„Gij! die beweent een vreugdevol verleden,In treurigheid uw dagen thans verslijt;Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd,Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden.Gij! die beweent enz.â€
„Gij! die beweent een vreugdevol verleden,In treurigheid uw dagen thans verslijt;Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd,Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden.Gij! die beweent enz.â€
„Gij! die beweent een vreugdevol verleden,
In treurigheid uw dagen thans verslijt;
Van uwe ramp zult gij dra zijn bevrijd,
Indien gij Gode wijdt uw tranen en gebeden.
Gij! die beweent enz.â€
7) Oud soort van vers, waarvan de eerste en de vierde regel rijmen, zoo ook de tweede en de derde, de vijfde bestaat uit de eerste helft van den eerste.
D’Artagnan en de pastoor schenen tevreden. De jezuïet bleef in zijn denkwijze volharden.—„Hoed u voor een ongewijden stijl in godgeleerde voorstellingen. Wat zegt dan ook de H. Augustinus?Severus sit clericorum sermo.â€8)—„Ja, dat hetSermoenduidelijk zij,†zeide de pastoor.—„Derhalve,†haastte zich de jezuïet hierop in te vallen, ziende dat zijn helper in de war was; „derhalve zal uw thesis aan niemand dan aan de dames behagen, zij zal geschat worden als een pleidooi van meester Patru.â€â€”„Dat geve God!†riep Aramis verheugd.—„Gij ziet,†riep de jezuïet, „de wereld verheft in u nog luide haar stem:Altissima voce. Gij volgt de wereld, mijn jonge vriend! en ik vrees, dat de genade niet krachtig genoeg zij.â€â€”„Stel u gerust, eerwaarde heer! ik stel mij zelven verantwoordelijk.â€â€”„Dat is wereldsche verwatenheid.â€â€”„Ik ken mij zelven, eerwaarde vader! mijn besluit is onherroepelijk.â€â€”„Dan wilt gij volstrekt die thesis uitwerken?â€â€”„Ik voel mij geroepen die te behandelen, en morgen hoop ik, dat gij zult tevreden zijn over de verbeteringen, die ik er op uw raad in heb gemaakt.â€â€”„Werk langzaam,†zeide de pastoor; „wij verlaten u in de heerlijkste gesteldheid.â€â€”„Ja, de grond is reeds genoeg bezaaid,†zeide de jezuïet, „en wij behoeven niet te vreezen, dat een gedeelte van het zaad op de rots is gevallen, het andere langs den weg verloren gaat en dat de vogels des hemels het overige hebben verslonden.Aves coeli comoederunt illam.â€â€”„Dat de pest u verstikke met uw latijn,†dacht d’Artagnan, wiens geduld ten einde raakte.—„Vaarwel, mijn zoon! tot morgen.â€â€”„Vaarwel, jonge roekelooze!†zeide de jezuïet; „gij belooft een der lichten van de kerk te worden; de hemel geve, dat dit licht geen verslindend vuur worde!â€â€”D’Artagnan, die gedurende een uur zijn nagels van ongeduld had afgeknaagd, was aan het vleesch begonnen.
8) De priesters moeten een deftige taal voeren.
De beide zwarte mannen stonden op, groetten Aramis en d’Artagnan en naderden de deur. Bazijn, die er voor was blijven staan en die dezen godgeleerden twist in vrome verheffing des harten had aangehoord, ijlde naar hen toe, nam den pastoor het getijdeboek en den jezuïet het misboek af, waarop hij, eerbiedig vooruit gaande, hun den weg baande. Aramis vergezelde hen tot beneden aan de trap en keerde toen dadelijk naar d’Artagnan terug, die nog in zijn overwegingen verzonken was.
Nu alleen zijnde, bewaarden beide vrienden aanvankelijk een onaangename stilte; echter moest een van beiden die het eerst verbreken, en daar d’Artagnan scheen besloten te hebben die eer aan zijn vriend te laten, zeide Aramis:
„Zooals gij ziet, mijn vriend! ik ben weder tot mijn oorspronkelijke denkbeelden teruggekomen.â€â€”„Ja, de uitwerkende genade heeft u getroffen, zooals die heer van daareven zeide.â€â€”„Ach! dat voornemen, mij der wereld ontrukken, heeft reeds sedert lang vastgestaan en gij hebt er mij reeds van hooren spreken, niet waar mijn vriend?â€â€”„Zonder twijfel; maar ik beken, ik meende, dat gij schertstet.â€â€”„Met die soort van zaken? O, d’Artagnan!â€â€”„Wat duivel! men schertst wel met den dood.â€â€”„En men doet niet wel, d’Artagnan! want de dood is immers de poort, welke tot de verdoemenis of tot de zaligheid leidt?â€â€”„Dat stem ik toe; maar, als het u belieft, spreken wij over geen godgeleerdheid, Aramis! gij moet er voor den geheelen dag van verzadigd zijn; wat mij betreft, ik heb bijna het weinige latijn vergeten, dat ik trouwens nooit gekend heb; vervolgens moet ik u bekennen, dat ik sedert heden ochtend niet gegeten en een duivelschen honger heb.â€â€”„Wij zullen zoo aanstonds samen het middagmaal nemen, waarde vriend! maar herinner u, dat het heden vrijdag is; bijgevolg kan ik op zoodanigen dag noch vleesch eten noch het zien eten. Wilt gij u met mijn maal vergenoegen, dan krijgt gijtetragonesen vruchten.â€â€”„Wat verstaat gij ondertetragones?†vroeg d’Artagnan ongerust.—„Hieronder versta ik spinazie,†hernam Aramis, „maar ik zal er voor u eieren bij laten voegen, hoewel dit een geweldige inbreuk op de voorschriften is; want eieren is vleesch, omdat zij het hoen voortbrengen.â€â€”„Dat maal is niet zeer smakelijk; maar om bij u te blijven, zal ik mij er aan onderwerpen.â€â€”„Ik ben u voor de opoffering erkentelijk,†zeide Aramis; „en mocht het u al niet lichamelijk tot nut zijn, het zal echter, dit verzeker ik u, uw ziel voordeelig zijn.â€
„Dus hebt gij waarlijk besloten, Aramis! tot den geestelijken stand over te gaan? Wat zullen onze vrienden zeggen! wat zal de heer de Tréville denken! zij zullen u als een deserteur behandelen, dat verzeker ik u.â€â€”„Ik ga niet tot den geestelijken stand over,ik keer er toe terug. Het was de kerk, die ik voor de wereld verliet, want gij weet, dat ik mij geweld heb aangedaan, om mij in het musketiersgewaad te steken.â€â€”„Ik! ik weet er niets van.â€â€”„Weet gij niet, waarom ik het seminarie heb verlaten?â€â€”„Volstrekt niet.â€â€”„Nu, luister dan; de H. Schrift zegt: Belijdt u aan elkander, en ik belijd mij aan u, d’Artagnan!â€â€”„En ik geef u vooraf de absolutie; gij weet, ik ben een goede jongen.â€â€”„Spot niet met de heilige zaken, mijn vriend!â€â€”„Nu, verhaal dan, ik luister.â€
„Ik was dan van af mijn negende jaar in het seminarie en een en twintig jaar oud; nog drie dagen en ik zou tot priester worden gewijd, en alles ware gedaan geweest. Op zekeren avond, dat ik mij volgens gewoonte naar een huis begaf, waar ik mij steeds naar genoegen bevond—men is jong, wat zal ik zeggen, men is zwak—trad een officier, die mij met een afgunstig oog het leven der Heiligen aan de meesteres des huizes zag voorlezen, eensklaps en zonder aangediend te zijn binnen. Juist had ik dien avond de episode van Judith in verzen overgebracht en herhaalde ze aan de dame, die mij allerhande soort van komplimenten maakte en op mijn arm geleund ze met mij opnieuw overlas. De houding, die, ik beken het, wel wat los was, kwetste dien officier; hij zeide niets, maar toen ik heenging, volgde hij mij en sprak mij aan:
„‚Mijnheer de abt! houdt gij van rottingolie?’—‚Ik kan het u niet zeggen, mijnheer!’ antwoordde ik, ‚want niemand heeft mij die ooit durven geven.’—‚Welnu, luister dan, mijnheer de abt, indien gij in het huis terugkeert, waar ik u heden avond heb ontmoet, dan zal ik het durven.’
„Ik geloof, dat ik bevreesd werd; ik werd zeer bleek, ik voelde mijn knieën knikken; ik trachtte een antwoord te geven, dat ik niet vond en zweeg. De officier wachtte een antwoord, maar ziende dat het weg bleef, lachte hij mij uit, keerde mij den rug toe en trad het huis weder binnen. Ik keerde naar het seminarie terug.
„Ik ben een echt edelman, zooals gij hebt kunnenbemerken en heb tamelijk driftig bloed, mijn waarde d’Artagnan. De beleediging was vreeselijk, en hoewel ze volstrekt der wereld onbekend was gebleven, voelde ik ze als leven en diep in mijn hart zich bewegen. Ik verklaarde aan mijn oversten, dat ik mij niet genoegzaam voorbereid vond om de wijding te ontvangen, en op mijn verzoek stelde men de plechtigheid een jaar uit. Ik ging den behendigsten schermmeester vanParijsbezoeken en trof met hem een overeenkomst, dat hij mij dagelijks een les zoude geven, en alle dagen, gedurende een jaar, nam ik die. Vervolgens hing ik, juist op den verjaardag dat ik beleedigd was geworden, mijn geestelijk gewaad aan een spijker, kleedde mij volkomen in een edelmans kleeding en begaf mij naar een bal, dat een dame mijner kennis gaf, waar ik wist, dat mijn man zich zou bevinden. Het was in de straat der Trouwe Burgers, dicht bij het slotla Force. Mijn officier was er werkelijk; ik naderde hem op het oogenblik dat hij een minnelied zong, terwijl hij teederlijk een vrouw toelonkte; ik sprak hem aan te midden van het tweede couplet.
„‚Mijnheer!’ zeide ik hem, ‚mishaagt het u steeds, dat ik in zeker huis in de straat Payenne ga en wilt gij mij nog rottingolie geven, indien ik er toe overga u ongehoorzaam te zijn?’—De officier beschouwde mij met verwondering en zeide: ‚Wat wilt gij, mijnheer? ik ken u niet!’—‚Ik ben,’ antwoordde ik, ‚de jonge geestelijke, die het leven der heiligen voorleest en Judith in verzen overbrengt.’—‚Ha! nu herinner ik mij,’ zeide de officier op spottenden toon, ‚wat wilt gij?’—‚Ik wenschte, dat gij zoo vriendelijk wildet wezen een kleine wandeling met mij te doen.’—‚Morgen ochtend, als het u belieft en dan met het grootste vermaak.’—‚Neen, neen, niet morgen ochtend, oogenblikkelijk.’—‚Als gij het volstrekt begeert?’—‚Wel ja, ik begeer het.’—‚Welaan dan, dames!’ zeide de officier, ‚een oogenblikje; alleen den tijd om mijnheernaar de andere wereld te zenden; en ik kom het tweede couplet eindigen.’
„Wij vertrokken. Ik bracht hem in de straat Payenne, juist op de plek, waar hij, een jaar te voren, op hetzelfde uur, mij het kompliment had gemaakt, dat ik u heb medegedeeld.... Het was een heerlijke maneschijn. Wij stonden met den degen tegenover elkander, en bij den eersten uitval stak ik hem dood.â€
„Duivelsch!†zeide d’Artagnan.
„En,†ging Aramis voort, „daar de dames hun zanger niet zagen terugkeeren, en men hem in de straat Payenne vond, met een degensteek in het lijf, geloofde men, dat ik het was, die hem dus had toegetakeld, en de zaak werd ruchtbaar. Ik was dus genoodzaakt voor zekeren tijd den geestelijken stand vaarwel te zeggen.... Athos, met wien ik omstreeks dien tijd in kennis kwam, en Porthos, die mij buiten mijn schermlessen met eenige aardige stooten had bekend gemaakt, haalden mij over een plaats bij de musketiers te verzoeken. De koning was mijn vader, die gedurende het beleg vanArrassneuvelde, zeer genegen geweest, en men stond mij mijn verzoek toe.... Gij begrijpt dus wel, dat het oogenblik voor mij nu is gekomen, om in den schoot der kerk terug te keeren?â€
„En waarom liever nu dan gisteren of morgen? Wat is u dan toch gebeurd, om zulke akelige denkbeelden te koesteren?â€
„Die verwonding, mijn waarde d’Artagnan! is voor mij een waarschuwing des hemels geweest.â€â€”„Die verwonding, och! ze is bijna genezen, en ik ben zeker, dat het deze niet is, die u thans het meest doet lijden.â€â€”„En welke dan?†vroeg Aramis blozende.—„Gij lijdt aan een hartwonde, die pijnlijker, bloediger is, en u door een vrouw is toegebracht.â€â€”Het oog van Aramis schitterde ondanks hem zelven.—„Och,†zeide hij, zijn ontroering onder een schijnbare onverschilligheid verbergende, „spreek mij van die zaken niet; zou ik hierover denken! zou ik liefdesmart gevoelen,vanitas vanitatum, zou ik, volgens uw gevoelen, mij het hoofd hebben op hol gemaakt, en voor wie? voor een of ander naaistertje, voor de kamenier van dezen of genen kanunnik, aan welke ik in een of ander garnizoen het hof zou hebben gemaakt? foei!â€â€”„Vergeef mij, mijn waarde Aramis! maar ik dacht, dat gij uw oog op iets hoogers had gevestigd?â€â€”„Op iets hoogers? En wat ben ik, om zooveel eerzucht te koesteren?.... Een arme musketier, van duistere, onbeduidende afkomst, die voor dienstbaarheid een afschuw heeft en in de groote wereld volstrekt niet op zijn plaats is.â€â€”„Aramis! Aramis!†riep d’Artagnan, zijn vriend twijfelachtig aanziende.
„Als stof,†ging Aramis voort, „keer ik tot stof terug.... Het leven is vol vernedering en smarten,†vervolgde hij, al meer en meer somber wordende; „al de draden, die het aan het geluk hechten, verbreken alras in de hand des menschen, vooral de gouden draden.... Ach, mijn waarde d’Artagnan!†hernam Aramis met een zweem van smart, „geloof mij, verberg wel uw wonden, wanneer gij gekwetst mocht zijn. De stilte is de laatste vreugd der ongelukkigen; wacht u iemand, wie het ook zij, op het spoor uwer smarten te brengen: de nieuwsgierigen zuigen onze tranen op, als de vliegen het bloed van een gewonde hinde.â€â€”„Welaan, mijn waarde Aramis!†zeide d’Artagnan, op zijn beurt een diepen zucht slakende, „dat is mijn eigen geschiedenis, die gij daar verhaalt.â€â€”„Hoezoo?â€â€”„Ja, een vrouw, die ik beminde, die ik aanbad, is mij gewelddadig ontrukt geworden. Ik weet niet waar zij is, en werwaarts men haar heeft gevoerd; misschien is zij in de gevangenis, misschien is zij dood.â€â€”„Maar gij hebt ten minste den troost te kunnen zeggen, dat zij u niet vrijwillig heeft verlaten; dat, indien gij geen tijding van haar ontvangt, zulks ontstaat, doordien elke gemeenschap met u voor haar is afgebroken, terwijl....â€â€”„Terwijl?â€â€”„Niets, niets,†antwoordde Aramis.—„Dus gij hebt besloten volkomen afstand van de wereld te doen, dat besluit is onherroepelijkvastgesteld?â€â€”„Voor altijd. Heden zijt gij nog mijn vriend, morgen zult gij voor mij niets meer zijn dan een schaduw, of liever, gij zult voor mij niet meer bestaan.... Wat de wereld betreft, deze is een graf, anders niets.â€â€”„Duivelsch! hetgeen gij mij zegt, is zeer treurig.â€â€”„Wat zal ik u zeggen, mijn roeping drijft mij.â€
D’Artagnan glimlachte en antwoordde niet.—Aramis vervolgde: „En echter, zoolang ik nog tot de wereld behoor, wil ik u over u, over onze vrienden spreken.â€â€”„En ik,†zeide d’Artagnan, „ik wilde over u zelven spreken; maar ik zie u van alles vervreemd: de liefde verfoeit gij, uw vrienden zijn schimmen, de wereld is een graf.â€â€”„Helaas!†zeide Aramis met een zucht, „gij zult het bij u zelven ondervinden.â€â€”„Spreken wij er dan niet meer van,†hernam d’Artagnan, „laten wij dien brief verbranden, die u zeker de een of andere getrouwheid van uw naaistertje of uw kamenier bericht.â€â€”„Welken brief?†vroeg Aramis haastig.—„Een brief, die in uw afwezigheid is bezorgd geworden en dien men aan mij heeft ter hand gesteld.â€â€”„Maar van wien is die brief?â€â€”„Och! van de een of andere beproefde gezelschapsjuffer, van een wanhopende naaister, misschien wel van de kamenier van mevrouw deChevreuse, die genoodzaakt zal zijn geweest met haar meesteres naarToursterug te keeren en die, om eens fraai voor den dag te komen, welriekend papier genomen en haar brief met een hertogelijke kroon zal hebben verzegeld.â€â€”„Wat zegt gij daar?â€
„Zie, ik geloof hem verloren te hebben,†zeide d’Artagnan, zich houdende alsof hij dien zocht. „Gelukkig, dat de wereld een graf, dat de menschen en bijgevolg ook de vrouwen schimmen zijn en de liefde een gevoel is, dat gij verafschuwt.â€â€”„O, d’Artagnan! d’Artagnan! gij doet mij sterven.â€â€”„Eindelijk heb ik hem,†zeide d’Artagnan en haalde den brief uit zijn zak.
Aramis sprong toe, greep den brief, las of liever verslond dien, terwijl een glans op zijn gelaat verscheen.
„Het schijnt, dat de kamenier een fraaien stijl heeft,†zeide de boodschapper onverschillig.—„Ik dank u,d’Artagnan!†riep Aramis in vervoering. „Zij is genoodzaakt geworden naarToursterug te keeren; zij is mij niet ontrouw en bemint mij steeds. Kom, mijn vriend, kom, laat ik u omhelzen. Het geluk benauwt mij.â€â€”En beide vrienden begonnen rondom den foliant van den H. Chrysostomus te dansen, terwijl zij aardig de bladen der thesis vertrapten, die op den grond gevallen waren.
Op dat oogenblik trad Bazijn met de spinazie en de eierstruif binnen.—„Verwijder u, ongelukkige!†riep Aramis, hem zijn priesterkapje in het gezicht werpende, „keer terug vanwaar gij komt; neem die afschuwelijke groente en dien ellendigen koek mede. Vraag een gelardeerden haas, een vetten kapoen, een schapenbout en vier flesschen oude Bourgonje.â€
Bazijn, die zijn meester aanzag en niets van die verandering begreep, liet treurig de eierstruif en de spinazie op den grond vallen.
„Ziedaar nu het oogenblik, om uw leven aan den Koning der Koningen te wijden,†zeide d’Artagnan, „indien gij er op gesteld zijt, Hem een beleefdheid te doen,non inutile desiderium in oblatione.â€â€”„Ga naar den duivel met uw latijn, mijn waarde d’Artagnan! laat ons drinken,morbleu!laat ons drinken; en vertel mij eens, wat er ginds zoo al is voorgevallen.â€
De vrouw van Athos.
„Thans blijft ons nog over, eenig nieuws van Athos te vernemen,†zeide d’Artagnan tot den lustigen Aramis, na hem te hebben verhaald, wat er in de hoofdstad was voorgevallen sedert hun vertrek, en een voortreffelijk maal den eenen zijn thesis, den anderen zijn vermoeidheid had doen vergeten.—„Gelooft gij dan, dat hem een ongeluk is overkomen?†vroeg Aramis;„Athos is zoo koelbloedig, zoo dapper, gaat zoo behendig met den degen om.â€â€”„O ja! zonder twijfel, en niemand erkent meer den moed en de behendigheid van Athos dan ik; maar ik voel liever op mijn degen den stoot eener lans dan dien van stokken: ik vrees, dat Athos door de knechts is afgerost geworden; knechts zijn lieden, die er hardop slaanen niet gauw uitscheiden. Ziedaar, waarom ik, om het u te zeggen, zoo spoedig mogelijk wilde vertrekken.â€â€”„Ik zal trachten u te vergezellen,†zeide Aramis, „hoewel ik mij nog niet sterk genoeg gevoel te paard te rijden. Gisteren beproefde ik de roede, die gij daar ziet hangen, maar de smart dwong mij, die vrome oefening af te breken.â€â€”„Stil, mijn vriend! men heeft immers nooit gehoord, dat men geweerschoten met roedeslagen geneest; maar gij waart ziek en de ziekte verzwakt, zoodat ik u verontschuldig.â€â€”„En wanneer vertrekt gij?â€â€”„Morgen, zoodra de dag aan den hemel is; rust van nacht goed uit, en morgen, indien gij kunt, zullen wij samen vertrekken.â€â€”„Tot morgen,†zeide Aramis, „want hoe ijzersterk gij ook moogt zijn, moet gij rust hebben.â€
Den volgenden dag, toen d’Artagnan de kamer van Aramis binnentrad, vond hij dezen voor het venster.—„Wat beschouwt gij toch?†vroeg d’Artagnan.—„Wel, ik bewonder die drie kostelijke paarden, welke de staljongen bij den toom houdt: dat is een vorstelijk vermaak, op dergelijke paarden te reizen.â€â€”„Welnu, mijn waarde Aramis! gij kunt u dat vermaak verschaffen, want een dier paarden behoort u.â€â€”„Och kom! En welk?â€â€”„Dat van de drie wat gij verkiest, ik heb geen verkiezing.â€â€”„En behoort dat rijke dekkleed mij ook?â€â€”„Wel zeker.â€â€”„Gij schertst, d’Artagnan!â€â€”„Ik scherts niet meer, sedert gij Fransch spreekt.â€â€”„En die vergulde pistoolholsters, dat fluweelen schabrak en dat met zilveren spijkers beslagen zadel behooren mij?â€â€”„Aan u, zoowel als dat brieschende paard aan mij, en dat steigerende paard aan Athos.â€â€”„Duivelsch! dat zijn schoone, drie schoone paarden.â€â€”„Het is mij aangenaam, datzij naar uw zin zijn.â€â€”„Heeft de koning ze u ten geschenke gegeven?â€â€”„De kardinaal althans niet; maar bekommer er u niet over van wien zij afkomstig zijn, en wees slechts indachtig, dat een der drie u behoort.â€â€”„Ik houd dat, hetwelk door dien rossen staljongen wordt vastgehouden.â€â€”„Best!â€
„Lieve God,†riep Aramis, „dat verdrijft het overblijfsel van al mijn pijn; ik zou dat paard berijden met dertig kogels in het lijf. O, bij mijn ziel! wat heerlijke stijgbeugels! Hier, Bazijn! rep u, kom oogenblikkelijk!â€â€”Bazijn verscheen zwijgend en stil op den drempel der deur.—„Scherp mijn degen, maak mijn hoed in orde, klop mijn mantel uit en laad mijn pistolen!†beval Aramis.—„Die laatste aanbeveling is overbodig,†viel d’Artagnan hem hierop in de rede, „er zijn geladen pistolen in de holsters.â€â€”Bazijn zuchtte.—„Welaan, meester Bazijn! stel u gerust,†zeide d’Artagnan, „men verdient het koninkrijk des Hemels in alle betrekkingen.â€â€”„Mijnheer was reeds een zoo goed theologant,†zeide Bazijn, bijna huilende, „hij zou bisschop, misschien kardinaal zijn geworden.â€â€”„Maar, mijn arme Bazijn! komaan, overweeg eens: waartoe dient het een geestelijke te zijn, bid ik u; men vermijdt hierdoor toch niet ten oorlog te gaan; gij ziet wel, dat de kardinaal den eersten veldtocht mede zal maken, met den helm op het hoofd en den degen in de vuist; en wat zegt gij van den heer Nogaret de la Valette? Ook deze is kardinaal, maar vraag eens aan zijn lakei, hoe dikwijls hij pluksel voor hem heeft gereed gemaakt.â€â€”„Helaas!†zuchtte Bazijn, „ik weet het, mijnheer! alles is tegenwoordig in de wereld omgekeerd.â€
Onderwijl waren beide jongelieden en de lakei naar beneden gegaan.—„Houd mij den stijgbeugel, Bazijn!†zeide Aramis en sprong in den zadel met zijn gewone vlugheid en bevalligheid; maar na eenige wendingen en steigeringen van het edele dier gevoelde zijn berijder zulke hevige smarten, dat hij verbleekte en wankelde. D’Artagnan, die, zulks voorziende, hem niet uit het oog had verloren, ijlde naar hem toe, ondersteundehem in zijn armen en geleidde hem naar zijn kamer.
„Het is wèl, mijn waarde Aramis! verzorg u nog eenigen tijd, ik zal Athos alleen zoeken.â€â€”„Gij zijt een stalen mensch!†zeide Aramis.—„Neen, ik ben gelukkig, dat is al; maar op wat wijze zult gij, mij wachtende, den tijd verdrijven? daar gij nu geen thesis, geen uitleggingen der vingers en zegeningen te maken hebt, wel!â€â€”Aramis glimlachte.—„Ik zal verzen maken,†zeide hij.—„Ja, welriekende verzen, van denzelfden geur als het briefje der kamenier van mevrouw de Chevreuse. Leer Bazijn ook rijmen, dat zal hem volmaken; en berijd alle dagen eenige oogenblikken het paard, dat zal u weder aan het rijden gewennen.â€â€”„O! wees gerust,†zeide Aramis, „gij zult mij bereid vinden u te volgen.â€
Zij namen van elkander afscheid, en tien minuten later draafde d’Artagnan, na zijn vriend aan Bazijn en aan de herbergierster te hebben aanbevolen, den weg naarAmiënsop.
Op wat wijze wilde hij Athos wedervinden, en zou hij hem wel vinden?—De toestand, waarin d’Artagnan Athos had gelaten, was slecht, en deze laatste kon wel bezweken zijn. Die gedachte verduisterde het voorhoofd van d’Artagnan en deed hem bij zich zelven eenige wraakgeloften prevelen. Van al zijn vrienden was Athos de oudste, en ook oogenschijnlijk het minst met zijn smaak en neigingen in overeenstemming. Echter schonk hij dien edelman boven allen de voorkeur.
Het edel en voornaam voorkomen van Athos, de weerlichten van grootheid, die bijwijlen de duisternis doorkliefden, waarmede hij zich vrijwillig omringde, die onafgebroken gelijkheid van karakter, die zijn omgang tot den gemakkelijksten van de wereld maakte, die gedwongen, bijtende scherts, die moed, welken men blind zou hebben genoemd, indien hij niet het gevolg van de zeldzaamste koelbloedigheid ware geweest; al die hoedanigheden wekten bij d’Artagnan meer achting, meer dan vriendschap op, zij wekten zijn bewondering.
En waarlijk, zelfs bij den heer de Tréville vergeleken, stak de edele en smaakvolle hoveling, Athos, in zijn oogenblikken van goede luim, voordeelig uit; hij was van middelmatige grootte, maar die gestalte was zoo verwonderlijk fier, zoo wel geëvenredigd, dat hij meer dan eens, in zijn worstelingen met Porthos, den reus had doen bukken, wiens kracht tot een spreekwoord onder de musketiers was geworden; zijn hoofd, met zijn doordringende oogen, zijn gebogen neus, en de kin als die van Brutus gesneden, hadden een onbeschrijfelijke uitdrukking van grootheid en bevalligheid; zijn handen, voor welke hij niet de minste zorg droeg, maakten Aramis wanhopig, die de zijne met amandelzalf en welriekende oliën fraai hield; de klank zijner stem was krachtig en tevens welluidend; en verder, wat in Athos het onbegrijpelijkste was, was die fijne kennis van de wereld en der gewoonten van de hoogste rangen, die welopgevoedheid, die als buiten zijn weten in zijn minste handelingen doorstraalde.
Betrof het een gastmaal, dan wist Athos het beter dan iemand te regelen, elken genoodigde de plaats en den rang gevende, welke hem zijn voorouders nagelaten of hij zich zelven bezorgd had. Betrof het de geslacht-wapenkunde, dan was het wederom Athos, die al de adellijke familiën des koninkrijks kende, zoowel als hun oorsprong, hun verbintenissen, hun wapenschilden en den oorsprong er van. Er was niets, wat de welgemanierdheid betrof, of hij kende het in de minste bijzonderheden, hij kende de rechten der groote grondeigenaars en was doorkneed in de wild- en valkenjacht; zelfs op zekeren dag, dat hij over die groote kunst sprak, verbaasde hij koning Lodewijk XIII, die er toch een meester in was.
Zooals al de voorname lieden van dien tijd, verstond hij de rij- en de schermkunst in de volmaaktheid. Wat meer is, zijn opvoeding was zoo weinig veronachtzaamd, zelfs ten aanzien der schoolstudiën, welke zoo zelden bij de edellieden van dien tijd beoefend werden, dat hij glimlachte bij de brokken latijn van Aramis, welkePorthos den schijn aannam te begrijpen; twee of drie malen zelfs was het hem, tot groote verwondering zijner vrienden, gebeurd, Aramis terecht te helpen, wanneer deze aan een werkwoord een verkeerden tijd en aan een naamwoord een verkeerden naamval gaf; daarenboven was zijn eer onkreukbaar, en dit in een eeuw, waarin de krijgsman zoo gereedelijk zijn geloof en zijn geweten verzaakte, de minnaars met de strenge kieschheid onzer dagen en de armen met het zevende gebod spotten. Athos was dus een buitengewoon mensch.
En nochtans zag men die uitstekende natuur, dat zoo welgevormd schepsel, die zoo reine ziel van lieverlede tot het stoffelijke leven overhellen, zooals de grijsaard naar de zoowel lichamelijke als zedelijke verstomping. Athos, in zijn oogenblikken van afzondering, en die oogenblikken waren veelvuldig, was als uitgedoofd in hetgeen zijn glans daarstelde, en zijn schitterende hoedanigheden verdwenen als in een diepen nacht. Athos, die meer dan mensch scheen, half-God, was in die oogenblikken nauwelijks mensch. Zijn hoofd hing hem op de borst, zijn oog was dof, zijn spraak zwaar en moeilijk. Athos hield dan, gedurende een uur achter elkander, zijn oog hetzij op zijn flesch en zijn glas gevestigd, hetzij op Grimaud, die gewoon op zijn wenken te gehoorzamen, in den starren blik zijns meester tot zelfs de minste begeerte las, die hij oogenblikkelijk vervulde. Waren de vier vrienden in die oogenblikken vereenigd, dan was een enkel, met geweldige moeite uitgebracht woord het eenige deel, dat Athos in het gesprek nam. Maar daarentegen dronk Athos alleen meer dan vier, zonder dat men zulks aan hem kon bespeuren, dan alleen door een meerder fronsen der wenkbrauwen en een diepere droefgeestigheid.
D’Artagnan, wiens doordringenden en onderzoekenden aard wij kennen, had, welk belang hij er ook in stelde om zijn nieuwsgierigheid te dien aanzien te voldoen, tot hiertoe de oorzaak dier wezenloosheid niet kunnen ontdekken. Nooit ontving Athos brieven, nooit deed Athos iets, dat niet al zijn vrienden wisten. Men konniet zeggen, dat het de wijn was, welke hem die droefgeestigheid veroorzaakte; want, integendeel, hij dronk slechts, om ze te bestrijden, maar dit middel deed hem nog somberder worden. Men kon die verregaande zwartgalligheid ook aan het spel niet wijten; want Porthos, integendeel, vergezelde met gezang of gevloek al de wisselingen der fortuin, terwijl Athos even onverschillig bleef, of hij won of verloor.... Men had hem eens op zekeren avond in een gezelschap van musketiers drie duizend pistolen zien winnen, verliezen, vervolgens zijn paard verliezen, zijn wapens, zelfs den met goud geborduurden galabandelier; dit alles wederom herwinnen en daarenboven nog honderd louis d’or, zonder dat zijn fraaie, zwarte wenkbrauwen een lijn hooger of lager zich vertrokken, zonder dat zijn handen haar parelachtigen weerschijn hadden verloren, zonder dat zijn gesprekken, die dien avond zeer aangenaam waren, opgehouden hadden kalm en vroolijk te zijn. Het was ook niet, zooals bij onze naburen de Engelschen, de invloed van de weersgesteldheid, die hem somber stemde, want zijn droefgeestigheid was gewoonlijk grooter in het schoonste jaargetijde: Juni en Juli waren voor Athos verschrikkelijke maanden. Voor het tegenwoordige was hij niet verdrietig, hij haalde de schouders op, wanneer men hem over de toekomst sprak; zijn geheim was in het verledene, zooals men het bedenkelijk aan d’Artagnan had te kennen gegeven. Dat geheimzinnige waas, dat over geheel zijn wezen lag verspreid, maakte den man nog belangrijker, wiens oogen noch mond, zelfs in de verregaandste dronkenschap, iets hadden laten ontglippen, hoe behendig de vragen ook waren geweest, die men tot hem richtte.
„Ach!†dacht d’Artagnan, „de arme Athos is misschien dood en door mijn schuld gestorven; want ik was het, die hem in de zaak heb betrokken, van welke hij de oorzaak niet kende, van welke hij de gevolgen niet zal kennen en welke hem geen het minste voordeel kon opleveren.â€â€”„Zonder daarbij te rekenen,†antwoordde Planchet, „dat wij hem waarschijnlijk hetleven zijn verschuldigd. Herinnert gij u nog, hoe hij ons toeriep: ‚Voort, d’Artagnan, ik ben gevangen.’—En na zijn twee pistolen te hebben gelost, wat vreeselijk geweld hij met zijn degen maakte! Men zou gemeend hebben, dat er twintig mannen, of liever twintig razende duivels aan den gang waren.â€â€”Daar deze woorden de vurigheid van d’Artagnan nog meer aanprikkelden, spoorde hij zijn paard aan, dat, niet noodig hebbende te worden aangespoord, zijn ruiter in galop meevoerde.
Tegen elf uur bespeurde menAmiëns; te half twaalf was men voor de deur der vervloekte herberg. D’Artagnan had dikwijls bij zich zelven overlegd, op welke wijze hij op den verraderlijken waard een dier goede wraaknemingen zou nemen, welke reeds bij voorbaat troosten. Hij trad dan de herberg binnen, met den vilten hoed op de oogen gedrukt, de linkerhand op de greep van zijn degen latende rusten, en zijn karwats in zijn rechterhand zweepende.
„Herkent gij mij?†vroeg hij den herbergier, die naderde om hem te groeten.—„Ik heb niet de eer, Excellentie!†antwoordde deze, nog verblind door de schitterende vertooning, die d’Artagnan maakte.—„Ha! gij kent mij niet?â€â€”„Neen, edele heer!â€â€”„Nu, dan zullen twee woorden mij u wel doen herinneren. Wat hebt gij met den edelman uitgevoerd, dien gij de stoutheid hadt, ongeveer veertien dagen geleden, als een valschen munter te behandelen?â€â€”De herbergier verbleekte, want d’Artagnan had een dreigende houding aangenomen en Planchet volgde het voorbeeld zijns meesters.—„Ach, edele heer! spreek er mij niet van!†riep de herbergier op een huilenden toon, „ach, edele heer! hoe zwaar heb ik dien misslag geboet. Ach, ongelukkige die ik ben!â€â€”„Ik vraag u, wat er van dien edelman is geworden?â€â€”„Gelieve mij aan te hooren, edele heer! en wees barmhartig. In Godsnaam, ga zitten.â€â€”D’Artagnan, stom van woede en ongerustheid, zette zich dreigend als een rechter. Planchet leunde trotsch tegen den rug van d’Artagnan’s stoel.
„Ziehier hoe het zich heeft toegedragen, edele heer!â€hernam de herbergier bevende, „want nu herken ik u, gij waart het, die u verwijderde, toen ik met den edelman, van wien gij spreekt, dien rampzaligen twist had.â€â€”„Ja, dat ben ik, gij hebt dus geen genade te wachten, indien gij niet volkomen de waarheid zegt.â€â€”„Gelieve mij aan te hooren en gij zult alles weten.â€â€”„Ik luister.â€
„Ik was door de overheid verwittigd, dat een befaamde valsche munter, in gezelschap van eenige zijner makkers, in mijn herberg zou aankomen, allen vermomd in het gewaad der gardes, of in dat der musketiers. Uw paarden, uw lakeien, uw gelaat, edele heer! was mij aangeduid.â€â€”„Vervolgens, vervolgens?†zeide d’Artagnan, die dadelijk begreep, vanwaar het zoo nauwkeurig opgegeven signalement kwam.—„Ik nam derhalve, volgens de bevelen der overheid, die mij een versterking van zes mannen zond, de noodige maatregelen, ten einde mij van de personen der gewaande valsche munters meester te maken.â€â€”„Al weer!†riep d’Artagnan, wien dat woord van valsche munters vreeselijk het oor kittelde.—„Vergeef mij, mijnheer! zoo ik dat woord uitspreek; maar hierin bestaat juist mijn verontschuldiging. Voor de overheid was ik bevreesd, en gij weet, dat een herbergier haar moet ontzien.â€â€”„Maar nog eens, waar is die edelman? wat is er van hem geworden? Is hij dood? Is hij levend?â€â€”„Geduld, mijnheer! wij zijn er.â€
„Er gebeurde dan wat gij weet, en hetgeen uw overhaast vertrek,†voegde de herbergier er bij met een geslepenheid, die d’Artagnan niet ontging, „scheen te wettigen. Die edelman, uw vriend, verdedigde zich wanhopend. Zijn knecht, die door een onvoorzien toeval twist met de als staljongens verkleede gerechtslieden gezocht had....â€â€”„O, ellendeling!†riep d’Artagnan, „gij waart het allen eens, en ik weet niet wat mij weerhoudt, dat ik u niet allen vermorzel!â€â€”„Helaas! neen, edele heer! wij waren het allen niet eens, en gij zult het hooren. Mijnheer uw vriend! (vergeef mij, dat ik hem niet bij zijn edelen naam noem, dien hij zeker bezit, maar wij kennen hem niet), mijnheer uw vriend,na met twee pistoolschoten twee mannen buiten gevecht te hebben gesteld, week achteruit, terwijl hij zich met zijn degen verdedigde, met welken hij nog een mijner mannen kwetste, en met het plat er van mij buiten kennis deed neertuimelen.â€â€”„Maar, beul! zult gij eindigen,†riep d’Artagnan, „Athos! hoe is het met Athos afgeloopen?â€â€”„Terwijl hij dan achteruit deinsde, zooals ik aan Uwe Excellentie heb gezegd, ontmoette hij achter zich de trap van den kelder, en daar de deur open stond, sprong hij er in. Eenmaal in den kelder, maakte hij zich van den sleutel meester en versperde de deur van binnen.... Dewijl men zeker was hem daar weer te vinden, liet men hem met rust.â€â€”„Ja,†zeide d’Artagnan, „men wilde hem niet zoozeer het leven ontnemen dan wel gevangen nemen.â€
„Gerechte God! hem gevangen nemen, edele heer! hij heeft zich zelven gevangen genomen, dat zweer ik u. Vooreerst had hij een zwaar werk verricht; een man was onder zijn slagen bezweken, en twee anderen gevaarlijk gekwetst. De doode en de beide gekwetsten werden door hun makkers weggevoerd, en nooit heb ik weer van den een, noch van den ander hooren spreken. Toen ik weder tot bewustzijn kwam, ging ik den heer gouverneur bezoeken, aan wien ik al het voorgevallene verhaalde, hem vragende wat ik met den gevangene moest doen; maar de heer gouverneur was alsof hij uit de wolken viel; hij zeide mij, dat hij volstrekt niet wist, wat ik zeggen wilde, dat de bevelen, die mij gegeven waren, volstrekt niet van hem kwamen, en dat, indien ik het ongeluk had, aan wien het ook ware, te zeggen, dat hij het minste deel in die opschudding had gehad, hij mij zou doen hangen. Het schijnt, dat ik mij bedrogen had, mijnheer! en den een voor den ander had aangehouden, zoodat degene, dien men had moeten aanhouden, zich gered heeft.â€
„Maar Athos?†riep d’Artagnan, wiens ongeduld ten top steeg, hoorende hoe de overheid de zaak aan zich zelve had overgelaten. „Wat is er van Athos geworden?â€â€”„Daar ik nu verlangend was zoo spoedigmogelijk het ongelijk den gevangene aangedaan te herstellen,†hernam de herbergier, „begaf ik mij naar den kelder, ten einde hem de vrijheid terug te geven. Doch, helaas! mijnheer! het was geen man meer, maar een duivel. Op het voorstel, hem zijn vrijheid terug te geven, zeide hij, dat zulks een valstrik was, dien men hem legde, en dat hij, alvorens er uit te komen, de voorwaarden wenschte te bepalen. Ik antwoordde hem nederig, want ik ontveinsde mij den neteligen toestand niet, waarin ik mij had geplaatst, door een musketier des konings aan te randen; ik zeide hem dan, dat ik bereid was mij aan zijn voorwaarden te onderwerpen.
„‚Vooreerst,’ zeide hij, ‚verlang ik, dat men mij mijn lakei met al zijn wapens teruggeve.’
„Men haastte zich aan dat bevel te gehoorzamen; want gij begrijpt wel, mijnheer! dat wij bereid waren alles te doen, wat uw vriend verlangde. De heer Grimaud, deze heeft zijn naam gezegd, ofschoon hij ook niet veel spreekt, de heer Grimaud werd dan in den kelder gelaten, hoe gekwetst hij ook was; nadat hij bij zijn meester gekomen was, versperde deze opnieuw de deur en beval ons in onzen winkel te blijven.â€â€”„Maar zeg dan toch,†riep d’Artagnan, „waar is hij? waar is Athos?â€â€”„In den kelder, mijnheer!â€â€”„Wat, ellendige! hebt gij hem al dien tijd in den kelder gehouden?â€â€”„Hemelsche goedheid! wel neen, mijnheer! zouden wij hem in den kelder houden! Gij weet niet wat hij in den kelder doet? Ach! indien gij hem dien kondt doen verlaten, mijnheer! ik zou er u mijn geheele leven dankbaar voor zijn; ik zou u als mijn beschermheilige vereeren.â€â€”„Dus is hij dáár, en ik zal hem dáár vinden?â€â€”„Wel zeker, mijnheer! hij is er halsstarrig in gebleven. Dagelijks steekt men hem door het luchtgat brood aan een hooivork toe en vleesch, wanneer hij er om vraagt; maar, helaas! het is geen vleesch of brood, dat hij het meest gebruikt. Eenmaal heb ik met twee knechts getracht naar beneden te gaan; maar toen ontstak hij in een hevigen toorn. Ik hoorde het gerucht zijner pistolen,van welke hij de hanen spande, en ook dat van het musket van zijn knecht. Vervolgens antwoordde de meester, toen wij vroegen, wat hun voornemens waren, dat hij en zijn lakei veertig schoten konden doen en hij ze zou afschieten tot het laatste, liever dan te veroorloven dat een onzer in den kelder kwam. Toen, mijnheer! ging ik den gouverneur mijn klachten doen, doch deze antwoordde mij, dat ik had wat ik verdiende en mij zulks zou leeren achtenswaardige edellieden te beleedigen, die hun verblijf in mijn herberg namen.â€
„Zoodat, sedert dien tijd....†hernam d’Artagnan, zich niet kunnende weerhouden om het armzalig gelaat van zijn gastheer te lachen.—„Zoodat, sedert dien tijd, mijnheer!†ging deze voort, „wij het treurigste leven leiden, dat men zich kan verbeelden; want mijnheer! gij moet weten, dat al onze voorraad mondbehoeften in den kelder is; zoowel onze gebottelde wijn als de wijn op het stuk ligt er, het bier, de olie en de specerijen, het spek en de worst, en dewijl het ons verboden is er binnen te gaan, zijn wij genoodzaakt aan de reizigers, die bij ons aankomen, eten en drinken te weigeren, tengevolge waarvan onze herberg dagelijks achteruitgaat; wanneer uw vriend nog acht dagen in den kelder blijft, zijn wij arm.â€â€”„Dan hebt gij wat gij verdient, snaak! Zag men niet aan ons voorkomen, dat wij voorname lieden en geen valsche munters waren, zeg?â€â€”„Ja, mijnheer! ja, gij hebt gelijk,†zeide de herbergier. „Maar luister, luister, daar begint hij weer kwaad te worden.â€â€”„Men zal hem zeker gestoord hebben,†zeide d’Artagnan.—„Maar wij moeten hem wel storen!†riep de waard; „er zijn twee Engelsche edellieden aangekomen.â€â€”„Welnu?â€â€”„Welnu, de Engelschen houden van goeden wijn, zooals gij weet, mijnheer! en deze hebben den besten gevraagd. Mijn vrouw zal nu aan uw vriend verzocht hebben naar beneden te mogen gaan, om dien heeren het verlangde te kunnen geven; maar hij zal, als naar gewoonte, hebben geweigerd. Ach, goede God! daar begint de Sabbath weer.â€
D’Artagnan hoorde inderdaad een groot geweld in de richting van den kelder; hij stond op, en door den herbergier voorafgegaan, die zich de handen wrong, en gevolgd van Planchet, met zijn geladen musket, naderde hij de plaats des schouwspels.
Beide edellieden waren buiten zich zelven van toorn; zij hadden een langen tocht gemaakt en stierven van honger en dorst.
„Maar dat is dwingelandij!†riepen zij in zeer goed Fransch, hoewel met een vreemden tongval, „dat die aartsgek die goede lieden het gebruik van hun wijn niet toestaat. Welaan, wij zullen de deur intrappen en indien hij razend is, zullen wij hem dooden.â€â€”„Zacht wat, heeren!†zeide d’Artagnan, zijn pistolen uit zijn gordelriem halende, „gij zult zoo goed zijn niemand te dooden.â€â€”„Goed, goed!†riep de kalme stem van Athos achter de deur, „laten zij maar binnenkomen, die kindervreters, en wij zullen eens zien.â€
Hoe dapper ook, zagen beide Engelsche edellieden elkander aan en aarzelden; het was alsof in dien kelder een hongerig gedrocht zich ophield, een dier reusachtige helden der volkssprookjes, wier hol niemand ongestraft binnentrad. Er heerschte een oogenblik stilte; eindelijk schaamden zich echter beide Engelschen achteruit te gaan en de kwaadaardigste van beiden ging de vijf of zes treden af, uit welke de trap bestond, en gaf tegen de deur een schop als om een muur te splijten.
„Planchet!†zeide d’Artagnan, zijn pistolen overhalende, „ik belast mij met dengene, die boven is; belast gij u met hem, die beneden is. Ha, heeren, gij wilt het gevecht? Welnu, men zal u een gevecht geven!â€â€”„Mijn God!†riep de holle stem van Athos, „ik hoor d’Artagnan, geloof ik.â€â€”„Waarlijk,†zeide d’Artagnan op zijn beurt de stem verheffende, „ik ben het zelf, mijn vriend!â€â€”„Zooveel te beter,†zeide Athos: „wij zullen hun een lesje geven, die deuren-opentrappers.â€
De edellieden hadden den degen getrokken; maar zij stonden als tusschen twee vuren; zij aarzelden een oogenblik, maar de hoogmoed hield de overhand eneen tweede schop deed de deur in haar lengte kraken.
„Ga op zijde, d’Artagnan! ga op zijde!†riep Athos, „ga op zijde, ik ga schieten.â€â€”„Heeren!†riep d’Artagnan, wien de bezadigdheid nooit verliet; „heeren! weest er op bedacht!.... Geduld, Athos!.... Gij mengt u daar in een slechte zaak, en gij zult u laten doodschieten. Ziehier mijn knecht en ik, die drie schoten op u zullen lossen, terwijl gij uit den kelder evenveel te wachten hebt; vervolgens hebben wij nog onze degens, met welke, dat verzeker ik u, mijn vriend en ik tamelijk handig zijn. Laat mij de bereddering uwer en mijner zaken over. Zoo aanstonds zult gij te drinken hebben, daar geef ik u mijn woord op.â€â€”„Als er overblijft....†bromde de stem van Athos spottend.
De waard voelde het koude zweet langs zijn ruggegraat loopen.—„Wat? als er nog overblijft,†mompelde hij.—„Wat duivel! er moet immers overblijven; wees dus gerust, zij zullen met hun tweeën uw geheelen kelder niet hebben leeggedronken. Mijne heeren! steekt uw degens in de scheede.â€â€”„Welnu, steek gij uw pistolen in uw gordelriem.â€â€”„Gaarne.â€â€”En d’Artagnan gaf het voorbeeld.
Toen zich tot Planchet wendende, gaf hij dezen een wenk, zijn musket bij den voet te zetten. De Engelschen, nu overtuigd, staken al grommende hun degens in de scheede. Men verhaalde hun de geschiedenis der gevangenneming van Athos, en daar het echte edellieden waren, gaven zij den herbergier ongelijk.
„Thans, mijne heeren!†zeide d’Artagnan, „gaat naar uw kamers en binnen tien minuten, verzeker ik u, zal men u alles bezorgen, wat gij kunt verlangen.â€â€”De Engelschen groetten en verwijderden zich.—„Thans, nu ik alleen ben, verzoek ik u, mijn waarde Athos! mij de deur te openen.â€â€”„Onmiddellijk,†zeide Athos.
Daarop hoorde men een groot gerucht van op elkander vallende takkebossen en stommelende balken; het waren de verschansingen en de bolwerken van Athos, die de belegerde zelf omwierp.
Een oogenblik daarna bewoog zich de deur, en menzag het bleeke hoofd van Athos verschijnen, die met een snellen blik de gesteldheid van zaken opnam. D’Artagnan wierp zich aan zijn hals en omhelsde hem teederlijk; toen hem uit dat vochtige verblijf willende trekken, bespeurde hij eerst dat Athos wankelde.—„Zijt gij gewond?†vroeg hij.—„Ik? volstrekt niet: ik ben smoordronken, anders niet, en nooit heeft iemand zooveel gedaan om het te worden. Lieve God! mijn gastheer! ik moet ten minste voor mijn hoofd honderdvijftig flesschen hebben leeggedronken.â€â€”„Barmhartigheid!†riep de herbergier, „als de knecht slechts half zooveel als zijn meester heeft gedronken, ben ik verloren.â€â€”„Grimaud is een lakei van goeden huize, die zich niet zou veroorloven datgene te gebruiken, wat ik gebruik, hij heeft dus alleen uit het stuk gedronken; maar zie eens, ik geloof, dat hij vergeten heeft de kraan te sluiten. Hoort gij het wel loopen?â€
D’Artagnan barstte in een luid gelach uit, dat de rilling van den herbergier in een heete koorts veranderde. Tegelijkertijd verscheen Grimaud achter zijn meester, met het musket op den schouder en met een knikkend hoofd, zooals de dronken saters op de schilderijen van Rubens. Hij was van voren en van achteren besproeid met een vette vloeistof, die de herbergier erkende voor zijn beste olijfolie.
De stoet ging de gelagkamer door en nam bezit van de fraaiste kamer der herberg, die d’Artagnan zich eigendunkelijk toeëigende. Onderwijl snelden de herbergier en zijn vrouw met lampen den kelder binnen, die hun zoolang was ontzegd geworden, en waar een akelig schouwspel hen wachtte. Achter de verschansing, waarin Athos een bres had gemaakt om er uit te komen en die uit takkebossen, planken en ledig vaatwerk bestond, alles volgens de vestingbouwkunde op elkander gestapeld, bespeurde men hier en daar, in plassen van olie en wijn zwemmende, de afgekloven beenderen van hammen, terwijl een hoop gebroken flesschen den geheelen linkerhoek van den kelder vulde en een vat, welks kraan was open gebleven, door die openingde laatste druppels van zijn bloed verloor.
Het beeld van verwoesting en dood heerschte daar, zooals de dichter der oudheid zegt, als op een slagveld. Van de vijftig worsten, die aan de balken hadden gehangen, bleven er nauwelijks tien over. Toen drong het gehuil van den herbergier en diens vrouw het gewelf des kelders door; zelfs d’Artagnan werd er door bewogen. Athos verroerde zich niet eens. Maar op de smart volgde de woede. De herbergier wapende zich met een braadspit en stormde het vertrek binnen.
„Wijn!†riep Athos, den herbergier ziende.—„Wijn!†herhaalde de ontstelde waard, „wijn! maar gij hebt voor meer dan honderd pistolen gedronken; ik ben een bedorven, verloren, arm gemaakt man!â€â€”„Och!†zeide Athos, „wij zijn steeds dorstig gebleven.â€â€”„Indien gij u slechts vergenoegd hadt den wijn uit te drinken, maar gij hebt al de flesschen gebroken.â€â€”„Gij hebt mij op een hoop gestooten, die in elkander is gevallen; dit is uw schuld.â€â€”„Al mijn olie is verloren!â€â€”„Olie is de beste balsem voor wonden, en Grimaud moest de wonden wel verbinden, die gij hem hadt toegebracht.â€â€”„Al mijn worsten verslonden.â€â€”„Er zijn ontzettend veel ratten in dien kelder.â€â€”„Gij zult mij alles betalen,†riep de waard, buiten zich zelven.—„Drievoudige kinkel!†zeide Athos, zich oprichtende, maar hij viel oogenblikkelijk weer neder; hij had het overblijfsel zijner krachten vertoond.
D’Artagnan kwam hem te hulp door zijn karwats op te heffen. De herbergier deinsde een schrede achteruit en barstte in geween los.—„Dat zal u leeren,†zeide d’Artagnan, „de gasten, die God u zendt, beleefder te behandelen.â€â€”„God! zeg liever de duivel!â€â€”„Mijn beste vriend! indien gij voortgaat ons de ooren te verscheuren, zullen wij ons alle vier in uw kelder sluiten, om te zien of werkelijk de schade zoo groot is als gij zegt.â€â€”„Welnu dan, edele heeren!†zeide de herbergier, „ik heb ongelijk, ik beken het; maar voor alle zonden is barmhartigheid; gij zijt groote heeren! en ik ben slechts een arm herbergier; gij zult medelijdenmet mij hebben.â€â€”„O! als gij zoo spreekt,†zeide Athos, „dan breekt gij mij het hart, en de tranen zullen mij de oogen gaan uitloopen, zooals de wijn uit uw vaten. Men is zoo kwaad niet als men er uit ziet. Welaan! kom hier en praten wij eens.â€
De herbergier naderde vreesachtig.—„Kom, zeg ik en vrees niet,†ging Athos voort. „Op het oogenblik, dat ik u wilde betalen, had ik mijn beurs op tafel gelegd.â€â€”„Ja, edele heer!â€â€”„Die beurs bevatte zestig pistolen; waar is zij?â€â€”„Ter Griffie neergelegd, edele heer! men zeide, dat het valsch geld was.â€â€”„Welnu, laat u de beurs teruggeven en behoud de zestig pistolen.â€â€”„Maar Uwe Excellentie weet wel, dat de Griffie niets loslaat, wat zij eenmaal in handen heeft; indien het valsch geld ware, was er nog hoop, maar ongelukkig is het goede munt.â€â€”„Schik het met de Griffie, mijn beste man! het raakt mij niet, te meer, daar mij geen frank overblijft.â€â€”„Laat zien,†zeide d’Artagnan, „waar is het oude paard van Athos?â€â€”„In den stal.â€â€”„Hoeveel is het waard?â€â€”„Op zijn hoogst vijftig pistolen.â€â€”„Het is tachtig waard, neem het en wees tevreden.â€â€”„Wat! verkoopt gij mijn paard?†zeide Athos, „verkoopt gij mijn Bajazet? En waarop zal ik te velde trekken? op Grimaud?â€â€”„Ik heb u een ander paard medegebracht,†zeide d’Artagnan.—„Een ander?â€â€”„Een heerlijk!†riep de herbergier.—„Welaan! indien er een ander fraaier en jonger paard is, neem dan het oude en geef te drinken.â€â€”„Wat?†vroeg de volkomen gerustgestelde waard.—„Van den wijn, die achter op de stelling ligt; er zijn nog vijf en twintig flesschen; al de andere zijn door mijn val gebroken. Breng er zes.â€â€”„Maar dat is een bliksemsche kerel!†zeide de herbergier bij zich zelven: „als hij nog slechts veertien dagen blijft en alles betaalt wat hij drinkt, ben ik gered.â€â€”„En vergeet niet,†ging d’Artagnan voort, „vier flesschen van denzelfden aan die Engelsche edellieden te bezorgen.â€
„Thans,†zeide Athos, in afwachting van den wijn,„moest gij mij eens verhalen, d’Artagnan, wat er van de anderen is geworden; laat hooren.â€
D’Artagnan verhaalde hem, hoe hij Porthos had aangetroffen met een ontwricht been, en Aramis aan tafel, tusschen twee theologanten. Terwijl hij eindigde, trad de herbergier met de gevraagde flesschen binnen en een ham, die gelukkig buiten den kelder was gebleven.
„Het is wel,†zeide Athos, zijn glas en dat van d’Artagnan vullende; „ziedaar wat Porthos en Aramis betreft, maar gij, mijn vriend! wat deert u en wat is u persoonlijk wedervaren? Gij ziet er mij zoo treurig uit.â€â€”„Helaas,†zeide d’Artagnan, „het is omdat ik de ongelukkigste van allen ben!â€â€”„Gij, ongelukkig, d’Artagnan!†riep Athos. „Laat hooren, op wat wijze zijt gij ongelukkig, zeg mij dat eens!â€â€”„Later,†antwoordde d’Artagnan.—„Later! en waarom later? omdat gij gelooft, dat ik te veel gedronken heb, d’Artagnan? Onthoud dit wel: nooit heb ik meer heldere denkbeelden, dan wanneer de wijn in mij is. Spreek dus, ik ben geheel oor.â€
D’Artagnan verhaalde zijn avontuur met juffrouw Bonacieux. Athos luisterde naar hem zonder zijn gelaat te vertrekken en toen hij geëindigd had, zeide hij: „Altemaal niets! altemaal niets!†dat was de gewone uitroep van Athos.—„Gij zegt altijd altemaal niets! mijn waarde Athos!†zeide d’Artagnan; „dat past u in het geheel niet, u, die nooit bemind hebt.â€â€”Het doffe oog van Athos schoot eensklaps vuur; maar het was slechts een weerlicht en het werd wederom dof en strak als vroeger.—„Het is waar,†zeide hij bedaard, „ik, ik heb nooit bemind.â€â€”„Gij ziet dan ook wel, ongevoelig hart!†zeide d’Artagnan, „dat gij ongelijk hebt, streng jegens meer teedere harten te zijn.â€â€”„Teedere harten, doorboorde harten!†zeide Athos.—„Wat zegt gij?â€â€”„Ik zeg, dat de liefde een loterij is, in welke hij, die wint, den dood wint. Gij zijt wel gelukkig verloren te hebben, geloof mij, waarde d’Artagnan! En als ik u een raad mag geven, verlies dan altijd.â€â€”„Zij scheen mij zoo oprecht te beminnen.â€â€”„Zijscheen!â€â€”„O! zij beminde mij!â€â€”„Kind! geen mensch of hij heeft, evenals gij, geloofd, dat zijn minnares hem beminde, en geen mensch of hij is door zijn minnares bedrogen geworden.â€â€”„Behalve gij, Athos! die er nooit een hebt gehad.â€â€”„Dat is waar,†zeide Athos na een oogenblik zwijgens, „ik heb er nooit een gehad. Laat ons drinken.â€
„Maar dan, groote wijsgeer!†zeide d’Artagnan, „onderwijs mij, ondersteun mij; ik heb noodig te leeren en getroost te worden.â€â€”„Waarover u te troosten?â€â€”„Over mijn ongeluk.â€â€”„Uw ongeluk is belachenswaard,†zeide Athos, de schouders ophalende; „ik zou wel willen weten, wat gij zeggen zoudt, indien ik u een zekere liefdesgeschiedenis verhaalde.â€â€”„Die u is gebeurd?â€â€”„Of een mijner vrienden, dat doet er niet toe.â€â€”„Verhaal, Athos! verhaal!â€â€”„Drinken is beter.â€â€”„Drink en verhaal.â€â€”„Nu, dat kan,†zeide Athos, zijn glas ledigende en weder vullende: „die beide dingen gaan heerlijk samen.â€â€”„Ik luister,†zeide d’Artagnan.
Athos overpeinsde en intusschen zag d’Artagnan hem verbleeken; hij was op die hoogte der gewone drinkers, wanneer deze neervallen en slapen. Hij droomde luide, zonder te slapen. Dat somnambulisme der dronkenschap had iets verschrikkelijks.—„Wilt gij het volstrekt?†vroeg hij.—„Ja, ik verzoek er u om.â€â€”„Dan zal ik doen, wat gij verlangt. Een mijner vrienden,—een mijner vrienden, hoort gij wel? niet ik,†zeide Athos, zijn rede met een somberen glimlach afbrekende, „een der graven mijner provincie,—dat is vanBerry, edel als een Dandolo of een Montmorency, verliefde, vijf en twintig jaar oud zijnde, op een meisje van zestien jaar, schoon als de liefde. Boven de onschuld van haar ouderdom blonk uit: een vurige geest, een niet vrouwelijke, maar dichterlijke geest. Zij behaagde niet, zij bedwelmde; zij woonde in een klein gehucht, bij haar broeder, die pastoor was. Beiden waren als vreemden in de provincie gekomen. Men wist niet, van waar zij kwamen en aangezien men haar zoo schoon en haarbroeder zoo vroom vond, dacht men er niet eens aan hun te vragen, van waar zij kwamen. Overigens hield men het er voor, dat zij van goede afkomst waren. Mijn vriend, die landheer was, zou haar hebben kunnen verleiden, of naar willekeur met haar handelen; want hij was de meester; immers, wie zou twee vreemdelingen, twee onbekenden te hulp zijn gekomen; maar helaas, hij was een eerlijk man; hij huwde haar. De dwaas, de gek, de dommerik!â€â€”„En waarom? hij beminde haar immers?†zeide d’Artagnan.—„Wacht een oogenblik!†zeide Athos. „Hij geleidde haar in zijn kasteel en maakte van haar de eerste dame der provincie; en het moet gezegd worden, zij deed volkomen haar rang eer aan.â€â€”„En verder,†vroeg d’Artagnan.
„Welnu! op zekeren dag, dat zij met haar man op jacht was,†ging Athos met gesmoorde stem en zeer haastig sprekende voort, „viel zij bewusteloos van het paard. De graaf snelde te harer hulp en daar zij in haar kleederen als verstikte, sneed hij ze met zijn dolk los en ontblootte haar den schouder. Raad eens, wat zij op den schouder had, d’Artagnan?†vroeg Athos, in luid gelach uitbarstende.—„Kan ik het weten?†zeide d’Artagnan.—„Een lelie,â€9) hernam Athos, „zij was gebrandmerkt!â€â€”En hij ledigde in één teug het glas, dat hij in de hand hield.
9) Voor 1789 geschiedde in Frankrijk het brandmerken door dit teeken, gelijk later door de letters T. F. (travaux forcés).
„Wat afschuwelijkheid verhaalt gij mij daar!†riep d’Artagnan.—„De waarheid, mijn waarde! de engel was een duivelin. Het arme kind had gestolen.â€â€”„En wat deed de graaf?â€â€”„De graaf was een groot heer en oppermachtig rechter op zijn landgoederen; hij ging voort met de kleederen der gravin te verscheuren, bond haar de armen op den rug en hing haar op aan een boom.â€â€”„Hemel! Athos! een moord!†riep d’Artagnan.—„Ja, een moord!†zeide Athos, bleek als een lijk; „maar men laat ons wijn ontbreken, geloof ik.â€
En Athos greep de laatste flesch, die overbleef, bij denhals, zette die aan den mond en dronk ze in één teug leeg, alsof het een gewoon glas ware geweest. Vervolgens liet hij zijn hoofd in beide handen zinken; d’Artagnan bleef voor hem zitten, van ontzetting vervuld.
„Dat heeft mij van den hartstocht voor schoone, dichterlijke en verliefde vrouwen genezen,†zeide Athos, zich opheffende, zonder er aan te denken het verhaal van den graaf te vervolgen; „dat God evenzoo met u handele. Drinken wij nog eens.â€â€”„Dus zij is dood?†stamelde d’Artagnan.—„Parbleu!†antwoordde Athos. „Maar reik uw glas toe.—Ham! snaak!†riep Athos, „wij kunnen niet meer drinken.â€â€”„Maar haar broeder?†vroeg d’Artagnan verder schroomvallig.—„Haar broeder!†hernam Athos.—„Ja, de priester.â€â€”„O! ik deed onderzoek naar hem, om ook hem te doen ophangen; maar hij was mij vóór geweest; hij had zijn standplaats den vorigen dag verlaten.â€â€”„En heeft men vernomen, wat die ellendeling eigenlijk was?â€â€”„Het was de eerste minnaar en de medeplichtige der schoone, een achtenswaardig man, die zich als priester voordeed, om zijn minnares een huwelijk te bezorgen en haar lot te verzekeren. Hij zal gevierendeeld zijn, hoop ik.â€â€”„Ach, mijn God! mijn God!†zuchtte d’Artagnan, geheel ontroerd door deze akelige geschiedenis.—„Eet toch van die ham, d’Artagnan! zij is overheerlijk,†zeide Athos, een snede afsnijdende, die hij op het bord des jongelings legde. „Hoe jammer dat er niet vier zoodanige in den kelder zijn geweest, ik zou vijftig flesschen meer hebben gedronken.â€
D’Artagnan vermocht niet langer een gesprek vol te houden, dat hem krankzinnig zou hebben gemaakt; hij liet zijn hoofd in beide handen vallen en hield zich, alsof hij in slaap viel.
„Het jonge geslacht kan niet meer drinken,†zeide Athos, hem medelijdend beschouwende; „en toch is hij nog de beste.â€
Terugkomst.
D’Artagnan was als verpletterd door de vreeselijke mededeeling van Athos. Veel duisters was er nog voor hem in die halve vertrouwelijkheid. Vooreerst was dat verhaal gedaan door een volkomen beschonken man aan een half dronken man; en echter, ondanks die ledigheid, welke twee of drie flesschen krachtige Bourgognewijn in de hersens doet ontstaan, herinnerde zich d’Artagnan, toen hij des morgens ontwaakte, al de woorden van Athos even goed, alsof ze, naar gelang zij uit den mond van den eenen vielen, in den geest des anderen waren ingedrukt geworden. Die twijfel wekte te grootere begeerte in hem om tot zekerheid te geraken, en hij begaf zich tot zijn vriend, met het vaste besluit het gesprek van den vorigen dag weder aan te knoopen; maar hij vond Athos geheel van zin veranderd, dat is, de slimste en geheimhoudendste man der wereld.
Overigens kwam de musketier, na een handdruk en een glimlach met hem te hebben gewisseld, hem het eerst tegemoet, alsof hij hem begrepen had.—„Ik was gisteren erg dronken, mijn waarde d’Artagnan!†riep hij; „ik voelde dit hedenmorgen aan mijn tong, die nog zeer zwaar, en aan mijn pols, die erg driftig was. Ik wed, dat ik duizenderlei dwaasheden heb uitgekraamd.â€â€”En deze woorden zeggende, beschouwde hij zijn vriend met een zoo strakken blik, dat deze verlegen werd.
„Wel neen,†zeide d’Artagnan, „en indien ik mij wèl herinner, hebt gij niets dan over gewone zaken gesproken.â€â€”„Wel! gij verbaast mij, ik meende u een allerakeligste geschiedenis te hebben verhaald.â€â€”En hij beschouwde den jongeling, alsof hij in het diepste zijner ziel had willen lezen.
„Waarachtig!†zeide d’Artagnan, „het schijnt, dat ik nog erger beschonken ben geweest dan gij, dewijl ik mij volstrekt niets herinner.â€
Athos rekende zich niet voldaan door dat antwoord en hernam: „Het kan niet anders, of gij moet hebben opgemerkt, mijn waarde vriend, dat iedereen een eigenaardige dronkenschap bezit: treurig of blijde. Ik heb een droefgeestige dronkenschap over mij en eenmaal te veel gedronken hebbende, voel ik mij gedreven al de akelige histories te verhalen, die mijn zotte voedster mij in de hersens heeft geprent. Dat gebrek heb ik; waarlijk een groot gebrek, dat beken ik; maar overigens ben ik een goed drinker.â€â€”Athos zeide dit op een zoo natuurlijken toon, dat d’Artagnan in zijn overtuiging wankelde.
„Ei, is het dan dat, wat ik mij herinner,†hernam de jongeling, trachtende achter de waarheid te komen, „maar ik herinner het mij trouwens als een droom, dat wij over gehangenen hebben gesproken.â€â€”„Ha! ziet gij wel,†zeide Athos verbleekende, doch trachtende te glimlachen; „ik was er zeker van; gehangenen zijn voor mij als de nachtmerrie.â€â€”„Ja, ja,†hernam d’Artagnan, „ziedaar, ik begin het mij te herinneren; het betrof.... wacht eens, het betrof een vrouw.â€â€”„Ziet gij wel,†antwoordde Athos, bijna lijkkleurig wordende, „dat is mijn stokpaardje, de geschiedenis dier blonde vrouw, en wanneer ik die verhaal, ben ik smoordronken.â€â€”„Ja, dat is zoo,†zeide d’Artagnan, „de geschiedenis der groote, schoone blonde vrouw, met blauwe oogen.â€â€”„Ja, en gehangen.â€â€”„Door haar man, die een groot heer, een uwer vrienden was,†ging d’Artagnan voort, Athos scherp aanziende.—„Zie nu eens hoe men iemand zou kunnen benadeelen, wanneer men niet meer weet wat men zegt,†hernam Athos, de schouders ophalende, alsof hij over zich zelven medelijden gevoelde. „Het is uit, ik wil mij geen roes meer drinken, d’Artagnan! het is een al te slechte gewoonte.â€
„A propos!†zeide Athos, „ik dank u voor het paard, dat gij voor mij hebt medegebracht.â€â€”„Is het naar uw zin?â€â€”„Ja, maar het is geen paard, dat veel vermoeienissen kan doorstaan.â€â€”„Dat hebt ge mis, ik heb er tien mijlen in anderhalf uur mede afgelegd, en menwerd hiervan evenmin iets gewaar, alsof het het plein St. Sulpice had omgereden.â€â€”„Zoo, zoo! maar gij zult maken dat ik berouw krijg.â€â€”„Berouw?â€â€”„Ja, ik heb er mij van ontdaan.â€â€”„Hoedat?â€â€”„Ziehier de toedracht der zaak: heden ochtend ontwaakte ik om zes uur. Gij sliept als een roos; ik wist niet, waarmede den tijd te verdrijven en was nog geheel bedwelmd ten gevolge onzer drinkpartij van gisteren. Ik begaf mij in de gelagkamer, waar ik een van onze Engelschen aantrof, die met een paardenkooper in onderhandeling was over den aankoop van een paard, daar het zijne gisteren door een bloedstorting gestorven was. Ik naderde en hem honderd pistolen hoorende bieden voor een rosachtigpaard, zeide ik hem:
„‚Pardieu!edele heer! ik heb ook een paard te koop.’—‚En zelfs een zeer fraai,’ zeide deze, ‚ik heb het gisteren gezien, toen de knecht van uw vriend het bij den toom hield.’—‚Vindt gij, dat het honderd pistolen waard is?’—‚Ja, wilt gij het mij voor dien prijs geven?’—‚Neen, maar ik wil er om spelen.’—‚Waarmede?’—‚Met dobbelsteenen.’
„Zoo gezegd, zoo gedaan en ik verloor het paard; maar, het is waar,†ging Athos voort, „ik heb het dekkleed teruggewonnen.â€
D’Artagnan maakte een tamelijk onvriendelijk gebaar.
„Is u dat onaangenaam?†vroeg Athos.—„Ja, ik beken het,†hernam d’Artagnan, „dat paard moest dienen om ons op het slagveld te doen herkennen; het was een onderpand, een gedachtenis. Athos! gij hebt niet wel gedaan.â€â€”„Wel, mijn beste vriend! stel u in mijn plaats,†hernam de musketier; „ik verveelde mij doodelijk, en dan, op mijn eer, ik houd niet van Engelsche paarden. En daarbij, wanneer het alleen moest dienen om ons te doen herkennen, dan is het dekkleed hiertoe voldoende; het is merkwaardig genoeg. Wat het paard betreft, wij zullen wel een of andere verontschuldiging vinden om zijn verdwijning te verklaren.Wat duivel! een paard is sterfelijk; stellen wij, dat het mijne de snot of het schurft heeft gehad.â€
D’Artagnan keek er niet vroolijker om.
„Het spijt mij, dat gij aan die dieren zoo gehecht schijnt te zijn,†vervolgde Athos, „want mijn geschiedenis is nog niet ten einde.â€â€”„Wat hebt gij dan nog verder uitgevoerd?â€â€”„Na mijn paard te hebben verloren, negen tegen tien, zie eens wat worp, kwam het denkbeeld in mij op het uwe te wagen.â€â€”„Zoo; maar ik hoop, dat gij het bij het denkbeeld hebt gelaten.â€â€”„In het geheel niet, ik voerde het dadelijk uit.â€â€”„Wat!†riep d’Artagnan angstig.—„Ik speelde en verloor.â€â€”„Mijn paard?â€â€”„Uw paard! zeven tegen acht; slechts één punt. Gij kent het spreekwoord?â€â€”„Athos! waarachtig, gij zijt niet bij uw verstand, dat zweer ik u.â€â€”„Mijn waarde! gij hadt mij dit gisteren moeten zeggen, toen ik u mijn zotte sprookjes verhaalde, doch heden niet. Ik verloor ze dan met al het mogelijk tuig.â€â€”„Maar dat is allerberoerdst!â€â€”„Wacht toch, gij zijt er nog niet. Ik zou een voortreffelijk speler zijn, indien ik niet koppig ware, maar ik ben koppig; het is precies als wanneer ik drink. Ik bleef dus halsstarrig voortspelen.â€â€”„Maar hoe kondet gij nog spelen? er bleef u niets meer over.â€â€”„Ja wel, ja wel, mijn vriend! gij hadt nog dien diamant, die aan uw vinger schittert en dien ik gisteren had opgemerkt.â€â€”„Die diamant!†riep d’Artagnan, haastig zijn hand op den ring leggende.—„En als kenner, en de bezitter van eenige geweest zijnde, had ik dien op duizend pistolen geschat.â€â€”„Ik hoop,†zeide d’Artagnan ernstig en half dood van angst, „dat gij volstrekt geen melding van mijn diamant hebt gemaakt?â€â€”„Integendeel, waarde vriend! gij begrijpt wel, dat deze diamant ons eenigst redmiddel werd; daarmede kon ik onze paarden terugwinnen en zelfs onze reiskosten.â€â€”„Athos! gij doet mij beven!†riep d’Artagnan.—„Ik sprak dus over uw diamant met mijn tegenpartij, die hem ook had opgemerkt. Wat duivel, mijn vriend! gij draagt aan uw vinger een ster des hemels, en gij wilt niet datdie in het oog valle.... onmogelijk!â€â€”„Zeg maar alles tegelijk, mijn vriend!†zeide d’Artagnan, „want, op mijn eer, uw koelbloedigheid doet mij den dood aan.â€â€”„Wij deelden dus dien diamant in tien deelen, elk van honderd pistolen.â€â€”„O, gij schertst en wilt mij beproeven,†zeide d’Artagnan, wien de toorn bij de haren greep, zooals Minerva Achilles in de Iliade grijpt.—„Neen, ik scherts niet,mordieu! Ik had u wel eens willen zien, u! Het was veertien dagen geleden, dat ik een menschelijk wezen had gezien, en dien tijd had ik mij daar beneden verstompt in het gezelschap van wijnflesschen.â€â€”„Dat is geen reden om mijn diamant te verspelen,†antwoordde d’Artagnan, zijn vuist met een krampachtige trekking sluitende.—„Luister dan naar het einde:
„Tien deelen, elk van honderd pistolen, in tien worpen, zonder overspelen. In dertien worpen verloor ik alles. In dertien worpen! Het getal dertien is mij altijd noodlottig geweest; het was den dertienden der maand Juli, dat....â€â€”„Ventrebleu!†riep d’Artagnan, van tafel opstaande, terwijl de geschiedenis van het oogenblik hem die van den vorigen dag deed vergeten.—„Geduld,†zeide Athos; „ik had een plan. De Engelschman was een zonderling. Ik had hem den vorigen dag met Grimaud zien spreken en Grimaud had mij verwittigd, dat hij hem had voorgesteld bij hem in dienst te treden. Ik speel dan met hem om Grimaud, Grimaud in tien deelen gesplitst.â€â€”„O, dat is te erg,†zeide d’Artagnan, in luid gelach uitbarstende.—„Grimaud zelf, verstaat gij? en met de deelen van Grimaud, die in zijn geheel geen dukaat waard is, win ik den diamant weer terug. Zeg nu nog eens, dat de volharding geen deugd is.â€â€”„Op mijn woord, dat is grappig!†riep d’Artagnan, die nu vertroost was en zich de zijden hield van het lachen.
„Gij begrijpt wel, dat eenmaal aan het winnen, ik weer dadelijk den diamant ging wagen.â€â€”„O, duivelsch!†zuchtte d’Artagnan, opnieuw beangst.—„Ik heb toen uw tuig weer gewonnen, toen uw paard:vervolgens mijn tuig en toen mijn paard, toen alles weer verloren; kortom, ik heb eerst uw tuig, vervolgens het mijne teruggekregen. Ziedaar het punt, waarop wij ons thans bevinden. Het was een heerlijke worp; ook heb ik het daarbij gelaten.â€
D’Artagnan haalde adem, alsof men van zijn borst de herberg had geheven.—„Zoodat mij de diamant overblijft?†vroeg hij schroomvallig.—„Volkomen, waarde vriend! Verder het tuig van uw Bucephalus en van den mijne.â€â€”„Maar wat zullen wij met het tuig zonder de paarden doen?â€â€”„Ik heb er een plan mede.â€â€”„Athos! gij doet mij beven.â€â€”„Luister! Gij, d’Artagnan! hebt in langen tijd niet gespeeld?â€â€”„En ik heb geen zin om te spelen.â€â€”„Verzekeren wij niets. Gij hebt in langen tijd niet gespeeld; het is dus nu een geschikt oogenblik om het eens te beproeven.â€â€”„En dan?â€â€”„Wel, de Engelschman en zijn reisgezel zijn er nog. Ik heb gemerkt, dat zij zeer gaarne het tuig zouden hebben. Gij schijnt zeer aan uw paard gehecht te zijn; in uw plaats zou ik het tuig tegen het paard zetten.â€â€”„Maar hij zal niet enkel het tuig willen.â€â€”„Waag dan beide,pardieu!ik ben geen baatzuchtige, zooals gij.â€â€”„Gij zoudt het doen?†vroeg d’Artagnan wankelende, zoozeer begon het goed vertrouwen van Athos hem te winnen, zonder dat hij zulks bemerkte.—„Op mijn woord van eer, in één worp.â€â€”„Maar na reeds de paarden verloren te hebben, zou het mij ontzaglijk aangenaam zijn, ten minste het tuig te behouden.â€â€”„Zet dan uw diamant in.â€â€”„O, dat is wat anders, dat nooit, nooit!â€â€”„Duivelsch!†zeide Athos, „ik zou u wel willen voorslaan Planchet te wagen, maar daar zoo iets reeds heeft plaats gehad, zal de Engelschman misschien niet meer willen.â€â€”„Waarlijk, waarde Athos!†zeide d’Artagnan, „ik zou liever niets willen wagen.â€â€”„Dat is jammer,†hernam Athos koel, „de Engelschman zit vol pistolen. Ei, mijn God! waag één worp; een worp is spoedig gespeeld.â€â€”„En als ik verlies?â€â€”„Gij zult winnen.â€â€”„Maar als ik verlies?â€â€”„Welnu, dan geeft gij detuigen.â€â€”„Nu, het is goed, één worp,†zeide d’Artagnan.
Athos ging den Engelschman zoeken en vond hem in den stal, waar hij de tuigen met een begeerig oog beschouwde. De gelegenheid was gunstig. Hij stelde zijn voorwaarden: de beide tuigen tegen één paard of honderd pistolen, naar verkiezing. De Engelschman had spoedig berekend: de twee tuigen waren beide wel driehonderd pistolen waard, en hij bewilligde.
D’Artagnan wierp de steenen al bevende en gooide drie oogen; zijn bleekheid verschrikte Athos, die niets anders zeide dan: „Dat is een bedroefde worp, vriend! Gij zult de paarden geheel getuigd hebben, mijnheer!â€â€”De zegevierende Engelschman gaf zich niet eens de moeite de steenen te schudden; hij wierp ze op tafel, zonder er naar te zien, zoo zeker was hij van de overwinning. D’Artagnan had zich omgekeerd om zijn kwade luim te verbergen.—„Kijk, kijk, kijk eens!†riep Athos met zijn kalme stem, „dat is een buitengewone worp, en ik heb dien maar vier malen in mijn leven gezien; twee azen!â€
De Engelschman keek en was getroffen van verbaasdheid; d’Artagnan keek en bloosde van vreugd.—„Ja,†ging Athos voort, „maar vier malen: eenmaal ten huize van den heer de Créqui, een ander maal ten mijnent, buiten op mijn kasteel van.... toen ik nog een kasteel had.... en de derde maal bij den heer de Tréville, die ons allen overviel, eindelijk de vierde maal in de kroeg, waar ik wierp en er honderd louis d’or en een souper bij verloor.â€â€”„Mijnheer neemt zijn paard terug?†vroeg de Engelschman.—„Zeker,†zeide d’Artagnan.—„Dus spelen wij niet verder?â€â€”„Onze voorwaarden, zooals gij u zult herinneren, waren niet door te spelen.â€â€”„Dat is waar, uw paard zal aan uw knecht worden teruggegeven, mijnheer!â€â€”„Een oogenblikje,†zeide Athos, „met uw verlof, mijnheer! ik zou mijn vriend gaarne een paar woorden zeggen.â€â€”„Ga uw gang.â€
Athos nam d’Artagnan ter zijde.—„Welnu, wat begeert gij nog van mij, verleider! gij wilt dat ik doorgamet spelen, niet waar?â€â€”„Neen, ik wil dat gij overweegt.â€â€”„Waarover?â€â€”„Gij wilt het paard terugnemen?â€â€”„Wel zeker.â€â€”„Gij hebt ongelijk, ik zou de honderd pistolen nemen; gij weet, dat gij de tuigen tegen het paard of honderd pistolen, naar uw keuze, hebt ingezet.â€â€”„Ja.â€â€”„Ik zou de honderd pistolen nemen.â€â€”„Welnu, ik neem het paard.â€â€”„En ik herhaal het u, gij hebt ongelijk. Wat zullen wij met één paard voor ons beiden uitvoeren? Ik kan niet achterop gaan zitten; wij zouden twee Heemskinderen gelijken, die hun broeders verloren hebben; gij zult mij ook niet vernederen, door naast mij te rijden op dat prachtige ros. Ik zou zonder de minste aarzeling de honderd pistolen nemen; wij hebben geld noodig om naarParijsterug te keeren.â€â€”„Ik ben aan dat paard gehecht, Athos!â€â€”„En gij hebt ongelijk, mijn vriend! een paard kan een zijsprong doen; een paard struikelt en valt over den kop; een paard eet uit een ruif, waaruit een snotterig paard heeft gegeten, en dan is uw paard, of liever dan zijn er honderd pistolen verloren; vervolgens moet de eigenaar zijn paard voeden, daar integendeel honderd pistolen zijn meester den kost geven.â€â€”„Maar hoe zullen wij terugkeeren?â€â€”„Op de paarden van onze lakeien,pardieu! Men zal altijd wel aan ons voorkomen zien, dat wij voorname lieden zijn.â€â€”„Wij zullen een fraaie vertooning op die hitten maken, terwijl onze vrienden op hun paarden zullen pronken.â€â€”„Aramis! Porthos!†riep Athos, en hij begon te lachen.—„Wat?†vroeg d’Artagnan, die van den lachlust zijns vriends niets begreep.—„Niets, niets!†zeide Athos.—„Dus gij raadt mij....?â€â€”„De honderd pistolen te nemen, d’Artagnan. Met die honderd pistolen kunnen wij tot aan het einde der maand feest vieren; wij hebben vermoeienissen ondergaan, ziet gij, en het is goed, dat wij een weinig uitrusten.â€â€”„Ik rusten? O neen, Athos! zoodra ik teParijskom, ga ik die arme vrouw zoeken.â€â€”„Welnu! gelooft gij, dat uw paard u hiertoe van meer dienst zal zijn dan goede louis d’or? Neem de honderdpistolen, mijn vriend! neem de honderd pistolen!â€
D’Artagnan behoefde slechts een reden om zich gewonnen te geven, en deze scheen hem voortreffelijk. Daarenboven, door langer tegen te streven, vreesde hij in de oogen van Athos een baatzuchtige te schijnen. Hij nam dan aan en verkoos de honderd pistolen, die de Engelschman hem oogenblikkelijk voortelde. Vervolgens dacht men aan niets anders meer dan aan het vertrek.
De vrede met den herbergier kostte, behalve het oude paard van Athos, zes pistolen. D’Artagnan en Athos namen de paarden van Planchet en Grimaud; de twee knechts gingen te voet op weg, de zadels op het hoofd dragende. Hoe slecht ook van paarden voorzien, waren beide vrienden spoedig hun lakeien vóór en kwamen teCrèvecoeur. Van verre bespeurden zij Aramis, treurig uit het venster liggende en zooalszuster Anna, zag hij de stofwolken in de verte opgaan.