EenLied van herlevingis het, dat Groeikracht over Dagdrager zingt:—de laatste der natuurmythische zangen van het jaar. De winter heerscht; Groeikracht is begraven. Dagdrager, de zon, zweeft eenzaam over de aarde en gaat naar den heuvel, waar zij begraven ligt. Hij smeekt haar om goede voorteekenen en om hulp in zijn zoeken naar Goudvreugde-Aarde, die hij verloor. En Groeikracht belooft hem steun, en zingt tooverliederen over hem. Wel is de weg ver, dien Dagdrager moet gaan om bij Goudvreugde te komen: de winter is lang;—en moeilijk is de reis, want koude en felle vorst en stormen heerschen in den winter, en een wijze reus houdt de wacht op de wegen die tot Goudvreugde voeren,—maar Dagdrager zal zijn doel bereiken, zal Goudvreugde vinden. Eens zal 't weer lente worden op aarde.
Wodans runenliedis gezongen over Lodfafnir, vertegenwoordiger van de menschheid. Het deelt allerlei runen en toovermiddelen mede tegen gevaren in het leven, en openbaart Wodans macht en groote wijsheid. Deze, zoowel als de levensregels, welke er op volgen, kan ik, dunkt mij, zonder verdere verklaring den lezers voorleggen. Alleen zou ik er hier op willen wijzen hoe deze levensregels niet een droge opsomming van voorschriften geworden zijn, en de aandacht willen vragen voor de plastische kracht, waarmede de dichter ze voorstelt.
Hoe de standen ontstondengaf ik deze plaats op het einde der godenzangen, omdat het mij een goede overgang schijnt tusschen deze en de heldensagen.
Helderwit komt op de aarde en ordent de standen. Hij is de god van het daglicht, dat iederen morgen aan den horizont wordt geboren en hoog langs den hemel wandelt. Als hij—in dit lied—over de aarde gaat, neemt hij een anderen naam aan en noemt zich Rigr. Deze naam houdt verband met den naam Iring, dezelfde als Erik (Erikstraat is melkweg, de weg langs den hemel). Ir beteekent "echt", Irman is "echte man" (Germaan); Iring is "echte zoon". Mogen wij daarom zeggen, dat Helderwit als Oerman kwam op aarde?
Het lied is slechts fragment,—ook de oude Edda geeft niet meer, dan deze bewerking bevat—en het eindigt met de woorden, welke een raaf sprak tot het heldenkind, dat uitgegaan was om te jagen: "Op strijdrossen rennen en helden vellen is betere taak voor u dan de jacht. Wie na u komen zullen meer burchten bezitten en grooteren roem verwerven: op snelle schepen zullen zij over de wereld zeilen, en overal de teekenen toonen, die het zwaard hun bloedig sloeg…"
Dat is de tijd der oude Germaansche helden.
De heldensagen. De religieuse of mythische wereldbeschouwing der oude Germanen, overgebracht op het leven van de besten die, in werkelijkheid of in fantasie, onder hen woonden, ziedaar de oorsprong derHeldensagen. Zooals een god op aarde kwam, er de standen ordende en den stand der edelen het hoogste plaatste,—zooals de dichter bij dezen verbleef en hun heldenleven ging bezingen in het fragment, dat wij als overgang van godenliederen tot heldenzangen beschouwden,—zoo schiep de fantasie van het volk zich helden, die de dragers waren van zijn hooge nationale idealen, en te gelijk de mensch-geworden en daarom dichter bij hen staande vertegenwoordigers van hun godsbegrip. Die helden leefden op aarde als zij, streden en leden als zij, maar hun kracht was grooter, hun strijd heviger, hun lijden dieper, en zij stonden in verbinding met de goden op wonderlijke wijze. Die helden hadden de kracht, de moed, de vreesloosheid zoo hoog, als het volk zich maar denken kon, maar waren toch ook onderworpen aan het noodlot, waaruit de Nornen het leven weven van goden en menschen, zoo ijzer-sterk als de eeuwige wet van oorzaak en gevolg. Zij werden op bovennatuurlijke wijze bijgestaan door niet geheel vermenschelijkte, in kracht en wijsheid welhaast goddelijk gebleven vrouwen, de Walkuren. Deze hielpen hen in den strijd, leerden hun wijsheid, en droegen ze naar Walhalla wanneer ze vielen in 't gevecht: het eeuwig-vrouwelijke in heldenwilde tijden.
De vorm der sage wijzigde zich en veranderde met den tijd: het mythische, het goddelijke, ging meer en meer verloren, het menschelijke, het historisch grijpbare werd meer en meer geldende er in. De lotgevallen der menschhelden namen meer en meer de aandacht der dichters in beslag. Latere skalden kozen afzonderlijke gebeurtenissen tot onderwerp hunner liederen,—zoo b.v. de klacht van Goedroen bij Siegfrieds lijk, waarin de dichter het moment psychologisch doorgrondde.
Hiervoor hadden de oudere dichters in de grootheid hunner beeldende verhalen geen oog gehad,—en naar den eigen aard van het volk ontwikkelde zich de sage ten laatste in de van ijs omgeven noordelijkste landen tot zangen van de meest bloederige tafereelen en hevigste wraak.
De mythische ondergrond is meer en meer onder menschelijke levenservaring verdwenen. Men wachtte er zich voor, overal in de Heldensagen mythische trekken te zoeken. Hier en daar zal ik, in de weinige woorden bij iedere sage, of sagencyklus, gelegenheid vinden op het mythische karakter te wijzen.
In de sage vanWeland, de smid, ligt de oude, bij andere volkeren in wel anderen, maar wat inhoud betreft wezensgelijken vorm verwerkte mythe van den bliksem, die de wolken vangt als meisjes, verlamd neerslaat op de aarde, daar zijn schade doet en als vrijgevleugeld vuur weer opstijgt naar boven. Het is de overwinning van de vuurmacht op de donkere machten van de aarde. Vuur is een zegen voor de menschen, zoo leerde Wodan in de levensregels, die hij gaf. Dat is ook de inhoud van de sage: Weland laat den donkeren Nydhod "vernietigd van smart" achter. Maar op aarde bleef zijn kind, dat in de koningshallen werd geboren: de vruchtbaarheid, de levenskracht. Het is dezelfde als Erichthonios, de uit de aarde gesproten zoon van den griekschen Weland: Hephaistos.
Bij den titel blz. 109 de zwanen als Walkuren-motief.
In de sagencyklus vanWelsingenenNevelingenheeft de germaansche volksgeest zijn wereldmythe tegelijk met zijn nationale heldenkarakter het volledigste uitgebouwd. Siegfried is de eigen held der Germanen ten zuiden van de "duitsche zee", Helgi die van de Germanen ten noorden. Maar beiden—of liever: Siegfried en de beide Helgi's zijn dezelfde persoon. De moeder van Helgi, Zwaardwacht's zoon, was Sieglinde, en dezen naam draagt ook de moeder van Siegfried in de zuidgermaansche Siegfriedsage; Siegfried was de vader van Helgi, die Honding doodde,—zoo heette ook de vader van Siegfried in de duitsche sagen, en ook de noorsche Siegfriedsage noemt den held Siegmond's zoon. De vader van Siegfried zoowel als die van Helgi, Hondingsdooder, heet in de eddaische fragmenten "Welsingenkind". Wel was Jerdis de moeder van Siegfried volgens noorsche overlevering, en Sieglinde volgens de zuidelijke, maar Jerdis beteekent Zwaardvrouw, en ook Sieglinde's naam wijst op strijd en overwinning. En in den noordelijken sagevorm, waar Helgi de zoon van Zwaardwacht is, heet Sieglinde zijn moeder.
Maar afgezien van deze namen, die, door de in onderlinge wisselwerking met elkander staande overleveringen der Germanen van het Noorden en het Zuiden, kunnen zijn verward,—de Helgi's en Siegfried zijn de zonnehelden, tot helden geworden zonnegod. Een Eddalied noemt Siegfried zelfs "vriend van Freyer", en Siegrune verwelkomt Helgi met de woorden: "Gij moogt u verheugen, gij lieveling van den zonnegod". Zij strijden tegen de machten van de duisternis, mogen dezen Hondingen heetten of Nevelingen zijn. Helgi doodt de zonen van Grijswolk, die Siegrune bedreigden, en hij wint "het rijke meisje" voor zich,—Siegfried velt Fafner, die zijn schatten bewaarde in zijn donkere hol,—zoo bevrijdde Dagdrager Goudvreugde uit de macht van den winter.
De Heldenzangen zijn zangen van liefde, en van ondergang ter verheerlijking. Het eeuwige probleem van de natuur: het opbloeien, vruchten dragen en weer sterven der aarde is hier menschelijkheidzang geworden van verlangen naar liefde en van dood. Siegrune bekende aan Helgi, dat zij hem beminde, dat zij hèm alleen liefhad reeds vóór zij hem zag,—Brunhilde verloofde zich met den held zonder vrees, die reed op Grani's goudbeladen rug,—nog vóór zij hem kende. Om die helden was vrouwelijkheid, nog vóór hun oogen de vrouw hadden gezien. Brunhilde volgt Siegfried in den dood, ook Siegrune legt zich bij Helgi in het graf, en het geeft hem de macht naar Walhalla te rijden, en Siegrune leeft niet lang meer daarna. Wel bleef Svaba, de geliefde van Helgi, Zwaardwacht's zoon, nog in leven, toen haar held gestorven was, maar zij bleef hem getrouw en wilde de liefde van een anderen man niet nemen: zoo volgde ook zij dus den held, dien zij liefhad.
Als de helden zich de Walkuren verworven hebben nadert het einde: als de zon haar hoogste punt heeft bereikt komt de tijd van den herfst. Wat in de godenliederen de wedergeboorte zou zijn, het weer opleven van de aarde, dat trokken de dichters van de heldenzangen in het groot-menschelijke: de onafscheidelijke vereeniging der geliefden na den dood. De lichtmacht is sterker dan de krachten van de duisternis; sterker dan de dood is de liefde. Zooals de mythe van het wereldleven in den Zang der Wichelares eindigde met de verrijzenis der onverwelkbare nieuwe wereld uit de ineenstorting van de oude, zoo eindigen de tragische levens van Helgi en Svaba, Helgi en Siegrune, Siegfried en Brunhilde met het beginnende leven, dat geen einde kent.
Bij mijn bewerking van de Siegfriedsage moet ik eenige verklaring voegen. Ik heb de Edda-fragmenten versneden: deels er uit weggelaten, deels uit andere bronnen erbij gevoegd, en ik maakte het verhaal, zooals dit boek het bevat. Het geeft de Siegfriedsage, zooals die zich in het Noorden gevormd heeft onder steeds hernieuwden invloed der zuidelijk wonende Germanen van den Rijn. In sommige trekken echter heb ik mij aan den duitsch-nederlandschen vorm gehouden: ik liet Siegfried niet gedood worden in zijn bed, zooals een Eddalied (Sigurdharkvidha III) verhaalt, maar in het bosch, waarheen hij ter jacht was gereden. Dat overigens de moord op den weerloozen Siegfried in het woud een aan de Edda niet vreemde voorstelling is, kan blijken uit het prozagedeelte, dat op het Brot af Brynhildarkvidhu, het fragment van een Brunhildelied, volgt en dat vermeldt: "in dit lied wordt verhaald van Siegfried's dood, en het geschiedt hier zoo, alsof zij hem buiten verslagen hadden;—anderen echter meenen, dat zij hem doodden, terwijl hij sliep op zijn bed, maar duitsche mannen zeggen, dat hij buiten in het bosch werd vermoord, en zoo wordt ook in het oude Goedroenlied gezongen." Het "oude Goedroenlied", dat de schrijver van het prozastukje bedoelt, is Gudhrunarkvidha II, behoorende bij de Eddaïsche fragmenten der heldenzangen, en waarin o. a. verhaald wordt, hoe Goedroen Siegfried tehuis verwachtte van de jacht, en zijn paard zag aanrennen zonder berijder.
De vele wijsheid en runentoover, die Brunhilde aan Siegfried leerde, toen deze haar slaap op den berg verbroken had,—en die den hoofdinhoud vormen van het Eddalied, waarin de opwekking der Walkure slechts als een gelegenheid wordt aangegrepen om wijsheid te verkondigen, zooals Wodan het aan Lodfafnir deed,—heb ik alleen maar vermeld met de woorden: "en hij leerde haar zeer veel wijsheid." Ook heel de Gripisspa bleef weg, het lied, dat lang na den tijd, waarin de sage haar vasten vorm gekregen had, werd gedicht, en waarvan de inhoud is, dat Gripir aan Siegfried, zijn neef, het geheele verloop voorspelt van zijn leven. Het is niets anders dan de in vraaggesprek tusschen Gripir en Siegfried na-gedichte sage,—voor den dichter een vermaak, dat ik hem gaarne gun.
Ook het korte lied van Brunhilde's hellerit liet ik—als lied-op-zich-zelf althans—geheel en al weg. De gestorven Brunhilde komt op haar weg naar Doodenland aan het hol van eene reuzenvrouw, die haar den doortocht betwist, en haar Walkuren-afkomst en strijdliefde verwijt. Brunhilde verhaalt haar in korte trekken haar leven,—dan gaat zij verder. Alleen Brunhildes levensverhaal gebruikte ik in mijn bewerking van de sage,—dáár, waar ik vertelde hoe Brunhilde door Wodan in slaap gestoken werd,—en den inhoud van de laatste verzen maakte ik weer tot Brunhildes woorden op het eind: "Lang nog zullen er mannen en vrouwen leven om te lijden. Maar eeuwig zullen wij samen zijn, Siegfried en ik."
Nog op één bizonderheid van mijn bewerking, die anders vreemd zou kunnen schijnen, en verklaring vragen, wil ik wijzen. Ik volgde n.l. de meer en meer veld winnende meening, dat de opwekking der Walkure, die door vlammen omgeven op den berg slaapt, niet tot de Siegfriedsage, maar tot de sprookjes uit den Doornroosje-cyclus behoort. Wat de Edda er echter van vermeldt,—en zij noemt de Walkure Sigdrifa, d. i. Zegebrengster—heb ik samengesmolten met de werving van Brunhilde door Siegfried in Goenthers gestalte, nadat hij aan het hof der Gibichungen met Goedroen in liefde vereenigd was. Vandaar dat Siegfried hier geen vergetelheidsdrank behoeft te drinken daar hij Brunhilde, alvorens Goedroen tot vrouw te nemen, niet kende en dus ook niet vergeten kon. In de Edda komt trouwens deze vergetelheidsdrank ook niet voor.
Het bedrog en de trouwbreuk van Siegfried,—waarvan Brunhilde hem beschuldigde, en dat haar een reden was hem te doen dooden—bestaat dus niet hierin, dat hij haar, na haar gewekt te hebben, zou verlaten en zijn liefde op Goedroen zou hebben overgebracht, maar in het feit, dat hij, de held zonder vrees, die reed op Grani's goudbeladen rug, in de gestalte van Goenther door het haar omvloeiende vuur kwam gereden. Van dengene, die deze heldendaad volbracht, wilde Brunhilde de geliefde worden,—hij zou de vreeslooze zijn, aan wien zij zich verbonden had, nog vóór zij hem kende. Siegfried volbracht die heldendaad, en was dus Brunhildes geliefde, maar hij deed het in Goenthers gestalte, en zoo bedroog hij haar. Toen Brunhilde later het bedrog inzag en erkende, dat Siegfried de vreeslooze, dat Siegfried dus haar geliefde was, dien zij slapende verwachtte, Siegfried, nù de man van Goedroen, kon zij hem daarom van trouwbreuk beschuldigen. Want de trouw van de liefde begint niet eerst na de lichamelijke liefdedaad: Siegfried had, toen hij in Goenthers gestalte drie nachten bij Brunhilde verbleef, zijn scherpe zwaard gelegd tusschen haar en hem,—dat was een teeken, dat hij haar niet aangeraakt had, en Brunhilde wist dat wel. Nu eischte zij zijn dood om met hem te kunnen sterven,—dat was het eenige middel om eeuwig te kunnen samenzijn. Maar voor Goenther, dien zij aanspoorde tot den moord, kon zij dat niet als reden laten gelden, en daarom zeide zij, dat Siegfried ook hem bedrogen had in haar. Dat was geen leugen, dat was een list. Voor Brunhilde was Siegfried de geliefde, hij was het geweest nog vóór zij hem kende, want hij was de held, aan wien zij zich verbond, toen Wodan haar in slaap stak,—hij was het ook geworden door zijn eigen daad, toen hij haar wekte, en haar dien noodlottigen ring aan den vinger gaf. Zij kon dus zeggen, dat hij haar geliefde was, en Goenther bedroog.
De eer eischte wraak, en toen haar list gelukt was en Siegfried was gedood, onthulde zij haar geheim—en stierf.
Siegfrieds en Brunhildes ondergang was een gevolg van Siegfrieds zonde, toen hij de Walkure wekte, maar zich anders voordeed, als hij was: hij kwam in Goenther's gestalte. En het was de daad van de vrouw, van Brunhilde, die den grondslag legde voor de overwinning van de liefde over den dood als zondegevolg: zij stuurde Siegfried in den dood, en volgde hem toen vrijwillig om altijd samen te zijn. Dat was de zegepraal van de liefde over het noodlot, dat zijn werk begonnen was op het oogenblik, dat Siegfried en Brunhilde elkander leerden kennen, elkander den ring aan den vinger gaven, en dat hun joeg door lijdensdagen, d. i. verlangensdagen, naar dien grooten, nooit eindigenden Dag van onafscheidelijke vereeniging.
Maar op de aarde lijden nog mannen en vrouwen: daar raast het noodlot nog voort. De vloek van het goud, die allen doodde welke het ooit hebben aangeraakt,—óók den held die het zonder vrees bemachtigde, óók Brunhilde, die er een ring van aan den vinger droeg—rust als een zwaar drukkende erfenis op het geslacht van de Nevelingen, komt metGoedroenop het geslacht van Atli, den begeerende, wordt met haar over het water gedragen in Jonakers land, waar de tragische ondergang wacht van de laatsten, die ooit van Siegfried en Brunhilde, ooit van Goedroen stamverwanten waren.
Ortroens klachtstaat buiten de Siegfried- en de Goedroensage, sluit zich echter zeer nauw, vooral bij deze laatste aan. Het schijnt een, uitsluitend in het Noorden bestaand gedicht te zijn, dat den strijd van Atli en Goenther nader tracht te verklaren.
Goenther beminde Ortroen, toen deze nog kind was, maar trouwt met Brunhilde, haar oudere heldenzuster. Nadat deze gestorven was, keert Goenthers liefde voor Ortroen weer terug, maar Atli wil er niet van hooren, althans verzet zich er tegen. Toen hij dan ook van verwanten hoorde, dat Goenther Ortroen toch had lief gehad, zond hij zijn gezanten om Goenther uit te noodigen aan zijn hof, ten einde hem en zijn geslacht aldus te kunnen vernietigen: het was voor Atli een zeer welkom motief om nogmaals een poging te wagen Goenthers schatten te bemachtigen, hetgeen hem door zijn huwelijk met Goedroen niet was gelukt.
Ortroen verhaalt haar wedervaren aan Borgni, toen deze een kind had gebaard. Dit kind heet te zijn van "den man, die Hagen doodde", d. i. van Atli zelf. Atli had dus met Borgni gedaan wat Goenther deed met Ortroen, en Atli wreekte op Goenther dezelfde daad, waaraan hij schuldig stond.
Zoo eindigde het lied met de vraag, wat eigenlijk alle vermaningen en raadgevingen, die Ortroens klacht behelzen, voor beteekenis hebben. "Een ieder leeft toch volgens zijn eigen verlangen."
In den laatste der hier bewerkte heldenzangen—denZang bij den molen, dien de Edda van Snorri mededeelt—ligt weer de mythe van het jaar, door heldengestalten gedragen, zooals zij in de godenliederen door goden gedragen werd.
Frodhi, de achterkleinzoon van Wodan, regeerde over Denemarken gedurende het vredestijdvak van Christi geboorte: men schreef den vrede aan Frodhi toe. Deze bezat een molen die Grotti heette, en hij kocht van een Zweedschen koning, Fjölnir, twee maagden om den molen te draaien. Zij maalden hem goud, vrede en geluk en zongen een lied daarbij. Frodhi gunde haar echter geen rust, en toen maalden zij een koning te voorschijn, die Mysinger heette. Deze koning doodde Frodhi, nam den molen en de maagden mee, en liet ze zout malen. Maar het schip, waarop de molen stond, verging.
De vredevorst Frodhi is de zomer (Freyer), de molen stelt de aarde voor. De namen van de maagden, die den molen draaien, wijzen op het waterrijk, en op het goud, dat symbool is van de vruchtbaarheid, en dat men zich dacht uit het waterrijk ontsproten: Venja, de Veenvrouw, Menja, de Goudvrouw. Ook de naam van dengene, die den molen aan Frodhi gaf, wijst op dat waterrijk, waaruit de vruchtbaarheid ontstaat: Hengikjöptr, d. i. de man om wiens hoofd lange haren hangen,—en het was Wodan, watergod.
De maagden malen het geluk en het goud in dienst van den vredekoning: zooals de krachten van de vruchtbaarheid in dienst van de zomerzon het gouden graan uit de aarde werken. Maar Frodhi gunt haar geen rust, en zij malen een wrekenden koning te voorschijn: zoo brengt de langdurige zomerhitte in den tijd, dat het graan is gerijpt, den herfst,—zoo spotte op het oogstfeest bij Egir ook Loge met de goden en bedreigde met vlammen Egir's rijk. Mysinger, de winterkoning, rooft den molen en doet de meisjes zout malen: d. i. de sneeuw van den winter. Maar ook hij gunt haar geen rust, en zij malen tot het schip vergaat: het graan wordt weer in de aarde begraven, en de krachten van de vruchtbaarheid zullen het weer doen ontspruiten: Venja en Menja arbeiden onder de aarde, zij werken den molen uit de rots, stapelen steenen in menschenland, en vermoorden, als Walkuren, de laatste grauwompantserde wintermachten,—zooals zij het eens deden voor zij in de macht van Frodhi kwamen,—zooals zij het nog lang zullen doen, telkens weer, nadat zij het winterschip van Mysinger maalden naar den bodem van de zee.
Ondergang.—Wederkeer.
Frans Berding
Den Haag, September 1911.