Boek VIII.Terugwerking.Eerste hoofdstuk.In welken spiegel mijnheer Madeleine zijn haren beziet.De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen nacht gehad, voor ’t overige vol aangename voorstellingen; tegen den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig, alles dicht onder ’t gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt binnengekomen.„Zijt gij ’t, mijnheer de maire?” riep zij.Hij antwoordde met zachte stem:„Hoe gaat het met de arme vrouw?”„Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust geweest.”Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde, dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.„Dit is alles goed,” zeide hij, „ge hebt wel gedaan, haar in dien waan te laten.”„Ja,” hernam de zuster, „maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u zonder haar kind zal wederzien?”Hij bedacht zich een oogenblik.„God zal ’t ons ingeven,” zeide hij.„Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen,” mompelde de zuster binnensmonds.’t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine juist in ’t gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op.„Mijn Hemel, mijnheer!” riep zij, „wat is uw overkomen? uw haar is geheel en al wit!”„Wit?” zeide hij.Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar in en zeide: „ziedaar!”Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht.De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles vermoedde.Hij vroeg:„Kan ik haar zien?”„Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?” sprak de zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.„Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig.”„Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet,” hernam de zuster bedeesd, „zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen.”Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken, toen zeide hij met kalmen ernst:„Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast.”De geestelijke zuster scheen het woord „misschien” niet op te merken, dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij:„Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan.”Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot, en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die soort van ziekten eigen, en ’t welk het hart der moeder verscheurt, die ’s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheidgeworden; haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven.De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk lichaam heeft iets van deze beving, wanneer ’t oogenblik nadert, dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer twee maanden, was Fantine’s haar grijs, het zijne wit.De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij het zwijgen gebood.Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:„En Cosette?”Tweede hoofdstuk.Fantine is gelukkig.Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: „En Cosette?” werd met zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen zou. Zij vervolgde:„Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten.”Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.„Maar,” vervolgde zij, „zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet bij mij op ’t bed gelegd, tegen ’t oogenblik dat ik ontwaken zou?”Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer kon herinneren.Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam den heer Madeleine te hulp.„Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier.”Fantine’s oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.„Ach!” riep zij, „breng haar mij.”Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat men haar het kind bracht.„Nog niet,” hernam de geneesheer, „niet in dit oogenblik. Ge zijt nog koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn.”Zij viel hem heftig in de rede:„Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien.”„Ge ziet,” zei de geneesheer, „dat ge driftig wordt. Zoolang ge zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. ’t Is niet genoeg haar te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt, zal ik zelf u haar brengen.”De arme moeder liet het hoofd zinken.„Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede praten. Anders niet. Is ’t niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn, om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven.”Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en „zeer verstandig” te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdatmen, als men haar zoo rustig zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij, hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei vragen te doen.„Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe ’t haar gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen hebben geen geheugen; ’t gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit, morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden de Thénardier’s haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze vragen deed. Nu is ’t voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo ge wildet...!”Hij nam haar hand en zeide: „Cosette is schoon: zij is welvarend, gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel, en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan ’t hoesten.”En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder woord afbreken.Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken.„Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg.”Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met bekommering; ’t was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden.Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:„Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!”Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in en luisterde in verrukking.Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van een werkster. ’t Was eene dier toevalligheden, welkemen zoo vaak ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken de kinderen zich al niet! ’t Was dit kleine meisje, ’t welk Fantine hoorde zingen.„O,” hernam zij, „’t is mijn Cosette, ik herken haar stem!”Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf; Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: „Hoe wreed is deze geneesheer, dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een leelijk gezicht.”Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot zich zelve te spreken, het hoofd in ’t kussen: „O, wij zullen gelukkig zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?”Zij telde op haar vingers.„... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje.”Zij lachte.Madeleine had Fantine’s hand losgelaten. Hij luisterde naar haar woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen, in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te staren vóór zich aan ’t einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt van schrik.„Mijn God!” riep hij. „Wat deert u, Fantine?”Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, ’t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.Hij keerde zich om, en zag Javert.Derde hoofdstuk.Javert is tevreden.Ziehier wat gebeurd was.’t Was half één ’s nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in de ziekenzaal Fantine te bezoeken.Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling geval, ’t welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in ’t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu buiten beschuldiging gesteld.Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden „over de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur M. te verzekeren.” Deze zinsnede, met al devan’s, was geschreven met de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moestzijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig koningsgezinde, en hij had er zichover gebelgdgevoeld, dat de maire van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak,de keizeren nietBonapartehad gezegd.Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur M. en belastte er den inspecteur Javert mede.Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar M. sur M. was teruggekeerd.Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal onderteekend, luidde aldus: „De inspecteur Javert zal zich van den persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren, die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean Valjean herkend is geworden.”Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit verried een ongehoorde opgewondenheid.Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de knoopen van zijn rok.Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een inwendige aardbeving zou kunnen noemen.Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den maire kwamen vragen.Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen verklikker en trad binnen.Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur staan, met den hoed op ’t hoofd, de linkerhand in zijnjas, die tot aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag hem en deed mijnheer Madeleine omzien.Juist toen Madeleine’s blik dien van Javert ontmoette, was Javert, zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft teruggevonden.De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond kwam boven ’t water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich af op zijn smal voorhoofd. ’t Was het grootst mogelijk vertoon van afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid; hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef,zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden, maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar verschrikkelijkheid. ’t Zijn deugden, die een ondeugd hebben, de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich, om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.Vierde hoofdstuk.Het gezag herneemt zijn rechten.Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen; zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen en riep angstig:„Mijnheer Madeleine, red mij!”Jean Valjean,—wij zullen hem in ’t vervolg niet anders noemen,—was opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine:„Wees gerust. Hij komt niet om u.”Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:„Ik weet wat ge wilt.”Javert antwoordde: „Kom, spoedig!”In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; ’t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op Jean Valjean dien blik, welken hij als een haakuitwierp en waarmede hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.’t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg van haar gebeente had voelen doordringen.Op Javert’s stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer de maire was er: wat had zij te vreezen?Javert trad tot in ’t midden der kamer en riep:„Nu! komt ge?”De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping gelden? Haar alleen! Zij rilde.Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de wereld onderging.Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.„Mijnheer de maire!” riep Fantine.Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.„Hier is geen mijnheer de maire meer!”Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:„Javert....”Javert beet hem toe:—„Noem mij mijnheer den inspecteur.”„Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”„Spreek maar hardop,” antwoordde Javert, „men spreekt altijd hardop tot mij.”Jean Valjean hernam zacht:„Ik wilde u een verzoek doen...”„Ik zeg, dat ge hardop moet spreken.”„Maar dit mag alleen door u gehoord worden...”„Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!”Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:„Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo gij wilt.”„Houdt ge mij voor den gek?” riep Javert. „Ik dacht niet, dat ge zoo dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt, dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet slecht!”Fantine beefde.„Mijn kind!” riep zij, „mijn kind gaan halen! ’t Is dus niet hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer Madeleine, mijnheer de maire!”Javert stampvoette.„Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land, waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen verpleegd worden! O, ’t zal alles veranderen, ’t is hoog tijd!”Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: „Ik zeg u, dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet; en dat is degeen, dien ik hier vasthoud.”Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende, aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk zij eensklaps in het hoofdkussen neer.Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de borst terug, met open mond enstrakke, doffe oogen.Zij was dood.Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield, en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak hij tot Javert:„Ge hebt deze vrouw gedood.”„Komt er een eind aan?” riep Javert woedend, „ik ben hier niet om praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden; terstond voort of de duimschroeven.”In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af, ’t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine’s bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een nauwelijks hoorbare stem:„Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen.”’t Is zeker, dat Javert beefde.Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maarJean Valjean kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus, nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak haar fluisterend toe.Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel, dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde, zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine’s hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.Fantine’s gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.De dood is de ingang tot het groote licht.De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:„Nu ben ik tot uw dienst.”Vijfde hoofdstuk.Een behoorlijk graf.Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: „’t was een tuchteling”, schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan tweeuren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was niets meer dan „een tuchteling”. Wij moeten evenwel zeggen, dat men de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze:„Hebt ge ’t al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!”—„Wie?”—„De maire.”—„Hoe, de heer Madeleine?”—„Ja.”—„Waarlijk?”—„Hij heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean, Boujean.”—„Mijn Hemel!”—„Hij is in hechtenis genomen.”—„In hechtenis genomen?”—„In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt overgebracht.”—„Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen zal men hem brengen?”—„Voor deassises, wegens een diefstal op den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd.”—„Nu, ik dacht het wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde.”In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.Een oude dame, die op deDrapeau blancwas geabonneerd, maakte deze opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:„’t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven.”Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde tot dit getal.Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge, nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen, stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker, van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast, alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij ’t zelve wist.Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering en riep: „O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker gehangen!”Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening, nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht.De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen, maar de kreet bleef in haar keel steken.Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.’tWas mijnheer Madeleine.Zij was eenige oogenblikken zoo „verbouwereerd”, zooals zij zich later uitdrukte, wanneer zij ’t voorval vertelde, dat zij niet kon spreken.„Mijn God, mijnheer de maire,” riep zij, „ik meende dat ge...”Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer de maire.Hij vulde haar gedachten aan.„In de gevangenis waart,” sprak hij. „Ik ben er geweest. Ik heb een tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden, en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij is waarschijnlijk bij de arme vrouw.”De oude vrouw gehoorzaamde haastig.Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou beveiligen, dan hij zich zelven deed.Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt is nooit opgehelderd geworden.Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen, zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer, en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker halen en keerde in de kamer terug.Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert, kon zijn venster van de straat gezien worden.Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed, waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had „de kamer gedaan”. Alleen had zij de twee einden van den met ijzer beslagen stok en het in ’t vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: „Dit zijn detwee einden van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais ontstolen heb, waarvan ik voor deassisesheb gesproken;” en op dat papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig dat deze het eerst in ’t oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor ’t overige was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte, beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood, dat hij in zijn vlucht had meegenomen.Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.„Binnen!” zeide hij.’t Was zuster Simplicia.Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar hand. Geweldige slagen van ’t noodlot hebben dit eigenaardige, dat, hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde.Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de pleegzuster toereikte, zeggende:—Geef dit aan mijnheer den pastoor.Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.„Ge moogt het lezen,” zeide hij.Zij las:—„Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het overige is voor de armen.”De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:„Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?”„Neen,” zeide hij, „men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer gevangen nam, zou haar dit storen.”Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:„Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hierden ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur niet verlaten heb.”Een man antwoordde:„Er is evenwel licht in die kamer.”Men herkende Javert’s stem.De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit en ging in dien hoek staan.Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.De deur werd geopend.Javert trad binnen.Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet op. Zij bad.De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht.Javert zag de zuster en bleef verrast staan.Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert’s karakter, zijn adem, zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig, en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende om de waarheid uit te laten.Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk te verwijderen.Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.’t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.„Zuster,” zeide hij, „zijt ge alleen in deze kamer?”Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende ’t welk de arme portierster geheel van zich zelve raakte.De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:„Ja.”„Vergeving,” hernam Javert, „dat ik u nog een vraag doe, ’t is mijn plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is, en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?”De zuster antwoordde:—„Neen.”Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder aarzeling, als in volkomen overtuiging.„Verschoon mij,” zei Javert en hij ging heen, diep buigende.O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze wereld; ge hebt u in ’t hemelsche licht met uw zusters, de maagden, en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in den hemel ten goede worden gerekend.De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij niet eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was uitgeblazen en nog op de tafel stond te rooken.Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte en in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man was Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie voerlieden, die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg en in een kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit te weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. ’t Was misschien deze kiel.Een laatste woord over Fantine.Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder teruggegeven.De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke, namelijk het algemeene graf.Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde Fantine in ’t donker, te midden van het eerste gebeente het beste, in den algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed.Einde van het eerste deel.
Boek VIII.Terugwerking.Eerste hoofdstuk.In welken spiegel mijnheer Madeleine zijn haren beziet.De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen nacht gehad, voor ’t overige vol aangename voorstellingen; tegen den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig, alles dicht onder ’t gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt binnengekomen.„Zijt gij ’t, mijnheer de maire?” riep zij.Hij antwoordde met zachte stem:„Hoe gaat het met de arme vrouw?”„Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust geweest.”Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde, dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.„Dit is alles goed,” zeide hij, „ge hebt wel gedaan, haar in dien waan te laten.”„Ja,” hernam de zuster, „maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u zonder haar kind zal wederzien?”Hij bedacht zich een oogenblik.„God zal ’t ons ingeven,” zeide hij.„Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen,” mompelde de zuster binnensmonds.’t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine juist in ’t gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op.„Mijn Hemel, mijnheer!” riep zij, „wat is uw overkomen? uw haar is geheel en al wit!”„Wit?” zeide hij.Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar in en zeide: „ziedaar!”Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht.De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles vermoedde.Hij vroeg:„Kan ik haar zien?”„Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?” sprak de zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.„Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig.”„Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet,” hernam de zuster bedeesd, „zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen.”Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken, toen zeide hij met kalmen ernst:„Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast.”De geestelijke zuster scheen het woord „misschien” niet op te merken, dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij:„Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan.”Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot, en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die soort van ziekten eigen, en ’t welk het hart der moeder verscheurt, die ’s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheidgeworden; haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven.De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk lichaam heeft iets van deze beving, wanneer ’t oogenblik nadert, dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer twee maanden, was Fantine’s haar grijs, het zijne wit.De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij het zwijgen gebood.Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:„En Cosette?”Tweede hoofdstuk.Fantine is gelukkig.Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: „En Cosette?” werd met zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen zou. Zij vervolgde:„Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten.”Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.„Maar,” vervolgde zij, „zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet bij mij op ’t bed gelegd, tegen ’t oogenblik dat ik ontwaken zou?”Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer kon herinneren.Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam den heer Madeleine te hulp.„Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier.”Fantine’s oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.„Ach!” riep zij, „breng haar mij.”Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat men haar het kind bracht.„Nog niet,” hernam de geneesheer, „niet in dit oogenblik. Ge zijt nog koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn.”Zij viel hem heftig in de rede:„Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien.”„Ge ziet,” zei de geneesheer, „dat ge driftig wordt. Zoolang ge zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. ’t Is niet genoeg haar te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt, zal ik zelf u haar brengen.”De arme moeder liet het hoofd zinken.„Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede praten. Anders niet. Is ’t niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn, om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven.”Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en „zeer verstandig” te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdatmen, als men haar zoo rustig zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij, hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei vragen te doen.„Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe ’t haar gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen hebben geen geheugen; ’t gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit, morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden de Thénardier’s haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze vragen deed. Nu is ’t voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo ge wildet...!”Hij nam haar hand en zeide: „Cosette is schoon: zij is welvarend, gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel, en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan ’t hoesten.”En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder woord afbreken.Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken.„Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg.”Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met bekommering; ’t was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden.Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:„Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!”Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in en luisterde in verrukking.Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van een werkster. ’t Was eene dier toevalligheden, welkemen zoo vaak ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken de kinderen zich al niet! ’t Was dit kleine meisje, ’t welk Fantine hoorde zingen.„O,” hernam zij, „’t is mijn Cosette, ik herken haar stem!”Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf; Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: „Hoe wreed is deze geneesheer, dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een leelijk gezicht.”Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot zich zelve te spreken, het hoofd in ’t kussen: „O, wij zullen gelukkig zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?”Zij telde op haar vingers.„... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje.”Zij lachte.Madeleine had Fantine’s hand losgelaten. Hij luisterde naar haar woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen, in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te staren vóór zich aan ’t einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt van schrik.„Mijn God!” riep hij. „Wat deert u, Fantine?”Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, ’t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.Hij keerde zich om, en zag Javert.Derde hoofdstuk.Javert is tevreden.Ziehier wat gebeurd was.’t Was half één ’s nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in de ziekenzaal Fantine te bezoeken.Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling geval, ’t welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in ’t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu buiten beschuldiging gesteld.Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden „over de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur M. te verzekeren.” Deze zinsnede, met al devan’s, was geschreven met de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moestzijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig koningsgezinde, en hij had er zichover gebelgdgevoeld, dat de maire van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak,de keizeren nietBonapartehad gezegd.Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur M. en belastte er den inspecteur Javert mede.Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar M. sur M. was teruggekeerd.Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal onderteekend, luidde aldus: „De inspecteur Javert zal zich van den persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren, die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean Valjean herkend is geworden.”Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit verried een ongehoorde opgewondenheid.Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de knoopen van zijn rok.Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een inwendige aardbeving zou kunnen noemen.Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den maire kwamen vragen.Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen verklikker en trad binnen.Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur staan, met den hoed op ’t hoofd, de linkerhand in zijnjas, die tot aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag hem en deed mijnheer Madeleine omzien.Juist toen Madeleine’s blik dien van Javert ontmoette, was Javert, zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft teruggevonden.De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond kwam boven ’t water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich af op zijn smal voorhoofd. ’t Was het grootst mogelijk vertoon van afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid; hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef,zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden, maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar verschrikkelijkheid. ’t Zijn deugden, die een ondeugd hebben, de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich, om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.Vierde hoofdstuk.Het gezag herneemt zijn rechten.Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen; zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen en riep angstig:„Mijnheer Madeleine, red mij!”Jean Valjean,—wij zullen hem in ’t vervolg niet anders noemen,—was opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine:„Wees gerust. Hij komt niet om u.”Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:„Ik weet wat ge wilt.”Javert antwoordde: „Kom, spoedig!”In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; ’t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op Jean Valjean dien blik, welken hij als een haakuitwierp en waarmede hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.’t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg van haar gebeente had voelen doordringen.Op Javert’s stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer de maire was er: wat had zij te vreezen?Javert trad tot in ’t midden der kamer en riep:„Nu! komt ge?”De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping gelden? Haar alleen! Zij rilde.Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de wereld onderging.Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.„Mijnheer de maire!” riep Fantine.Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.„Hier is geen mijnheer de maire meer!”Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:„Javert....”Javert beet hem toe:—„Noem mij mijnheer den inspecteur.”„Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”„Spreek maar hardop,” antwoordde Javert, „men spreekt altijd hardop tot mij.”Jean Valjean hernam zacht:„Ik wilde u een verzoek doen...”„Ik zeg, dat ge hardop moet spreken.”„Maar dit mag alleen door u gehoord worden...”„Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!”Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:„Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo gij wilt.”„Houdt ge mij voor den gek?” riep Javert. „Ik dacht niet, dat ge zoo dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt, dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet slecht!”Fantine beefde.„Mijn kind!” riep zij, „mijn kind gaan halen! ’t Is dus niet hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer Madeleine, mijnheer de maire!”Javert stampvoette.„Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land, waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen verpleegd worden! O, ’t zal alles veranderen, ’t is hoog tijd!”Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: „Ik zeg u, dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet; en dat is degeen, dien ik hier vasthoud.”Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende, aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk zij eensklaps in het hoofdkussen neer.Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de borst terug, met open mond enstrakke, doffe oogen.Zij was dood.Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield, en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak hij tot Javert:„Ge hebt deze vrouw gedood.”„Komt er een eind aan?” riep Javert woedend, „ik ben hier niet om praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden; terstond voort of de duimschroeven.”In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af, ’t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine’s bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een nauwelijks hoorbare stem:„Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen.”’t Is zeker, dat Javert beefde.Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maarJean Valjean kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus, nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak haar fluisterend toe.Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel, dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde, zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine’s hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.Fantine’s gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.De dood is de ingang tot het groote licht.De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:„Nu ben ik tot uw dienst.”Vijfde hoofdstuk.Een behoorlijk graf.Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: „’t was een tuchteling”, schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan tweeuren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was niets meer dan „een tuchteling”. Wij moeten evenwel zeggen, dat men de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze:„Hebt ge ’t al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!”—„Wie?”—„De maire.”—„Hoe, de heer Madeleine?”—„Ja.”—„Waarlijk?”—„Hij heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean, Boujean.”—„Mijn Hemel!”—„Hij is in hechtenis genomen.”—„In hechtenis genomen?”—„In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt overgebracht.”—„Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen zal men hem brengen?”—„Voor deassises, wegens een diefstal op den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd.”—„Nu, ik dacht het wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde.”In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.Een oude dame, die op deDrapeau blancwas geabonneerd, maakte deze opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:„’t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven.”Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde tot dit getal.Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge, nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen, stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker, van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast, alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij ’t zelve wist.Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering en riep: „O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker gehangen!”Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening, nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht.De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen, maar de kreet bleef in haar keel steken.Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.’tWas mijnheer Madeleine.Zij was eenige oogenblikken zoo „verbouwereerd”, zooals zij zich later uitdrukte, wanneer zij ’t voorval vertelde, dat zij niet kon spreken.„Mijn God, mijnheer de maire,” riep zij, „ik meende dat ge...”Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer de maire.Hij vulde haar gedachten aan.„In de gevangenis waart,” sprak hij. „Ik ben er geweest. Ik heb een tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden, en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij is waarschijnlijk bij de arme vrouw.”De oude vrouw gehoorzaamde haastig.Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou beveiligen, dan hij zich zelven deed.Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt is nooit opgehelderd geworden.Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen, zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer, en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker halen en keerde in de kamer terug.Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert, kon zijn venster van de straat gezien worden.Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed, waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had „de kamer gedaan”. Alleen had zij de twee einden van den met ijzer beslagen stok en het in ’t vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: „Dit zijn detwee einden van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais ontstolen heb, waarvan ik voor deassisesheb gesproken;” en op dat papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig dat deze het eerst in ’t oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor ’t overige was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte, beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood, dat hij in zijn vlucht had meegenomen.Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.„Binnen!” zeide hij.’t Was zuster Simplicia.Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar hand. Geweldige slagen van ’t noodlot hebben dit eigenaardige, dat, hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde.Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de pleegzuster toereikte, zeggende:—Geef dit aan mijnheer den pastoor.Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.„Ge moogt het lezen,” zeide hij.Zij las:—„Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het overige is voor de armen.”De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:„Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?”„Neen,” zeide hij, „men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer gevangen nam, zou haar dit storen.”Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:„Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hierden ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur niet verlaten heb.”Een man antwoordde:„Er is evenwel licht in die kamer.”Men herkende Javert’s stem.De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit en ging in dien hoek staan.Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.De deur werd geopend.Javert trad binnen.Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet op. Zij bad.De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht.Javert zag de zuster en bleef verrast staan.Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert’s karakter, zijn adem, zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig, en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende om de waarheid uit te laten.Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk te verwijderen.Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.’t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.„Zuster,” zeide hij, „zijt ge alleen in deze kamer?”Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende ’t welk de arme portierster geheel van zich zelve raakte.De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:„Ja.”„Vergeving,” hernam Javert, „dat ik u nog een vraag doe, ’t is mijn plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is, en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?”De zuster antwoordde:—„Neen.”Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder aarzeling, als in volkomen overtuiging.„Verschoon mij,” zei Javert en hij ging heen, diep buigende.O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze wereld; ge hebt u in ’t hemelsche licht met uw zusters, de maagden, en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in den hemel ten goede worden gerekend.De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij niet eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was uitgeblazen en nog op de tafel stond te rooken.Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte en in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man was Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie voerlieden, die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg en in een kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit te weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. ’t Was misschien deze kiel.Een laatste woord over Fantine.Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder teruggegeven.De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke, namelijk het algemeene graf.Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde Fantine in ’t donker, te midden van het eerste gebeente het beste, in den algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed.Einde van het eerste deel.
Eerste hoofdstuk.In welken spiegel mijnheer Madeleine zijn haren beziet.De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen nacht gehad, voor ’t overige vol aangename voorstellingen; tegen den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig, alles dicht onder ’t gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt binnengekomen.„Zijt gij ’t, mijnheer de maire?” riep zij.Hij antwoordde met zachte stem:„Hoe gaat het met de arme vrouw?”„Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust geweest.”Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde, dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.„Dit is alles goed,” zeide hij, „ge hebt wel gedaan, haar in dien waan te laten.”„Ja,” hernam de zuster, „maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u zonder haar kind zal wederzien?”Hij bedacht zich een oogenblik.„God zal ’t ons ingeven,” zeide hij.„Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen,” mompelde de zuster binnensmonds.’t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine juist in ’t gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op.„Mijn Hemel, mijnheer!” riep zij, „wat is uw overkomen? uw haar is geheel en al wit!”„Wit?” zeide hij.Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar in en zeide: „ziedaar!”Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht.De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles vermoedde.Hij vroeg:„Kan ik haar zien?”„Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?” sprak de zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.„Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig.”„Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet,” hernam de zuster bedeesd, „zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen.”Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken, toen zeide hij met kalmen ernst:„Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast.”De geestelijke zuster scheen het woord „misschien” niet op te merken, dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij:„Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan.”Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot, en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die soort van ziekten eigen, en ’t welk het hart der moeder verscheurt, die ’s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheidgeworden; haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven.De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk lichaam heeft iets van deze beving, wanneer ’t oogenblik nadert, dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer twee maanden, was Fantine’s haar grijs, het zijne wit.De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij het zwijgen gebood.Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:„En Cosette?”
Eerste hoofdstuk.In welken spiegel mijnheer Madeleine zijn haren beziet.
De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen nacht gehad, voor ’t overige vol aangename voorstellingen; tegen den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig, alles dicht onder ’t gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt binnengekomen.„Zijt gij ’t, mijnheer de maire?” riep zij.Hij antwoordde met zachte stem:„Hoe gaat het met de arme vrouw?”„Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust geweest.”Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde, dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.„Dit is alles goed,” zeide hij, „ge hebt wel gedaan, haar in dien waan te laten.”„Ja,” hernam de zuster, „maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u zonder haar kind zal wederzien?”Hij bedacht zich een oogenblik.„God zal ’t ons ingeven,” zeide hij.„Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen,” mompelde de zuster binnensmonds.’t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine juist in ’t gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op.„Mijn Hemel, mijnheer!” riep zij, „wat is uw overkomen? uw haar is geheel en al wit!”„Wit?” zeide hij.Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar in en zeide: „ziedaar!”Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht.De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles vermoedde.Hij vroeg:„Kan ik haar zien?”„Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?” sprak de zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.„Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig.”„Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet,” hernam de zuster bedeesd, „zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen.”Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken, toen zeide hij met kalmen ernst:„Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast.”De geestelijke zuster scheen het woord „misschien” niet op te merken, dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij:„Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan.”Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot, en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die soort van ziekten eigen, en ’t welk het hart der moeder verscheurt, die ’s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheidgeworden; haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven.De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk lichaam heeft iets van deze beving, wanneer ’t oogenblik nadert, dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer twee maanden, was Fantine’s haar grijs, het zijne wit.De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij het zwijgen gebood.Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:„En Cosette?”
De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen nacht gehad, voor ’t overige vol aangename voorstellingen; tegen den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig, alles dicht onder ’t gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt binnengekomen.
„Zijt gij ’t, mijnheer de maire?” riep zij.
Hij antwoordde met zachte stem:
„Hoe gaat het met de arme vrouw?”
„Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust geweest.”
Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde, dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.
„Dit is alles goed,” zeide hij, „ge hebt wel gedaan, haar in dien waan te laten.”
„Ja,” hernam de zuster, „maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u zonder haar kind zal wederzien?”
Hij bedacht zich een oogenblik.
„God zal ’t ons ingeven,” zeide hij.
„Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen,” mompelde de zuster binnensmonds.
’t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine juist in ’t gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op.
„Mijn Hemel, mijnheer!” riep zij, „wat is uw overkomen? uw haar is geheel en al wit!”
„Wit?” zeide hij.
Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar in en zeide: „ziedaar!”
Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht.
De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles vermoedde.
Hij vroeg:
„Kan ik haar zien?”
„Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?” sprak de zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.
„Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig.”
„Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet,” hernam de zuster bedeesd, „zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen.”
Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken, toen zeide hij met kalmen ernst:
„Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast.”
De geestelijke zuster scheen het woord „misschien” niet op te merken, dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij:
„Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan.”
Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot, en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die soort van ziekten eigen, en ’t welk het hart der moeder verscheurt, die ’s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheidgeworden; haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven.
De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk lichaam heeft iets van deze beving, wanneer ’t oogenblik nadert, dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.
Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer twee maanden, was Fantine’s haar grijs, het zijne wit.
De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij het zwijgen gebood.
Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:
„En Cosette?”
Tweede hoofdstuk.Fantine is gelukkig.Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: „En Cosette?” werd met zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen zou. Zij vervolgde:„Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten.”Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.„Maar,” vervolgde zij, „zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet bij mij op ’t bed gelegd, tegen ’t oogenblik dat ik ontwaken zou?”Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer kon herinneren.Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam den heer Madeleine te hulp.„Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier.”Fantine’s oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.„Ach!” riep zij, „breng haar mij.”Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat men haar het kind bracht.„Nog niet,” hernam de geneesheer, „niet in dit oogenblik. Ge zijt nog koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn.”Zij viel hem heftig in de rede:„Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien.”„Ge ziet,” zei de geneesheer, „dat ge driftig wordt. Zoolang ge zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. ’t Is niet genoeg haar te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt, zal ik zelf u haar brengen.”De arme moeder liet het hoofd zinken.„Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede praten. Anders niet. Is ’t niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn, om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven.”Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en „zeer verstandig” te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdatmen, als men haar zoo rustig zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij, hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei vragen te doen.„Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe ’t haar gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen hebben geen geheugen; ’t gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit, morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden de Thénardier’s haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze vragen deed. Nu is ’t voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo ge wildet...!”Hij nam haar hand en zeide: „Cosette is schoon: zij is welvarend, gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel, en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan ’t hoesten.”En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder woord afbreken.Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken.„Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg.”Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met bekommering; ’t was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden.Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:„Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!”Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in en luisterde in verrukking.Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van een werkster. ’t Was eene dier toevalligheden, welkemen zoo vaak ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken de kinderen zich al niet! ’t Was dit kleine meisje, ’t welk Fantine hoorde zingen.„O,” hernam zij, „’t is mijn Cosette, ik herken haar stem!”Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf; Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: „Hoe wreed is deze geneesheer, dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een leelijk gezicht.”Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot zich zelve te spreken, het hoofd in ’t kussen: „O, wij zullen gelukkig zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?”Zij telde op haar vingers.„... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje.”Zij lachte.Madeleine had Fantine’s hand losgelaten. Hij luisterde naar haar woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen, in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te staren vóór zich aan ’t einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt van schrik.„Mijn God!” riep hij. „Wat deert u, Fantine?”Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, ’t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.Hij keerde zich om, en zag Javert.
Tweede hoofdstuk.Fantine is gelukkig.
Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: „En Cosette?” werd met zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen zou. Zij vervolgde:„Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten.”Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.„Maar,” vervolgde zij, „zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet bij mij op ’t bed gelegd, tegen ’t oogenblik dat ik ontwaken zou?”Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer kon herinneren.Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam den heer Madeleine te hulp.„Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier.”Fantine’s oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.„Ach!” riep zij, „breng haar mij.”Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat men haar het kind bracht.„Nog niet,” hernam de geneesheer, „niet in dit oogenblik. Ge zijt nog koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn.”Zij viel hem heftig in de rede:„Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien.”„Ge ziet,” zei de geneesheer, „dat ge driftig wordt. Zoolang ge zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. ’t Is niet genoeg haar te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt, zal ik zelf u haar brengen.”De arme moeder liet het hoofd zinken.„Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede praten. Anders niet. Is ’t niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn, om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven.”Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en „zeer verstandig” te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdatmen, als men haar zoo rustig zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij, hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei vragen te doen.„Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe ’t haar gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen hebben geen geheugen; ’t gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit, morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden de Thénardier’s haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze vragen deed. Nu is ’t voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo ge wildet...!”Hij nam haar hand en zeide: „Cosette is schoon: zij is welvarend, gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel, en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan ’t hoesten.”En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder woord afbreken.Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken.„Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg.”Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met bekommering; ’t was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden.Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:„Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!”Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in en luisterde in verrukking.Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van een werkster. ’t Was eene dier toevalligheden, welkemen zoo vaak ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken de kinderen zich al niet! ’t Was dit kleine meisje, ’t welk Fantine hoorde zingen.„O,” hernam zij, „’t is mijn Cosette, ik herken haar stem!”Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf; Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: „Hoe wreed is deze geneesheer, dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een leelijk gezicht.”Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot zich zelve te spreken, het hoofd in ’t kussen: „O, wij zullen gelukkig zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?”Zij telde op haar vingers.„... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje.”Zij lachte.Madeleine had Fantine’s hand losgelaten. Hij luisterde naar haar woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen, in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te staren vóór zich aan ’t einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt van schrik.„Mijn God!” riep hij. „Wat deert u, Fantine?”Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, ’t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.Hij keerde zich om, en zag Javert.
Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: „En Cosette?” werd met zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen zou. Zij vervolgde:
„Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten.”
Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.
„Maar,” vervolgde zij, „zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet bij mij op ’t bed gelegd, tegen ’t oogenblik dat ik ontwaken zou?”
Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer kon herinneren.
Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam den heer Madeleine te hulp.
„Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier.”
Fantine’s oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.
„Ach!” riep zij, „breng haar mij.”
Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat men haar het kind bracht.
„Nog niet,” hernam de geneesheer, „niet in dit oogenblik. Ge zijt nog koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn.”
Zij viel hem heftig in de rede:
„Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien.”
„Ge ziet,” zei de geneesheer, „dat ge driftig wordt. Zoolang ge zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. ’t Is niet genoeg haar te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt, zal ik zelf u haar brengen.”
De arme moeder liet het hoofd zinken.
„Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede praten. Anders niet. Is ’t niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn, om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven.”
Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en „zeer verstandig” te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdatmen, als men haar zoo rustig zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij, hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei vragen te doen.
„Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe ’t haar gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen hebben geen geheugen; ’t gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit, morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden de Thénardier’s haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze vragen deed. Nu is ’t voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo ge wildet...!”
Hij nam haar hand en zeide: „Cosette is schoon: zij is welvarend, gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel, en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan ’t hoesten.”
En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder woord afbreken.
Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken.
„Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg.”
Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met bekommering; ’t was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden.
Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:
„Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!”
Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in en luisterde in verrukking.
Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van een werkster. ’t Was eene dier toevalligheden, welkemen zoo vaak ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken de kinderen zich al niet! ’t Was dit kleine meisje, ’t welk Fantine hoorde zingen.
„O,” hernam zij, „’t is mijn Cosette, ik herken haar stem!”
Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf; Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: „Hoe wreed is deze geneesheer, dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een leelijk gezicht.”
Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot zich zelve te spreken, het hoofd in ’t kussen: „O, wij zullen gelukkig zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?”
Zij telde op haar vingers.
„... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje.”
Zij lachte.
Madeleine had Fantine’s hand losgelaten. Hij luisterde naar haar woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen, in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.
Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te staren vóór zich aan ’t einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt van schrik.
„Mijn God!” riep hij. „Wat deert u, Fantine?”
Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, ’t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.
Hij keerde zich om, en zag Javert.
Derde hoofdstuk.Javert is tevreden.Ziehier wat gebeurd was.’t Was half één ’s nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in de ziekenzaal Fantine te bezoeken.Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling geval, ’t welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in ’t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu buiten beschuldiging gesteld.Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden „over de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur M. te verzekeren.” Deze zinsnede, met al devan’s, was geschreven met de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moestzijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig koningsgezinde, en hij had er zichover gebelgdgevoeld, dat de maire van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak,de keizeren nietBonapartehad gezegd.Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur M. en belastte er den inspecteur Javert mede.Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar M. sur M. was teruggekeerd.Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal onderteekend, luidde aldus: „De inspecteur Javert zal zich van den persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren, die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean Valjean herkend is geworden.”Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit verried een ongehoorde opgewondenheid.Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de knoopen van zijn rok.Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een inwendige aardbeving zou kunnen noemen.Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den maire kwamen vragen.Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen verklikker en trad binnen.Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur staan, met den hoed op ’t hoofd, de linkerhand in zijnjas, die tot aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag hem en deed mijnheer Madeleine omzien.Juist toen Madeleine’s blik dien van Javert ontmoette, was Javert, zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft teruggevonden.De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond kwam boven ’t water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich af op zijn smal voorhoofd. ’t Was het grootst mogelijk vertoon van afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid; hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef,zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden, maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar verschrikkelijkheid. ’t Zijn deugden, die een ondeugd hebben, de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich, om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.
Derde hoofdstuk.Javert is tevreden.
Ziehier wat gebeurd was.’t Was half één ’s nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in de ziekenzaal Fantine te bezoeken.Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling geval, ’t welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in ’t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu buiten beschuldiging gesteld.Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden „over de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur M. te verzekeren.” Deze zinsnede, met al devan’s, was geschreven met de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moestzijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig koningsgezinde, en hij had er zichover gebelgdgevoeld, dat de maire van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak,de keizeren nietBonapartehad gezegd.Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur M. en belastte er den inspecteur Javert mede.Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar M. sur M. was teruggekeerd.Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal onderteekend, luidde aldus: „De inspecteur Javert zal zich van den persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren, die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean Valjean herkend is geworden.”Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit verried een ongehoorde opgewondenheid.Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de knoopen van zijn rok.Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een inwendige aardbeving zou kunnen noemen.Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den maire kwamen vragen.Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen verklikker en trad binnen.Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur staan, met den hoed op ’t hoofd, de linkerhand in zijnjas, die tot aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag hem en deed mijnheer Madeleine omzien.Juist toen Madeleine’s blik dien van Javert ontmoette, was Javert, zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft teruggevonden.De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond kwam boven ’t water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich af op zijn smal voorhoofd. ’t Was het grootst mogelijk vertoon van afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid; hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef,zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden, maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar verschrikkelijkheid. ’t Zijn deugden, die een ondeugd hebben, de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich, om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.
Ziehier wat gebeurd was.
’t Was half één ’s nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in de ziekenzaal Fantine te bezoeken.
Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling geval, ’t welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in ’t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu buiten beschuldiging gesteld.
Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.
Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden „over de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur M. te verzekeren.” Deze zinsnede, met al devan’s, was geschreven met de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moestzijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig koningsgezinde, en hij had er zichover gebelgdgevoeld, dat de maire van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak,de keizeren nietBonapartehad gezegd.
Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur M. en belastte er den inspecteur Javert mede.
Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar M. sur M. was teruggekeerd.
Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal onderteekend, luidde aldus: „De inspecteur Javert zal zich van den persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren, die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean Valjean herkend is geworden.”
Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit verried een ongehoorde opgewondenheid.
Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de knoopen van zijn rok.
Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een inwendige aardbeving zou kunnen noemen.
Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den maire kwamen vragen.
Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen verklikker en trad binnen.
Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur staan, met den hoed op ’t hoofd, de linkerhand in zijnjas, die tot aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.
Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag hem en deed mijnheer Madeleine omzien.
Juist toen Madeleine’s blik dien van Javert ontmoette, was Javert, zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.
Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft teruggevonden.
De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond kwam boven ’t water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich af op zijn smal voorhoofd. ’t Was het grootst mogelijk vertoon van afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.
Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid; hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.
In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.
Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef,zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden, maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar verschrikkelijkheid. ’t Zijn deugden, die een ondeugd hebben, de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich, om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.
Vierde hoofdstuk.Het gezag herneemt zijn rechten.Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen; zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen en riep angstig:„Mijnheer Madeleine, red mij!”Jean Valjean,—wij zullen hem in ’t vervolg niet anders noemen,—was opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine:„Wees gerust. Hij komt niet om u.”Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:„Ik weet wat ge wilt.”Javert antwoordde: „Kom, spoedig!”In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; ’t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op Jean Valjean dien blik, welken hij als een haakuitwierp en waarmede hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.’t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg van haar gebeente had voelen doordringen.Op Javert’s stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer de maire was er: wat had zij te vreezen?Javert trad tot in ’t midden der kamer en riep:„Nu! komt ge?”De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping gelden? Haar alleen! Zij rilde.Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de wereld onderging.Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.„Mijnheer de maire!” riep Fantine.Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.„Hier is geen mijnheer de maire meer!”Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:„Javert....”Javert beet hem toe:—„Noem mij mijnheer den inspecteur.”„Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”„Spreek maar hardop,” antwoordde Javert, „men spreekt altijd hardop tot mij.”Jean Valjean hernam zacht:„Ik wilde u een verzoek doen...”„Ik zeg, dat ge hardop moet spreken.”„Maar dit mag alleen door u gehoord worden...”„Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!”Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:„Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo gij wilt.”„Houdt ge mij voor den gek?” riep Javert. „Ik dacht niet, dat ge zoo dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt, dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet slecht!”Fantine beefde.„Mijn kind!” riep zij, „mijn kind gaan halen! ’t Is dus niet hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer Madeleine, mijnheer de maire!”Javert stampvoette.„Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land, waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen verpleegd worden! O, ’t zal alles veranderen, ’t is hoog tijd!”Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: „Ik zeg u, dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet; en dat is degeen, dien ik hier vasthoud.”Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende, aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk zij eensklaps in het hoofdkussen neer.Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de borst terug, met open mond enstrakke, doffe oogen.Zij was dood.Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield, en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak hij tot Javert:„Ge hebt deze vrouw gedood.”„Komt er een eind aan?” riep Javert woedend, „ik ben hier niet om praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden; terstond voort of de duimschroeven.”In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af, ’t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine’s bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een nauwelijks hoorbare stem:„Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen.”’t Is zeker, dat Javert beefde.Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maarJean Valjean kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus, nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak haar fluisterend toe.Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel, dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde, zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine’s hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.Fantine’s gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.De dood is de ingang tot het groote licht.De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:„Nu ben ik tot uw dienst.”
Vierde hoofdstuk.Het gezag herneemt zijn rechten.
Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen; zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen en riep angstig:„Mijnheer Madeleine, red mij!”Jean Valjean,—wij zullen hem in ’t vervolg niet anders noemen,—was opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine:„Wees gerust. Hij komt niet om u.”Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:„Ik weet wat ge wilt.”Javert antwoordde: „Kom, spoedig!”In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; ’t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op Jean Valjean dien blik, welken hij als een haakuitwierp en waarmede hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.’t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg van haar gebeente had voelen doordringen.Op Javert’s stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer de maire was er: wat had zij te vreezen?Javert trad tot in ’t midden der kamer en riep:„Nu! komt ge?”De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping gelden? Haar alleen! Zij rilde.Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de wereld onderging.Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.„Mijnheer de maire!” riep Fantine.Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.„Hier is geen mijnheer de maire meer!”Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:„Javert....”Javert beet hem toe:—„Noem mij mijnheer den inspecteur.”„Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”„Spreek maar hardop,” antwoordde Javert, „men spreekt altijd hardop tot mij.”Jean Valjean hernam zacht:„Ik wilde u een verzoek doen...”„Ik zeg, dat ge hardop moet spreken.”„Maar dit mag alleen door u gehoord worden...”„Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!”Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:„Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo gij wilt.”„Houdt ge mij voor den gek?” riep Javert. „Ik dacht niet, dat ge zoo dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt, dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet slecht!”Fantine beefde.„Mijn kind!” riep zij, „mijn kind gaan halen! ’t Is dus niet hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer Madeleine, mijnheer de maire!”Javert stampvoette.„Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land, waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen verpleegd worden! O, ’t zal alles veranderen, ’t is hoog tijd!”Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: „Ik zeg u, dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet; en dat is degeen, dien ik hier vasthoud.”Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende, aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk zij eensklaps in het hoofdkussen neer.Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de borst terug, met open mond enstrakke, doffe oogen.Zij was dood.Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield, en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak hij tot Javert:„Ge hebt deze vrouw gedood.”„Komt er een eind aan?” riep Javert woedend, „ik ben hier niet om praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden; terstond voort of de duimschroeven.”In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af, ’t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine’s bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een nauwelijks hoorbare stem:„Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen.”’t Is zeker, dat Javert beefde.Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maarJean Valjean kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus, nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak haar fluisterend toe.Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel, dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde, zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine’s hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.Fantine’s gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.De dood is de ingang tot het groote licht.De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:„Nu ben ik tot uw dienst.”
Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen; zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen en riep angstig:
„Mijnheer Madeleine, red mij!”
Jean Valjean,—wij zullen hem in ’t vervolg niet anders noemen,—was opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine:
„Wees gerust. Hij komt niet om u.”
Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:
„Ik weet wat ge wilt.”
Javert antwoordde: „Kom, spoedig!”
In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; ’t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.
Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!
Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op Jean Valjean dien blik, welken hij als een haakuitwierp en waarmede hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.
’t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg van haar gebeente had voelen doordringen.
Op Javert’s stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer de maire was er: wat had zij te vreezen?
Javert trad tot in ’t midden der kamer en riep:
„Nu! komt ge?”
De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping gelden? Haar alleen! Zij rilde.
Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de wereld onderging.
Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.
„Mijnheer de maire!” riep Fantine.
Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.
„Hier is geen mijnheer de maire meer!”
Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:
„Javert....”
Javert beet hem toe:—„Noem mij mijnheer den inspecteur.”
„Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder vier oogen te zeggen.”
„Spreek maar hardop,” antwoordde Javert, „men spreekt altijd hardop tot mij.”
Jean Valjean hernam zacht:
„Ik wilde u een verzoek doen...”
„Ik zeg, dat ge hardop moet spreken.”
„Maar dit mag alleen door u gehoord worden...”
„Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!”
Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:
„Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo gij wilt.”
„Houdt ge mij voor den gek?” riep Javert. „Ik dacht niet, dat ge zoo dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt, dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet slecht!”
Fantine beefde.
„Mijn kind!” riep zij, „mijn kind gaan halen! ’t Is dus niet hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer Madeleine, mijnheer de maire!”
Javert stampvoette.
„Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land, waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen verpleegd worden! O, ’t zal alles veranderen, ’t is hoog tijd!”
Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: „Ik zeg u, dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet; en dat is degeen, dien ik hier vasthoud.”
Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende, aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk zij eensklaps in het hoofdkussen neer.
Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de borst terug, met open mond enstrakke, doffe oogen.
Zij was dood.
Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield, en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak hij tot Javert:
„Ge hebt deze vrouw gedood.”
„Komt er een eind aan?” riep Javert woedend, „ik ben hier niet om praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden; terstond voort of de duimschroeven.”
In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af, ’t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine’s bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een nauwelijks hoorbare stem:
„Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen.”
’t Is zeker, dat Javert beefde.
Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maarJean Valjean kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus, nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.
Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak haar fluisterend toe.
Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel, dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde, zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine’s hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.
Fantine’s gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.
De dood is de ingang tot het groote licht.
De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.
Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:
„Nu ben ik tot uw dienst.”
Vijfde hoofdstuk.Een behoorlijk graf.Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: „’t was een tuchteling”, schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan tweeuren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was niets meer dan „een tuchteling”. Wij moeten evenwel zeggen, dat men de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze:„Hebt ge ’t al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!”—„Wie?”—„De maire.”—„Hoe, de heer Madeleine?”—„Ja.”—„Waarlijk?”—„Hij heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean, Boujean.”—„Mijn Hemel!”—„Hij is in hechtenis genomen.”—„In hechtenis genomen?”—„In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt overgebracht.”—„Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen zal men hem brengen?”—„Voor deassises, wegens een diefstal op den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd.”—„Nu, ik dacht het wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde.”In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.Een oude dame, die op deDrapeau blancwas geabonneerd, maakte deze opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:„’t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven.”Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde tot dit getal.Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge, nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen, stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker, van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast, alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij ’t zelve wist.Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering en riep: „O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker gehangen!”Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening, nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht.De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen, maar de kreet bleef in haar keel steken.Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.’tWas mijnheer Madeleine.Zij was eenige oogenblikken zoo „verbouwereerd”, zooals zij zich later uitdrukte, wanneer zij ’t voorval vertelde, dat zij niet kon spreken.„Mijn God, mijnheer de maire,” riep zij, „ik meende dat ge...”Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer de maire.Hij vulde haar gedachten aan.„In de gevangenis waart,” sprak hij. „Ik ben er geweest. Ik heb een tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden, en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij is waarschijnlijk bij de arme vrouw.”De oude vrouw gehoorzaamde haastig.Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou beveiligen, dan hij zich zelven deed.Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt is nooit opgehelderd geworden.Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen, zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer, en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker halen en keerde in de kamer terug.Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert, kon zijn venster van de straat gezien worden.Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed, waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had „de kamer gedaan”. Alleen had zij de twee einden van den met ijzer beslagen stok en het in ’t vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: „Dit zijn detwee einden van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais ontstolen heb, waarvan ik voor deassisesheb gesproken;” en op dat papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig dat deze het eerst in ’t oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor ’t overige was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte, beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood, dat hij in zijn vlucht had meegenomen.Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.„Binnen!” zeide hij.’t Was zuster Simplicia.Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar hand. Geweldige slagen van ’t noodlot hebben dit eigenaardige, dat, hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde.Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de pleegzuster toereikte, zeggende:—Geef dit aan mijnheer den pastoor.Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.„Ge moogt het lezen,” zeide hij.Zij las:—„Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het overige is voor de armen.”De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:„Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?”„Neen,” zeide hij, „men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer gevangen nam, zou haar dit storen.”Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:„Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hierden ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur niet verlaten heb.”Een man antwoordde:„Er is evenwel licht in die kamer.”Men herkende Javert’s stem.De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit en ging in dien hoek staan.Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.De deur werd geopend.Javert trad binnen.Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet op. Zij bad.De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht.Javert zag de zuster en bleef verrast staan.Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert’s karakter, zijn adem, zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig, en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende om de waarheid uit te laten.Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk te verwijderen.Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.’t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.„Zuster,” zeide hij, „zijt ge alleen in deze kamer?”Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende ’t welk de arme portierster geheel van zich zelve raakte.De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:„Ja.”„Vergeving,” hernam Javert, „dat ik u nog een vraag doe, ’t is mijn plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is, en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?”De zuster antwoordde:—„Neen.”Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder aarzeling, als in volkomen overtuiging.„Verschoon mij,” zei Javert en hij ging heen, diep buigende.O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze wereld; ge hebt u in ’t hemelsche licht met uw zusters, de maagden, en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in den hemel ten goede worden gerekend.De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij niet eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was uitgeblazen en nog op de tafel stond te rooken.Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte en in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man was Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie voerlieden, die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg en in een kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit te weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. ’t Was misschien deze kiel.Een laatste woord over Fantine.Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder teruggegeven.De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke, namelijk het algemeene graf.Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde Fantine in ’t donker, te midden van het eerste gebeente het beste, in den algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed.Einde van het eerste deel.
Vijfde hoofdstuk.Een behoorlijk graf.
Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: „’t was een tuchteling”, schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan tweeuren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was niets meer dan „een tuchteling”. Wij moeten evenwel zeggen, dat men de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze:„Hebt ge ’t al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!”—„Wie?”—„De maire.”—„Hoe, de heer Madeleine?”—„Ja.”—„Waarlijk?”—„Hij heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean, Boujean.”—„Mijn Hemel!”—„Hij is in hechtenis genomen.”—„In hechtenis genomen?”—„In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt overgebracht.”—„Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen zal men hem brengen?”—„Voor deassises, wegens een diefstal op den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd.”—„Nu, ik dacht het wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde.”In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.Een oude dame, die op deDrapeau blancwas geabonneerd, maakte deze opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:„’t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven.”Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde tot dit getal.Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge, nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen, stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker, van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast, alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij ’t zelve wist.Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering en riep: „O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker gehangen!”Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening, nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht.De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen, maar de kreet bleef in haar keel steken.Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.’tWas mijnheer Madeleine.Zij was eenige oogenblikken zoo „verbouwereerd”, zooals zij zich later uitdrukte, wanneer zij ’t voorval vertelde, dat zij niet kon spreken.„Mijn God, mijnheer de maire,” riep zij, „ik meende dat ge...”Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer de maire.Hij vulde haar gedachten aan.„In de gevangenis waart,” sprak hij. „Ik ben er geweest. Ik heb een tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden, en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij is waarschijnlijk bij de arme vrouw.”De oude vrouw gehoorzaamde haastig.Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou beveiligen, dan hij zich zelven deed.Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt is nooit opgehelderd geworden.Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen, zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer, en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker halen en keerde in de kamer terug.Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert, kon zijn venster van de straat gezien worden.Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed, waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had „de kamer gedaan”. Alleen had zij de twee einden van den met ijzer beslagen stok en het in ’t vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: „Dit zijn detwee einden van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais ontstolen heb, waarvan ik voor deassisesheb gesproken;” en op dat papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig dat deze het eerst in ’t oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor ’t overige was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte, beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood, dat hij in zijn vlucht had meegenomen.Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.„Binnen!” zeide hij.’t Was zuster Simplicia.Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar hand. Geweldige slagen van ’t noodlot hebben dit eigenaardige, dat, hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde.Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de pleegzuster toereikte, zeggende:—Geef dit aan mijnheer den pastoor.Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.„Ge moogt het lezen,” zeide hij.Zij las:—„Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het overige is voor de armen.”De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:„Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?”„Neen,” zeide hij, „men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer gevangen nam, zou haar dit storen.”Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:„Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hierden ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur niet verlaten heb.”Een man antwoordde:„Er is evenwel licht in die kamer.”Men herkende Javert’s stem.De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit en ging in dien hoek staan.Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.De deur werd geopend.Javert trad binnen.Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet op. Zij bad.De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht.Javert zag de zuster en bleef verrast staan.Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert’s karakter, zijn adem, zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig, en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende om de waarheid uit te laten.Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk te verwijderen.Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.’t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.„Zuster,” zeide hij, „zijt ge alleen in deze kamer?”Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende ’t welk de arme portierster geheel van zich zelve raakte.De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:„Ja.”„Vergeving,” hernam Javert, „dat ik u nog een vraag doe, ’t is mijn plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is, en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?”De zuster antwoordde:—„Neen.”Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder aarzeling, als in volkomen overtuiging.„Verschoon mij,” zei Javert en hij ging heen, diep buigende.O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze wereld; ge hebt u in ’t hemelsche licht met uw zusters, de maagden, en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in den hemel ten goede worden gerekend.De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij niet eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was uitgeblazen en nog op de tafel stond te rooken.Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte en in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man was Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie voerlieden, die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg en in een kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit te weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. ’t Was misschien deze kiel.Een laatste woord over Fantine.Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder teruggegeven.De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke, namelijk het algemeene graf.Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde Fantine in ’t donker, te midden van het eerste gebeente het beste, in den algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed.Einde van het eerste deel.
Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: „’t was een tuchteling”, schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan tweeuren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was niets meer dan „een tuchteling”. Wij moeten evenwel zeggen, dat men de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze:
„Hebt ge ’t al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!”—„Wie?”—„De maire.”—„Hoe, de heer Madeleine?”—„Ja.”—„Waarlijk?”—„Hij heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean, Boujean.”—„Mijn Hemel!”—„Hij is in hechtenis genomen.”—„In hechtenis genomen?”—„In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt overgebracht.”—„Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen zal men hem brengen?”—„Voor deassises, wegens een diefstal op den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd.”—„Nu, ik dacht het wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde.”
In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.
Een oude dame, die op deDrapeau blancwas geabonneerd, maakte deze opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:
„’t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven.”
Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde tot dit getal.
Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge, nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.
Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen, stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker, van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast, alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij ’t zelve wist.
Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering en riep: „O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker gehangen!”
Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening, nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht.
De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen, maar de kreet bleef in haar keel steken.
Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.
’tWas mijnheer Madeleine.
Zij was eenige oogenblikken zoo „verbouwereerd”, zooals zij zich later uitdrukte, wanneer zij ’t voorval vertelde, dat zij niet kon spreken.
„Mijn God, mijnheer de maire,” riep zij, „ik meende dat ge...”
Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer de maire.
Hij vulde haar gedachten aan.
„In de gevangenis waart,” sprak hij. „Ik ben er geweest. Ik heb een tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden, en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij is waarschijnlijk bij de arme vrouw.”
De oude vrouw gehoorzaamde haastig.
Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou beveiligen, dan hij zich zelven deed.
Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt is nooit opgehelderd geworden.
Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen, zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer, en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker halen en keerde in de kamer terug.
Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert, kon zijn venster van de straat gezien worden.
Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed, waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had „de kamer gedaan”. Alleen had zij de twee einden van den met ijzer beslagen stok en het in ’t vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.
Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: „Dit zijn detwee einden van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais ontstolen heb, waarvan ik voor deassisesheb gesproken;” en op dat papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig dat deze het eerst in ’t oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor ’t overige was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte, beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood, dat hij in zijn vlucht had meegenomen.
Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.
Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.
„Binnen!” zeide hij.
’t Was zuster Simplicia.
Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar hand. Geweldige slagen van ’t noodlot hebben dit eigenaardige, dat, hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde.
Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de pleegzuster toereikte, zeggende:—Geef dit aan mijnheer den pastoor.
Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.
„Ge moogt het lezen,” zeide hij.
Zij las:—„Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het overige is voor de armen.”
De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:
„Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?”
„Neen,” zeide hij, „men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer gevangen nam, zou haar dit storen.”
Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:
„Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hierden ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur niet verlaten heb.”
Een man antwoordde:
„Er is evenwel licht in die kamer.”
Men herkende Javert’s stem.
De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit en ging in dien hoek staan.
Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.
De deur werd geopend.
Javert trad binnen.
Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet op. Zij bad.
De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht.
Javert zag de zuster en bleef verrast staan.
Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert’s karakter, zijn adem, zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig, en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende om de waarheid uit te laten.
Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk te verwijderen.
Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.
’t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.
„Zuster,” zeide hij, „zijt ge alleen in deze kamer?”
Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende ’t welk de arme portierster geheel van zich zelve raakte.
De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:
„Ja.”
„Vergeving,” hernam Javert, „dat ik u nog een vraag doe, ’t is mijn plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is, en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?”
De zuster antwoordde:—„Neen.”
Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder aarzeling, als in volkomen overtuiging.
„Verschoon mij,” zei Javert en hij ging heen, diep buigende.
O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze wereld; ge hebt u in ’t hemelsche licht met uw zusters, de maagden, en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in den hemel ten goede worden gerekend.
De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij niet eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was uitgeblazen en nog op de tafel stond te rooken.
Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte en in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man was Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie voerlieden, die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg en in een kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit te weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. ’t Was misschien deze kiel.
Een laatste woord over Fantine.
Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder teruggegeven.
De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke, namelijk het algemeene graf.
Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde Fantine in ’t donker, te midden van het eerste gebeente het beste, in den algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed.
Einde van het eerste deel.