Boek I.

Boek I.Waterloo.Eerste hoofdstuk.Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt.Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten kerktoren van Braine-l’Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift:Ancienne barrièreNo. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde, over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l’Alleud uit. Dáár, ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken, een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet, waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning, in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de eeuw te zijn gekomen, die in een spitselaag van overdwars gelegde steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste klopper bevond.De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom vroolijk te kwinkeleeren.De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.„Een Fransche kogel heeft dat gedaan,” zeide zij.En zij voegde er bij:„Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord.”„Hoe heet deze plaats?” vroeg de wandelaar.„Hougomont,” zei de boerin.De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.Hij was op het slagveld van Waterloo.Tweede hoofdstuk.Hougomont.Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis, de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den slag der bijl.’t Was een kasteel; ’t is nu niet meer dan een hoeve. Voor den oudheidkenner is HougomontHugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo, heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij van Villers stichtte.De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in ’t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV, door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje, een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de plaats, welker verovering eens Napoleon’s droom was. Zoo hij dit plekje gronds had kunnen nemen, zou ’t hem misschien de overwinning der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort een gegrom; ’t is een groote hond, die de tanden toont en er de Engelschen vervangt.De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd aan de woede van een leger.De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden, vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog aan den muur. ’t Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd, die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan ’t einde van het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. ’t Is een gewone wagenpoort,zooals alle hoeven hebben; twee breede slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel heeft er zich versteend; ’t leeft, ’t sterft, ’t is niet ouder dan gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen, de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen te willen vluchten.Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren, boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen aan en staken ’t gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd met houtvuur beantwoord.Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters, de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. ’t Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig, is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten steenen muur. Deze kapel bestaatuit vier, met kalk gewitte muren; een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van het oord zeggen, dat ’t een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is zoo gelukkig niet geweest als de Christus.De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest men den naam:Henquinez. Voorts deze:Conde de Rio Maïor. Marques y Marquesa de Almagro (Habana).Er zijn Fransche namen met uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw gewit. De volken beleedigden er elkander op.Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het dichtste hout sidderend bivouakkeerden.Willem van Kylsom woonde te Hougomont „om het kasteel te bewaken” en verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem bracht hun water, ’t welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar hunlaatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den dood gingen, moest insgelijks sterven.Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde, flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.De put staat afgezonderd op ’t midden van het plein. Drie muren, half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een tochtscherm, hadden eenigszins ’t voorkomen van een torentje en omgeven den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering, waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en ’t oog verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende, dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om ’t water uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met grijs haar zeide ons: „Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder na en riepbom bom.”Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den boomgaard.Deze boomgaard is verschrikkelijk.Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit driebedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,envol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. ’t Was vroeger een slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging; thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen, die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes voltigeurs van het 1eregiment binnendrongen, zoodat zij er niet weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan een kwartier.Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker tijd hun vuur, een stortregen vankogels en schroot; de brigade-Soye werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders, maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. EenbataljonNassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht, als geheel afgeknaagd.Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl de voet in een molshoop zinkt. In ’t midden van ’t gras ziet men een ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeienviooltjes.Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden, een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;—en dit alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: „Mijnheer, geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo uitleggen.”Derde hoofdstuk.De 18 Juni 1815.Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou Europa’s toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd was om met de artillerie te kunnen manœuvreeren.Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré’s overhoop te werpen, regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en gewonnen zijn geweest.In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuldvan Napoleon geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich aan de blijkbare afneming van Napoleon’s lichaamskrachten destijds een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede, om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen door den wind van een ongunstig lot? Werd hij—wat voor een veldheer hoogst noodlottig is—ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale; de Dante’s en Michel Angelo’s nemen in den ouderdom toe; nemen de Hannibal’s en Bonaparte’s er door af? Had Napoleon den rechten zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen, den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud, door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?Wij gelooven het niet.Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden, de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen, Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee werpen; dit alles lag in Napoleon’s doel van dezen veldslag. Vervolgens zou men zien.’t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door Charras. Wij laten beide geschiedschrijversde zaak uitmaken; wij zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet, ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten, waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde, wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.Vierde hoofdstuk.A.Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain naar Braine-l’Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance; daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In ’t midden van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs de wegen van Genappe en Nivelles; d’Erlon stond tegenover Picton; Reille tegenover Hill.Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is het bosch van Soignes.Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij omvatten elkander en de een poogt den ander tedoen vallen. Men klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond, een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche leger beneden.’t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder hem in ’t oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N’s en arenden, de rijlaarzen over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,—deze geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding, door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier haar licht aangebracht.Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene de andere bestrijdt en terechtstelt—de duisternis van den despoot in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. ’t Is een rampvoor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn gestalte heeft.Vijfde hoofdstuk.Het „duistere iets” der veldslagen.Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward, onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt; in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging, voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden, om ’t nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. ’t Was niet meer de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was, zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich, dat het vijf minuten over half twaalf was.Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel, die op Papelotte steunde.De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel, er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden, zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen, zich kon bepalentot er ter versterking vier andere compagnieën der garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot Hougomont, van daar tot Braine-l’Alleud en verder tot Hal terug te drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten, gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd bemachtigd.Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie, voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.In dezen dag, van ’s middags af tot vier uur toe, ligt een duister tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen, een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen, over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten, huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako’s met vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen, in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd.Quid obscurum, quid divinum.Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg, onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het plan vanden eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er was iets: zoek, en ’t is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst, die, om Napoleon’s eigen woorden te gebruiken, „veeleer tot de geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren.” In zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven, en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op Waterloo van toepassing.Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag duidelijker.Zesde hoofdstuk.Des namiddags te vier uren.Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel, Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins van Oranje den Hollanders-Belgen toe: „Nassau! Brunswijk! nimmer terug!” Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de Engelschen den Franschen het vaandelvan het 105elinie-regiment ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met een kogel door ’t hoofd gedood. Wellington had in den slag twee steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van het Duitschebataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven, Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen, van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine stond, en Chassé, die te Braine-l’Alleud was.Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, ’t welk te dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat, waar beide wegen elkander kruisen. ’t Is een gebouw uit de zestiende eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen, die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaanverkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.’t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend, in het hooge koren.Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintigbataljonste zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse waar thans het zoogenaamde „museum van Waterloo” is, achter aardzakken gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. ’t Was de andere helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby vernietigd was, bleef nog Somerset over.De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het regende kogels. Zijn adjudant Gordonviel aan zijn zijde. Lord Hill vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:—Mylord, welke instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?—„Te doen gelijk ik,” antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch: „Hier blijven tot den laatsten man.”—De dag nam blijkbaar een slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, Vittoria en Salamanca toe: „Boys(jongens)! hoe kan men aan wijken denken? denkt aan Oud-Engeland!”Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte, waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington trok terug.—Het begin van den aftocht! riep Napoleon.Zevende hoofdstuk.Napoleon in goede luim.De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld, was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man, die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts aan God.Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het dat Cesar lachte.Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen, met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon, van Frischemont tot Braine l’Alleud, verlichtten, scheen het hem, dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeftdezen fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen: „Wij zijn het eens.” Napoleon bedroog zich. Zij waren ’t niet eens.Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij had aan Bertrand gezegd: „’t is de Engelsche achterhoede, die zich in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen.” Hij sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, ’t welk hem den 1enMaart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep: „Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!” In den nacht van den 17 op den 18 Juni schertste hij over Wellington.—„Deze kleine Engelschman heeft een les noodig,” zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde, terwijl de keizer sprak.Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den slag afwachtte.—„Des te beter,” had Napoleon geroepen. „Ik werp ze liever overhoop, dan ze achteruit te drijven.”Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid, daarbij tot Soult zeggende: „Een fraai schaakbord!”Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen, die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder ontbijt, ’t geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney te zeggen: „Wijhebben negentig kansen van de honderd.” Te acht uren had men ’s keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, had gezegd: „het bal is vandaag.” De keizer had met Ney geschertst, die zeide:„Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te wachten.” Zoo was overigens zijn gewoonte. „Hij schertste gaarne,” zegt Fleury de Chaboulon. „De grond van zijn karakter was een vroolijke opgewektheid,” zegt Gourgaud. „Hij vloeide over van kwinkslagen, die eer zonderling dan geestig waren,” zegt Benjamin Constant. Deze vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij noemde zijn grenadiers „grombaarden;” hij kneep hen in de ooren, trok hen aan den knevel. „De keizer heeft altijd grappen met ons,” zeide een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik deZephirde brikl’Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg aan denInconstantberichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: „de keizer bevindt zich wel.” Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo, bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan ’t hoofd, met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige, uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!Van negen tot half elf ure had het geheele leger—’t geen schier ongelooflijk schijnt—positie genomen en zich in zes liniën geschaard, die, om ’s keizers uitdrukking te bezigen, „de figuur van zes V’s” vormden.Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht voorafgaat, had de keizer,—toen hij de driebatterijen twaalfponders zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om ’t gevecht te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van Nivelles en Genappe zich kruisen,—Haxo op den schouder geklopt en gezegd: „Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!”Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste korps bij ’t voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden opeengedrongen zag, zeide hij: „Dit is jammer.”Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden, waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren ’s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk; ’t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander wapentuig gevonden.Scabrâ rubigine.Voor eenige jaren heeft men er een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf aan den kogel was afgebroken. ’t Was op dit laatste standpunt, dat de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te verbergen, zeide:—„Domoor, ’t is schande. Gij zult u in den rug laten dooden.” Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing van deze hoogte, bij ’t omwroeten van ’t zand, de overblijfselen van den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen zijn vingers braken.De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten, zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni 1815 waren. Door van dien doodsakker de aardeaf te nemen, die tot oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, riep hij: „Men heeft mijn slagveld veranderd.” Waar thans de groote aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van verre niet kon gezien worden.Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l’Alleud is evenals Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was ’t een holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij ’t binnenkomen van Braine-l’Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een kar verplet werd, ’t geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, waarop de naam van den gedoode:Monsieur Bernard Debrye, marchand à Bruxelles, en de dagteekeningvan het ongeluk,fevrier16371te lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, en daardoor verschrikkelijk.1Het opschrift luidt aldus:D O MCY A ETE ECRASEPAR MALHEURSOUS UN CHARIOTMONSIEUR BERNARDDE BRYE MARCHANDA BRUXELLE LE (onleesbaar)FEBVRIER 1637.

Boek I.Waterloo.Eerste hoofdstuk.Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt.Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten kerktoren van Braine-l’Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift:Ancienne barrièreNo. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde, over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l’Alleud uit. Dáár, ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken, een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet, waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning, in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de eeuw te zijn gekomen, die in een spitselaag van overdwars gelegde steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste klopper bevond.De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom vroolijk te kwinkeleeren.De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.„Een Fransche kogel heeft dat gedaan,” zeide zij.En zij voegde er bij:„Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord.”„Hoe heet deze plaats?” vroeg de wandelaar.„Hougomont,” zei de boerin.De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.Hij was op het slagveld van Waterloo.Tweede hoofdstuk.Hougomont.Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis, de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den slag der bijl.’t Was een kasteel; ’t is nu niet meer dan een hoeve. Voor den oudheidkenner is HougomontHugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo, heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij van Villers stichtte.De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in ’t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV, door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje, een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de plaats, welker verovering eens Napoleon’s droom was. Zoo hij dit plekje gronds had kunnen nemen, zou ’t hem misschien de overwinning der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort een gegrom; ’t is een groote hond, die de tanden toont en er de Engelschen vervangt.De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd aan de woede van een leger.De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden, vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog aan den muur. ’t Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd, die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan ’t einde van het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. ’t Is een gewone wagenpoort,zooals alle hoeven hebben; twee breede slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel heeft er zich versteend; ’t leeft, ’t sterft, ’t is niet ouder dan gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen, de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen te willen vluchten.Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren, boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen aan en staken ’t gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd met houtvuur beantwoord.Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters, de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. ’t Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig, is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten steenen muur. Deze kapel bestaatuit vier, met kalk gewitte muren; een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van het oord zeggen, dat ’t een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is zoo gelukkig niet geweest als de Christus.De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest men den naam:Henquinez. Voorts deze:Conde de Rio Maïor. Marques y Marquesa de Almagro (Habana).Er zijn Fransche namen met uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw gewit. De volken beleedigden er elkander op.Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het dichtste hout sidderend bivouakkeerden.Willem van Kylsom woonde te Hougomont „om het kasteel te bewaken” en verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem bracht hun water, ’t welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar hunlaatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den dood gingen, moest insgelijks sterven.Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde, flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.De put staat afgezonderd op ’t midden van het plein. Drie muren, half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een tochtscherm, hadden eenigszins ’t voorkomen van een torentje en omgeven den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering, waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en ’t oog verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende, dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om ’t water uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met grijs haar zeide ons: „Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder na en riepbom bom.”Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den boomgaard.Deze boomgaard is verschrikkelijk.Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit driebedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,envol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. ’t Was vroeger een slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging; thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen, die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes voltigeurs van het 1eregiment binnendrongen, zoodat zij er niet weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan een kwartier.Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker tijd hun vuur, een stortregen vankogels en schroot; de brigade-Soye werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders, maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. EenbataljonNassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht, als geheel afgeknaagd.Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl de voet in een molshoop zinkt. In ’t midden van ’t gras ziet men een ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeienviooltjes.Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden, een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;—en dit alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: „Mijnheer, geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo uitleggen.”Derde hoofdstuk.De 18 Juni 1815.Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou Europa’s toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd was om met de artillerie te kunnen manœuvreeren.Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré’s overhoop te werpen, regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en gewonnen zijn geweest.In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuldvan Napoleon geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich aan de blijkbare afneming van Napoleon’s lichaamskrachten destijds een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede, om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen door den wind van een ongunstig lot? Werd hij—wat voor een veldheer hoogst noodlottig is—ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale; de Dante’s en Michel Angelo’s nemen in den ouderdom toe; nemen de Hannibal’s en Bonaparte’s er door af? Had Napoleon den rechten zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen, den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud, door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?Wij gelooven het niet.Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden, de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen, Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee werpen; dit alles lag in Napoleon’s doel van dezen veldslag. Vervolgens zou men zien.’t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door Charras. Wij laten beide geschiedschrijversde zaak uitmaken; wij zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet, ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten, waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde, wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.Vierde hoofdstuk.A.Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain naar Braine-l’Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance; daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In ’t midden van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs de wegen van Genappe en Nivelles; d’Erlon stond tegenover Picton; Reille tegenover Hill.Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is het bosch van Soignes.Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij omvatten elkander en de een poogt den ander tedoen vallen. Men klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond, een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche leger beneden.’t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder hem in ’t oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N’s en arenden, de rijlaarzen over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,—deze geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding, door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier haar licht aangebracht.Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene de andere bestrijdt en terechtstelt—de duisternis van den despoot in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. ’t Is een rampvoor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn gestalte heeft.Vijfde hoofdstuk.Het „duistere iets” der veldslagen.Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward, onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt; in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging, voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden, om ’t nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. ’t Was niet meer de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was, zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich, dat het vijf minuten over half twaalf was.Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel, die op Papelotte steunde.De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel, er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden, zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen, zich kon bepalentot er ter versterking vier andere compagnieën der garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot Hougomont, van daar tot Braine-l’Alleud en verder tot Hal terug te drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten, gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd bemachtigd.Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie, voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.In dezen dag, van ’s middags af tot vier uur toe, ligt een duister tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen, een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen, over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten, huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako’s met vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen, in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd.Quid obscurum, quid divinum.Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg, onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het plan vanden eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er was iets: zoek, en ’t is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst, die, om Napoleon’s eigen woorden te gebruiken, „veeleer tot de geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren.” In zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven, en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op Waterloo van toepassing.Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag duidelijker.Zesde hoofdstuk.Des namiddags te vier uren.Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel, Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins van Oranje den Hollanders-Belgen toe: „Nassau! Brunswijk! nimmer terug!” Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de Engelschen den Franschen het vaandelvan het 105elinie-regiment ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met een kogel door ’t hoofd gedood. Wellington had in den slag twee steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van het Duitschebataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven, Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen, van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine stond, en Chassé, die te Braine-l’Alleud was.Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, ’t welk te dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat, waar beide wegen elkander kruisen. ’t Is een gebouw uit de zestiende eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen, die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaanverkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.’t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend, in het hooge koren.Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintigbataljonste zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse waar thans het zoogenaamde „museum van Waterloo” is, achter aardzakken gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. ’t Was de andere helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby vernietigd was, bleef nog Somerset over.De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het regende kogels. Zijn adjudant Gordonviel aan zijn zijde. Lord Hill vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:—Mylord, welke instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?—„Te doen gelijk ik,” antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch: „Hier blijven tot den laatsten man.”—De dag nam blijkbaar een slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, Vittoria en Salamanca toe: „Boys(jongens)! hoe kan men aan wijken denken? denkt aan Oud-Engeland!”Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte, waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington trok terug.—Het begin van den aftocht! riep Napoleon.Zevende hoofdstuk.Napoleon in goede luim.De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld, was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man, die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts aan God.Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het dat Cesar lachte.Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen, met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon, van Frischemont tot Braine l’Alleud, verlichtten, scheen het hem, dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeftdezen fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen: „Wij zijn het eens.” Napoleon bedroog zich. Zij waren ’t niet eens.Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij had aan Bertrand gezegd: „’t is de Engelsche achterhoede, die zich in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen.” Hij sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, ’t welk hem den 1enMaart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep: „Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!” In den nacht van den 17 op den 18 Juni schertste hij over Wellington.—„Deze kleine Engelschman heeft een les noodig,” zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde, terwijl de keizer sprak.Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den slag afwachtte.—„Des te beter,” had Napoleon geroepen. „Ik werp ze liever overhoop, dan ze achteruit te drijven.”Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid, daarbij tot Soult zeggende: „Een fraai schaakbord!”Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen, die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder ontbijt, ’t geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney te zeggen: „Wijhebben negentig kansen van de honderd.” Te acht uren had men ’s keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, had gezegd: „het bal is vandaag.” De keizer had met Ney geschertst, die zeide:„Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te wachten.” Zoo was overigens zijn gewoonte. „Hij schertste gaarne,” zegt Fleury de Chaboulon. „De grond van zijn karakter was een vroolijke opgewektheid,” zegt Gourgaud. „Hij vloeide over van kwinkslagen, die eer zonderling dan geestig waren,” zegt Benjamin Constant. Deze vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij noemde zijn grenadiers „grombaarden;” hij kneep hen in de ooren, trok hen aan den knevel. „De keizer heeft altijd grappen met ons,” zeide een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik deZephirde brikl’Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg aan denInconstantberichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: „de keizer bevindt zich wel.” Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo, bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan ’t hoofd, met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige, uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!Van negen tot half elf ure had het geheele leger—’t geen schier ongelooflijk schijnt—positie genomen en zich in zes liniën geschaard, die, om ’s keizers uitdrukking te bezigen, „de figuur van zes V’s” vormden.Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht voorafgaat, had de keizer,—toen hij de driebatterijen twaalfponders zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om ’t gevecht te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van Nivelles en Genappe zich kruisen,—Haxo op den schouder geklopt en gezegd: „Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!”Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste korps bij ’t voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden opeengedrongen zag, zeide hij: „Dit is jammer.”Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden, waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren ’s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk; ’t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander wapentuig gevonden.Scabrâ rubigine.Voor eenige jaren heeft men er een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf aan den kogel was afgebroken. ’t Was op dit laatste standpunt, dat de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te verbergen, zeide:—„Domoor, ’t is schande. Gij zult u in den rug laten dooden.” Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing van deze hoogte, bij ’t omwroeten van ’t zand, de overblijfselen van den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen zijn vingers braken.De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten, zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni 1815 waren. Door van dien doodsakker de aardeaf te nemen, die tot oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, riep hij: „Men heeft mijn slagveld veranderd.” Waar thans de groote aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van verre niet kon gezien worden.Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l’Alleud is evenals Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was ’t een holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij ’t binnenkomen van Braine-l’Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een kar verplet werd, ’t geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, waarop de naam van den gedoode:Monsieur Bernard Debrye, marchand à Bruxelles, en de dagteekeningvan het ongeluk,fevrier16371te lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, en daardoor verschrikkelijk.1Het opschrift luidt aldus:D O MCY A ETE ECRASEPAR MALHEURSOUS UN CHARIOTMONSIEUR BERNARDDE BRYE MARCHANDA BRUXELLE LE (onleesbaar)FEBVRIER 1637.

Eerste hoofdstuk.Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt.Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten kerktoren van Braine-l’Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift:Ancienne barrièreNo. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde, over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l’Alleud uit. Dáár, ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken, een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet, waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning, in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de eeuw te zijn gekomen, die in een spitselaag van overdwars gelegde steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste klopper bevond.De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom vroolijk te kwinkeleeren.De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.„Een Fransche kogel heeft dat gedaan,” zeide zij.En zij voegde er bij:„Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord.”„Hoe heet deze plaats?” vroeg de wandelaar.„Hougomont,” zei de boerin.De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.Hij was op het slagveld van Waterloo.

Eerste hoofdstuk.Wat er op den weg van Nivelles gevonden wordt.

Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten kerktoren van Braine-l’Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift:Ancienne barrièreNo. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde, over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l’Alleud uit. Dáár, ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken, een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet, waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning, in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de eeuw te zijn gekomen, die in een spitselaag van overdwars gelegde steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste klopper bevond.De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom vroolijk te kwinkeleeren.De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.„Een Fransche kogel heeft dat gedaan,” zeide zij.En zij voegde er bij:„Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord.”„Hoe heet deze plaats?” vroeg de wandelaar.„Hougomont,” zei de boerin.De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.Hij was op het slagveld van Waterloo.

Op een schoonen Mei-morgen van het vorige jaar (1861) kwam een voetreiziger, hij die deze geschiedenis verhaalt, van Nivelles en ging naar La Hulpe. Hij wandelde tusschen twee rijen boomen, over een breeden straatweg, die zich over heuvelen kronkelt, welke achtereenvolgens den weg doen rijzen en dalen, en als ontzaglijke golven vormen. Hij was reeds voorbij Lillois en Bois-Seigneur-Isaac. In het westen zag hij den met leien gedekten kerktoren van Braine-l’Alleud, die den vorm van een omgekeerde vaas heeft. Achter hem lag, op een hoogte, een bosch, en op den hoek van een dwarsweg, naast een vermolmden kruispaal met het opschrift:Ancienne barrièreNo. 4, lag een herberg, op welker voorgevel geschreven stond:Au quatre vents. Echabeau, café de particulier.

Een kwartier voorbij deze herberg, kwam hij in een klein dal, waarvan het water door een boog onder den weg loopt. De groep van afzonderlijk staande, maar zeer lommerrijke boomen, welke aan de eene zijde van den straatweg het dak vullen, strekken zich aan de andere zijde, over weiden, bevallig maar ordeloos naar Braine-l’Alleud uit. Dáár, ter rechterzijde, aan den kant van den weg, stond een herberg, voor welke men een wagen met vier wielen, een grooten bundel hop-staken, een ploeg, een hoop dorre struiken bij een groene haag, kalk, die in een kuil rookte, en een ladder tegen een oude schuur kon zien. Een jonge deern was bezig een veld te wieden, waar een groot geel biljet, waarschijnlijk de aankondiging van de een of andere kermis-vertooning, in den wind fladderde. Om den hoek der herberg liep, bezijden een waterplas, waarin een troep eenden zwommen, een slecht geplaveid pad door het kreupelhout. De wandelaar sloeg dit pad in.

Na een honderd schreden te hebben gedaan en langs een muur uit de 15de eeuw te zijn gekomen, die in een spitselaag van overdwars gelegde steenen uitliep, bevond hij zich voor een groote gewelfde poort in den strengen bouwstijl van Lodewijk XIV. Een statige voorgevel verhief zich boven deze poort, en was door rechthoekige muren daar genoegzaam mede verbonden. Op de weide voor de poort lagen drie eggen, door welke allerlei Mei-bloemen haar hoofden uitstaken. De poort was gesloten met twee vermolmde vleugeldeuren, waarop zich een oude verroeste klopper bevond.

De zon scheen heerlijk; de takken der boomen huiverden zoo, als zij in Mei plegen te doen, welke huivering eer door de nestjes, die ze bevatten, dan door den wind schijnt te worden veroorzaakt. Een moedig vogeltje, dat waarschijnlijk verliefd was, zat in een grooten boom vroolijk te kwinkeleeren.

De wandelaar bukte en zag, in een steen ter linkerzijde onder aan het rechter voetstuk der poort, een vrij groote ronde holte, die door een bolvormig lichaam scheen voortgebracht te zijn. Juist openden zich de slagdeuren en een boerin kwam naar buiten.

Zij zag den wandelaar en merkte waarnaar hij keek.

„Een Fransche kogel heeft dat gedaan,” zeide zij.

En zij voegde er bij:

„Wat ge dáár, iets hooger, in de deur bij dien spijker ziet, is het gat van een grooten musketkogel. Hij heeft het hout echter niet doorboord.”

„Hoe heet deze plaats?” vroeg de wandelaar.

„Hougomont,” zei de boerin.

De wandelaar richtte zich op. Hij deed eenige schreden en keek over de heggen. Hij zag in de verte door het geboomte een hoogte en op die hoogte iets, dat in de verte een leeuw geleek.

Hij was op het slagveld van Waterloo.

Tweede hoofdstuk.Hougomont.Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis, de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den slag der bijl.’t Was een kasteel; ’t is nu niet meer dan een hoeve. Voor den oudheidkenner is HougomontHugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo, heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij van Villers stichtte.De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in ’t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV, door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje, een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de plaats, welker verovering eens Napoleon’s droom was. Zoo hij dit plekje gronds had kunnen nemen, zou ’t hem misschien de overwinning der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort een gegrom; ’t is een groote hond, die de tanden toont en er de Engelschen vervangt.De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd aan de woede van een leger.De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden, vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog aan den muur. ’t Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd, die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan ’t einde van het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. ’t Is een gewone wagenpoort,zooals alle hoeven hebben; twee breede slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel heeft er zich versteend; ’t leeft, ’t sterft, ’t is niet ouder dan gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen, de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen te willen vluchten.Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren, boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen aan en staken ’t gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd met houtvuur beantwoord.Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters, de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. ’t Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig, is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten steenen muur. Deze kapel bestaatuit vier, met kalk gewitte muren; een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van het oord zeggen, dat ’t een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is zoo gelukkig niet geweest als de Christus.De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest men den naam:Henquinez. Voorts deze:Conde de Rio Maïor. Marques y Marquesa de Almagro (Habana).Er zijn Fransche namen met uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw gewit. De volken beleedigden er elkander op.Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het dichtste hout sidderend bivouakkeerden.Willem van Kylsom woonde te Hougomont „om het kasteel te bewaken” en verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem bracht hun water, ’t welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar hunlaatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den dood gingen, moest insgelijks sterven.Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde, flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.De put staat afgezonderd op ’t midden van het plein. Drie muren, half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een tochtscherm, hadden eenigszins ’t voorkomen van een torentje en omgeven den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering, waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en ’t oog verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende, dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om ’t water uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met grijs haar zeide ons: „Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder na en riepbom bom.”Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den boomgaard.Deze boomgaard is verschrikkelijk.Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit driebedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,envol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. ’t Was vroeger een slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging; thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen, die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes voltigeurs van het 1eregiment binnendrongen, zoodat zij er niet weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan een kwartier.Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker tijd hun vuur, een stortregen vankogels en schroot; de brigade-Soye werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders, maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. EenbataljonNassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht, als geheel afgeknaagd.Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl de voet in een molshoop zinkt. In ’t midden van ’t gras ziet men een ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeienviooltjes.Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden, een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;—en dit alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: „Mijnheer, geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo uitleggen.”

Tweede hoofdstuk.Hougomont.

Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis, de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den slag der bijl.’t Was een kasteel; ’t is nu niet meer dan een hoeve. Voor den oudheidkenner is HougomontHugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo, heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij van Villers stichtte.De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in ’t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV, door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje, een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de plaats, welker verovering eens Napoleon’s droom was. Zoo hij dit plekje gronds had kunnen nemen, zou ’t hem misschien de overwinning der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort een gegrom; ’t is een groote hond, die de tanden toont en er de Engelschen vervangt.De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd aan de woede van een leger.De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden, vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog aan den muur. ’t Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd, die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan ’t einde van het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. ’t Is een gewone wagenpoort,zooals alle hoeven hebben; twee breede slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel heeft er zich versteend; ’t leeft, ’t sterft, ’t is niet ouder dan gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen, de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen te willen vluchten.Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren, boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen aan en staken ’t gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd met houtvuur beantwoord.Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters, de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. ’t Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig, is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten steenen muur. Deze kapel bestaatuit vier, met kalk gewitte muren; een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van het oord zeggen, dat ’t een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is zoo gelukkig niet geweest als de Christus.De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest men den naam:Henquinez. Voorts deze:Conde de Rio Maïor. Marques y Marquesa de Almagro (Habana).Er zijn Fransche namen met uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw gewit. De volken beleedigden er elkander op.Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het dichtste hout sidderend bivouakkeerden.Willem van Kylsom woonde te Hougomont „om het kasteel te bewaken” en verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem bracht hun water, ’t welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar hunlaatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den dood gingen, moest insgelijks sterven.Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde, flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.De put staat afgezonderd op ’t midden van het plein. Drie muren, half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een tochtscherm, hadden eenigszins ’t voorkomen van een torentje en omgeven den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering, waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en ’t oog verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende, dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om ’t water uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met grijs haar zeide ons: „Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder na en riepbom bom.”Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den boomgaard.Deze boomgaard is verschrikkelijk.Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit driebedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,envol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. ’t Was vroeger een slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging; thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen, die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes voltigeurs van het 1eregiment binnendrongen, zoodat zij er niet weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan een kwartier.Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker tijd hun vuur, een stortregen vankogels en schroot; de brigade-Soye werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders, maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. EenbataljonNassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht, als geheel afgeknaagd.Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl de voet in een molshoop zinkt. In ’t midden van ’t gras ziet men een ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeienviooltjes.Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden, een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;—en dit alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: „Mijnheer, geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo uitleggen.”

Hougomont was een noodlottig oord; het begin van de hindernis, de eerste tegenstand, dien de groote houthakker van Europa, welke Napoleon heette, te Waterloo ontmoette; de eerste knoest onder den slag der bijl.

’t Was een kasteel; ’t is nu niet meer dan een hoeve. Voor den oudheidkenner is HougomontHugomons. Dit slot werd gebouwd door Hugo, heer van Somerel, denzelfde die het zesde kapelaanschap der abdij van Villers stichtte.

De wandelaar opende de poort, ging onder het gewelf langs een oude kales en kwam op het voorplein. Het eerst wat hem op dat grasperk in ’t oog viel, was een poort uit de zestiende eeuw, waarvan slechts de boog nog stond, daar alles rondom haar in puin was gevallen. Bouwvallen vertoonen meestal iets monumentaals. Dicht bij den boog is in den muur een andere deur met sluitsteenen uit den tijd van Hendrik IV, door welke men de boomen van een boomgaard zag. Naast deze deur zag men een mestput, schoppen en spaden, eenige karren, een oude put met zijn hardsteenen rand en ijzeren katrol, een dartelend veulen, een kalkoen met uitgespreiden staart, een kapel met een klokkentorentje, een bloeiende pereboom tegen den muur der kapel geleid: dit was de plaats, welker verovering eens Napoleon’s droom was. Zoo hij dit plekje gronds had kunnen nemen, zou ’t hem misschien de overwinning der wereld hebben bezorgd. Hoenders wroetten den grond om. Men hoort een gegrom; ’t is een groote hond, die de tanden toont en er de Engelschen vervangt.

De Engelschen hebben zich hier bewonderenswaardig gehouden. Gedurende zeven uren boden hier de vier garde-compagnieën van Cooke het hoofd aan de woede van een leger.

De plattegrond van Hougomont met zijn gebouwen en aanhoorigheden, vertoont op de kaart een onregelmatigen rechthoek, waarvan één der hoeken is ingedrukt. Aan dien hoek bevindt zich de zuidelijke poort, die door den muur wordt beschermd, welke haar geheel bestrijkt. Hougomont heeft twee poorten: de zuidpoort, die van het kasteel; de noordpoort, die der hoeve. Napoleon zond tegen Hougomont zijn broeder Jérôme; de divisiën Guilleminot, Foy en Bachelu stieten er het hoofd, schier het geheele korps van Reille werd er tegen aangevoerd, zonder te slagen; de kogels van Kellermann waren machteloos tegen dit heldhaftig stuk muur. De brigade Bauduin was niet sterk genoeg, Hougomont ten noorden te overweldigen, en de brigade Soye kon het slechts ten zuiden bestoken, maar niet nemen.

De gebouwen der hoeve begrenzen de plaats ten zuiden. Een stuk van de noordpoort, die door de Franschen werd opengebroken, hangt nog aan den muur. ’t Zijn vier planken op twee dwarshouten gespijkerd, die de verwoestingen van den aanval nog doen zien.

De noordpoort, door de Franschen bestormd, en waarin een stuk is gezet om het aan den muur hangend paneel te vervangen, is aan ’t einde van het grasveld; zij is vierkant in een muur aangebracht, die onder van hardsteen, boven van baksteen is en het plein ten noorden afsluit. ’t Is een gewone wagenpoort,zooals alle hoeven hebben; twee breede slagdeuren van ruwe planken: daarbuiten weiden. Om het bezit van deze poort werd woedend gestreden. Lang heeft men op de stijlen der poort allerlei sporen van bloedige handen gezien. Dáár sneuvelde Bauduin.

De verwoesting van het gevecht heerscht nog op deze plaats, het vreeselijke is er zichtbaar; de verwarring van het krijgsgewoel heeft er zich versteend; ’t leeft, ’t sterft, ’t is niet ouder dan gisteren. De muren bezwijken, de steenen vallen, de bressen gapen, de openingen zijn wonden, de gebogen en sidderende boomen schijnen te willen vluchten.

Deze plaats was in 1815 meer bebouwd dan thans. Gebouwen, die sinds afgebroken zijn, vormden er uitspringende hoeken, stompe en rechte.

De Engelschen hadden er zich gebarricadeerd, de Franschen drongen er binnen, maar konden er zich niet staande houden. Ter zijde van de kapel verheft zich een vleugel van het kasteel, het eenig overblijfsel van het slot Hougomont, maar geheel vervallen, men zou kunnen zeggen opengebroken. Het kasteel diende tot vesting, de kapel tot blokhuis. Men vernielde er elkander. De Franschen, van alle zijden aan het geweervuur blootgesteld, van achter de muren, boven van de zolders, onder uit de kelders, uit al de vensters, uit al de luchtgaten, uit al de scheuren der muren, brachten takkebossen aan en staken ’t gebouw en de menschen in brand; het schrootvuur werd met houtvuur beantwoord.

Men ontdekt in dezen verwoesten vleugel door de getraliede vensters, de naakte muren van vertrekken; de Engelsche garden lagen in die kamers in hinderlaag; de wenteltrap, van beneden tot aan het dak gescheurd, gelijkt het inwendige eener gebroken schelp. De trap heeft twee verdiepingen; de Engelschen, op de trap belegerd en op de bovenste treden saamgedrongen, hadden de onderste treden vernield. ’t Zijn breede blauwe zerken, met onkruid omgroeid. Een tiental treden zitten nog aan den muur vast; in de eerste is de figuur van een drietand gesneden. Deze ontoegankelijke treden zijn nog stevig in haar sponningen. Al het overige gelijkt een kinnebakken, waaruit de tanden zijn getrokken. Er staan twee oude boomen; de eene is dood; de andere, aan den voet gekwetst, loopt nog in April uit. Sinds 1816 heeft hij zijn loten door de trap heen geschoten.

In de kapel heeft men elkander vernietigd. Het inwendige, nu rustig, is zonderling. Sedert het bloedbad heeft men er geen mis gedaan. Het altaar van ruw hout is echter gebleven en staat tegen een naakten steenen muur. Deze kapel bestaatuit vier, met kalk gewitte muren; een deur tegenover het altaar, twee kleine boogvensters, boven de deur een groot houten kruisbeeld, boven het kruisbeeld een vierkant luchtgat met een bos hooi dicht gestopt, in een hoek op den grond een oud gebroken vensterraam. Bij het altaar is een houten beeld van St. Anna, uit de vijftiende eeuw, vastgespijkerd; het hoofd van het kind Jezus is door een kogel afgeschoten. De Franschen, die een oogenblik van de kapel meester waren, doch er uit verdreven werden, staken haar in brand. De vlammen hebben dezen bouwval gevuld; hij is een oven geweest; de deur, de vloer is verbrand, maar de houten Christus is niet verbrand. Het vuur heeft zijn voeten verzengd, welker verkoolde stompen men nog ziet, maar daarbij bleef het. De lieden van het oord zeggen, dat ’t een mirakel is. Het onthoofde kind Jezus is zoo gelukkig niet geweest als de Christus.

De muren zijn bedekt met opschriften. Aan de voeten van Christus leest men den naam:Henquinez. Voorts deze:Conde de Rio Maïor. Marques y Marquesa de Almagro (Habana).Er zijn Fransche namen met uitroepingsteekens, blijken van toorn. De muur is in 1849 opnieuw gewit. De volken beleedigden er elkander op.

Aan de deur dezer kapel werd een lijk gevonden met een bijl in de hand. Dit lijk was van den tweeden luitenant Legros.

Ter linkerzijde, als men de kapel verlaat, ziet men een put. Op dit voorplein zijn er twee. Men vraagt, waarom aan dezen geen emmer en katrol zijn? Wijl men er geen water meer put. Waarom put men er geen water? Wijl hij vol doodsbeenderen en geraamten is.

De laatste die uit dezen put water heeft gehaald, heette Willem van Kylsom: een boer, die Hougomont bewoonde en er tuinier was. Den 18 Juni 1815 nam zijn gezin de vlucht en verschool zich in de bosschen.

Het woud, dat de abdij van Villers omgeeft, diende verscheidene dagen en nachten al den ongelukkigen bewoners dezer buurt tot schuilplaats. Nog heden wijzen enkele duidelijke sporen, als oude afgebrande boomstammen, de plaats aan, waar deze ongelukkigen in het dichtste hout sidderend bivouakkeerden.

Willem van Kylsom woonde te Hougomont „om het kasteel te bewaken” en verschool zich in een kelder. De Engelschen ontdekten hem daar. Men trok hem uit zijn schuilhoek, en door sabelslagen deden de krijgslieden zich door dezen beangsten man bedienen. Zij hadden dorst; Willem bracht hun water, ’t welk hij uit dezen put haalde. Velen deden daar hunlaatsten dronk. Maar deze put, waarvan zoovele drinkers in den dood gingen, moest insgelijks sterven.

Na het gevecht haastte men zich, de lijken te begraven. De dood vervolgt op zijn wijze de overwinning en zendt de pest achter den roem aan. De typhus is een aanhangsel van den triumf. De put was diep, men maakte er een graf van. Men wierp er driehonderd dooden in. Misschien met te veel overhaasting. Waren allen wel dood? de legende zegt van neen. Het schijnt, dat men in den nacht, die op deze begrafenis volgde, flauwe jammerende stemmen uit dezen put hoorde opstijgen.

De put staat afgezonderd op ’t midden van het plein. Drie muren, half hardsteen en half baksteen, en samengevoegd als de bladen van een tochtscherm, hadden eenigszins ’t voorkomen van een torentje en omgeven den put aan drie zijden. De vierde zijde is open. Aan die zijde putte men het water. In den achtermuur bevindt zich een ruw gat, misschien door een kanonkogel veroorzaakt. Dit torentje had een zoldering, waarvan slechts de balken zijn overgebleven. Het ijzerwerk der schoring van den rechtermuur vormt een kruis. Men blikt naar beneden, en ’t oog verliest zich in een diepen baksteenen koker vol dikke duisternis. De put is omgeven door onkruid, waarin het onderste der muren verdwijnt.

Voor dezen put ligt niet de blauwe hardsteen, tot drempel dienende, dien men gewoonlijk bij alle putten in België vindt. In plaats ervan is er een balk, waaraan vijf of zes knoestige, vermolmde stukken hout, die groote beenderen gelijken. Er is noch emmer, noch keten, noch katrol meer; maar de gootsteen is er nog, die diende om ’t water uit te gooien. Hier vergaart zich het regenwater, en een vogel uit de naburige bosschen komt nu en dan drinken en vliegt weder weg.

Een huis in dezen bouwval, het huis van den pachter, is nog bewoond. De deur van dit huis komt op de plaats uit. Behalve een fraaie gothieke sleutelplaat is op deze deur een ijzeren handvatsel in den vorm van een gekromd klaverblad. Op het oogenblik dat de Hanoversche luitenant Wilda dat handvatsel greep om in de hoeve te vluchten, hieuw een Fransch sapeur hem met zijn bijl de hand af.

De grootvader van het gezin, dat thans het huis bewoont, was de oude tuinman van Kylsom, die nu sinds lang is overleden. Een vrouw met grijs haar zeide ons: „Daar was ik. Ik was drie jaar oud toen dit gebeurde. Mijn oudere zuster was bang en weende. Men voerde ons naar de bosschen. Mijn moeder droeg mij in haar armen. Men legde zich met het oor op den grond om te luisteren. Ik bootste het kanongebulder na en riepbom bom.”

Zooals gezegd is, voerde een deur links op de plaats naar den boomgaard.

Deze boomgaard is verschrikkelijk.

Hij bestaat uit drie deelen, men zou haast kunnen zeggen uit driebedrijven. Het eerste gedeelte is een tuin, het tweede is de eigenlijke boomgaard, het derde is een bosch. Deze drie gedeelten zijn gezamenlijk omgeven, aan de zijde van den ingang, door de gebouwen van het kasteel en der hoeve, ter linkerzijde, door een haag, ter rechterzijde door een muur, van achter insgelijks door een muur. De muur rechts is van tichelsteenen, de achtermuur is van hardsteen. Eerst komt men in den tuin. Hij loopt naar beneden, is beplant met besseboomen,envol onkruid en wilde planten; hij wordt begrensd door een terras van hardsteen met dubbel uitspringende balustrade. ’t Was vroeger een slottuin in den Franschen stijl, welke dien van Le Nôtre voorafging; thans niets dan bouwvallen en distelen. De pilasters dragen ballen, die veel van steenen kogels hebben. Men telt nog drie-en-veertig pilasters op hun vierkante voetstukken; de overige liggen in het gras. Schier alle zijn door het geweervuur beschadigd. Een enkele geknotte kolom staat als een gebroken been op het voetstuk.

In dezen tuin, lager gelegen dan de boomgaard, was het, dat zes voltigeurs van het 1eregiment binnendrongen, zoodat zij er niet weer uit konden. Gevangen gehouden en bestookt als beren in een kuil aanvaardden zij den strijd tegen twee compagnieën Hanoveranen, waarvan een compagnie met buksen was gewapend. De Hanoveranen stonden achter deze pilasters en schoten uit de hoogte. De voltigeurs, zes tegen tweehonderd, beantwoordden moedig van beneden het vuur, zij hadden geen andere bedekking dan de besseboomen en sneuvelden in minder dan een kwartier.

Eenige treden opgaande, komt men uit den tuin in den eigenlijken boomgaard. Hier, binnen de ruimte van weinige ellen oppervlakte, vielen vijftienhonderd man in minder dan een uur tijds. De muur schijnt opnieuw voor het gevecht gereed te zijn. De acht-en-dertig schietgaten, die door de Engelschen op ongelijke hoogten er in zijn gemaakt, zijn er nog. Voor het zestiende liggen twee Engelsche grafzerken van graniet. Alleen in den zuidermuur zijn schietgaten; de hoofdaanval had van dien kant plaats. Deze muur is van buiten achter een hooge levende haag verborgen. De Franschen naderden, in de meening dat zij niets dan een haag voor zich hadden, drongen er door en vonden den muur, een hinderpaal en hinderlaag; de Engelsche garde er achter; de acht-en-dertig schietgaten braakten te gelijker tijd hun vuur, een stortregen vankogels en schroot; de brigade-Soye werd er vernield. Zóó begon de slag van Waterloo.

De boomgaard werd echter genomen. De Franschen hadden geen ladders, maar klauterden met hun nagels tegen den muur op. Onder de boomen vocht men man tegen man. Al het gras werd met bloed bevochtigd. EenbataljonNassauers van zevenhonderd man werd er vernield. Aan de buitenzijde is de muur, waartegen de twee batterijen van Kellermann werden gericht, als geheel afgeknaagd.

Deze boomgaard is even gevoelig voor de maand Mei als ieder andere. Hij heeft zijn goudenregen en madeliefjes; het gras is er hoog, karpaarden weiden er, tusschen de boomen zijn koorden gespannen, waarop linnen te drogen hangt en die den voorbijganger het hoofd doen buigen, terwijl de voet in een molshoop zinkt. In ’t midden van ’t gras ziet men een ontwortelden groenenden boomstam liggen. De majoor Blackman heeft zich hiertegen gelegd om te sterven. Onder een naburigen grooten boom viel de Duitsche generaal Duplat, die tot een Fransche familie behoorde, welke bij de herroeping van het Edict van Nantes het land verliet. Daarnaast staat een oude, ziekelijke appelboom, die met een verband van stroo en klei omzwachteld is. Schier al de appelboomen sterven van ouderdom. Geen is er, die niet een kogel of een grenaat heeft ontvangen. Een menigte doode boomen staan nog als geraamten in dezen boomgaard. De raven vliegen in de takken; van binnen bloeienviooltjes.

Bauduin dood, Foy gekwetst, de brand, de verwoesting, het moorden, een beek van vreeslijk ondereengemengd Engelsch, Duitsch en Fransch bloed, een put vol lijken, het regiment Nassauers en dat van Brunswijk vernield, Duplat gesneuveld, Blockmann gesneuveld, de Engelsche garde verminkt, twintig Fransche bataljons van de veertig van Reillés corps gedecimeerd; alleen in dit vervallen slot van Hougomont drie duizend man nedergesabeld, doorstoken, doodgeschoten en verbrand;—en dit alles, opdat thans een boer tot een reiziger kan zeggen: „Mijnheer, geef mij drie francs en, zoo ge wilt, zal ik u de zaak van Waterloo uitleggen.”

Derde hoofdstuk.De 18 Juni 1815.Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou Europa’s toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd was om met de artillerie te kunnen manœuvreeren.Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré’s overhoop te werpen, regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en gewonnen zijn geweest.In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuldvan Napoleon geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich aan de blijkbare afneming van Napoleon’s lichaamskrachten destijds een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede, om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen door den wind van een ongunstig lot? Werd hij—wat voor een veldheer hoogst noodlottig is—ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale; de Dante’s en Michel Angelo’s nemen in den ouderdom toe; nemen de Hannibal’s en Bonaparte’s er door af? Had Napoleon den rechten zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen, den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud, door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?Wij gelooven het niet.Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden, de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen, Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee werpen; dit alles lag in Napoleon’s doel van dezen veldslag. Vervolgens zou men zien.’t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door Charras. Wij laten beide geschiedschrijversde zaak uitmaken; wij zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet, ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten, waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde, wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.

Derde hoofdstuk.De 18 Juni 1815.

Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou Europa’s toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd was om met de artillerie te kunnen manœuvreeren.Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré’s overhoop te werpen, regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en gewonnen zijn geweest.In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuldvan Napoleon geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich aan de blijkbare afneming van Napoleon’s lichaamskrachten destijds een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede, om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen door den wind van een ongunstig lot? Werd hij—wat voor een veldheer hoogst noodlottig is—ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale; de Dante’s en Michel Angelo’s nemen in den ouderdom toe; nemen de Hannibal’s en Bonaparte’s er door af? Had Napoleon den rechten zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen, den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud, door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?Wij gelooven het niet.Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden, de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen, Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee werpen; dit alles lag in Napoleon’s doel van dezen veldslag. Vervolgens zou men zien.’t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door Charras. Wij laten beide geschiedschrijversde zaak uitmaken; wij zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet, ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten, waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde, wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.

Laat ons terugtreden; dit is een recht van den verhaler, en verplaatsen wij ons in het jaar 1815, zelfs een weinig vóór het tijdperk, waarin het in het eerste gedeelte van dit werk verhaalde plaats had.

Zoo het in den nacht van 17 op 18 Juni 1815 niet geregend had, zou Europa’s toekomst geheel anders zijn geweest. Eenige droppels water min of meer hebben Napoleon doen vallen. De Voorzienigheid heeft slechts een weinig regen noodig gehad om van Waterloo het einde van Austerlitz te maken; en een wolk, die in een met het seizoen strijdende richting in de lucht dreef, was voldoende om een wereld te doen instorten.

De slag van Waterloo kon eerst om half twaalf beginnen, waardoor Blücher tijd had aan te komen. Waarom niet eer? Wijl de bodem van den regen doorweekt was. Men moest wachten tot hij een weinig opgedroogd was om met de artillerie te kunnen manœuvreeren.

Napoleon was artillerie-officier en bleef dit altijd eenigszins. Al zijn slagplannen zijn voor het geschut ingericht. De artillerie op een bepaald punt te vereenigen, was de sleutel zijner overwinningen. Hij ging met de krijgskunst van den vijandelijken generaal als met een citadel te werk, en schoot er bres in. Hij verplette het zwakke punt met schroot; hij knoopte en ontknoopte de veldslagen met het kanon. In zijn genie lag iets van den kanonnier. Carré’s overhoop te werpen, regimenten te verpletteren en uiteen te jagen, hierin lag alles voor hem: slaan, en altijd slaan, en deze taak droeg hij den kogel op. Een vreeselijke methode, welke, gepaard aan het genie, gedurende vijftien jaren dezen somberen kampvechter des oorlogs onoverwinbaar maakte.

Den 18 Juni 1815 rekende hij te meer op de artillerie, wijl het getal in zijn voordeel was. Wellington had slechts honderd negen-en-vijftig vuurmonden; Napoleon had er tweehonderd veertig.

Gesteld dat de grond droog ware geweest, dat de artillerie zich had kunnen bewegen, de slag zou te zes uren zijn begonnen, en te twee uren, dat is drie uur vóór de Pruisische tusschenkomst, geëindigd en gewonnen zijn geweest.

In hoeverre is het verlies van dezen veldslag de schuldvan Napoleon geweest? Is de schipbreuk aan den stuurman te wijten? Paarde zich aan de blijkbare afneming van Napoleon’s lichaamskrachten destijds een verzwakking van geestkracht? Hadden de twintig jaren oorlogs evenzeer het zwaard als de scheede versleten, evenzeer de ziel als het lichaam? Deed zich de veteraan ongelukkiglijk reeds gevoelen in den veldheer? Met één woord, was dit genie verduisterd, zooals vele voorname geschiedschrijvers beweerd hebben? Bracht hij zich in woede, om zich zelven zijn verzwakking te verhelen? Begon hij te wankelen door den wind van een ongunstig lot? Werd hij—wat voor een veldheer hoogst noodlottig is—ongevoelig voor het gevaar? Is er bij deze soort van groote materieële mannen, welke de reuzen der handeling kunnen genoemd worden, een leeftijd, waarin hun genie kortzichtig wordt? De ouderdom heeft geen vat op de genieën van het ideale; de Dante’s en Michel Angelo’s nemen in den ouderdom toe; nemen de Hannibal’s en Bonaparte’s er door af? Had Napoleon den rechten zin der overwinning verloren? Kon hij de klip niet meer erkennen, den valstrik niet meer gissen, den instortenden rand des afgronds niet meer onderscheiden? Ontbrak hem het voorgevoel van groote handelingen? Hij die eertijds al de wegen van den triomf kende, en van zijn schitterenden zegewagen ze met oppermachtigen vinger aanwees, was hij nu in zulk een heillooze geestverwarring, dat hij zijn opgewekte legioenen in den afgrond voerde? Was hij, zes-en-veertig jaar oud, door een heerschenden waanzin aangegrepen? Was deze reusachtige leider van het lot niets meer dan een dolle moordenaar?

Wij gelooven het niet.

Zijn plan van den veldslag was, naar aller getuigenis, een meesterstuk. Recht tegen het centrum der linie van de geallieerden rukken, een opening in den vijand maken, hem in tweeën snijden, de Britsche helft op Hal werpen, en de Pruisische op Tongeren, van Wellington en Blücher twee stompen maken, Mont Saint-Jean nemen, Brussel bemachtigen, de Duitschers in den Rijn, de Engelschen in de zee werpen; dit alles lag in Napoleon’s doel van dezen veldslag. Vervolgens zou men zien.

’t Spreekt vanzelf dat het geenszins ons oogmerk is, hier de geschiedenis van Waterloo te schrijven; een der ontwikkelingstooneelen van het drama, dat wij verhalen, knoopt zich aan dezen veldslag vast, maar de geschiedenis is ons eigenlijk onderwerp niet; deze geschiedenis is buitendien uitmuntend beschreven, uit het eene gezichtspunt door Napoleon, uit het andere gezichtspunt door Charras. Wij laten beide geschiedschrijversde zaak uitmaken; wij zijn slechts een verwijderd getuige, een wandelaar op de vlakte, een navorscher op dezen met menschenvleesch gemesten grond, die misschien schijn voor waarheid houdt; wij hebben het recht niet, ons in naam der wetenschap tegen een geheel van feiten te verzetten, waarin echter gewisselijk veel zinsbegoocheling ligt; wij bezitten noch militaire praktijk noch krijgskunde genoeg om gezag aan een stelsel te kunnen geven; maar onzes inziens zijn de beide veldheeren te Waterloo door een aaneenschakeling van toevalligheden beheerscht geworden; en wat het lot betreft, dezen geheimzinnigen beschuldigde, wij oordeelen als het volk, dat een naïef rechter is.

Vierde hoofdstuk.A.Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain naar Braine-l’Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance; daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In ’t midden van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs de wegen van Genappe en Nivelles; d’Erlon stond tegenover Picton; Reille tegenover Hill.Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is het bosch van Soignes.Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij omvatten elkander en de een poogt den ander tedoen vallen. Men klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond, een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche leger beneden.’t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder hem in ’t oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N’s en arenden, de rijlaarzen over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,—deze geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding, door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier haar licht aangebracht.Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene de andere bestrijdt en terechtstelt—de duisternis van den despoot in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. ’t Is een rampvoor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn gestalte heeft.

Vierde hoofdstuk.A.

Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain naar Braine-l’Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance; daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In ’t midden van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs de wegen van Genappe en Nivelles; d’Erlon stond tegenover Picton; Reille tegenover Hill.Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is het bosch van Soignes.Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij omvatten elkander en de een poogt den ander tedoen vallen. Men klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond, een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche leger beneden.’t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder hem in ’t oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N’s en arenden, de rijlaarzen over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,—deze geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding, door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier haar licht aangebracht.Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene de andere bestrijdt en terechtstelt—de duisternis van den despoot in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. ’t Is een rampvoor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn gestalte heeft.

Wie zich een juiste voorstelling van den slag van Waterloo wil maken, behoeft in gedachten slechts een groote A op den grond te trekken. Het linkerbeen der A is de weg van Nivelles, het rechterbeen de weg van Genappe, de koppelstreep der A is de holleweg van Ohain naar Braine-l’Alleud. De top der A is Mont-Saint-Jean; daar is Wellington; de beneden-linkerpunt is Hougomont; daar is Reille met Jerôme Bonaparte; de beneden-rechterpunt is Belle-Alliance; daar is Napoleon. Even onder het punt, waar de koppelstreep der A het rechterbeen raakt en doorsnijdt is la Haie-Sainte. In ’t midden van deze koppelstreep is het eigenlijke punt, waar de slag beslist werd. Hier heeft men den leeuw geplaatst, het onwillekeurig zinnebeeld van den verheven heldenmoed der Keizerlijke garde. De driehoek, gevormd door het toppunt der A, de twee beenen en de koppelstreep is de vlakte van Mont-Saint-Jean. De geheele slag gold den strijd om deze vlakte.

De vleugels van beide legers breidden zich rechts en links uit langs de wegen van Genappe en Nivelles; d’Erlon stond tegenover Picton; Reille tegenover Hill.

Achter het toppunt der A, achter de vlakte van Mont-Saint-Jean is het bosch van Soignes.

Men stelle zich de vlakte zelve voor als een uitgestrekt golvend terrein; de eene hoogte beheerscht de andere, en al deze golvingen loopen opwaarts naar Mont-Saint-Jean, waar zij bij het bosch eindigen.

Op een slagveld zijn twee vijandelijke legers als twee worstelaars. Zij omvatten elkander en de een poogt den ander tedoen vallen. Men klampt zich vast aan alles; een haag is een steunpunt; de hoek van een muur is een borstwering; zoo een regiment niet eenig steunpunt heeft, wijkt het; een holte op de vlakte, een glooiing van den grond, een dwarsloopend pad, een holleweg kunnen den hiel van den kolossus tegenhouden, dien men een leger noemt, en hem beletten achteruit te gaan. Die het veld verlaat is geslagen. Daaruit ontstaat voor den verantwoordelijken bevelhebber de noodzakelijkheid, dat hij het kleinste kreupelboschje onderzoeke en de geringste oneffenheid kenne.

De beide generaals hadden de vlakte van Mont-Saint-Jean, thans vlakte van Waterloo genoemd, nauwkeurig bestudeerd. Reeds het vorige jaar had Wellington met vooruitziende schranderheid haar in oogenschouw genomen als het mogelijke veld van een grooten slag. Wellington had den 18 Juni op dit terrein en voor dit tweegevecht de goede zijde, Napoleon de slechte. Het Engelsche leger stond boven, het Fransche leger beneden.

’t Zou overbodig zijn hier Napoleon te schetsen, te paard, met den kijker in de hand, in den vroegen ochtend van den 18 Juni 1815, op de hoogte van Rossomme staande. Voor hij is aangeduid, heeft ieder hem in ’t oog. Dit kalm gelaat onder den kleinen steek der school van Brienne, deze groene uniform, welker witte omslag de ster verbergt, de overjas die de epauletten bedekt, de strik van het roode lint onder het vest, de zeemlederen broek, het witte paard met zijn purperfluweelen schabrak, waarop in de hoeken gekroonde N’s en arenden, de rijlaarzen over zijden kousen, de zilveren sporen, de degen van Marengo,—deze geheele gestalte van den laatsten Cesar staat voor aller verbeelding, door de eenen toegejuicht, door anderen veroordeeld.

Deze gestalte stond lang in vollen glans; dit was ten gevolge van zekere verduistering, die aan legenden eigen is, en die de waarheid steeds min of meer omsluiert. Thans echter heeft de geschiedenis hier haar licht aangebracht.

Dat licht der geschiedenis is onmeedoogend; het heeft dit zonderlinge en goddelijke, dat het, hoewel het licht is, en juist omdat het licht is, vaak duisternis brengt, waar men helderheid zag; van denzelfden mensch maakt het twee verschillende schijngestalten, waarvan de eene de andere bestrijdt en terechtstelt—de duisternis van den despoot in worsteling met den glans van den veldheer. Hieruit volgt een juister maatstaf voor de waardeering des volks. Het verwoeste Babylon verlaagt Alexander; het geketende Rome verlaagt Cesar; het vernielde Jeruzalem verlaagt Titus. De dwingelandij volgt den dwingeland. ’t Is een rampvoor een mensch, een duisternis achter te laten die zijn gestalte heeft.

Vijfde hoofdstuk.Het „duistere iets” der veldslagen.Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward, onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt; in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging, voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden, om ’t nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. ’t Was niet meer de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was, zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich, dat het vijf minuten over half twaalf was.Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel, die op Papelotte steunde.De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel, er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden, zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen, zich kon bepalentot er ter versterking vier andere compagnieën der garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot Hougomont, van daar tot Braine-l’Alleud en verder tot Hal terug te drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten, gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd bemachtigd.Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie, voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.In dezen dag, van ’s middags af tot vier uur toe, ligt een duister tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen, een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen, over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten, huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako’s met vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen, in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd.Quid obscurum, quid divinum.Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg, onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het plan vanden eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er was iets: zoek, en ’t is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst, die, om Napoleon’s eigen woorden te gebruiken, „veeleer tot de geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren.” In zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven, en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op Waterloo van toepassing.Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag duidelijker.

Vijfde hoofdstuk.Het „duistere iets” der veldslagen.

Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward, onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt; in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging, voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden, om ’t nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. ’t Was niet meer de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was, zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich, dat het vijf minuten over half twaalf was.Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel, die op Papelotte steunde.De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel, er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden, zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen, zich kon bepalentot er ter versterking vier andere compagnieën der garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot Hougomont, van daar tot Braine-l’Alleud en verder tot Hal terug te drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten, gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd bemachtigd.Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie, voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.In dezen dag, van ’s middags af tot vier uur toe, ligt een duister tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen, een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen, over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten, huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako’s met vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen, in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd.Quid obscurum, quid divinum.Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg, onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het plan vanden eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er was iets: zoek, en ’t is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst, die, om Napoleon’s eigen woorden te gebruiken, „veeleer tot de geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren.” In zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven, en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op Waterloo van toepassing.Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag duidelijker.

Ieder weet, welk aanzien de veldslag in den beginne had; een verward, onzeker, weifelend, voor beide legers dreigend begin; evenwel meer nog voor de Engelschen, dan voor de Franschen.

Het had den geheelen nacht geregend; de regen had den bodem doorweekt; in de holten der vlakte was het water als in kuipen vergaard; op sommige plaatsen stond het tot aan de assen der treinwagens; van de buikriemen der paarden droop het slijk; zoo het graan en de rogge, die door al de voertuigen ter aarde geworpen waren, de poelen niet gevuld en eenige vastheid onder de wielen gevormd had, zou iedere beweging, voornamelijk in de richting van Papelotte, onmogelijk zijn geweest.

Het gevecht begon laat; Napoleon, zooals wij gezegd hebben, had de gewoonte, de geheele artillerie als een pistool in zijn hand te houden, om ’t nu op dit, dan op dat punt van den veldslag te richten, en hij had willen wachten totdat de bespannen batterijen ongehinderd konden rijden en galoppeeren; daarvoor moest de zon te voorschijn komen en den grond drogen. Maar de zon kwam niet te voorschijn. ’t Was niet meer de ontmoeting van Austerlitz. Toen het eerste kanonschot gelost was, zag de Engelsche generaal Colville op zijn horloge en overtuigde zich, dat het vijf minuten over half twaalf was.

Het gevecht werd met woede, met grooter woede wellicht dan de keizer wenschte, door den linkervleugel der Franschen tegen Hougomont begonnen. Te zelfder tijd viel Napoleon het centrum aan door de brigade Quiot tegen La Haie-Sainte te werpen, terwijl Ney met den rechtervleugel der Franschen den linkervleugel der Engelschen aanviel, die op Papelotte steunde.

De aanval tegen Hougomont was eenigermate geveinsd, hij had ten doel, er Wellington te lokken en hem links te doen buigen. Dit plan zou gelukt zijn, zoo de vier compagnieën der Engelsche garde en de moedige Belgen der divisie Perponcher niet krachtig de positie behouden hadden, zoodat Wellington, in plaats van er zijn troepen opeen te hoopen, zich kon bepalentot er ter versterking vier andere compagnieën der garde en een bataljon Brunswijkers te zenden.

De aanval van den rechtervleugel der Franschen tegen Papelotte diende eigenlijk om den linkervleugel der Engelschen omver te werpen, den weg naar Brussel af te snijden, den Pruisen, die komen konden, den doortocht te beletten, Mont-Saint-Jean te bemachtigen. Wellington tot Hougomont, van daar tot Braine-l’Alleud en verder tot Hal terug te drijven; niets was eenvoudiger. Eenige toevalligheden daargelaten, gelukte deze aanval. Papelotte werd genomen; la Haie-Sainte werd bemachtigd.

Hier verdient het volgende opmerking: Bij de Engelsche infanterie, voornamelijk bij de brigade van Kempt, waren veel rekruten. Tegenover onze geduchte infanteristen waren deze jonge soldaten dapper en van veel nut. Bovenal deden zij uitmuntenden dienst als tirailleurs; als tirailleur is de soldaat eenigszins aan zich zelven overgelaten, en wordt om zoo te zeggen zijn eigen generaal; deze rekruten vertoonden iets van het Fransche vernuft en van hun levendigheid. Deze jeugdige infanterie bezat vuur. Dit mishaagde Wellington.

Na de bemachtiging van la Haie-Sainte was de veldslag weifelend.

In dezen dag, van ’s middags af tot vier uur toe, ligt een duister tusschenvak; het midden van den slag is schier niet te onderscheiden en deelt in de donkerheid van het strijdgewoel. Maar er ontstaat een schemering. In dezen nevel bespeurt men groote golvingen, een duizelende gezichtsbegoocheling, het toenmalige, thans schier onbekende krijgstuig, kolbaks, schitterende, vliegende sabeltasschen, over de borst gekruist lederwerk, patroontasschen met grenaten, huzaren-dolmans, roode, geplooide laarzen, zware schako’s met vangsnoeren, de bijna zwarte Brunswijksche infanterie onder de roode Engelsche infanterie gemengd, de Engelsche soldaten met witte winksen, in plaats van epauletten, de lichte Hanoversche ruiterij met lederen hoogen helm, waaraan koperen stormbanden en roode pluimen, de Schotten met bloote knieën en geruite plaids, de groote witte slobkousen onzer grenadiers; dit alles zijn schetsen, maar geen krijgskundige aanwijzingen; iets voor Salvator Rosa, maar niet voor Gribeauval.

In elken veldslag is steeds iets wolkerigs gemengd.Quid obscurum, quid divinum.Ieder geschiedschrijver geeft aan dergelijk krijgsgewoel min of meer de gestalte welke hem behaagt. De schok der gewapende drommen geeft een terugwerking, die de generaals, niettegenstaande alle zorg, onmogelijk nauwkeurig kunnen berekenen; in het gevecht grijpt het plan vanden eenen veldheer in dat van den anderen, en het een wordt door het ander gewijzigd. De linie van bataille buigt en kronkelt als een draad, de beken bloeds stroomen her- en derwaarts; de fronten der legers golven, de terugtrekkende of uitvallende regimenten vormen kapen of inhammen, al deze klippen bewegen zich gestadig de eene voor de andere; waar de infanterie was, komt de artillerie; waar de artillerie was, komt de cavalerie aangesneld; de bataljons zijn rookwolken. Er was iets: zoek, en ’t is verdwenen, de open ruimten verplaatsen zich, de donkere golvingen naderen of wijken; als door een grafwind worden deze heillooze drommen voortgestuwd, teruggedrongen, uitgezet, en verdreven. Wat is een gevecht? Een trilling. De onbeweeglijkheid van een wiskunstig plan rekent bij minuten, niet bij dagen. Een veldslag kan alleen een bij uitstek groot schilder malen, die al wat de wereld bevat in zijn penseel heeft; Rembrandt is daartoe beter dan Van der Meulen. Van der Meulen, die des middags nauwkeurig is, liegt te drie uren. De meetkunde bedriegt: alleen de orkaan is waar. Dit geeft aan Folard het recht Polybius tegen te spreken. Voegen wij hierbij dat er altijd een zeker oogenblik is, dat de veldslag in afzonderlijke gevechten ontaardt en zich in ontelbare kleine feiten splitst, die, om Napoleon’s eigen woorden te gebruiken, „veeleer tot de geschiedenis der regimenten, dan tot die van het leger behooren.” In zoodanig geval heeft de geschiedschrijver onbetwistbaar het recht tot samendringen. Hij kan slechts de hoofdomtrekken van den strijd geven, en geen verhaler, hoe nauwgezet ook, kan nauwkeurig den vorm van die vreeselijke wolk bepalen, welke een veldslag wordt genoemd. Dit is ten aanzien van alle groote gewapende schokken waar, en vooral op Waterloo van toepassing.

Des namiddags evenwel, op een zeker oogenblik, werd de veldslag duidelijker.

Zesde hoofdstuk.Des namiddags te vier uren.Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel, Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins van Oranje den Hollanders-Belgen toe: „Nassau! Brunswijk! nimmer terug!” Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de Engelschen den Franschen het vaandelvan het 105elinie-regiment ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met een kogel door ’t hoofd gedood. Wellington had in den slag twee steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van het Duitschebataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven, Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen, van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine stond, en Chassé, die te Braine-l’Alleud was.Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, ’t welk te dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat, waar beide wegen elkander kruisen. ’t Is een gebouw uit de zestiende eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen, die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaanverkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.’t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend, in het hooge koren.Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintigbataljonste zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse waar thans het zoogenaamde „museum van Waterloo” is, achter aardzakken gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. ’t Was de andere helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby vernietigd was, bleef nog Somerset over.De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het regende kogels. Zijn adjudant Gordonviel aan zijn zijde. Lord Hill vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:—Mylord, welke instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?—„Te doen gelijk ik,” antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch: „Hier blijven tot den laatsten man.”—De dag nam blijkbaar een slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, Vittoria en Salamanca toe: „Boys(jongens)! hoe kan men aan wijken denken? denkt aan Oud-Engeland!”Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte, waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington trok terug.—Het begin van den aftocht! riep Napoleon.

Zesde hoofdstuk.Des namiddags te vier uren.

Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel, Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins van Oranje den Hollanders-Belgen toe: „Nassau! Brunswijk! nimmer terug!” Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de Engelschen den Franschen het vaandelvan het 105elinie-regiment ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met een kogel door ’t hoofd gedood. Wellington had in den slag twee steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van het Duitschebataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven, Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen, van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine stond, en Chassé, die te Braine-l’Alleud was.Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, ’t welk te dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat, waar beide wegen elkander kruisen. ’t Is een gebouw uit de zestiende eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen, die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaanverkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.’t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend, in het hooge koren.Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintigbataljonste zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse waar thans het zoogenaamde „museum van Waterloo” is, achter aardzakken gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. ’t Was de andere helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby vernietigd was, bleef nog Somerset over.De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het regende kogels. Zijn adjudant Gordonviel aan zijn zijde. Lord Hill vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:—Mylord, welke instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?—„Te doen gelijk ik,” antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch: „Hier blijven tot den laatsten man.”—De dag nam blijkbaar een slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, Vittoria en Salamanca toe: „Boys(jongens)! hoe kan men aan wijken denken? denkt aan Oud-Engeland!”Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte, waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington trok terug.—Het begin van den aftocht! riep Napoleon.

Tegen vier uren was de toestand van het Engelsche leger hachelijk. De prins van Oranje commandeerde het centrum, Hill den rechtervleugel, Picton den linkervleugel. Vol vuur en onverschrokken riep de prins van Oranje den Hollanders-Belgen toe: „Nassau! Brunswijk! nimmer terug!” Hill, die verzwakt was, had zich tegen Wellington geleund. Picton was gesneuveld. In hetzelfde oogenblik, dat de Engelschen den Franschen het vaandelvan het 105elinie-regiment ontnamen, hadden de Franschen den Engelschen generaal Picton met een kogel door ’t hoofd gedood. Wellington had in den slag twee steunpunten, Hougomont en la Haie-Sainte; Hougomont verdedigde zich nog, maar stond in brand; La Haie-Sainte was genomen. Van het Duitschebataljon, dat haar verdedigde, waren nog slechts twee en veertig man over; op vijf na waren al de officieren gesneuveld of gevangen genomen. In die schuur hadden drie duizend strijders elkander verdelgd. Een sergeant der Engelsche garde, de eerste bokser van Engeland, dien zijn krijgsmakkers onkwetsbaar beschouwden, werd er door een kleinen Franschen tamboer gedood. Baring was verdreven, Alten was nedergesabeld. Verscheidene vaandels waren verloren, daarbij een van de divisie-Alten, en een van het bataljon Lunenburg, dat door een prins van het geslacht van Tweebruggen gedragen was. De grijze Schotten bestonden niet meer; de zware dragonders van Ponsonby waren neergehouwen. Deze dappere cavalerie had gebogen voor de lanciers van Bro en de kurassiers van Travers; van de twaalfhonderd paarden waren zeshonderd overgebleven; van de drie luitenant-kolonels lagen twee ter aarde, Hamilton gekwetst, Mater gesneuveld. Ponsonby was gevallen, van zeven lanssteken doorboord. Gordon was dood, Marsh was dood. Twee divisiën, de vijfde en de zesde, waren vernield.

Nu Hougomont aangegrepen en la Haie-Sainte genomen was, bleef er nog slechts een knoop door te hakken, het centrum. Deze hield nog altijd vast. Wellington versterkte het. Hij riep er Hill, die te Merbe-Braine stond, en Chassé, die te Braine-l’Alleud was.

Het centrum van het Engelsche leger, eenigszins hol, zeer dicht ineengedrongen, had een sterke stelling. Het bezette de vlakte van Mont-Saint-Jean, had achter zich het dorp en voor zich de toen tamelijk steile glooiing. Het steunde tegen dat hechte steenen huis, ’t welk te dien tijde een domein van Nivelles was en bij den viersprong staat, waar beide wegen elkander kruisen. ’t Is een gebouw uit de zestiende eeuw, en zoo sterk, dat de kanonskogels er op afstuitten, zonder het te beschadigen. Hier en daar hadden de Engelschen in de doornhagen, die de vlakte omgeven, schietgaten gesneden, tusschen de takken den mond van een kanon geplaatst, en van het kreupelhout verschansingen gemaakt. Hun artillerie lag achter het struikgewas in hinderlaag. Dit verraderlijk werk, schoon door den oorlog gewettigd, die krijgslisten toelaat, was zoo goed uitgevoerd, dat Haxo die des ochtends te negen uren door den keizer werd gelast de vijandelijke batterijen te gaanverkennen, er niets van gezien had, en terugkwam met het bericht aan Napoleon, dat er geen andere hinderpalen bestonden dan de twee barricaden, die de wegen van Nivelles en Genappe versperden.

’t Was in den tijd, dat het graan hoog staat; aan den zoom der vlakte lag een bataljon der brigade Kempt, het 95e, met buksen gewapend, in het hooge koren.

Aldus beveiligd en gerugsteund, had het centrum van het Engelsch-Hollandsche leger een goede stelling.

Het gevaar voor deze stelling was het bosch van Soignes, dat destijds aan het slagveld grensde en door de vijvers van Groenendael en Boitsfort doorsneden was. Een leger kon er niet in terugtrekken, zonder zich geheel op te lossen; de regimenten zouden onvermijdelijk uiteen zijn geraakt. De artillerie zou in de moerassen blijven steken. Volgens de meening van verscheidene deskundigen, die evenwel door anderen bestreden wordt, zou een terugtocht een algemeene vlucht zijn geworden.

Wellington voegde bij dit centrum een brigade van Chassé, die van den rechtervleugel was genomen, en een brigade van Wincke, van den linkervleugel, bovendien de divisie Clinton. Aan zijn Engelschen, aan de regimenten van Halkett, aan de brigade van Mitchell, aan de garde van Martland, gaf hij tot borstwering en steun de infanterie van Brunswijk, het contingent van Nassau, de Hanoveranen van Kielmansegge en de Duitschers van Ompteda. Hiermede had hij zes en twintigbataljonste zijner beschikking. De rechtervleugel werd, zooals Charras zegt, achter het centrum geschoven. Een groote batterij was, ter plaatse waar thans het zoogenaamde „museum van Waterloo” is, achter aardzakken gemaskeerd. Wellington had buitendien in een laagte de dragonders der garde van Somerset, sterk veertienhonderd paarden. ’t Was de andere helft der zoo terecht beroemde Engelsche cavalerie. Toen Ponsonby vernietigd was, bleef nog Somerset over.

De batterij, die, voltooid, schier een schans zou zijn geweest, stond achter een zeer lagen tuinmuur, die in de haast met aardzakken en een breed aarden voetstuk was bekleed. Dat werk was niet voltooid, men had den tijd niet gehad het te palissadeeren.

Wellington, bekommerd, doch koelbloedig, zat te paard en bleef den geheelen dag in dezelfde houding, een weinig vóór den ouden molen van Mont-Saint-Jean, die nog bestaat, onder een olm, dien later een Engelsch wandaal voor tweehonderd francs kocht, deed afzagen en medenam. Wellington was daar een koelbloedig held. Het regende kogels. Zijn adjudant Gordonviel aan zijn zijde. Lord Hill vroeg, terwijl hij hem op een springende bom wees:—Mylord, welke instructiën en bevelen laat gij ons, zoo ge mocht vallen?—„Te doen gelijk ik,” antwoordde Wellington. Tot Clinton zeide hij lakonisch: „Hier blijven tot den laatsten man.”—De dag nam blijkbaar een slecht einde. Wellington riep zijn oude wapenbroeders van Talavera, Vittoria en Salamanca toe: „Boys(jongens)! hoe kan men aan wijken denken? denkt aan Oud-Engeland!”

Tegen vier uren maakte de Engelsche linie een achterwaartsche beweging. Eensklaps zag men op de hoogte niets meer dan de artillerie en de tirailleurs, het overige was verdwenen; de door de Fransche houwitsers en kogels verjaagde regimenten trokken af naar de laagte, waardoor thans nog het voetpad naar Mont-Saint-Jean loopt; er ontstond een achterwaartsche beweging, het Engelsche legerfront week, Wellington trok terug.—Het begin van den aftocht! riep Napoleon.

Zevende hoofdstuk.Napoleon in goede luim.De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld, was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man, die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts aan God.Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het dat Cesar lachte.Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen, met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon, van Frischemont tot Braine l’Alleud, verlichtten, scheen het hem, dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeftdezen fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen: „Wij zijn het eens.” Napoleon bedroog zich. Zij waren ’t niet eens.Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij had aan Bertrand gezegd: „’t is de Engelsche achterhoede, die zich in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen.” Hij sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, ’t welk hem den 1enMaart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep: „Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!” In den nacht van den 17 op den 18 Juni schertste hij over Wellington.—„Deze kleine Engelschman heeft een les noodig,” zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde, terwijl de keizer sprak.Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den slag afwachtte.—„Des te beter,” had Napoleon geroepen. „Ik werp ze liever overhoop, dan ze achteruit te drijven.”Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid, daarbij tot Soult zeggende: „Een fraai schaakbord!”Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen, die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder ontbijt, ’t geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney te zeggen: „Wijhebben negentig kansen van de honderd.” Te acht uren had men ’s keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, had gezegd: „het bal is vandaag.” De keizer had met Ney geschertst, die zeide:„Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te wachten.” Zoo was overigens zijn gewoonte. „Hij schertste gaarne,” zegt Fleury de Chaboulon. „De grond van zijn karakter was een vroolijke opgewektheid,” zegt Gourgaud. „Hij vloeide over van kwinkslagen, die eer zonderling dan geestig waren,” zegt Benjamin Constant. Deze vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij noemde zijn grenadiers „grombaarden;” hij kneep hen in de ooren, trok hen aan den knevel. „De keizer heeft altijd grappen met ons,” zeide een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik deZephirde brikl’Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg aan denInconstantberichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: „de keizer bevindt zich wel.” Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo, bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan ’t hoofd, met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige, uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!Van negen tot half elf ure had het geheele leger—’t geen schier ongelooflijk schijnt—positie genomen en zich in zes liniën geschaard, die, om ’s keizers uitdrukking te bezigen, „de figuur van zes V’s” vormden.Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht voorafgaat, had de keizer,—toen hij de driebatterijen twaalfponders zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om ’t gevecht te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van Nivelles en Genappe zich kruisen,—Haxo op den schouder geklopt en gezegd: „Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!”Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste korps bij ’t voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden opeengedrongen zag, zeide hij: „Dit is jammer.”Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden, waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren ’s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk; ’t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander wapentuig gevonden.Scabrâ rubigine.Voor eenige jaren heeft men er een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf aan den kogel was afgebroken. ’t Was op dit laatste standpunt, dat de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te verbergen, zeide:—„Domoor, ’t is schande. Gij zult u in den rug laten dooden.” Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing van deze hoogte, bij ’t omwroeten van ’t zand, de overblijfselen van den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen zijn vingers braken.De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten, zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni 1815 waren. Door van dien doodsakker de aardeaf te nemen, die tot oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, riep hij: „Men heeft mijn slagveld veranderd.” Waar thans de groote aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van verre niet kon gezien worden.Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l’Alleud is evenals Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was ’t een holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij ’t binnenkomen van Braine-l’Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een kar verplet werd, ’t geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, waarop de naam van den gedoode:Monsieur Bernard Debrye, marchand à Bruxelles, en de dagteekeningvan het ongeluk,fevrier16371te lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, en daardoor verschrikkelijk.1Het opschrift luidt aldus:D O MCY A ETE ECRASEPAR MALHEURSOUS UN CHARIOTMONSIEUR BERNARDDE BRYE MARCHANDA BRUXELLE LE (onleesbaar)FEBVRIER 1637.

Zevende hoofdstuk.Napoleon in goede luim.

De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld, was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man, die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts aan God.Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het dat Cesar lachte.Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen, met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon, van Frischemont tot Braine l’Alleud, verlichtten, scheen het hem, dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeftdezen fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen: „Wij zijn het eens.” Napoleon bedroog zich. Zij waren ’t niet eens.Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij had aan Bertrand gezegd: „’t is de Engelsche achterhoede, die zich in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen.” Hij sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, ’t welk hem den 1enMaart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep: „Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!” In den nacht van den 17 op den 18 Juni schertste hij over Wellington.—„Deze kleine Engelschman heeft een les noodig,” zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde, terwijl de keizer sprak.Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den slag afwachtte.—„Des te beter,” had Napoleon geroepen. „Ik werp ze liever overhoop, dan ze achteruit te drijven.”Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid, daarbij tot Soult zeggende: „Een fraai schaakbord!”Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen, die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder ontbijt, ’t geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney te zeggen: „Wijhebben negentig kansen van de honderd.” Te acht uren had men ’s keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, had gezegd: „het bal is vandaag.” De keizer had met Ney geschertst, die zeide:„Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te wachten.” Zoo was overigens zijn gewoonte. „Hij schertste gaarne,” zegt Fleury de Chaboulon. „De grond van zijn karakter was een vroolijke opgewektheid,” zegt Gourgaud. „Hij vloeide over van kwinkslagen, die eer zonderling dan geestig waren,” zegt Benjamin Constant. Deze vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij noemde zijn grenadiers „grombaarden;” hij kneep hen in de ooren, trok hen aan den knevel. „De keizer heeft altijd grappen met ons,” zeide een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik deZephirde brikl’Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg aan denInconstantberichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: „de keizer bevindt zich wel.” Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo, bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan ’t hoofd, met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige, uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!Van negen tot half elf ure had het geheele leger—’t geen schier ongelooflijk schijnt—positie genomen en zich in zes liniën geschaard, die, om ’s keizers uitdrukking te bezigen, „de figuur van zes V’s” vormden.Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht voorafgaat, had de keizer,—toen hij de driebatterijen twaalfponders zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om ’t gevecht te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van Nivelles en Genappe zich kruisen,—Haxo op den schouder geklopt en gezegd: „Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!”Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste korps bij ’t voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden opeengedrongen zag, zeide hij: „Dit is jammer.”Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden, waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren ’s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk; ’t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander wapentuig gevonden.Scabrâ rubigine.Voor eenige jaren heeft men er een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf aan den kogel was afgebroken. ’t Was op dit laatste standpunt, dat de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te verbergen, zeide:—„Domoor, ’t is schande. Gij zult u in den rug laten dooden.” Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing van deze hoogte, bij ’t omwroeten van ’t zand, de overblijfselen van den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen zijn vingers braken.De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten, zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni 1815 waren. Door van dien doodsakker de aardeaf te nemen, die tot oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, riep hij: „Men heeft mijn slagveld veranderd.” Waar thans de groote aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van verre niet kon gezien worden.Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l’Alleud is evenals Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was ’t een holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij ’t binnenkomen van Braine-l’Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een kar verplet werd, ’t geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, waarop de naam van den gedoode:Monsieur Bernard Debrye, marchand à Bruxelles, en de dagteekeningvan het ongeluk,fevrier16371te lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, en daardoor verschrikkelijk.

De keizer, hoewel ziek en te paard door een plaatselijk lijden gekweld, was nooit in een betere luim dan dien dag geweest. Sedert den morgen glimlachte hij, de ondoorgrondelijke. Den 18 Juni 1815 schitterde deze diepe ziel, achter marmer verscholen, als in den blinde. De man, die te Austerlitz somber was geweest, was vroolijk bij Waterloo. De gewichtigste toestanden hebben dergelijke tegenstrijdigheden. Onze vreugd is als een schaduw. De volmaakte glimlach behoort slechts aan God.

Ridet Cæsar, Pompeius flebit, zeiden de soldaten van het legioen Fulminatrix. Pompejus mocht ditmaal niet weenen, maar zeker is het dat Cesar lachte.

Toen hij den vorigen nacht ten één ure, te paard, in storm en regen, met Bertrand, de hoogten in den omtrek verkende, en tevreden de lange linie der Engelsche bivouakvuren zag, welke den geheelen horizon, van Frischemont tot Braine l’Alleud, verlichtten, scheen het hem, dat het noodlot, door hem op een bepaalden dag op het slagveld van Waterloo gedaagd, stipt aan zijn bevelen gehoorzaamde; hij had zijn paard stil doen staan en eenige oogenblikken bewegingloos naar de bliksemstralen gezien en naar den donder gehoord; en men heeftdezen fatalist in de duisternis deze geheimzinnige woorden hooren zeggen: „Wij zijn het eens.” Napoleon bedroog zich. Zij waren ’t niet eens.

Hij had zich geen minuut slaaps gegund; al de oogenblikken van dien nacht waren voor hem door een vreugde gekenmerkt. Hij was langs de geheele linie der zware garde gereden en had hier en daar stil gehouden, om de schildwachten toe te spreken. Ten half drie ure had hij bij het bosch van Hougomont den stap eener marcheerende kolonne gehoord; hij meende een oogenblik, dat Wellington terugtrok. Hij had aan Bertrand gezegd: „’t is de Engelsche achterhoede, die zich in beweging stelt om het veld te ruimen. Ik zal de zes duizend Engelschen gevangen nemen, die te Ostende zijn aangekomen.” Hij sprak met opgeruimdheid; hij had dat vuur wedergevonden, ’t welk hem den 1enMaart bij zijn landing bezielde, toen hij in de golf Juan den grootmaarschalk op den verrukten boer wees, en uitriep: „Nu, Bertrand, ziedaar reeds versterking!” In den nacht van den 17 op den 18 Juni schertste hij over Wellington.—„Deze kleine Engelschman heeft een les noodig,” zeide Napoleon. De regen nam toe; het donderde, terwijl de keizer sprak.

Des morgens ten half vier had hij een illusie verloren; de officieren ter verkenning uitgezonden hadden hem bericht dat de vijand geen beweging maakte. Niets verroerde zich; geen enkel bivouakvuur was uitgedoofd. Het Engelsche leger sliep. Diepe stilte heerschte op de aarde; slechts in den hemel was gerucht. Te vier uren hadden de veldontdekkers hem een boer gebracht; deze boer had een brigade Engelsche ruiterij tot gids gediend, waarschijnlijk de brigade Vivian, die het dorp Ohain aan den uitersten linkervleugel ging bezetten. Te vijf uren hadden twee Belgische deserteurs hem gemeld, dat zij hun regiment verlaten hadden, en dat het Engelsche leger den slag afwachtte.—„Des te beter,” had Napoleon geroepen. „Ik werp ze liever overhoop, dan ze achteruit te drijven.”

Des morgens was hij op den kant van den weg van Plancenoit in het slijk afgestegen, had zich uit de hoeve van Rossomme een keukentafel en een boerenstoel doen brengen, was gaan zitten, met een bos stroo als tapijt, en had op de tafel de kaart van het slagveld uitgespreid, daarbij tot Soult zeggende: „Een fraai schaakbord!”

Ten gevolge van den regen des nachts had de toevoer van levensmiddelen, die in de drassige wegen waren blijven steken, des morgens niet kunnen aankomen; de soldaat had niet geslapen, was doornat, en zonder ontbijt, ’t geen Napoleon evenwel niet belet had blijmoedig tot Ney te zeggen: „Wijhebben negentig kansen van de honderd.” Te acht uren had men ’s keizers ontbijt gebracht. Hij had verscheidene generaals genoodigd. Onder het ontbijt had men verhaald, dat Wellington den vorigen dag te Brussel op het bal bij de hertogin van Somerset was geweest, en Soult, de ruwe krijgsman met zijn aartsbisschopsgezicht, had gezegd: „het bal is vandaag.” De keizer had met Ney geschertst, die zeide:„Wellington zal zoo dom niet zijn Uwe Majesteit te wachten.” Zoo was overigens zijn gewoonte. „Hij schertste gaarne,” zegt Fleury de Chaboulon. „De grond van zijn karakter was een vroolijke opgewektheid,” zegt Gourgaud. „Hij vloeide over van kwinkslagen, die eer zonderling dan geestig waren,” zegt Benjamin Constant. Deze vroolijkheid van een reus verdient, dat men er bij stilsta. Hij noemde zijn grenadiers „grombaarden;” hij kneep hen in de ooren, trok hen aan den knevel. „De keizer heeft altijd grappen met ons,” zeide een hunner. Op den geheimzinnigen overtocht van Elba naar Frankrijk ontmoette, den 27 Februari in volle zee, de Fransche oorlogsbrik deZephirde brikl’Inconstant, waarop Napoleon verborgen was, en vroeg aan denInconstantberichten nopens Napoleon. De keizer, die op dat oogenblik nog de rood-en-witte kokarde met beien bezaaid, op zijn hoed had, welke kokarde hij op het eiland Elba had aangenomen, had glimlachend de spreektrompet genomen en zelf geantwoord: „de keizer bevindt zich wel.” Die dus weet te schertsen, is gemeenzaam met de gebeurtenissen. Napoleon had, gedurende het ontbijt van Waterloo, bij herhaling zulke opwellingen van vroolijkheid. Na het ontbijt had hij een kwartieruurs nagedacht; vervolgens hadden twee generaals met een pen in de hand en een blad papier op de knieën op een bos stroo plaats genomen; en de keizer had hun de slagorde gedicteerd.

Te negen uren, toen het Fransche leger, geëcheloneerd en in vijf kolonnen in beweging gesteld, zich ontwikkeld had, de divisiën in twee liniën, de artillerie tusschen de brigades, met de muziek aan ’t hoofd, met slaande trommen, met schetterende trompetten, als een machtige, uitgestrekte, vroolijke zee van helmen, sabels en bajonetten, had de keizer, tot twee maal toe bewogen uitgeroepen: heerlijk! heerlijk!

Van negen tot half elf ure had het geheele leger—’t geen schier ongelooflijk schijnt—positie genomen en zich in zes liniën geschaard, die, om ’s keizers uitdrukking te bezigen, „de figuur van zes V’s” vormden.

Weinige oogenblikken nadat het front in slagorde was gesteld, en te midden der diepe stilte van het begin des storms, die het gevecht voorafgaat, had de keizer,—toen hij de driebatterijen twaalfponders zag voorbijrijden, welke op zijn bevel van de drie korpsen van Erlon, van Reille en van Lobau waren genomen en bestemd waren om ’t gevecht te beginnen door Mont-Saint-Jean aan te vallen, waar de wegen van Nivelles en Genappe zich kruisen,—Haxo op den schouder geklopt en gezegd: „Dat zijn vierentwintig schoone meisjes, generaal!”

Zeker van den uitslag, had hij de kompagnie sapeurs van het eerste korps bij ’t voorbijtrekken met een glimlach aangemoedigd; die kompagnie was bestemd om zich in Mont-Saint-Jean te versterken, zoodra het dorp genomen zou zijn. Deze opgeruimdheid was slechts door een woord van trotsch medelijden afgebroken geworden: toen hij aan zijn linkerhand, ter plaatse waar thans een groot graf is, de bewonderenswaardige grijze Schotten met hunne heerlijke paarden opeengedrongen zag, zeide hij: „Dit is jammer.”

Vervolgens was hij te paard gestegen, tot voor Rossomme gereden, waar hij een kleine grashoogte ter rechterzijde van den weg van Genappe naar Brussel tot observatorium koos, zijnde dit zijn tweede standpunt gedurende den slag. Zijn derde standpunt, dat van zeven uren ’s avonds, tusschen la Belle Alliance en la Haie-Sainte, is ontzaglijk; ’t is een tamelijk hooge terp, die nog aanwezig is, en waarachter de garde zich in een helling der vlakte had samengetrokken. Om dien heuvel keilden de kanonskogels op de steenen van den straatweg tot bij Napoleon. Evenals te Brienne had hij boven zijn hoofd het gefluit van kanons- en geweerkogels. Men heeft, nagenoeg ter plaatse waar zijn paard stond, stukken van kogels, van sabelklingen en ander wapentuig gevonden.Scabrâ rubigine.Voor eenige jaren heeft men er een nog geladen zestigpondskogel opgegraven, welks laadpijp stijf aan den kogel was afgebroken. ’t Was op dit laatste standpunt, dat de keizer tot zijn gids Lacoste, een vijandigen, beangsten boer, die aan den zadel van een huzaar was gebonden en zich telken reize bij het springen van een bom omkeerde en zich achter Napoleon trachtte te verbergen, zeide:—„Domoor, ’t is schande. Gij zult u in den rug laten dooden.” Hij, die deze regels schrijft, heeft zelf in de mulle glooiing van deze hoogte, bij ’t omwroeten van ’t zand, de overblijfselen van den hals eener bom gevonden, half verteerd door de roest van zes en veertig jaren, en stukken oud ijzer, die als vliertakjes tusschen zijn vingers braken.

De golvende vlakte, waar Napoleon en Wellington elkander ontmoetten, zijn thans niet meer, gelijk men weet, zooals zij den 18 Juni 1815 waren. Door van dien doodsakker de aardeaf te nemen, die tot oprichting van een gedenkteeken moest dienen, heeft men hem zijn eigenlijke gedaante ontnomen, en de ontstemde geschiedenis kan er zich niet meer vinden. Om dat veld te verheerlijken heeft men het misvormd. Toen Wellington twee jaren later Waterloo wederzag, riep hij: „Men heeft mijn slagveld veranderd.” Waar thans de groote aarden-piramide met den leeuw staat, was een hoogte, die met een bruikbaren afweg naar Nivelles liep, doch naar den kant van Genappe zeer steil was. De hoogte dezer steilte kan thans nog afgemeten worden naar de hoogte van de twee grafheuvelen, waarlangs de weg van Genappe naar Brussel loopt, links het Engelsche graf, rechts het Duitsche. Er is geen Fransch graf. De geheele vlakte is voor Frankrijk een graf. Ten gevolge der duizenden en duizenden karren gronds, die voor den honderd vijftig voet hoogen en een halve mijl in omvang grooten heuvel zijn gebezigd, is het bergplat van Mont-Saint-Jean thans langs een zachte helling genaakbaar; op den dag van den veldslag was het, voornamelijk aan de zijde van la Haie-Sainte, ruw en steil. De glooiing was daar zoo steil, dat de Engelsche artillerie de hoeve, in de diepte van het dal gelegen, en die het middelpunt van den slag was, niet onder zich konde zien. De regen had op den 18 Juni 1815 dezen weg nog uitgehold, het slijk bemoeielijkte de beklimming, zoodat men bij het klauteren er inzonk. Langs den top van het bergplat liep een diepte, die van verre niet kon gezien worden.

Wij zullen zeggen wat deze diepte was, Braine-l’Alleud is evenals Ohain een Belgisch dorp. Deze beide dorpen zijn tusschen de krommingen van het terrein verborgen en verbonden door een weg van omstreeks anderhalf uur, die over een golvende vlakte loopt en dikwerf als een vore de heuvels doorsnijdt, zoodat hij op vele plaatsen een hollen weg vormt. In 1815, evenals thans, doorsneed deze weg den top van het bergplat Mont-Saint-Jean tusschen de twee groote wegen van Genappe en Nivelles; thans is hij gelijk met de vlakte, maar toen was ’t een holle weg. Men heeft de glooiingen ter weerszijden tot materieel voor het monument gebruikt. Deze weg was en is nog bijna langs zijn geheele uitgestrektheid een doorsnijding, die soms twaalf voet diep is en welks steile kanten, vooral des winters, bij stortregens, hier en daar instortten. Er gebeurden dan soms ongelukken. Bij ’t binnenkomen van Braine-l’Alleud was de weg zoo smal, dat een voorbijganger er door een kar verplet werd, ’t geen een steenen kruis bij het kerkhof aanduidt, waarop de naam van den gedoode:Monsieur Bernard Debrye, marchand à Bruxelles, en de dagteekeningvan het ongeluk,fevrier16371te lezen staan. Op het plat van Mont-Saint-Jean was deze weg zoo diep dat een boer, Mathieu Nicaise, er bedolven werd onder de instorting van den kant, zooals een ander steenen kruis aanduidt, welks top tengevolge der ontginningen is verloren gegaan, doch waarvan het omgeworpen voetstuk nog te zien is op het gras van de helling ter linkerzijde van den weg tusschen la Haie-Sainte en de hoeve van Mont-Saint-Jean.

Op den dag van den veldslag was deze holle weg, die door niets werd aangeduid, en langs den top van Mont-Saint-Jean liep, een groeve boven aan de steilte, een in den grond verborgen poel, onzichtbaar, en daardoor verschrikkelijk.

1Het opschrift luidt aldus:D O MCY A ETE ECRASEPAR MALHEURSOUS UN CHARIOTMONSIEUR BERNARDDE BRYE MARCHANDA BRUXELLE LE (onleesbaar)FEBVRIER 1637.

1Het opschrift luidt aldus:

D O MCY A ETE ECRASEPAR MALHEURSOUS UN CHARIOTMONSIEUR BERNARDDE BRYE MARCHANDA BRUXELLE LE (onleesbaar)FEBVRIER 1637.


Back to IndexNext