Boek VI.Klein Picpus.Eerste hoofdstuk.Kleine Picpus-straat No. 62.Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien, die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk mede te nemen. ’t Was echter een somber oord, dat men had gezien.De ingang lachte; het huis bad en weende.Zoo men er in slaagde, ’t geen niet gemakkelijk was, den portier voorbij te komen—iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker machtwoord bezat—en men rechts een klein portaal binnenging, waar, tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken en men ’t waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming, waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer zes voet in ’t vierkant; ’t was zindelijk, kil, met steenen bevloerd en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht viel door een groot venster met kleine ruiten, dat linksde geheele breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand; men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur een opening van ongeveer een voet in ’t vierkant, met een traliewerk van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten—ik had schier mazen gezegd,—vormden, van omstreeks anderhalven duim. De groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou ’t hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd, kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing een schelkoord.Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht bij zich een stem dat men er van schrikken zou.„Wie is daar?” vroeg de stem.’t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er treurig van werd.Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf aan de andere zijde ware geweest.Zoo men het woord kende hernam de stem:„Ga ter rechterzijde binnen.”Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering, waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve duisternis gewoon was geworden, beproefdehet door de traliën te zien, maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij waren altijd gesloten.Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden roepen en vragen:„Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?”’t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn graf sprak.In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren, werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën, achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd, waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een zinnebeeld.De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men niets zag, zelfs geen spookbeelden.Wat men zag was het binnenste eens kloosters.Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, ’t welk men het klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge, waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had,zonder venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van dit gewijde oord zien.Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,—er was licht, leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben kunnen spreken.Tweede hoofdstuk.De regel van Martinus Verga.Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van Martinus Verga.Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te Alcala was.Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië, de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen, de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen, de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt van Molesme in de diocees van Langres. ’t Wasin 529 dat de duivel, die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den ouden tempel van Apollo werd gejaagd.Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga de strengste. Zij zijn in ’t zwart gekleed met een borstdoek die, volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben „de eeuwige aanbidding,” evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen van het H. Sacrament worden genoemd, en in ’t begin dezer eeuw te Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen, waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid, het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus Verga terug.De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthoudenzich het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur ’s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte, veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken, drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, ’t geen de langst mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen.Onder de predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de aartsbisschop van de diocees.Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel aan de knie.Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste zelfverloochening. Zooals op Christus’ stemut voci Christi, op een gebaar, bij den eersten wenk,ad nutum, ad primum signum, dadelijk, met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,promptè, hilariter, perseveranter, et cœcâ quadam obedientiâ, gelijk de vijl in de hand van den werkman,quasi liman in manibus fabri, niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.Beurtelings verricht ieder wat zij de „verzoening” noemen. Deze verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden.alle misslagen, alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren ’s avonds tot vier uren ’s morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen der wereld. Dit is grootsch, verheven!Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt, zegt men eveneens „aan den paal zijn” als „om verzoening bidden.” De nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur, die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.„Om verzoening bidden” is eene daad, die de geheele ziel vervult. De non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel, het hoofd niet wenden.Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van ’t verderf der ziel zijn.Zij noemen het woordmijnniet. Zij bezitten niets en mogen aan niets gehecht zijn. Zij noemen alles „het onze,” bij voorbeeld: onze sluier, onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij „ons hemd” zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen, dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke dame, toen zij in haar orde trad zeide: „Vergun, moeder, dat ik een heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben.”—„Ha! zijt ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn.”Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkanderontmoeten, zegt de eene:„Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!” De andere antwoordt: „In alle eeuwigheid!” Hetzelfde heeft plaats als de eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze „oefeningen” werktuiglijk; en vaak zegt de eene „in alle eeuwigheid” voor de andere den tijd heeft gehad te zeggen: „Geëerd en geloofd zij het allerheiligste Sacrament des altaars!” dat tamelijk lang is.Bij de visitandinen zegt de binnentredendeAve Maria, en de andere antwoordt:Gratiâ plena. ’t Is haar „goeden morgen”, die inderdaad „vol gratie” is.Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters, leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken, en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: „Te vijf uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd.” Is het acht uren: „Te acht uren enz” en zoo vervolgens bij elk uur dat slaat.Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: „Op dit uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!”De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje in ’t missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: „Jezus, Maria, Jozef!” Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag, dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende treurige uitwerking voort.De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder doen maken voor de begraving harer zusters. Het „gouvernement”, zooals zij ’t noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.Zij hadden echter de vergunning verkregen, om—een geringe troost—op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger aan het klooster behoord had.Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezetal de kleine heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer: „De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst.”Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en leggen luid de „penitentie” op.Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat zij hetCulpanoemen. Men legt zich om dezeCulpate doen, plat op den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit anders dan „moeder” wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht dieCulpavoor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier, een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijnCulpate doen. HetCulpais geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder een psalm die met Ecce begon, maar in plaats vanEccezong zijut,si,sol, en onderging voor deze verstrooidheid eenCulpagedurende den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat het geheele kapittel gelachen had.Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande onderhandelingen. Zoo ’t een vrouw is, wordt de vergunning soms verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden, die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van 1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.Derde hoofdstuk.Strengheden.Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over, waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, glanst en krult haar ’t haar; dan knielt zij; men spreidt over haar een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij en zegt op treurigen toon: „Onze zuster is dood,” de andere rij antwoordt met helderklinkende stem: „Zij leeft in Jezus Christus!”Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes, waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en de eeuw. Een harer zeide ons eens: „toen ik de straat zag huiverde ik van top tot teen.” Zij waren in ’t blauw gekleed met een wit mutsje op ’t hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten haar kleeding leenen. ’t Verdient opmerking,dat deze vertooningen waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich mede. „’t Was iets nieuws, een verandering.”Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande te zingen.De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen: „in alle eeuwigheid.” Evenals de nonnen spraken de pensionnairen haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde, de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.Vierde hoofdstuk.Vroolijkheid.Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke herinneringen achtergelaten.Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van jeugd overstroomde als ’t ware dezen tuin, die, als een lijkkleed, kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend werd. ’t Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, enieder bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen, stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht verbergt; maar om ’t even! Men was verheugd en lachte. Deze vier doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen van al die vreugde: ’t was als een regen van rozen op een doodschen akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche, bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben, en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven, dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje, van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke, kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach uitlokken. ’t Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig kind eens riep: „Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!”Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:Een kapittel-moeder.„Waarom weent ge, mijn kind?”Het kind.(zes jaar oud) snikkend. „Ik heb aan Alix gezegd, dat ik mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken en ik ken ze”Alix, de groote (negen jaar oud). „Neen, zij kent ze niet.”De moeder: „Waarom niet, mijn kind?”Alix.„Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan, haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden.”„Nu?”„Zij heeft niet geantwoord.”„Spreek, wat hebt ge gevraagd?”„Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de eerste vraag, die ik vond.”„Hoe was deze vraag?”„’t Was:Wat gebeurde er vervolgens?”’t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:„Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch.”Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt, die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet te vergeten:„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te hebben geslagen.”Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:„Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, en hij at de jonge haantjes op.”Dan nog dit gedicht:„Er kwam een stokslag,Polichinel sloeg de kat.’t Deed haar geen goed, maar ’t deed haar pijn.Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis.”’t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en mompelde in haar hoekje:„Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet.”Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De „zeer groote meisjes”—boven de tien jaren—noemden haar Agathoclès1.Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal, die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving, was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden „vol dieren.” Al wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek, den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een dezer vier natiën,al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:„Wie is deze?”„Een spinnekop, Monseigneur!”„Zoo! en gene?”„Een krekel.”„En zij?”„Een rups.”„Zoo waarlijk; en wat zijt gij?”„Ik ben een duizendbeen, Monseigneur.”Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook „troonhemelen” en „wierookvaten,” namelijk zij, die de koorden van den troonhemel droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier „maagden” gingen vooraan. ’t Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag in de slaapzaal kon hooren vragen:„Wie van u is maagd?”Mevrouw Campan verhaalt van een „kleine,” een zevenjarig meisje, dat tot een „groote” van zestien jaren, die aan ’t hoofd der processie ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: „Gij zijt een maagd, en dat ben ik niet.”1Agathe-aux-clefs—(Agatha met de sleutels).Vijfde hoofdstuk.Verstrooidheden.Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit gebed, ’t welk men het „witte Vader ons” noemde en dat de kracht had de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.„Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God in den hemel bracht.„Toen ik ’s avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bijmijn bed liggen, één aan het voeteneinde, twee aan ’t hoofdeinde, de maagd Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven; de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den H. Johannes.—H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van deAve Salus.—Hebt ge er den goeden God niet gezien?—Hij is aan den kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds, en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven.”In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen, of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, en soms ’t geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, wierpen. Dit werd gestraft.Zij, die de stilte stoorde, moest een „kruis met de tong” maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.In het klooster was een boek, waarvan slechts „één exemplaar”is gedrukt, en dat verboden is te lezen. ’t Is de regel van den H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst waren verrast te zullen worden, borgen zij ’t haastig weer weg. Zij hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen, gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt, en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:„Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te leggen, dan steekt men het ooft onder ’t oorkussen en des avonds eet men ’t in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats.”Dit was een harer grootste geneugten.Eenmaal, ’t was wederom bij gelegenheid van een bezoek des aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, maar niemand geloofde er aan. Op ’t oogenblik dat de aartsbisschop voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide: „Monseigneur, een dag vacantie als ’t u belieft.” De jonkvrouw Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: „Wat, mijn lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen u drie dagen!” De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet binnendrongen. Om dit te bewijzenwillen wij hier beknopt een waar, onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts, opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en „madame Albertine” noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide, dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen, die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit haar groote zwarte oogen. ’t Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte, voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: „Men houdt haar voor dood.”—„Zij is ’t misschien,” antwoordde de andere.Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men hetœil de bœufnoemde. ’t Was in deze tribune, met een rond raampje, eenœil de bœuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping, den prediker, of misdoenden priester kon zien; ’t geen aan de nonnen verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830 als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. ’t Was den eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden der stilte, die in de kapel heerschte: „Ziedaar August!” De geheele kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen en de zinnelooze weder een lijk geworden.Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat „ziedaar August!” De heer de Rohan heette werkelijk August. ’t Was stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent, bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis alsMagnates mulierestoegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de oogen neder.Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer zestienjarige meisjes.Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis, welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie, die thans reeds zeer verouderd is: „Mijn Zetulbé, kom, beheersch mijn hart,” en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd, alles beproefd hebben om slechts een seconde den „jongeling” te zien en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen naar de derde verdiepingom zoo mogelijk door de gesloten vensters in de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen eindelijk den „jongeling!” ’t Was een arme, blinde, oude emigrant, die op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.Zesde hoofdstuk.Het kleine klooster.Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond, het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte, grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was, een harlekijns-klooster kunnen noemen.Sedert het Keizerrijk was ’t aan al deze arme, verstoorde, verjaagde geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus hadden ze met welwillendheid ontvangen. ’t Was een zonderling mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven; ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere, de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en van moeder Jakob.Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. ’t Was een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte.In 1824 bleef van deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames, zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort d’Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in ’t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar Vacarmini.1In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein tijdschrift, deIntrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden, zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis nog zeer goed de harp.Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven te verschrikken:Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:Dismas et Gesmas, media est divina potestas;Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,Nos et res nostras conservet summa potestas.Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzenwordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander bewijs dan de slagen der „disciplines” (geeselkoorden), die in de banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.1Vacarme, rumoer.Zevende hoofdstuk.Eenige silhouetten.In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van „Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus.” Zij was herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw, die „als een gebersten pot zong,” zegt de brief, welken wij reeds hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige vroolijke in het klooster en daarom bemind.Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite, de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de geschiedenis, zij verstond Latijn,Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half blinde non.De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine, schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes, moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (MlleGauvain), nog jong, met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (MlleDrouet), die in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mllede Colgolludo), moeder St. Adelaida (Mlled’Averney), moeder Misericordia, (Mllede Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion (Mllede la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia (Mllede Laudinière), moeder Presentatie (Mllede Siguenza), die in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mllede Suzon); welkebeidekrankzinnig werden.Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster moeder Assomption.Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had, gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud, verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aanonbezielde voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd, duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf, de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was een bijzonder getal. Voor de priorin was ’t één en één; voor de onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is, kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een „afschuwelijken ouden bochel” afgeschilderd wordt.Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.Zoodanig was dit merkwaardig huis.Achtste hoofdstuk.Post corda lapides.Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds een denkbeeld.Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galgbesloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus; het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener non uit het klooster werd gedragen. ’t Was de algemeene kerkdeur. De elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin, stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen, verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende, waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat, en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van ’t geen vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, die, „het speelhuis der elf duizend duivels” werd genoemd.Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.Negende hoofdstuk.Een eeuw onder een nonnen borstdoek.Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van ’t geen eertijds het klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil, zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat, met wie zij goed bekend was geweest. ’t Was haar vermaak en trots, bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek en in welk klooster straten waren.Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen, zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige vader.—En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij zeide, dat in haar jeugd „de bernardijnen niet voor de musketiers uit den weg gingen.”’t Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker las men dit opschrift: „apenwijn,” op den tweeden: „leeuwenwijn,” op den derden: „schapenwijn,” op den vierden: „varkenswijn.” Deze vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweedevergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, ’t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de volhardendsten op haar halsstarrigheid.’t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. ’t Was een schotel van Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts, gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl, zooals zij zeide, „het spreekvertrek te somber was.”Tiende hoofdstuk.Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding.Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een andere orde was, waren bruine gordijnenin plaats van zwarte blinden, en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht, geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en in St. Jean en Grève, ontheiligd; ’t was zulk een vreeselijke en zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijkenunciusofficiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door een „Eeuwigdurende aanbidding” in een vrouwenklooster. Beiden, de eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar, genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde „dat geen jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal medebracht.” Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd „geheel nieuw gebouwd” in de straat Cassette voor de gelden der dames de Boucs en de Chateauvieux.Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In 1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin bleven de twee orden geheel gescheiden.Elfde hoofdstuk.Einde van Klein-Picpus.Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven dezer orde in ’t algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt, een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren heengegaan.Volaverunt.De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. ’t Is een onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig jaar, de anderedrieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo nieuw schijnen. ’t Is de gesloten tuin.Hortus conclusus.Wij hebben van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire, die zelfs het kruis bespot.’t Was, in ’t voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire; want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis, zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De vermoording van een wijze.De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van ’t verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in ’t menschelijk hart zijn. Veel wordt gesloopt, en ’t is goed dat men het sloope, mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. ’t Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze beschermt.
Boek VI.Klein Picpus.Eerste hoofdstuk.Kleine Picpus-straat No. 62.Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien, die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk mede te nemen. ’t Was echter een somber oord, dat men had gezien.De ingang lachte; het huis bad en weende.Zoo men er in slaagde, ’t geen niet gemakkelijk was, den portier voorbij te komen—iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker machtwoord bezat—en men rechts een klein portaal binnenging, waar, tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken en men ’t waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming, waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer zes voet in ’t vierkant; ’t was zindelijk, kil, met steenen bevloerd en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht viel door een groot venster met kleine ruiten, dat linksde geheele breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand; men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur een opening van ongeveer een voet in ’t vierkant, met een traliewerk van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten—ik had schier mazen gezegd,—vormden, van omstreeks anderhalven duim. De groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou ’t hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd, kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing een schelkoord.Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht bij zich een stem dat men er van schrikken zou.„Wie is daar?” vroeg de stem.’t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er treurig van werd.Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf aan de andere zijde ware geweest.Zoo men het woord kende hernam de stem:„Ga ter rechterzijde binnen.”Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering, waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve duisternis gewoon was geworden, beproefdehet door de traliën te zien, maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij waren altijd gesloten.Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden roepen en vragen:„Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?”’t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn graf sprak.In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren, werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën, achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd, waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een zinnebeeld.De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men niets zag, zelfs geen spookbeelden.Wat men zag was het binnenste eens kloosters.Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, ’t welk men het klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge, waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had,zonder venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van dit gewijde oord zien.Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,—er was licht, leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben kunnen spreken.Tweede hoofdstuk.De regel van Martinus Verga.Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van Martinus Verga.Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te Alcala was.Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië, de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen, de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen, de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt van Molesme in de diocees van Langres. ’t Wasin 529 dat de duivel, die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den ouden tempel van Apollo werd gejaagd.Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga de strengste. Zij zijn in ’t zwart gekleed met een borstdoek die, volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben „de eeuwige aanbidding,” evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen van het H. Sacrament worden genoemd, en in ’t begin dezer eeuw te Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen, waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid, het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus Verga terug.De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthoudenzich het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur ’s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte, veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken, drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, ’t geen de langst mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen.Onder de predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de aartsbisschop van de diocees.Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel aan de knie.Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste zelfverloochening. Zooals op Christus’ stemut voci Christi, op een gebaar, bij den eersten wenk,ad nutum, ad primum signum, dadelijk, met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,promptè, hilariter, perseveranter, et cœcâ quadam obedientiâ, gelijk de vijl in de hand van den werkman,quasi liman in manibus fabri, niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.Beurtelings verricht ieder wat zij de „verzoening” noemen. Deze verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden.alle misslagen, alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren ’s avonds tot vier uren ’s morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen der wereld. Dit is grootsch, verheven!Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt, zegt men eveneens „aan den paal zijn” als „om verzoening bidden.” De nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur, die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.„Om verzoening bidden” is eene daad, die de geheele ziel vervult. De non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel, het hoofd niet wenden.Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van ’t verderf der ziel zijn.Zij noemen het woordmijnniet. Zij bezitten niets en mogen aan niets gehecht zijn. Zij noemen alles „het onze,” bij voorbeeld: onze sluier, onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij „ons hemd” zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen, dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke dame, toen zij in haar orde trad zeide: „Vergun, moeder, dat ik een heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben.”—„Ha! zijt ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn.”Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkanderontmoeten, zegt de eene:„Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!” De andere antwoordt: „In alle eeuwigheid!” Hetzelfde heeft plaats als de eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze „oefeningen” werktuiglijk; en vaak zegt de eene „in alle eeuwigheid” voor de andere den tijd heeft gehad te zeggen: „Geëerd en geloofd zij het allerheiligste Sacrament des altaars!” dat tamelijk lang is.Bij de visitandinen zegt de binnentredendeAve Maria, en de andere antwoordt:Gratiâ plena. ’t Is haar „goeden morgen”, die inderdaad „vol gratie” is.Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters, leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken, en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: „Te vijf uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd.” Is het acht uren: „Te acht uren enz” en zoo vervolgens bij elk uur dat slaat.Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: „Op dit uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!”De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje in ’t missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: „Jezus, Maria, Jozef!” Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag, dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende treurige uitwerking voort.De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder doen maken voor de begraving harer zusters. Het „gouvernement”, zooals zij ’t noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.Zij hadden echter de vergunning verkregen, om—een geringe troost—op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger aan het klooster behoord had.Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezetal de kleine heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer: „De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst.”Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en leggen luid de „penitentie” op.Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat zij hetCulpanoemen. Men legt zich om dezeCulpate doen, plat op den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit anders dan „moeder” wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht dieCulpavoor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier, een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijnCulpate doen. HetCulpais geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder een psalm die met Ecce begon, maar in plaats vanEccezong zijut,si,sol, en onderging voor deze verstrooidheid eenCulpagedurende den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat het geheele kapittel gelachen had.Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande onderhandelingen. Zoo ’t een vrouw is, wordt de vergunning soms verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden, die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van 1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.Derde hoofdstuk.Strengheden.Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over, waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, glanst en krult haar ’t haar; dan knielt zij; men spreidt over haar een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij en zegt op treurigen toon: „Onze zuster is dood,” de andere rij antwoordt met helderklinkende stem: „Zij leeft in Jezus Christus!”Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes, waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en de eeuw. Een harer zeide ons eens: „toen ik de straat zag huiverde ik van top tot teen.” Zij waren in ’t blauw gekleed met een wit mutsje op ’t hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten haar kleeding leenen. ’t Verdient opmerking,dat deze vertooningen waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich mede. „’t Was iets nieuws, een verandering.”Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande te zingen.De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen: „in alle eeuwigheid.” Evenals de nonnen spraken de pensionnairen haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde, de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.Vierde hoofdstuk.Vroolijkheid.Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke herinneringen achtergelaten.Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van jeugd overstroomde als ’t ware dezen tuin, die, als een lijkkleed, kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend werd. ’t Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, enieder bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen, stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht verbergt; maar om ’t even! Men was verheugd en lachte. Deze vier doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen van al die vreugde: ’t was als een regen van rozen op een doodschen akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche, bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben, en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven, dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje, van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke, kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach uitlokken. ’t Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig kind eens riep: „Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!”Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:Een kapittel-moeder.„Waarom weent ge, mijn kind?”Het kind.(zes jaar oud) snikkend. „Ik heb aan Alix gezegd, dat ik mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken en ik ken ze”Alix, de groote (negen jaar oud). „Neen, zij kent ze niet.”De moeder: „Waarom niet, mijn kind?”Alix.„Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan, haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden.”„Nu?”„Zij heeft niet geantwoord.”„Spreek, wat hebt ge gevraagd?”„Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de eerste vraag, die ik vond.”„Hoe was deze vraag?”„’t Was:Wat gebeurde er vervolgens?”’t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:„Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch.”Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt, die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet te vergeten:„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te hebben geslagen.”Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:„Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, en hij at de jonge haantjes op.”Dan nog dit gedicht:„Er kwam een stokslag,Polichinel sloeg de kat.’t Deed haar geen goed, maar ’t deed haar pijn.Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis.”’t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en mompelde in haar hoekje:„Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet.”Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De „zeer groote meisjes”—boven de tien jaren—noemden haar Agathoclès1.Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal, die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving, was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden „vol dieren.” Al wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek, den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een dezer vier natiën,al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:„Wie is deze?”„Een spinnekop, Monseigneur!”„Zoo! en gene?”„Een krekel.”„En zij?”„Een rups.”„Zoo waarlijk; en wat zijt gij?”„Ik ben een duizendbeen, Monseigneur.”Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook „troonhemelen” en „wierookvaten,” namelijk zij, die de koorden van den troonhemel droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier „maagden” gingen vooraan. ’t Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag in de slaapzaal kon hooren vragen:„Wie van u is maagd?”Mevrouw Campan verhaalt van een „kleine,” een zevenjarig meisje, dat tot een „groote” van zestien jaren, die aan ’t hoofd der processie ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: „Gij zijt een maagd, en dat ben ik niet.”1Agathe-aux-clefs—(Agatha met de sleutels).Vijfde hoofdstuk.Verstrooidheden.Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit gebed, ’t welk men het „witte Vader ons” noemde en dat de kracht had de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.„Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God in den hemel bracht.„Toen ik ’s avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bijmijn bed liggen, één aan het voeteneinde, twee aan ’t hoofdeinde, de maagd Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven; de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den H. Johannes.—H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van deAve Salus.—Hebt ge er den goeden God niet gezien?—Hij is aan den kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds, en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven.”In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen, of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, en soms ’t geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, wierpen. Dit werd gestraft.Zij, die de stilte stoorde, moest een „kruis met de tong” maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.In het klooster was een boek, waarvan slechts „één exemplaar”is gedrukt, en dat verboden is te lezen. ’t Is de regel van den H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst waren verrast te zullen worden, borgen zij ’t haastig weer weg. Zij hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen, gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt, en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:„Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te leggen, dan steekt men het ooft onder ’t oorkussen en des avonds eet men ’t in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats.”Dit was een harer grootste geneugten.Eenmaal, ’t was wederom bij gelegenheid van een bezoek des aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, maar niemand geloofde er aan. Op ’t oogenblik dat de aartsbisschop voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide: „Monseigneur, een dag vacantie als ’t u belieft.” De jonkvrouw Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: „Wat, mijn lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen u drie dagen!” De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet binnendrongen. Om dit te bewijzenwillen wij hier beknopt een waar, onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts, opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en „madame Albertine” noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide, dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen, die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit haar groote zwarte oogen. ’t Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte, voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: „Men houdt haar voor dood.”—„Zij is ’t misschien,” antwoordde de andere.Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men hetœil de bœufnoemde. ’t Was in deze tribune, met een rond raampje, eenœil de bœuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping, den prediker, of misdoenden priester kon zien; ’t geen aan de nonnen verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830 als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. ’t Was den eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden der stilte, die in de kapel heerschte: „Ziedaar August!” De geheele kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen en de zinnelooze weder een lijk geworden.Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat „ziedaar August!” De heer de Rohan heette werkelijk August. ’t Was stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent, bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis alsMagnates mulierestoegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de oogen neder.Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer zestienjarige meisjes.Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis, welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie, die thans reeds zeer verouderd is: „Mijn Zetulbé, kom, beheersch mijn hart,” en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd, alles beproefd hebben om slechts een seconde den „jongeling” te zien en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen naar de derde verdiepingom zoo mogelijk door de gesloten vensters in de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen eindelijk den „jongeling!” ’t Was een arme, blinde, oude emigrant, die op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.Zesde hoofdstuk.Het kleine klooster.Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond, het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte, grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was, een harlekijns-klooster kunnen noemen.Sedert het Keizerrijk was ’t aan al deze arme, verstoorde, verjaagde geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus hadden ze met welwillendheid ontvangen. ’t Was een zonderling mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven; ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere, de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en van moeder Jakob.Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. ’t Was een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte.In 1824 bleef van deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames, zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort d’Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in ’t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar Vacarmini.1In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein tijdschrift, deIntrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden, zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis nog zeer goed de harp.Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven te verschrikken:Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:Dismas et Gesmas, media est divina potestas;Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,Nos et res nostras conservet summa potestas.Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzenwordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander bewijs dan de slagen der „disciplines” (geeselkoorden), die in de banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.1Vacarme, rumoer.Zevende hoofdstuk.Eenige silhouetten.In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van „Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus.” Zij was herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw, die „als een gebersten pot zong,” zegt de brief, welken wij reeds hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige vroolijke in het klooster en daarom bemind.Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite, de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de geschiedenis, zij verstond Latijn,Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half blinde non.De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine, schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes, moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (MlleGauvain), nog jong, met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (MlleDrouet), die in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mllede Colgolludo), moeder St. Adelaida (Mlled’Averney), moeder Misericordia, (Mllede Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion (Mllede la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia (Mllede Laudinière), moeder Presentatie (Mllede Siguenza), die in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mllede Suzon); welkebeidekrankzinnig werden.Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster moeder Assomption.Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had, gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud, verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aanonbezielde voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd, duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf, de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was een bijzonder getal. Voor de priorin was ’t één en één; voor de onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is, kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een „afschuwelijken ouden bochel” afgeschilderd wordt.Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.Zoodanig was dit merkwaardig huis.Achtste hoofdstuk.Post corda lapides.Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds een denkbeeld.Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galgbesloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus; het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener non uit het klooster werd gedragen. ’t Was de algemeene kerkdeur. De elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin, stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen, verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende, waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat, en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van ’t geen vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, die, „het speelhuis der elf duizend duivels” werd genoemd.Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.Negende hoofdstuk.Een eeuw onder een nonnen borstdoek.Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van ’t geen eertijds het klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil, zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat, met wie zij goed bekend was geweest. ’t Was haar vermaak en trots, bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek en in welk klooster straten waren.Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen, zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige vader.—En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij zeide, dat in haar jeugd „de bernardijnen niet voor de musketiers uit den weg gingen.”’t Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker las men dit opschrift: „apenwijn,” op den tweeden: „leeuwenwijn,” op den derden: „schapenwijn,” op den vierden: „varkenswijn.” Deze vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweedevergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, ’t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de volhardendsten op haar halsstarrigheid.’t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. ’t Was een schotel van Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts, gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl, zooals zij zeide, „het spreekvertrek te somber was.”Tiende hoofdstuk.Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding.Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een andere orde was, waren bruine gordijnenin plaats van zwarte blinden, en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht, geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en in St. Jean en Grève, ontheiligd; ’t was zulk een vreeselijke en zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijkenunciusofficiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door een „Eeuwigdurende aanbidding” in een vrouwenklooster. Beiden, de eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar, genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde „dat geen jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal medebracht.” Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd „geheel nieuw gebouwd” in de straat Cassette voor de gelden der dames de Boucs en de Chateauvieux.Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In 1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin bleven de twee orden geheel gescheiden.Elfde hoofdstuk.Einde van Klein-Picpus.Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven dezer orde in ’t algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt, een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren heengegaan.Volaverunt.De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. ’t Is een onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig jaar, de anderedrieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo nieuw schijnen. ’t Is de gesloten tuin.Hortus conclusus.Wij hebben van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire, die zelfs het kruis bespot.’t Was, in ’t voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire; want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis, zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De vermoording van een wijze.De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van ’t verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in ’t menschelijk hart zijn. Veel wordt gesloopt, en ’t is goed dat men het sloope, mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. ’t Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze beschermt.
Eerste hoofdstuk.Kleine Picpus-straat No. 62.Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien, die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk mede te nemen. ’t Was echter een somber oord, dat men had gezien.De ingang lachte; het huis bad en weende.Zoo men er in slaagde, ’t geen niet gemakkelijk was, den portier voorbij te komen—iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker machtwoord bezat—en men rechts een klein portaal binnenging, waar, tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken en men ’t waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming, waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer zes voet in ’t vierkant; ’t was zindelijk, kil, met steenen bevloerd en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht viel door een groot venster met kleine ruiten, dat linksde geheele breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand; men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur een opening van ongeveer een voet in ’t vierkant, met een traliewerk van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten—ik had schier mazen gezegd,—vormden, van omstreeks anderhalven duim. De groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou ’t hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd, kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing een schelkoord.Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht bij zich een stem dat men er van schrikken zou.„Wie is daar?” vroeg de stem.’t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er treurig van werd.Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf aan de andere zijde ware geweest.Zoo men het woord kende hernam de stem:„Ga ter rechterzijde binnen.”Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering, waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve duisternis gewoon was geworden, beproefdehet door de traliën te zien, maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij waren altijd gesloten.Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden roepen en vragen:„Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?”’t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn graf sprak.In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren, werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën, achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd, waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een zinnebeeld.De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men niets zag, zelfs geen spookbeelden.Wat men zag was het binnenste eens kloosters.Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, ’t welk men het klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge, waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had,zonder venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van dit gewijde oord zien.Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,—er was licht, leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben kunnen spreken.
Eerste hoofdstuk.Kleine Picpus-straat No. 62.
Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien, die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk mede te nemen. ’t Was echter een somber oord, dat men had gezien.De ingang lachte; het huis bad en weende.Zoo men er in slaagde, ’t geen niet gemakkelijk was, den portier voorbij te komen—iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker machtwoord bezat—en men rechts een klein portaal binnenging, waar, tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken en men ’t waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming, waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer zes voet in ’t vierkant; ’t was zindelijk, kil, met steenen bevloerd en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht viel door een groot venster met kleine ruiten, dat linksde geheele breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand; men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur een opening van ongeveer een voet in ’t vierkant, met een traliewerk van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten—ik had schier mazen gezegd,—vormden, van omstreeks anderhalven duim. De groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou ’t hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd, kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing een schelkoord.Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht bij zich een stem dat men er van schrikken zou.„Wie is daar?” vroeg de stem.’t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er treurig van werd.Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf aan de andere zijde ware geweest.Zoo men het woord kende hernam de stem:„Ga ter rechterzijde binnen.”Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering, waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve duisternis gewoon was geworden, beproefdehet door de traliën te zien, maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij waren altijd gesloten.Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden roepen en vragen:„Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?”’t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn graf sprak.In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren, werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën, achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd, waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een zinnebeeld.De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men niets zag, zelfs geen spookbeelden.Wat men zag was het binnenste eens kloosters.Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, ’t welk men het klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge, waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had,zonder venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van dit gewijde oord zien.Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,—er was licht, leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben kunnen spreken.
Een halve eeuw geleden onderscheidde zich de koetspoort van No. 62 in de kleine Picpus-straat door niets van een gewone koetspoort. Zij stond op verlokkende wijze gewoonlijk halfopen, en zij liet twee dingen zien, die niets treurigs hebben: een binnenplaats, wier muren met wingerden was bedekt, en een op- en neergaanden portier. Boven den achtermuur zag men hooge boomen uitkomen. Wanneer een zonnestraal de plaats, en een glas wijn den portier vervroolijkte, kon men No. 62 in de kleine Picpus-straat niet voorbijgaan, zonder een aangenamen indruk mede te nemen. ’t Was echter een somber oord, dat men had gezien.
De ingang lachte; het huis bad en weende.
Zoo men er in slaagde, ’t geen niet gemakkelijk was, den portier voorbij te komen—iets bijna onmogelijks zoo men niet een zeker machtwoord bezat—en men rechts een klein portaal binnenging, waar, tusschen twee muren, zulk een smalle trap was, dat slechts één persoon tegelijk die kon opgaan; zoo men zich door de kanarie-gele kleur der muren en de chocoladekleur der plint niet liet afschrikken en men ’t waagde op te klimmen, kwam men op een eerste, vervolgens op een tweede portaal, en eindelijk op de eerste verdieping in een gang, waar men zich door den gelen muur en de chocoladekleurige plinten met hardnekkigheid vervolgd zag. Trap en gang waren door twee fraaie vensters verlicht. De gang had een kromming, waar zij donker werd. Voorbij dien hoek kwam men, eenige schreden verder, voor een deur, die te geheimzinniger was, wijl ze niet was gesloten. Binnentredende bevond men zich in een kamertje van ongeveer zes voet in ’t vierkant; ’t was zindelijk, kil, met steenen bevloerd en met geel papier met groene bloemen behangen. Een flauw, mat licht viel door een groot venster met kleine ruiten, dat linksde geheele breedte der kamer besloeg. Men zag om zich, doch bespeurde niemand; men luisterde, maar hoorde noch voetstappen, noch menschelijke stem. De wand was kaal, de kamer ledig, er stond zelfs geen stoel.
Zoo men nauwkeuriger toezag, ontdekte men in den wand tegenover de deur een opening van ongeveer een voet in ’t vierkant, met een traliewerk van zwarte, gekruiste, sterke ijzeren staven, die kleine ruiten—ik had schier mazen gezegd,—vormden, van omstreeks anderhalven duim. De groene bloempjes op het geel papier omgaven rustig en geregeld deze ijzeren tralies, zonder dat haar sombere aanraking ze verschrikte of verjoeg. Ware er een levend wezen geweest, mager genoeg om door de vierkante opening in en uit te kunnen gaan, het traliewerk zou ’t hem belet hebben. Deze opening liet niet het lichaam door, maar wel de oogen, dat is den geest. Men scheen hieraan gedacht te hebben, want achter de opening was een blikken plaat met duizend gaatjes bevestigd, kleiner dan die van een schuimspaan. Onder deze plaat was een spleet als die der brievenbussen. Rechts naast de getraliede opening hing een schelkoord.
Trok men aan deze koord, dan klonk een klokje en men hoorde zoo dicht bij zich een stem dat men er van schrikken zou.
„Wie is daar?” vroeg de stem.
’t Was een vrouwenstem, zulk een weeke, zachte stem, dat men er treurig van werd.
Nu moest men wederom een tooverwoord kennen; zoo niet, dan zweeg de stem en de muur werd stil, alsof de sombere duisternis van het graf aan de andere zijde ware geweest.
Zoo men het woord kende hernam de stem:
„Ga ter rechterzijde binnen.”
Men zag dan rechts, tegenover het venster, een glazen deur met een grijs geschilderd raampje daarboven. Men lichtte de klink op, trad binnen en men gevoelde denzelfden indruk als dien wanneer men in den schouwburg in een getraliede loge komt, vóór dat het traliewerk neergelaten en de kroonlichten ontstoken zijn. Men was inderdaad in een soort van schouwburgloge, die slechts karig licht door de glazendeur ontving, zeer klein, en met twee oude stoelen en een losgetornden stroozak gemeubeld was, een wezenlijke loge, met haar borstwering, waarop een zwarthouten tafeltje. Deze loge was getralied, maar niet met vergulde houten staven, als in de opera, maar met hecht dooreengewerkte ijzeren stangen, die stevig in den muur waren gemetseld.
Na verloop van eenige minuten, wanneer het oog een weinig aan die halve duisternis gewoon was geworden, beproefdehet door de traliën te zien, maar het drong er niet verder door dan zes duim. Daar ontmoette het een beletsel van zwarte blinden, gesloten en bevestigd met geelbruine houten boomen. Deze blinden bestonden uit lange, smalle met scharnieren verbonden planken en bedekten de geheele lengte van het traliewerk. Zij waren altijd gesloten.
Na eenige oogenblikken hoorde men een stem van achter deze blinden roepen en vragen:
„Ik ben hier. Wat begeert ge van mij?”
’t Was een geliefde, soms zeer dierbare stem. Men zag niemand. Men hoorde nauwelijks ademhalen. Het was, alsof een doode uit zijn graf sprak.
In zekere bijzondere omstandigheden, die echter zeer zeldzaam waren, werd een der smalle bladen van het blind tegenover den bezoeker geopend, en het opgeroepen wezen verscheen. Achter de traliën, achter het blind zag men, zooveel de traliën toelieten, een hoofd, waarvan slechts de mond en de kin zichtbaar waren, het overige was met een zwarten sluier bedekt. Men zag flauw een zwart borststuk en een onduidelijke gestalte in een zwart kleed. Dat hoofd sprak, maar aanschouwde den aanwezende niet, en glimlachte nooit.
Het licht achter den bezoeker was zoodanig aangebracht, dat het op dit hoofd viel, maar hem zelf in schaduw hulde. Dat licht was een zinnebeeld.
De oogen drongen echter nieuwsgierig door de ontstane opening, in deze voor aller blikken gesloten ruimte. Een onbestemd ijdel omhulde de in rouw gekleede gestalte. De oogen peilden die diepte en poogden te onderscheiden wat de gestalte omgaf; doch spoedig overtuigden zij zich, dat zij niets zagen dan nacht en duisternis, een winterachtigen nevel met een graflucht gemengd, een schrikbarende rust, een stilte waarin men niets hoorde, zelfs geen zucht, een duisternis waarin men niets zag, zelfs geen spookbeelden.
Wat men zag was het binnenste eens kloosters.
Het was het inwendige van dat sombere, strenge huis, ’t welk men het klooster der Bernardijnen van de eeuwige aanbidding noemde. De loge, waarin men zich bevond, was het spreekvertrek. De eerste stem, welke men gehoord had, was die der portierster, die steeds bewegingloos en zwijgend aan de andere zijde van den muur zat, bij die vierkante opening, welke beschermd werd door de ijzeren traliën en de met duizenden gaatjes doorboorde blikken plaat, als door een dubbel vizier.
De duisternis der getraliede loge werd veroorzaakt doordien de spreekkamer, die slechts één venster aan de buitenzijde had,zonder venster aan de kloosterzijde was. Profane oogen mochten niets van dit gewijde oord zien.
Er was evenwel iets aan gene zijde dier duisternis,—er was licht, leven in dezen dood. Hoewel dit klooster buitengewoon door muren beschermd was, willen wij echter beproeven er binnen te dringen en er den lezer mede te doen binnendringen, en te spreken, zonder de bescheidenheid uit het oog te verliezen, over dingen, welke de verhalers nooit gezien hebben en waarvan zij bijgevolg niet hebben kunnen spreken.
Tweede hoofdstuk.De regel van Martinus Verga.Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van Martinus Verga.Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te Alcala was.Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië, de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen, de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen, de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt van Molesme in de diocees van Langres. ’t Wasin 529 dat de duivel, die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den ouden tempel van Apollo werd gejaagd.Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga de strengste. Zij zijn in ’t zwart gekleed met een borstdoek die, volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben „de eeuwige aanbidding,” evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen van het H. Sacrament worden genoemd, en in ’t begin dezer eeuw te Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen, waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid, het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus Verga terug.De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthoudenzich het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur ’s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte, veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken, drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, ’t geen de langst mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen.Onder de predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de aartsbisschop van de diocees.Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel aan de knie.Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste zelfverloochening. Zooals op Christus’ stemut voci Christi, op een gebaar, bij den eersten wenk,ad nutum, ad primum signum, dadelijk, met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,promptè, hilariter, perseveranter, et cœcâ quadam obedientiâ, gelijk de vijl in de hand van den werkman,quasi liman in manibus fabri, niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.Beurtelings verricht ieder wat zij de „verzoening” noemen. Deze verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden.alle misslagen, alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren ’s avonds tot vier uren ’s morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen der wereld. Dit is grootsch, verheven!Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt, zegt men eveneens „aan den paal zijn” als „om verzoening bidden.” De nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur, die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.„Om verzoening bidden” is eene daad, die de geheele ziel vervult. De non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel, het hoofd niet wenden.Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van ’t verderf der ziel zijn.Zij noemen het woordmijnniet. Zij bezitten niets en mogen aan niets gehecht zijn. Zij noemen alles „het onze,” bij voorbeeld: onze sluier, onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij „ons hemd” zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen, dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke dame, toen zij in haar orde trad zeide: „Vergun, moeder, dat ik een heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben.”—„Ha! zijt ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn.”Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkanderontmoeten, zegt de eene:„Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!” De andere antwoordt: „In alle eeuwigheid!” Hetzelfde heeft plaats als de eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze „oefeningen” werktuiglijk; en vaak zegt de eene „in alle eeuwigheid” voor de andere den tijd heeft gehad te zeggen: „Geëerd en geloofd zij het allerheiligste Sacrament des altaars!” dat tamelijk lang is.Bij de visitandinen zegt de binnentredendeAve Maria, en de andere antwoordt:Gratiâ plena. ’t Is haar „goeden morgen”, die inderdaad „vol gratie” is.Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters, leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken, en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: „Te vijf uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd.” Is het acht uren: „Te acht uren enz” en zoo vervolgens bij elk uur dat slaat.Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: „Op dit uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!”De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje in ’t missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: „Jezus, Maria, Jozef!” Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag, dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende treurige uitwerking voort.De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder doen maken voor de begraving harer zusters. Het „gouvernement”, zooals zij ’t noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.Zij hadden echter de vergunning verkregen, om—een geringe troost—op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger aan het klooster behoord had.Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezetal de kleine heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer: „De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst.”Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en leggen luid de „penitentie” op.Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat zij hetCulpanoemen. Men legt zich om dezeCulpate doen, plat op den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit anders dan „moeder” wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht dieCulpavoor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier, een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijnCulpate doen. HetCulpais geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder een psalm die met Ecce begon, maar in plaats vanEccezong zijut,si,sol, en onderging voor deze verstrooidheid eenCulpagedurende den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat het geheele kapittel gelachen had.Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande onderhandelingen. Zoo ’t een vrouw is, wordt de vergunning soms verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden, die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van 1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.
Tweede hoofdstuk.De regel van Martinus Verga.
Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van Martinus Verga.Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te Alcala was.Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië, de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen, de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen, de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt van Molesme in de diocees van Langres. ’t Wasin 529 dat de duivel, die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den ouden tempel van Apollo werd gejaagd.Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga de strengste. Zij zijn in ’t zwart gekleed met een borstdoek die, volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben „de eeuwige aanbidding,” evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen van het H. Sacrament worden genoemd, en in ’t begin dezer eeuw te Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen, waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid, het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus Verga terug.De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthoudenzich het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur ’s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte, veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken, drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, ’t geen de langst mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen.Onder de predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de aartsbisschop van de diocees.Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel aan de knie.Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste zelfverloochening. Zooals op Christus’ stemut voci Christi, op een gebaar, bij den eersten wenk,ad nutum, ad primum signum, dadelijk, met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,promptè, hilariter, perseveranter, et cœcâ quadam obedientiâ, gelijk de vijl in de hand van den werkman,quasi liman in manibus fabri, niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.Beurtelings verricht ieder wat zij de „verzoening” noemen. Deze verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden.alle misslagen, alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren ’s avonds tot vier uren ’s morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen der wereld. Dit is grootsch, verheven!Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt, zegt men eveneens „aan den paal zijn” als „om verzoening bidden.” De nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur, die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.„Om verzoening bidden” is eene daad, die de geheele ziel vervult. De non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel, het hoofd niet wenden.Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van ’t verderf der ziel zijn.Zij noemen het woordmijnniet. Zij bezitten niets en mogen aan niets gehecht zijn. Zij noemen alles „het onze,” bij voorbeeld: onze sluier, onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij „ons hemd” zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen, dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke dame, toen zij in haar orde trad zeide: „Vergun, moeder, dat ik een heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben.”—„Ha! zijt ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn.”Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkanderontmoeten, zegt de eene:„Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!” De andere antwoordt: „In alle eeuwigheid!” Hetzelfde heeft plaats als de eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze „oefeningen” werktuiglijk; en vaak zegt de eene „in alle eeuwigheid” voor de andere den tijd heeft gehad te zeggen: „Geëerd en geloofd zij het allerheiligste Sacrament des altaars!” dat tamelijk lang is.Bij de visitandinen zegt de binnentredendeAve Maria, en de andere antwoordt:Gratiâ plena. ’t Is haar „goeden morgen”, die inderdaad „vol gratie” is.Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters, leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken, en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: „Te vijf uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd.” Is het acht uren: „Te acht uren enz” en zoo vervolgens bij elk uur dat slaat.Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: „Op dit uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!”De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje in ’t missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: „Jezus, Maria, Jozef!” Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag, dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende treurige uitwerking voort.De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder doen maken voor de begraving harer zusters. Het „gouvernement”, zooals zij ’t noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.Zij hadden echter de vergunning verkregen, om—een geringe troost—op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger aan het klooster behoord had.Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezetal de kleine heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer: „De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst.”Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en leggen luid de „penitentie” op.Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat zij hetCulpanoemen. Men legt zich om dezeCulpate doen, plat op den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit anders dan „moeder” wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht dieCulpavoor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier, een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijnCulpate doen. HetCulpais geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder een psalm die met Ecce begon, maar in plaats vanEccezong zijut,si,sol, en onderging voor deze verstrooidheid eenCulpagedurende den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat het geheele kapittel gelachen had.Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande onderhandelingen. Zoo ’t een vrouw is, wordt de vergunning soms verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden, die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van 1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.
Dit klooster, dat in 1724 reeds vele jaren in de kleine Picpus-straat bestond, was een Bernardijner nonnenklooster van den regel van Martinus Verga.
Deze nonnen behoorden niet aan Clairveaux, gelijk de Bernardijner monniken, maar aan Citeaux, gelijk de Benedictijners. Met andere woorden, de nonnen van dit klooster stonden niet onder den regel van den H. Bernardus, maar onder dien van den H. Benedictus.
Wie min of meer oude folianten heeft doorgesnuffeld, weet dat Martinus Verga in 1425 een congregatie van Bernardijner-Benedictijner nonnen stichtte, wier hoofdklooster te Salamanca en wier bijklooster te Alcala was.
Deze congregatie had zich in alle Katholieke landen van Europa vertakt.
De enting van de eene orde op een andere heeft iets ongewoons in de Latijnsche kerk. Om alleen van de orde van den H. Benedictus te spreken, aan deze orde sluiten zich, zonder daarbij den regel van Martinus Verga te rekenen, vier congregratiën aan: twee in Italië, de monte Cassino en de H. Justina van Padua, twee in Frankrijk, Cluny en Saint-Maur; en negen orden, Valombrosa, Grammont, de Celestijnen, de Camaldulen, de Karthuizers, de Deemoedigen, de Olivatinen, de Silvesteranen, en eindelijk Citeaux (de Cistercensers); want Citeaux zelf, een stam van andere orden, is slechts een spruit van den H. Bernardus. Citeaux dagteekent van den H. Robertus, in 1098 abt van Molesme in de diocees van Langres. ’t Wasin 529 dat de duivel, die naar de wildernis van Subiaco was geweken (hij was oud. Was hij hermiet geworden?) door den zeventien-jarigen Benedictus uit den ouden tempel van Apollo werd gejaagd.
Na den regel der Karmelieten, nonnen die barvoets gaan, een teenen vlechtwerk op de borst dragen en nooit zitten, is de regel der bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga de strengste. Zij zijn in ’t zwart gekleed met een borstdoek die, volgens den uitdrukkelijker wil van den H. Benedictus, tot de kin moet reiken. Een sergiekleed met wijde mouwen, een groote wollen sluier, de tot de kin reikende borstdoek, de hoofdband, die op de oogen valt, ziedaar haar gewaad. Alles is zwart behalve de hoofdband, die wit is. De novicen dragen dezelfde kleeding, maar geheel wit. Die haar gelofte hebben afgelegd dragen bovendien een rozenkrans aan de zijde.
De bernardijner-benedictijner nonnen van Martinus Verga hebben „de eeuwige aanbidding,” evenals de benedictijner nonnen, die de vrouwen van het H. Sacrament worden genoemd, en in ’t begin dezer eeuw te Parijs twee huizen hadden, een bij den tempel, een ander in de straat Neuve Saint-Geneviève. De orde der bernardijner-benedictijner nonnen, waarvan wij spreken, was overigens geheel verschillend van die der vrouwen van het H. Sacrament. Niet alleen in den regel, maar ook in het gewaad was velerlei onderscheid. De bernardijner-benedictijner nonnen van klein Picpus droegen den zwarten borstdoek, en die der benedictijner nonnen van het H. Sacrament in de straat Neuve Saint-Geneviève was wit; deze hadden bovendien op de borst een H. Sacrament (monstrans) van verguld zilver of koper, omstreeks drie duim groot. De nonnen van klein Picpus droegen dat H. Sacrament niet. Hoewel de Eeuwige aanbidding aan het huis van klein Picpus en het huis van den tempel gemeen was, waren beide orden toch geheel verschillend. Ten aanzien dezer oefening bestaat slechts eenige gelijkheid tusschen de vrouwen van het H. Sacrament en de bernardijner van Martin Verga, evenzeer als er gelijkenis bestond in de bespiegeling en verheerlijking van al de geheimnissen betreffende de kindsheid, het leven en sterven van Jezus Christus, en de H. Maagd, tusschen twee zeer verschillende en soms vijandige orden: de Italiaansche Oratorianen, door Philippus van Neri te Florence, en de Fransche Oratorianen, door Pierre de Bérulle te Parijs gesticht.
Doch keeren wij tot den strengen Spaanschen regel van Martinus Verga terug.
De bernardijner-benedictijner nonnen van dezen regel onthoudenzich het geheele jaar door van vleeschspijzen, vasten op verscheidene dagen buiten de vasten, waken na den eersten slaap van één tot drie uur ’s ochtends, om het brevier te lezen en de metten te zingen, slapen onder sergiën dekens en, in alle jaargetijden, op stroo, nemen nooit een bad, ontsteken nooit vuur, geeselen zich alle Vrijdagen, houden den regel van zwijgen, spreken slechts in uren van uitspanning, die zeer kort zijn, en dragen haar wollen hemden zes maanden, van den 14 September, dat is van de kruisverheffing tot Paschen. Deze zes maanden zijn een verzachting, de regel beveelt een geheel jaar; maar dit grove baaien hemd, ondragelijk in de zomerhitte, veroorzaakte koortsen en zenuwtoevallen, zoodat het dragen er van beperkt moest worden. Maar zelfs ondanks deze verzachting hebben de nonnen, wanneer zij den 14 September een schoon hemd aantrekken, drie of vier dagen de koorts. Gehoorzaamheid, vrijwillige armoede, kuischheid, voortdurende afzondering, deze zijn de geloften, die zij doen, en die door den regel zeer verzwaard worden.
De priorin wordt voor drie jaren door de moeders gekozen, welke kapittel-moeders heeten, wijl zij een stem in het kapittel hebben. Een priorin mag slechts tweemaal gekozen worden, ’t geen de langst mogelijke regeering tot negen jaren beperkt.
Zij zien nooit den dienstdoenden priester, die voor haar achter een negen voet hoog gehangen sergiëngordijn is verborgen.Onder de predikatie in de kapel bedekken zij haar gezicht met den sluier; zij moeten steeds zacht spreken, de oogen neergeslagen en het hoofd gebogen houden. Slechts één man mag het klooster binnengaan, de aartsbisschop van de diocees.
Er is nog wel een andere man, de tuinier; maar deze is altijd een grijsaard, en opdat hij voortdurend alleen in den tuin zij en de nonnen gewaarschuwd worden hem te ontwijken, bindt men hem een schel aan de knie.
Zij zijn aan de priorin een volstrekte en lijdelijke gehoorzaamheid schuldig. De canonieke onderwerping in haar strengste zelfverloochening. Zooals op Christus’ stemut voci Christi, op een gebaar, bij den eersten wenk,ad nutum, ad primum signum, dadelijk, met vreugd, met volharding, met een zekere blinde gehoorzaamheid,promptè, hilariter, perseveranter, et cœcâ quadam obedientiâ, gelijk de vijl in de hand van den werkman,quasi liman in manibus fabri, niets, dan met uitdrukkelijk verlof, te mogen lezen of schrijven,legere vel scribere non adiscerit sine expressâ superioris licentiâ.
Beurtelings verricht ieder wat zij de „verzoening” noemen. Deze verzoening is het gebed om vergiffenis van alle zonden.alle misslagen, alle verkeerdheden, alle gewelddadigheden, alle misdaden die op aarde gepleegd worden. Twaalf uren lang, van vier uren ’s avonds tot vier uren ’s morgens, ligt de zuster, die de verzoening verricht, op den steenen vloer voor het Heilig Sacrament, met saamgevouwen handen en de koord om den hals. Wanneer zij de vermoeidheid niet langer kan uitstaan, werpt zij zich op den buik, met het gezicht ter aarde en met uitgebreide armen. In deze houding bidt zij voor alle schuldigen der wereld. Dit is grootsch, verheven!
Aangezien dit verricht wordt voor een paal, waarop een waskaars brandt, zegt men eveneens „aan den paal zijn” als „om verzoening bidden.” De nonnen geven zelfs uit ootmoed aan de eerste uitdrukking de voorkeur, die een denkbeeld van pijniging en vernedering bevat.
„Om verzoening bidden” is eene daad, die de geheele ziel vervult. De non aan den paal zou zelfs, zoo de bliksem achter haar neerviel, het hoofd niet wenden.
Bovendien is er immer een non geknield voor het H. Sacrament. Zij blijft er een uur, en wordt afgelost gelijk een op schildwacht staand soldaat. Dit is de eeuwigdurende aanbidding.
De priorinnen en zusters dragen schier alle namen, die gewichtige bijzonderheden uitdrukken, geen heiligen of martelaressen in herinnering brengen, maar oogenblikken uit het leven van Jezus Christus, als: zuster Geboorte, zuster Ontvangenis, zuster Passie enz. De namen van heilige vrouwen zijn evenwel niet verboden.
Wanneer men haar ziet, ziet men niets dan den mond.
Allen hebben gele tanden. Nooit is een tandschuier in het klooster geweest. Zijn tanden schuieren zou een aanvang van ’t verderf der ziel zijn.
Zij noemen het woordmijnniet. Zij bezitten niets en mogen aan niets gehecht zijn. Zij noemen alles „het onze,” bij voorbeeld: onze sluier, onze rozenkrans; zoo zij van haar hemd spraken, zouden zij „ons hemd” zeggen. Soms hechten zij eenige waarde aan eenig voorwerp, aan een getijdeboek, een reliek, een gewijde medalje. Zoodra zij gevoelen, dat zij aan deze dingen gehecht worden, moeten zij ze afgeven. Zij herinneren zich de woorden der H. Theresia, tot wie een aanzienlijke dame, toen zij in haar orde trad zeide: „Vergun, moeder, dat ik een heiligen bijbel laat halen, waaraan ik zeer gehecht ben.”—„Ha! zijt ge aan iets gehecht? In dat geval moet ge bij ons niet zijn.”
Niemand, wie het zij, mag zich opsluiten of een eigen kamer hebben. Zij bewonen geen gesloten cellen; zoo zij elkanderontmoeten, zegt de eene:„Geëerd en Geloofd zij het allerheiligste Sacrament des Altaars!” De andere antwoordt: „In alle eeuwigheid!” Hetzelfde heeft plaats als de eene aan de deur der andere klopt. Nauwelijks is de deur aangeraakt of men hoort aan de andere zijde een zachte stem haastig zeggen: in alle eeuwigheid! Uit gewoonte geschieden al deze „oefeningen” werktuiglijk; en vaak zegt de eene „in alle eeuwigheid” voor de andere den tijd heeft gehad te zeggen: „Geëerd en geloofd zij het allerheiligste Sacrament des altaars!” dat tamelijk lang is.
Bij de visitandinen zegt de binnentredendeAve Maria, en de andere antwoordt:Gratiâ plena. ’t Is haar „goeden morgen”, die inderdaad „vol gratie” is.
Telkens als het uur slaat, wordt de klok van het klooster driemaal geklept. Bij dat sein staken priorin, kapittel-moeders, zusters, leekezusters, nonnen, wat zij zeggen, wat zij doen of wat zij denken, en roepen eenparig, bij voorbeeld zoo het vijf uren is: „Te vijf uren en elk uur zij het Allerheiligste Sacrament des altaars geëerd en geloofd.” Is het acht uren: „Te acht uren enz” en zoo vervolgens bij elk uur dat slaat.
Deze gewoonte, die het doel heeft om de gedachten te schorsen en ze immer tot God terug te brengen, bestaat in vele kloosters; maar de vorm is er verschillend. Zoo zegt men bij het Christuskind: „Op dit uur en elk uur ontvlamme de liefde voor Jezus mijn hart!”
De benedictijner-bernardijner nonnen van Martinus Verga, die vijftig jaren geleden het klooster van Klein Picpus betrokken, zingen haar getijden naar een ernstige melodie, een zuivere kerkmelodie en steeds met volle stem, zoolang de dienst duurt. Overal waar een sterretje in ’t missaal staat, pauseeren zij en zeggen zacht: „Jezus, Maria, Jozef!” Bij de getijden voor de overledenen is haar toon zoo laag, dat vrouwen daartoe nauwelijks kunnen afdalen. Dit brengt een treffende treurige uitwerking voort.
De nonnen van Klein Picpus hadden onder haar hoofdaltaar een grafkelder doen maken voor de begraving harer zusters. Het „gouvernement”, zooals zij ’t noemen, vergunde echter niet dat er de lijken bijgezet werden. Als zij dood waren, moesten zij bijgevolg het klooster verlaten. Dit bedroefde en bedrukte haar als een onbillijkheid.
Zij hadden echter de vergunning verkregen, om—een geringe troost—op een bijzonder uur en in een bijzonderen hoek van het oude kerkhof-Vaugirard te mogen worden begraven, een grond die vroeger aan het klooster behoord had.
Des Donderdags hooren deze nonnen de hoogmis, de vesper en al de diensten als des Zondags. Bovendien vieren zij nauwgezetal de kleine heilige dagen, welke den leeken onbekend zijn, en waarmede de kerk eertijds Frankrijk bedeelde en nog tegenwoordig Spanje en Italië zoo mild beschenkt. Haar bid-uren in de kapel zijn eindeloos. Van het getal en den duur harer gebeden kunnen wij geen beter denkbeeld geven dan door de aanhaling dezer naïeve woorden van een harer: „De gebeden der postulanten zijn ontzettend, de gebeden der novicen nog ontzettender, en de gebeden der nonnen allerontzettendst.”
Eenmaal des weeks vergadert het kapittel; de priorin presideert, de kapittelmoeders zijn er tegenwoordig. De eene zuster knielt na de andere op den steen en biecht luid in aller tegenwoordigheid de misslagen en zonden, waaraan zij zich in den loop der week schuldig heeft gemaakt. De kapittelmoeders raadplegen na iedere biecht, en leggen luid de „penitentie” op.
Buiten de openbare biecht, voor welke men alle eenigszins grove misslagen bespaart, hebben zij voor haar dagelijksche zonden, wat zij hetCulpanoemen. Men legt zich om dezeCulpate doen, plat op den grond voor de priorin, gedurende de mis, totdat deze, die nooit anders dan „moeder” wordt genoemd, de boeteling, door zacht op haar bank te slaan, verwittigt, dat zij mag opstaan. Men verricht dieCulpavoor kleinigheden, voor een gebroken glas, een gescheurden sluier, een verstrooiden blik gedurende den heiligen dienst, een valsche noot bij het gezang, enz.; meer is er niet noodig om zijnCulpate doen. HetCulpais geheel vrijwillig; de schuldige zelve veroordeelt en straft zich. Op feest- en Zondagen zingen vier koorzusters de mis voor een vierkanten koorlessenaar. Zekeren dag zong een koormoeder een psalm die met Ecce begon, maar in plaats vanEccezong zijut,si,sol, en onderging voor deze verstrooidheid eenCulpagedurende den geheelen heiligen dienst. Wat de misslag grooter maakte was dat het geheele kapittel gelachen had.
Wanneer een non in het spreekvertrek wordt geroepen, ware het zelfs de priorin, moet zij haar sluier zoo laag hangen, gelijk men zich herinnert, dat men niets dan haar mond ziet. Alleen de priorin mag met vreemden spreken. De anderen mogen niemand dan haar naaste bloedverwanten, doch slechts zelden, zien. Zoo toevallig iemand, dien een non in de wereld gekend of bemind heeft, aan het klooster verschijnt om haar te spreken, eischt dit voorafgaande onderhandelingen. Zoo ’t een vrouw is, wordt de vergunning soms verleend; de non verschijnt en men spreekt met haar achter de blinden, die slechts voor een moeder of zuster geopend worden. Het spreekt vanzelf dat dit verlof den mannen steeds geweigerd wordt.
Deze is de door Martinus Verga verzwaarde regel van den H. Benedictus.
Deze nonnen zijn niet vroolijk, blozend en frisch, zooals meestal de geestelijke dochters van andere orden. Zij zijn bleek en ernstig. Van 1825 tot 1830 werden er drie krankzinnig.
Derde hoofdstuk.Strengheden.Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over, waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, glanst en krult haar ’t haar; dan knielt zij; men spreidt over haar een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij en zegt op treurigen toon: „Onze zuster is dood,” de andere rij antwoordt met helderklinkende stem: „Zij leeft in Jezus Christus!”Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes, waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en de eeuw. Een harer zeide ons eens: „toen ik de straat zag huiverde ik van top tot teen.” Zij waren in ’t blauw gekleed met een wit mutsje op ’t hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten haar kleeding leenen. ’t Verdient opmerking,dat deze vertooningen waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich mede. „’t Was iets nieuws, een verandering.”Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande te zingen.De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen: „in alle eeuwigheid.” Evenals de nonnen spraken de pensionnairen haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde, de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.
Derde hoofdstuk.Strengheden.
Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over, waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, glanst en krult haar ’t haar; dan knielt zij; men spreidt over haar een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij en zegt op treurigen toon: „Onze zuster is dood,” de andere rij antwoordt met helderklinkende stem: „Zij leeft in Jezus Christus!”Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes, waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en de eeuw. Een harer zeide ons eens: „toen ik de straat zag huiverde ik van top tot teen.” Zij waren in ’t blauw gekleed met een wit mutsje op ’t hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten haar kleeding leenen. ’t Verdient opmerking,dat deze vertooningen waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich mede. „’t Was iets nieuws, een verandering.”Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande te zingen.De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen: „in alle eeuwigheid.” Evenals de nonnen spraken de pensionnairen haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde, de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.
Minstens twee jaren, soms vier jaren, duurt de proeftijd, vier jaren het noviciaat. Zelden kan de gelofte voor het drie-en-twintigste of vier-en-twintigste jaar worden afgelegd. De bernardijner-benedictijner nonnen nemen geen weduwen in haar orde aan.
Zij geven zich in haar cellen aan vele onbekende kastijdingen over, waarvan zij nooit mogen spreken. Op den dag harer gelofte kleedt men de novice in haar fraaisten opschik, kroont haar met witte rozen, glanst en krult haar ’t haar; dan knielt zij; men spreidt over haar een grooten zwarten sluier en zingt de getijden der overledenen. Voorts verdeelen de nonnen zich in twee rijen, de eene rij gaat haar voorbij en zegt op treurigen toon: „Onze zuster is dood,” de andere rij antwoordt met helderklinkende stem: „Zij leeft in Jezus Christus!”
Ten tijde van ons verhaal was een kostschool aan dit klooster verbonden. Een kostschool voor adellijke, meestal rijke meisjes, waaronder men de jonkvrouwen de Sainte-Aulaire en de Bélissen, en een Engelsche jonge dame opmerkte, die den beroemden katholieken naam van Talbot droeg. Deze jonge meisjes, die tusschen vier muren door deze nonnen werden opgevoed, groeiden op in afschuw van de wereld en de eeuw. Een harer zeide ons eens: „toen ik de straat zag huiverde ik van top tot teen.” Zij waren in ’t blauw gekleed met een wit mutsje op ’t hoofd en een zilver vergulden of koperen H. Geest op de borst. Op sommige groote feestdagen, bijzonderlijk op dien van de H. Martha, veroorloofde men haar als een groote gunst, zich als non te kleeden en den geheelen dag de oefeningen van den H. Benedictus te verrichten. Aanvankelijk leenden de nonnen haar heur zwart gewaad. Maar dat scheen profaan en de priorin verbood het. Alleen de novicen mochten haar kleeding leenen. ’t Verdient opmerking,dat deze vertooningen waarschijnlijk in het klooster toegelaten en aangemoedigd door een heimelijken geest van proselytisme en om aan deze kinderen eenigen voorsmaak van het heilig gewaad te geven, voor de pensionnairen een wezenlijk geluk en een ware uitspanning waren. Zij vermaakten er zich mede. „’t Was iets nieuws, een verandering.”
Dit zijn de ware redenen der kindsheid, welke ons wereldlingen intusschen de zaligheid niet kunnen begrijpelijk maken van met een wijwaterkwast in de hand uren lang voor een koorlessenaar staande te zingen.
De kweekelingen waren, uitgezonderd wat de strenge kloosteroefeningen betreft, aan al de overige onderworpen. Zekere vrouw, die reeds eenige jaren weder in de wereld en getrouwd was, kon zich niet afwennen om telkens wanneer aan haar deur werd geklopt haastig te roepen: „in alle eeuwigheid.” Evenals de nonnen spraken de pensionnairen haar bloedverwanten in het spreekvertrek. Zelfs aan de moeders werd niet vergund haar te omhelzen. Ziehier in hoeverre de strengheid in dat opzicht gedreven werd: Een meisje ontving het bezoek van haar moeder, die haar driejarig zusje had meegebracht. De pensionnaire weende, dewijl zij zoo gaarne haar zusje had willen kussen. Dit was niet mogelijk. Zij verzocht, dat men het kind ten minste vergunde, de kleine hand door de spijlen te steken, opdat zij die zou kunnen kussen. Ook dit werd geweigerd, ja, voor een groote ergernis gehouden.
Vierde hoofdstuk.Vroolijkheid.Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke herinneringen achtergelaten.Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van jeugd overstroomde als ’t ware dezen tuin, die, als een lijkkleed, kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend werd. ’t Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, enieder bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen, stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht verbergt; maar om ’t even! Men was verheugd en lachte. Deze vier doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen van al die vreugde: ’t was als een regen van rozen op een doodschen akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche, bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben, en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven, dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje, van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke, kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach uitlokken. ’t Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig kind eens riep: „Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!”Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:Een kapittel-moeder.„Waarom weent ge, mijn kind?”Het kind.(zes jaar oud) snikkend. „Ik heb aan Alix gezegd, dat ik mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken en ik ken ze”Alix, de groote (negen jaar oud). „Neen, zij kent ze niet.”De moeder: „Waarom niet, mijn kind?”Alix.„Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan, haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden.”„Nu?”„Zij heeft niet geantwoord.”„Spreek, wat hebt ge gevraagd?”„Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de eerste vraag, die ik vond.”„Hoe was deze vraag?”„’t Was:Wat gebeurde er vervolgens?”’t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:„Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch.”Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt, die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet te vergeten:„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te hebben geslagen.”Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:„Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, en hij at de jonge haantjes op.”Dan nog dit gedicht:„Er kwam een stokslag,Polichinel sloeg de kat.’t Deed haar geen goed, maar ’t deed haar pijn.Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis.”’t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en mompelde in haar hoekje:„Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet.”Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De „zeer groote meisjes”—boven de tien jaren—noemden haar Agathoclès1.Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal, die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving, was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden „vol dieren.” Al wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek, den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een dezer vier natiën,al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:„Wie is deze?”„Een spinnekop, Monseigneur!”„Zoo! en gene?”„Een krekel.”„En zij?”„Een rups.”„Zoo waarlijk; en wat zijt gij?”„Ik ben een duizendbeen, Monseigneur.”Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook „troonhemelen” en „wierookvaten,” namelijk zij, die de koorden van den troonhemel droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier „maagden” gingen vooraan. ’t Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag in de slaapzaal kon hooren vragen:„Wie van u is maagd?”Mevrouw Campan verhaalt van een „kleine,” een zevenjarig meisje, dat tot een „groote” van zestien jaren, die aan ’t hoofd der processie ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: „Gij zijt een maagd, en dat ben ik niet.”1Agathe-aux-clefs—(Agatha met de sleutels).
Vierde hoofdstuk.Vroolijkheid.
Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke herinneringen achtergelaten.Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van jeugd overstroomde als ’t ware dezen tuin, die, als een lijkkleed, kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend werd. ’t Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, enieder bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen, stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht verbergt; maar om ’t even! Men was verheugd en lachte. Deze vier doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen van al die vreugde: ’t was als een regen van rozen op een doodschen akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche, bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben, en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven, dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje, van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke, kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach uitlokken. ’t Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig kind eens riep: „Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!”Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:Een kapittel-moeder.„Waarom weent ge, mijn kind?”Het kind.(zes jaar oud) snikkend. „Ik heb aan Alix gezegd, dat ik mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken en ik ken ze”Alix, de groote (negen jaar oud). „Neen, zij kent ze niet.”De moeder: „Waarom niet, mijn kind?”Alix.„Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan, haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden.”„Nu?”„Zij heeft niet geantwoord.”„Spreek, wat hebt ge gevraagd?”„Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de eerste vraag, die ik vond.”„Hoe was deze vraag?”„’t Was:Wat gebeurde er vervolgens?”’t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:„Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch.”Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt, die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet te vergeten:„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te hebben geslagen.”Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:„Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, en hij at de jonge haantjes op.”Dan nog dit gedicht:„Er kwam een stokslag,Polichinel sloeg de kat.’t Deed haar geen goed, maar ’t deed haar pijn.Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis.”’t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en mompelde in haar hoekje:„Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet.”Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De „zeer groote meisjes”—boven de tien jaren—noemden haar Agathoclès1.Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal, die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving, was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden „vol dieren.” Al wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek, den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een dezer vier natiën,al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:„Wie is deze?”„Een spinnekop, Monseigneur!”„Zoo! en gene?”„Een krekel.”„En zij?”„Een rups.”„Zoo waarlijk; en wat zijt gij?”„Ik ben een duizendbeen, Monseigneur.”Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook „troonhemelen” en „wierookvaten,” namelijk zij, die de koorden van den troonhemel droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier „maagden” gingen vooraan. ’t Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag in de slaapzaal kon hooren vragen:„Wie van u is maagd?”Mevrouw Campan verhaalt van een „kleine,” een zevenjarig meisje, dat tot een „groote” van zestien jaren, die aan ’t hoofd der processie ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: „Gij zijt een maagd, en dat ben ik niet.”
Desniettemin hebben deze meisjes in dit ernstige huis bekoorlijke herinneringen achtergelaten.
Er waren oogenblikken dat de kindsheid in dit klooster schitterde. De klok voor den speeltijd luidde. Een deur draaide op haar hengsels. De vogels dachten: Ha, ziedaar de kinderen! Een stortvloed van jeugd overstroomde als ’t ware dezen tuin, die, als een lijkkleed, kruisvormig was. Vroolijke gezichten, heldere voorhoofden, schitterende oogen, allerlei schakeeringen van het morgenrood verspreidden zich in deze donkerheid. Na het gezang, na het klokgelui, na het geklep, na de doodsklok, na de heilige diensten, verhief zich plotseling dat liefelijk gegons van jonge meisjes, alsof een bijenkorf geopend werd. ’t Was de bijenkorf der vreugd, die werd geopend, enieder bracht zijn honig. Zij speelden, riepen elkander, vormden groepen, stoeiden; kleine witte tandjes babbelden in een hoek; in de verte verborgen de sluiers de vroolijkheid, evenals de schaduw het licht verbergt; maar om ’t even! Men was verheugd en lachte. Deze vier doodsche muren hadden een oogenblik van glans. Zij waren getuigen van al die vreugde: ’t was als een regen van rozen op een doodschen akker. De meisjes dartelden onder de oogen der nonnen. De blik der zondeloosheid hindert de onschuld niet. Door deze kinderen ontstond een vroolijk uur te midden van zooveel ernstige uren. De kleinen huppelden, de grooten dansten. In dat klooster was iets hemelsch in het spel. Niets kon bekoorlijker en verhevener zijn dan deze frissche, bloeiende zielen. Homerus en Perrault zouden er zich vermaakt hebben, en in dien somberen tuin waren genoeg jeugd, gezondheid, leven, dartelheid, vermaak, geluk om de rimpels weg te strijken van alle grootmoeders, die van het heldendicht zoowel als van het sprookje, van den troon als van de stulp, van Hecuba tot moeder de Gans.
Misschien zijn in dat huis, meer dan elders, van die liefelijke, kinderlijke woorden gesproken, welke een peinzenden glimlach uitlokken. ’t Is tusschen deze vier treurige muren dat een vijfjarig kind eens riep: „Moeder! een groote heeft mij gezegd, dat ik niet langer dan negen jaar en tien maanden hier mag blijven. Hoe gelukkig!”
Ook het volgend merkwaardig gesprek werd hier gevoerd:
Een kapittel-moeder.„Waarom weent ge, mijn kind?”
Het kind.(zes jaar oud) snikkend. „Ik heb aan Alix gezegd, dat ik mijn geschiedenis van Frankrijk kende. Zij zegt dat ik ze niet ken en ik ken ze”
Alix, de groote (negen jaar oud). „Neen, zij kent ze niet.”
De moeder: „Waarom niet, mijn kind?”
Alix.„Zij verzocht mij het boek, onverschillig waar, open te slaan, haar uit het boek te overhooren, en dan zou zij antwoorden.”
„Nu?”
„Zij heeft niet geantwoord.”
„Spreek, wat hebt ge gevraagd?”
„Ik sloeg het boek open, zooals zij verzocht had, en vroeg haar de eerste vraag, die ik vond.”
„Hoe was deze vraag?”
„’t Was:Wat gebeurde er vervolgens?”
’t Was insgelijks hier, dat deze opmerking werd gemaakt op den eenigszins vratigen papegaai van een der pensionnairen:
„Hoe aardig! hij eet het bovenste van de boterham evenals een mensch.”
Op een der vloersteenen van dat klooster werd deze biecht opgeraapt, die door een zevenjarige zondares vooraf was geschreven om ze niet te vergeten:
„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van gierigheid.
„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij van echtbreuk.
„Eerwaarde vader, ik beschuldig mij, mijn blik naar de heeren te hebben geslagen.”
Op een der zodenbanken in dien tuin werd door een zesjarig rozig mondje verteld, en aangehoord door vier- en vijfjarige blauwe oogen:
„Er waren drie haantjes die een land hadden, waarin vele bloemen stonden. Zij plukten de bloemen en staken ze in hun zak. Daarna plukten zij de bladen en deden ze bij haar speelgoed. Er was een wolf in het land, en er waren veel bosschen, en de wolf was in het bosch, en hij at de jonge haantjes op.”
Dan nog dit gedicht:
„Er kwam een stokslag,Polichinel sloeg de kat.’t Deed haar geen goed, maar ’t deed haar pijn.Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis.”
„Er kwam een stokslag,
Polichinel sloeg de kat.
’t Deed haar geen goed, maar ’t deed haar pijn.
Toen zette een dame Polichinel in de gevangenis.”
’t Was hier, dat deze teedere, hartbrekende woorden werden gezegd door een verlaten kind, een vondeling, dat het klooster uit barmhartigheid opvoedde. Zij hoorde de andere kinderen van haar moeders spreken en mompelde in haar hoekje:
„Toen ik geboren werd, was mijne moeder er niet.”
Men zag de dikke portierster altijd haastig met haar bos sleutels door de gangen loopen; zij heette zuster Agathe. De „zeer groote meisjes”—boven de tien jaren—noemden haar Agathoclès1.
Het refectorium (eetzaal), een groote, langwerpig vierkante zaal, die haar licht slechts door beschoten vensters uit den tuin ontving, was donker en vochtig, en, zooals de kinderen zeiden „vol dieren.” Al wat in haar omtrek was, leverde zijn contingent insecten. Ieder der vier hoeken had naar deze insecten, in de taal der pensionnaires, een bijzonderen, eigenaardigen naam ontvangen. Men had er den spinnenhoek, den rupsenhoek, den duizendbeenhoek en den krekelhoek. De krekelhoek was in de nabijheid der keuken en zeer geacht. Het was er minder koud dan elders. Uit het refectorium waren deze namen in het pensionaat gekomen en dienden er, evenals in het oude collegie-Mazarin, ter onderscheiding van vier natiën. Iedere pensionnaire behoorde tot een dezer vier natiën,al naar den hoek der eetzaal, waar zij gedurende den maaltijd zat. Zekeren dag zag de aartsbisschop, die zijn herderlijk bezoek deed, in de school, welke hij doorging, een lief blozend meisje, met heerlijk blond haar. Hij vroeg aan een andere pensionnaire, een bekoorlijke brunette met frissche wangen, die bij hem stond:
„Wie is deze?”
„Een spinnekop, Monseigneur!”
„Zoo! en gene?”
„Een krekel.”
„En zij?”
„Een rups.”
„Zoo waarlijk; en wat zijt gij?”
„Ik ben een duizendbeen, Monseigneur.”
Ieder huis van dezen aard heeft zijn eigenaardigheden. In het begin dezer eeuw was Ecouen een dier liefelijke en strenge plaatsen, waar, in een schier verheven schaduw, jonge meisjes opgroeiden.
Te Ecouen maakte men bij de processie van het H. Sacrament onderscheid tusschen de maagden en de bloemenmeisjes. Er waren ook „troonhemelen” en „wierookvaten,” namelijk zij, die de koorden van den troonhemel droegen, en zij die het H. Sacrament bewierookten. De bloemen behoorden van rechtswege aan de bloemenmeisjes. Vier „maagden” gingen vooraan. ’t Was niet zeldzaam, dat men op den ochtend van dien belangrijken dag in de slaapzaal kon hooren vragen:
„Wie van u is maagd?”
Mevrouw Campan verhaalt van een „kleine,” een zevenjarig meisje, dat tot een „groote” van zestien jaren, die aan ’t hoofd der processie ging, terwijl de kleine achteraan moest blijven, zeide: „Gij zijt een maagd, en dat ben ik niet.”
1Agathe-aux-clefs—(Agatha met de sleutels).
1Agathe-aux-clefs—(Agatha met de sleutels).
Vijfde hoofdstuk.Verstrooidheden.Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit gebed, ’t welk men het „witte Vader ons” noemde en dat de kracht had de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.„Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God in den hemel bracht.„Toen ik ’s avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bijmijn bed liggen, één aan het voeteneinde, twee aan ’t hoofdeinde, de maagd Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven; de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den H. Johannes.—H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van deAve Salus.—Hebt ge er den goeden God niet gezien?—Hij is aan den kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds, en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven.”In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen, of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, en soms ’t geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, wierpen. Dit werd gestraft.Zij, die de stilte stoorde, moest een „kruis met de tong” maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.In het klooster was een boek, waarvan slechts „één exemplaar”is gedrukt, en dat verboden is te lezen. ’t Is de regel van den H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst waren verrast te zullen worden, borgen zij ’t haastig weer weg. Zij hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen, gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt, en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:„Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te leggen, dan steekt men het ooft onder ’t oorkussen en des avonds eet men ’t in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats.”Dit was een harer grootste geneugten.Eenmaal, ’t was wederom bij gelegenheid van een bezoek des aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, maar niemand geloofde er aan. Op ’t oogenblik dat de aartsbisschop voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide: „Monseigneur, een dag vacantie als ’t u belieft.” De jonkvrouw Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: „Wat, mijn lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen u drie dagen!” De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet binnendrongen. Om dit te bewijzenwillen wij hier beknopt een waar, onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts, opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en „madame Albertine” noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide, dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen, die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit haar groote zwarte oogen. ’t Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte, voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: „Men houdt haar voor dood.”—„Zij is ’t misschien,” antwoordde de andere.Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men hetœil de bœufnoemde. ’t Was in deze tribune, met een rond raampje, eenœil de bœuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping, den prediker, of misdoenden priester kon zien; ’t geen aan de nonnen verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830 als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. ’t Was den eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden der stilte, die in de kapel heerschte: „Ziedaar August!” De geheele kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen en de zinnelooze weder een lijk geworden.Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat „ziedaar August!” De heer de Rohan heette werkelijk August. ’t Was stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent, bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis alsMagnates mulierestoegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de oogen neder.Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer zestienjarige meisjes.Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis, welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie, die thans reeds zeer verouderd is: „Mijn Zetulbé, kom, beheersch mijn hart,” en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd, alles beproefd hebben om slechts een seconde den „jongeling” te zien en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen naar de derde verdiepingom zoo mogelijk door de gesloten vensters in de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen eindelijk den „jongeling!” ’t Was een arme, blinde, oude emigrant, die op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.
Vijfde hoofdstuk.Verstrooidheden.
Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit gebed, ’t welk men het „witte Vader ons” noemde en dat de kracht had de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.„Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God in den hemel bracht.„Toen ik ’s avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bijmijn bed liggen, één aan het voeteneinde, twee aan ’t hoofdeinde, de maagd Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven; de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den H. Johannes.—H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van deAve Salus.—Hebt ge er den goeden God niet gezien?—Hij is aan den kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds, en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven.”In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen, of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, en soms ’t geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, wierpen. Dit werd gestraft.Zij, die de stilte stoorde, moest een „kruis met de tong” maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.In het klooster was een boek, waarvan slechts „één exemplaar”is gedrukt, en dat verboden is te lezen. ’t Is de regel van den H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst waren verrast te zullen worden, borgen zij ’t haastig weer weg. Zij hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen, gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt, en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:„Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te leggen, dan steekt men het ooft onder ’t oorkussen en des avonds eet men ’t in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats.”Dit was een harer grootste geneugten.Eenmaal, ’t was wederom bij gelegenheid van een bezoek des aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, maar niemand geloofde er aan. Op ’t oogenblik dat de aartsbisschop voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide: „Monseigneur, een dag vacantie als ’t u belieft.” De jonkvrouw Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: „Wat, mijn lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen u drie dagen!” De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet binnendrongen. Om dit te bewijzenwillen wij hier beknopt een waar, onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts, opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en „madame Albertine” noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide, dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen, die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit haar groote zwarte oogen. ’t Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte, voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: „Men houdt haar voor dood.”—„Zij is ’t misschien,” antwoordde de andere.Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men hetœil de bœufnoemde. ’t Was in deze tribune, met een rond raampje, eenœil de bœuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping, den prediker, of misdoenden priester kon zien; ’t geen aan de nonnen verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830 als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. ’t Was den eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden der stilte, die in de kapel heerschte: „Ziedaar August!” De geheele kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen en de zinnelooze weder een lijk geworden.Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat „ziedaar August!” De heer de Rohan heette werkelijk August. ’t Was stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent, bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis alsMagnates mulierestoegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de oogen neder.Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer zestienjarige meisjes.Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis, welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie, die thans reeds zeer verouderd is: „Mijn Zetulbé, kom, beheersch mijn hart,” en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd, alles beproefd hebben om slechts een seconde den „jongeling” te zien en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen naar de derde verdiepingom zoo mogelijk door de gesloten vensters in de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen eindelijk den „jongeling!” ’t Was een arme, blinde, oude emigrant, die op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.
Boven de deur van het refectorium stond met groote zwarte letters dit gebed, ’t welk men het „witte Vader ons” noemde en dat de kracht had de menschen regelrecht naar den hemel te voeren.
„Klein, wit paternostertje, dat God maakte, dat God sprak, dat God in den hemel bracht.
„Toen ik ’s avonds naar bed ging, vond ik drie engelen bijmijn bed liggen, één aan het voeteneinde, twee aan ’t hoofdeinde, de maagd Maria in het midden, die tot mij zeide, dat ik te bed moest gaan en niets vreezen. De goede God is mijn vader, de goede maagd is mijn moeder, de drie apostelen zijn mijn broeders, de drie maagden zijn mijn zusters. In het hemd, waarin God werd geboren is mijn lijf gewikkeld; het kruis St. Margaretha is op mijn borst geschreven; de H. Maagd ging over het veld, God beweenende, en ontmoette den H. Johannes.—H. Johannes, van waar komt gij? Ik kom van deAve Salus.—Hebt ge er den goeden God niet gezien?—Hij is aan den kruisboom, met hangende beenen, met vastgespijkerde handen, een klein wit doornhoedje op het hoofd. Wie dit driemaal des avonds, en driemaal des morgens bidt, zal eindelijk den hemel verwerven.”
In 1827 verdween dit karakteristiek gebed onder een driedubbele laag kalk. Het begint zich uit het geheugen te verliezen van eenige jongedochters uit dien tijd, die thans oude vrouwen zijn.
Een groot kruisbeeld aan den muur voltooide de decoratie van deze eetzaal, wier eenige deur in den tuin voerde. Twee smalle tafels, ieder met twee banken daarnaast, vormden twee lange evenwijdige lijnen van het eene naar het andere einde der zaal. De muren waren wit, de tafels waren zwart; alleen deze twee rouwkleuren wisselden elkander in de kloosters af. De maaltijden waren naargeestig en het voedsel der kinderen zeer sober. Een enkele schotel, vleesch en groente ondereen, of gezouten visch, was de geheele weelde. Deze geringe kost, alleen voor de pensionnairen bestemd, was intusschen een uitzondering. De kinderen aten in stilte onder het opzicht der moeder van de week, die nu en dan, wanneer tegen alle regels een vlieg zich verstoutte te vliegen of te gonzen, een houten boek hard opende en dicht sloeg. Deze stilte werd door het leven der heiligen gekruid, dat luid, in een kleinen preekstoel met lezenaar, aan den voet van het kruisbeeld, werd voorgelezen. De voorlezeres was een groote pensionnaire, die de week had. Op zekere afstanden stonden op de ongedekte tafel schotels, waarin de kweekelingen zelve haar bord, vork en lepel afwaschten, en soms ’t geen zij niet lusten, taai vleesch of bedorven visch, wierpen. Dit werd gestraft.
Zij, die de stilte stoorde, moest een „kruis met de tong” maken. Waar? Op den grond, dien zij kruiswijze lekte. Het stof, dit einde aller vreugd, was bestemd deze kleine rozenblaadjes, die zich aan fluisteren schuldig hadden gemaakt, te kastijden.
In het klooster was een boek, waarvan slechts „één exemplaar”is gedrukt, en dat verboden is te lezen. ’t Is de regel van den H. Benedictus. Een geheim, dat geen profaan oog zien mag.
Eens gelukte het den pensionnairen, dit boek weg te nemen, en zij begonnen het gretig te lezen; doch daar zij onophoudelijk in angst waren verrast te zullen worden, borgen zij ’t haastig weer weg. Zij hadden weinig genot van het groot gevaar, waaraan zij zich hadden blootgesteld. Eenige onverstaanbare bladzijden over de zonden der jongens was het belangrijkste, dat zij er in vonden.
Zij speelden in een laan van den tuin, waar eenige schrale vruchtboomen stonden. Trots het scherpste opzicht en de strengheid der straffen, gelukte het haar soms, wanneer de wind de boomen geschud had, ter sluiks een onrijpen appel, een rotte abrikoos of een wormstekige peer op te rapen. Ik zal hier een brief laten spreken, die voor mij ligt, en vijfentwintig jaren geleden geschreven is door een toenmalige pensionnaire, thans hertogin van...., een der elegantste vrouwen van Parijs. Ik geef hier haar eigen woorden weder:
„Men verbergt zoo goed mogelijk zijn peer of zijn appel. Gaat men naar boven om, in afwachting van het avondeten, den sluier op het bed te leggen, dan steekt men het ooft onder ’t oorkussen en des avonds eet men ’t in bed, en zoo dat niet gaat op een andere geheime plaats.”
Dit was een harer grootste geneugten.
Eenmaal, ’t was wederom bij gelegenheid van een bezoek des aartsbisschops in het klooster, deed een der pensionnaires, de jongejuffrouw Bouchard, verwant aan de Montmorencys, de weddingschap dat zij den aartsbisschop een dag vacantie zou vragen, iets ongehoords in een zoo streng huis. De weddingschap werd aangenomen, maar niemand geloofde er aan. Op ’t oogenblik dat de aartsbisschop voorbij de pensionnaires ging, trad de jongejuffrouw Bouchard, tot onbeschrijfelijken schrik harer gezellinnen, uit de rij en zeide: „Monseigneur, een dag vacantie als ’t u belieft.” De jonkvrouw Bouchard was groot en frisch, met het bekoorlijkst gezichtje, dat men zien kon. Monseigneur de Quélen glimlachte en zeide: „Wat, mijn lief kind, één dag vacantie! Drie dagen, wat mij betreft! Ik verleen u drie dagen!” De priorin kon er niets tegen doen, de aartsbisschop had gesproken. Een ergernis voor het klooster, maar vreugde voor het pensionaat. Men kan zich de uitwerking voorstellen!
Dit strenge klooster was evenwel niet zoo streng ommuurd, dat het leven der wereldsche hartstochten, dat het drama, dat zelfs de roman er niet binnendrongen. Om dit te bewijzenwillen wij hier beknopt een waar, onbetwistbaar feit vermelden, dat overigens in geen verband staat met de geschiedenis, welke wij verhalen. Wij vermelden het slechts, opdat de lezer een juister denkbeeld van het klooster zal hebben.
Omtrent dezen tijd bevond zich in het klooster een geheimzinnige persoon, echter geen non, die men met diepen eerbied behandelde en „madame Albertine” noemde. Men wist nopens haar niets anders dan dat zij krankzinnig was en in de wereld voor dood werd gehouden. Men zeide, dat onder deze geschiedenis geldelijke beschikkingen waren verborgen, die voor een zeer aanzienlijk huwelijk noodig waren geweest.
Deze nauwelijks dertigjarige, zeer schoone, brunette, zag flauw uit haar groote zwarte oogen. ’t Was de vraag, of zij werkelijk zag! Men twijfelde er aan. Zij sloop meer dan zij ging; nooit sprak zij; men was niet eens zeker of zij ademde. Haar neus was eenigszins opgetrokken en bleek, als na een laatsten snik. Wanneer men haar hand raakte, voelde men iets als sneeuw. Waar zij kwam werd men koud. Een zuster zeide eens, toen zij haar zag voorbijgaan, tot een andere: „Men houdt haar voor dood.”—„Zij is ’t misschien,” antwoordde de andere.
Allerlei geschiedenissen werden wegens mevrouw Albertine verhaald. Zij was het voorwerp der voortdurende nieuwsgierigheid der pensionnaires. In de kapel was een tribune, die men hetœil de bœufnoemde. ’t Was in deze tribune, met een rond raampje, eenœil de bœuf, dat mevrouw Albertine de heilige diensten bijwoonde. Gewoonlijk was zij er alleen, wijl men in deze tribune, op de eerste verdieping, den prediker, of misdoenden priester kon zien; ’t geen aan de nonnen verboden was. Op zekeren dag predikte een jong priester van hoogen rang, de hertog van Rohan, pair van Frankrijk, officier der roode musketiers in 1815, toen hij prins van Léon was, later in 1830 als kardinaal en aartsbisschop van Besançon overleden. ’t Was den eersten keer, dat de heer de Rohan in het klooster van Klein Picpus predikte. Mevrouw Albertine was gewoonlijk gedurende de predikatie en de mis volkomen rustig en bewegingloos. Dien dag richtte zij zich ten halve op, zoodra zij den heer de Rohan zag, en zeide te midden der stilte, die in de kapel heerschte: „Ziedaar August!” De geheele kloostergemeente keerde ontsteld het hoofd om, de prediker sloeg de oogen op, maar mevrouw Albertine was weder in haar bewegingloosheid verzonken. Een ademtocht uit de buitenwereld, een levensstraal was even over dit uitgedoofde gezicht gegaan, toen was alles verdwenen en de zinnelooze weder een lijk geworden.
Deze twee woorden brachten intusschen in het klooster al de tongen in beweging. Welke dingen, hoeveel onthullingen lagen er niet in dat „ziedaar August!” De heer de Rohan heette werkelijk August. ’t Was stellig, dat mevrouw Albertine uit de groote wereld kwam, wijl zij den heer de Rohan kende, dat zij er zelfs een hoogen rang in bekleed had, wijl zij van zulk een groot heer zoo gemeenzaam sprak, en dat zij in eenige betrekking tot hem stond, misschien met hem verwant en wel zeer nauw verwant was, daar zij zijn voornaam noemde.
Twee zeer strenge hertoginnen, mevrouwen de Choiseul en de Sérent, bezochten dikwerf het klooster, waar zij gewis alsMagnates mulierestoegang hadden, en baarden het pensionaat veel schrik. Wanneer de twee oude dames voorbijgingen, beefden al de meisjes en sloegen de oogen neder.
Mijnheer de Rohan was overigens, zonder het te weten, het voorwerp der opmerkzaamheid van de pensionnaires. Hij was op dat tijdstip, in afwachting der bisschoppelijke waardigheid, tot groot-vicaris van den aartsbisschop van Parijs benoemd. Hij placht dikwijls in de kapel der nonnen van Klein Picpus het lof en de vespers te komen zingen. Hoewel geen der jonge pensionnaires hem zien konde, uithoofde der wollen gordijn, onderscheidden en herkenden zij hem toch eindelijk aan zijn zachte, eenigszins zwakke stem.
Hij was musketier geweest, en men zeide dat hij zeer coquet was; dat hij fraai kastanjebruin haar had, en dit in sierlijke lokken om het hoofd droeg; dat zijn breede, moiré gordel en zijn priesterrok hem zeer fraai stonden. Hij vervulde geheel de verbeelding dezer zestienjarige meisjes.
Geen gerucht van buiten drong het klooster binnen. In zeker jaar evenwel hoorde men er een fluit. Dit was een gewichtige gebeurtenis, welke de pensionnaires van dien tijd zich zeker nog herinneren.
Iemand in de buurt speelde op de fluit en wel altijd dezelfde melodie, die thans reeds zeer verouderd is: „Mijn Zetulbé, kom, beheersch mijn hart,” en men hoorde het twee of drie malen daags. De meisjes luisterden uren lang; de kapittelmoeders waren in verlegenheid, de hersenen in gisting, en het regende straffen. Dit duurde verscheidene maanden. De pensionnaires waren allen min of meer op den onbekenden muzikant verliefd. De tonen der fluit kwamen van de zijde der straat Droit-Mur. De meisjes zouden er alles voor gegeven, alles gewaagd, alles beproefd hebben om slechts een seconde den „jongeling” te zien en op te nemen, die zoo heerlijk op de fluit speelde en, zonder het te weten, aller harten bewoog. Enkelen slopen uit een deur en klommen naar de derde verdiepingom zoo mogelijk door de gesloten vensters in de straat Droit-Mur te kunnen zien. Onmogelijk. Eén stak zelfs haar arm boven haar hoofd door de traliën en wuifde met haar zakdoek. Twee waren nog stoutmoediger. Zij vonden middel op een dak te klauteren en zagen eindelijk den „jongeling!” ’t Was een arme, blinde, oude emigrant, die op zijn zolderkamertje op de fluit speelde om de verveling te dooden.
Zesde hoofdstuk.Het kleine klooster.Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond, het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte, grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was, een harlekijns-klooster kunnen noemen.Sedert het Keizerrijk was ’t aan al deze arme, verstoorde, verjaagde geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus hadden ze met welwillendheid ontvangen. ’t Was een zonderling mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven; ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere, de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en van moeder Jakob.Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. ’t Was een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte.In 1824 bleef van deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames, zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort d’Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in ’t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar Vacarmini.1In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein tijdschrift, deIntrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden, zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis nog zeer goed de harp.Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven te verschrikken:Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:Dismas et Gesmas, media est divina potestas;Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,Nos et res nostras conservet summa potestas.Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzenwordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander bewijs dan de slagen der „disciplines” (geeselkoorden), die in de banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.1Vacarme, rumoer.
Zesde hoofdstuk.Het kleine klooster.
Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond, het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte, grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was, een harlekijns-klooster kunnen noemen.Sedert het Keizerrijk was ’t aan al deze arme, verstoorde, verjaagde geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus hadden ze met welwillendheid ontvangen. ’t Was een zonderling mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven; ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere, de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en van moeder Jakob.Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. ’t Was een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte.In 1824 bleef van deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames, zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort d’Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in ’t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar Vacarmini.1In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein tijdschrift, deIntrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden, zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis nog zeer goed de harp.Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven te verschrikken:Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:Dismas et Gesmas, media est divina potestas;Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,Nos et res nostras conservet summa potestas.Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzenwordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander bewijs dan de slagen der „disciplines” (geeselkoorden), die in de banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.
Op het terrein van Klein-Picpus stonden drie, geheel van elkander verschillende gebouwen: het groot gebouw, door de nonnen bewoond, het pensionaat, met de kweekelingen, en eindelijk het zoogenaamde Kleine Klooster. In dit laatste gebouw, dat een tuin had, woonden gemeenschappelijk oude nonnen van verschillende orden; overblijfselen der door de Revolutie verwoeste kloosters; een bont mengsel van zwarte, grijze en witte nonnen uit alle congregatiën en van alle mogelijke soorten; men had het, zoo zulk een woordverbinding geoorloofd was, een harlekijns-klooster kunnen noemen.
Sedert het Keizerrijk was ’t aan al deze arme, verstoorde, verjaagde geestelijke dochters vergund geworden een schuilplaats onder de vleugelen der benedictijner-bernardijner nonnen te zoeken. Het gouvernement gaf ze een kleine jaarwedde; de dames van Klein-Picpus hadden ze met welwillendheid ontvangen. ’t Was een zonderling mengelmoes! Iedere non volgde haar regel. Als een groote uitspanning veroorloofde men nu en dan den pensionnaires, haar een bezoek te geven; ten gevolge daarvan hebben haar jeugdige herinneringen, onder andere, de gedachtenis bewaard van moeder Bazilius, van moeder Scolastica en van moeder Jakob.
Een dezer vluchtelingen bevond zich hier bijkans als tehuis. ’t Was een non van St. Aure, de eenige die haar orde overleefd had. In het begin der achttiende eeuw was het oude klooster der dames van St. Aure hetzelfde huis van Klein Picpus, dat later aan de benedictijner nonnen van Martin Verga behoorde. Deze vrome dochter, te arm voor de kostbare dracht harer orde, dat uit een wit kleed met scharlaken scapulier bestond, had daarmede een popje gekleed, dat zij met innig genoegen vertoonde en later aan het huis vermaakte.In 1824 bleef van deze orde slechts één non; tegenwoordig is er slechts een pop van over.
Behalve deze eerwaardige moeders hadden eenige oude wereldlijke dames, zooals mevrouw Albertine, van de priorin verlof verkregen in het Kleine Klooster te mogen wonen. Tot dat getal behoorden mevrouw de Beaufort d’Hautpoul en mevrouw de markiezin Dufresne. Een andere dame was in ’t klooster niet anders bekend dan door het schrikkelijk geraas dat zij maakte, als zij den neus snoot. De pensionnaires noemden haar Vacarmini.1
In 1820 of 1821 verzocht mevrouw de Genlis, die destijds een klein tijdschrift, deIntrépide, schreef, in het klooster van Klein Picpus te mogen wonen. Zij werd door den hertog van Orleans aanbevolen. Gedruisch in de bijenkorf; de kapittelmoeders beefden; mevrouw de Genlis had romans geschreven, maar verklaarde dat zij de eerste was die ze verfoeide, en bovendien was zij het tijdperk der strengste vroomheid ingetreden. Met Gods hulp en die van den hertog kwam zij er in; maar na verloop van zes of acht maanden ging zij er weder uit, om reden, zooals zij zeide, dat er in den tuin geen schaduw was. Dit verblijdde de nonnen niet weinig. Hoewel zeer oud, bespeelde mevrouw de Genlis nog zeer goed de harp.
Toen zij vertrok, liet zij een kenteeken van zich in haar cel achter. Mevrouw de Genlis was bijgeloovig en verstond Latijn. Deze twee woorden schetsen tamelijk goed haar portret. Eenige jaren geleden zag men nog in een kleine kast harer cel, waarin zij haar geld en juweelen borg, deze vijf latijnsche verzen, eigenhandig door haar met rooden inkt op geel papier geschreven, tegen den muur geplakt, en welke woorden, volgens haar meening, de kracht hadden de dieven te verschrikken:
Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:Dismas et Gesmas, media est divina potestas;Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,Nos et res nostras conservet summa potestas.Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.
Imparibus meritis pendent tria corpora ramis:
Dismas et Gesmas, media est divina potestas;
Alta petit Dismas, infelix, infima, Gesmas,
Nos et res nostras conservet summa potestas.
Hos versus dicas, ne tu furto tua perdas.
Deze, in Latijn der zesde eeuw geschreven verzen doen de vraag oprijzen of de twee moordenaars, op den Kalvarieberg, zooals men algemeen gelooft, Dimas en Gestas, of Dismas en Gesmas heetten. Deze spelling zou zeker in de vorige eeuw de aanspraken van den graaf de Gestas, die beweerde van den kwaden moordenaar af te stammen, bestreden hebben. Overigens behoort de weldoende kracht, welke aan deze verzenwordt toegeschreven, tot de geloofsartikelen der hospitaalnonnen.
De kerk van het huis, die zoodanig was gebouwd, dat zij het groote klooster van het pensionaat scheidde, was echter met dit, het kleine klooster en het pensionaat in gemeenschap. Zelfs werd er het publiek door een bijzondere gang, op de straat uitloopende, in toegelaten. Alles was echter zoo ingericht, dat geen der kloosterbewoners een vreemd gezicht zien kon. Men stelle zich een kerk voor, wier koor door een reuzenhand gegrepen en zoo gebogen was, dat het niet, zooals in gewone kerken, een verlenging achter het altaar vormde, maar een soort van kamer of donker hol ter rechterzijde van den dienstdoenden priester; men stelle zich deze kamer voor, door een gordijn van zeven voet hoog gesloten, waarvan wij reeds gesproken hebben; waarachter, in de schaduw, in houten banken de koornonnen links, de pensionnairen rechts en de novicen op den achtergrond geplaatst zijn, en men zal eenig begrip hebben der religieusen van Klein-Picpus, wanneer zij de heilige diensten bijwonen. Deze spelonk, welke men het koor noemt, was door een gang met het klooster in verbinding. De kerk ontving het licht uit den tuin. Wanneer de nonnen officiën bijwoonden, waarbij de regel haar stilte oplegde, had het publiek van haar tegenwoordigheid geen ander bewijs dan de slagen der „disciplines” (geeselkoorden), die in de banken met gedruisch opgeheven en neergelaten werden.
1Vacarme, rumoer.
1Vacarme, rumoer.
Zevende hoofdstuk.Eenige silhouetten.In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van „Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus.” Zij was herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw, die „als een gebersten pot zong,” zegt de brief, welken wij reeds hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige vroolijke in het klooster en daarom bemind.Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite, de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de geschiedenis, zij verstond Latijn,Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half blinde non.De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine, schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes, moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (MlleGauvain), nog jong, met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (MlleDrouet), die in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mllede Colgolludo), moeder St. Adelaida (Mlled’Averney), moeder Misericordia, (Mllede Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion (Mllede la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia (Mllede Laudinière), moeder Presentatie (Mllede Siguenza), die in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mllede Suzon); welkebeidekrankzinnig werden.Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster moeder Assomption.Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had, gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud, verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aanonbezielde voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd, duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf, de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was een bijzonder getal. Voor de priorin was ’t één en één; voor de onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is, kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een „afschuwelijken ouden bochel” afgeschilderd wordt.Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.Zoodanig was dit merkwaardig huis.
Zevende hoofdstuk.Eenige silhouetten.
In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van „Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus.” Zij was herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw, die „als een gebersten pot zong,” zegt de brief, welken wij reeds hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige vroolijke in het klooster en daarom bemind.Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite, de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de geschiedenis, zij verstond Latijn,Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half blinde non.De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine, schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes, moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (MlleGauvain), nog jong, met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (MlleDrouet), die in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mllede Colgolludo), moeder St. Adelaida (Mlled’Averney), moeder Misericordia, (Mllede Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion (Mllede la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia (Mllede Laudinière), moeder Presentatie (Mllede Siguenza), die in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mllede Suzon); welkebeidekrankzinnig werden.Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster moeder Assomption.Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had, gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud, verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aanonbezielde voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd, duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf, de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was een bijzonder getal. Voor de priorin was ’t één en één; voor de onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is, kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een „afschuwelijken ouden bochel” afgeschilderd wordt.Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.Zoodanig was dit merkwaardig huis.
In de zes jaren tusschen 1819 en 1825 was de priorin van Klein Picpus jonkvrouwe de Blemeur, in religie genaamd moeder Innocentia. Zij behoorde tot de familie van Marguerite de Blemeur, schrijfster van „Het leven der heiligen van de orde van den H. Benedictus.” Zij was herkozen geworden. Zij was een zestigjarige, korte, dikke vrouw, die „als een gebersten pot zong,” zegt de brief, welken wij reeds hebben aangehaald; overigens was zij een uitmuntende vrouw, de eenige vroolijke in het klooster en daarom bemind.
Moeder Innocentia had veel van haar voorouderlijke verwante Marguerite, de Dacier, van de orde, en was geletterd, geleerd, bedreven in de geschiedenis, zij verstond Latijn,Grieksch, en zelfs Hebreeuwsch, en was veeleer een benedictijn dan een benedictijnerin.
De onder-priorin, moeder Cineres, was een oude Spaansche, half blinde non.
De voornaamste kapittelmoeders waren moeder St. Honorine, schatbewaarster, moeder St. Gertruda, eerste novice-meesteres, en moeder St. Ange, tweede meesteres; moeder Annonciatie, sacristijnes, moeder St. Augustinus, ziekenmoeder, de eenige ondeugende van het klooster; vervolgens moeder St. Mechtilde (MlleGauvain), nog jong, met een bewonderenswaardige stem; moeder der Engelen (MlleDrouet), die in het klooster der Filles-Dieu en in het klooster du Trésor tusschen Gisors en Magny was geweest; moeder St. Jozef (Mllede Colgolludo), moeder St. Adelaida (Mlled’Averney), moeder Misericordia, (Mllede Cifuentes, die onder de verstervingen bezweek), moeder Compassion (Mllede la Miltierè, die, tegen den regel, op zestigjarigen ouderdom werd aangenomen, maar zeer rijk was); moeder Providentia (Mllede Laudinière), moeder Presentatie (Mllede Siguenza), die in 1847 priorin werd; eindelijk moeder St. Celigna (zuster van den beeldhouwer Ceracchi), en moeder St. Chantal (Mllede Suzon); welkebeidekrankzinnig werden.
Tot de fraaiste behoorde een bekoorlijke drie-en-twintigjarige vrouw, van het eiland Bourbon, eene afstammelinge van den ridder Roze. Zij heette in de wereld mejonkvrouw Roze en in het klooster moeder Assomption.
Moeder St. Mechtilde, die het opzicht over den zang en het koor had, gebruikte daarvoor gaarne pensionnairen. Zij nam gewoonlijk de geheele toonladder, namelijk zeven meisjes, van tien jaar tot zestien jaar oud, verschillende van stem en grootte, welke zij naar haar ouderdom van de kleinste tot de grootste, naast elkander staande deed zingen. Dit had wel iets van een rietfluit, een soort van levende Pansfluit uit engelen samengesteld. Van de leekezusters beminden de pensionnairen het meest zuster Euphrasie, zuster St. Margeretha, zuster St. Martha, die kindsch was, en zuster St. Michel, om wier langen neus zij lachten.
Al deze zusters waren zeer goed voor al de kinderen, en slechts streng voor zich zelven. Alleen in het pensionaat werd vuur gestookt; en het voedsel was er, bij dat van het klooster vergeleken, keurig. Daarbij betoonde men de pensionnairen duizenden voorkomendheden. Zoo echter een kind een non voorbijging en haar toesprak, antwoordde zij niet.
Deze regel der stilzwijgendheid was de oorzaak dat in het klooster de spraak aan menschelijke wezens ontzegd en aanonbezielde voorwerpen verleend werd. Nu sprak de klok der kerk, dan het schelletje van den tuinier. Een zeer helder klinkend bekken, dat naast de portierster stond en in het geheele huis gehoord werd, duidde door verschillende slagen, een soort van klank-telegraaf, de handelingen van het stoffelijke leven aan, die moesten verricht worden en riep, des vereischt, deze of gene bewoonster van het huis in het spreekvertrek. Voor ieder persoon en voor iedere zaak was een bijzonder getal. Voor de priorin was ’t één en één; voor de onder-priorin één en twee. Zes en vijf verkondigde den aanvang der school. Vier en vier was voor mevrouw de Genlis, voor wie men den klank van het bekken, dikwijls hoorde. Negentien slagen verkondigden een gewichtige gebeurtenis, de opening der poort, een ijzeren gevaarte met een aantal grendels, die niet dan voor den aartsbisschop op haar hengsels draaide. Uitgezonderd hij en de tuinier, zooals gezegd is, kwam geen man het klooster binnen. Slechts de pensionnairen zagen er nog twee, de een was de aalmoezenier, de abt Banès, een oud leelijk man, dien zij in het koor door een traliehek mochten zien; de andere was de teekenmeester, Ansiaux, die in den brief, waarvan men reeds eenige regels heeft gelezen, Anciot genoemd en als een „afschuwelijken ouden bochel” afgeschilderd wordt.
Men ziet, dat al deze mannen uitgezocht waren.
Zoodanig was dit merkwaardig huis.
Achtste hoofdstuk.Post corda lapides.Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds een denkbeeld.Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galgbesloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus; het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener non uit het klooster werd gedragen. ’t Was de algemeene kerkdeur. De elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin, stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen, verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende, waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat, en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van ’t geen vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, die, „het speelhuis der elf duizend duivels” werd genoemd.Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.
Achtste hoofdstuk.Post corda lapides.
Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds een denkbeeld.Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galgbesloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus; het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener non uit het klooster werd gedragen. ’t Was de algemeene kerkdeur. De elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin, stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen, verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende, waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat, en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van ’t geen vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, die, „het speelhuis der elf duizend duivels” werd genoemd.Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.
Na de geestelijke gesteldheid van het klooster Klein-Picpus te hebben geschetst, zal het niet ongepast zijn in weinige woorden zijn stoffelijke gestalte aan te geven. De lezer heeft daarvan reeds een denkbeeld.
Het klooster Petit-Picpus-Saint-Antoine besloeg schier geheel het ongelijkzijdig vierkant, gevormd door de richting der straten Polonceau en Droit Mur, der kleine straat Picpus en der blinde steeg, die op oude plattegronden straat Aumarais wordt genoemd. Deze vier straten omgaven dat ongelijkzijdig vierkant als de gracht om een vesting. Het klooster bestond uit verschillende gebouwen en een tuin. Het hoofdgebouw was, in zijn geheel genomen, een samenvoeging van de tegenstrijdigste gebouwen, die van uit de lucht gezien volkomen een op den grond liggende galg voorstelden. De groote arm dezer galgbesloeg het gedeelte der straat Droit Mur tusschen de kleine straat Picpus en de straat Polonceau; de kleine arm was een hooge, grijze, statige voorgevel met getraliede vensters in de kleine straat Picpus; het einde duidde de koetspoort No. 62 aan. Ongeveer in het midden van dien voorgevel bedekten stof en asch een oude, lage boogvormige deur, waar de spinnen heur web weefden en die slechts een paar uren Zondags werd geopend, alsmede in het zeldzaam geval, dat de doodkist eener non uit het klooster werd gedragen. ’t Was de algemeene kerkdeur. De elleboog der galg was een vierkant vertrek, dat tot provisiekamer diende. In den grooten arm waren de cellen der moeders, der zusters en der novicen. In den kleinen arm de keukens, de eetzaal, met de kloostergalerij en de kerk. Tusschen de poort No. 62 en den hoek der blinde steeg Aumarais was het pensionaat, dat men van buiten niet zag. Het overige van het ongelijkzijdig vierkant vormde den tuin, die veel lager was dan de oppervlakte der straat Polonceau; zoodat de muren binnen hooger dan buiten waren. In het midden van den tuin, stond op een heuveltje een fraaie, scherpe, kegelvormige denneboom, van welken, als uit een middelpunt, vier breede paden liepen, verbonden door dubbele dwarspaden, zoodat, ware de tuin rond geweest, de plattegrond er van een kruis op een rad had voorgesteld. Deze paden, alle op de zeer onregelmatige muren van den tuin uitloopende, waren van ongelijke lengte en omzoomd met aalbesseboompjes. Aan het einde van den tuin stond een rij hooge populieren, van de bouwvallen van het oude klooster af, aan den hoek der straat Droit-Mur, tot aan het nieuwe klooster aan den hoek der blinde steeg Aumarais. Voor het kleine klooster was de zoogenoemde kleine tuin. Men voege bij dit alles een binnenplaats, verschillende hoeken door de gebouwen gevormd, muren, als die eener gevangenis, geen ander gezicht en nabuurschap dan de donkere lijn der daken aan gene zijde der Polonceau-straat, en men zal zich een volkomen denkbeeld kunnen vormen van ’t geen vijf-en-veertig jaren geleden het huis der bernardijner nonnen van Klein Picpus was. Dit heilige huis was gebouwd op dezelfde plaats waar van de veertiende tot de zestiende eeuw een vermaarde kaatsbaan stond, die, „het speelhuis der elf duizend duivels” werd genoemd.
Al deze straten behoorden overigens tot de oudste van Parijs. De namen Aumaurais en Droit-Mur zijn zeer oud, maar de straten, die er naar heeten, veel ouder. De steeg Aumaurais heeft de steeg Mougout geheeten; de straat Droit-Mur de Engelantierstraat, want God schiep de bloemen vóór dat de mensen de muren bouwde.
Negende hoofdstuk.Een eeuw onder een nonnen borstdoek.Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van ’t geen eertijds het klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil, zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat, met wie zij goed bekend was geweest. ’t Was haar vermaak en trots, bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek en in welk klooster straten waren.Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen, zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige vader.—En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij zeide, dat in haar jeugd „de bernardijnen niet voor de musketiers uit den weg gingen.”’t Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker las men dit opschrift: „apenwijn,” op den tweeden: „leeuwenwijn,” op den derden: „schapenwijn,” op den vierden: „varkenswijn.” Deze vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweedevergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, ’t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de volhardendsten op haar halsstarrigheid.’t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. ’t Was een schotel van Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts, gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl, zooals zij zeide, „het spreekvertrek te somber was.”
Negende hoofdstuk.Een eeuw onder een nonnen borstdoek.
Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van ’t geen eertijds het klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil, zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat, met wie zij goed bekend was geweest. ’t Was haar vermaak en trots, bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek en in welk klooster straten waren.Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen, zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige vader.—En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij zeide, dat in haar jeugd „de bernardijnen niet voor de musketiers uit den weg gingen.”’t Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker las men dit opschrift: „apenwijn,” op den tweeden: „leeuwenwijn,” op den derden: „schapenwijn,” op den vierden: „varkenswijn.” Deze vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweedevergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, ’t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de volhardendsten op haar halsstarrigheid.’t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. ’t Was een schotel van Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts, gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl, zooals zij zeide, „het spreekvertrek te somber was.”
Nu wij ons bezighouden met de bijzonderheden van ’t geen eertijds het klooster Klein Picpus was en een venster hebben durven openen om een blik op dit zwijgend verblijf te slaan, veroorlove de lezer ons nog een kleine uitweiding, die wel is waar vreemd aan het onderwerp van dit boek, maar karakteristiek en noodzakelijk is, daar zij zal doen zien, dat ook in het klooster zonderlinge figuren zijn.
In het kleine klooster bevond zich een honderdjarige non, die uit de abdij van Fontevrault was gekomen. Vóór de revolutie had zij in de groote wereld geleefd. Zij sprak veel van den heer de Miromesnil, zegelbewaarder onder Lodewijk XVI, en van een presidentsvrouw Duplat, met wie zij goed bekend was geweest. ’t Was haar vermaak en trots, bij iedere gelegenheid deze namen ter sprake te brengen. Zij verhaalde wonderen der abdij van Fontevrault, die, zeide zij, een stad geleek en in welk klooster straten waren.
Haar Picardische tongval vermaakte de pensionnairen. Alle jaren vernieuwde zij plechtig haar geloften en vóór den eed af te leggen, zeide zij tot den priester: Monseigneur St. Franciscus deed hem aan Monseigneur St. Juliaan, Monseigneur St. Juliaan deed hem aan Monseigneur St. Eusebius, Monseigneur St. Eusebius deed hem aan Mons. St. Procopius enz. enz. alzoo doe ik hem aan u, eerwaardige vader.—En de pensionnairen lachten onder haar sluiers, een liefelijk gesmoord gelach, dat de voorhoofden der kapittelmoeders deed rimpelen.
Een anderen keer verhaalde de honderdjarige non geschiedenissen. Zij zeide, dat in haar jeugd „de bernardijnen niet voor de musketiers uit den weg gingen.”’t Was een sprekende eeuw, die achttiende eeuw. Zij verhaalde van het oude gebruik, dat vóór de revolutie in Champagne en Bourgondië bestond ter zake der vier wijnen. Wanneer namelijk een groot personage, een maarschalk van Frankrijk, een prins, een hertog of pair door een stad in Champagne of Bourgogne trok, hield de stedelijke overheid een toespraak tot hem, en bood hem vier zilveren bekers aan, met vier verschillende soorten van wijn. Op den eersten beker las men dit opschrift: „apenwijn,” op den tweeden: „leeuwenwijn,” op den derden: „schapenwijn,” op den vierden: „varkenswijn.” Deze vier opschriften beteekenden de vier graden, langs welke de dronkaard nedervalt: de eerste graad van dronkenschap maakt vroolijk; de tweedevergramt; de derde verstompt, de laatste eindelijk verdierlijkt.
Zij had in haar kast een geheimzinnig voorwerp opgesloten, waaraan zij zeer gehecht was. De regel van Fontevrault verbood haar zulks niet. Zij wilde aan niemand dat voorwerp toonen. Zij sloot zich op, ’t geen haar regel haar vergunde; en verborg zich, telkens wanneer zij het wilde aanschouwen. Zoo zij in de gang voetstappen hoorde, sloot zij de kast zoo schielijk als zij met haar oude handen kon. Zij, die zoo gaarne praatte, zweeg zoodra men haar van dit voorwerp sprak. De nieuwsgierigsten stuitten af op haar geheimhouding, en de volhardendsten op haar halsstarrigheid.
’t Was dan ook een onderwerp van allerlei gissingen voor de werkeloozen en zich vervelenden in het klooster. Wat kon toch dat zoo kostbaar en verborgen ding zijn, die schat der honderdjarige? Waarschijnlijk een heilig boek? een rozenkrans, eenig in zijn soort? een echte reliquie? Men verloor zich in gissingen. Toen de goede, oude vrouw overleden was, ijlde men, misschien haastiger dan betamelijk was, naar de kast, en opende ze. Men vond het voorwerp onder een driedubbelen doek, als het gewijde bedeksel eener miskelk. ’t Was een schotel van Faënza, liefdegoodjes voorstellende, die, door apothekersknechts, gewapend met groote klisteerspuiten, vervolgd, wegvliegen, de vervolgers in de koddigste en grappigste houdingen. Een der bekoorlijke liefdegoodjes is bereids getroffen. Het spartelt, klapwiekt, en poogt weg te vliegen, maar de klisteerder lacht duivelachtig. De zedenles is, de liefde door buikpijn verwonnen. Deze, overigens zeer curieuse schotel, die misschien de eer heeft gehad aan Molière een denkbeeld te geven, bestond nog in September 1845 en was te koop bij een koopman in curiositeiten op den boulevard Beaumarchais.
Deze goede oude vrouw wilde geen bezoeken van buiten ontvangen, wijl, zooals zij zeide, „het spreekvertrek te somber was.”
Tiende hoofdstuk.Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding.Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een andere orde was, waren bruine gordijnenin plaats van zwarte blinden, en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht, geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en in St. Jean en Grève, ontheiligd; ’t was zulk een vreeselijke en zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijkenunciusofficiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door een „Eeuwigdurende aanbidding” in een vrouwenklooster. Beiden, de eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar, genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde „dat geen jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal medebracht.” Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd „geheel nieuw gebouwd” in de straat Cassette voor de gelden der dames de Boucs en de Chateauvieux.Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In 1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin bleven de twee orden geheel gescheiden.
Tiende hoofdstuk.Oorsprong der eeuwigdurende aanbidding.
Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een andere orde was, waren bruine gordijnenin plaats van zwarte blinden, en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht, geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en in St. Jean en Grève, ontheiligd; ’t was zulk een vreeselijke en zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijkenunciusofficiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door een „Eeuwigdurende aanbidding” in een vrouwenklooster. Beiden, de eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar, genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde „dat geen jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal medebracht.” Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd „geheel nieuw gebouwd” in de straat Cassette voor de gelden der dames de Boucs en de Chateauvieux.Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In 1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin bleven de twee orden geheel gescheiden.
Dit akelig spreekvertrek, waarvan wij getracht hebben een denkbeeld te geven, was trouwens iets geheel plaatselijks, dat niet zoo geheel en al en op dezelfde wijze in andere kloosters voorkomt. Bijzonder in het klooster in de straat van den Temple, dat trouwens van een andere orde was, waren bruine gordijnenin plaats van zwarte blinden, en zelfs het spreekvertrek was een fraai bevloerd salon, met sierlijke neteldoeksche gordijnen voor de ramen, en allerlei schilderijen aan de wanden: het portret eener benedictijner non met ongesluierd gezicht, geschilderde bloemen, ja, zelfs het hoofd van een Turk.
In den tuin van het klooster der Tempelstraat stond een Indische kastanjeboom, die voor den schoonsten en grootsten van Frankrijk werd gehouden en bij het goede volk in de achttiende eeuw den naam had de vader van alle kastanjeboomen in het koninkrijk te zijn.
Zooals gezegd is, werd dit klooster in den Tempel door de benedictijner nonnen der Eeuwigdurende aanbidding bewoond, geheel andere benedictijner nonnen dan die tot den regel van Citeaux behoorden. Deze orde der Eeuwigdurende aanbidding is niet ouder dan tweehonderd jaren. In 1649 werd het H. Sacrament tweemalen in weinige dagen tijds, in twee kerken te Parijs, in St. Sulpice en in St. Jean en Grève, ontheiligd; ’t was zulk een vreeselijke en zeldzame heiligschennis, dat ze de geheele stad in opschudding bracht. De prior-groot-vicaris van Saint-Germain-des-Prés beval een plechtige processie zijner geestelijkheid, waarbij de pauselijkenunciusofficiëerde. Maar deze verzoening was niet voldoende voor twee achtbare dames, mevrouw Courtin, markiezin van Boucs, en de gravin de Chateauvieux. Deze beleediging, het allerheiligste Sacrament des altaars gedaan, hoewel slechts voorbijgaand, konden haar heilige zielen niet vergeten en zij meenden dat ze niet hersteld kon worden dan door een „Eeuwigdurende aanbidding” in een vrouwenklooster. Beiden, de eene in 1652, de andere in 1653, deden aan moeder Katharina de Bar, genaamd van het H. Sacrament, een benedictijner non, aanzienlijke schenkingen, om met dat vrome doel een klooster van den H. Benedictus te stichten. Katharina de Bar verkreeg daartoe het eerst verlof van Monseigneur de Metz, Abt van Saint-Germain, op voorwaarde „dat geen jongedochter mocht worden aangenomen zoo zij niet een jaarlijksch kostgeld van driehonderd livres, alzoo elf duizend livres kapitaal medebracht.” Na den abt van Saint-Germain verleende de koning zijn goedkeuring, en het charter van den abt en de koninklijke brieven werden in 1654 door de rekenkamer en het parlement bekrachtigd.
Dit is de oorsprong der benedictijner nonnen van de Eeuwige aanbidding des allerheiligsten Sacraments te Parijs. Haar eerste klooster werd „geheel nieuw gebouwd” in de straat Cassette voor de gelden der dames de Boucs en de Chateauvieux.
Deze orde was geheel verschillend van die der benedictijner nonnen van Citeaux. Zij stonden onder de abdij van Saint-Germain-des-Prés,gelijk de dames van het Heilig Hart onder den generaal der Jezuieten en de zusteren van Barmhartigheid onder den generaal der Lazaristen staan. Zij was ook geheel verschillend van het klooster der bernardijner nonnen van klein Picpus, dat wij beschreven hebben. In 1657 had Paus Alexander VII bij bijzondere brève aan de bernardijner nonnen van klein Picpus vergund de eeuwigdurende aanbidding evenals de benedictijner nonnen van het H. Sacrament te verrichten. Desniettemin bleven de twee orden geheel gescheiden.
Elfde hoofdstuk.Einde van Klein-Picpus.Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven dezer orde in ’t algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt, een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren heengegaan.Volaverunt.De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. ’t Is een onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig jaar, de anderedrieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo nieuw schijnen. ’t Is de gesloten tuin.Hortus conclusus.Wij hebben van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire, die zelfs het kruis bespot.’t Was, in ’t voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire; want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis, zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De vermoording van een wijze.De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van ’t verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in ’t menschelijk hart zijn. Veel wordt gesloopt, en ’t is goed dat men het sloope, mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. ’t Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze beschermt.
Elfde hoofdstuk.Einde van Klein-Picpus.
Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven dezer orde in ’t algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt, een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren heengegaan.Volaverunt.De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. ’t Is een onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig jaar, de anderedrieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo nieuw schijnen. ’t Is de gesloten tuin.Hortus conclusus.Wij hebben van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire, die zelfs het kruis bespot.’t Was, in ’t voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire; want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis, zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De vermoording van een wijze.De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van ’t verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in ’t menschelijk hart zijn. Veel wordt gesloopt, en ’t is goed dat men het sloope, mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. ’t Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze beschermt.
Reeds bij den aanvang der restauratie geraakte het klooster van Klein-Picpus in verval, grootendeels ten gevolge van het uitsterven dezer orde in ’t algemeen, die, gelijk alle geestelijke orden allengs verdwijnt. De bespiegeling is, als het gebed, een behoefte der menschheid; maar zij zal evenals alles wat de revolutie heeft geraakt, een hervorming ondergaan en in plaats van den maatschappelijken vooruitgang vijandig, hem gunstig zijn.
Het huis van Klein-Picpus ontvolkte zich snel. In 1840 was het kleine klooster evenals het pensionaat verdwenen. Er waren noch oude vrouwen noch jonge meisjes meer; de eersten waren overleden, de tweeden waren heengegaan.Volaverunt.
De regel der Eeuwigdurende aanbidding is van een vreeselijke strengheid; weinigen voelen er roeping voor, en de orde vindt geen nieuwelingen. In 1845 kwamen er nog eenige leekezusters bij; maar geen koorzusters. Veertig jaren geleden was het getal der religieusen bijna honderd; vijftien jaar geleden niet meer dan achtentwintig. Hoeveel zijn er thans? In 1847 was de priorin jong, een bewijs dat de kring der kapittelmoeders zich verengde. Zij was geen veertig jaar oud. Naar gelang het getal vermindert, wordt de arbeid zwaarder, en de dienst van iedere non moeielijker; toen reeds zag men het oogenblik naderen, dat de zware regel van den H. Benedictus door slechts een twaalftal smartelijk gebogen schouders zou moeten gedragen worden. ’t Is een onverbiddelijke last, die voor weinigen of velen dezelfde blijft. Hij drukte, hij verplet. Ook stierven de nonnen. Tijdens de schrijver van dit boek nog te Parijs woonde, stierven er twee; de eene vijfentwintig jaar, de anderedrieëntwintig jaar oud. Uithoofde van dat verval heeft het klooster van de opvoeding der kinderen afgezien.
Wij hebben dit buitengewoon, onbekend, duister huis niet kunnen voorbijgaan zonder er binnen te treden, en ook onze lezers te doen binnentreden, die ons, misschien ten nutte van sommigen, de treurige geschiedenis van Jean Valjean hooren verhalen. Wij zijn dat klooster binnengedrongen, dat vol is van die oude gebruiken, welke thans zoo nieuw schijnen. ’t Is de gesloten tuin.Hortus conclusus.Wij hebben van dit zonderling verblijf uitvoerig en met eerbied gesproken, ten minste in zoo verre eerbied en uitvoerigheid vereenigbaar zijn. Wij begrijpen niet alles, maar wij spotten met niets. Wij zijn evenver van het hosanna van Joseph de Maistre gebleven, die ten laatste zelfs den beul heilig verklaart, als van den grijnslach van Voltaire, die zelfs het kruis bespot.
’t Was, in ’t voorbijgaan gezegd, een inconsequentie van Voltaire; want hij zou zekerlijk Jezus evenzeer hebben verdedigd als hij Calas verdedigde. En welke beteekenis heeft in allen gevalle het kruis, zelfs voor hen, die de bovennatuurlijke menschwording loochenen? De vermoording van een wijze.
De godsdienstige idée ondergaat in de negentiende eeuw een crisis. Men verleert sommige dingen, en dat is goed, mits men in plaats van ’t verleerde iets anders leere. Geen ledigheid mag in ’t menschelijk hart zijn. Veel wordt gesloopt, en ’t is goed dat men het sloope, mits daarvoor iets anders worde opgebouwd.
Wij willen intusschen de dingen bestudeeren, die niet meer zijn. ’t Is noodzakelijk ze te kennen, ware het slechts om ze te vermijden. De namaaksels van het verleden nemen valsche namen aan en noemen zich gaarne toekomst. Dat spook, het verleden, vervalscht lichtelijk zijn pas. Hoeden wij ons voor het bedrog. Zijn wij voorzichtig. Het verleden heeft een gezicht, het bijgeloof, en een masker, de geveinsdheid. Toonen wij het gezicht en rukken wij het masker af.
De kloosters werpen een zeer ingewikkeld vraagstuk op: Een kwestie van beschaving, die ze verwerpt; een kwestie van vrijheid, die ze beschermt.