HOOFDSTUK XXXI.

„Mijn lief kind!Houd u gereed;onze vriendzal u dra zien en u niet anders zien dan om u uit de gevangenis te ontrukken, waar uw zekerheid vereischte, dat gij verborgen bleeft; bereid u dus om te vertrekken en wanhoop nooit in ons.—Onze moedige Gaskonjer heeft zich, zooals altijd, dapper en getrouw gedragen; zeg hem, dat men hem ergens zeer dankbaar is voor zijn waarschuwing.”

„Mijn lief kind!

Houd u gereed;onze vriendzal u dra zien en u niet anders zien dan om u uit de gevangenis te ontrukken, waar uw zekerheid vereischte, dat gij verborgen bleeft; bereid u dus om te vertrekken en wanhoop nooit in ons.—Onze moedige Gaskonjer heeft zich, zooals altijd, dapper en getrouw gedragen; zeg hem, dat men hem ergens zeer dankbaar is voor zijn waarschuwing.”

„Ja, ja,” zeide milady, „ja, de brief is bepaald, en kent gij ook de waarschuwing?”—„Neen; ik geloofalleen, dat het een nieuw verraad van den kardinaal jegens de koningin betreft, waarvoor hij haar zal hebben gewaarschuwd.”—„Ja, dat zal het zijn,” zeide milady, den brief aan juffrouw Bonacieux teruggevende, terwijl zij peinzend het hoofd op de borst liet zinken.

Op dat oogenblik hoorde men den hoefslag van een paard.... „O!” riep juffrouw Bonacieux, naar het venster ijlende, „zou hij het zijn?”

Milady was in haar bed gebleven, als van verbazing versteend; er gebeurde haar eensklaps zooveel, dat zij voor het eerst radeloos was.—„Hij, hij!” mompelde zij, „zou hij het zijn?”—En zij bleef met strakke oogen in haar bed liggen.

„Helaas! neen!” zeide juffrouw Bonacieux, „het is een man, dien ik niet ken. Hij schijnt hierheen te komen; ja, hij vermindert al den gang zijns paards; hij blijft voor de deur stilstaan en schelt.”—Milady sprong uit haar bed.—„Zijt gij wel zeker, dat hij het niet is?” vroeg zij.—„O! heel zeker.”—„Misschien hebt ge niet goed gezien.”—„O! de pluim van zijn hoed, de slip van zijn mantel zijn voldoende, wanneer ik die zie, om hem er aan te herkennen.”—Milady bleef voortgaan met zich te kleeden.—„Het doet er niet toe; die man komt hier, zegt gij?”—„Ja, hij is reeds binnen.”—„Het is òf voor u, òf voor mij.”—„O, mijn God! wat zijt gij ontroerd!”—„Ja, ik ben zoo goed vertrouwend niet als gij en vrees alles van den kardinaal.”—„Stil!” zeide juffrouw Bonacieux, „men komt.”

Inderdaad, de deur werd geopend en de abdis trad binnen.—„Zijt gij vanBoulognegekomen?” vroeg zij aan milady.—„Ja,” antwoordde deze, haar koelbloedigheid trachtende te herstellen; „wie vraagt naar mij?”—„Een man, die zijn naam niet wil zeggen, maar die vanwege den kardinaal komt.”—„En die mij wil spreken?” vroeg milady.—„Die een dame wil spreken, welke vanBoulogneis gekomen.”—„Laat hem dan als het u belieft binnengaan, mevrouw.”—„Ach, mijn God, mijn God!” riep juffrouw Bonacieux, „zou heteen andere slechte tijding betreffen?”—„Ik vrees er voor.”—„Ik laat u alleen met dien vreemdeling; maar dadelijk, na zijn vertrek, zoo gij zulks veroorlooft, kom ik terug.”—„Wat anders! ik bid er u om.”

De abdis en juffrouw Bonacieux verwijderden zich. Milady bleef alleen, de oogen op de deur gevestigd houdende. Een oogenblik later hoorde men het gerucht van sporen, die op de trap weergalmden; vervolgens naderden de voetstappen, de deur werd geopend en een man verscheen. Milady slaakte een vreugdekreet. Die man was de graaf de Rochefort, de vertrouweling Zijner Eminentie.

Twee verschillende soorten van duivels.

„Ha!” riepen gelijktijdig Rochefort en milady, „zijt gij het?”—„Ja, ik ben het.”—„En gij komt van....?” vroeg milady.—„Vanla Rochelle; en gij?”—„UitEngeland.”—„Buckingham....?”—„Gedood of gevaarlijk gewond; daar ik niets van hem kon verkrijgen, was ik gereed te vertrekken, toen een geestdrijver hem vermoordde.”—„Ha!” lachte Rochefort, „ziedaar een gelukkig toeval, dat Zijne Eminentie niet weinig genoegen zal doen. Hebt gij hem hiervan reeds kennis gegeven?”—„Ik heb hem uitBoulognegeschreven. Maar hoe komt gij hier?”—„Zijne Eminentie, die ongerust was, heeft mij ter uwer opsporing doen vertrekken.”—„Ik ben eerst sedert gisteren aangekomen.”—„En wat hebt gij sedert gisteren gedaan?”—„Ik heb geen tijd verloren.”—„O! daaraan twijfel ik volstrekt niet.”

„Weet gij, wie ik hier heb ontmoet?”—„Neen!”—„Raad eens.”—„Hoe wilt gij, dat ik rade?”—„De jonge vrouw, welke de koningin uit de gevangenis heeft doen bevrijden.”—„De minnares van den jongend’Artagnan?”—„Ja, juffrouw Bonacieux, wier verblijf den kardinaal onbekend was.”—„Welnu,” zeide Rochefort, „ziedaar wederom een toeval, dat met het andere kan samengaan. De kardinaal is een gelukkig man!”—„Begrijp eens mijn verwondering,” vervolgde milady, „toen ik eensklaps die vrouw voor mijn oogen zag.”—„Kent zij u?”—„Neen.”—„Dan beschouwt zij u als een vreemdelinge?”—Milady glimlachte.—„Ik ben haar beste vriendin.”—„Op mijn eer,” zeide Rochefort, „ik ken niemand dan u, mijn lieve gravin! om dergelijke mirakelen te doen.”—„En het is zeer gelukkig geweest, graaf!” zeide milady, „want weet gij wel, wat er gaande is? Men zal haar morgen of overmorgen op een bevel der koningin komen afhalen.”—„Waarlijk! en wie?”—„D’Artagnan en zijn vrienden.”—„Inderdaad, zij zullen eindigen met zich naar de Bastille te doen zenden.”—„Waarom is het al niet gedaan?”

„Wat wilt gij? de kardinaal heeft een zwakheid voor die lieden, welke ik niet begrijp.”—„Waarlijk? welnu, zeg hem dit, Rochefort! zeg hem, dat ons gesprek in de herbergden Rooden Duiventorendoor die vier mannen is beluisterd geworden; zeg hem, dat na zijn vertrek een hunner boven is gekomen en mij met geweld de volmacht heeft ontrukt, die hij mij gegeven had; zeg hem, dat zij lord de Winter van mijn overkomst inEngelandbericht hadden gezonden; dat zij ditmaal er weer bijna in geslaagd waren mijn zending te doen mislukken, zooals zij met die van de diamanten haken hebben gedaan; zeg hem, dat van die vier mannen slechts twee te vreezen zijn; zeg hem, dat de derde, Aramis, de minnaar van mevrouw de Chevreuse is; men moet dezen in het leven behouden, men kent zijn geheim, hij kan nuttig worden; wat den vierden betreft, Porthos, dat is een dwaas, een gek, een onnoozele; dat men er zich niet eens mede bezig houde.”—„Maar die vier mannen moeten op dit oogenblik bij het beleg vanla Rochellezijn.”—„Ik geloofde het ook; maar een brief, dien juffrouw Bonacieux van mevrouw de Chevreuseheeft ontvangen, en welken zij de onvoorzichtigheid heeft gehad mij te laten lezen, doet mij gelooven, dat die vier mannen integendeel op weg zijn om haar te ontvoeren.”—„Duivelsch! wat te doen?”

„Wat heeft u de kardinaal, mij betreffende, gezegd?”—„Uw geschrevene of mondelinge berichten over te nemen en met postpaarden terug te komen. Wanneer hij zal weten, wat gij gedaan hebt, zal hij overwegen wat gij verder moet doen.”—„Moet ik dan hier blijven?”—„Hier of in de omstreken; in het legerkamp zoudt gij kunnen herkend worden, en uw tegenwoordigheid, zooals gij wel begrijpt, zou Zijne Eminentie kunnen benadeelen, vooral na hetgeen is gebeurd. Zeg mij slechts vooruit, waar gij tijding van den kardinaal wilt wachten, ten einde u te kunnen wedervinden.”—„Luister, waarschijnlijk zal ik niet hier kunnen blijven.”—„Waarom?”—„Vergeet gij dan, dat mijn vijanden elk oogenblik kunnen komen?”—„Dat is waar; maar dan zal die jonge vrouw den kardinaal ontsnappen.”—„Ach!” zeide milady met een glimlach, die haar alleen eigen was, „gij vergeet, dat ik haar beste vriendin ben.”—„O! het is waar ook; wat kan ik dan den kardinaal omtrent die jonge vrouw zeggen?”—„Dat hij gerust zij.”—„Is dat alles? Zal hij dan weten, wat het beteekent?”—„Hij zal het raden.”

„Zeg mij nu, wat ik doen moet.”—„Onmiddellijk vertrekken; ik geloof dat het nieuws, dat gij medeneemt, wel der moeite waard is om spoed te maken.”—„Mijn chais is, teLilliersbinnenkomende, gebroken.”—„Kostelijk!”—„Wat kostelijk?”—„Ja, ik heb uw chais noodig.”—„En hoe zal ik dan vertrekken?”—„Te paard.”—„Gij spreekt er zeer luchthartig over; honderd tachtig mijlen!”—„Wat beteekent dat?”—„Men zal ze afleggen. Daarna?”—„VanLilliersterugkeerende, moet gij mij de chais zenden, met bevel aan uw knecht zich te mijner beschikking te stellen.”—„Goed.”—„Gij hebt zeker een of ander bevelschrift van den kardinaal bij u?”—„Ik heb mijn volmacht.”—„Gij zult ze aan de abdis vertoonen en haar zeggen,dat men mij heden of morgen zal komen halen, en ik den persoon te volgen heb, die zich in uw naam zal vertoonen.”—„Zeer goed.”

„Vergeet niet, met de abdis over mij sprekende, dit op strengen toon te doen.”—„Waartoe?”—„Ik moet een offer van den kardinaal schijnen. En die arme kleine juffrouw Bonacieux moet ik immers wel vertrouwen inboezemen?”—„Dat is waar; wilt gij mij nu wel verslag doen van hetgeen gebeurd is?”—„Wel, ik heb u zulks immers verhaald; gij hebt een goed geheugen, herhaal de zaken, zooals ik ze u heb medegedeeld, een papier gaat verloren.”—„Gij hebt gelijk; zeg mij ten minste, waar ik u kan wedervinden, ten einde de omstreken niet vruchteloos te doorzoeken?”—„Wacht, ik zal het u zeggen.”—„Wilt gij een landkaart?”—„O! ik ken dit land volkomen.”—„Gij? wanneer zijt gij er dan nog geweest?”—„Ik ben er opgevoed. Gij ziet, dat het tot iets nuttig is ergens te zijn opgevoed.”—„Gij zult mij dan wachten?”—„Laat mij een oogenblik overwegen.... Wel, teArmentières.”—„Waar is dat,Armentières?”—„Een kleine stad aan deLys. Ik behoef slechts de rivier over te steken, en ik ben in een vreemd land.”—„Goed, maar het is bepaald, dat gij de rivier niet zult overgaan dan in geval van nood.”—„Dat is overeengekomen.”—„Hoe zal ik dan weten, waar gij zijt?”—„Hebt gij uw lakei niet noodig?”—„Neen.”—„Is hij een vertrouwd persoon?”—„Beproefd.”—„Laat hem mij, niemand kent hem: ik laat hem in de plaats, die ik verlaat, en hij brengt u, waar ik ben.”—„En gij zegt, dat gij mij teArmentièreszult wachten?”—„TeArmentières.”—„Schrijf mij dien naam op een stukje papier, ten einde hem niet te vergeten. De naam eener stad kan ons volstrekt niet benadeelen, niet waar?”—„Wie weet? maar om het even,” zeide milady; en zij schreef den naam op een half vel papier: „ik stel mij bloot.”—„Goed,” zeide Rochefort, het papier van milady aannemende, dat hij vouwde en in de kap van zijn hoed borg. „Bovendien, wees gerust, ik zal doen gelijk dekinderen, en ingeval ik dit papier mocht verliezen, zal ik den naam langs den geheelen weg herhalen. Is dat nu alles?”—„Ik geloof van ja.”—„Laten wij eens zien: Buckingham dood of zwaar gekwetst, uw gesprek met den kardinaal door de vier musketiers beluisterd, lord de Winter gewaarschuwd voor uw aankomst tePortsmouth, d’Artagnan en Athos in de Bastille, Aramis de minnaar van mevrouw de Chevreuse, Porthos een gek, juffrouw Bonacieux wedergevonden, en de chais zoo spoedig mogelijk te zenden, mijn lakei te uwer beschikking stellen, van u een slachtoffer des kardinaals maken, opdat de abdis geen kwaad vermoeden koestere;Armentièresaan deLys, is het niet zoo?”—„Waarlijk, mijn waarde graaf! gij hebt een bewonderenswaardig geheugen. A propos! voeg er dit nog bij.”—„Wat?”

„Ik heb een fraai bosch gezien, dat den tuin van het klooster moet begrenzen. Verzoek dat het mij vergund worde in dat bosch te wandelen; wie weet, misschien ben ik wel genoodzaakt een achterdeur uit te gaan.”—„Gij denkt aan alles.”—„En gij, gij vergeet nog iets.”—„Wat?”—„Te vragen of ik geld noodig heb.”—„Dat is ook waar. Hoeveel wilt gij?”—„Al wat gij aan goud bezit.”—„Ik heb ongeveer vijfhonderd pistolen.”—„Ik heb ook zooveel. Met duizend pistolen bestrijdt men alles. Leeg uw zakken.”—„Ziedaar.”—„Goed, vertrekt gij nu?”—„Binnen een uur, den tijd om iets te eten, gedurende welken ik een postpaard zal doen komen.”—„Voortreffelijk! Vaarwel, graaf!”—„Vaarwel, gravin!”—„Beveel mij aan bij den kardinaal.”—„Recommandeer mij aan Satan.”

Milady en Rochefort wisselden een glimlach en scheidden. Een uur later vertrok Rochefort te paard in vollen draf; vijf uren later ging hijArrasdoor.

Onze lezers weten reeds, hoe hij door d’Artagnan was herkend geworden, en hoe die herkenning de beangstigde musketiers hun reis deed bespoedigen.

Een waterdrop.

Nauwelijks was Rochefort vertrokken, of juffrouw Bonacieux trad binnen. Zij vond milady met een glimlach op het aangezicht.

„Wel!” zeide de jonge vrouw, „hetgeen gij vreesdet is dan gebeurd? Zal de kardinaal u heden avond of morgen doen halen?”—„Hoe weet gij dat?”—„Ik heb het uit den eigen mond van den bode vernomen.”—„Kom eens naast mij zitten,” zeide milady. „Wacht even, dat ik mij verzekere, dat niemand ons kan beluisteren.”—„Waartoe al die voorzorgen?”

Milady stond op, begaf zich naar de deur, opende ze, overzag de gang en zette zich daarna weder naast juffrouw Bonacieux neder.

„Dan,” zeide zij, „heeft hij zijn rol goed gespeeld?”—„Wie?”—„Hij, die zich aan de abdis heeft vertoond als een bode van den kardinaal.”—„Het was dus een rol, die hij speelde?”—„Ja, mijn lieve!”—„Die man is dus niet....?”—„Die man,” zeide milady fluisterend, „is mijn broeder.”—„Uw broeder!” riep juffrouw Bonacieux.—„Alleen gij kent dat geheim, mijn kind! indien gij het, aan wien het ook zij, openbaart, zou ik, en misschien ook gij, verloren zijn.”—„O, mijn God!”—„Luister: ziehier de toedracht der zaak; mijn broeder, die mij ter hulpe snelde om mij hieruit te ontrukken, zelfs met geweld, indien zulks noodig mocht zijn, heeft den zendeling des kardinaals ontmoet, die mij zou komen afhalen. Hij is hem gevolgd. Aan zekere eenzame en afgelegene plek gekomen zijnde, trok hij den degen en eischte van den zendeling de papieren, die hij bij zich had. De bode heeft zich willen verdedigen; mijn broeder heeft hem doorstoken.”

„Ach,” zuchtte juffrouw Bonacieux sidderende.—„Ge begrijpt, dat dit het eenige middel was. Toen besloot mijn broeder liever tot list dan tot geweld over te gaan; hij heeft zich van de paarden meester gemaakten zich hier als des kardinaals zendeling vertoond, en binnen een paar uren moet een rijtuig mij, namens Zijne Eminentie, komen afhalen.”—„Nu begrijp ik, het rijtuig wordt door uw broeder gezonden.”—„Juist, maar dat is niet alles; de brief, welken gij hebt ontvangen, en dien gij meent dat van mevrouw de Chevreuse komt....”—„Welnu?”—„Hij is valsch.”—„Hoe?”—„Ja, valsch; het is een valstrik, opdat gij geen weerstand zoudt bieden, wanneer men u komt halen.”—„Maar d’Artagnan zal komen.”—„Misleid u niet; d’Artagnan en zijn vrienden kunnen het legerkamp voorla Rochelleniet verlaten.”—„Hoe weet gij dat?”—„Mijn broeder heeft lieden van den kardinaal in musketiersgewaad ontmoet. Men zou u voor de deur geroepen hebben, en meenende met vrienden te doen te hebben, u op die wijze ontvoeren en naarParijsterugbrengen.”—„Ach, mijn God! ik word zinneloos te midden van dien bajert van ongerechtigheden. Ik voel, dat indien zulks langer duurt,” hernam juffrouw Bonacieux, haar handen voor haar voorhoofd brengende, „ik krankzinnig zal worden.”—„Luister eens.”—„Wat?”—„Ik hoor paardengetrappel, zeker van die mijns broeders, die vertrekt; ik wil hem een laatst vaarwel toeroepen; kom.”

Milady opende het venster en wenkte juffrouw Bonacieux zich bij haar te voegen. De jonge vrouw naderde het venster. Rochefort reed in galop voorbij.

„Vaarwel, broeder!” riep milady.—De ruiter hief het hoofd op, zag beide vrouwen en groette milady vriendelijk met de hand.

„Die goede George!” zeide zij, het venster sluitende, met een uitdrukking van liefde en treurigheid op het gelaat. En zij zette zich weder op haar plaats, alsof zij in diepe overwegingen over haar zelve gedompeld was.

„Lieve dame!” zeide juffrouw Bonacieux, „vergeef mij u te storen; maar wat raadt gij mij te doen, mijn God! gij hebt meer ondervinding dan ik; in Gods naam, spreek, ik luister.”—„Vooreerst,” zeide milady, „is het mogelijk, dat ik mij bedrieg, en d’Artagnan enzijn vrienden u inderdaad te hulp komen.”—„O! dat zou al te gelukkig zijn!” riep juffrouw Bonacieux, „en zooveel geluk is voor mij niet bestemd.”—„Dan, begrijpt gij, is het alleen de vraag, wie den meesten tijd zal besteden met hier te zijn; indien uw vrienden het in snelheid winnen, zijt gij gered; indien het des kardinaals lieden zijn, zijt gij verloren.”—„O ja, verloren zonder genade! Wat dus te doen? wat moet ik doen?”—„Er blijft nog een zeer eenvoudig, een zeer natuurlijk middel over.”—„Welk? spreek!”—„Van u in den omtrek te verschuilen, en u alzoo zekerheid te verschaffen wie de mannen zijn, die naar u zullen vragen.”—„Maar waar te wachten?”—„O, dat is geen bezwaar; ik zelf blijf op een paar uren afstands mij ophouden, in afwachting van mijn broeder, die mij komt afhalen; welnu, ik neem u mede, wij verbergen ons en wachten samen.”—„Maar men zal mij niet laten vertrekken; ik ben hier, om zoo te spreken, gevangen.”—„Dewijl men gelooft, dat ik op een bevel van den kardinaal vertrek, zal men denken, dat u niet zeer genegen zult zijn mij te volgen.”—„Welnu?”—„Welnu, wanneer het rijtuig voor de deur zal zijn, moet gij mij vaarwel zeggen en op de voettrede gaan staan om mij voor het laatst te omhelzen; de knecht van mijn broeder, die mij zal komen halen, is verwittigd; hij geeft het teeken aan den postillon en wij vertrekken in vollen galop.”—„Maar d’Artagnan, als d’Artagnan zal komen?”—„En wij zullen dat dan niet weten?”—„Op welke wijze?”—„Niets gemakkelijker; wij zenden den knecht mijns broeders naarBéthuneterug, dien wij, zooals ik gezegd heb, kunnen vertrouwen; hij vermomt zich en huurt een kamer tegenover het klooster; indien nu de lieden van den kardinaal komen, dan blijft hij stil; indien het echter de heer d’Artagnan en zijn vrienden zijn, brengt hij hen, waar wij ons bevinden.”—„Kent hij ze dan?”—„Zeker; heeft hij den heer d’Artagnan niet bij mij aan huis gezien?”—„O ja, gij hebt gelijk. Dus alles is overlegd, alles is ten beste; maar verwijderen wij ons niet ver van hier?”—„Op zeven of acht uren afstandsbij voorbeeld houden wij ons van de grenzen verwijderd, en bij het minste kwade gerucht verlaten wijFrankrijk.”—„En wat zullen wij intusschen doen?”—„Wachten.”—„Maar als zij komen?”—„Het rijtuig van mijn broeder zal voor hen hier zijn.”—„Maar als ik nu van u af ben, bij voorbeeld aan het middagmaal of aan het avondeten?”—„Verzoek onze goede abdis u te vergunnen met mij te eten.”—„Zal zij het vergunnen?”—„Welk bezwaar zou zij hiertegen kunnen inbrengen?”—„O, zeer goed, op die wijze verlaten wij elkander geen oogenblik meer.”—„Welnu, begeef u tot haar, om haar uw verzoek te doen; mijn hoofd is zwaar; ik ga daarom een wandeling in den tuin doen.”—„Ga, en waar zal ik u wedervinden?”—„Hier, binnen een uur!”—„O! wat zijt gij goed en hoezeer bedank ik u!”—„Waarom zou ik u niet van dienst zijn? Al waart gij niet schoon en bekoorlijk, dan zoudt gij nog de vriendin van een mijner beste vrienden zijn.”—„Waarde d’Artagnan! O, hoe dankbaar zal hij jegens u zijn!”—„Ik hoop het; welaan! alles is overeengekomen. Laat ons heengaan.”—„Gij gaat naar den tuin?”—„Ja,”—„Ga dan die gang door en gij zult aan een kleine trap komen, die u er heen zal leiden.”—„Best, ik dank u.”

En beiden verlieten elkander, een vriendelijken glimlach wisselende. Milady had de waarheid gezegd; haar hoofd was zwaar, want haar nog slecht gerangschikte plannen woelden er in als in een bajert. Zij had behoefte aan eenzaamheid, om in haar denkbeelden eenige orde te stellen; flauw zag zij in de toekomst, maar een weinig stilte en rust zouden aan al haar nog verwarde gedachten een duidelijken vorm, een bepaalde richting geven.

Het dringendste was nu, juffrouw Bonacieux te ontvoeren, haar in zekerheid te brengen en zich van haar desnoods als een borg te bedienen. Milady begon omtrent den gelukkigen afloop van haar worsteling te vreezen, in welke haar vijanden evenveel volharding, als zij halsstarrigheid aan den dag legden. Bovendiengevoelde zij, zooals men bij de nadering van een storm voelt, dat het einde nabij was en vreeselijk zou zijn. Het voornaamste voor haar was dus, zooals wij hebben gezegd, juffrouw Bonacieux in haar handen te hebben. Juffrouw Bonacieux was het leven van d’Artagnan; zelfs was zij meer dan zijn leven, zij was de vrouw, die hij beminde; zij was, in geval van tegenspoed, een middel om te onderhandelen, en voorzeker om goede voorwaarden te bedingen. Toen dat punt eenmaal vastgesteld was en juffrouw Bonacieux haar zonder het minste wantrouwen zou volgen, zou het verder gemakkelijk zijn, eenmaal teArmentièresaangekomen, waar zij zich beiden zouden schuil houden, haar te doen gelooven, dat d’Artagnan niet teBéthunewas gekomen. Binnen veertien dagen, op het langst, zou Rochefort terug zijn. Gedurende die veertien dagen zou zij bovendien den tijd hebben te overwegen, op welke wijze zij zich het best op de vier vrienden zou kunnen wreken. Zij zou zich niet vervelen, want het aangenaamste tijdverdrijf, dat de omstandigheden aan een vrouw van haar karakter konden geven, was een geduchte wraak te voltooien.

Al peinzende sloeg zij de oogen in het rond en prentte in haar geheugen den platten grond van den tuin. Milady geleek een goed veldheer, die in alles tegelijk voorziet, zoowel in geval van overwinning als van nederlaag, en steeds gereed is, naar de kansen van het gevecht, vooruit te rukken of te wijken.

Na verloop van een half uur hoorde zij een zachte stem, die haar riep; het was juffrouw Bonacieux. De goede abdis had natuurlijk in alles genoegen genomen, en om te beginnen zouden zij samen het avondmaal gebruiken. Op de binnenplaats komende, hoorde zij het gerucht van een voor de deur stilhoudend rijtuig. Milady luisterde.—„Hoort gij?” zeide zij.—„Ja, het is het gerol van een rijtuig. Het is dat, wat mijn broeder ons zendt.”—„O, mijn God!”—„Komaan, moed gevat.”

Men schelde aan de deur van het klooster, miladyhad zich niet bedrogen.—„Ga naar uw kamer,” zeide zij tot juffrouw Bonacieux. „Gij hebt zeker wel eenige kleinooden, die gij wilt medenemen.”—„Ik heb zijn brieven,” zeide zij.—„Welnu, ga ze halen en keer dan tot mij terug; wij zullen met spoed een weinig nuttigen; misschien zullen wij een gedeelte van den nacht op reis zijn, wij moeten dus krachten verzamelen.”—„Groote God!” zeide juffrouw Bonacieux, haar hand op haar hart leggende; „mijn hart verstikt mij, ik kan niet gaan!”—„Houd moed! kom, moed! bedenk, dat gij binnen een kwartier gered zijt, en dat hetgeen gij doet voor hem is.”—„O ja, alles, alles voor hem! Door een enkel woord hebt gij mij mijn moed teruggegeven. Ga, ik volg u.”

Milady begaf zich overhaast naar haar kamer, zij vond er den lakei van Rochefort, dien zij haar bevelen gaf. Hij moest voor de deur wachten; mochten bij toeval de musketiers verschijnen, dan moest de koets in vollen galop zich verwijderen, het klooster omrijden en milady in een klein dorp, aan de andere zijde van het bosch gelegen, wachten. In dat geval zou milady den tuin doorgaan en te voet het dorp bereiken.

Wij hebben reeds gezegd, dat milady dat gedeelte vanFrankrijkbij uitstek goed kende. Indien de musketiers niet kwamen, dan zouden de zaken den vooraf bepaalden loop volgen; zij zou juffrouw Bonacieux, wanneer deze in het rijtuig klom, onder het voorwendsel haar vaarwel te zeggen, ontvoeren.

Juffrouw Bonacieux trad binnen, en ten einde haar het minste wantrouwen, indien zij het mocht koesteren, te ontnemen, herhaalde milady den lakei het laatste gedeelte harer bevelen.

Milady deed eenige vragen nopens het rijtuig; het was een chais met drie paarden bespannen, door een postiljon bestuurd; de lakei van Rochefort zou, als koerier, de chais vooruitrijden. Milady’s vrees, dat juffrouw Bonacieux eenig wantrouwen mocht koesteren, was ongegrond; de jonge vrouw was te rein, om in een andere vrouw een dergelijk verraad te vermoeden;bovendien was de naam der gravin de Winter, dien zij door de abdis had hooren uitspreken, haar volkomen onbekend; zij wist zelfs niet eens, dat een vrouw een zoo groot en noodlottig deel had in de rampen haars levens.

„Gij ziet het,” zeide milady, toen de lakei vertrokken was, „alles is gereed. De abdis vermoedt niets en gelooft, dat men mij vanwege den kardinaal komt halen. Die man zal de laatste bevelen geven; nuttig iets, drinken wij een glas wijn, laat ons vertrekken.”—„Ja,” zeide juffrouw Bonacieux werktuigelijk, „ja, laat ons vertrekken.”

Milady beduidde haar, dat zij zich tegenover haar zou neerzetten, schonk haar een klein glas Spaanschen wijn in en bediende haar van een hoen.—„Zie eens,” zeide zij, „hoe alles ons medeloopt; de nacht daalt, en tegen den morgenstond zullen wij onze schuilplaats hebben bereikt, zonder dat iemand eenig vermoeden heeft, waar wij gebleven zijn. Komaan, verzamel uw moed en nuttig iets.”—Juffrouw Bonacieux at werktuigelijk een paar monden vol en doopte haar lippen in haar glas.—„Komaan, komaan,” zeide milady, het hare aan haar lippen brengende, „doe zooals ik.”

Doch op het oogenblik, dat zij het aan haar lippen bracht, bleef haar hand onbeweeglijk. Zij meende op den weg een verwijderd paardengetrappel te hooren, dat in vollen galop naderde; vervolgens en gelijktijdig was het, alsof zij het gebriesch van paarden hoorde. Dat gerucht trok haar uit haar blijdschap als een onweer, dat een liefelijken droom in het midden afbreekt; zij verbleekte, snelde naar het venster, terwijl juffrouw Bonacieux, bevende van haar stoel oprijzende, er op leunde om niet te vallen. Men zag nog niets naderen, maar men hoorde het getrappel reeds duidelijker.

„Ach, mijn God!” zeide juffrouw Bonacieux, „wat beteekent dat leven?”—„De komst van vrienden of vijanden,” zeide milady met een verschrikkelijke koelbloedigheid. „Blijf, waar gij zijt, ik zal het u zeggen.”—Juffrouw Bonacieux bleef sprakeloos, onbeweeglijk en bleek als een lijk staan.

Intusschen werd het gerucht sterker; de paarden konden niet meer dan honderd vijftig schreden verwijderd zijn; indien men ze nog niet zag, kwam dit, wijl de weg een kromming maakte. Echter was het gerucht zoo duidelijk, dat men de paarden kon tellen naar de elkander volgende hoefslagen. Milady spande haar oogen tot de uiterste grens in; het was nog juist licht genoeg om de naderenden te kunnen onderscheiden. Eensklaps zag zij om den hoek van den weg eenige met goud omzoomde hoeden blinken en pluimen fladderen; zij telde twee, toen vijf, vervolgens acht ruiters. Een van hen reed al de anderen twee paardenlengten vooruit. Milady slaakte een gebrul. In hem, die aan het hoofd was, herkende zij d’Artagnan.

„Ach, mijn God!” riep juffrouw Bonacieux, „wie zijn het toch?”—„Het is de uniform der gardes van den kardinaal; er is geen oogenblik te verliezen!” riep milady. „Op de vlucht! op de vlucht!”—„Ja, vluchten wij!” herhaalde juffrouw Bonacieux; doch zonder een enkele schrede te kunnen doen, bleef zij, door angst als vastgenageld, op haar plaats staan.

Men hoorde de ruiters onder het venster voortdraven.—„Maar kom toch, kom toch!” riep milady, de jonge vrouw bij den arm trachtende mede te sleepen. „Wij kunnen door den tuin, die ons nog openblijft, ontvluchten, ik heb er densleutelvan; maar haasten wij ons, nog vijf minuten en het is te laat....”

Juffrouw Bonacieux trachtte te gaan, deed twee schreden en viel op haar knieën. Milady trachtte haar op te heffen en weg te dragen, doch het mocht haar niet gelukken. Op dat oogenblik hoorde men het gerol van het rijtuig, dat bij de aankomst der musketiers snel wegreed; vervolgens knalden drie of vier schoten.—„Ik vraag u voor de laatste maal: wilt gij medegaan?” riep milady.—„Ach, mijn God! mijn God! gij ziet wel, dat de krachten mij ontbreken; gij ziet wel, dat ik niet kan gaan, vlucht alleen.”—„Alleen vluchten! u hier laten! neen, neen, nooit!” riep milady.

Eensklaps schoot een bleeke bliksemstraal uit haaroogen, zij naderde de tafel en liet in het glas van juffrouw Bonacieux den inhoud van den steen eens rings vallen, dien zij met buitengewone snelheid opende. Het was een roodachtige korrel, die dadelijk smolt. Vervolgens het glas met vaste hand opnemende, zeide zij: „Drink, die wijn zal u goeddoen, drink.”—En zij bracht het glas aan de lippen der jonge vrouw, die het werktuigelijk ledig dronk.—„O! het was niet op die wijze, dat ik mij wilde wreken,” zeide milady, met een helschen glimlach het glas op tafel zettende; „maar men doet wat men kan.”—En zij snelde het vertrek uit.

Juffrouw Bonacieux zag haar vluchten, zonder haar te kunnen volgen. Zij was als een dier lieden, die, droomende dat men hen vervolgt, tevergeefs trachten hun beenen in beweging te zetten.... Eenige minuten verliepen; elk oogenblik verwachtte juffrouw Bonacieux milady te zien terugkomen, die niet verscheen. Meer dan eens werd haar gloeiend voorhoofd, ongetwijfeld door angst, met een koud zweet bedekt. Eindelijk hoorde zij de grendels afschuiven; het gekletter van sporen en laarzen klonk op de trap; er verhief zich een groot rumoer van stemmen, die al meer en meer naderden, en onder welke zij meende haar naam te hooren uitspreken. Eensklaps slaakte zij een luiden vreugdekreet en zij ijlde naar de deur; zij had de stem van d’Artagnan herkend.

„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep zij, „zijt gij het? Kom hier!”—„Constance! Constance!” antwoordde de jongeling, „waar zijt gij? mijn God!”

In hetzelfde oogenblik vloog de deur open door een geweldigen stoot van buiten. Een aantal mannen stormden de kamer binnen; juffrouw Bonacieux was op een leuningstoel gevallen, zonder de minste beweging te kunnen maken. D’Artagnan wierp een nog rookend pistool van zich af, dat hij, binnenkomende, in de hand hield, en viel voor zijn minnares op de knieën; Athos stak het zijne in zijn gordel, en Porthos en Aramis staken hun degens weder in de scheede.

„O, d’Artagnan! mijn welbeminde d’Artagnan! zieik u eindelijk! gij hadt mij niet bedrogen, gij zijt het wel!”—„Ja, ja, Constance! eindelijk zijn wij hereenigd!”—„O! hoezijmij ook verzekerde, dat gij niet zoudt komen, ik hoopte steeds inwendig; ik heb niet willen vluchten. O! wat heb ik wèl gedaan, wat ben ik gelukkig!”

Op het woordzijstond Athos, die was gaan zitten, eensklaps op.—„Zij!wie iszij?” vroeg d’Artagnan.—„Wel, mijn vriendin.Zij, die uit vriendschap voor mij mij aan mijn vervolgers wilde onttrekken;zijdie, u voor gardes van den kardinaal aanziende, de vlucht heeft genomen.”—„Uw vriendin?” riep d’Artagnan, bleeker dan de witte sluier zijner minnares wordende; „welke vriendin bedoelt gij?”—„Zij, wier rijtuig voor de deur stond; een vrouw, die zegt uw vriendin te zijn; een vrouw, aan wie gij alles hebt verhaald.”—„Haar naam?” riep d’Artagnan, „mijn God, weet gij dan haar naam niet?”—„Wel zeker, men heeft dien in mijn tegenwoordigheid genoemd; wacht.... maar hoe zonderling.... Ach, mijn God! mijn hoofd raakt geheel verward.... ik zie niet meer....”—„Helpt, vrienden helpt! haar handen zijn ijskoud!” riep d’Artagnan, „zij is niet wel! Groote God! zij is buiten kennis.”

Terwijl Porthos uit al zijn macht om hulp riep, liep Aramis haastig naar de tafel, om een glas water te nemen; maar hij bleef staan op het zien der vreeselijke strakheid van het gelaat van Athos, die, voor de tafel staande, met te berge rijzende haren, met door ontzetting vertrokken gelaatstrekken, een der wijnglazen beschouwde en ten prooi aan het vreeselijkste vermoeden scheen te zijn.

„O!” riep Athos, „o, neen! dat is onmogelijk! God kan een dergelijke misdaad niet toelaten.”—„Water! water!” riep d’Artagnan, „water!”—„Ach, ongelukkige vrouw! ongelukkige vrouw!” mompelde Athos met afgebroken woorden.

Juffrouw Bonacieux opende de oogen onder de kussen van d’Artagnan.—„Zij komt weder tot haar zelve!” riep de jongeling. „Ach, mijn God! mijn God! ik dank u!”

„Mejuffrouw!” zeide Athos, „mejuffrouw! in ’s hemels naam, wien behoort dat ledige glas?”—„Aan mij, mijnheer!” antwoordde de jonge vrouw met een stervende stem.—„En wie heeft u dien wijn geschonken, die in dat glas was?”—„Zij.”—„Maar wie dan iszij?”—„O! ik herinner mij nu,” zeide juffrouw Bonacieux, „de gravin de Winter.”—De vier vrienden slaakten een enkelen en zelfden kreet, maar die van Athos kwam boven al de andere uit.

Op dat oogenblik werd het gelaat van juffrouw Bonacieux lijkkleurig, een doffe smart wierp haar ter neder, en zij viel hijgende in de armen van Porthos en Aramis.

D’Artagnan vatte de handen van Athos met een onmogelijk te beschrijven angst.—„Hoe!” zeide hij, „gelooft gij....?”—En zijn stem smoorde in een snik.—„Ik geloof alles,” zeide Athos, tot bloedens toe op zijn lippen bijtende.

„D’Artagnan! d’Artagnan!” riep juffrouw Bonacieux, „waar zijt gij? Verlaat mij niet meer: gij ziet wel, dat ik ga sterven.”—D’Artagnan liet de handen van Athos los, die hij nog krampachtig in de zijne geklemd hield, en wendde zich tot haar. Haar zoo bekoorlijk gelaat was geheel misvormd, in haar verglaasde oogen was het vuur uitgedoofd, een stuipachtige beving bewoog geheel haar lichaam en van haar voorhoofd vloeide het koude zweet.

„In ’s hemels naam, spoedt u, Porthos! Aramis! roept om hulp!”—„Tevergeefs,” zeide Athos, „tevergeefs; tegen het vergif, dat zij geeft, bestaat geen tegengift.”

„Ja, ja.... helpt mij....” stamelde juffrouw Bonacieux, „helpt mij!”—En al haar krachten verzamelende, nam zij het hoofd des jongelings in haar beide handen, beschouwde hem een oogenblik, alsof geheel haar ziel zich in dien blik had besloten en met een snikkenden gil drukte zij haar lippen op de zijne.—„Constance! Constance!” gilde d’Artagnan.

Een zucht ontvlood den mond van juffrouw Bonacieux en vereenigde zich met den adem van d’Artagnan;die zucht was haar kuische, liefhebbende ziel, die naar den hemel terugkeerde. D’Artagnan hield in zijn armen niets meer dan een lijk geklemd. De jongeling slaakte een gil en viel naast zijn minnares neder, even bleek en ook even koud als zij.—Porthos weende; Athos strekte dreigend zijn vuist ten hemel; Aramis maakte het teeken des kruises.

Op dat oogenblik verscheen een man voor de deur; hij was bijna even bleek als zij, die in de kamer waren; hij liet zijn blik rondgaan en zag juffrouw Bonacieux dood en d’Artagnan buiten kennis liggen. Hij verscheen juist in dat oogenblik van ontzetting, dat gewoonlijk op groote gebeurtenissen volgt.

„Ik had mij niet bedrogen,” zeide hij; „ziedaar den heer d’Artagnan, en gij zijt zijn drie vrienden, de heeren Athos, Porthos en Aramis.”—Zij, wier namen werden uitgesproken, beschouwden den vreemdeling met verbazing, en alle drie meenden hem te herkennen.

„Mijne heeren!” hernam de nieuw aangekomene, „gij zijt, zooals ik, ter opsporing eener vrouw, die,” voegde hij er met een verschrikkelijken glimlach bij, „hier langs heeft moeten komen; want ik zie een lijk.”—De drie vrienden bleven sprakeloos; de stem zoowel als het aangezicht herinnerden hen iemand, dien zij reeds eenmaal hadden gezien, maar zij konden zich niet te binnen brengen bij welke gelegenheid.—„Mijne heeren!” vervolgde de vreemdeling, „dewijl gij een man niet wilt herkennen, die u waarschijnlijk twee malen het leven is verschuldigd, moet ik mij wel noemen: ik ben lord de Winter, de schoonbroeder van die vrouw.”

De drie vrienden slaakten een kreet van verwondering. Athos stond op en reikte hem de hand.

„Wees welkom, mylord!” zeide hij, „gij zijt een der onzen.”—„Ik heb vijf uren na haarPortsmouthverlaten,” zeide lord de Winter, „ik ben drie uren na haar teBoulogneaangekomen, twintig minuten vóór mij was zij teSaint-Omer; eindelijk verloor ik teLilliershaar spoor. Ik ging op het toeval af en deed overal navraag, toen ik ulieden in vollen galop voorbij zag draven:ik herkende den heer d’Artagnan, ik riep u, maar gij antwoorddet mij niet; ik volgde u, maar mijn paard was te vermoeid om de uwe bij te blijven; en echter schijnt het, niettegenstaande den spoed, dien gij hebt gemaakt, dat gij nog te laat zijt gekomen.”—„Gij ziet het,” zeide Athos, aan lord de Winter de ontzielde juffrouw Bonacieux en d’Artagnan toonende, welken laatsten Porthos en Aramis tot het leven trachtten terug te brengen.—„Zijn zij dan beiden dood?” vroeg lord de Winter.—„Neen, gelukkig niet,” antwoordde Athos, „d’Artagnan is slechts buiten kennis.”—„O! des te beter,” hernam lord de Winter. En waarlijk, d’Artagnan opende ter zelfder tijd de oogen. Hij rukte zich uit de armen van Porthos en Aramis en wierp zich als een krankzinnige op het lijk zijner minnares.

Athos naderde met langzame en plechtige schreden zijn vriend, omhelsde hem teederlijk, en daar deze in een luid gesnik uitbarstte, sprak hij tot hem met zijn zoo edele en overtuigende stem: „Vriend! wees man, vrouwen beweenen de dooden, mannen wreken ze.”—„O ja,” zeide d’Artagnan, „ja, indien het is om haar te wreken, dan ben ik bereid u te volgen.”

Athos maakte van dit oogenblik van sterkte gebruik, welke de hoop op wraak zijn ongelukkigen vriend schonk, om Porthos en Aramis een wenk te geven, dat zij de abdis zouden roepen. De twee vrienden ontmoetten haar in de gang, nog geheel ontsteld en vol ontzetting door al het gebeurde. Zij riepen eenige nonnen, die, tegen alle kloosterregels, zich nu in tegenwoordigheid van vijf mannen bevonden.

„Mevrouw!” sprak Athos, den arm van d’Artagnan in den zijne nemende, „wij laten aan uw godvruchtige zorg het lijk dier ongelukkige vrouw over. Zij was een engel op aarde, alvorens een engel in den hemel te worden. Behandel haar als een uwer zusters, wij zullen eenmaal terugkomen om op haar graf te bidden.”

D’Artagnan verborg zijn aangezicht op de borst van Athos en barstte in een luid gesnik uit.—„Welnu,” zeide Athos, „ween, hart vol liefde, jeugd en leven!Helaas! hoe gaarne zou ik, evenals gij, mijn tranen willen plengen.”

Alle vijf, door hun knechten gevolgd, de paarden bij den toom leidende, begaven zich naar de stadBéthune, wier voorstad men ontwaarde, en zij hielden stil voor de eerste herberg, waar zij aankwamen.

„Maar,” zeide d’Artagnan, „zullen wij die vrouw niet vervolgen?”—„Later,” zeide Athos; „ik heb vooraf eenige maatregelen te nemen.”—„Zij zal ons ontsnappen,” hernam de jongeling, „zij zal ons ontkomen, Athos! en het zal uw schuld zijn.”—„Ik ben voor haar verantwoordelijk,” zeide Athos.

D’Artagnan stelde in de woorden van zijn vriend zooveel vertrouwen, dat hij met neergebogen hoofd de herberg binnentrad, zonder een woord te spreken. Porthos en Aramis beschouwden elkander, niets van de zekerheid van Athos begrijpende. Lord de Winter meende, dat hij dus sprak, ten einde de smart van d’Artagnan te verdooven.

„Thans, mijne heeren!” zeide Athos, toen hij zich verzekerd had, dat er vijf kamers in de herberg te hunner beschikking waren, „gaan wij elk naar zijn kamer. D’Artagnan heeft behoefte aan eenzaamheid om te weenen en gij om te slapen. Ik belast mij met alles, weest gerust.”—„Ik geloof nochtans, dat, indien er eenige maatregelen ten aanzien der gravin te nemen zijn, dit vooral mijn zaak is,” zeide lord de Winter; „zij is mijn schoonzuster.”—„En de mijne dan,” zeide Athos, „zij is mijn vrouw!”

D’Artagnan ontroerde, want nu begreep hij, dat Athos zeker van zijn wraak was, daar hij een dergelijk geheim openbaarde. Porthos en Aramis zagen elkander aan en verbleekten. Lord de Winter dacht, dat Athos zinneloos was.—„Verwijdert u dus en laat mij begaan; gij ziet wel dat, in mijn hoedanigheid van echtgenoot, de zaak mij aangaat. Maar indien gij het niet hebt verloren, geef mij dan dat papiertje, dat uit den hoed van den man is gevallen, en waarop de naam eener stad staat geschreven.”—„Ha!” zeide d’Artagnan, „nubegrijp ik; die naam door haar hand geschreven....”—„Gij ziet wel,” zeide Athos, „dat er een God in den hemel is.”

De man met den rooden mantel.

De wanhoop van Athos had plaats gemaakt voor een onderdrukte smart, die nog meer zijn schitterende hoedanigheden deed uitkomen. Aan een enkele gedachte overgegeven, die der belofte, welke hij had gedaan, en der verantwoordelijkheid, welke hij op zich had genomen, begaf hij zich het laatst naar zijn kamer, verzocht den herbergier hem een kaart der provincie te bezorgen, boog er zich over, raadpleegde de daarop getrokken lijnen en bemerkte, dat vier verschillende wegen vanBéthunetotArmentièresliepen, waarop hij de knechts liet roepen.

Planchet, Grimaud, Mousqueton en Bazijn vertoonden zich en ontvingen de duidelijke, strenge en ernstige bevelen van Athos. Zij moesten den volgenden morgen bij het krieken van den dag vertrekken en zich naarArmentièresbegeven, elk langs een bijzonderen weg. Planchet, de schranderste van de vier, moest dien weg volgen, welken het rijtuig had genomen, waarop de drie vrienden geschoten hadden, en dat, zooals men zich zal herinneren, voorafgegaan werd door den lakei van Rochefort. Athos zond de lakeien ter ontdekking uit, vooreerst omdat hij, sedert die mannen in zijn dienst en in dienst zijner vrienden waren, in elk hunner verschillende goede hoedanigheden had erkend; vervolgens omdat knechts, die naar iets vragen, den landlieden minder argwaan inboezemen dan de meesters, en meer genegenheid ontmoeten bij degenen, die ze ondervragen. Eindelijk, milady kende de meesters, terwijl zij de knechts niet kende, die integendeel zeer goed miladykenden. Alle vier moesten den volgenden morgen te elf uur op een bepaalde plaats vereenigd zijn: indien zij de schuilplaats van milady mochten hebben ontdekt, dan zouden drie van hen haar bewaken en de vierde naarBéthuneterugkeeren, om Athos bericht te brengen en den vrienden tot gids te verstrekken.

Na het nemen dier maatregelen vertrokken de knechts op hun beurt. Toen stond Athos van zijn stoel op, gordde zijn degen om, wikkelde zich in zijn mantel en verliet de herberg; het was tien uur; zooals men weet, zijn op dat uur in de kleine steden de straten bijna zoo goed als uitgestorven. Athos intusschen was het duidelijk aan te zien, dat hij iemand zocht tot wien hij een vraag kon richten. Eindelijk ontmoette hij iemand, die laat naar huis keerde, hij naderde dezen en sprak tot hem eenige woorden; maar de man, tot wien hij zich gewend had, deinsde ontsteld achteruit; echter beantwoordde hij de vraag van den musketier door hem iets aan te wijzen. Athos bood dien man een halve pistool aan, zoo deze hem wilde vergezellen, doch de man weigerde. Athos trad de straat in, welke hem met den vinger was aangeduid; maar aan zeker plein gekomen, bleef hij opnieuw, blijkbaar in verlegenheid, staan. Daar intusschen niets hem beter kans gaf van iemand te ontmoeten dan dat plein, bleef hij wachten. En waarlijk, na een kort oogenblik kwam hem een nachtwacht voorbij. Athos deed hem dezelfde vraag, welke hij reeds den eersten persoon had gedaan, dien hij ontmoet had. De nachtwacht liet dezelfde ontsteltenis blijken, weigerde ook hem te vergezellen en wees hem met de hand den weg, dien hij moest volgen. Athos ging in de aangewezen richting voort en bereikte de voorstad, aan de tegenovergestelde zijde gelegen van die, door welke hij en zijn vrienden de stad waren binnengekomen. Daar gekomen scheen hij wederom verlegen en onzeker en bleef voor de derde maal staan.

Gelukkig kwam een bedelaar daar langs, die Athos naderde om hem een aalmoes te vragen. Athos bood hem een kroon, zoo hij hem wilde brengen waar hij moestzijn. De bedelaar aarzelde een oogenblik; doch het goudstuk ziende, dat in de duisternis blonk, ging hij er toe over en trad Athos vooruit. Aan den hoek eener straat gekomen, toonde hij hem in de verte een eenzaam, afgezonderd, treurig huis. Athos naderde het, terwijl de bedelaar, die zijn loon had ontvangen, zoo hard hij loopen kon zich er van verwijderde.

Athos ging het huis rond alvorens de deur te bespeuren, die door de roode kleur, waarmede het huis was geverfd, bijna onzichtbaar was. Geen enkele lichtstraal blonk door de reten der vensterluiken, niet een enkel gerucht gaf blijk, dat het werd bewoond; donker en stil was het er als in een graf. Drie malen klopte Athos, zonder dat men hem antwoordde. Op den derden slag naderden eindelijk voetstappen; de deur werd een weinig geopend en een man van een groote gestalte, met bleeke kleur, zwarten baard en hoofdhaar, verscheen. Athos en hij wisselden eenige woorden in stilte met elkander, waarop de man des huizes den musketier een teeken gaf, dat hij kon binnenkomen. Athos maakte zonder verwijl van het verlof gebruik, en de deur viel achter hem dicht.

De man, dien Athos van zoo verre was komen zoeken en met zooveel moeite had gevonden, liet hem een werkplaats binnengaan, waar hij bezig was met ijzerdraad de rammelende knoken van een geraamte samen te hechten. Geheel het rif was reeds in elkander gezet, alleen het hoofd stond nog op een tafel. Het overige van het huisraad duidde aan, dat hij, bij wien hij zich bevond, de natuurkunde beoefende; men zag er glazen flesschen met slangen, welke alle naar volgorde in klassen gerangschikt waren; gedroogde hagedissen blonken als smaragden in groote, zwart houten ramen. Voorts hingen aan de zoldering, in de hoeken van het vertrek, bossen met wilde, welriekende kruiden, die zeker een voor het meerendeel der menschen onbekende hoedanigheid bezaten. Overigens geen huisgezin, geen knechts; de man van de lange gestalte bewoonde alleen het huis.

Athos wierp een koelen, onverschilligen blik op al de voornoemde voorwerpen, en op uitnoodiging van hem, dien hij bezocht, zette hij zich voor dezen neder. Toen verklaarde hij hem de oorzaak van zijn bezoek, en den dienst om welken hij hem verzocht; doch nauwelijks had hij zijn verzoek gedaan, of de vreemdeling, die voor den musketier overeind was blijven staan, deinsde vol ontzetting achteruit en weigerde. Daarop haalde Athos uit zijn zak een klein papier te voorschijn, waarop eenige regels stonden geschreven, en hetwelk met een zegel was voorzien, en vertoonde het dengene, die te voorbarig die teekenen van afkeer had gegeven. De lange man had nauwelijks de paar regels gelezen, de handteekening gezien en het zegel herkend, of hij boog zich, ten teeken dat hij niet de minste tegenwerping meer te maken had en hij gereed was te gehoorzamen. Athos begeerde niets meer; hij stond op, verliet het huis, ging denzelfden weg, dien hij gekomen was, trad de herberg binnen en sloot zich in zijn kamer op.

Toen de dag aanbrak, trad d’Artagnan bij hem binnen en vroeg, wat er gedaan moest worden.—„Wachten,” antwoordde Athos.

Eenige oogenblikken daarna liet de abdis van het klooster de musketiers berichten, dat de begrafenis van milady’s slachtoffer op den middag zou plaats hebben. Van de giftmengster had men niets meer vernomen. Alleen bleek het, dat zij langs den tuin was ontvlucht, daar men op het zand haar voetstappen had herkend, terwijl men de deur gesloten vond; de sleutel was nergens te vinden.

Op het bepaalde uur begaven lord de Winter en de vier vrienden zich naar het klooster; het klokgelui kondigde de treurige plechtigheid aan, de kapel was reeds geopend, alleen het ijzeren hek van het klooster was gesloten. In het midden van het koor was het lijk van het slachtoffer in haar nonnengewaad ten toon gesteld. Aan beide zijden van het koor en achter de hekken, die den toegang tot het klooster verleenden, waren al de nonnen vereenigd, die dáár den heiligendienst hoorden en haar gezangen aan het gezang der priesters paarden, zonder de ongewijden te zien of door hen gezien te worden. Voor de deur der kapel voelde d’Artagnan zich opnieuw den moed ontzinken; hij wendde zich om Athos te zoeken, doch Athos was verdwenen.

Zich geheel overgevende aan den last, op zich genomen om de wraak te volvoeren, had Athos zich naar den tuin doen brengen, en daar op het zand de zwakke indruksels volgende der vrouw, die overal waar zij haar schreden zette een bloedig spoor achterliet, bereikte hij de deur, die in het bosch uitkwam, liet ze openen en drong het hout in. Toen werd al zijn twijfel opgeheven: de weg, langs welken het rijtuig was verdwenen, liep om het woud. Athos volgde dien weg, de oogen op den grond gevestigd houdende; eenige kleine bloedvlekken, die van een verwonding voortkwamen, hetzij den man die het rijtuig als koetsier vergezelde of een der paarden toegebracht, spikkelden den weg. Na ongeveer drie kwartier te zijn voortgegaan, op vijftig schreden vanFestubert, bespeurde hij een grootere bloedvlek, en de grond was door paarden ingetrapt. Tusschen het woud en deze plek herkende hij dezelfde kleine voetindruksels als die van den tuin; het rijtuig had hier stilgehouden. Hier was milady uit het bosch gekomen en in het rijtuig geklommen. Voldaan over deze ontdekking, die al zijn vermoedens bevestigde, keerde Athos naar de herberg terug en vond daar Planchet, die hem met ongeduld wachtte.

Alles had zich toegedragen, zooals Athos had voorzien. Planchet had, denzelfden weg afleggende als Athos, de bloedvlekken bespeurd en ook de plaats opgemerkt, waar de paarden hadden stilgestaan; doch hij was verder gegaan dan Athos, zoodat hij in de herberg vanFestubert, terwijl hij daar iets dronk, hoorde, zonder noodig te hebben gehad eenige vragen te doen, dat den vorigen dag te half negen des avonds een gewond man, die een in een chais reizende dame vergezelde, genoodzaakt was geweest, wijl hij niet verder kon gaan, zich daar op te houden. Het ongeval was op rekeningder dieven gesteld, die de chais in het bosch zouden hebben aangerand. De man was in het dorp gebleven, de vrouw had van paarden verwisseld en haar reis vervolgd. Planchet deed onderzoek naar den postiljon, die de chais had gereden, en vond hem. Hij had de dame tot aanFromellesgebracht, en vanFromelleswas zij naarArmentièresvertrokken. Dáár was slechts een herberg, tevens het posthuis. Planchet begaf zich derwaarts als een buiten dienst zijnde lakei, die een plaats zoekt. Hij had nauwelijks tien minuten met de lieden der herberg gesproken, of hij wist reeds, dat een vrouw alleen des avonds te elf uur was aangekomen, een kamer had genomen, den herbergier had doen komen en dezen gezegd had, dat zij eenigen tijd in de omstreken wilde blijven. Planchet had niet noodig iets meer te weten. Hij begaf zich naar de afgesproken plaats, vond de lakeien nauwkeurig op hun post, nam ze mede, plaatste hen als schildwachten voor al de uitgangen van het hotel en keerde toen naar Athos terug, die juist met het aanhooren der berichten van Planchet eindigde, toen zijn vrienden binnenkwamen. De aangezichten van allen waren betrokken, zelfs het zachte gelaat van Aramis.

„Wat moet er gedaan worden?” vroeg d’Artagnan.—„Wachten,” antwoordde Athos.

Iedereen keerde naar zijn kamer terug. Tegen acht uur des avonds gaf Athos bevel de paarden te zadelen en lord de Winter en zijn vrienden te waarschuwen, dat zij zich tot den tocht moesten gereed maken. In een oogenblik waren alle vijf gereed. Elk voor zich onderzocht zijn wapens en bracht ze in orde. Athos kwam het laatst en vond d’Artagnan reeds te paard, ongeduldig het oogenblik des vertreks verbeidende.—„Geduld,” zeide Athos, „er ontbreekt ons nog iemand.”

De vier ruiters zagen verwonderd rondom zich, want zij trachtten vruchteloos te raden, wie degene was, die nog verwacht werd. Nu bracht Planchet het paard van Athos voor. De musketier sprong luchtig in den zadel.—„Wacht nu, ik kom terug,” zeide hij, en hij verwijderde zich in galop.

Een kwartier later kwam hij, vergezeld van een gemaskerden, in een rooden mantel gehulden man terug. Lord de Winter en de drie musketiers wisselden met elkander vragende blikken; maar geen hunner kon den anderen eenige verklaring geven, want aan allen was het onbekend, wie die man was. Intusschen twijfelden zij er niet aan, dat het dus moest wezen, dewijl het op bevel van Athos was geschied. Te negen uur ving de kleine ruiterbende den tocht aan, door Planchet voorgegaan en den weg inslaande, welken het rijtuig had gevolgd. Het was een treurige vertooning, die zes mannen te zien, in diepe stilte voortschrijdende, elk in zijn eigen gedachten verzonken, zwijgend als de wanhoop, vreeselijk als de kastijding.

Het vonnis.

De nacht was stormachtig en stikdonker, zware wolken doorkliefden het zwerk, het licht der sterren omnevelende; de maan ging niet eer dan te middernacht op.—Bijwijlen zag men bij het licht der bliksemstralen, die aan de kimmen schitterden, den weg wit en eenzaam voor zich heen kronkelen, vervolgens, nadat het bliksemvuur was uitgedoofd, keerde alles in de duisternis terug. Onophoudelijk riep Athos d’Artagnan, die steeds vooruit was, in het gelid der kleine bende terug en dwong hem op zijn plaats te blijven, die hij echter een oogenblik daarna weder verliet.... slechts een gedachte, die van vooruit te komen, bezielde hem en hij was steeds voor.

Men reed in stilte het dorpjeFestubertdoor, waar de gewonde knecht was gebleven; vervolgens ging men langs het dorpRichebourg. TeHerliergekomen, sloeg Planchet, die den troep tot gids verstrekte, links om.—Menigmaal had lord de Winter, Porthos of Aramis beproefd eengesprek met den man met den rooden mantel aan te knoopen, maar op elke vraag, die men hem deed, boog hij zich, zonder te antwoorden. De reizigers begrepen hieruit, dat er eenige reden bestond, die den onbekende tot zwijgen noopte, en zij hielden op met hem toe te spreken.

Intusschen breidde zich het onweer uit, de bliksems volgden elkander snel, de donder begon te rollen, en de wind, voorlooper van een orkaan, floot door de pluimen en het hoofdhaar der ruiters. De bende zette zich in vollen draf. Een weinig voorbijFromellesbarstte de storm los. Men sloeg de mantels om. Nog drie uur moesten er worden afgelegd, gedurende welke de regen stroomsgewijze nederviel.

D’Artagnan had zijn hoed afgezet en zijn mantel niet omgeslagen, want hij vond er vermaak in het water langs zijn gloeiend voorhoofd en zijn van koortsachtige rillingen bevend lichaam te laten druipen. Op het oogenblik, dat de kleine troepGoskalvoorbij was en het posthuis zou bereiken, maakte een man, die onder een boom een schuilplaats had gezocht, zich als van den stam los, met welken hij in de duisternis slechts een geheel scheen te vormen, en naderde tot op het midden van den weg, den vinger op den mond leggende. Athos herkende Grimaud.

„Wat is er?” riep d’Artagnan, „zou zijArmentièresverlaten hebben?”—Grimaud maakte met het hoofd een bevestigend gebaar. D’Artagnan knarsetandde van woede.

„Stil, d’Artagnan!” zeide Athos, „ik ben het, die zich met alles heeft belast, mij behoort het dus Grimaud te ondervragen. Waar is zij?” vroeg Athos.—Grimaud strekte de hand uit in de richting van deLys.—„Ver van hier?” vroeg Athos.—Grimaud vertoonde aan zijn meester zijn gebogen wijsvinger.—„Alleen?” vroeg Athos.—Grimaud knikte van ja.—„Mijne heeren!” zeide Athos, „zij is op een half uur afstands van hier, in de richting der rivier.”—„Het is wel,” zeide d’Artagnan. „Geleid ons, Grimaud!”

Grimaud ging het land over en strekte den troep tot wegwijzer. Op ongeveer vijfhonderd schreden verder kwam men bij een beek, die men doorwaadde. Bij het schijnsel van een weerlicht zag men het dorpjeEsquinhemvoor zich.

„Is het daar?” vroeg d’Artagnan.—Grimaud schudde ontkennend het hoofd.—„Stil toch!” zeide Athos. En de troep vervolgde zijn weg.

Een nieuwe bliksemstraal schitterde; Grimaud strekte den arm uit, en bij het blauwachtige licht van den vuurslag onderscheidde men een klein alleenstaand huisje, aan den oever der rivier, op honderd schreden afstands van een overzetpont. Een venster was verlicht.

„Wij zijn er,” zeide Athos.—Op dat oogenblik richtte zich een man uit een sloot overeind, het was Mousqueton. Hij wees met den vinger het verlichte venster aan.—„Daar is zij,” zeide hij.—„En Bazijn?” vroeg Athos.—„Terwijl ik het venster bewaakte, bewaakte hij de deur.”—„Goed,” zeide Athos, „gij zijt allen trouwe dienaars.”

Athos sprong van zijn paard, de teugels aan Grimaud gevende, en naderde toen het venster, na aan de overigen van den troep een teeken te hebben gegeven, zich naar de zijde der deur te begeven. Het kleine huisje was omringd door een bloeiende heg van twee of drie voet hoog. Athos sprong de heg over, bereikte het venster, dat door geen luiken gesloten was, maar waarvoor de ondergordijnen zorgvuldig dicht geschoven waren. Hij klom op den steenen rand van het venster, ten einde over het gordijn te kunnen zien. Bij het schijnsel eener lamp zag hij een in een donkerkleurigen mantel gehulde vrouw bij een uitgaand vuur op een bankje zittende. Zij leunde met haar ellebogen op een ellendige tafel en liet haar hoofd in beide ivoorwitte handen rusten. Men kon haar gezicht niet zien, echter zweefde een onheilspellende glimlach op de lippen van Athos. Er was geen twijfel meer. Zij was het wel, die hij zocht.

Op dat oogenblik hinnikte een paard. Milady richttehet hoofd op, zag het bleeke gelaat van Athos tegen de glazen gedrukt en slaakte een gil.

Athos, begrijpende dat hij herkend was, stiet met zijn knie en hand het venster open en de glasruiten stuk, en als het beeld der wraak sprong hij in de kamer. Milady snelde naar de deur en opende die. Doch nog bleeker, nog dreigender dan Athos stond d’Artagnan er voor. Milady deinsde gillende achteruit; d’Artagnan, in de meening dat haar eenig middel ter ontvluchting overbleef, en vreezende dat zij hem mocht ontsnappen, haalde een pistool uit zijn gordel. Maar Athos verhief de hand en zeide:

„Berg dat wapen, d’Artagnan! deze vrouw moet geoordeeld en niet vermoord worden.... Wacht nog een oogenblik, en gij zult voldaan zijn. Treedt binnen, heeren!”

D’Artagnan gehoorzaamde, want Athos met zijn plechtige stem en gebiedenden blik scheen een afgezant des hemels te zijn. Achter d’Artagnan traden Porthos, Aramis, lord de Winter en de man met den rooden mantel binnen. De vier knechts bewaakten het venster en de deur. Milady was op haar bankje neergevallen en strekte de handen uit, als om deze vreeselijke verschijning te bezweren. Haar schoonbroeder ziende, slaakte zij een akeligen gil.

„Wat wilt gij?” riep milady.—„Wij willen,” zeide Athos, „Anna de Breuil, die zich daarvoor heeft genoemd: gravin de la Fère, vervolgens lady de Winter, baronesse de Sheffield....”

„Dat ben ik,” stamelde zij, met stijgende verwondering. „Wat wilt gij?”—„Wij willen u oordeelen naar uw misdaden,” zeide Athos; „gij hebt het recht u te verdedigen; rechtvaardig u, zoo gij kunt. Mijnheer d’Artagnan! gij zijt het, die het eerst als beschuldiger zult optreden.”

D’Artagnan trad naar voren.—„Voor God en voor de menschen,” zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, Constance Bonacieux, die gisteren avond is overleden, te hebben vergiftigd.”—Hij wendde zich tot Porthos enAramis.—„Wij bevestigen het,” zeiden eenparig beide musketiers. D’Artagnan vervolgde:

„Voor God en voor de menschen beschuldig ik die vrouw, mij zelven te hebben willen vergiftigen door wijn, dien zij mij vanVilleroyhad gezonden met een valschen brief, alsof die wijn van mijn vrienden kwam. God heeft mij gered, doch een man, Brisemont genaamd, is in mijn plaats gestorven.”—„Wij bevestigen,” zeiden wederom tegelijkertijd Porthos en Aramis.

„Voor God en voor de menschen,” ging d’Artagnan opnieuw voort, „beschuldig ik die vrouw, mij tot het vermoorden van den graaf de Wardes te hebben aangezet, en daar er niemand is, om de waarheid van deze beschuldiging te bevestigen, bevestig ik die. Ik heb gezegd.”—En d’Artagnan begaf zich met Porthos en Aramis naar de andere zijde der kamer.

„Aan u, mylord,” zeide Athos.

De baron naderde nu op zijn beurt.—„Voor God en voor de menschen,” zeide hij, „beschuldig ik die vrouw, den hertog van Buckingham te hebben doen vermoorden.”—„De hertog van Buckingham vermoord!” riepen uit een mond al de omstanders.—„Ja,” zeide de baron, „vermoord! Volgens het bericht, in uw aan mij geschreven brief vervat, had ik deze vrouw laten aanhouden en haar in bewaring aan een trouwen dienaar gegeven; zij heeft hem den dolk in handen gesteld en hem den hertog doen vermoorden; misschien boet Felton reeds op dit oogenblik met zijn hoofd de misdaad dezer helsche furie.”

Een siddering doorliep de rechters bij de openbaring dezer nog onbekende misdaden.

„Dat is niet alles,” hernam lord de Winter, „mijn broeder, die u tot zijn erfgenaam had gemaakt, is binnen den tijd van drie uur aan een ziekte gestorven, welke op het gansche lichaam zwarte vlekken achterliet. Waaraan is mijn broeder gestorven, zuster?”—„Afgrijselijk!” riepen Porthos en Aramis.

„Moordenaresse van Buckingham! moordenaresse van Felton! moordenaresse mijns broeders! ik eischwraak tegen u en verklaar dat, indien men mij die niet geeft, ik die zal nemen!”—En lord de Winter rangschikte zich naast d’Artagnan, de plaats inruimende voor een anderen beschuldiger. Milady liet het hoofd in haar beide handen zinken en trachtte haar door een doodelijke benauwdheid verwarde denkbeelden te verzamelen.

„Op mijn beurt,” zeide Athos bevende, gelijk de leeuw bij het zien van een slang. „Ik huwde die jonge vrouw, toen zij nog meisje was; ik huwde haar, tegen den wil van mijn geheele familie, ik schonk haar mijn bezittingen, mijn naam; doch op zekeren dag bespeurde ik, dat die vrouw gebrandmerkt was; op haar linkerschouder stond een lelie ingedrukt.”—„O!” zeide milady opstaande, „ik tart u de rechtbank aan te wijzen, die over mij die onteerende straf heeft uitgesproken; ik tart u hem te vinden, die dezelve heeft uitgevoerd.”

„Stil!” sprak een stem. „Aan mij behoort het, hierop te antwoorden.”—En de man met den rooden mantel naderde op zijn beurt.—„Wie is die man? wie is die man?” riep milady, van angst stikkende, en met losrakende haren, die door ontzetting op haar lijkkleurig hoofd te berge rezen, als leefden ze.—Aller oogen vestigden zich op dien man, want voor allen, behalve voor Athos, was hij onbekend. Maar ook Athos beschouwde hem met evenveel verbazing als de anderen, want hij wist niet, op welke wijze hij betrokken was in dat vreeselijke drama, dat thans de ontknooping naderde.

Na milady met langzame, plechtige schreden genaderd te zijn, derwijze, dat alleen de tafel hem van haar scheidde, nam de onbekende zijn masker af. Milady beschouwde eenige oogenblikken met klimmenden angst dat bleeke gelaat, omringd van zwart hoofdhaar en zwarten baard, en welks eenige uitdrukking een ijskoude onbeweeglijkheid vertoonde; vervolgens tot tegen den muur achteruit deinzende, riep zij eensklaps: „O! neen, neen! dat is een helsche verschijning!hij is het niet. Red mij! red mij!” riep zij met een holle stem, zich tegen den muur dringende, alsof zij met haar handen zich daar door een doorgang had willen banen.—„Maar wie zijt gij toch?” riepen al de getuigen van dit tooneel.—„Vraagt het aan die vrouw,” antwoordde de roodmantel, „want gij ziet wel, dat zij mij heeft herkend.”

„De beul vanRijssel! de beul vanRijssel!” riep milady, ten prooi aan een krankzinnige vrees, zich met haar handen aan den muur vasthoudende om niet te vallen.—Allen weken ter zijde, en de man met den rooden mantel bleef alleen in het midden der kamer staan.—„Ach, genade! vergiffenis!” riep de rampzalige, op de knieën vallende.—De onbekende wachtte, totdat er stilte heerschte.—„Ik zeide het u wel, dat zij mij herkend had,” hernam hij. „Ja, ik ben de scherprechter der stadRijssel, en ziehier mijn verhaal.”—Aller oogen waren op dezen man gevestigd, naar wiens woorden men met een angstige spanning wachtte.

„Die jonge vrouw was vroeger, toen zij nog meisje was, even schoon als thans. Zij was non in hetBenedictijner-kloosterteTemplemar. Een jong priester, met een eenvoudig en geloovig hart, bediende de kerk van dat klooster; zij ondernam hem te verleiden, en het gelukte haar. Zij zou een heilige hebben verleid. Beider geloften waren heilig, onherroepelijk, en hun gemeenschap kon van geen langen duur zijn, zonder beiden in het verderf te storten. Zij haalde hem over om het land te verlaten, om samen te vluchten, om een ander gedeelte vanFrankrijkte bereiken, waar zij gerust konden wonen, omdat zij daar onbekend zouden zijn; hiertoe was geld noodig, en de een noch de ander had het. De priester stal de gewijde vazen, verkocht ze, doch op het oogenblik van hun vertrek werden beiden in hechtenis genomen. Acht dagen later had zij den zoon des cipiers verleid en was gevlucht. De jonge priester werd tot tien jaren dwangarbeid en het brandmerk veroordeeld. Ik was de scherprechter der stadRijssel, zooals gij van die vrouw hebt gehoord. Ik was verplicht den schuldige te brandmerken, en de schuldige, mijne heeren! was mijn broeder.... Ik zwoer toen, dat de vrouw, die hem ten verderve had gebracht, die meer was dan zijn medeplichtige, daar zij hem tot de misdaad had aangezet, ten minste zijn straf zou deelen. Ik was ten halve zeker van de plaats, waar zij zich verborgen hield; ik begaf mij op weg om haar te zoeken, vond haar, knevelde haar en drukte haar hetzelfde schandmerk op den rug als mijn broeder. Den dag na mijn terugkomst teRijsselgelukte het mijn broeder op zijn beurt te ontvluchten; men beschuldigde mij van medeplichtigheid, en men veroordeelde mij zoolang in zijn plaats gevangen te blijven, totdat hij zich zou komen gevangen geven.... Mijn arme broeder wist niets van dat vonnis en had zich wederom met de vrouw vereenigd, met welke hij naarBerryvluchtte, waar hij een kleine pastorie verkreeg. Die vrouw gaf zich voor zijn zuster uit. De heer van het landgoed, waar de kerk des pastoors was gelegen, zag die vermeende zuster en werd op haar verliefd, en derwijze verliefd, dat hij haar ten huwelijk vroeg. Toen verliet zij dengene, dien zij in het verderf had gestort, voor hem, dien zij er nog in moest storten, en zij werd gravin de la Fère.”

Allen richtten hun blik op Athos, wiens ware naam het was, en die door een hoofdknik te kennen gaf, dat al hetgeen de scherprechter zeide waar was.

„Toen,” hernam hij, „zinneloos, wanhopig, besloten zich van een leven te berooven, dat zij van alles, van eer en geluk had beroofd, keerde mijn ongelukkige broeder naarRijsselterug, en daar het vonnis vernemende, dat mij in zijn plaats strafte, gaf hij zich gevangen en hing zich dienzelfden avond aan de tralies van zijn kerker op. Trouwens ik ben hun recht verschuldigd, zij, die mij veroordeeld hadden, hielden hun woord. Nauwelijks was de echtheid van het lijk bewezen, of men gaf mij mijn vrijheid weder.... Ziedaar de misdaad, waarvan ik haar beschuldig, ziedaar de reden, waarom ik haar heb gebrandmerkt.”

„Mijnheer d’Artagnan!” vroeg Athos, „welke straf eischt gij tegen die vrouw?”—„De doodstraf,” antwoordde d’Artagnan.

„Mylord de Winter!” vervolgde Athos, „welke straf eischt gij tegen die vrouw?”—„De doodstraf,” antwoordde lord de Winter.

„Mijne heeren Porthos en Aramis!” zeide Athos, „gij, die haar rechters zijt, welk is het vonnis, dat gij over die vrouw zult uitspreken?”—„Het doodvonnis,” antwoordden met gesmoorde stem de twee musketiers.

Milady gilde op een vreeselijke wijze en naderde eenige schreden haar rechters, op haar knieën kruipende. Athos strekte de hand naar haar uit.—„Anna de Breuil! gravin de la Fère! milady de Winter!” zeide hij, „uw misdaden hebben het geduld der menschen op aarde en dat van God in den Hemel ten einde gebracht. Indien gij het een of ander gebed kent, zeg het dan, want gij zijt veroordeeld en gij zult sterven.”

Op die woorden, die niet de minste hoop overlieten, stond milady overeind en wilde spreken; maar zij kon geen geluid voortbrengen. Zij voelde, dat een machtige en onverzoenlijke hand haar als ware het bij het hoofdhaar greep, en haar even onweerstaanbaar voortsleepte, als het noodlot den mensch; zij trachtte dan ook niet den minsten weerstand te beproeven en verliet op een daartoe door Athos gegeven teeken de hut.

Lord de Winter, d’Artagnan, Athos, Porthos en Aramis traden achter haar voort; de knechts volgden hun meesters, en de kamer bleef eenzaam, met haar ingetrapt venster, haar opene deur en de walmende lamp, die treurig op de tafel brandde.


Back to IndexNext