HELDENSAGEN

De heerschers ondervroegen hen beiden, wat zij waren te weten gekomen,—of de vrouw hun een aanwijzing op uitkomst gaf,—zij ondervroegen hen heel den namiddag, totdat de duisternis daalde.

En toen zij gezegd hadden, dat zij niets waren te weten gekomen, dat de vrouw slechts had geweend en gezwegen, stond Wodan op en hij sprak zoo luid, dat ieder het kon hooren:

—"Zoo neemt dan nog één nacht om te beraden. Een ieder bezinne zich op een middel, dat het rijk van de goden vermag te redden."

Reeds zonk de zon weg achter de winterbergen van de aarde. Elkander groetend gingen de goden heen. Vochthaar, het paard van den nacht, besteeg de hoogte van den hemel. Tegelijk stak uit het Oosten der wateren de slaapdoorn van den ijskouden reus, die de vader is van Nacht, opdat de vermoeide menschen op aarde sluimeren zouden. Alle krachten verslapten, de armen zonken neer, onmacht vloog door den adem van den nacht en verwarde de zinnen van alle wezens.

Toen nogmaals dreef de dag zijn paarden uit de diamanten poort. Over de aarde glansden de schitterende manen van Lichthaar, die de zonnewagen tegen den hemel op trekt. Ver in het Noorden, onder den uitersten wortel van den wereldboom, gingen dwergen en reuzen en spoken en nachtgestalten en zwartalfen schuil.

De goden stonden op, toen de nacht naar Nevel land daalde, en over de luidschallende brug schreed Helderwit, de hoornwachter, naar den burcht van de goden.

Billings Dochter

Slechts wie diep in eigen gemoed een smachtend begeeren beleefde, kent de in volle bewustheid geleden smart van onvervuld verlangen.

Ook Wodan leerde dat leed, toen hij eens een meisje beminde. Zij sluimerde toen hij haar zag,—wit was zij als de sneeuw in den winter, wanneer de zon erop schijnt. Vorstenvreugde vond hij van weinig waarde, als hij met zijn geliefde maar leven kon, aan haar met lichaam en ziel kon behooren.

Zij was de dochter van Billing, den winterreus. En zij zeide tot Wodan:

—"Wanneer gij mij als vrouw wilt bezitten, kom dan heimelijk hier tegen den avond. Want groot zou de schande zijn als meerderen van zulk een zonde iets wisten."

Toen ging Wodan weg. Hij hoopte op den heerlijken avond, dat Billings dochter hem haar gunst en geluk zou geven.

Zoodra het donker werd, keerde Wodan weder. Maar ondoordringbaar brandden de wintervuren om de verblijfplaats van zijn geliefde, en met vlammende fakkels werd hij verdreven.

Den volgenden avond ging hij nogmaals naar het meisje. Nu waren haar wachters allen in slaap, maar aan haar bed gebonden gromde een winterwolf Wodan tegen en weerde hem af.

Zoo smaadde hem telkens het sluwe meisje. Had hij, in ruil voor dien smaad, haar tenminste slechts éénmaal kunnen bezitten!

Wodan bij Stormsterk

Wodan en Frigga wandelden door de ruime hallen van Walhalla. Toen zeide Wodan tot zijn vrouw:

—"Frigga, wat raadt gij mij aan? Ik heb veel zin om een bezoek te brengen aan Stormsterks woning. De geweldige wijsheid van dien reus prikkelt mij al sinds lang. Vele dingen heb ik gezien, maar ik weet nog niet hoe Stormsterk woont."

Frigga antwoordde hem:

—"Ik zou wel al mijn best willen doen, dat gij, Vader van goden en menschen, hier zoudt blijven. Want Stormsterk acht ik den geweldigsten van alle reuzen. Maar als gij wilt gaan kan ik u niet tegenhouden. Zoo ga dan een zegenrijken tocht, en dat gij ongedeerd weer terug moogt komen. De wijsheid beware u, als gij met den reus in woordenstrijd geraakt."

Toen ging Wodan heen om zich in wijsheid met Stormsterk te meten. Spoedig kwam hij bij de ruwe reuzenwoning en riep op den drempel:

—"Stormsterk, een vreemde wenscht u heil! Ik kom u eens bezoeken en wilde wel weten, hoever uw wijsheid gaat."

De reus, die in zijn zaal zat, kwam naar buiten en antwoordde:

—"Wie staat daar voor mijn huis en slingert mijn zalen vol met zulke wilde woorden? Gij zult niet ongedeerd mijn drempel verlaten, als ge niet eerst bewijst, dat ge beter zijt dan ik."

Wodan sprak tot hem:

—"Gangraad ben ik, ik ging verre wegen, dorstig kwam ik hier. Wilt gij, reus, mij vriendelijk ontvangen en den dorstige wat drinken geven?"

Stormsterk noodigde den vreemdeling uit in zijn zaal te komen zitten en daar te onderzoeken wie meer wist, de gast of de bewoner.

Maar Wodan wilde in de voorhal blijven en zeide tot den reus, dat deze hem eerst maar eenige vragen moest stellen, of hij hem waardig achtte binnen te komen of niet.

Toen zeide Stormsterk:

—"Nu dan, Gangraad, als gij in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de hengst, die iederen dag hoog over alle wezens draaft?"

—"Lichthaar," antwoordde Gangraad, "trekt den schitterenden dag hoog over allen heen. Het beste paard van allen vindt het de wagenvoerder: zijn manen zijn als licht."

De reus vroeg vervolgens:

—"Nu dan, Gangraad, als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe noemt men het paard, dat den nacht voert van het Oosten?"

—"Vochthaar," zei Gangraad, "noemt men het paard, dat nacht na nacht aanvoert van het Oosten. Des morgens druipt het schuim van zijn gebit als dauw in de dalen."

Weer vroeg Stormsterk:

—"Nu dan, Gangraad, als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de stroom die de scheiding is tusschen het rijk van de reuzen en Asengaarde."

—"IJsloos," was het antwoord, "heet de stroom die de scheiding is tusschen het rijk van de reuzen en Asengaarde. Steeds vloeit de stroom, want geen ijs verstijft ooit de golven."

—"Nu dan," zei weer de reus, "als ge in de voorhal uw geluk wilt beproeven: zeg mij, hoe heet de plaats waar de goden eens tot den hevigen kamp met den Zwarte zullen komen?"

—"Vechtveld," antwoordde Gangraad, "is de plaats waar de goden eens tot den hevigen kamp met den Zwarte zullen komen. Naar alle zijden gemeten is ze honderd mijlen lang. Zij weten wel dat zij er zullen strijden."

Toen zeide Stormsterk:

—"Een wijze zijt gij! Blijf nu niet meer ver van mijn banken, maar kom in mijn zaal zitten en laten wij met elkander spreken. Kom als gast bij mij binnen: wij willen samen wedden om ons hoofd, wie van ons beiden de grootste geest is."

Gangraad ging de zaal van den reus binnen en zette er zich op een steenen bank. Nu was het aan den gast om vragen te stellen en deze begon:

—"Stormsterk, gij, die zooveel wijsheid bezit, weet gij vanwaar de zon komt en de maan boven de hoofden der menschen?"

—"Mondelvaar," antwoordde de reus, "is de vader van zon en van maan: dagelijks deelen zij den hemel en geven namen aan de tijden van het jaar."

Toen vroeg Gangraad:

—"Stormsterk, gij, dien men wijze noemt, weet gij vanwaar de winter en de warme zomer komen?"

En Stormsterk antwoordde:

—"Windval heet de vader van den winter en Zuidzacht die van den zomer. Elk van beiden zal ieder jaar weer jong worden, totdat de goden vergaan."

Ten derde vroeg Gangraad:

—"Stormsterk, gij, van wien men zegt, dat ge slim zijt, weet gij waaruit de Ruischreus, de eerste van alle wezens, ontstond?"

De reus antwoordde:

—"Uit het oerslijk barstten etterblazen—toen groeide het tot vasten vorm en werd een reus; uit het vlammende Zuiden vlogen vonken over en de gloed gaf leven aan den ijskouden klomp."

—"Maar Stormsterk," zeide nu Gangraad, "gij, dien men wijze noemt, weet gij dan hoe er kinderen kwamen bij dien reus, die ze toch met geen vrouw kon verwekken?"

En de wijze gastheer verhaalde:

—"Onder den oksel ontgroeiden hem een man en een meisje, en de eene voet verwekte met den andere een zoon, die zes hoofden had."

En Gangraad weer:

—"Stormsterk, gij, van wien men zegt, dat ge slim zijt, weet gij vanwaar de waterrimpelende wind komt, die zelf nog door geen mensch is gezien?"

—"Lijkenzwelger," zei de wijze, "is de naam van een reus, die in de gedaante van een arend aan het einde van den hemel zit. Als zijn beide vleugels fladderen, waait de wind over alle wezens heen."

Al deze dingen had Gangraad gevraagd over het worden van de dingen dezer wereld. En de reus had hem op alles vol wijsheid geantwoord. Ook over wat hem gevraagd werd uit de geschiedenis van de goden—hoe Njord, die een Wane was, onder de Asen werd opgenomen en hoe de helden van Walhalla elkander dagelijks dooden in den strijd en dan weer gezond bij elkander komen om gezamenlijk den maaltijd te nemen,—over alles wist Stormsterk met veel verstand te verhalen. Want alle werelden had hij gezien, tot zelfs de negende, die dicht bij Nevelland is.

Toen stelde Gangraad hem nog eenige vragen over de nieuwe wereld, die na den godenondergang zou komen:

—"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: waar zal nog een mensch in leven zijn als de lange winter, die alle wezens doodt, zal zijn verdwenen?"

Stormsterk antwoordde:

—"In den stam van den wereldboom zijn twee menschen verscholen: Leven en Levenslust. Ochtenddauw is hun eten en drinken, en uit hen beiden ontspruit een nieuw geslacht."

Weer vroeg nu Gangraad:

—"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: hoe zal er een nieuwe zon aan den hemel schitteren, als de Veenrookwolf deze eens verslonden heeft?"

—"Alfenrad," antwoordde de reus, "baart een dochter vóór de Veenrookwolf haar verslindt. En het meisje zal dezelfde wegen bewandelen als hare moeder, wanneer de goden vergaan zijn."

—"Op verre tochten," zeide toen Gangraad, "voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: wat zal er met Wodan geschieden als de wereld verwoest wordt en de goden vergaan?"

—"Den Vader des levens," luidde het antwoord, "zal de wolf verslinden, maar hevig zal de wraak van Widar zijn. Hij, de sterke strijder, zal de gapende kaken van het monster vermorzelen."

Weer vroeg Gangraad:

—"Op verre tochten voer ik uit en overal zocht ik iets zinrijks; nu zeg mij: wat fluisterde Wodan zijn zoon Balder in het oor, voor deze verbrand werd?"

Toen antwoordde Stormsterk:

—"Zou een ander als Wodan weten, dat hij iets fluisterde in het oor van Balder, zijn zoon? Ik weet nu: met Wodan zelf waagde ik het te wedden. Maar gij zult steeds de wijste zijn."

De Wereldzang der Wichelares

Stilte gebied ik aan allen,—luistert:

Ik, die de wijsheid weet, ga u zeggen wondervolle woorden. Ik ga u verhalen van het leven der eeuwige lichtmacht, van Alvaders werken in de wereld.

Het eerst van allen werden de reuzen geboren en ik ben hun kind: negen werelden ken ik, die gegroeid zijn aan den diepwortelenden wereldboom.

In overouden tijd, toen Ruischreus leefde, beefde aan strandige oevers nog niet de branding van de zee. Beneden was nog geen vaste bodem en in de hoogte geen hemel,—slechts ledige ruimte, gapende afgrond, zonder groei.

Toen hebben de zonen van Geborene Mitgaarde geschapen en lichtende schijven aan den hemel geslingerd: in het Zuiden scheen de zon op de bergen en op den grond ontkiemde het groene gras.

Zon en maan menden hun paarden langs warrelwegen: nog kende de zon niet haar eigen zalen, en de maan nog niet de maat van haar macht en wisten de sterren nog niet waar zij staan moesten.

Dan reden de goden ter vergadering en hielden raad. Zij kozen namen voor den nacht en voor de wisselende manen, voor morgen en middag en avond, en bepaalden, dat de tijden daarmee zouden worden genoemd.

Zij leefden gelukkig, de hooge goden, in hun glorievelden, speelden er lustig hun dobbelspelen en er was nog geen begeerte naar goud, tot drie machtige vrouwen verschenen.

Mijn oogen zien een boom, die Schrikesch heet. Witte nevel bevochtigt den kruin en druppelt als dauw naar de dalen, in de bron, waar aller dingen oorsprong ligt. Vandaar kwamen drie wijze vrouwen, uit golven geboren wachteressen van den boom. Word heet de eene, Wordend de andere, de derde heet Schuld. Van zondenschuld en verzoening spannen zij draden over de wereld, en weven het wordende lot van alle wezens.

Eens kwamen drie der hoog-heilige Asen op aarde. Daar vonden zij aan het strand van de zee Asker en Embla. Deze waren zwak, bezaten ziel noch zinnen, hadden geen bloed en geen levenskleur. Wodan gaf hun een ziel, Henir de zinnen en Loge bloed en levenskleur.

Toen wilden de goden in hun glorievelden hooge hallen bouwen en zij werden begeerig naar pralende paleizen. Zij reden ter vergadering en hielden raad. Om sierlijk goud te smeden schiepen zij dwergen, die den vochtigen grond onder de groene aarde met gangen doorgroeven. Gierig vergaderden zij het goud, in vlammende vuren smeedden zij kunstige schatten, en kropen krioelend door de steenen aardezalen rond.

De goden haalden Goudschat in hunne hooge hallen en smolten haar en brandden haar driemaal. En driemaal gebrand werd zij driemaal herboren. Waar zij in huis komt noemt men haar Goede. Welsprekend is zij, een toovenares, en met haar wonderlijke kunsten is zij welkom bij listige lieden.

Toen ontstond het oorlogsleed.

Tegen de wallen der godenburcht stormden de Wanen ten strijde. Maar Wodan slingerde zijn trillende speer. Dat werd het eerste oorlogsleed op de wereld.

Dan reden de goden ter vergadering en hielden raad. De reuzen hadden den goden een burcht gebouwd en dezen beloofden Freya als loon. In hevige woede ontstak toen Thonarr,—zelden blijft hij op zijn zetel zitten als hij zoo iets hoort,—en verbonden werden verbroken, verdragen vertreden, en de hevige reuzengevechten begonnen.

Bange jammer zag ik komen over Balder, Wodans zoon: reeds groeide de misteltak hoog boven het gras uit. Daar wordt de tak een doodend wapen, daar vliegt de pijl, Hader schiet, ik zie het. En Frigga weent in haar zalen om het verlies dat Walhalla leed.

De goden reden ter vergadering en hielden raad.

Hoe zouden zij de trouweloosheid bestraffen? Welk offer zou den goden vergelding geven?

Ik zie ze stevige strengen uit darmen draaien,—en diep in het woud kronkelt gebonden het lijdende lichaam van Loge. Naast haar echtvriend zit Sigyne, de vrouw, en houdt er weenend de wacht.

Broeders bevechten, verwanten vermoorden elkander,—geen spaart den ander. Zwaarden schitteren, bijlen bliksemen, schilden splijten, de bodem beeft en overal hoort men van echtbreuk. Het is stormentijd, het is wolventijd vóór de wereld vergaat.

En over de wolken rijden Walkuren, gereed voor het gevecht. Schuld draagt het schild en naast haar rijden de andere met speren en helmen en schilden.

Eens zat ik eenzaam,—daar kwam de oudste der Asen en zag mij diep in de oogen. Wat wilde hij vragen? Wat wilde hij weten? En ik zeide tot hem:

—"Wodan, ik weet waar uw oog is gebleven: Mimir drinkt iederen morgen uit Strijdvaders pand. Wie zou de bron van den kundigen Mimir niet kennen."

En Wodan, de legerheer, schonk mij gouden schatten voor de wijsheid, die ik, de Wichelares, tot hem sprak. Want diep doorschouwen mijn oogen de wereld.

Begrijpt gij mijn woorden?

Veel zie ik vooruit, veel kan ik verhalen van wereldeinde en godenondergang.

Mijn oogen zien een boom, die Schrikesch heet. En aan zijn heilige wortelen zie ik verscholen liggen Helderwits hoorn, die schallen zal door de godenschemering. Ik zie de wilde wateren bruisen uit Strijdvaders pand.

Begrijpt gij mijn woorden?

Eene oude zit in het Oosten, in IJzerwoud, en voedt er een gebroed van wolven. Van dezen wordt een de ergste, het maanhondmonster, dat de maan zal verslinden. Hij vreet het vleesch van vermoorde mannen, en bemorst alles met bloed. In volgende zomers zal de zon verduisteren en hevige onweders zullen er woeden. Hoort gij mijn woorden?

De stormreus Schrikker zit aan den heuvel en slaat in de harp; waakzame wachter is hij van de oude reuzen. Dicht bij hem in Arendenwoud zingt de bloedroode haan die Fjalar heet. Bij de goden zingt Guldenkam een weklied voor de helden in Walhalla, en onder de aarde zingt een andere, een zwart-roode haan, in Hella's huis.

Wat mompelt Wodan met Mimirs hoofd? Ik hoor Helderwits hoorn weerschallen, vuur slaat hoog in Schrikesch' kruin, de takken sidderen aan Schrikesch' stam, de boom beeft nu Loge zich losrukt, wild huilt de hond voor Hellehol, zijn banden breken.

Uit het Oosten nadert de reus,—wild wentelt zich de wereldslang, slaat dreunend op de deinende golven. Verlangend naar lijken gilt de arend zijn oorlogsgeschreeuw, en het Doodenschip scheurt van zijn ankers.

De zonen van Vuur stevenen aan uit het Oosten. Loge staat aan het roer en hitst de wilde wolven op.

Uit het Zuiden komt Rook met zijn vurig zwaard, waar flikkerende vlammen uit laaien.

Rotsen donderen neer om rondhollende reuzinnen, 't is feest voor Hella, de hemel splijt.

De reuzen brullen,—de dwergen staan voor hunne steenen kloven, en klagen.

Wat is er bij Asen, wat is er bij Alfen?

Hoort gij mijn woorden?

Wodan komt den wolf bestrijden, Freyer vecht met Rook. Ik zie Wodan door den wolf verslonden, Freyer valt. Waar is de vreugde van Frigga?

Daar stormt Widar, Strijdvader's zoon, onweerstaanbaar los op den wolf, hij zwaait zijn zwaard, stoot het monster het staal in de gapende kaken, wringt het diep in het hart. Zoo wreekt hij zijn vader.

Thonarr, de zoon van de warme aarde, de beschermer der menschen, stapt dreunend ten strijde naar de wereldslang. Met zijn moker vermorselt hij het ondier den schedel, wankelt nog negen schreden door de dampen van gif, en valt.

Zwart wordt de zon en de aarde zinkt in de zee. Van den hemel vallen de schitterende sterren, en in den donkeren top van den wereldboom loeien de laaiende vlammen.

Wat is er met menschen, wat is er met goden?

Ver van de zon af, aan Doodenstrand, zie ik een zaal. De deuren staan gapend open naar het ijzige Noorden, giftdruppels druipen door kieren en vensters, en glibberige slangenruggen omslingeren de zaal.

In het Oosten sleept door etterdalen Slingerstroom een vloed van zwaarden en slijk. In het slijmerige water waden mannen, die moord en meineed bedreven en de vrouw van een ander verleidden.

En aan de lijken zuigt Nijdhaag, de draak.

Noordelijk, in het Nidagebergte, is een gouden smidse voor Sentri's dwerggezellen, en een andere zaal is in warme streken, waar de bergreus bier dronk.

Ik zie de aarde andermaal in eeuwig groen van den bodem der zee verrijzen. De vloed is gevallen en de arend, die op de rotsen zit, zoekt vreedzaam visschen ter prooi.

Op de glorievelden komen de goden te zamen. Zij spreken nu zonder vrees van de groote wereldslang, herinneren zich de runen van den oudste der Asen en denken aan menige machtspreuk van vroeger terug.

In het gras vinden zij weer de wondervolle gouden tafelen, die Wodan en de andere Asen in oeroude, gelukkige dagen bezaten.

Zonder zaad groeien alle gewassen en alle ellende is geëindigd. OokBalder keert weder en woont samen met Hader in goede gezindheid. EnHenir mag zich weer mengen onder de goden. Zoo keert in beider zonende eenmaal verstoorde vriendschap der vaderen terug.

Goed gaat het den goden en zij wonen in Windland.

Hoort gij die woorden?

Een Lied voor Herleving

Het gebeurde, dat Dagdrager naar den heuvel ging, waar zijn moeder Groeikracht, als het leven van de groenende aarde in haar wintergraf, lag begraven. En hij sprak:

—"Groeikracht, ontwaak, gij goede! Uit uw sluimer wekt u uw zoon, dien gij hebt ontboden naar de poort van de dooden."

Groeikracht stond op uit haar graf en zij zeide:

"Welk leed ligt als een last op mijn eenigen zoon? Waarom roept gij uw moeder uit de rust van haar graf? Lang reeds heb ik de wereld van licht verlaten."

Toen vertelde Dagdrager haar, dat hij gekomen was om de plaats te weten, waar zijn geliefde Goudvreugde was, die hij zoo vurig verlangde weder te vinden.

Groeikracht sprak tot hem:

—"Wel ver gaan de verlangens der menschen! En lang is de weg, die naar Goudvreugde leidt,—groot zijn de moeielijkheden, die gij te gemoet gaat."

Dagdrager smeekte zijn moeder, dat zij hem dan reddende runen geven, en zegenende tooverzangen over hem zingen zou.

—"Moeder," zoo bad hij, "help uw zwakken zoon,—kom uw machteloos kind te hulp. Ik ben nog zoo jong voor dien moeilijken tocht,—alléén zou ik mijn doel niet kunnen bereiken."

Toen zong Groeikracht tooverliederen over haar kind:

—"Als gij vol droefheid uitgaat op uw verren tocht, mogen de Nornen u genadig zijn, aan wier woorden niemand iets verandert. De dreunende deining van golven, die u dreigen, vervloeie tot een rustig watervlak op uw reis. Toornige vijanden, die uw weg tot doodsweg willen maken, verzoene uw toovermacht,—warmtegloed ademe u mijn lied om de leden, dat hij den band van ijs verbreke, die u bindt. Storm, die opsteekt in zee en hooge golven opzweept voor uw schip, zal zich nederleggen voor uw geheven handen, en vrede laten aan uw vaart.

Als op rotsige hoogten felle vorst u overvalt,—dan schade de scherpe lucht niet aan uw lichaam en verlamme u de leden niet. Dat in nevelige nachten geen christenvrouw als winterwreed spook uw weg versperre,—en als gij nadert tot den reus, die met het zwaard gewapend wacht houdt bij de wegen, mogen woorden van wijsheid in uw gedachte zijn.

Ga dan heen, eenzame zoon. Gevaren zullen de vervulling van uw wenschen niet weerhouden: mijn weten is zoo zeker, als het grafgesteente waarop ik sta.

Houd al de woorden van uw moeder in uw moedig hart geborgen: want geen geluk zal u ontbreken, zoolang gij mijn woorden bewaart."

Toen ging Dagdrager heen. Hij ging langs de barre wegen van den winter, om te zoeken waar de lentevroolijke Goudvreugde was.

Wodans Runenlied

Ik weet hoe ik hing aan den wereldboomNegen nachten, lang als eeuwen,Gewond door de speer, aan God-Wodan gewijd,Ik zelf zoo gewijd aan mijzelf;—Hing aan den boom, die voor ieder verbergtWaar zijn wortelen groeien.

Geen brood bood men mij, noch mede aan,Mijn hoofd zonk zinnende neder,Klagende riep ik om runentooverTot ik als vrucht van den boom viel.

Negen liederen leerde mij de zoonVan Boosdoorn, Bestla's vader.En van Mimir's wondere wijsheidswaterDronk ik een teug.

Er kwam in mijn leden een nieuwe krachtEn nieuwe lust tot leven:Onheilen kan ik van mijn hoofd afwenden,En de woorden drijven tot daden.

Lodfafnir, luister. Wilt gij leerenRunen te ontraadselen, die de hoogste der godenIn stevige twijgen sneed?"Wilt gij vernemen de nuttige woorden,Die Godspreker sprak, en gebeden kennen,Die heil aanbrengen,—zoo hoor!

Vóór de wereld was Wodans wijsheid:Hij keerde vanwaar hij kwam,Liederen ken ik als geen enkele koningOf hoogverheven vrouw.

Het eerste lied leert mij hulp te verleenenIn gevechten, onheil en gevaar;Mijn tweede zang geneest de zieken,Wanneer de dood hen dreigt.

Het derde is verschrikkelijk voor iederen vijand:Want nauwelijks zal ik het zingen,Of het zwaard verstompt van mijn bestrijdersEn hun baat geen wapen tot afweer.

Als een vijand mij heeft gevangen genomenEn armen en beenen mij bindt,Zing ik den vierde der tooverzangen,En vrij zijn mijn voeten, daar de boeien vielen,Vrij hef ik mijn handen omhoog.

Een pijl, die van de pees werd geschotenEn in trillende vlucht mij wil treffen,Staat stil en valt bij 't vijfde lied,Gebonden door mijn blik.

Een zesde is machtig, wanneer een manMet de tooverdistel wil steken:Dan valt niet op mij,—dan valt op hemHet verderf, waarmede hij dreigde.

Het zevende lied zing ik, zoodra ik zie,Dat een huis in vlammen is gevlogen,Hoe hoog het laaiende vuur ook lekke,Hoe uitgebreid de brand ook zij,Ik dwing hem te bedaren.

Twist, die tusschen de helden ontstaat,Beëindigt van mijn lied'ren het achtste,Mijn negende zang, in den nacht gezongen,Verdrijft de gestalten der vrouwelijke spoken,Die over de rotsen rennen.

Ik ken nog een tienden tooverzangOm in nood op zee te zingen:Dan stil ik den storm en hooggaande golven,Bedaar ik het dreigende, woeste water,En kan rustig verder varen.

Mijn lieveling wordt door mijn elfde liedBeveiligd in alle gevechten:Ik zegen zijn schild en zijn glanzende zwaard,En hij gaat ongedeerd, en hij keert ongedeerdEn is in den strijd steeds de sterkste.

Het twaalfde bewerkt dit groote wonder:Het jonge kind van een edelen koning,Door mij in het water gewasschenTerwijl ik zing, kan geen zwaard verwonden,Wanneer het als held in den strijd trekt.

Wanneer heel het volk ter vergadering komtEn ik noem van de goden de namen,Dan zing ik mijn dertienden zang,Want beter dan wie ook ben ik bekendMet 't wezen van Asen en Alfen.

Eens zong een dwerggeest, Rustegever,Een lied dat aan volkeren kracht verleent,Wanneer ze des morgens ontwaken:Dat werd mijn veertiende tooverzang,Die sterkte aan de Asen verstrektEn mijzelf verheldert de zinnen.

En als ik bij een angstig meisjeMijn vijftiende zang ga zingen,Dan wordt zij goedgunstig en geeft mij gelukEn vervulling van al mijn verlangens.Wil zij mij verlaten, zoo zing ik een zestiende liedWaardoor zij mij blijft verbonden,

Ik zal aan geen meisje ooit mededeelenEn aan geen vrouw vertellenMijn zeventiende, 't laatste lied.Behalve aan Frigga, de vrouw aan mijn zijde,Is 't slechts één enkele bekend.

Nu zong ik geheel mijn hoogen zang,Die den menschen tot steun moge strekken.Gelukkig is hij, die de liederen kan keren,En den zijnen meedeelen mag.

Al zal het lang duren, Lodfafnir, vóórGij ze ooit zelf zult zingen,Verheug u dat gij ze mocht vernemenEn gebruik den zegen, dien ik u gaf.Door u dit heil te doen hooren."

Lodfafnir vroeg aan Wodan, dat deze hem nog meer zou leeren, dat heilzaam voor alle menschen was. Toen sprak Wodan tot hem:

—"Lodfafnir, luister dan naar mijn lessen, en doe uw nut met wat gij vernemen zult. Gij hebt de runen van den Hooge gehoord,—luister nu naar zijn levensregels.

Het allervoorzichtigste zult gij zijn bij het drinken van den aaldrank, doch ook bij een vrouw, die getrouwd is, en bij schelmen en dieven. Wanneer gij drinkt, roep dan de kracht der aarde te hulp: deze bevrijdt u van een roes, zooals een huis bevrijdt van verwarring, de maan van de woede, en runen van boosheid,—geef daarom aan de aarde een deel van uw drank.

Lodfafnir, leer deze wijze les. Als gij gaat over landen en zeeën, neem dan den noodigen mondvoorraad mee en wijk geen stap van uw wapens. Wie honger heeft vindt geen vreugde in gesprekken, en niemand kan zeggen hoe spoedig hij zijn speer noodig heeft. Geef aan uw vijand geen vrede, zoodra u gevaar dreigt, en zie in een gevecht niet angstig rond, want de schrik verandert iemand in een varken.

Een angstig man vermijdt het gevecht, alsof hij eeuwig bleef leven: ook als hij de speer is ontsprongen weet de ouderdom wel waar hij is. Aan mannen past een wakkere moed, tot de dood hen heeft getroffen; en koningskinderen zijn dapper in den strijd, maar sober met woorden.

Heil den gever! Daar is een gast gekomen, waar zal hij zitten? Wie zijn geluk zoekt op de reis heeft groote haast. Wie van buiten komt heeft verwarming noodig voor zijn koude leden, wie van verre door de bergen komt kan kleeding en voedsel gebruiken. Water en een handdoek zal de gastheer aan zijn gasten geven: door goede behandeling verkrijgt hij hun dank en belooning. Want er is geen enkele goede en gastvrije man, die zich niet verheugt om geschenken,—hoe veel hij zelf ook weggeven moge, nooit zal een belooning hem leed doen.

Niemand zult gij hoonen, die in uw huis komt, want wie binnen zit kan de waarde van een bezoek niet altijd zien.

Lodfafnir leer deze wijze les: vaar tegen geen enkelen vreemdeling uit en geef gaarne aan wie er om vragen, en geef zoo lang en zoo goed als gij kunt. Spot nooit met een stumper en veracht een ouden prater nooit: verstandigen hebben een verwelkte huid, die slap en verschrompeld om hen heen hangt: maar het verstand kwam met hun jaren. Alle menschen hebben deugden en gebreken, en al is niemand geheel volmaakt, er is ook niemand die niet iets goeds heeft. Een ieder heeft niet dezelfde gaven gekregen, en alleen degene, wien het aan hart en verstand ontbreekt, spot en lacht om alles. Hij moest weten,—maar weet het niet,—dat hij ook zelf niet vrij is van fouten. Een gastheer zij vriendelijk voor zijn gasten, en vroolijk: dan zorgt hij tegelijk voor zichzelf. Want wie goeden raad weet te geven verdient de lof van een verstandig man.

Op reis is voorzichtigheid het beste gezelschap,—die heeft men het meeste noodig van alles. Stel daarom ook niet al te hoog vertrouwen op het ontkiemende veldzaad, noch op het verstand van uw kind: het zaad heeft zijn tijd en een kind heeft opvoeding noodig. Hoe vaak blijken beide niet onbetrouwbaar! Prijs den dag nooit voor den avond, en een vrouw slechts dan als ze dood is,—prijs een bruid na de bruiloft, het bier na het drinken, het ijs als ge behouden aan land zijt gekomen, en een zwaard, nadat gij het eenmaal gezwaaid hebt. Brekende bogen en flikkerende vlammen, wilde zwijnen en ontwortelde boomen, huilende wolven en hongerige raven, hooggaande golven en glibberige slangen, krakend ijs en een kookenden ketel, preekende vrouwen en een vleiende heks, stijgerende hengsten en schijndoode helden, pralende vorsten en prijzende heeren, een klaren hemel en een klagend meisje, een brandend huis en een beer, die danst, uw vijand op denzelfden weg als gij bewandelt,—wees altijd voorzichtig, vertrouw dezulken nooit.

Wie als gast in een huis komt zal goed om zich rondzien, want niemand weet of daarbinnen zich niet een vijand bevindt. Blijf ook niet te lang in hetzelfde huis, want de beste vrienden worden vervelend, wanneer zij te lang op den bank van een ander vertoeven.

Wees vooral voorzichtig, wanneer gij aan den maaltijd gaat. Drink van de mede, maar houd de maat, dan kunt ge zwijgen en spreken waar het noodig is. Niemand zal u verwijten, dat gij vroeg naar bed gaat. Mede is voor de menschen niet zoo goed als men meent, en dronkenschap is de slechtste gezel, omdat iedere slok een stuk van het verstand steelt. En wie zonder nadenken aan zijn lusten maar toegeeft, eet zich ziek: menigeen, die zich in matig gezelschap zoo dom gedroeg, werd later door zijn maag uitgelachen. De kudde kent den tijd om naar huis terug te keeren, en houdt dan met grazen op,—maar een domme mensch let niet op de maat van zijn maag.

Wanneer men aan een maaltijd fluistert, moet gij zwijgen, zet echter uw oogen en uw ooren wijd open, opdat gij uw voordeel kunt vinden. Laat u nooit verleiden met den eerste den beste te spreken en vertel aan een schelm nooit van uw eigen verdriet, want in een slecht gezelschap vergeldt men goed niet met goed en worden de braven ontwapend door de schimpscheuten der slechten.

Zorg er voor van alles te weten, omdat bij wijzen een domme bespot wordt. Dwaas is hij, die nooit iets zegt, of niet weet wanneer hij moet zwijgen. Wanneer het gesprek op runen komt of op kennis van goddelijke dingen, spreekt een dwaas het verstandigste, wanneer hij zwijgt. Een dwaas doet het beste in gezelschap van andere mannen zijn mond te houden: dan bemerkt niemand, dat hij weinig weet, en houdt hij zijn armoede verborgen. Een man moet echter ook niet méér dan matig wijs zijn. Wie zijn noodlot niet kent blijft bevrijd van veel kommer, en te groote wijsheid kost iemand de vroolijkheid van zijn hart. Wanneer men slechts goed weet hetgeen dat men weet, leidt men het gemakkelijkste leven.

Wie verstandig wil zijn moet steeds weten wat hij zal zeggen of vragen. Doch hij vertrouwe slechts den een, en den ander niet, want wat drie weten weet heel de wereld. Houd daarom voorzichtig de wacht aan de deur van uw vertrouwen: hoe menigeen heeft het niet moeten boeten, dat een ander zijn geheime gedachten kende! Hoofd en tong behooren bij elkander en toch heeft menige tong een hoofd afgehouwen; dikwijls is onder een kleed van vrede een gewapende hand verborgen.

Hij is een dwaas, die denkt een vriend te vinden in een ieder die hem toelacht, en hij ziet niet in hoezeer men hem bespot. Hij is een dwaas, die denkt een vriend te vinden in een ieder die met hem meepraat, en als hij voor het gerecht geen verdediger vindt, bemerkt hij eerst hoe hij bedrogen werd.

Weet gij echter, dat gij een vriend hebt, dien gij volkomen kunt vertrouwen, wissel met hem dan al uw gedachten en vele gaven en ga hem dikwijls bezoeken; want heidekruid en hoog gras groeien op een weg, dien niemand bewandelt.

Eens was ik jong en doolde eenzaam rond en verdwaalde op de wegen; nu ben ik rijk, wijl ik een ander vond: een man is voor den man een vreugde. De boom, die op een dorren heuvel staat, krijgt geen bladeren en takken; zoo is ook de man, die door niemand bemind wordt,—waarom zou hij langer leven?

Een brandstapel vangt van een brandstapel vonken tot hij zelf in brand vliegt,—zoo leert een man van een anderen man, en zou dom blijven, als deze zweeg. Maar als bij slechte menschen het vuur van de vriendschap vijf dagen brandt, zinkt het in asch vóór den zesde, en is alle liefde uitgedoofd.

Met wapenen en kleederen moeten vrienden elkander verblijden, zooals men zelf zeer goed weet: wie elkander geschenken geven blijven het langste bevriend, wanneer het geluk overigens wil dienen. Niet alleen groote gaven moet men geven, ook met kleine koopt men zich dank,—met een half brood en een halfgeledigden beker verkreeg ik eens een vriend. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn en hem alle gaven vergelden, zooals men hoon met hoon, en bedrog vergeldt met leugens. Voor een vriend moet men vriendelijk zijn, ook voor allen, die hem bevriend zijn, maar wie uw vriend vijandig is, zult ook gij niet als vriend beschouwen.

Breek nooit overijld, en nooit het eerst, den band met uw vrienden, want als gij uw gedachten aan niemand toevertrouwen kunt, knaagt de kommer aan uw leven.

Uit den verstandigen man weet de macht der liefde een dwaas te maken en dat gebeurt eens bij een ieder. Daarom moet niemand een ander verwijten, dat hij in haar boeien ligt: de schoonheid verwart den flinken man en laat een zwakhoofd onverschillig. Met mooie woorden en rijke geschenken verwerft men de gunst van de vrouwen, en wie de schoonheid van een meisje prijst vangt haar spoedig in zijn armen. Maar ik beken het u eerlijk,—ik ondervond het toch zelf,—de liefde van een man voor eene vrouw is vluchtig. Wij praten prachtig, denken slecht, en bedriegen haar, die ons het meeste vertrouwen.

Lodfafnir leer deze wijze les: verleid nooit de vrouw van een ander tot liefde. Maar als gij een meisje, dat vrij is, tot liefde wilt lokken en vreugde bij haar wilt vinden, beloof en geef haar dan schoone geschenken, en nooit geeft gij haar te veel.

Lodfafnir, leer deze wijze les: vertrouw niet te veel op het woord van vrouwen en meisjes, want op een rollend rad werd haar hart geschapen en in haar ziel woont wispelturigheid. De liefde van een vrouw met vluchtigen zin is gelijk aan een tweejarig paard, dat zonder toom, met onbeslagen hoeven, schichtig over het ijs holt;—gelijk aan een schip zonder stuur in den storm, en aan een jager op beregende wegen, die struikelt en uitglijdt op gladden steen.

Lodfafnir, leer deze wijze les: ontvlucht de omhelzing van een toovervrouw, want zóó zal zij u bedriegen: gij weet niet meer wat rechters en koningen tot u spraken, gij denkt aan geen eten en mannenmoed meer en zorgenvol valt gij in slaap. De booze tong van een vrouw heeft al menigeen leven en hoofd gekost, en haar valsche woorden sleepen hem in het graf, zonder dat hem schuld treft.

Lodfafnir, leer deze wijze les: sta in den nacht slechts op als er nood is. Wie alle nachten waakt zal 's morgens zeer vermoeid zijn en toch dezelfde zorgen vinden. Sta echter vroeg op, als gij weinig werklieden hebt, want er wordt veel verloren door wie zich verslaapt. Wie eens anderen mans leven en goed wil verkrijgen moet vroeg opstaan: een luie wolf verliest zijn prooi, en zoo ontgaat een slapende de overwinning.

Een ieder moet de maat goed kennen van de houtstapels voor zijn huis, opdat in de wintermaanden zijn voorraad niet opraakt. Een goede voorraad geeft rustigen slaap, zelfs in den barren herfst, als het weer wel vijfmaal verandert op een dag, en hoe dikwijls dan niet in de maand! Met het vermogen, dat een man zich verwierf, moet hij niet gierig zijn: vaak krijgt een vijand wat men voor een vriend had bestemd, 't Geschiedt zoo dikwijls anders als men vermoedde! Een rijke had eens volle schuren,—nu kauwen zijn kinderen op hun vingers,—rijkdom, de onbetrouwbare vriend, verdwijnt zoo vlug als een wenk van de oogen.

Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt zijt gij er meester: een dak van stroo en twee geiten in den stal is beter dan bedelen. Hoe klein uw bezit dan ook zij, wanneer gij een huis hebt zijt gij er meester,—alleen bloedt het hart, wanneer men iederen middag zijn eten moet vragen. Maar niemand behoeft zich te schamen, die geen goede schoenen en prachtig paard bezit, als hij maar schoon en verzadigd naar de rechtplaats kan rijden. Een rijke, die tusschen de menigte toch geen verdediger kan vinden, is als een arend, die angstig op een prooi aast.

Vuur is het beste onder de menschen, de aanblik van de zon en een goede gezondheid, wanneer men die zonder schande kan hebben. Nooit is een man geheel ongelukkig, zelfs niet dan als hij ziek is: de een verheugt zich over zijn zonen, een ander over verwanten, een derde over zijn vele vee, en een vierde is tevreden over zijn daden. Een lamme rijdt nog op een paard, wie zijn handen verloor kan de kudde leiden, een doove kan nog vechten, en een blinde is beter dan een verbrande. Want dooden dienen tot niets. Het is beter te leven dan dood te zijn,—een levende krijgt nog wel ooit een koe,—bij den rijke zag ik vroolijk vuur opvlammen, maar hij lag zelf voor de deur dood.

Een zoon te hebben is goed, ook al werd hij geboren na den dood van zijn vader: zelden staan er gedenksteenen langs den weg, die een zoon er niet voor zijn vader zette.

Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook zelf,—maar nooit sterft de roem van hem, die zich een goeden naam verwierf.

Het vee sterft en alle verwanten sterven, en eens sterft men ook zelf,—één ding weet ik, dat sterft nooit: het oordeel over den doode."

Hoe de Standen ontstonden

Helderwit, een van de Asen, ging een verre reis ondernemen. Hij had echter een anderen naam aangenomen, en noemde zich Oerman.

Nadat Oerman al zeer ver was gevaren, kwam hij aan het strand van de zee en vond daar een huis. De deur lag naast den ingang, en Oerman ging naar binnen.

Daar zaten, over het vuur gebogen, twee menschen, een man en eene vrouw, die Oud en Oude heetten en zeer armoedig waren gekleed. Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig werd het midden van de bank voor hem vrijgemaakt, waar beiden zich naast hem nederzetten. Oude haalde een stuk droog brood, dat hard en grof was en met zemelen gebakken, droeg ook een houten nap met slecht bier naar binnen en een stuk gekookt kalfsvleesch, het beste wat zij had.

Toen zij gegeten en gedronken hadden, en Oerman hun nog veel goeden raad gegeven had, stond hij op om te gaan slapen. Hij legde zich midden in het groote bed, en naast hem legden zich Oud en Oude neer.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen, en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden echter kreeg Oude een koolzwart kind. Men wiesch het met water, en noemde het Knecht. Voorspoedig groeide het op, maar het had ruwe en doorgroefde handen, zijn rug was krom gegroeid, knoestig waren zijn vingers, en grof zijn gezicht. Het werk, waarmede Knecht zijn kracht ontwikkelde was hakken van hout, boomtakken binden, stammen sleepen, heel den dag.

Eens kwam er een vrouw in zijn woning, hinkend op haar bloederige voeten, met eeltige handen en stompen neus. Meid was haar naam. Spoedig werd het midden van de bank voor haar vrij gemaakt, en de zoon des huizes zette zich naast haar neder. Daar lagen, toen het donker was geworden, lachend en pratend, Meid en Knecht.

Armelijk woonden zij bij elkander, en kregen vele kinderen. Dat waren kromme en kreupele, plompe, lompe wezens. Zij voederden de zwijnen, groeven turf, en wroetten rond in de aarde.

Zoo ontstond de stand der Knechten.

Toen Oerman heengegaan was en zijn weg had vervolgd, kwam hij weer aan een huis. De deur lag naast den ingang en Oerman ging naar binnen.

Daar zat aan het vuur een vlijtig paar, dat ijverig aan het werk was. Bij den haard stond een houten paal, waarvan de man een gladden weef boom had geschaafd. Zijn vrouw zat naast hem en trok uit het spinnewiel stevige draden. De man, in een kiel gekleed, droeg het haar bij het voorhoofd heel kort geknipt, terwijl zijn vrouw een doek om het hoofd had geslagen, en een halsdoek over haar jak had vastgemaakt. Zoo woonden Afi en Amma bij elkander.

Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, maar stond spoedig op van tafel om te gaan slapen. Hij legde zich midden in het groote bed, en naast hem legde het vlijtige echtpaar zich neder.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman heen, en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden echter kreeg Amma een krachtig kind. Het had een frisch gezicht en vroolijke oogen. Zij wieschen het met water, wonden het in linnen windselen, en noemden het Kerel. Het werk, waarmede Kerel zijn kracht ontwikkelde, was stieren voederen, het veld bebouwen, met wagens rijden, en den ploeg besturen.

Eens kwam er een bruid in de woning van Kerel. Aan haar gordel hingen sleutels, en over haar lange kleed van geitevellen droeg zij een mooien mantel. Het meisje heette Snaartje. Zij deelden samen hun bezit, en woonden als echtpaar bij elkander. Zij leefden gelukkig en kregen kinderen. Dat waren stevige, sterke, werkzame jongens,—flinke, vlugge, montere meisjes.

Zoo ontstond de stand der boeren.

Toen Oerman heengegaan was, en zijn weg had vervolgd, kwam hij aan een groote zaal. De deur stond naast den ingang, die gekeerd was naar de zon. Oerman ging naar binnen.

Daar zaten een man en eene vrouw, die zich met spelen vermaakten. Vader, die de heer was van het huis, hield een boog in de hand, en spande de pees met een puntigen pijl. Moeder, de huisvrouw, streek de plooien van haar kleeding glad. Zij droeg een sluier op het hoofd, en kunstige sieraden om den hals, en zij had een blauw gewaad aan met langen sleep. Voorhoofd, borst en armen waren blanker dan de blinkende sneeuw.

Oerman sprak met hen, gaf hun in vele dingen goeden raad, en spoedig werd het midden van de bank voor hem vrij gemaakt, waar beiden zich naast hem nederzetten. Toen dekte Moeder de tafel met een gebloemd linnen laken, en zette het beste gebak voor hen neer. Zilveren schalen met spek en gebraden vogels droeg zij binnen, en kostelijken wijn in waardevolle kannen.

Zoo ging, pratend en drinkend, de dag ten einde, en Oerman gaf hun menigen raad, totdat hij opstond om te gaan slapen.

Drie nachten bleven zij daar bij elkander. Toen ging Oerman weer heen, en vervolgde zijn reis.

Na negen maanden kreeg Moeder een stevigen zoon. Men wiesch hem met water, wikkelde hem in zijden doeken en noemde hem Heer. Hij kreeg blonde haren en bloeiende wangen, en als slangenoogen blonk zijn blik. De knaap werd flink en sterk, leerde pijlen snijden, bogen buigen, het schild hanteeren, speren slingeren, paarden temmen, en oefende zich in zwaarden zwaaien en in zwemmen.

Eens, dat Oerman wederkeerde uit het woud, gaf deze hem zijn naam, en noemde hem zoon. Hij raadde hem aan er opuit te rijden om aan zijn oude bezit nieuwe winsten te verbinden. Heer reed heen langs ongebaande paden en over besneeuwde bergen, totdat hij voor een burcht kwam. Hoog op zijn paard gezeten slingerde hij zijn speer, zwaaide zijn zwaard en zijn schitterende schild. Er ontstond een hevige strijd: de bosschen werden rood van bloed, de vijanden vielen, en heel het land werd overwonnen.

Hij alleen was heerscher over achttien burchten, en schonk overvloedige schatten weg: kunstig gesmeede sieraden, edele paarden, geslingerde ringen van goud.

Toen zond hij edelen uit, ver over de zee, naar den burcht, dien Herse zich bouwde, en hij beval hun, dat zij Erna, het slanke, mooie adelsmeisje, halen zouden. En Erna kwam, in linnen bruidsgewaad gekleed.

Heerlijk leefden zij samen, en teelden een grootsch geslacht van koninklijke kinderen.

Zoo ontstond de stand der edelen.

De jonge koning kende alle runen van oude tijden, had de macht om zieken te genezen, vijandelijke zwaarden bot te maken, stormen te bedaren, vuur te dooven, vogels te verstaan, en leed te lenigen. Hij was zoo sterk van spieren als acht mannen te zamen. Meer zelfs dan de wijze Oerman kende de koning, en hij was in alle weten ervaren.

Eens reed een van zijn edele zonen door het wilde woud ter jacht, en luisterde naar het zingen van de vogels. Toen krijschte er een kraai, en zeide tot den jongen edeling:

—"Vorstenkind, wat voert u hierheen om naar vogels te luisteren? Op strijdrossen rennen, en helden vellen is betere taak voor u dan de jacht. Wie na u komen zullen méér burchten bezitten, en grooteren roem verwerven: op snelle schepen zullen zij over de wereld zeilen, en overal de teekenen toonen, die het zwaard hun bloedig sloeg"

De Welandsage

Er was een koning in Zweden, die Nijdhod heette. Twee zonen had hij, en ene dochter, wier naam Bodwild was.

Ook leefden daar terzelfder tijd drie tooverkundige bergbewoners. Zij waren broeders. De oudste heette Slagfid, de tweede Egil en de derde Weland. Zij waren gewoon op sneeuwschoenen te loopen, en maakten jacht op wilde dieren.

Eens kwamen zij in Wolvendal en bouwden er zich een huis dicht bij een water, dat Wolvenmeer genoemd werd. Op zekeren dag, vroeg in den morgen, dat de drie broeders op jacht waren gegaan, kwamen over het uitgestrekte Zwartwoud meisjes uit het Zuiden gevlogen. Zij droegen helmen op het hoofd en zochten of er ook ergens werd gevochten. Toen zij niets zagen, zetten zij zich aan het strand van Wolvenmeer neder, en sponnen er de kostbare draden van het lot. Hare zwanenkleeren lagen in de nabijheid, want zij waren Walkuren. Twee van haar waren dochters van koning Lodwer: de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de Alwijze. De derde echter was Aalrune, de dochter van Kiar, koning van Walland.

Toen de drie broeders terugkwamen uit de bergen, en de vrouwen zagen, namen zij haar mede naar hunne woning. Egil koos Aalrune, en vleide zich aan haar blanken boezem neer; Slagfid nam de zwaanwitte Ladgud, en Herwor, de derde, omhelsde Weland. Zij bleven zeven winters lang bij elkaar. Maar in den achtsten winter voelden de vrouwen een rusteloos verlangen naar haar eigen werk, en in den negende kon niets haar weerhouden. Een groot verlangen om te zoeken waar gevochten werd dreef de helmdragende meisjes het Zwartwoud in. En toen op zekeren dag de drie broeders waren uitgegaan ter jacht, vlogen de vrouwen heen. Herwor was de laatste, die heenging, en vóór zij ging fluisterde zij, rondom zich ziende in den voorhof:

—"Wie straks uit het bosch komt zal geen blijheid beleven."

Vermoeid van de jacht keerden eindelijk de drie broeders uit het woud in hunne woning terug. Zij vonden alle zalen verlaten,—zij liepen naar buiten, liepen naar binnen, overal zoekend liepen zij rond.

Toen ging Egil naar het Oosten om Aalrune te zoeken,—naar het Zuiden ging Slagfid om te zien of hij Ladgud ook vond. Maar Weland bleef in Wolvendal, eenzaam. In fijn-gesmeede sieraden vatte hij edelsteenen, reeg aan banden van boombast ringen van goud en wachtte, hopend, dat zijn blonde Herwor zou wederkeeren.

Daar hoorde Nijdhod, de vorst van de Njaren, dat Weland eenzaam in Wolvendal was. Weldra reed hij door de stilte van den nacht met een leger krijgshaftige mannen, wier schilden en schubbige pantsers in den schijn van den manesikkel schitterden.

Bij Weland's woning stegen zij van hunne paarden en gingen in de groote hal. Daar zagen zij de aangeregen ringen, zevenhonderd in getal, die het eigendom van Weland waren. Zij trokken ze van de banden, regen ze echter weer aan elkaar, behalve een, die de mooiste was en dien Nijdhod behouden wilde. Toen verscholen zij zich in de holen en in de bosschen, die rondom de woning waren, en wachtten tot Weland komen zou.

Vermoeid van de jacht keerde deze eindelijk na een langen tocht terug. Weldra vlamde er een vroolijk vuur in het dorre hout, dat de wind gedroogd had, en ging Weland berenvleesch braden. Nadat hij ervan gegeten had, legde hij zich neer op de huid van den beer, dien hij gedood had, en telde zijn ringen. Hij miste er een, en meenend, dat Herwor dien eraf had genomen, dacht hij, dat de jonge Alwijze was teruggekeerd.

Zoo zat hij lang, wachtende tot zij zou komen, en viel eindelijk in slaap. Maar wat jammerlijk wee bracht hem het ontwaken! Harde banden bonden zijn handen, en zijn voeten waren stevig geboeid.

Toen riep hij luide:

—"Waar zijn de roovers, die mij met ruwe riemen omsnoerden en mij in harde banden gebonden hebben?"

Nijdhod, de koning, die dacht, dat Weland al dat goud had gestolen, ging naar hem toe en zeide:

—"Zeg, Weland, hoe hebt gij in Wolvendal al dat goud verworven? Want gij hebt niet, als Siegfried, een draak gedood, die schatten bewaakte, en de rotsen van den goud-rijken Rijn zijn ver van uw woning verwijderd."

Weland antwoordde den koning:

—"Kent gij Ladgud en Herwor niet, Lodwers rijke dochters, en Aalrune, die een kind van koning Kiar is? Ik had nog grootere schitterende schatten, toen ik met Alwijze zoo gelukkig was."

's Konings krijgslieden namen den gevangen Weland op en brachten hem naar het paleis van Nijdhod. De koningin, die buiten stond, zag hen aankomen en zij zeide tot zichzelf, terwijl zij naar binnen ging:

—"Het ziet er niet goed uit, voor wie daar uit het woud komt."

Nijdhod gaf den gouden ring, dien hij uit Welands woning medegenomen had, aan zijn dochter Bodwild ten geschenke. Zelf echter behield hij het scherpe zwaard dat aan Weland had toebehoord.

Toen sprak de koningin tot den koning:

—"Welands oogen schitteren als die van slangen. Zijn tanden zullen van woede wel knarsen, als hij zijn zwaard ziet en den ring herkent aan Bodwilds arm. Snijd hem de kniepezen door en laat hem zoo in Zeestad zitten!"

Dit geschiedde. Men sneed hem de pezen van de knieën door, en hij werd op een eiland gezet, dat in de nabijheid van het land lag en Zeestad heette. Daar moest hij voor den koning allerlei sieraden smeden, en niemand durfde hem te naderen als de koning alleen.

Slapeloos zat er Weland en hanteerde den hamer. Hij dacht hoe nu aan Nijdhods gordel het glanzende zwaard hing, waarvan hij de snede had geslepen zoo goed hij kon, dat hij gehard had met hamerende handen, en dat hem nu ontnomen was en nooit meer in zijn werkplaats zou worden gebracht. En hij dacht aan den roodgouden ring van zijn heerlijke Herwor,—en die nu aan Bodwilds arm blonk.

Zoo zat hij en smeedde sieraden voor Nijdhod, knarsend van woede, onmachtig tot wraak.

Maar op zekeren dag kwamen Nijdhods jeugdige zonen naar Welands werkplaats. Voorzichtig slopen zij naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in. Daar zagen zij schitterende schatten, en zij vroegen schuchter aan Weland:

—"Is al dat glinsterende echt goud?"

Weland wendde het hoofd om en zag de beide koningskinderen. Toen rijpte er plotseling een plan tot wraak, en hij zeide:

—"Kinderen, komt morgen heimelijk bij mij, dan zal ik u schatten ten geschenke geven. Maar zegt het niet aan de knechten en meiden, verbergt voor iedereen, dat gij bij mij waart."

Den volgenden morgen, al heel vroeg, zeide het oudste van de kinderen tot het andere:

—"Kom, laten wij gauw naar het goud gaan kijken." Nieuwsgierig gingen zij naar Welands werkplaats, slopen voorzichtig naar binnen, openden de kist, waarin de kostbaarheden waren, en keken er in.

Toen, met een hevigen slag, sloeg hun Weland het hoofd af en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette hij in zilver en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad voor Bodwilds borst.

Korten tijd daarna gebeurde het, dat de gouden ring, waarmede Bodwild pronkte, brak. Zij nam de beide stukken, ging er mede naar Weland, en zeide:

—"Weland, wilt gij mijn ring weer maken? Aan u alleen durf ik zeggen, dat hij gebroken is."

Weland antwoordde haar:

—"Ik zal uw gouden ring zóó maken, dat hij uw vader nog sierlijker schijnt, en dat uw moeder hem veel mooier zal vinden. Gij zelf zult zeggen: hij is weer even goed."

Overweldigd door het vele bier, dat Weland haar deed drinken, vielBodwild weldra, dicht tegen hem aan, in slaap.

Toen juichte Weland:

—"Nu heb ik alle wandaden gewroken, behalve één. Maar ik zal mij nog wel hoog verheffen boven de schurken, die mijn pezen doorsneden."

Heftig begon hij te hameren en smeedde zich vleugels. En toen Bodwild wakker werd, ging zij weenende heen van haar verleider, bevend voor haars vaders wraak, en bang, dat Weland zou ontvluchten.

Koning Nijdhod had langen tijd tevergeefs op zijn zonen gewacht. Hij lag op een bank in de groote zaal van zijn paleis, en peinsde. De koningin stond buiten, en zoodra zij hem zag, ging zij tot hem, zette zich naast hem neder en zeide:

—"Nijdhod, vorst der Njaren, zijt gij wakker?"

De koning antwoordde haar:

—"Altijd ben ik wakker, geen slaap sluit mijn vreugdelooze oogen. Mij kwellen zorgen na der kinderen dood. Het hamert in mijn hoofd, sinds gij mij zoo heilloos hebt geraden. Ik wil met Weland spreken."

Nijdhod stond op en ging naar Zeestad. Daar sprak hij tot Weland:

—"Antwoord mij, Weland,—wat is er gebeurd met mijn zonen, die zoo gezond mij verlieten?"

Toen zeide Weland:

—"Alles zal ik u zeggen, als gij mij zweren wilt met heilige eeden: bij de spits van uw speer, bij den rand van uw schild, bij de kiel van uw schepen, bij den rug van uw krijgsros, dat gij mijn vrouw niet zult vermoorden, dat gij mijn lief geen leed zult doen, ook niet wanneer zij aan uw huis verwant zou zijn, en mij een kind in konings zalen werd geboren.—Zoo ga dan in de werkplaats, die gij voor Weland bouwdet, en zie er de balken, die druipen van bloed. Daar sloeg ik uw kinderen met hevigen slag het hoofd af, en verborg hun voeten onder den haard. Maar hun schedels zette ik in zilver, en zond ze aan Nijdhod, maakte van hun oogen edelsteenen, voor de sluwe moeder een schitterend geschenk, en smeedde uit de tanden van haar twee broeders een blinkend sieraad van Bodwilds borst. En Bodwild zelf, uw beider eenige dochter, gaat en draagt mijn kind."

Toen sprak Nijdhod:

—"Geen woord, Weland, heeft ooit mij heftiger getroffen,—geen woord wensch ik zoo streng te straffen als dit."

Maar lachend vloog Weland de lucht in. Nijdhod stond, en staarde hem na, vernietigd van smart.

Daarop zeide de koning:

—"Dankraad, gij wiens raad ik zoo dikwijls dankend aanvaardde, ga, en ontbied de blonde Bodwild hier. Ik wil haar verhooren."

Toen Bodwild gekomen was, zeide de koning:

—"Is het waarheid, Bodwild, wat Weland mij zeide? Waart gij te zamen met hem?"

En Bodwild sprak:

—"Het is waarheid, koning, wat Weland u zeide. Wij waren te zamen, alleen. Ach, had ik toch nooit dat nooduur beleefd! Maar ik deed het ontwetend, deed het onwillend, ik kon niet weerstaan, kon Weland niet weren."

Helgi, Zwaardwachts zoon

Koning Zwaardwacht had drie vrouwen. De eerste heette Alfheld, wier zoon Hedin was; de tweede heette Zeerit, wier zoon Schemerling was; de derde heette Zinrood en haar zoon was Sluimerling.

Koning Zwaardwacht had gezworen, dat hij de schoonste vrouw zou trouwen, die hij vinden kon. Eens vernam hij, dat koning Slaapner een zeer schoone dochter had, wier naam Sieglinde was. Atli, den zoon van een zijner edelen, die Idmond heette, zond hij uit om de hand van Sieglinde te vragen.

Een winter lang verbleef deze edelman met zijn volgelingen aan koning Slaapners hof. Glanswolk echter, een hoveling van den koning, die de verpleger van Sieglinde was, en zelf eene dochter had, die Alof heette, raadde zijn koning aan Sieglinde niet aan Atli mede te geven. Toen ging Atli heen.

Maar voor hij heenging stond hij op zekeren dag voor een boschje lage boomen. Daar zat een vogel in de takken, en deze had gehoord, dat Atli's volgelingen de vrouwen van Zwaardwacht de mooiste vonden. Toen zeide de vogel:

—"Hebt gij Sieglinde, Slaapners dochter, wel gezien, dat gij de vrouwen van Zwaardwacht nu nog mooi kunt vinden?"

Atli vroeg den vogel, of deze hem helpen wilde Sieglinde voor zijn koning te verwerven. De vogel beloofde het hem, wanneer hij in ruil voor zijn diensten rijke geschenken krijgen zou. Maar toch moest Atli zonder Sieglinde wederkeeren.

Zoodra hij in zijn eigen land, dat Glasland heette, aangekomen was, vroeg de koning hem welke tijding hij medebracht. Atli zeide, dat hij alle moeite gedaan had, die mogelijk was,—verhaalde den koning van zijn afmattenden tocht over de barre bergen, hoe zij bij ebbe door gevaarlijke rotsspleten aan zee waren gegaan, en dat tenslotte toch nog Slaapners dochter was geweigerd.

De koning verlangde, dat zij nogmaals heen zouden gaan, en hij ging zelf mede.

Toen zij boven op de bergen gekomen waren, en Slaapners land, dat Svabaland heette, konden overzien, zagen zij daar hoogopslaande vlammen en warrelende stofwolken, die door rennende paarden opgeworpen werden. De koning reed van de bergen naar beneden, en vestigde zijn nachtverblijf aan een breede rivier. Atli hield de wacht, en stak de rivier over. Daar, aan den anderen oever, vond hij een huis, waarvoor een groote vogel zat, die er de wacht moest houden, maar ingeslapen was. Atli schoot den vogel dood, ging het huis binnen en vond daar Sieglinde, de koningsdochter, en Alof, de dochter van den edelman. Deze edelman had zich in een arend veranderd, en hij was de vogel, die door Atli gedood werd, en hij had de beide meisjes met zijn tooverkunst voor de legers beschermd. Want Roodwolk, een koning uit den omtrek, die ook naar Sieglinde gedongen had, was het land van den Svaba-koning binnengevallen, had hem verslagen, en zijn rijk geplunderd en in brand gestoken.

Toen nam koning Zwaardwacht Sieglinde tot vrouw, en Atli behield Alof voor zich.

Zwaardwacht en Sieglinde kregen een flinken, krachtigen zoon. Maar spreken kon hij niet, en men gaf hem ook geen naam.

Eens echter, dat deze op een heuvel stond, zag hij negen Walkuren over de wolken rijden. Een van dezen, Svaba genaamd, die de dochter was van koning Euling, sprak tot hem:

—"Helgi, gij zult eens over heel het gebied en over alle burchten van dit schitterende Glasland regeeren."

De koningszoon zag tot haar op, en toen hij het meisje gezien had kon hij spreken. En hij zeide:

—"Schitterend meisje, wat wilt gij mij nog meer geven, behalve dien naam? Wenscht gij mij nog meer in uw groet? Ik neem dien naam niet zonder u."

Svaba, de Walkure, antwoordde hem:

—"Zes en veertig zwaarden zie ik in Zegehout staan. Maar één daarvan is het beste van allen. Aan het gevest is een ring, moed in de snede, op de spits schittert verschrikking, in het staal steekt een bloeddrinkende draak. Het zwaard, dat met goud is beslagen, slaat alle schilden stuk, en het trilt als de staart van een giftslang."

Toen reed Svaba heen. Helgi echter ging naar zijn vader Zwaardwacht, en zeide:

—"Koning Zwaardwacht, gij zijt wel beroemd als aanvoerder van vele legers, maar gij laat de vlammen vreten in het land van vorsten, die u nooit iets hebben misdaan. Roodwolk regeert over de burchten, die aan onze verwanten behoorden, en hij heerscht ongestoord over het eigendom van de dooden."

Zwaardwacht antwoordde hem, dat hij hem een leger zou geven, als hij er mede wilde uitrukken om den vader van zijn moeder te wreken.

Helgi zocht het zwaard, dat Svaba hem gewezen had, rukte met Atli uit, velde Roodwolk neer en volbracht nog menige heldendaad.

Op een van zijn vele tochten versloeg Helgi ook den reus Haat, die boven op een berg zat, aan den oever van de zee. Helgi en Atli legden toen hunne schepen in de Haatfjord vast. Atli zou gedurende het eerste gedeelte van den nacht de wacht betrekken, en terwijl hij op den hoogen voorsteven van het grootste schip stond en uitzag, kwam Ringgerd, de dochter van den gedooden reus, op de rotsen en sprak tot hem:

—"Welke helden zijn er in de Haatfjord gekomen? Schilden staan als tenten op uw schip: gij schijnt dus geen vrees te kennen. Hoe heet uw koning, en wie zijt gij?"

Atli antwoordde de heks:

—"Helgi heet de koning. Gij kunt zijn schip toch niet beschadigen, want het is rondom met ijzer beslagen. Ik ben Atli. En ik haat alle heksen, en vele malen heb ik, op den voorsteven staande, nachtspoken vernietigd. Hoe heet gij, heks?"

De heks zeide hem:

—"Ringgerd heet ik, de dochter van Haat. Mijn vader heeft zich menige bruid uit de burchten genomen, voor Helgi hem doodde. Want hij was de machtigste onder de reuzen."

Atli wist, dat het haar plan was de schepen te vernietigen, als zij er ongemerkt dichtbij kon komen, of wel, afwachtend onder het water, ze om te werpen en zoo te doen zinken. Ringgerd, woedend, dat Atli haar voornemen kende, riep uit:

—"Helgi, word wakker. Betaal boete voor den val van mijn vader. Laat mij maar een nacht naast u slapen, dan zal uw wandaad wel gewroken zijn."


Back to IndexNext