling zag, welke zij moest vernielen, de macht van dat leger, dat zij alleen moest bestrijden, zij alleen, met eenige zakken goud, vergeleek zij zich bij Judith, die vreeselijke Joodsche vrouw, toen deze, in het Assyrische legerkamp binnendringende, die ontzaggelijke opeenhooping van strijdwagens, paarden, menschen en wapens zag, welke zij door een beweging harer hand als een rookwolk moest doen verdwijnen. Men kwam op de reede; maar, terwijl men zich gereed maakte om het anker te doen vallen, naderde een kleine, sterk gewapende kotter het handelsvaartuig, deed zich als kustbewaarder herkennen en liet een sloep te water, die naar de opgangsladder roeide. De boot bevatte een officier, een onderstuurman en acht roeiers. Alleen de officier klom aan boord, waar hij met al de onderscheiding werd ontvangen, welke de uniform inboezemt.

De officier onderhield zich eenige oogenblikken met den kapitein, liet hem eenige papieren lezen, welke hij bij zich had, en op bevel van den koopvaardij-kapitein werd de geheele equipage van het vaartuig, zoowel matrozen als passagiers, op het verdek geroepen.

Toen die soort van oproeping gedaan was, vroeg de officier met luide stem, van waar de brik was gekomenen naar haar koers en haar oponthoud, op welke vragen de kapitein zonder aarzeling of moeite antwoordde. Toen nam de officier achtereenvolgens al de aanwezigen in oogenschouw, en voor milady blijvende staan, beschouwde hij haar met de grootste nauwkeurigheid, zonder haar één enkel woord toe te voegen. Vervolgens keerde hij tot den kapitein terug, zeide dezen nog eenige woorden, en alsof hij het ware geweest, wien het schip voortaan moest gehoorzamen, gaf hij het bevel tot een beweging, die het scheepsvolk onmiddellijk ten uitvoer bracht. Dadelijk ging het schip weer onder zeil, maar nu vergezeld door den kleinen kotter, die er naast bleef, met de gapende monden zijner vijf kanonnen dreigende, terwijl de boot het zog van het schip volgde, als een kleine stip bij dien grooten klomp vergeleken.

Terwijl de officier milady zoo aandachtig beschouwde, had zij, zooals men wel kan denken, hem van haar zijde niet minder door haar blik verslonden. Maar hoe gewoon die vrouw met haar vlammende oogen ook was in de harten van hen te lezen, van wie zij de geheimen wilde doorgronden, vond zij nu een zoo onbeweeglijk gelaat, dat niet de minste ontdekking op haar onderzoek volgde.

De officier, die voor haar was blijven staan en haar stilzwijgend met zooveel nauwkeurigheid had gadegeslagen, kon vijf of zes en twintig jaar oud zijn geweest, was blank van vel, met helder blauwe, een weinig diep liggende oogen; zijn kleine en welgevormde mond bleef onbeweeglijk in zijn gewone omtrekken; zijn sterk geteekende kin gaf die wilskracht te kennen, welke bij den gewonen Engelschman gewoonlijk niet meer dan hoofdigheid is; een min of meer achteroverhellend voorhoofd, als dat eens dichters, eens geestdrijvers of krijgsmans, werd beschaduwd door kort en zeer dun haar, dat, evenals de baard, welke het onderste van zijn gelaat bedekte, van een schoone, donkere kastanjekleur was.

Toen men de haven binnenkwam, was de avond reeds gevallen. De mist verdikte nog meer de duisternis envormde rondom de vuren en lichten der havenhoofden een kring als dien, welke de maan omringt, wanneer het weder tot regenen dreigt over te gaan. De lucht was treurig, vochtig en koud. De officier liet zich de goederen van milady aanwijzen en haar bagage in de boot laden; na het eindigen dezer werkzaamheid verzocht hij haar er zelve in te gaan, terwijl hij haar hiertoe de hand bood. Milady beschouwde hem en aarzelde.

„Wie zijt gij, mijnheer?” vroeg zij, „die zoo goed zijt zich zoo bijzonder met mij bezig te houden?”—„Gij kunt het aan mijn uniform zien, mevrouw! Ik ben Engelsch zee-officier,” antwoordde de jonge man.—„Maar is het dan gebruikelijk, dat Engelsche zee-officieren hun diensten aan hun landgenooten aanbieden, wanneer deze in een der havens vanGroot-Brittanjeaanlanden, en zoover de beleefdheid uitstrekken van hen aan land te geleiden?”—„Ja, milady! het is de gewoonte, niet uit beleefdheid, maar uit voorzichtigheid, dat in oorlogstijd de vreemdelingen naar een daartoe bestemde verblijfplaats worden gebracht, om tot na den afloop van een volkomen onderzoek onder het toezicht van het gouvernement te blijven.”

Die woorden werden met de grootste beleefdheid en de volmaaktste bedaardheid uitgesproken. Echter hadden zij het vermogen niet milady te overtuigen.

„Maar ik ben geen vreemdelinge, mijnheer!” zeide zij in het zuiverste Engelsch, dat ooit vanPortsmouthtotManchestergesproken is geworden; „ik heet lady de Winter, en die maatregel....”—„Die maatregel is algemeen, milady! en gij zoudt vruchteloos trachten er u aan te onttrekken.”—„Ik zal u dan volgen, mijnheer!”—En de hand des officiers aannemende, begon zij de ladder af te klimmen, beneden welke de boot haar wachtte.

De officier volgde haar; een groote mantel was aan den achtersteven uitgespreid, de officier deed haar er op plaats nemen en zette zich naast haar.—„Roeit voort!” beval hij den matrozen.

De acht roeispanen vielen in zee, slechts één slagvoortbrengende, en de boot scheen over de oppervlakte des waters te vliegen. Binnen vijf minuten was men aan wal. De officier sprong op de kade en bood zijn hand aan milady. Een rijtuig wachtte.

„Is dat rijtuig voor ons?” vroeg milady.—„Ja, mevrouw!” antwoordde de officier.—„Is dan de herberg zoo ver van hier?”—„Aan de andere zijde der stad.”—„Welaan!” zeide milady, en zij stapte moedig in het rijtuig.

De officier zorgde, dat de bagage behoorlijk achterop werd vastgemaakt, en dit verricht zijnde, zette hij zich naast milady en sloot het portier. Onmiddellijk daarop, zonder dat het bevel hiertoe werd gegeven, of zonder hem zijn bestemming aan te duiden, vertrok de koetsier in vollen draf en reed de straten der stad in.

Een zoo zonderlinge ontvangst moest milady veel stof tot nadenken geven, en ziende dat de jonge officier volstrekt niet genegen scheen in gesprek met haar te treden, dook zij diep in den hoek van het rijtuig en liet achtereenvolgens al de vooronderstellingen voorbijgaan, die zich voor haar geest vertoonden. Na verloop van een kwartier was zij intusschen over de lengte van den weg verwonderd, en zij boog zich uit het portier om te zien, waarheen men haar voerde. Maar geen huizen bespeurde men meer; en alleen boomen verhieven zich in de duisternis als groote, zwarte, elkander na-ijlende spookgedaanten. Milady ontroerde.

„Maar wij zijn niet meer in de stad, mijnheer!”—De jonge officier zweeg.—„Ik zal niet verder gaan, indien gij mij niet zegt, waarheen ik word gevoerd, dat verzeker ik u, mijnheer!”—Op die bedreiging kwam niet het minste antwoord.—„O, dat is te erg!” riep milady. „Help, help!”

Geen stem beantwoordde de hare; het rijtuig bleef snel voortrollen. De officier geleek een beeld. Milady beschouwde den officier met een dier vreeselijke uitdrukkingen, haar aangezicht zoo eigen, en die zoo zelden haar uitwerking misten. De toorn deed haar oogen in de duisternis schitteren. De jongeling bleefonbeweeglijk. Milady wilde het portier openen en uit het rijtuig springen.—„Wees voorzichtig, mevrouw!” zeide de jongeling koel, „gij zoudt uw leven in groot gevaar brengen.”

Milady zette zich neder, schuimbekkende van woede. De officier wendde zich tot haar, beschouwde haar op zijn beurt en scheen verwonderd dat vroeger zoo schoon gezicht, nu bijna afschuwelijk geworden en door razernij misvormd, te zien. Het doortrapte schepsel begreep, dat zij zich in het verderf stortte door op die wijze in haar ziel te doen lezen, zij verzachtte daarom haar gelaatstrekken en op zuchtenden toon sprak zij: „In ’s hemels naam, mijnheer! zeg mij toch, of ik aan u, het gouvernement of aan een vijand de gewelddadigheid moet toeschrijven, welke men mij aandoet?”—„Men pleegt geen de minste gewelddadigheid jegens u, mevrouw! en hetgeen u wedervaart is het gevolg van een zeer eenvoudigen maatregel, welken wij verplicht zijn jegens allen, die inEngelandaankomen, in acht te nemen.”—„Dan kent gij mij niet, mijnheer!”—„Het is de eerste maal, dat ik de eer heb u te zien.”—„En hebt gij, op uw eer, niet de minste reden van haat jegens mij?”—„Volstrekt niet, dat zweer ik u.”

Er lag zooveel oprechtheid, kalmte, zelfs zachtheid in de stem van den jongeling, dat milady zich gerust stelde. Eindelijk, na ongeveer een uur te zijn voortgereden, hield het rijtuig voor een ijzeren hek stil, dat een hollen weg sloot, die den toegang verleende tot een eenzaam, groot kasteel van strenge bouworde. Dewijl de wielen toen het fijne zand doorwoelden, hoorde milady een hevig gedruisch, ’t geen zij voor dat der zee herkende, wier golven zich voor een steile kust komen breken. Het rijtuig reed onder twee gewelven door en bleef eindelijk op een vierkante, donkere binnenplaats staan. Bijna onmiddellijk hierop werd het portier geopend, de jongeling sprong vlug op den grond en bood milady de hand, die, er op steunende, op haar beurt tamelijk bedaard uit het rijtuig stapte.

„Het is in alle geval zeker,” zeide milady, rondomzich ziende en haar oogen met den bevalligsten glimlach ter wereld op den jongen officier terugbrengende, „dat ik gevangen ben; maar ik zal het niet voor langen tijd zijn, hiervan ben ik zeker,” voegde zij er bij. „Mijn geweten en uw beleefdheid, mijnheer! zijn er mij borg voor.”

Hoe vleiend die toespraak ook was, antwoordde de officier echter niet, maar uit zijn gordel een kleine zilveren fluit nemende, gelijk die waarvan zich de onderstuurlieden op de oorlogsschepen bedienen, floot hij tot drie malen op verschillende tonen: dadelijk hierop verschenen eenige mannen, die de dampende paarden afspanden en het rijtuig in een koetshuis brachten. De officier verzocht milady met zijn gewone bedaarde beleefdheid in huis te gaan. Deze, steeds even vriendelijk glimlachende, gaf hem haar arm en ging met hem door een lage, ronde poort in een slechts aan het einde verlicht gewelf, dat tot een zware, van steenen opgetrokken wenteltrap leidde; toen bleef men voor een deur stilstaan, welke de jongeling met een sleutel, dien hij bij zich had, opende en, zwaar op haar hengsels draaiende, toegang verleende tot de kamer voor milady bestemd; met een enkelen blik had de gevangene de kamer in haar geringste bijzonderheden in oogenschouw genomen. Het was een kamer van welke het huisraad te zindelijk voor een gevangenis, maar tevens te eenvoudig voor een vrijen bewoner was. Intusschen pleitten de traliën voor de vensters en de buitenste grendels der deur ten voordeele eener gevangenis.

Voor een oogenblik verliet de geestkracht dat in alles verharde schepsel. Zij viel op een leuningstoel neer, sloeg de armen kruiselings over haar borst, boog het hoofd en verwachtte elk oogenblik een rechter te zien verschijnen om haar te ondervragen. Maar niemand trad binnen dan twee of drie zeesoldaten, die de koffers en kisten brachten, ze in een hoek zetten en zonder één woord te spreken vertrokken. De officier woonde al deze bijzonderheden bij met dezelfde bedaardheid, welke milady voortdurend in hem had waargenomen,zelfs niet een enkel woord sprekende, en zich op een gebaar of op een geluid zijner fluit doende gehoorzamen. Men zou gemeend hebben, dat tusschen dien man en zijn onderhebbenden de gewone taal niet bestond, of althans onnoodig was geworden. Eindelijk kon milady het niet langer verkroppen en zij verbrak de stilte.

„In ’s hemels naam, mijnheer!” riep zij, „wat beteekent toch alles wat er gebeurt? Doe mijn twijfelingen ophouden. Ik heb moed voor elk gevaar, dat ik voorzie, voor elke ramp, die ik kan begrijpen; waar ben ik, en wat ben ik hier? Ben ik vrij? waarom dan die tralies en die grendels? Ben ik gevangen? wat misdaad heb ik dan bedreven?”—„Gij zijt hier in het vertrek, dat voor u bestemd is, mevrouw! Ik heb het bevel gekregen u in zee te gaan ontvangen en u hier in dit kasteel te geleiden. Dat bevel heb ik volbracht, geloof ik, met al de nauwgezetheid van een krijgsman, maar tevens met al de beleefdheid eens edelmans. Tot hiertoe bepaalt zich ten minste de last, dien ik jegens u heb te vervullen; het overige betreft een anderen.”—„En wie is die andere persoon?” vroeg milady; „kunt gij mij zijn naam niet zeggen?”

Op dat oogenblik hoorde men op de trap een groot gerucht van kletterende sporen; eenige stemmen gingen voorbij, doofden van lieverlede en het gerucht der voetstappen van een enkel persoon naderde de deur.

„Hier is die persoon, mevrouw!” zei de officier, ter zijde gaande en den doorgang vrijlatende, in een onderdanige, eerbiedige houding staan blijvende. Tegelijkertijd opende zich de deur. Een man verscheen op den drempel. Hij was zonder hoed, droeg een degen op zijde en verkreukte een zakdoek in zijn hand. Milady meende die schim in de schaduw te herkennen; zij steunde met de eene hand op den arm van haar leuningstoel en bracht het hoofd vooruit, als om zich van iets stelligs te verzekeren. Daarop naderde de vreemdeling met langzame schreden, en naar gelang hij naderde en den lichtkring, welken de lamp van zich wierp, binnentrad, deinsde milady onwillekeurig terug. Vervolgens,toen haar geen twijfel meer overbleef, riep zij vol verbazing: „Wel hoe, mijn broeder! zijt gij het?”—„Ja, schoone dame!” antwoordde lord de Winter, half beleefd, half spottend groetende; „ik zelf.”—„En dit kasteel?”—„Behoort mij.”—„En deze kamer?”—„Is de uwe.”—„Ben ik dan uw gevangene?”—„Ten naasten bij.”—„Maar dat is een vreeselijk misbruik van vertrouwen!”—„Geen groote woorden; laat ons gaan zitten en met bedaardheid praten, zooals het een broeder en een zuster betaamt.”—En zich naar de deur keerende en ziende, dat de jonge officier zijn bevelen wachtte, zeide hij: „Het is wel, ik dank u; laat ons nu alleen, mijnheer Felton.”

Gesprek van broeder en zuster.

Terwijl lord de Winter bezig was de deur te sluiten, een vensterluik dicht te maken en een stoel naast den leuningstoel van zijn schoonzuster te schuiven, wierp milady droomend een blik in de mogelijkheid en ontdekte het geheele weefsel, hetwelk zij zelfs niet eens had kunnen vermoeden, zoolang zij niet wist in wiens macht zij was gevallen. Zij kende haar schoonbroeder voor een echten edelman, een stouten jager, een onversaagden speler, een bij de vrouwen zeer ondernemend man, doch ver van listig. Hoe had hij derhalve haar komst kunnen voorzien, haar doen aanhouden, en waarom hield hij haar gevangen?

Athos had haar wel eenigszins laten blijken, dat het gesprek van den kardinaal ter kennis van anderen was gekomen, maar zij kon het zich niet begrijpelijk maken, hoe deze zoo snel en zoo stoutmoedig haar had kunnen tegenwerken. Zij vreesde eerder, dat haar vroegere ondernemingen inEngelandontdekt mochten zijn.Buckingham kon geraden hebben, dat zij het was geweest, die de twee diamanten had afgesneden, en zich voor dat kleine verraad willen wreken. Maar Buckingham was niet in staat tot eenig uiterste jegens een vrouw over te gaan, vooral indien deze vrouw verondersteld werd uit jaloezie gehandeld te hebben.

Die meening scheen haar dan ook de waarschijnlijkste; zij dacht, dat men zich over het verledene wilde wreken en niet voor de toekomst zorgen. Intusschen, en in alle geval was zij verheugd in handen van haar schoonbroeder te zijn gevallen, dien zij verzekerd was spoedig te zullen ontkomen, ten minste eerder dan uit de handen van een slimmen en wezenlijken vijand.

„Ja, praten wij eens, broeder!” zeide zij met zekere bevallige losheid, besloten uit dat gesprek, hoe achterhoudend lord de Winter ook mocht zijn, al de inlichtingen te trekken, welke ter regeling van haar toekomstig gedrag zouden kunnen strekken.—„Gij zijt dan eindelijk er toe overgegaan om terug te komen,” zeide lord de Winter, „ondanks het besluit, dat gij mij zoo dikwijls teParijshebt betuigd, nimmer meer een voet inGroot-Brittanjete zetten?”—Milady beantwoordde deze vraag met een andere vraag.—„Maar zeg mij vooreerst eens, hoe gij mij zoo streng hebt doen bewaken, om vooruit, niet alleen van mijn komst, maar daarenboven van den dag, het uur en de haven waar ik zou binnenloopen, verwittigd te kunnen zijn?”

Lord de Winter ging tot dezelfde taktiek van milady over, in de vooronderstelling dat, indien zijn schoonzuster die bezigde, ze de rechte moest wezen.—„Maar zeg mij zelve eens, waarde zuster, wat gij inEngelandkomt doen?”—„Wel! ik kom u bezoeken,” hernam milady, zonder te begrijpen, hoe ze door dat antwoord de vermoedens vergrootte, welke de brief van d’Artagnan in den geest van haar schoonbroeder had doen ontstaan, en door een leugen de goede gezindheid van haar hoorder willende winnen.—„Ha! om mij te bezoeken!” herhaalde de Winter listig.—„Wel zeker, om u te bezoeken. Is dat zoo verwonderlijk?”—„En hebtgij geen ander oogmerk gehad om naarEngelandover te komen, dan om mij te bezoeken?”—„Neen.”—„Dus alleen voor mij hebt gij u de moeite gegeven het kanaal over te steken!”—„Voor u alleen.”—„Duivelsch! dat is almachtig teeder, zuster!”—„Wel, ik ben immers uw naaste bloedverwante,” zeide milady zoo onschuldig en teeder mogelijk.—„En ook mijn eenigste erfgename, niet waar?” zeide lord de Winter, op zijn beurt de oogen op die van milady vestigende, „namelijk door uw zoon.”

Welke macht milady ook op haar zelve had, kon zij zich niet beletten te beven, en daar bij het uitspreken der laatste woorden lord de Winter zijn hand op den arm zijner zuster had gelegd, ontging die ontroering hem niet. De slag trof ook goed en diep. Het eerste denkbeeld, dat zich voor den geest van milady vertoonde, was, door Ketty verraden te zijn, en dat deze aan den baron dien baatzuchtigen haat had medegedeeld, van welken zij zoo onvoorzichtig de kenteekenen in tegenwoordigheid van haar kamenier had laten ontglippen; daarbij herinnerde zij zich ook den hevigen en onbedachten uitval tegen d’Artagnan, toen deze het leven van haar schoonbroeder had gespaard.

„Ik begrijp niet, mylord!” zeide zij, om tijd te winnen en haar bestrijder te doen spreken, „wat gij wilt zeggen? Er ligt in uw woorden een geheime zin verborgen.”—„Ach, mijn God! neen,” zeide lord de Winter met schijnbare goedheid; „gij hadt het verlangen mij een bezoek te brengen, en gij begeeft u naarEngeland. Ik verneem die begeerte, of liever, ik twijfel er aan, dat gij ze koestert, en om al de onaangenaamheden van een nachtelijke aankomst in een haven te besparen, zend ik een mijner officieren te uwer ontvangst; ik stel een rijtuig te zijner beschikking en hij voert u in dit kasteel, van hetwelk ik gouverneur ben, waar ik dagelijks kom, en waar ik, ten einde onze wederzijdsche begeerte van elkander te zien te kunnen voldoen, een kamer voor u heb doen gereed maken. Is hierin iets meer verwonderlijks gelegen dan in hetgeen gij mijgezegd hebt?”—„Neen; maar ik vind het zoo wonderbaar, dat gij van mijn komst zijt verwittigd geworden.”—„Dat is nochtans zeer eenvoudig, waarde zuster! Hebt gij dan niet gezien, dat de kapitein van uw klein vaartuig, na op de reede aangekomen te zijn en om verlof te verkrijgen in de haven binnen te loopen, een kleine boot afzond met zijn journaal en de lijst der schepelingen? Ik ben bevelhebber der haven, men heeft mij die papieren gebracht en ik heb er uw naam op gevonden. Mijn hart heeft mij gezegd, hetgeen mij uw mond heeft bevestigd: namelijk, met welk oogmerk gij u aan de gevaren van een zoo onstuimige zee en een ten minste in dezen tijd zeer vermoeiende reis hebt blootgesteld; en ik heb mijn kotter u tegemoet gezonden. Gij weet het overige.”

Milady begreep, dat lord de Winter loog en was er nog te meer door beangst.—„Broeder!” hernam zij, „was het lord Buckingham niet, dien ik heden avond bij mijn aankomst op het havenhoofd zag staan?”—„Hij zelf. O! ik begrijp, dat zijn gezicht u heeft moeten treffen,” hernam lord de Winter. „Gij komt uit een land, waar men over hem wel veel moet spreken, en ik weet, dat zijn krijgstoerustingen tegenFrankrijkuw vriend, den kardinaal, zeer verontrusten.”—„Mijn vriend den kardinaal!” riep milady, ziende dat, zoowel ten opzichte van dit punt als van het andere, mylord de Winter zeer goed van alles was onderricht.—„Is hij dan niet uw vriend?” vroeg de baron onverschillig. „O! vergeef mij, ik dacht het. Maar wij zullen later op mylord terugkomen. Wijken wij niet van de sentimenteele wending af, die het gesprek heeft aangenomen. Gij zijt gekomen zegt gij, om mij een bezoek te brengen?”—„Ja.”—„Welnu, ik heb u gezegd, dat uw verlangen zou vervuld worden en wij elkander dagelijks zouden zien.”—„Moet ik dan eeuwig hier blijven?” vroeg milady eenigszins angstig.—„Zoudt gij u slecht gehuisvest vinden, zuster? Vraag wat gij begeert, en ik zal mij haasten het u te bezorgen.”—„Maar ik heb noch mijn vrouwen noch mijn knecht.”—„Gij zultdat alles hebben, mevrouw! zeg mij, op welken voet uw eerste man zijn huis had ingericht, en ofschoon slechts uw schoonbroeder zijnde, zal ik het voor u hier op denzelfden voet inrichten.”—„Mijn eerste man?” riep milady, lord de Winter met verschrikte oogen aanziende.—„Ja, uw Fransche echtgenoot, ik spreek niet van mijn broeder. Overigens, indien gij het hebt vergeten, zal ik hem, daar hij nog in leven is, kunnen schrijven, en hij zal mij het noodige te dien aanzien wel willen mededeelen.”

Een koud zweet parelde op het voorhoofd van milady.—„Gij schertst,” zeide zij met een gesmoorde stem.—„Zie ik er naar uit?” vroeg de baron opstaande en een stap achteruit doende.—„Of liever gij beleedigt mij,” ging zij voort, met haar krampachtig vertrokken vuisten de beide leuningen van den stoel omknellende en zich oprichtende.—„U beleedigen? ik?”—„Mijnheer!” zeide milady, „gij zijt dronken of gek. Vertrek en zend mij mijn vrouwen.”—„De vrouwen zijn zoo praatachtig, zuster! zou ik u niet als kamenier kunnen bedienen? Op die wijze zouden al onze geheimen in de familie blijven.”—„Onbeschaamde!” riep milady. En als door een springveer bewogen, viel zij den baron aan, die haar onbeweeglijk afwachtte, echter de hand aan het gevest zijns degens slaande.—„Ha! ha!” zeide hij, „ik weet, dat gij gewoon zijt de lieden te vermoorden; maar ik zal mij verdedigen, hoort gij, al was het tegen u.”—„O! gij hebt gelijk,” hernam milady, „en gij schijnt mij laag genoeg toe, om de hand aan een vrouw te slaan.”—„Als dat plaats vond, zou ik hiervoor een verontschuldiging hebben. Mijn hand zou daarenboven de eerste hand niet zijn, die op u is neergekomen, verbeeld ik mij.”—En de baron wees langzaam en beschuldigend op den linkerschouder van milady, dien hij met zijn vinger bijna raakte.

Milady slaakte een dof gebrul en deinsde achteruit in een der hoeken van de kamer als een panter, die zich langs den grond sleept om een sprong te doen.

„O! brul zoo lang gij wilt,” riep lord de Winter,„maar waag het niet te bijten; want ik verklaar u, dat zou tot uw nadeel afloopen. Er zijn hier geen procureurs, die te voren over de erfenissen beschikken; er is geen dolende ridder, die met mij twist komt zoeken wegens de schoone dame, die ik gevangen houd; maar ik heb rechters bij de hand, die over een vrouw zullen beschikken, welke schaamteloos genoeg is geweest, hoewel gehuwd, zich in de familie te dringen van lord de Winter, mijn oudsten broeder, en deze rechters zullen u naar een beul zenden, die u beide schouders gelijk zal maken.”

De oogen van milady schoten zulke vreeselijke bliksems, dat, hoewel man en gewapend tegenover een ongewapende vrouw, lord de Winter het ijskoude van den angst tot in zijn ziel voelde doordringen; hij ging desniettemin en met klimmende woede voort: „Ja, ik begrijp, dat, na van mijn broeder te hebben geërfd, het u gestreeld zou hebben, ook van mij te erven; maar weet het vooruit, gij kunt mij het leven ontnemen of doen ontnemen, mijn voorzorgen zijn genomen. Geen penning van hetgeen ik bezit zal in uw handen noch in die van uw zoon komen. Zijt gij, die reeds een half millioen bezit, niet rijk genoeg? en hadt gij niet kunnen blijven stilstaan op uw noodlottigen weg, indien gij het kwaad niet bedreeft alleen om het onuitsprekelijk en helsch genot, dat het te bedrijven u schenkt. O! ik zeg u, indien het aandenken mijns broeders mij niet heilig ware, zoudt gij in een staatsgevangenis uw leven gaan eindigen, of teTyburnde nieuwsgierigheid der matrozen verzadigen. Ik zal zwijgen: maar gij zult geduldig uw gevangenschap ondergaan. Binnen veertien dagen of drie weken ga ik met een leger naarla Rochelle; maar den dag vóór mijn vertrek zal een schip u komen afhalen; ik zal het zien vertrekken en het zal u naar onze zuidelijke koloniën voeren. Wees overigens gerust, ik zal u een reisgezel medegeven, die u bij de eerste poging, welke gij mocht wagen, om inEngelandof op het vaste land terug te keeren, door de hersens zal schieten.”

Milady luisterde met een aandacht, welke haar vlammendeoogen vergrootte.—„Ja; maar voor het oogenblik,” ging lord de Winter voort, „zult gij in dit kasteel blijven; de muren zijn dik, de deuren zijn sterk, de tralies stevig, en bovendien is uw venster vlak boven de zee. Mijn zeelieden zijn mij in dood en leven getrouw; zij zullen de wacht rondom uw kamer betrekken en al de uitgangen bewaken, die tot op de binnenplaats leiden; en mocht gij al op de binnenplaats zijn gekomen, dan blijven u nog drie hekken door te gaan. Het bevel is duidelijk, één voetstap, één gebaar, één woord, dat op een ontvluchting doelt, en men schiet u neer. Indien men u doodt, dan hoop ik, zal het gerecht vanEngelandmij verplichting schuldig zijn, het in zijn werk behulpzaam te zijn geweest.... Zoo! uw gelaatstrekken hernemen hun kalmte, uw geest duidt meer moed aan; tien dagen, veertien dagen, zegt gij? O! nog zoo lang! ik ben vindingrijk, er zal in mij wel een denkbeeld opkomen: mijn helsche geest zal wel een offer weten te vinden. Nog veertien dagen, zegt gij? dan ben ik hieruit bevrijd! Beproef....”

Milady, die zich ontmaskerd zag, drukte haar nagels in haar vleesch, om elke gewaarwording te onderdrukken, welke aan haar aangezicht een andere uitdrukking dan die van angst had kunnen geven.

Lord de Winter vervolgde: „Wat den officier betreft, die hier alleen in mijn afwezigheid het bevel voert, dezen hebt gij gezien, gij kent hem reeds; hij weet, zooals gij hebt gezien, een bevel uit te voeren; want gij zijt vanPortsmouthniet hier gekomen zonder pogingen te hebben aangewend hem te doen spreken. Welnu! wat denkt gij er van? Zou een marmeren beeld onbeweeglijker, stommer hebben kunnen zijn? Gij hebt reeds op vele mannen het vermogen uwer verleidingsmiddelen beproefd, en helaas, het is u steeds gelukt; maar beproef dezen,Goddam!en als gij slaagt, dan verklaar ik u voor satan in persoon.”—Hij begaf zich naar de deur en opende die haastig.—„Dat men den heer Felton roepe,” zeide hij. „Wacht nog een weinig, en ik zal u hem aanbevelen.”

Er ontstond tusschen de beide personages een zonderlinge stilte, terwijl men het gerucht van langzame en regelmatige voetstappen hoorde, die naderden. Weldra zag men in de schaduw van de gang een menschelijke gedaante verschijnen, en de jonge luitenant, met wien wij reeds hebben kennis gemaakt, bleef op den drempel staan, de bevelen van den baron afwachtende.

„Kom binnen, mijn beste John!” zeide lord de Winter. „Kom binnen, maar sluit de deur.”—De jonge officier trad binnen.—„Beschouw nu eens die vrouw! zij is jong, zij is schoon, zij bezit al de verleidingsmiddelen der wereld; welnu, zij is een gedrocht, dat, slechts vijf en twintig jaar zijnde, zich aan zoovele misdaden heeft schuldig gemaakt, dat gij een jaar zoudt noodig hebben, om in de archieven onzer gerechtshoven er een even groot getal te vinden. Haar stem strekt haar tot voorspraak, haar schoonheid is voor haar offer een lokaas; zij zal u trachten te verleiden, misschien zelfs zal zij beproeven u om het leven te brengen.... Ik heb u uit de ellende getrokken, Felton! Ik heb u tot officier doen benoemen; ik heb u eenmaal het leven gered, gij weet bij welke gelegenheid; ik ben niet alleen voor u een beschermer, maar tevens een vriend; niet alleen een weldoener, maar een vader. Die vrouw is inEngelandgekomen, om tegen mijn leven een aanslag te smeden; ik heb die slang in mijn handen, en nu laat ik u roepen en zeg u: Vriend Felton! mijn zoon! waak over mij en vooral waak over u zelven ten aanzien dezer vrouw. Zweer op uw zaligheid, haar te bewaren voor de kastijding, welke zij verdiend heeft. John Felton! ik stel vertrouwen in uw woord; John Felton! ik geloof aan uw trouw.”—„Mylord!” zeide de jonge officier, op zijn rein aangezicht al den haat vertoonende, die in zijn hart aanwezig was, „mylord, ik zweer, dat uw wensch zal vervuld worden.”

Milady doorstond dien aanblik als een onderworpen offer; het was niet mogelijk een meer nederige en zachtere uitdrukking te zien dan die, welke toen op haar fraai gezicht lag verspreid. Zelfs lord de Winter herkendenauwelijks meer de tijgerin, tegen welke hij een oogenblik te voren gereed was zich te verdedigen.

„Zij mag nooit deze kamer verlaten, hoort gij, John!” ging de baron voort; „zij mag met niemand briefwisseling houden; zij zal alleen tot u mogen spreken, althans indien gij haar de eer wilt doen tot haar te spreken.”—„Het is genoeg, mylord! ik heb gezworen.”—„En nu, mevrouw!” zeide de baron, „tracht nu met God vrede te maken, want door de menschen zijt gij veroordeeld.”

Milady boog het hoofd, als verplette haar dit oordeel. Lord de Winter vertrok, Felton, die hem volgde en de deur sloot, een wenk gevende.

Een oogenblik later hoorde men in de gang de zware voetstappen van een zeesoldaat, die op schildwacht stond, met een enterbijl in zijn gordel en een musket in de hand.

Milady bleef gedurende eenige minuten dezelfde houding bewaren, want zij bedacht, dat men haar soms door het sleutelgat zou kunnen gadeslaan; vervolgens hief zij langzaam het hoofd op, terwijl haar aangezicht intusschen een vreeselijke uitdrukking van bedreiging en tarting had aangenomen; zij legde haar oor luisterend tegen de deur, zag door het venster, en opnieuw begroef zij zich als het ware in een grooten leuningstoel. Zij peinsde.

Officier!

Onderwijl wachtte de kardinaal uitEngelandtijding, maar hij hoorde niets anders dan hetgeen onaangenaam en dreigend was; zoodatla Rochellewerd ingesloten; en hoe zeker de uitslag ook scheen te zijn, ten gevolge der genomen voorzorgen en vooral uit hoofde van den dijk, die geen enkel schip meer in de belegerde stadtoeliet, kon de belegering nog lang duren, hetgeen een zeer groote schande voor de wapenen des konings en een groote onaangenaamheid voor den kardinaal was, die wel niet meer Lodewijk XIII en Anna van Oostenrijk tegen elkander behoefde op te zetten, want dat was reeds gedaan; maar nu den heer Bassompierre met den hertog d’Angoulême, die elkaar vijandig gezind waren, moest verzoenen.

De stad had, ondanks de ongelooflijke volharding van haar burgemeester, een soort van oproer beproefd en zich willen overgeven. De burgemeester had de muiters doen ophangen. Die strafoefening bekoelde de verhitte hoofden, die toen het besluit namen van honger te sterven; een dood, die altijd langzamer en minder zeker scheen dan die door verworging.

Van hun kant namen de belegeraars van tijd tot tijd boden der belegerden gevangen, die dezen tot Buckingham zonden; of spionnen, die Buckingham naar de belegerden zond. In beide gevallen was het vonnis spoedig geveld. De kardinaal sprak slechts één woord: „Hangen!” En dan noodigde men den koning om de hangpartij te komen zien. De koning kwam sukkelend aan, nam de beste plaats in, ten einde de strafoefening in haar geringste bijzonderheden te kunnen gadeslaan. Dat was ten minste voor hem een kleine uitspanning en deed hem de langdurigheid van het beleg geduldig aanzien. Toch belette zulks niet, dat hij zich schrikkelijk verveelde en onophoudelijk er van sprak naarParijsterug te keeren, zoodat, indien boden en spionnen hadden ontbroken, Zijne Eminentie, ondanks zijn vindingrijkheid, zeer verlegen zou zijn geweest.

Intusschen vervloog de tijd enla Rochellegaf zich niet over. De laatste spion, dien men gevat had, was in het bezit van een brief. Die brief gaf den hertog van Buckingham wel bericht, dat de stad tot het uiterste was gekomen; maar in plaats dat hierop zou zijn gevolgd: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt, zullen wij ons overgeven!” volgde er eenvoudig: „indien gij ons binnen veertien dagen geen hulp zendt,zullen wij, bij aankomst van hulp, allen van honger gestorven zijn!”

De belegerden inla Rochellestelden derhalve alleen hun hoop op Buckingham; Buckingham was hun Messias.... Het was blijkbaar dat, zoodra zij op zekere wijze zouden vernemen, dat er op Buckingham niet meer te rekenen was, de hoop met hun moed zou verdwijnen. De kardinaal wachtte daarom ook met groot ongeduld de tijding uitEngeland, die hem moest berichten, dat Buckingham niet zou komen. Het plan, om de stad stormenderhand in te nemen, dikwerf in des konings raad ter tafel gebracht, was steeds ter zijde gelegd. Vooreerst scheenla Rochelleonoverwinnelijk te zijn; vervolgens wist de kardinaal, wat hij er ook van mocht gezegd hebben, zeer goed, dat de afschuwelijke bloedvergieting bij zoodanige ontmoeting, waarin Franschen tegen Franschen moesten strijden, een achteruitgaande beweging van zestig jaren aan de staatkunde zou geven, terwijl de kardinaal op dat tijdstip, zooals men thans zegt, een man van vooruitgang was. En waarlijk, een inneming stormenderhand vanla Rochelleen het vermoorden van twee of drie duizend Hugenooten, die zich het leven zouden hebben laten ontnemen, geleek te veel in 1628 op het bloedbad van denSt. Bartholomeusnachtin 1572. Eindelijk leed dit uiterste middel, van hetwelk de koning als goed katholiek volstrekt niet afkeerig was, steeds schipbreuk op dezen grondslag der generaals van de belegeraars:La Rochelleis niet anders te overwinnen dan door hongersnood.

De kardinaal kon uit zijn gedachte de vrees niet verdrijven, welke zijn vreeselijke zendelinge hem verwekte; want ook hij begreep de zonderlinge eigenschappen dezer vrouw, die dan eens een slang, dan weder een leeuwin was. Had zij hem verraden? Was zij dood? Hij kende haar te goed, om niet in elk geval te weten dat, voor of tegen hem, vriendin of vijandin, zij niet zonder groote beletselen werkeloos zou blijven; maar van waar kwamen die beletsels? Daarvan kon hij zich geen denkbeeld vormen. Overigens rekende hij, en metrecht, op milady. Hij had in het verleden van die vrouw dingen geraden, van welke alleen zijn roode mantel de vreeselijkheid kon bedekken, en hij gevoelde dat, door de een of andere oorzaak, die vrouw hem toebehoorde, daar zij in hem alleen voldoende bescherming kon vinden tegen het gevaar, dat haar bedreigde. Hij besloot dus den oorlog alleen te voeren en op geen andere hulp te wachten dan op een gelukkige kans.

Hij ging voort den vermaarden dijk te voltooien, diela Rochellemoest doen uithongeren, terwijl hij intusschen het oog liet vallen op die rampzalige stad, die zooveel diepe ellende en zooveel heldendeugd besloot, en zich de woorden van Lodewijk XI, zijn staatkundigen voorganger, zooals hij zelf de voorganger van Robespierre was, herinnerende, herdacht hij die grondstelling van den peetvader van Tristan: „Verdeelen, om te heerschen.” Hendrik IV,Parijsbelegerende, liet brood en mondbehoeften over de muren werpen. De kardinaal liet briefjes in de stad werpen, in welke hij de bewoners onder het oog bracht, hoe onrechtvaardig, baatzuchtig en barbaarsch hun opperhoofden waren. Die opperhoofden hadden koorn in overvloed en deelden het niet; zij hadden tot grondstelling, want ook zij hadden grondstellingen, dat het er niet op aan kwam, dat vrouwen, kinderen en grijsaards stierven, indien slechts de mannen, die de muren moesten verdedigen, sterk en gezond bleven. Tot hiertoe, hetzij uit machteloosheid om zich er tegen te verzetten, was die grondstelling, zonder algemeen te zijn aangenomen, van theorie in praktijk gebracht; maar die briefjes maakten er inbreuk op. Die briefjes herinnerden den mannen, dat die kinderen, die vrouwen en die grijsaards, welke men den dood wijdde, hun zonen, hun gaden, hun ouders waren; dat het rechtvaardiger zou zijn, dat iedereen in de algemeene ellende deelde, ten einde eenzelfde gesteldheid een eenparig besluit zou doen nemen.

Maar op het oogenblik dat de kardinaal reeds zijn middel zag vrucht dragen en zich geluk wenschte het in werking te hebben gesteld, wist een ingezetene vanla Rochelle, die vanPortsmouthkwam en God weet hoe, ondanks de driedubbele waakzaamheid van Bassompierre, van Schomberg en van den hertog van Angoulême, over wien wederom de kardinaal een waakzaam oog hield, de koninklijke wachtposten had weten door te komen, binnen de stad te geraken en verhaalde een prachtige vloot te hebben gezien, die binnen acht dagen gereed was onder zeil te gaan. Daarenboven berichtte Buckingham den burgemeester, dat eindelijk het groote bondgenootschap tegenFrankrijkzou worden tot stand gebracht, en dat het koninkrijk gelijktijdig door Engelsche, keizerlijke en Spaansche legers zou worden aangevallen. Die brief werd openlijk op alle pleinen voorgelezen, en men plakte afschriften er van aan alle hoeken der straten aan, en zelfs zij, die onderhandelingen hadden aangeknoopt, braken ze af, besloten die zoo spoedig beloofde hulp af te wachten.

Deze onverwachte omstandigheid vervulde opnieuw Richelieu met ongerustheid en dwong hem wederom zijn blik naar de overzijde der zee te richten.

Onderwijl leidde het koninklijk leger, voordeel trekkende van de onrust van zijn eenig en wezenlijk opperhoofd, een vroolijk leven; levensbehoeften ontbraken niet in het legerkamp, zoo min als geld. Al de korpsen wedijverden in moedbetoon en vroolijkheid; spionnen te vangen en ze op te hangen, gewaagde ondernemingen op den dijk of in zee ten uitvoer te brengen, dwaasheden te bedenken en die koelbloedig te bedrijven, dat waren de uitspanningen, die voor het leger de dagen zoo kort maakten, welke den belegerden zoo lang vielen, die door angst en gebrek verteerd werden, maar ook voor den kardinaal, die hen zoo nauw insloot. Het gebeurde wel eens, wanneer de kardinaal, altijd te paard als de geringste ruiter van het leger, zijn peinzenden blik over die naar zijn zin zoo langzaam voortgaande werken liet weiden, welke onder zijn bevelen door de ingenieurs, die hij van alle gedeelten vanFrankrijkliet komen, werden uitgevoerd, het gebeurde wel eens, zeggen wij, dat hij een of anderen musketierder kompagnie van Tréville ontmoette; doch wanneer hij dien dan naderde en op een bijzondere wijze beschouwde, maar niet een onzer vier vrienden in hem herkende, bracht hij zijn doordringenden blik en veelomvattenden geest op iets anders over.

Op zekeren dag, verteerd door een doodelijk verdriet, zonder hoop op een onderhandeling met de stad, zonder tijding uitEngeland, was de kardinaal uitgegaan, zonder ander doel dan om uit te gaan, en alleen vergezeld van Cahussac en de la Houdinière. Het strand volgende en de veelomvattendheid zijner denkbeelden als aan de onmetelijkheid des oceaans parende, bereikte hij, zijn paard langzaam latende voortstappen, de kruin van een heuvel, van waar hij zeven mannen ontwaarde, die achter een heg op het gras onder een groep boomen voor de brandende zonnestralen beschut te midden van een hoop ledige flesschen lagen neergevlijd. Vier dezer mannen waren onze musketiers, die zich gereed hielden naar de voorlezing van een brief te luisteren, dien een hunner had ontvangen. De brief was zoo belangrijk, dat men trom, kaarten en dobbelsteenen had vergeten. De drie anderen waren bezig een ontzaggelijk groote dikbuikige flesch metColliourewijn te ontkurken. Het waren de lakeien dier heeren.

De kardinaal, zooals wij gezegd hebben, was in een kwade luim, en niets, wanneer hij in die gesteldheid van geest was, maakte hem onvriendelijker dan de vreugd van anderen te zien. Daarenboven had hij de zonderlingheid te gelooven, dat juist de redenen zijner treurigheid het vermaak van anderen opwekte. Een teeken aan Cahussac en la Houdinière gevende van te blijven staan, steeg hij van zijn paard en naderde die ontijdige lachers, in de hoop door het zand, dat zijn voetstappen verdoofde, en de heg, die zijn nadering bedekte, eenige woorden te kunnen opvangen van dat gesprek, hetwelk hem zoo belangrijk scheen. Slechts op tien stappen van de heg herkende hij het Gaskonjische gebabbel van d’Artagnan, en dewijl hij reeds wist, dat die mannen musketiers waren, twijfelde hij er niet aanof de andere drie waren degenen, die men de onafscheidelijken noemde, namelijk Athos, Porthos en Aramis.

Men oordeele of zijn begeerte om het gesprek te beluisteren door die ontdekking heviger werd; zijn oogen namen een zonderlinge uitdrukking aan, en sluipend als een tijgerkat naderde hij de heg; doch hij had nog niets anders dan eenige niets beteekenende woorden zonder zin kunnen hooren, toen een luid en kort geroep hem deed ontroeren en de aandacht der musketiers wekte.

„Officier!” riep Grimaud.—„Gij spreekt, geloof ik, kerel!” zeide Athos, zich op een elleboog ten halve oprichtende en Grimaud door zijn vlammenden blik doende verstijven. Grimaud voegde er dan ook geen woord meer bij en bepaalde er zich toe den wijsvinger in de richting der heg uit te strekken, door dat gebaar den kardinaal en zijn geleide aankondigende.

In één sprong waren de vier musketiers overeind en groetten eerbiedig. De kardinaal scheen woedend te zijn.

„Het lijkt, dat men bij de heeren musketiers waakzaam is; komt de Engelschman over land, of beschouwen de musketiers zich als hoofd-officieren?”—„Uwe Eminentie!” antwoordde Athos, want hij alleen had te midden der algemeene verwarring de kalmte en koelbloedigheid eens edelmans behouden, die hem nooit verlieten: „Eminentie! wanneer de musketiers geen dienst doen of zoo die geëindigd is, drinken en dobbelen zij en zijn voor hun lakeien zeer groote heeren.”—„Lakeien,” bromde de kardinaal, „lakeien, die het bevel hebben hun meesters te waarschuwen, wanneer iemand voorbijkomt; dat zijn geen lakeien, dat zijn schildwachten.”—„Uwe Eminentie ziet toch wel dat, indien wij deze voorzorg niet hadden genomen, wij Uwe Eminentie zouden hebben laten voorbijgaan, zonder u onzen eerbied te betuigen en te bedanken voor de ons bewezen goedheid van ons te hebben vereenigd, D’Artagnan!” vervolgde hij, „gij, die zooeven de gelegenheid wenschtet uw dankbaarheid aan ZijneEminentie te betuigen, ziehier nu die gelegenheid, maak er gebruik van.”

Die woorden werden met die onveranderlijke koelbloedigheid uitgesproken, die in oogenblikken van gevaar Athos zoozeer onderscheidde, en met die bovenmatige beleefdheid, welke hem, bij zekere gelegenheden, meer majesteit gaf dan menigen geboren koning. D’Artagnan trad nader en stamelde eenige woorden van dankbetuiging, die spoedig onder den somberen blik van den kardinaal verstomden.

„Het doet er niet toe, heeren!” ging de kardinaal voort, zonder den minsten schijn zijn aanvankelijk voornemen te laten varen, ondanks de wending, die Athos aan het gesprek had gegeven, „het doet er niet toe, ik wil niet, dat eenvoudige soldaten, omdat zij het voordeel genieten in een begunstigd korps te dienen, op die wijze den grooten heer vertoonen, terwijl de krijgstucht voor hen dezelfde als voor anderen is.”

Athos liet den kardinaal volkomen uitspreken, en zich buigende ten teeken van overtuiging, hernam hij op zijn beurt: „De krijgstucht, Uwe Eminentie! hoop ik, dat in geen geval door ons is uit het oog verloren. Wij doen op dit oogenblik geen dienst, en wij meenden buiten diensttijd over onzen tijd naar willekeur te kunnen beschikken. Indien wij nogmaals zoo gelukkig mochten zijn van Uwe Eminentie eenige bijzondere bevelen te ontvangen, zijn wij gereed te gehoorzamen. Uwe Eminentie ziet,” vervolgde Athos, de wenkbrauwen fronsende, want die ondervraging begon hem te vervelen, „dat wij, om dadelijk bij het minste onraad gereed te kunnen zijn, onze wapens hebben medegenomen.”—En hij wees den kardinaal de vier musketten, die tegen elkander gezet bij de trom stonden, op welke de dobbelsteenen en de kaarten lagen.—„Uwe Eminentie gelieve te gelooven,” voegde d’Artagnan er bij, „dat wij u tegemoet zouden zijn gekomen, indien wij hadden kunnen veronderstellen, dat Uwe Eminentie met een zoo klein geleide ons naderde.”

De kardinaal beet zich op zijn knevel en een weinigop de lippen.—„Weet gij wel, waarnaar gijlieden lijkt, altijd bij elkander, gewapend, zooals gij zijt, en door uw knechts bewaakt?” zeide de kardinaal, „gij gelijkt vier samenzweerders.”—„O! wat dat betreft, Uwe Eminentie! dat is waar,” zeide Athos, „en wij spannen samen, zooals Uwe Eminentie het op zekeren dag heeft kunnen zien; maar het is tegen de bewoners vanla Rochelle.”—„O, heeren staatkundigen!” hernam de kardinaal op zijn beurt de wenkbrauwen fronsende, „men zou misschien in uw hersenen het geheim van vele dingen vinden, indien men er in lezen kon als in dien brief, welken gij verborgt, toen gij mij zaagt naderen.”

Een blos overdekte het gelaat van Athos; hij trad Zijne Eminentie een schrede nader.—„Men zou zeggen, dat gij ons waarlijk verdenkt, Uwe Eminentie! en wij een werkelijk verhoor ondergaan. Als dat zoo is, dat Uwe Eminentie dan zoo goed zij zich te verklaren, wij zullen dan ten minste weten, waaraan wij ons te houden hebben.”—„En indien het al een verhoor moge zijn,” hernam de kardinaal, „anderen dan gij hebben dit ondergaan, mijnheer Athos! en hebben geantwoord.”—„Daarom zeide ik ook tot Uwe Eminentie, dat gij ons slechts te ondervragen hadt en wij bereid waren te antwoorden.”—„Wat is dat voor een brief, dien gij wildet lezen, mijnheer Aramis! doch dien gij hebt verborgen?”—„Die brief is van een vrouw, Uwe Eminentie!”—„Ja, ik begrijp, die soort van brieven vereischen geheimhouding; maar men mag ze toch wel aan een biechtvader vertoonen, en gij weet, ik heb de wijding ontvangen.”—„Uwe Eminentie!” hernam Athos met een kalmte, die des te vreeselijker was, daar hij zijn hoofd waagde met derwijze te antwoorden, „Uwe Eminentie! die brief is van een vrouw, maar hij is niet geteekend Marion Delorme, noch mevrouw de Combalet, noch mevrouw de Chaulnes.”14)

14) Minnaressen van den kardinaal.

De kardinaal werd bleek als een lijk. Een woeste bliksemstraal schoot uit zijn oogen. Hij wendde zich als om een bevel aan Cahussac en la Houdinière te geven; Athos zag die beweging, hij naderde een schrede de musketten, op welke de drie vrienden het oog gevestigd hielden als lieden, die niet zeer genegen zijn zich te laten aanranden. De kardinaal was met de zijnen slechts drie personen sterk, terwijl de musketiers met de lakeien er zeven telden; hij oordeelde de partij dus al te ongelijk, vooral indien Athos en zijn vrienden samenzwoeren; en door een dier plotselinge ommekeeren, welke hij steeds bij de hand had, loste hij al zijn gramschap in een glimlach op.

„Kom, kom,” zeide hij, „gij zijt brave jongelieden, trotsch bij het zonlicht, in de duisternis, en het kan geen kwaad zich zelven goed te bewaken, wanneer men anderen zoo goed bewaakt. Mijne heeren! ik heb den nacht niet vergeten, toen gij mij tot geleide strektet bij mijn gang naarden Rooden Duiventoren. Indien er nu eenig gevaar bestond op den weg, dien ik zal volgen, zou ik u verzoeken mij te vergezellen; maar dewijl zulks het geval niet is, kunt gij blijven, waar gij zijt, uw flesschen ledigen, uw partij en uw briefwisseling eindigen. Vaartwel, mijne heeren!”

En het paard bestijgende, dat Cahussac hem had gebracht, groette hij hen met de hand en vertrok.

De vier jongelieden, overeind en onbeweeglijk staande gebleven, volgden hem met hun blikken zonder een woord te spreken, totdat zij hem uit het gezicht hadden verloren. Toen zagen zij elkander aan, allen waren ontsteld; want ondanks het vriendelijk vaarwel van Zijne Eminentie, begrepen zij, dat de kardinaal met de woede in zijn hart vertrokken was. Alleen Athos grimlachte trots en verachtelijk. Toen de kardinaal buiten het bereik der stem en uit het oog was, riep Porthos, die groote begeerte had zijn kwade luim op iemand te doen neerkomen: „Die Grimaud heeft al zeer laat geroepen.”

Grimaud wilde antwoorden om zich te verontschuldigen;Athos hief den vinger op en Grimaud zweeg.—„Zoudt gij den brief hebben gegeven, Aramis?” vroeg d’Artagnan.—„Ik,” zeide Aramis, „had reeds een besluit genomen; indien hij den brief geëischt had, zou ik hem dien hebben aangeboden met de eene hand, terwijl ik hem met de andere aan mijn degen zou hebben geregen.”—„Ik vermoedde het wel,” zeide Athos, „en daarom heb ik mij tusschen u en hem gesteld. Waarlijk, die man is wel onvoorzichtig andere mannen dus toe te spreken. Men zou zeggen, dat hij nooit anders dan met vrouwen en kinderen te doen heeft gehad.”—„Mijn waarde Athos!” zeide d’Artagnan, „ik bewonder u; maar in alle geval hadden wij ongelijk.”—„Hoe, ongelijk!” riep Athos. „Aan wien behoort dan de lucht, welke wij inademen? aan wien de oceaan, welke zich voor ons oog uitstrekt? aan wien de brief uwer minnares? behoort dit alles den kardinaal? Op mijn eer, die man verbeeldt zich, dat de wereld hem toebehoort. Gijlieden stondt daar stamelend, ontroerd, vernietigd; het was alsof deBastillezich voor uw oogen verhief, en de reusachtige Medusakop u in steenblokken had veranderd. Wel, is het samenzweren, wanneer men verliefd is! Gij zijt verliefd op een vrouw, die de kardinaal heeft doen opsluiten; gij wilt haar den kardinaal ontrukken; dat is een partij, die gij met Zijne Eminentie speelt. Die brief is uw spel. Waarom zoudt gij nu uw spel openleggen? Laat hij het raden! Wij raden wel het zijne.”—„Het is waar, Athos! wat gij zegt is zeer juist.”—„Welnu, laat er dan van het gebeurde geen sprake meer zijn, en laat Aramis de lezing van den brief zijner nicht voortzetten, waar die door de komst van den kardinaal werd afgebroken.”


Back to IndexNext