Zesde hoofdstuk.Door wie hij zijn huis liet bewaren.Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne kwamen.De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan de zieken in het hospitaal. „Ik betaal mijn tienden,” zeide hij.Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn „wintersalon.”In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het geld aangenomen en aan de armen gegeven. „Het fraaiste altaar,” zeide hij dan, „is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt.”Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneerhij bij toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken van zijn huisraad beroofd.Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door in den tuin te wandelen.In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam.Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij ’t in vijf jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur; een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur stond een tafel, waarop een inktkoker, en dieverder beladen was met verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer.Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er deze portretten gevonden en ze laten hangen. ’t Waren priesters, vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof, welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met kalk gewit.In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor ’t overige onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende, dat dit den armen niets onthield.’t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen gelijk hij was, moetenwij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had, dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten.Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel.In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed, een kastje, waarin Magloire ’s avonds de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in ’t slot steken.De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden, die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin, langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs gezegd: „Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te trekken, is dit toch een nutteloos bed. ’t Ware beter, dat er salade op groeide, dan bloemen.”—„Gij vergist u, Magloire,” had de bisschop geantwoord, „het schoone is even nuttig als het nuttige.” En na eenig zwijgen voegde hij er bij: „Misschien nog nuttiger!”Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor ’t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; en zonder aan de achting voor beiden ooit in ’t minst te kort te doen, begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden blikken gieter.Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die, zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In den beginnehad deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust, maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven: „Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen.”In een ander boek, getiteld:Philosophie de la science médicale, had hij deze kantteekening geschreven: „Ben ik geen geneesheer, evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zijhunzieken noemen; en dan demijne, welke ik de ongelukkigen noem.”Elders had hij geschreven: „Vraag niet naar den naam van dengene, die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats noodig heeft, is de naam een lastig ding!”Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke—ik weet niet of ’t de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was—hem op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen, door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten ernst op den schouder, zeggende: „Zoo de Heer het huis niet bewaakt, waken de wachters vergeefs.”Daarop sprak hij van iets anders.Dikwijls zeide hij: „Er is een dapperheid van den priester, evenals er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar,” liet hij er op volgen, „de onze moet rustig zijn.”Zevende hoofdstuk.Cravatte.Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over ’t hoofd mogen zien; want ’t behoort tot dezulken, die het best aantoonen, welk een man de bisschop van D. was.Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers, Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de rest der bende van GaspardBès in het graafschap Nizza schuil, ging vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk, in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l’Aigle, en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette naar de gehuchten en dorpen.Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld.„Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan,” antwoordde de bisschop.„Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?” hernam de maire.„Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen een uur vertrek.”„Ge wilt vertrekken?”„Ja.”„Alleen?”„Alleen.”„Dat zult ge niet doen, Monseigneur!”„In het gebergte,” hernam de bisschop, „ligt een zeer kleine gemeente, welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden, vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden, behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met zes gaten. ’t Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?”„Maar de roovers, Monseigneur?”„Ja,” zei de bisschop, „ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren.”„Maar, Monseigneur, ’t is een rooverbende, een troep wolven!”„Mijnheer de maire, ’t is misschien juist van dezen troep, dat Jezus mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?”„Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur.”„Ik heb niets.”„Zij zullen u vermoorden.”„Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou ’t hun baten?”„O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!”„Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen.”„Ga niet, Monseigneur. In ’s hemels naam! gij waagt uw leven!”„Is het anders niet, Mijnheer de maire?” zei de bisschop. „Ik ben niet in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden.”Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij zijn „vrienden” de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte, verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor zijn vertrek wilde hij een plechtigTe Deumhouden. Hij sprak er met den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen.„Om ’t even,” zei de bisschop, „kondig maar het Te Deum van den kansel af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken.”Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden stonden geschreven:Cravatte aan Monseigneur Bienvenu.„Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!” zei de bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: „wie zich met het koorhemd van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk koorkleed.”„Monseigneur,” mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend, „God—of de duivel?”De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: „God!”Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij zeide tot zijn zuster: „Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis.”Nog zeide hij des avonds vóór ’t naar bed gaan: „vreezen wij nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven; de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij alleen denken aan ’t geen onze ziel bedreigt.”En zich tot zijn zuster wendende: „Lieve zuster, de priester mag nooit voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet,veroorlooftGod. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder niet om onzenthalve in zonde vervalle.”Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.Wat van „den schat” der kerk van Embrun werd, men zou ons in verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. ’t Waren gewis zeer schoone, verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: „’t is de vraag, of het aan de hoofdkerk terug of aan ’t gasthuis gegeven worden moet!”Achtste hoofdstuk.Wijsbegeerte na tafel.De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man, die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen, welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het oneindige en het eeuwige, en over de „hersenschimmen van den goeden bisschop.” Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde.Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf*** (deze senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd deftig was:„Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn eigene wijsbegeerte.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de bisschop. „Naar men zich een wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen bed, mijnheer de senator.”Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:„Laten we verdraagzame lieden zijn.”„Verdraagzame duivels zelfs,” zei de bisschop.„Ik verzeker u,” hernam de senator, „dat de markies d’Argens, Pyrrhon, Hobbes en Naigeon in ’t geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek staan al mijn philosofen verguld op sneê.”„Zooals gij zelf, mijnheer de graaf,” viel de bisschop hem in de rede.De senator ging voort:„Ik haat Diderot; ’t is een idéoloog, een declamator en een revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen hetfiat lux(er zij licht).Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken, die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,’t welk mij plaagt! Leve het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals ’t behoort, beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. ’t Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven, daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige, met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig, opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens te hulp; was ’t niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen der sterrenzijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu wel niet in denMoniteurgaan verkondigen, maar fluister het onder vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. ’t Is beter tand dan gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde.Finis. Algemeene uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men kan, dit is ’t voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede God is goed voor het gepeupel.”De bisschop klapte goedkeurend in de handen.„Dat noem ik spreken!” riep hij. „Dat materialisme is toch een uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat zij, zonder eenig bezwaar,alles mogen aannemen en kunnen verduwen: ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit alles, in ’t graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet ten uwen opzichte, mijnheer de senator; ’t is mij evenwel onmogelijk u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt, een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is.”Negende hoofdstuk.De broeder door de zuster geschilderd.Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen, gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron, een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.Digne, 16 December 18..„Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest mijnkamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar ’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.„Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven duizenden!„Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des nachts. Dit noemt hijzijndapperheid.„Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.„Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.„Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem gebracht hadden.„Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelenvan ’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.„In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.„Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.„Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.„Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.„Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.„Baptistine.”„P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de knieën?—’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!”Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn zacht en kalm voorkomen, ’t welk zich nooit verloochende, verrichtte de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen, zonder dat hij ’t zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking; doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel woord of gebaar, in ’t geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij ’t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde; dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook—ik zeg niet zijn gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem waakten. Zij vertrouwden hem aan God.Voor ’t overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er van overtuigd.Tiende hoofdstuk.De bisschop tegenover een onbekend licht.Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad, nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich de roovers ophielden.Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze man,—om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen—was een voormalig lid der conventie. Hij heette G.In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men alle rangen ophief en elkander eenvoudig „burger” noemde. Deze man was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings gestemd, maar ’t scheelde niet veel. Hij was dus half en half een koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;—er moet immers barmhartigheid zijn?—maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over den gier.Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in Frankrijk mogen blijven.Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, was het pad, ’t welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, zeggende: „Daar woont een verlaten ziel!” En in gedachten voegde hij er bij: „ik ben hem een bezoek schuldig.”Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, ’t welk aan haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd houden? Neen. Maar welk een schaap!De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan weder terugblijven.Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaarop sterven lag, en hij den nacht niet zou doorkomen.—Goddank! zeiden sommigen.De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol.’t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een wijnstok langs den voorgevel.Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer, een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende.Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude een kom melk toereikte.Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: „Ik dank u, ik heb niets meer noodig.” En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar den knaap te richten.De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.„Sinds ik hier ben,” zeide hij, „is dit de eerste maal dat iemand mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?”De bisschop antwoordde:„Ik heet Bienvenu Myriel.”„Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen, wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?”„Die ben ik.”Half glimlachend hernam de grijsaard:„Dan zijt gij mijn bisschop.”„Zoo gij wilt!”„Ga binnen, mijnheer.”Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze nam ze niet aan, hij zeide slechts:„Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij schijnt in geenen deele ziek!”„Ik zal gezond worden, mijnheer,” antwoordde de grijsaard; en na een poos voegde hij er bij: „Binnen drie uren sterf ik.Ik ben eenigszins een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is ’t gedaan. ’t Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot mij spreken, ’t vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende te komen bezoeken. ’t Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren overblijven. Het zal nacht zijn. ’t Is trouwens om ’t even. Sterven is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven.”De grijsaard wendde zich tot den herder:„Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt vermoeid.”De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, als tot zich zelven sprekende:„Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die van het leven zullen goede buren zijn.”De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te zeggen—want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten evenzeer als het overige aangewezen worden—hij, die zoo dikwijls om het „Hoogwaarde heer” lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat hij niet „Monseigneur” werd genoemd, en was bijna in verzoeking met „burger” te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt; maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een lust tot strengheid bij den bisschop op.Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer past wanneer men op ’t punt is, van tot stof weder te keeren.De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der conventiekwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten de wet der liefde te staan.G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel, zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven vleesch, van onder marmer was.De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen, zonder inleiding, op den toon der berisping:„Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings gestemd heb.”Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet op te merken, die in het woord „ten minste” lag opgesloten. Maar de glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.„Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, wantik hebvoor den dood van den tiran gestemd,” antwoordde hij ongevoelig op de stem der strengheid.„Wat bedoelt ge hiermede?” hernam de bisschop.„Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in ’t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden.”„En door het geweten,” voegde de bisschop er bij.„Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap, die in ons is.”Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor hem nieuwe taal.De oude man vervolgde:„Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voelmij verplicht het kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van het menschelijk geslacht gestort werd.”„Een gemengd geluk,” zei de bisschop.„Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen staat niet meer, schoon de wind er nog is.”„Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het afbreken, wanneer het in toorn geschiedt.”„Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om ’t even, en wat men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft—een onvolledige stap misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de wijding der menschheid.”De bisschop kon niet nalaten te prevelen: „Zoo, en 93?”Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht op zijn stoel, en zeide zoo luid als ’t een stervende vermag:„Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte zij los. Gij beschuldigt het onweder.”De bisschop voelde, misschien zonder ’t zich zelven te bekennen, dat iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde:„De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt in naam der ontferming, welke niets anders is daneen hoogere gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk XVII?” voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende.De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des bisschops. „Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche—een onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de broeder van Cartouche was—niet minder beklagenswaard dan de kleinzoon van Lodewijk XV,—insgelijks een onschuldig kind, dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.„Mijnheer,” riep de bisschop, „zulk een bijeenvoeging van namen bevalt mij niet.”„Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht geschiedt?”Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier, dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge wijze aangedaan.Het lid der conventie hernam:„Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der waarheid. Wanneer hij zeide: „Laat de kinderen tot mij komen!” maakte hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is even verheven in lompen als met het leliewapen!”„Gewis,” zei de bisschop zacht.„Dit is niet alles,” hernam G. „Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen, alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij hooger opklimmen dan tot 93, en ’t is vóór den tijd van Lodewijk XVII, dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent.”„Ik beween allen,” zei de bisschop.„Ik evenzeer,” riep G. „Zoo de balans mocht overhellen, is ’t naar de zijde des volks. Het lijdt het langst.”Wederom ontstond een pauze. ’t Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den doodsstrijd zijn blik op den bisschop. ’t Was schier een uitbarsting, waarmede hij vervolgde:„Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. ’t Is waar, uw naam is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,—de bisschop van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 fr.—met koks en livreibedienden,—een dier mannen, die in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?”De bisschop boog het hoofd en antwoordde: „Vermis sum.” (ik ben een worm.)„Een worm in een koets!” bromde het oud lid der conventie.’t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig te zijn.De bisschop antwoordde vriendelijk:„’t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets,die ginds achter ’t geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest.”Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om er een wolk van te verdrijven.„Eer ik u antwoord,” sprak hij, „verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken.”„Ik dank u,” zei de bisschop.G. hernam: „Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij gevraagd hebt. Hoe was ’t ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig was geweest?”„Ja, onbarmhartig,” zei de bisschop. „Wat denkt ge van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?”„Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades eenTe Deumzong?”Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. Hij vervolgde:„Ik wil nog enkele woorden over ’t een en ander zeggen. Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als ’t u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaagook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,—en bovendien—de dood nadert.”En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte met deze weinige, kalme woorden:„Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is vooruitgegaan.”De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die schier even norsch waren als de aanvang van ’t gesprek:„De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het menschelijk geslacht.”De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot zich zelf:„O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!”De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:„Het oneindige bestaat. ’t Is daar! Zoo het oneindige geenIKhad, zou hetIKzijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: ’t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus eenIK. DatIKvan het oneindige, is God.”De stervende had deze laatste woorden met luide stem en metde trilling der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:„Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?”De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde zich op zijn gelaat.„Mijnheer de bisschop,” sprak hij met een langzaamheid, die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, „ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijnlandmij riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straatl’Arbre-Secvoor twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. ’t Is waar, ik heb het kleed van ’t altaar gescheurd, maar ’t was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling,en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig jaar, en op ’t punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?”„Uw zegen,” zei de bisschop.En hij knielde.Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te spreken, wees hij slechts naar den hemel.Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid voor de geringen en lijdenden.Telkens wanneer op den „ouden booswicht G.” eenige toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.Dit „herderlijk bezoek” werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats:„Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om een ziel door den duivel te zien weghalen.”Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke zich geestig waant, tot hem:„Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult opzetten.”—„O,” antwoordde de bisschop, „dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een hoed vereeren.”
Zesde hoofdstuk.Door wie hij zijn huis liet bewaren.Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne kwamen.De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan de zieken in het hospitaal. „Ik betaal mijn tienden,” zeide hij.Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn „wintersalon.”In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het geld aangenomen en aan de armen gegeven. „Het fraaiste altaar,” zeide hij dan, „is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt.”Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneerhij bij toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken van zijn huisraad beroofd.Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door in den tuin te wandelen.In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam.Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij ’t in vijf jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur; een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur stond een tafel, waarop een inktkoker, en dieverder beladen was met verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer.Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er deze portretten gevonden en ze laten hangen. ’t Waren priesters, vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof, welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met kalk gewit.In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor ’t overige onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende, dat dit den armen niets onthield.’t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen gelijk hij was, moetenwij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had, dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten.Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel.In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed, een kastje, waarin Magloire ’s avonds de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in ’t slot steken.De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden, die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin, langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs gezegd: „Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te trekken, is dit toch een nutteloos bed. ’t Ware beter, dat er salade op groeide, dan bloemen.”—„Gij vergist u, Magloire,” had de bisschop geantwoord, „het schoone is even nuttig als het nuttige.” En na eenig zwijgen voegde hij er bij: „Misschien nog nuttiger!”Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor ’t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; en zonder aan de achting voor beiden ooit in ’t minst te kort te doen, begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden blikken gieter.Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die, zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In den beginnehad deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust, maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven: „Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen.”In een ander boek, getiteld:Philosophie de la science médicale, had hij deze kantteekening geschreven: „Ben ik geen geneesheer, evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zijhunzieken noemen; en dan demijne, welke ik de ongelukkigen noem.”Elders had hij geschreven: „Vraag niet naar den naam van dengene, die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats noodig heeft, is de naam een lastig ding!”Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke—ik weet niet of ’t de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was—hem op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen, door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten ernst op den schouder, zeggende: „Zoo de Heer het huis niet bewaakt, waken de wachters vergeefs.”Daarop sprak hij van iets anders.Dikwijls zeide hij: „Er is een dapperheid van den priester, evenals er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar,” liet hij er op volgen, „de onze moet rustig zijn.”Zevende hoofdstuk.Cravatte.Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over ’t hoofd mogen zien; want ’t behoort tot dezulken, die het best aantoonen, welk een man de bisschop van D. was.Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers, Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de rest der bende van GaspardBès in het graafschap Nizza schuil, ging vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk, in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l’Aigle, en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette naar de gehuchten en dorpen.Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld.„Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan,” antwoordde de bisschop.„Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?” hernam de maire.„Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen een uur vertrek.”„Ge wilt vertrekken?”„Ja.”„Alleen?”„Alleen.”„Dat zult ge niet doen, Monseigneur!”„In het gebergte,” hernam de bisschop, „ligt een zeer kleine gemeente, welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden, vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden, behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met zes gaten. ’t Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?”„Maar de roovers, Monseigneur?”„Ja,” zei de bisschop, „ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren.”„Maar, Monseigneur, ’t is een rooverbende, een troep wolven!”„Mijnheer de maire, ’t is misschien juist van dezen troep, dat Jezus mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?”„Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur.”„Ik heb niets.”„Zij zullen u vermoorden.”„Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou ’t hun baten?”„O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!”„Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen.”„Ga niet, Monseigneur. In ’s hemels naam! gij waagt uw leven!”„Is het anders niet, Mijnheer de maire?” zei de bisschop. „Ik ben niet in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden.”Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij zijn „vrienden” de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte, verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor zijn vertrek wilde hij een plechtigTe Deumhouden. Hij sprak er met den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen.„Om ’t even,” zei de bisschop, „kondig maar het Te Deum van den kansel af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken.”Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden stonden geschreven:Cravatte aan Monseigneur Bienvenu.„Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!” zei de bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: „wie zich met het koorhemd van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk koorkleed.”„Monseigneur,” mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend, „God—of de duivel?”De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: „God!”Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij zeide tot zijn zuster: „Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis.”Nog zeide hij des avonds vóór ’t naar bed gaan: „vreezen wij nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven; de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij alleen denken aan ’t geen onze ziel bedreigt.”En zich tot zijn zuster wendende: „Lieve zuster, de priester mag nooit voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet,veroorlooftGod. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder niet om onzenthalve in zonde vervalle.”Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.Wat van „den schat” der kerk van Embrun werd, men zou ons in verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. ’t Waren gewis zeer schoone, verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: „’t is de vraag, of het aan de hoofdkerk terug of aan ’t gasthuis gegeven worden moet!”Achtste hoofdstuk.Wijsbegeerte na tafel.De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man, die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen, welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het oneindige en het eeuwige, en over de „hersenschimmen van den goeden bisschop.” Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde.Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf*** (deze senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd deftig was:„Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn eigene wijsbegeerte.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de bisschop. „Naar men zich een wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen bed, mijnheer de senator.”Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:„Laten we verdraagzame lieden zijn.”„Verdraagzame duivels zelfs,” zei de bisschop.„Ik verzeker u,” hernam de senator, „dat de markies d’Argens, Pyrrhon, Hobbes en Naigeon in ’t geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek staan al mijn philosofen verguld op sneê.”„Zooals gij zelf, mijnheer de graaf,” viel de bisschop hem in de rede.De senator ging voort:„Ik haat Diderot; ’t is een idéoloog, een declamator en een revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen hetfiat lux(er zij licht).Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken, die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,’t welk mij plaagt! Leve het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals ’t behoort, beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. ’t Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven, daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige, met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig, opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens te hulp; was ’t niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen der sterrenzijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu wel niet in denMoniteurgaan verkondigen, maar fluister het onder vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. ’t Is beter tand dan gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde.Finis. Algemeene uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men kan, dit is ’t voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede God is goed voor het gepeupel.”De bisschop klapte goedkeurend in de handen.„Dat noem ik spreken!” riep hij. „Dat materialisme is toch een uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat zij, zonder eenig bezwaar,alles mogen aannemen en kunnen verduwen: ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit alles, in ’t graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet ten uwen opzichte, mijnheer de senator; ’t is mij evenwel onmogelijk u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt, een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is.”Negende hoofdstuk.De broeder door de zuster geschilderd.Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen, gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron, een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.Digne, 16 December 18..„Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest mijnkamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar ’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.„Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven duizenden!„Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des nachts. Dit noemt hijzijndapperheid.„Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.„Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.„Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem gebracht hadden.„Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelenvan ’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.„In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.„Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.„Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.„Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.„Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.„Baptistine.”„P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de knieën?—’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!”Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn zacht en kalm voorkomen, ’t welk zich nooit verloochende, verrichtte de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen, zonder dat hij ’t zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking; doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel woord of gebaar, in ’t geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij ’t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde; dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook—ik zeg niet zijn gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem waakten. Zij vertrouwden hem aan God.Voor ’t overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er van overtuigd.Tiende hoofdstuk.De bisschop tegenover een onbekend licht.Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad, nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich de roovers ophielden.Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze man,—om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen—was een voormalig lid der conventie. Hij heette G.In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men alle rangen ophief en elkander eenvoudig „burger” noemde. Deze man was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings gestemd, maar ’t scheelde niet veel. Hij was dus half en half een koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;—er moet immers barmhartigheid zijn?—maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over den gier.Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in Frankrijk mogen blijven.Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, was het pad, ’t welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, zeggende: „Daar woont een verlaten ziel!” En in gedachten voegde hij er bij: „ik ben hem een bezoek schuldig.”Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, ’t welk aan haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd houden? Neen. Maar welk een schaap!De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan weder terugblijven.Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaarop sterven lag, en hij den nacht niet zou doorkomen.—Goddank! zeiden sommigen.De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol.’t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een wijnstok langs den voorgevel.Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer, een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende.Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude een kom melk toereikte.Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: „Ik dank u, ik heb niets meer noodig.” En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar den knaap te richten.De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.„Sinds ik hier ben,” zeide hij, „is dit de eerste maal dat iemand mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?”De bisschop antwoordde:„Ik heet Bienvenu Myriel.”„Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen, wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?”„Die ben ik.”Half glimlachend hernam de grijsaard:„Dan zijt gij mijn bisschop.”„Zoo gij wilt!”„Ga binnen, mijnheer.”Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze nam ze niet aan, hij zeide slechts:„Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij schijnt in geenen deele ziek!”„Ik zal gezond worden, mijnheer,” antwoordde de grijsaard; en na een poos voegde hij er bij: „Binnen drie uren sterf ik.Ik ben eenigszins een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is ’t gedaan. ’t Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot mij spreken, ’t vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende te komen bezoeken. ’t Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren overblijven. Het zal nacht zijn. ’t Is trouwens om ’t even. Sterven is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven.”De grijsaard wendde zich tot den herder:„Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt vermoeid.”De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, als tot zich zelven sprekende:„Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die van het leven zullen goede buren zijn.”De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te zeggen—want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten evenzeer als het overige aangewezen worden—hij, die zoo dikwijls om het „Hoogwaarde heer” lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat hij niet „Monseigneur” werd genoemd, en was bijna in verzoeking met „burger” te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt; maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een lust tot strengheid bij den bisschop op.Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer past wanneer men op ’t punt is, van tot stof weder te keeren.De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der conventiekwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten de wet der liefde te staan.G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel, zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven vleesch, van onder marmer was.De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen, zonder inleiding, op den toon der berisping:„Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings gestemd heb.”Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet op te merken, die in het woord „ten minste” lag opgesloten. Maar de glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.„Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, wantik hebvoor den dood van den tiran gestemd,” antwoordde hij ongevoelig op de stem der strengheid.„Wat bedoelt ge hiermede?” hernam de bisschop.„Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in ’t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden.”„En door het geweten,” voegde de bisschop er bij.„Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap, die in ons is.”Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor hem nieuwe taal.De oude man vervolgde:„Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voelmij verplicht het kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van het menschelijk geslacht gestort werd.”„Een gemengd geluk,” zei de bisschop.„Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen staat niet meer, schoon de wind er nog is.”„Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het afbreken, wanneer het in toorn geschiedt.”„Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om ’t even, en wat men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft—een onvolledige stap misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de wijding der menschheid.”De bisschop kon niet nalaten te prevelen: „Zoo, en 93?”Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht op zijn stoel, en zeide zoo luid als ’t een stervende vermag:„Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte zij los. Gij beschuldigt het onweder.”De bisschop voelde, misschien zonder ’t zich zelven te bekennen, dat iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde:„De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt in naam der ontferming, welke niets anders is daneen hoogere gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk XVII?” voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende.De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des bisschops. „Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche—een onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de broeder van Cartouche was—niet minder beklagenswaard dan de kleinzoon van Lodewijk XV,—insgelijks een onschuldig kind, dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.„Mijnheer,” riep de bisschop, „zulk een bijeenvoeging van namen bevalt mij niet.”„Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht geschiedt?”Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier, dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge wijze aangedaan.Het lid der conventie hernam:„Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der waarheid. Wanneer hij zeide: „Laat de kinderen tot mij komen!” maakte hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is even verheven in lompen als met het leliewapen!”„Gewis,” zei de bisschop zacht.„Dit is niet alles,” hernam G. „Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen, alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij hooger opklimmen dan tot 93, en ’t is vóór den tijd van Lodewijk XVII, dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent.”„Ik beween allen,” zei de bisschop.„Ik evenzeer,” riep G. „Zoo de balans mocht overhellen, is ’t naar de zijde des volks. Het lijdt het langst.”Wederom ontstond een pauze. ’t Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den doodsstrijd zijn blik op den bisschop. ’t Was schier een uitbarsting, waarmede hij vervolgde:„Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. ’t Is waar, uw naam is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,—de bisschop van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 fr.—met koks en livreibedienden,—een dier mannen, die in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?”De bisschop boog het hoofd en antwoordde: „Vermis sum.” (ik ben een worm.)„Een worm in een koets!” bromde het oud lid der conventie.’t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig te zijn.De bisschop antwoordde vriendelijk:„’t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets,die ginds achter ’t geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest.”Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om er een wolk van te verdrijven.„Eer ik u antwoord,” sprak hij, „verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken.”„Ik dank u,” zei de bisschop.G. hernam: „Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij gevraagd hebt. Hoe was ’t ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig was geweest?”„Ja, onbarmhartig,” zei de bisschop. „Wat denkt ge van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?”„Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades eenTe Deumzong?”Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. Hij vervolgde:„Ik wil nog enkele woorden over ’t een en ander zeggen. Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als ’t u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaagook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,—en bovendien—de dood nadert.”En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte met deze weinige, kalme woorden:„Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is vooruitgegaan.”De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die schier even norsch waren als de aanvang van ’t gesprek:„De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het menschelijk geslacht.”De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot zich zelf:„O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!”De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:„Het oneindige bestaat. ’t Is daar! Zoo het oneindige geenIKhad, zou hetIKzijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: ’t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus eenIK. DatIKvan het oneindige, is God.”De stervende had deze laatste woorden met luide stem en metde trilling der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:„Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?”De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde zich op zijn gelaat.„Mijnheer de bisschop,” sprak hij met een langzaamheid, die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, „ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijnlandmij riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straatl’Arbre-Secvoor twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. ’t Is waar, ik heb het kleed van ’t altaar gescheurd, maar ’t was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling,en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig jaar, en op ’t punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?”„Uw zegen,” zei de bisschop.En hij knielde.Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te spreken, wees hij slechts naar den hemel.Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid voor de geringen en lijdenden.Telkens wanneer op den „ouden booswicht G.” eenige toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.Dit „herderlijk bezoek” werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats:„Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om een ziel door den duivel te zien weghalen.”Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke zich geestig waant, tot hem:„Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult opzetten.”—„O,” antwoordde de bisschop, „dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een hoed vereeren.”
Zesde hoofdstuk.Door wie hij zijn huis liet bewaren.Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne kwamen.De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan de zieken in het hospitaal. „Ik betaal mijn tienden,” zeide hij.Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn „wintersalon.”In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het geld aangenomen en aan de armen gegeven. „Het fraaiste altaar,” zeide hij dan, „is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt.”Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneerhij bij toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken van zijn huisraad beroofd.Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door in den tuin te wandelen.In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam.Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij ’t in vijf jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur; een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur stond een tafel, waarop een inktkoker, en dieverder beladen was met verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer.Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er deze portretten gevonden en ze laten hangen. ’t Waren priesters, vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof, welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met kalk gewit.In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor ’t overige onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende, dat dit den armen niets onthield.’t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen gelijk hij was, moetenwij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had, dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten.Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel.In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed, een kastje, waarin Magloire ’s avonds de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in ’t slot steken.De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden, die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin, langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs gezegd: „Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te trekken, is dit toch een nutteloos bed. ’t Ware beter, dat er salade op groeide, dan bloemen.”—„Gij vergist u, Magloire,” had de bisschop geantwoord, „het schoone is even nuttig als het nuttige.” En na eenig zwijgen voegde hij er bij: „Misschien nog nuttiger!”Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor ’t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; en zonder aan de achting voor beiden ooit in ’t minst te kort te doen, begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden blikken gieter.Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die, zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In den beginnehad deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust, maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven: „Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen.”In een ander boek, getiteld:Philosophie de la science médicale, had hij deze kantteekening geschreven: „Ben ik geen geneesheer, evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zijhunzieken noemen; en dan demijne, welke ik de ongelukkigen noem.”Elders had hij geschreven: „Vraag niet naar den naam van dengene, die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats noodig heeft, is de naam een lastig ding!”Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke—ik weet niet of ’t de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was—hem op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen, door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten ernst op den schouder, zeggende: „Zoo de Heer het huis niet bewaakt, waken de wachters vergeefs.”Daarop sprak hij van iets anders.Dikwijls zeide hij: „Er is een dapperheid van den priester, evenals er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar,” liet hij er op volgen, „de onze moet rustig zijn.”
Zesde hoofdstuk.Door wie hij zijn huis liet bewaren.
Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne kwamen.De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan de zieken in het hospitaal. „Ik betaal mijn tienden,” zeide hij.Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn „wintersalon.”In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het geld aangenomen en aan de armen gegeven. „Het fraaiste altaar,” zeide hij dan, „is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt.”Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneerhij bij toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken van zijn huisraad beroofd.Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door in den tuin te wandelen.In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam.Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij ’t in vijf jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur; een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur stond een tafel, waarop een inktkoker, en dieverder beladen was met verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer.Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er deze portretten gevonden en ze laten hangen. ’t Waren priesters, vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof, welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met kalk gewit.In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor ’t overige onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende, dat dit den armen niets onthield.’t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen gelijk hij was, moetenwij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had, dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten.Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel.In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed, een kastje, waarin Magloire ’s avonds de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in ’t slot steken.De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden, die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin, langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs gezegd: „Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te trekken, is dit toch een nutteloos bed. ’t Ware beter, dat er salade op groeide, dan bloemen.”—„Gij vergist u, Magloire,” had de bisschop geantwoord, „het schoone is even nuttig als het nuttige.” En na eenig zwijgen voegde hij er bij: „Misschien nog nuttiger!”Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor ’t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; en zonder aan de achting voor beiden ooit in ’t minst te kort te doen, begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden blikken gieter.Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die, zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In den beginnehad deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust, maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven: „Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen.”In een ander boek, getiteld:Philosophie de la science médicale, had hij deze kantteekening geschreven: „Ben ik geen geneesheer, evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zijhunzieken noemen; en dan demijne, welke ik de ongelukkigen noem.”Elders had hij geschreven: „Vraag niet naar den naam van dengene, die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats noodig heeft, is de naam een lastig ding!”Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke—ik weet niet of ’t de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was—hem op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen, door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten ernst op den schouder, zeggende: „Zoo de Heer het huis niet bewaakt, waken de wachters vergeefs.”Daarop sprak hij van iets anders.Dikwijls zeide hij: „Er is een dapperheid van den priester, evenals er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar,” liet hij er op volgen, „de onze moet rustig zijn.”
Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne kwamen.
De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.
Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan de zieken in het hospitaal. „Ik betaal mijn tienden,” zeide hij.
Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn „wintersalon.”
In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.
Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het geld aangenomen en aan de armen gegeven. „Het fraaiste altaar,” zeide hij dan, „is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt.”
Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneerhij bij toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken van zijn huisraad beroofd.
Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door in den tuin te wandelen.
In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam.
Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij ’t in vijf jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?
Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur; een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur stond een tafel, waarop een inktkoker, en dieverder beladen was met verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer.
Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er deze portretten gevonden en ze laten hangen. ’t Waren priesters, vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.
Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof, welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.
Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met kalk gewit.
In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor ’t overige onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende, dat dit den armen niets onthield.
’t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen gelijk hij was, moetenwij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had, dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten.
Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel.
In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed, een kastje, waarin Magloire ’s avonds de zes zilveren vorken en lepels en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in ’t slot steken.
De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden, die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin, langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs gezegd: „Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te trekken, is dit toch een nutteloos bed. ’t Ware beter, dat er salade op groeide, dan bloemen.”—„Gij vergist u, Magloire,” had de bisschop geantwoord, „het schoone is even nuttig als het nuttige.” En na eenig zwijgen voegde hij er bij: „Misschien nog nuttiger!”
Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor ’t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; en zonder aan de achting voor beiden ooit in ’t minst te kort te doen, begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden blikken gieter.
Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die, zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In den beginnehad deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust, maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven: „Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen.”
In een ander boek, getiteld:Philosophie de la science médicale, had hij deze kantteekening geschreven: „Ben ik geen geneesheer, evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zijhunzieken noemen; en dan demijne, welke ik de ongelukkigen noem.”
Elders had hij geschreven: „Vraag niet naar den naam van dengene, die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats noodig heeft, is de naam een lastig ding!”
Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke—ik weet niet of ’t de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was—hem op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen, door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten ernst op den schouder, zeggende: „Zoo de Heer het huis niet bewaakt, waken de wachters vergeefs.”
Daarop sprak hij van iets anders.
Dikwijls zeide hij: „Er is een dapperheid van den priester, evenals er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar,” liet hij er op volgen, „de onze moet rustig zijn.”
Zevende hoofdstuk.Cravatte.Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over ’t hoofd mogen zien; want ’t behoort tot dezulken, die het best aantoonen, welk een man de bisschop van D. was.Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers, Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de rest der bende van GaspardBès in het graafschap Nizza schuil, ging vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk, in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l’Aigle, en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette naar de gehuchten en dorpen.Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld.„Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan,” antwoordde de bisschop.„Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?” hernam de maire.„Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen een uur vertrek.”„Ge wilt vertrekken?”„Ja.”„Alleen?”„Alleen.”„Dat zult ge niet doen, Monseigneur!”„In het gebergte,” hernam de bisschop, „ligt een zeer kleine gemeente, welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden, vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden, behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met zes gaten. ’t Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?”„Maar de roovers, Monseigneur?”„Ja,” zei de bisschop, „ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren.”„Maar, Monseigneur, ’t is een rooverbende, een troep wolven!”„Mijnheer de maire, ’t is misschien juist van dezen troep, dat Jezus mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?”„Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur.”„Ik heb niets.”„Zij zullen u vermoorden.”„Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou ’t hun baten?”„O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!”„Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen.”„Ga niet, Monseigneur. In ’s hemels naam! gij waagt uw leven!”„Is het anders niet, Mijnheer de maire?” zei de bisschop. „Ik ben niet in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden.”Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij zijn „vrienden” de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte, verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor zijn vertrek wilde hij een plechtigTe Deumhouden. Hij sprak er met den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen.„Om ’t even,” zei de bisschop, „kondig maar het Te Deum van den kansel af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken.”Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden stonden geschreven:Cravatte aan Monseigneur Bienvenu.„Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!” zei de bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: „wie zich met het koorhemd van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk koorkleed.”„Monseigneur,” mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend, „God—of de duivel?”De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: „God!”Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij zeide tot zijn zuster: „Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis.”Nog zeide hij des avonds vóór ’t naar bed gaan: „vreezen wij nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven; de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij alleen denken aan ’t geen onze ziel bedreigt.”En zich tot zijn zuster wendende: „Lieve zuster, de priester mag nooit voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet,veroorlooftGod. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder niet om onzenthalve in zonde vervalle.”Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.Wat van „den schat” der kerk van Embrun werd, men zou ons in verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. ’t Waren gewis zeer schoone, verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: „’t is de vraag, of het aan de hoofdkerk terug of aan ’t gasthuis gegeven worden moet!”
Zevende hoofdstuk.Cravatte.
Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over ’t hoofd mogen zien; want ’t behoort tot dezulken, die het best aantoonen, welk een man de bisschop van D. was.Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers, Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de rest der bende van GaspardBès in het graafschap Nizza schuil, ging vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk, in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l’Aigle, en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette naar de gehuchten en dorpen.Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld.„Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan,” antwoordde de bisschop.„Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?” hernam de maire.„Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen een uur vertrek.”„Ge wilt vertrekken?”„Ja.”„Alleen?”„Alleen.”„Dat zult ge niet doen, Monseigneur!”„In het gebergte,” hernam de bisschop, „ligt een zeer kleine gemeente, welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden, vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden, behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met zes gaten. ’t Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?”„Maar de roovers, Monseigneur?”„Ja,” zei de bisschop, „ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren.”„Maar, Monseigneur, ’t is een rooverbende, een troep wolven!”„Mijnheer de maire, ’t is misschien juist van dezen troep, dat Jezus mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?”„Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur.”„Ik heb niets.”„Zij zullen u vermoorden.”„Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou ’t hun baten?”„O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!”„Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen.”„Ga niet, Monseigneur. In ’s hemels naam! gij waagt uw leven!”„Is het anders niet, Mijnheer de maire?” zei de bisschop. „Ik ben niet in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden.”Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij zijn „vrienden” de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte, verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor zijn vertrek wilde hij een plechtigTe Deumhouden. Hij sprak er met den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen.„Om ’t even,” zei de bisschop, „kondig maar het Te Deum van den kansel af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken.”Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden stonden geschreven:Cravatte aan Monseigneur Bienvenu.„Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!” zei de bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: „wie zich met het koorhemd van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk koorkleed.”„Monseigneur,” mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend, „God—of de duivel?”De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: „God!”Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij zeide tot zijn zuster: „Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis.”Nog zeide hij des avonds vóór ’t naar bed gaan: „vreezen wij nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven; de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij alleen denken aan ’t geen onze ziel bedreigt.”En zich tot zijn zuster wendende: „Lieve zuster, de priester mag nooit voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet,veroorlooftGod. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder niet om onzenthalve in zonde vervalle.”Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.Wat van „den schat” der kerk van Embrun werd, men zou ons in verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. ’t Waren gewis zeer schoone, verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: „’t is de vraag, of het aan de hoofdkerk terug of aan ’t gasthuis gegeven worden moet!”
Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over ’t hoofd mogen zien; want ’t behoort tot dezulken, die het best aantoonen, welk een man de bisschop van D. was.
Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers, Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de rest der bende van GaspardBès in het graafschap Nizza schuil, ging vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk, in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l’Aigle, en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette naar de gehuchten en dorpen.
Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld.
„Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan,” antwoordde de bisschop.
„Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?” hernam de maire.
„Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen een uur vertrek.”
„Ge wilt vertrekken?”
„Ja.”
„Alleen?”
„Alleen.”
„Dat zult ge niet doen, Monseigneur!”
„In het gebergte,” hernam de bisschop, „ligt een zeer kleine gemeente, welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden, vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden, behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met zes gaten. ’t Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?”
„Maar de roovers, Monseigneur?”
„Ja,” zei de bisschop, „ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren.”
„Maar, Monseigneur, ’t is een rooverbende, een troep wolven!”
„Mijnheer de maire, ’t is misschien juist van dezen troep, dat Jezus mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?”
„Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur.”
„Ik heb niets.”
„Zij zullen u vermoorden.”
„Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou ’t hun baten?”
„O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!”
„Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen.”
„Ga niet, Monseigneur. In ’s hemels naam! gij waagt uw leven!”
„Is het anders niet, Mijnheer de maire?” zei de bisschop. „Ik ben niet in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden.”
Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.
Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij zijn „vrienden” de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte, verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor zijn vertrek wilde hij een plechtigTe Deumhouden. Hij sprak er met den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen.
„Om ’t even,” zei de bisschop, „kondig maar het Te Deum van den kansel af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken.”
Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.
Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden stonden geschreven:Cravatte aan Monseigneur Bienvenu.
„Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!” zei de bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: „wie zich met het koorhemd van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk koorkleed.”
„Monseigneur,” mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend, „God—of de duivel?”
De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: „God!”
Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij zeide tot zijn zuster: „Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis.”
Nog zeide hij des avonds vóór ’t naar bed gaan: „vreezen wij nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven; de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij alleen denken aan ’t geen onze ziel bedreigt.”
En zich tot zijn zuster wendende: „Lieve zuster, de priester mag nooit voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet,veroorlooftGod. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder niet om onzenthalve in zonde vervalle.”
Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.
Wat van „den schat” der kerk van Embrun werd, men zou ons in verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. ’t Waren gewis zeer schoone, verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: „’t is de vraag, of het aan de hoofdkerk terug of aan ’t gasthuis gegeven worden moet!”
Achtste hoofdstuk.Wijsbegeerte na tafel.De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man, die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen, welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het oneindige en het eeuwige, en over de „hersenschimmen van den goeden bisschop.” Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde.Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf*** (deze senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd deftig was:„Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn eigene wijsbegeerte.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de bisschop. „Naar men zich een wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen bed, mijnheer de senator.”Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:„Laten we verdraagzame lieden zijn.”„Verdraagzame duivels zelfs,” zei de bisschop.„Ik verzeker u,” hernam de senator, „dat de markies d’Argens, Pyrrhon, Hobbes en Naigeon in ’t geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek staan al mijn philosofen verguld op sneê.”„Zooals gij zelf, mijnheer de graaf,” viel de bisschop hem in de rede.De senator ging voort:„Ik haat Diderot; ’t is een idéoloog, een declamator en een revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen hetfiat lux(er zij licht).Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken, die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,’t welk mij plaagt! Leve het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals ’t behoort, beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. ’t Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven, daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige, met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig, opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens te hulp; was ’t niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen der sterrenzijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu wel niet in denMoniteurgaan verkondigen, maar fluister het onder vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. ’t Is beter tand dan gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde.Finis. Algemeene uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men kan, dit is ’t voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede God is goed voor het gepeupel.”De bisschop klapte goedkeurend in de handen.„Dat noem ik spreken!” riep hij. „Dat materialisme is toch een uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat zij, zonder eenig bezwaar,alles mogen aannemen en kunnen verduwen: ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit alles, in ’t graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet ten uwen opzichte, mijnheer de senator; ’t is mij evenwel onmogelijk u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt, een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is.”
Achtste hoofdstuk.Wijsbegeerte na tafel.
De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man, die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen, welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het oneindige en het eeuwige, en over de „hersenschimmen van den goeden bisschop.” Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde.Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf*** (deze senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd deftig was:„Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn eigene wijsbegeerte.”„Ge hebt gelijk,” antwoordde de bisschop. „Naar men zich een wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen bed, mijnheer de senator.”Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:„Laten we verdraagzame lieden zijn.”„Verdraagzame duivels zelfs,” zei de bisschop.„Ik verzeker u,” hernam de senator, „dat de markies d’Argens, Pyrrhon, Hobbes en Naigeon in ’t geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek staan al mijn philosofen verguld op sneê.”„Zooals gij zelf, mijnheer de graaf,” viel de bisschop hem in de rede.De senator ging voort:„Ik haat Diderot; ’t is een idéoloog, een declamator en een revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen hetfiat lux(er zij licht).Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken, die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,’t welk mij plaagt! Leve het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals ’t behoort, beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. ’t Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven, daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige, met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig, opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens te hulp; was ’t niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen der sterrenzijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu wel niet in denMoniteurgaan verkondigen, maar fluister het onder vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. ’t Is beter tand dan gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde.Finis. Algemeene uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men kan, dit is ’t voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede God is goed voor het gepeupel.”De bisschop klapte goedkeurend in de handen.„Dat noem ik spreken!” riep hij. „Dat materialisme is toch een uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat zij, zonder eenig bezwaar,alles mogen aannemen en kunnen verduwen: ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit alles, in ’t graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet ten uwen opzichte, mijnheer de senator; ’t is mij evenwel onmogelijk u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt, een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is.”
De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man, die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen, welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het oneindige en het eeuwige, en over de „hersenschimmen van den goeden bisschop.” Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde.
Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf*** (deze senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd deftig was:
„Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn eigene wijsbegeerte.”
„Ge hebt gelijk,” antwoordde de bisschop. „Naar men zich een wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen bed, mijnheer de senator.”
Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:
„Laten we verdraagzame lieden zijn.”
„Verdraagzame duivels zelfs,” zei de bisschop.
„Ik verzeker u,” hernam de senator, „dat de markies d’Argens, Pyrrhon, Hobbes en Naigeon in ’t geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek staan al mijn philosofen verguld op sneê.”
„Zooals gij zelf, mijnheer de graaf,” viel de bisschop hem in de rede.
De senator ging voort:
„Ik haat Diderot; ’t is een idéoloog, een declamator en een revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen hetfiat lux(er zij licht).Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken, die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,’t welk mij plaagt! Leve het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals ’t behoort, beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. ’t Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven, daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige, met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig, opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens te hulp; was ’t niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen der sterrenzijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu wel niet in denMoniteurgaan verkondigen, maar fluister het onder vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. ’t Is beter tand dan gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde.Finis. Algemeene uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men kan, dit is ’t voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede God is goed voor het gepeupel.”
De bisschop klapte goedkeurend in de handen.
„Dat noem ik spreken!” riep hij. „Dat materialisme is toch een uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat zij, zonder eenig bezwaar,alles mogen aannemen en kunnen verduwen: ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit alles, in ’t graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet ten uwen opzichte, mijnheer de senator; ’t is mij evenwel onmogelijk u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt, een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is.”
Negende hoofdstuk.De broeder door de zuster geschilderd.Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen, gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron, een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.Digne, 16 December 18..„Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest mijnkamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar ’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.„Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven duizenden!„Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des nachts. Dit noemt hijzijndapperheid.„Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.„Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.„Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem gebracht hadden.„Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelenvan ’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.„In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.„Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.„Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.„Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.„Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.„Baptistine.”„P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de knieën?—’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!”Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn zacht en kalm voorkomen, ’t welk zich nooit verloochende, verrichtte de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen, zonder dat hij ’t zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking; doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel woord of gebaar, in ’t geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij ’t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde; dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook—ik zeg niet zijn gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem waakten. Zij vertrouwden hem aan God.Voor ’t overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er van overtuigd.
Negende hoofdstuk.De broeder door de zuster geschilderd.
Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen, gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron, een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.Digne, 16 December 18..„Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest mijnkamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar ’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.„Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven duizenden!„Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des nachts. Dit noemt hijzijndapperheid.„Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.„Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.„Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem gebracht hadden.„Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelenvan ’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.„In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.„Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.„Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.„Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.„Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.„Baptistine.”„P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de knieën?—’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!”Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn zacht en kalm voorkomen, ’t welk zich nooit verloochende, verrichtte de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen, zonder dat hij ’t zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking; doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel woord of gebaar, in ’t geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij ’t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde; dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook—ik zeg niet zijn gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem waakten. Zij vertrouwden hem aan God.Voor ’t overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er van overtuigd.
Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen, gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron, een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.
Digne, 16 December 18..„Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest mijnkamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar ’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.„Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven duizenden!„Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des nachts. Dit noemt hijzijndapperheid.„Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.„Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.„Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem gebracht hadden.„Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelenvan ’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.„In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.„Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.„Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.„Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.„Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.„Baptistine.”„P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de knieën?—’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!”
Digne, 16 December 18..
„Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest mijnkamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar ’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.
„Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven duizenden!
„Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des nachts. Dit noemt hijzijndapperheid.
„Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.
„Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.
„Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem gebracht hadden.
„Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelenvan ’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.
„In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.
„Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.
„Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.
„Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.
„Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.
„Baptistine.”
„P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de knieën?—’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!”
Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn zacht en kalm voorkomen, ’t welk zich nooit verloochende, verrichtte de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen, zonder dat hij ’t zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking; doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel woord of gebaar, in ’t geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij ’t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde; dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook—ik zeg niet zijn gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem waakten. Zij vertrouwden hem aan God.
Voor ’t overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er van overtuigd.
Tiende hoofdstuk.De bisschop tegenover een onbekend licht.Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad, nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich de roovers ophielden.Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze man,—om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen—was een voormalig lid der conventie. Hij heette G.In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men alle rangen ophief en elkander eenvoudig „burger” noemde. Deze man was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings gestemd, maar ’t scheelde niet veel. Hij was dus half en half een koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;—er moet immers barmhartigheid zijn?—maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over den gier.Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in Frankrijk mogen blijven.Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, was het pad, ’t welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, zeggende: „Daar woont een verlaten ziel!” En in gedachten voegde hij er bij: „ik ben hem een bezoek schuldig.”Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, ’t welk aan haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd houden? Neen. Maar welk een schaap!De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan weder terugblijven.Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaarop sterven lag, en hij den nacht niet zou doorkomen.—Goddank! zeiden sommigen.De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol.’t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een wijnstok langs den voorgevel.Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer, een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende.Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude een kom melk toereikte.Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: „Ik dank u, ik heb niets meer noodig.” En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar den knaap te richten.De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.„Sinds ik hier ben,” zeide hij, „is dit de eerste maal dat iemand mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?”De bisschop antwoordde:„Ik heet Bienvenu Myriel.”„Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen, wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?”„Die ben ik.”Half glimlachend hernam de grijsaard:„Dan zijt gij mijn bisschop.”„Zoo gij wilt!”„Ga binnen, mijnheer.”Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze nam ze niet aan, hij zeide slechts:„Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij schijnt in geenen deele ziek!”„Ik zal gezond worden, mijnheer,” antwoordde de grijsaard; en na een poos voegde hij er bij: „Binnen drie uren sterf ik.Ik ben eenigszins een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is ’t gedaan. ’t Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot mij spreken, ’t vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende te komen bezoeken. ’t Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren overblijven. Het zal nacht zijn. ’t Is trouwens om ’t even. Sterven is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven.”De grijsaard wendde zich tot den herder:„Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt vermoeid.”De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, als tot zich zelven sprekende:„Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die van het leven zullen goede buren zijn.”De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te zeggen—want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten evenzeer als het overige aangewezen worden—hij, die zoo dikwijls om het „Hoogwaarde heer” lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat hij niet „Monseigneur” werd genoemd, en was bijna in verzoeking met „burger” te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt; maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een lust tot strengheid bij den bisschop op.Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer past wanneer men op ’t punt is, van tot stof weder te keeren.De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der conventiekwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten de wet der liefde te staan.G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel, zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven vleesch, van onder marmer was.De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen, zonder inleiding, op den toon der berisping:„Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings gestemd heb.”Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet op te merken, die in het woord „ten minste” lag opgesloten. Maar de glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.„Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, wantik hebvoor den dood van den tiran gestemd,” antwoordde hij ongevoelig op de stem der strengheid.„Wat bedoelt ge hiermede?” hernam de bisschop.„Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in ’t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden.”„En door het geweten,” voegde de bisschop er bij.„Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap, die in ons is.”Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor hem nieuwe taal.De oude man vervolgde:„Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voelmij verplicht het kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van het menschelijk geslacht gestort werd.”„Een gemengd geluk,” zei de bisschop.„Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen staat niet meer, schoon de wind er nog is.”„Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het afbreken, wanneer het in toorn geschiedt.”„Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om ’t even, en wat men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft—een onvolledige stap misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de wijding der menschheid.”De bisschop kon niet nalaten te prevelen: „Zoo, en 93?”Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht op zijn stoel, en zeide zoo luid als ’t een stervende vermag:„Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte zij los. Gij beschuldigt het onweder.”De bisschop voelde, misschien zonder ’t zich zelven te bekennen, dat iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde:„De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt in naam der ontferming, welke niets anders is daneen hoogere gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk XVII?” voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende.De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des bisschops. „Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche—een onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de broeder van Cartouche was—niet minder beklagenswaard dan de kleinzoon van Lodewijk XV,—insgelijks een onschuldig kind, dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.„Mijnheer,” riep de bisschop, „zulk een bijeenvoeging van namen bevalt mij niet.”„Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht geschiedt?”Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier, dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge wijze aangedaan.Het lid der conventie hernam:„Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der waarheid. Wanneer hij zeide: „Laat de kinderen tot mij komen!” maakte hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is even verheven in lompen als met het leliewapen!”„Gewis,” zei de bisschop zacht.„Dit is niet alles,” hernam G. „Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen, alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij hooger opklimmen dan tot 93, en ’t is vóór den tijd van Lodewijk XVII, dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent.”„Ik beween allen,” zei de bisschop.„Ik evenzeer,” riep G. „Zoo de balans mocht overhellen, is ’t naar de zijde des volks. Het lijdt het langst.”Wederom ontstond een pauze. ’t Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den doodsstrijd zijn blik op den bisschop. ’t Was schier een uitbarsting, waarmede hij vervolgde:„Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. ’t Is waar, uw naam is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,—de bisschop van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 fr.—met koks en livreibedienden,—een dier mannen, die in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?”De bisschop boog het hoofd en antwoordde: „Vermis sum.” (ik ben een worm.)„Een worm in een koets!” bromde het oud lid der conventie.’t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig te zijn.De bisschop antwoordde vriendelijk:„’t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets,die ginds achter ’t geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest.”Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om er een wolk van te verdrijven.„Eer ik u antwoord,” sprak hij, „verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken.”„Ik dank u,” zei de bisschop.G. hernam: „Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij gevraagd hebt. Hoe was ’t ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig was geweest?”„Ja, onbarmhartig,” zei de bisschop. „Wat denkt ge van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?”„Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades eenTe Deumzong?”Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. Hij vervolgde:„Ik wil nog enkele woorden over ’t een en ander zeggen. Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als ’t u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaagook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,—en bovendien—de dood nadert.”En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte met deze weinige, kalme woorden:„Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is vooruitgegaan.”De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die schier even norsch waren als de aanvang van ’t gesprek:„De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het menschelijk geslacht.”De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot zich zelf:„O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!”De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:„Het oneindige bestaat. ’t Is daar! Zoo het oneindige geenIKhad, zou hetIKzijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: ’t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus eenIK. DatIKvan het oneindige, is God.”De stervende had deze laatste woorden met luide stem en metde trilling der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:„Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?”De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde zich op zijn gelaat.„Mijnheer de bisschop,” sprak hij met een langzaamheid, die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, „ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijnlandmij riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straatl’Arbre-Secvoor twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. ’t Is waar, ik heb het kleed van ’t altaar gescheurd, maar ’t was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling,en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig jaar, en op ’t punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?”„Uw zegen,” zei de bisschop.En hij knielde.Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te spreken, wees hij slechts naar den hemel.Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid voor de geringen en lijdenden.Telkens wanneer op den „ouden booswicht G.” eenige toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.Dit „herderlijk bezoek” werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats:„Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om een ziel door den duivel te zien weghalen.”Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke zich geestig waant, tot hem:„Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult opzetten.”—„O,” antwoordde de bisschop, „dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een hoed vereeren.”
Tiende hoofdstuk.De bisschop tegenover een onbekend licht.
Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad, nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich de roovers ophielden.Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze man,—om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen—was een voormalig lid der conventie. Hij heette G.In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men alle rangen ophief en elkander eenvoudig „burger” noemde. Deze man was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings gestemd, maar ’t scheelde niet veel. Hij was dus half en half een koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;—er moet immers barmhartigheid zijn?—maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over den gier.Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in Frankrijk mogen blijven.Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, was het pad, ’t welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, zeggende: „Daar woont een verlaten ziel!” En in gedachten voegde hij er bij: „ik ben hem een bezoek schuldig.”Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, ’t welk aan haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd houden? Neen. Maar welk een schaap!De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan weder terugblijven.Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaarop sterven lag, en hij den nacht niet zou doorkomen.—Goddank! zeiden sommigen.De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol.’t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een wijnstok langs den voorgevel.Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer, een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende.Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude een kom melk toereikte.Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: „Ik dank u, ik heb niets meer noodig.” En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar den knaap te richten.De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.„Sinds ik hier ben,” zeide hij, „is dit de eerste maal dat iemand mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?”De bisschop antwoordde:„Ik heet Bienvenu Myriel.”„Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen, wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?”„Die ben ik.”Half glimlachend hernam de grijsaard:„Dan zijt gij mijn bisschop.”„Zoo gij wilt!”„Ga binnen, mijnheer.”Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze nam ze niet aan, hij zeide slechts:„Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij schijnt in geenen deele ziek!”„Ik zal gezond worden, mijnheer,” antwoordde de grijsaard; en na een poos voegde hij er bij: „Binnen drie uren sterf ik.Ik ben eenigszins een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is ’t gedaan. ’t Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot mij spreken, ’t vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende te komen bezoeken. ’t Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren overblijven. Het zal nacht zijn. ’t Is trouwens om ’t even. Sterven is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven.”De grijsaard wendde zich tot den herder:„Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt vermoeid.”De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, als tot zich zelven sprekende:„Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die van het leven zullen goede buren zijn.”De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te zeggen—want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten evenzeer als het overige aangewezen worden—hij, die zoo dikwijls om het „Hoogwaarde heer” lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat hij niet „Monseigneur” werd genoemd, en was bijna in verzoeking met „burger” te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt; maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een lust tot strengheid bij den bisschop op.Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer past wanneer men op ’t punt is, van tot stof weder te keeren.De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der conventiekwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten de wet der liefde te staan.G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel, zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven vleesch, van onder marmer was.De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen, zonder inleiding, op den toon der berisping:„Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings gestemd heb.”Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet op te merken, die in het woord „ten minste” lag opgesloten. Maar de glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.„Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, wantik hebvoor den dood van den tiran gestemd,” antwoordde hij ongevoelig op de stem der strengheid.„Wat bedoelt ge hiermede?” hernam de bisschop.„Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in ’t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden.”„En door het geweten,” voegde de bisschop er bij.„Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap, die in ons is.”Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor hem nieuwe taal.De oude man vervolgde:„Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voelmij verplicht het kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van het menschelijk geslacht gestort werd.”„Een gemengd geluk,” zei de bisschop.„Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen staat niet meer, schoon de wind er nog is.”„Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het afbreken, wanneer het in toorn geschiedt.”„Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om ’t even, en wat men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft—een onvolledige stap misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de wijding der menschheid.”De bisschop kon niet nalaten te prevelen: „Zoo, en 93?”Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht op zijn stoel, en zeide zoo luid als ’t een stervende vermag:„Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte zij los. Gij beschuldigt het onweder.”De bisschop voelde, misschien zonder ’t zich zelven te bekennen, dat iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde:„De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt in naam der ontferming, welke niets anders is daneen hoogere gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk XVII?” voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende.De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des bisschops. „Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche—een onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de broeder van Cartouche was—niet minder beklagenswaard dan de kleinzoon van Lodewijk XV,—insgelijks een onschuldig kind, dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.„Mijnheer,” riep de bisschop, „zulk een bijeenvoeging van namen bevalt mij niet.”„Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht geschiedt?”Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier, dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge wijze aangedaan.Het lid der conventie hernam:„Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der waarheid. Wanneer hij zeide: „Laat de kinderen tot mij komen!” maakte hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is even verheven in lompen als met het leliewapen!”„Gewis,” zei de bisschop zacht.„Dit is niet alles,” hernam G. „Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen, alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij hooger opklimmen dan tot 93, en ’t is vóór den tijd van Lodewijk XVII, dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent.”„Ik beween allen,” zei de bisschop.„Ik evenzeer,” riep G. „Zoo de balans mocht overhellen, is ’t naar de zijde des volks. Het lijdt het langst.”Wederom ontstond een pauze. ’t Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den doodsstrijd zijn blik op den bisschop. ’t Was schier een uitbarsting, waarmede hij vervolgde:„Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. ’t Is waar, uw naam is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,—de bisschop van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 fr.—met koks en livreibedienden,—een dier mannen, die in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?”De bisschop boog het hoofd en antwoordde: „Vermis sum.” (ik ben een worm.)„Een worm in een koets!” bromde het oud lid der conventie.’t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig te zijn.De bisschop antwoordde vriendelijk:„’t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets,die ginds achter ’t geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest.”Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om er een wolk van te verdrijven.„Eer ik u antwoord,” sprak hij, „verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken.”„Ik dank u,” zei de bisschop.G. hernam: „Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij gevraagd hebt. Hoe was ’t ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig was geweest?”„Ja, onbarmhartig,” zei de bisschop. „Wat denkt ge van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?”„Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades eenTe Deumzong?”Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. Hij vervolgde:„Ik wil nog enkele woorden over ’t een en ander zeggen. Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als ’t u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaagook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,—en bovendien—de dood nadert.”En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte met deze weinige, kalme woorden:„Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is vooruitgegaan.”De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die schier even norsch waren als de aanvang van ’t gesprek:„De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het menschelijk geslacht.”De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot zich zelf:„O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!”De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:„Het oneindige bestaat. ’t Is daar! Zoo het oneindige geenIKhad, zou hetIKzijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: ’t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus eenIK. DatIKvan het oneindige, is God.”De stervende had deze laatste woorden met luide stem en metde trilling der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:„Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?”De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde zich op zijn gelaat.„Mijnheer de bisschop,” sprak hij met een langzaamheid, die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, „ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijnlandmij riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straatl’Arbre-Secvoor twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. ’t Is waar, ik heb het kleed van ’t altaar gescheurd, maar ’t was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling,en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig jaar, en op ’t punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?”„Uw zegen,” zei de bisschop.En hij knielde.Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te spreken, wees hij slechts naar den hemel.Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid voor de geringen en lijdenden.Telkens wanneer op den „ouden booswicht G.” eenige toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.Dit „herderlijk bezoek” werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats:„Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om een ziel door den duivel te zien weghalen.”Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke zich geestig waant, tot hem:„Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult opzetten.”—„O,” antwoordde de bisschop, „dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een hoed vereeren.”
Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad, nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich de roovers ophielden.
Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze man,—om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen—was een voormalig lid der conventie. Hij heette G.
In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men alle rangen ophief en elkander eenvoudig „burger” noemde. Deze man was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings gestemd, maar ’t scheelde niet veel. Hij was dus half en half een koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;—er moet immers barmhartigheid zijn?—maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over den gier.
Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in Frankrijk mogen blijven.
Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, was het pad, ’t welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.
De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, zeggende: „Daar woont een verlaten ziel!” En in gedachten voegde hij er bij: „ik ben hem een bezoek schuldig.”
Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, ’t welk aan haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.
Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd houden? Neen. Maar welk een schaap!
De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan weder terugblijven.
Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaarop sterven lag, en hij den nacht niet zou doorkomen.—Goddank! zeiden sommigen.
De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.
De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol.
’t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een wijnstok langs den voorgevel.
Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer, een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende.
Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude een kom melk toereikte.
Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: „Ik dank u, ik heb niets meer noodig.” En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar den knaap te richten.
De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.
„Sinds ik hier ben,” zeide hij, „is dit de eerste maal dat iemand mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?”
De bisschop antwoordde:
„Ik heet Bienvenu Myriel.”
„Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen, wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?”
„Die ben ik.”
Half glimlachend hernam de grijsaard:
„Dan zijt gij mijn bisschop.”
„Zoo gij wilt!”
„Ga binnen, mijnheer.”
Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze nam ze niet aan, hij zeide slechts:
„Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij schijnt in geenen deele ziek!”
„Ik zal gezond worden, mijnheer,” antwoordde de grijsaard; en na een poos voegde hij er bij: „Binnen drie uren sterf ik.Ik ben eenigszins een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is ’t gedaan. ’t Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot mij spreken, ’t vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende te komen bezoeken. ’t Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren overblijven. Het zal nacht zijn. ’t Is trouwens om ’t even. Sterven is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven.”
De grijsaard wendde zich tot den herder:
„Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt vermoeid.”
De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, als tot zich zelven sprekende:
„Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die van het leven zullen goede buren zijn.”
De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te zeggen—want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten evenzeer als het overige aangewezen worden—hij, die zoo dikwijls om het „Hoogwaarde heer” lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat hij niet „Monseigneur” werd genoemd, en was bijna in verzoeking met „burger” te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt; maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een lust tot strengheid bij den bisschop op.
Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer past wanneer men op ’t punt is, van tot stof weder te keeren.
De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der conventiekwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten de wet der liefde te staan.
G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel, zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven vleesch, van onder marmer was.
De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen, zonder inleiding, op den toon der berisping:
„Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings gestemd heb.”
Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet op te merken, die in het woord „ten minste” lag opgesloten. Maar de glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.
„Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, wantik hebvoor den dood van den tiran gestemd,” antwoordde hij ongevoelig op de stem der strengheid.
„Wat bedoelt ge hiermede?” hernam de bisschop.
„Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in ’t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden.”
„En door het geweten,” voegde de bisschop er bij.
„Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap, die in ons is.”
Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor hem nieuwe taal.
De oude man vervolgde:
„Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voelmij verplicht het kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van het menschelijk geslacht gestort werd.”
„Een gemengd geluk,” zei de bisschop.
„Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen staat niet meer, schoon de wind er nog is.”
„Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het afbreken, wanneer het in toorn geschiedt.”
„Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om ’t even, en wat men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft—een onvolledige stap misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de wijding der menschheid.”
De bisschop kon niet nalaten te prevelen: „Zoo, en 93?”
Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht op zijn stoel, en zeide zoo luid als ’t een stervende vermag:
„Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte zij los. Gij beschuldigt het onweder.”
De bisschop voelde, misschien zonder ’t zich zelven te bekennen, dat iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde:
„De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt in naam der ontferming, welke niets anders is daneen hoogere gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk XVII?” voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende.
De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des bisschops. „Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche—een onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de broeder van Cartouche was—niet minder beklagenswaard dan de kleinzoon van Lodewijk XV,—insgelijks een onschuldig kind, dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.
„Mijnheer,” riep de bisschop, „zulk een bijeenvoeging van namen bevalt mij niet.”
„Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht geschiedt?”
Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier, dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge wijze aangedaan.
Het lid der conventie hernam:
„Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der waarheid. Wanneer hij zeide: „Laat de kinderen tot mij komen!” maakte hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is even verheven in lompen als met het leliewapen!”
„Gewis,” zei de bisschop zacht.
„Dit is niet alles,” hernam G. „Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen, alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij hooger opklimmen dan tot 93, en ’t is vóór den tijd van Lodewijk XVII, dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent.”
„Ik beween allen,” zei de bisschop.
„Ik evenzeer,” riep G. „Zoo de balans mocht overhellen, is ’t naar de zijde des volks. Het lijdt het langst.”
Wederom ontstond een pauze. ’t Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den doodsstrijd zijn blik op den bisschop. ’t Was schier een uitbarsting, waarmede hij vervolgde:
„Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. ’t Is waar, uw naam is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,—de bisschop van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 fr.—met koks en livreibedienden,—een dier mannen, die in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?”
De bisschop boog het hoofd en antwoordde: „Vermis sum.” (ik ben een worm.)
„Een worm in een koets!” bromde het oud lid der conventie.
’t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig te zijn.
De bisschop antwoordde vriendelijk:
„’t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets,die ginds achter ’t geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest.”
Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om er een wolk van te verdrijven.
„Eer ik u antwoord,” sprak hij, „verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken.”
„Ik dank u,” zei de bisschop.
G. hernam: „Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij gevraagd hebt. Hoe was ’t ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig was geweest?”
„Ja, onbarmhartig,” zei de bisschop. „Wat denkt ge van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?”
„Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades eenTe Deumzong?”
Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.
Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. Hij vervolgde:
„Ik wil nog enkele woorden over ’t een en ander zeggen. Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als ’t u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaagook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,—en bovendien—de dood nadert.”
En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte met deze weinige, kalme woorden:
„Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is vooruitgegaan.”
De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die schier even norsch waren als de aanvang van ’t gesprek:
„De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het menschelijk geslacht.”
De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot zich zelf:
„O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!”
De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:
„Het oneindige bestaat. ’t Is daar! Zoo het oneindige geenIKhad, zou hetIKzijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: ’t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus eenIK. DatIKvan het oneindige, is God.”
De stervende had deze laatste woorden met luide stem en metde trilling der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.
De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:
„Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?”
De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde zich op zijn gelaat.
„Mijnheer de bisschop,” sprak hij met een langzaamheid, die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, „ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijnlandmij riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straatl’Arbre-Secvoor twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. ’t Is waar, ik heb het kleed van ’t altaar gescheurd, maar ’t was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling,en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig jaar, en op ’t punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?”
„Uw zegen,” zei de bisschop.
En hij knielde.
Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.
Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te spreken, wees hij slechts naar den hemel.
Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid voor de geringen en lijdenden.
Telkens wanneer op den „ouden booswicht G.” eenige toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.
Dit „herderlijk bezoek” werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats:
„Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om een ziel door den duivel te zien weghalen.”
Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke zich geestig waant, tot hem:
„Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult opzetten.”—„O,” antwoordde de bisschop, „dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een hoed vereeren.”