Vijfde hoofdstuk.Gerustheid.Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn gast en zeide:„Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!”De man volgde hem.Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond verrichtte, vóór zij naar bed ging.De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje.„Nu,” zei de bisschop, „ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg, vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te drinken hebben.”„Ik dank u, mijnheer de pastoor,” zei de man.Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou ’t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van ’t geen hem in dien oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,—kruiste de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij hem met een ruwe stem toe:„Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?”Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach :„Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?”De bisschop antwoordde:„Dit is de zaak van den goeden God.”Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, wier oogen open blijven.Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus, gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een diepen slaap.Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.Zesde hoofdstuk.Jean Valjean.Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk een bijnaam, samengetrokken uitVoilà Jean(ziedaar Jan).Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over ’t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen,jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster, die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging.Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij had geen tijd om verliefd te zijn.Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het hart der kool, uit zijn schotel, om ’t aan een van haar kinderen te geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen doen? ’t Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin had geen brood. Letterlijk geen brood—en zeven kinderen!Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een opening in het traliewerken in het glas had gemaakt. De arm greep een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. ’t Was Jean Valjean.Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien tijd gevoerd, wegens „diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in een bewoond huis.” Hij had een geweer en was een uitstekend schutter; hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper, evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld.In ’t voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: ’t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf jaren galeistraf veroordeeld.Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit, behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van het jaar IV,Buona-Partenoemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige, die in den noorderhoek der binnenplaats aan ’t uiterste punt der vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, alslegde hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen, hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden.Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt?’t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, dat het tegen ’t einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er ’s morgens om zes uur wezen, ’s winters lang voor de dag aanbrak. Er was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in ’t voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende, of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als ’t regende had eenoude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras, een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan Jean Valjean; ’t was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets als een opengerukt venster, ’t welk hem het lot vertoonde der wezens, welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit, en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden.Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals ’t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft, waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was ’t, geloof ik, in het dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen; hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een brood gestolen had.Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit honger bedreven worden.Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber ging hij er uit.Wat was er in zijn ziel omgegaan?Zevende hoofdstuk.Een blik in de wanhoop.Wij zullen er een verklaring van trachten te geven.De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze door haar voortgebracht worden.Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen.Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten; dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt, dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede—gelukkig of ongelukkig?—de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven; dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij te vergrijpen en zich te verbeelden,dat men door diefstal aan de armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat; kortom, dat hij ongelijk had gehad.Voorts vroeg hij zich af:Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk had gehad? Of ’t, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige, in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben, haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat van straf?Of ’t niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op toegevendheid hadden?Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot, dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel dat hij berokkend had en ’t nadeel dat men hem berokkende; eindelijk besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid, maar zekerlijk een onbillijkheid was.De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan tenonrechte vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde zich verontwaardigd.De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, ’t welk men de gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen, wanneer hij ging.Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.’t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar veroordeelde.Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het licht, aan de andere zijde de duisternis toe.Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.’t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch, door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean Valjean in ’t bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel, onverderfelijkin deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten, en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog waarschijnlijk en zonder aarzeling „neen” zou geantwoord hebben, zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet nasleepte.Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen, door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op ’t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord:Hoop!Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige horizont van zijn geest uitmaakte.Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele rampen, niet omtrent vele zaken nog in ’t duister zou zijn. Vaak wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, ’t zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor enachter, de afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij wist het niet.Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden, zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben: Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen; alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden hem dan ook den bijnaam van „Windas” gegeven.Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden tijd hadden er bij te komen.Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen, die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. ’t Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders van vliegen en vogels.Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean kinderspel. Was hij aan den kant van een muur,dan schoof en trok hij zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan het dak van het bagno.Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig om hem een paar keeren in ’t jaar dien akeligen glimlach van den tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in waarheid in gedachten verdiept.Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop, zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden, oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans, in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen, dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft, en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,—deze in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen, in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,—voelen op hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, en van welken aard konden die zijn?Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier onbeschrijfelijken toestand gebracht.Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: ’t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan; hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een slag met den stok gaf.De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens bestonden. ’t Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het licht, dat door een keldergat dringt.Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean, de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige, geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of welk levend schepsel.—Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean niet ten onrechte een „zeer gevaarlijk mensch” werd genoemd.Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottigewijze, meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.Achtste hoofdstuk.Het water en de schaduw.Een man over boord!Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is slechts een stip in ’t midden der onmetelijke golven. In de diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om ’t hoofd, en spuwt hem in ’t aangezicht; de eene baar na de andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.Evenwel worstelt hij.Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale duisternis van den horizont.De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, zingen en zweven en hij—hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene is een graf, de andere is een doodskleed.De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige golven van het onzichtbare; hij roept.Er zijn geen menschen meer. Waar is God?Hij roept, roept immer ... Niemand komt.Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan gehoorzaamt alleen aan het oneindige.Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan ’t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke diepte verzwelgt hem.O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie zal haar opwekken?Negende hoofdstuk.Andere grieven.Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. ’t Is billijk hier op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag werd ter hand gesteld.Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om ’t juist te zeggen, bestolen.Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij ’t werk was. Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan ’t werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: „dertig sous.” Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: „dit is genoeg voor u.” Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan en duwde hem toe: „Wacht u voor de gevangenis!”Ook hier achtte hij zich bestolen.De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, in ’t groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in ’t klein.Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar niet de veroordeeling.Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne werd ontvangen.Tiende hoofdstuk.De ontwaking.De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, toen sloot hij ze weder om te slapen.Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij terugkeert. Zoo ging ’t ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder inslapen en begon te denken.Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige verdrong. Deze gedachte was:—Hij had de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel had gelegd.Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier—op korten afstand—juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze ineen kastje aan ’t hoofdeinde van het bed.—Hij had het kastje goed opgemerkt,—rechts, als men uit de eetkamer komt.—Het was oud massief zilver.—Met den grooten soeplepel er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.—Het dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.—’t Is waar, dat hij meer zou hebben verdiend zoo de „administratie” niet hem „bestolen” had.Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de duisternis, de eenigewakendein het slapend huis, had gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en zat weder bewegingloos.In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,—een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; ’t was volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder tralies, kwam in den tuinuit en was slechts, volgens landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, ’t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een met boomen beplanten weg scheidde.Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op gelegd had. ’t Geleek een korte ijzeren staaf, aan ’t eene eind als een spies uitloopende. ’t Ware moeielijk geweest in de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; ’t kon een breekijzer, ’t kon een groote beitel zijn.In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en ’t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.
Vijfde hoofdstuk.Gerustheid.Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn gast en zeide:„Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!”De man volgde hem.Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond verrichtte, vóór zij naar bed ging.De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje.„Nu,” zei de bisschop, „ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg, vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te drinken hebben.”„Ik dank u, mijnheer de pastoor,” zei de man.Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou ’t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van ’t geen hem in dien oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,—kruiste de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij hem met een ruwe stem toe:„Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?”Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach :„Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?”De bisschop antwoordde:„Dit is de zaak van den goeden God.”Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, wier oogen open blijven.Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus, gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een diepen slaap.Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.Zesde hoofdstuk.Jean Valjean.Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk een bijnaam, samengetrokken uitVoilà Jean(ziedaar Jan).Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over ’t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen,jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster, die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging.Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij had geen tijd om verliefd te zijn.Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het hart der kool, uit zijn schotel, om ’t aan een van haar kinderen te geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen doen? ’t Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin had geen brood. Letterlijk geen brood—en zeven kinderen!Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een opening in het traliewerken in het glas had gemaakt. De arm greep een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. ’t Was Jean Valjean.Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien tijd gevoerd, wegens „diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in een bewoond huis.” Hij had een geweer en was een uitstekend schutter; hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper, evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld.In ’t voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: ’t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf jaren galeistraf veroordeeld.Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit, behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van het jaar IV,Buona-Partenoemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige, die in den noorderhoek der binnenplaats aan ’t uiterste punt der vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, alslegde hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen, hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden.Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt?’t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, dat het tegen ’t einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er ’s morgens om zes uur wezen, ’s winters lang voor de dag aanbrak. Er was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in ’t voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende, of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als ’t regende had eenoude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras, een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan Jean Valjean; ’t was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets als een opengerukt venster, ’t welk hem het lot vertoonde der wezens, welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit, en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden.Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals ’t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft, waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was ’t, geloof ik, in het dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen; hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een brood gestolen had.Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit honger bedreven worden.Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber ging hij er uit.Wat was er in zijn ziel omgegaan?Zevende hoofdstuk.Een blik in de wanhoop.Wij zullen er een verklaring van trachten te geven.De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze door haar voortgebracht worden.Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen.Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten; dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt, dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede—gelukkig of ongelukkig?—de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven; dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij te vergrijpen en zich te verbeelden,dat men door diefstal aan de armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat; kortom, dat hij ongelijk had gehad.Voorts vroeg hij zich af:Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk had gehad? Of ’t, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige, in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben, haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat van straf?Of ’t niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op toegevendheid hadden?Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot, dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel dat hij berokkend had en ’t nadeel dat men hem berokkende; eindelijk besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid, maar zekerlijk een onbillijkheid was.De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan tenonrechte vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde zich verontwaardigd.De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, ’t welk men de gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen, wanneer hij ging.Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.’t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar veroordeelde.Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het licht, aan de andere zijde de duisternis toe.Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.’t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch, door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean Valjean in ’t bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel, onverderfelijkin deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten, en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog waarschijnlijk en zonder aarzeling „neen” zou geantwoord hebben, zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet nasleepte.Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen, door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op ’t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord:Hoop!Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige horizont van zijn geest uitmaakte.Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele rampen, niet omtrent vele zaken nog in ’t duister zou zijn. Vaak wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, ’t zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor enachter, de afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij wist het niet.Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden, zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben: Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen; alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden hem dan ook den bijnaam van „Windas” gegeven.Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden tijd hadden er bij te komen.Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen, die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. ’t Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders van vliegen en vogels.Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean kinderspel. Was hij aan den kant van een muur,dan schoof en trok hij zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan het dak van het bagno.Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig om hem een paar keeren in ’t jaar dien akeligen glimlach van den tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in waarheid in gedachten verdiept.Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop, zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden, oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans, in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen, dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft, en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,—deze in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen, in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,—voelen op hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, en van welken aard konden die zijn?Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier onbeschrijfelijken toestand gebracht.Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: ’t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan; hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een slag met den stok gaf.De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens bestonden. ’t Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het licht, dat door een keldergat dringt.Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean, de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige, geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of welk levend schepsel.—Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean niet ten onrechte een „zeer gevaarlijk mensch” werd genoemd.Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottigewijze, meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.Achtste hoofdstuk.Het water en de schaduw.Een man over boord!Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is slechts een stip in ’t midden der onmetelijke golven. In de diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om ’t hoofd, en spuwt hem in ’t aangezicht; de eene baar na de andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.Evenwel worstelt hij.Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale duisternis van den horizont.De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, zingen en zweven en hij—hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene is een graf, de andere is een doodskleed.De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige golven van het onzichtbare; hij roept.Er zijn geen menschen meer. Waar is God?Hij roept, roept immer ... Niemand komt.Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan gehoorzaamt alleen aan het oneindige.Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan ’t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke diepte verzwelgt hem.O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie zal haar opwekken?Negende hoofdstuk.Andere grieven.Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. ’t Is billijk hier op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag werd ter hand gesteld.Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om ’t juist te zeggen, bestolen.Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij ’t werk was. Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan ’t werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: „dertig sous.” Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: „dit is genoeg voor u.” Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan en duwde hem toe: „Wacht u voor de gevangenis!”Ook hier achtte hij zich bestolen.De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, in ’t groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in ’t klein.Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar niet de veroordeeling.Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne werd ontvangen.Tiende hoofdstuk.De ontwaking.De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, toen sloot hij ze weder om te slapen.Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij terugkeert. Zoo ging ’t ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder inslapen en begon te denken.Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige verdrong. Deze gedachte was:—Hij had de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel had gelegd.Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier—op korten afstand—juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze ineen kastje aan ’t hoofdeinde van het bed.—Hij had het kastje goed opgemerkt,—rechts, als men uit de eetkamer komt.—Het was oud massief zilver.—Met den grooten soeplepel er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.—Het dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.—’t Is waar, dat hij meer zou hebben verdiend zoo de „administratie” niet hem „bestolen” had.Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de duisternis, de eenigewakendein het slapend huis, had gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en zat weder bewegingloos.In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,—een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; ’t was volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder tralies, kwam in den tuinuit en was slechts, volgens landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, ’t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een met boomen beplanten weg scheidde.Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op gelegd had. ’t Geleek een korte ijzeren staaf, aan ’t eene eind als een spies uitloopende. ’t Ware moeielijk geweest in de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; ’t kon een breekijzer, ’t kon een groote beitel zijn.In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en ’t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.
Vijfde hoofdstuk.Gerustheid.Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn gast en zeide:„Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!”De man volgde hem.Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond verrichtte, vóór zij naar bed ging.De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje.„Nu,” zei de bisschop, „ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg, vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te drinken hebben.”„Ik dank u, mijnheer de pastoor,” zei de man.Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou ’t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van ’t geen hem in dien oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,—kruiste de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij hem met een ruwe stem toe:„Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?”Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach :„Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?”De bisschop antwoordde:„Dit is de zaak van den goeden God.”Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, wier oogen open blijven.Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus, gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een diepen slaap.Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.
Vijfde hoofdstuk.Gerustheid.
Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn gast en zeide:„Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!”De man volgde hem.Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond verrichtte, vóór zij naar bed ging.De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje.„Nu,” zei de bisschop, „ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg, vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te drinken hebben.”„Ik dank u, mijnheer de pastoor,” zei de man.Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou ’t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van ’t geen hem in dien oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,—kruiste de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij hem met een ruwe stem toe:„Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?”Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach :„Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?”De bisschop antwoordde:„Dit is de zaak van den goeden God.”Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, wier oogen open blijven.Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus, gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een diepen slaap.Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.
Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn gast en zeide:
„Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!”
De man volgde hem.
Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.
Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond verrichtte, vóór zij naar bed ging.
De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje.
„Nu,” zei de bisschop, „ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg, vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te drinken hebben.”
„Ik dank u, mijnheer de pastoor,” zei de man.
Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou ’t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van ’t geen hem in dien oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,—kruiste de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij hem met een ruwe stem toe:
„Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?”
Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach :
„Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?”
De bisschop antwoordde:
„Dit is de zaak van den goeden God.”
Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.
Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, wier oogen open blijven.
Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus, gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een diepen slaap.
Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.
Zesde hoofdstuk.Jean Valjean.Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk een bijnaam, samengetrokken uitVoilà Jean(ziedaar Jan).Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over ’t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen,jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster, die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging.Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij had geen tijd om verliefd te zijn.Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het hart der kool, uit zijn schotel, om ’t aan een van haar kinderen te geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen doen? ’t Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin had geen brood. Letterlijk geen brood—en zeven kinderen!Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een opening in het traliewerken in het glas had gemaakt. De arm greep een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. ’t Was Jean Valjean.Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien tijd gevoerd, wegens „diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in een bewoond huis.” Hij had een geweer en was een uitstekend schutter; hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper, evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld.In ’t voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: ’t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf jaren galeistraf veroordeeld.Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit, behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van het jaar IV,Buona-Partenoemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige, die in den noorderhoek der binnenplaats aan ’t uiterste punt der vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, alslegde hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen, hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden.Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt?’t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, dat het tegen ’t einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er ’s morgens om zes uur wezen, ’s winters lang voor de dag aanbrak. Er was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in ’t voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende, of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als ’t regende had eenoude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras, een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan Jean Valjean; ’t was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets als een opengerukt venster, ’t welk hem het lot vertoonde der wezens, welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit, en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden.Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals ’t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft, waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was ’t, geloof ik, in het dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen; hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een brood gestolen had.Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit honger bedreven worden.Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber ging hij er uit.Wat was er in zijn ziel omgegaan?
Zesde hoofdstuk.Jean Valjean.
Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk een bijnaam, samengetrokken uitVoilà Jean(ziedaar Jan).Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over ’t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen,jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster, die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging.Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij had geen tijd om verliefd te zijn.Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het hart der kool, uit zijn schotel, om ’t aan een van haar kinderen te geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen doen? ’t Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin had geen brood. Letterlijk geen brood—en zeven kinderen!Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een opening in het traliewerken in het glas had gemaakt. De arm greep een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. ’t Was Jean Valjean.Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien tijd gevoerd, wegens „diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in een bewoond huis.” Hij had een geweer en was een uitstekend schutter; hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper, evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld.In ’t voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: ’t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf jaren galeistraf veroordeeld.Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit, behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van het jaar IV,Buona-Partenoemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige, die in den noorderhoek der binnenplaats aan ’t uiterste punt der vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, alslegde hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen, hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden.Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt?’t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, dat het tegen ’t einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er ’s morgens om zes uur wezen, ’s winters lang voor de dag aanbrak. Er was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in ’t voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende, of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als ’t regende had eenoude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras, een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan Jean Valjean; ’t was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets als een opengerukt venster, ’t welk hem het lot vertoonde der wezens, welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit, en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden.Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals ’t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft, waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was ’t, geloof ik, in het dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen; hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een brood gestolen had.Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit honger bedreven worden.Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber ging hij er uit.Wat was er in zijn ziel omgegaan?
Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.
Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk een bijnaam, samengetrokken uitVoilà Jean(ziedaar Jan).
Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over ’t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen,jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster, die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging.
Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij had geen tijd om verliefd te zijn.
Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het hart der kool, uit zijn schotel, om ’t aan een van haar kinderen te geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.
Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.
In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen doen? ’t Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin had geen brood. Letterlijk geen brood—en zeven kinderen!
Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een opening in het traliewerken in het glas had gemaakt. De arm greep een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. ’t Was Jean Valjean.
Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien tijd gevoerd, wegens „diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in een bewoond huis.” Hij had een geweer en was een uitstekend schutter; hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper, evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld.
In ’t voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.
Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: ’t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf jaren galeistraf veroordeeld.
Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit, behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van het jaar IV,Buona-Partenoemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige, die in den noorderhoek der binnenplaats aan ’t uiterste punt der vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, alslegde hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen, hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden.
Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt?
’t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, dat het tegen ’t einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er ’s morgens om zes uur wezen, ’s winters lang voor de dag aanbrak. Er was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in ’t voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende, of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als ’t regende had eenoude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras, een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan Jean Valjean; ’t was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets als een opengerukt venster, ’t welk hem het lot vertoonde der wezens, welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit, en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden.
Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals ’t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft, waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was ’t, geloof ik, in het dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen; hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een brood gestolen had.
Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit honger bedreven worden.
Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber ging hij er uit.
Wat was er in zijn ziel omgegaan?
Zevende hoofdstuk.Een blik in de wanhoop.Wij zullen er een verklaring van trachten te geven.De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze door haar voortgebracht worden.Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen.Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten; dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt, dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede—gelukkig of ongelukkig?—de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven; dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij te vergrijpen en zich te verbeelden,dat men door diefstal aan de armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat; kortom, dat hij ongelijk had gehad.Voorts vroeg hij zich af:Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk had gehad? Of ’t, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige, in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben, haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat van straf?Of ’t niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op toegevendheid hadden?Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot, dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel dat hij berokkend had en ’t nadeel dat men hem berokkende; eindelijk besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid, maar zekerlijk een onbillijkheid was.De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan tenonrechte vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde zich verontwaardigd.De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, ’t welk men de gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen, wanneer hij ging.Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.’t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar veroordeelde.Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het licht, aan de andere zijde de duisternis toe.Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.’t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch, door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean Valjean in ’t bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel, onverderfelijkin deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten, en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog waarschijnlijk en zonder aarzeling „neen” zou geantwoord hebben, zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet nasleepte.Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen, door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op ’t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord:Hoop!Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige horizont van zijn geest uitmaakte.Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele rampen, niet omtrent vele zaken nog in ’t duister zou zijn. Vaak wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, ’t zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor enachter, de afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij wist het niet.Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden, zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben: Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen; alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden hem dan ook den bijnaam van „Windas” gegeven.Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden tijd hadden er bij te komen.Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen, die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. ’t Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders van vliegen en vogels.Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean kinderspel. Was hij aan den kant van een muur,dan schoof en trok hij zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan het dak van het bagno.Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig om hem een paar keeren in ’t jaar dien akeligen glimlach van den tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in waarheid in gedachten verdiept.Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop, zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden, oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans, in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen, dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft, en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,—deze in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen, in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,—voelen op hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, en van welken aard konden die zijn?Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier onbeschrijfelijken toestand gebracht.Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: ’t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan; hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een slag met den stok gaf.De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens bestonden. ’t Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het licht, dat door een keldergat dringt.Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean, de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige, geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of welk levend schepsel.—Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean niet ten onrechte een „zeer gevaarlijk mensch” werd genoemd.Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottigewijze, meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.
Zevende hoofdstuk.Een blik in de wanhoop.
Wij zullen er een verklaring van trachten te geven.De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze door haar voortgebracht worden.Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen.Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten; dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt, dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede—gelukkig of ongelukkig?—de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven; dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij te vergrijpen en zich te verbeelden,dat men door diefstal aan de armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat; kortom, dat hij ongelijk had gehad.Voorts vroeg hij zich af:Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk had gehad? Of ’t, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige, in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben, haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat van straf?Of ’t niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op toegevendheid hadden?Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot, dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel dat hij berokkend had en ’t nadeel dat men hem berokkende; eindelijk besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid, maar zekerlijk een onbillijkheid was.De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan tenonrechte vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde zich verontwaardigd.De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, ’t welk men de gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen, wanneer hij ging.Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.’t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar veroordeelde.Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het licht, aan de andere zijde de duisternis toe.Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.’t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch, door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean Valjean in ’t bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel, onverderfelijkin deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten, en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog waarschijnlijk en zonder aarzeling „neen” zou geantwoord hebben, zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet nasleepte.Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen, door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op ’t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord:Hoop!Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige horizont van zijn geest uitmaakte.Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele rampen, niet omtrent vele zaken nog in ’t duister zou zijn. Vaak wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, ’t zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor enachter, de afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij wist het niet.Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden, zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben: Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen; alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden hem dan ook den bijnaam van „Windas” gegeven.Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden tijd hadden er bij te komen.Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen, die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. ’t Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders van vliegen en vogels.Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean kinderspel. Was hij aan den kant van een muur,dan schoof en trok hij zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan het dak van het bagno.Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig om hem een paar keeren in ’t jaar dien akeligen glimlach van den tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in waarheid in gedachten verdiept.Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop, zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden, oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans, in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen, dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft, en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,—deze in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen, in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,—voelen op hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, en van welken aard konden die zijn?Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier onbeschrijfelijken toestand gebracht.Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: ’t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan; hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een slag met den stok gaf.De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens bestonden. ’t Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het licht, dat door een keldergat dringt.Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean, de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige, geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of welk levend schepsel.—Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean niet ten onrechte een „zeer gevaarlijk mensch” werd genoemd.Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottigewijze, meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.
Wij zullen er een verklaring van trachten te geven.
De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze door haar voortgebracht worden.
Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen.
Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten; dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt, dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede—gelukkig of ongelukkig?—de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven; dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij te vergrijpen en zich te verbeelden,dat men door diefstal aan de armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat; kortom, dat hij ongelijk had gehad.
Voorts vroeg hij zich af:
Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk had gehad? Of ’t, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige, in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?
Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben, haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat van straf?
Of ’t niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op toegevendheid hadden?
Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot, dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel dat hij berokkend had en ’t nadeel dat men hem berokkende; eindelijk besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid, maar zekerlijk een onbillijkheid was.
De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan tenonrechte vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde zich verontwaardigd.
De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, ’t welk men de gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen, wanneer hij ging.
Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.
’t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar veroordeelde.
Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het licht, aan de andere zijde de duisternis toe.
Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.
’t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.
Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch, door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean Valjean in ’t bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel, onverderfelijkin deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten, en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?
Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog waarschijnlijk en zonder aarzeling „neen” zou geantwoord hebben, zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet nasleepte.
Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen, door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op ’t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord:Hoop!
Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige horizont van zijn geest uitmaakte.
Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele rampen, niet omtrent vele zaken nog in ’t duister zou zijn. Vaak wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, ’t zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor enachter, de afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.
Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij wist het niet.
Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden, zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben: Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen; alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.
Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden hem dan ook den bijnaam van „Windas” gegeven.
Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden tijd hadden er bij te komen.
Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen, die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. ’t Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders van vliegen en vogels.
Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean kinderspel. Was hij aan den kant van een muur,dan schoof en trok hij zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan het dak van het bagno.
Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig om hem een paar keeren in ’t jaar dien akeligen glimlach van den tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in waarheid in gedachten verdiept.
Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop, zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden, oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans, in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen, dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft, en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,—deze in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen, in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,—voelen op hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.
In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, en van welken aard konden die zijn?
Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.
Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier onbeschrijfelijken toestand gebracht.
Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: ’t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan; hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een slag met den stok gaf.
De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens bestonden. ’t Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het licht, dat door een keldergat dringt.
Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean, de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige, geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of welk levend schepsel.—Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean niet ten onrechte een „zeer gevaarlijk mensch” werd genoemd.
Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottigewijze, meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.
Achtste hoofdstuk.Het water en de schaduw.Een man over boord!Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is slechts een stip in ’t midden der onmetelijke golven. In de diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om ’t hoofd, en spuwt hem in ’t aangezicht; de eene baar na de andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.Evenwel worstelt hij.Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale duisternis van den horizont.De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, zingen en zweven en hij—hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene is een graf, de andere is een doodskleed.De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige golven van het onzichtbare; hij roept.Er zijn geen menschen meer. Waar is God?Hij roept, roept immer ... Niemand komt.Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan gehoorzaamt alleen aan het oneindige.Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan ’t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke diepte verzwelgt hem.O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie zal haar opwekken?
Achtste hoofdstuk.Het water en de schaduw.
Een man over boord!Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is slechts een stip in ’t midden der onmetelijke golven. In de diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om ’t hoofd, en spuwt hem in ’t aangezicht; de eene baar na de andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.Evenwel worstelt hij.Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale duisternis van den horizont.De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, zingen en zweven en hij—hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene is een graf, de andere is een doodskleed.De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige golven van het onzichtbare; hij roept.Er zijn geen menschen meer. Waar is God?Hij roept, roept immer ... Niemand komt.Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan gehoorzaamt alleen aan het oneindige.Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan ’t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke diepte verzwelgt hem.O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie zal haar opwekken?
Een man over boord!
Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.
De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is slechts een stip in ’t midden der onmetelijke golven. In de diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.
Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om ’t hoofd, en spuwt hem in ’t aangezicht; de eene baar na de andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.
Evenwel worstelt hij.
Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.
Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale duisternis van den horizont.
De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.
Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, zingen en zweven en hij—hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene is een graf, de andere is een doodskleed.
De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige golven van het onzichtbare; hij roept.
Er zijn geen menschen meer. Waar is God?
Hij roept, roept immer ... Niemand komt.
Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.
Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan gehoorzaamt alleen aan het oneindige.
Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan ’t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke diepte verzwelgt hem.
O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!
De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.
De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie zal haar opwekken?
Negende hoofdstuk.Andere grieven.Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. ’t Is billijk hier op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag werd ter hand gesteld.Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om ’t juist te zeggen, bestolen.Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij ’t werk was. Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan ’t werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: „dertig sous.” Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: „dit is genoeg voor u.” Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan en duwde hem toe: „Wacht u voor de gevangenis!”Ook hier achtte hij zich bestolen.De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, in ’t groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in ’t klein.Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar niet de veroordeeling.Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne werd ontvangen.
Negende hoofdstuk.Andere grieven.
Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. ’t Is billijk hier op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag werd ter hand gesteld.Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om ’t juist te zeggen, bestolen.Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij ’t werk was. Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan ’t werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: „dertig sous.” Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: „dit is genoeg voor u.” Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan en duwde hem toe: „Wacht u voor de gevangenis!”Ook hier achtte hij zich bestolen.De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, in ’t groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in ’t klein.Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar niet de veroordeeling.Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne werd ontvangen.
Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.
En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. ’t Is billijk hier op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag werd ter hand gesteld.
Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om ’t juist te zeggen, bestolen.
Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij ’t werk was. Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan ’t werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: „dertig sous.” Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: „dit is genoeg voor u.” Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan en duwde hem toe: „Wacht u voor de gevangenis!”
Ook hier achtte hij zich bestolen.
De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, in ’t groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in ’t klein.
Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar niet de veroordeeling.
Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne werd ontvangen.
Tiende hoofdstuk.De ontwaking.De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, toen sloot hij ze weder om te slapen.Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij terugkeert. Zoo ging ’t ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder inslapen en begon te denken.Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige verdrong. Deze gedachte was:—Hij had de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel had gelegd.Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier—op korten afstand—juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze ineen kastje aan ’t hoofdeinde van het bed.—Hij had het kastje goed opgemerkt,—rechts, als men uit de eetkamer komt.—Het was oud massief zilver.—Met den grooten soeplepel er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.—Het dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.—’t Is waar, dat hij meer zou hebben verdiend zoo de „administratie” niet hem „bestolen” had.Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de duisternis, de eenigewakendein het slapend huis, had gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en zat weder bewegingloos.In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,—een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; ’t was volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder tralies, kwam in den tuinuit en was slechts, volgens landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, ’t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een met boomen beplanten weg scheidde.Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op gelegd had. ’t Geleek een korte ijzeren staaf, aan ’t eene eind als een spies uitloopende. ’t Ware moeielijk geweest in de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; ’t kon een breekijzer, ’t kon een groote beitel zijn.In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en ’t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.
Tiende hoofdstuk.De ontwaking.
De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, toen sloot hij ze weder om te slapen.Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij terugkeert. Zoo ging ’t ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder inslapen en begon te denken.Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige verdrong. Deze gedachte was:—Hij had de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel had gelegd.Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier—op korten afstand—juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze ineen kastje aan ’t hoofdeinde van het bed.—Hij had het kastje goed opgemerkt,—rechts, als men uit de eetkamer komt.—Het was oud massief zilver.—Met den grooten soeplepel er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.—Het dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.—’t Is waar, dat hij meer zou hebben verdiend zoo de „administratie” niet hem „bestolen” had.Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de duisternis, de eenigewakendein het slapend huis, had gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en zat weder bewegingloos.In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,—een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; ’t was volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder tralies, kwam in den tuinuit en was slechts, volgens landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, ’t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een met boomen beplanten weg scheidde.Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op gelegd had. ’t Geleek een korte ijzeren staaf, aan ’t eene eind als een spies uitloopende. ’t Ware moeielijk geweest in de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; ’t kon een breekijzer, ’t kon een groote beitel zijn.In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en ’t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.
De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.
Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.
Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, toen sloot hij ze weder om te slapen.
Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij terugkeert. Zoo ging ’t ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder inslapen en begon te denken.
Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige verdrong. Deze gedachte was:—Hij had de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel had gelegd.
Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier—op korten afstand—juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze ineen kastje aan ’t hoofdeinde van het bed.—Hij had het kastje goed opgemerkt,—rechts, als men uit de eetkamer komt.—Het was oud massief zilver.—Met den grooten soeplepel er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.—Het dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.—’t Is waar, dat hij meer zou hebben verdiend zoo de „administratie” niet hem „bestolen” had.
Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.
Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de duisternis, de eenigewakendein het slapend huis, had gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en zat weder bewegingloos.
In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.
Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,—een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!
Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; ’t was volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder tralies, kwam in den tuinuit en was slechts, volgens landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, ’t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een met boomen beplanten weg scheidde.
Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op gelegd had. ’t Geleek een korte ijzeren staaf, aan ’t eene eind als een spies uitloopende. ’t Ware moeielijk geweest in de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; ’t kon een breekijzer, ’t kon een groote beitel zijn.
In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en ’t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.