Twintigste hoofdstuk.

Twintigste hoofdstuk.De hinderlaag.De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer grooten sleutel als die eener gevangenisdeur.Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere.„Is alles gereed?” vroeg Jondrette.„Ja,” antwoordde de magere man.„Waar is Montparnasse?”„Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken.”„Welke?”„De oudste.”„Is er een huurkoets beneden?”„Ja.”„Is het rijtuig ingespannen?”„Ingespannen.”„Met twee goede paarden?”„Beste.”„Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?”„Ja.”„Goed,” zei Jondrette.De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug van den stoel.Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.Drie der mannen welke Jondrette „stokers” had genoemd, hadden uit den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang, de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hemnedergezet.Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang, gereed om zijn pistool te lossen.Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:„Gij herkent mij dus niet?”De heer Leblanc zag hem in ’t gezicht en antwoordde:„Neen.”Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde gezicht van den heer Leblanc, en naderdehem zoo dicht mogelijk, zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:„Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent ge mij nu?”Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich verhief, en met zijn gewone bedaardheid:„Evenmin!”Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: „Ik heet Thénardier,” had Marius door al zijn leden gebeefd en zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: „Hoort ge wel, Thénardier?” liet Marius het pistool schier uit zijn bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: „Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is.” Men herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren, was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten, roept het lot hem toe: ’t Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan dezen man het leven zijns vaders, dat te midden vanhet schrootvuur op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het betalen met—het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques, van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius, aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven, op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in ’t ongeluk storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigsteverbintenissenmet zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant scheen hij „zijn Ursula” hem voor haar vader te hooren bidden, aan den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor zijn oogen had. ’t Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen.Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij van verwarring en zegepraal.Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den muur spatte.Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:„In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! ’t schijnt, dat het zijn liefhebberij is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of ’t altijd even aardig is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!”Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het was alsof zijn toorn, gelijk deRhône, in een hol viel; toen, als voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist op de tafel en riep:„Met zijn goedhartig voorkomen!”En tot den heer Leblanc het woord richtende:„Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van ’t welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om ’t even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij zijt kapot, goede man. Ik lach, ja,waarachtig, ik lach! Hij is heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik u het hart uit het lijf!”Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg, die den voet op ’t hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden.De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg:„Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man, en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor een ander aan.”„Ha,” krijschte Thénardier; „gij wilt nog verder met mij schertsen! Maar, ’t is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet gij niet wie ik ben?”„Verschoon mij, mijnheer,” antwoordde de heer Leblanc op een beleefden toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; „ik zie, dat ge een bandiet zijt.”Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord „bandiet”, sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel, als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen.„Verroer u niet!” riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc zeide hij:„Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja, ’t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood, geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten, ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, asperges,die in de maand Januari veertig francs de bos kosten; ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of ’t koud is, kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l’Horloge te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen: Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet, mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man, een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien niet, gij!”Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden en voegde er wrokkend bij:„Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper ben.”Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc:„Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben, ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de huizen haalt. Ik ben een oudFranschsoldaat, ik moest gedecoreerd zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, of ik verdelg u, voor den d.....!”Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. ’t Was wel degelijk de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, ’t welk hij op ’t punt was zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon, in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed ennietigheid, van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat—iets afschuwelijks als het kwade, iets treffends als de waarheid.Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy; de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; ’t was niet meer het uithangbord der kroeg van Montfermeil, ’t was een verrijzenis; een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem, en ’t was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde.Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf:„Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?”De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in de gang deze gruwzame spotternij:„Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!”’t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van tanden liet zien.’t Was het gezicht van den man met de bijl.„Waarom hebt ge uw masker afgedaan?” riep Thénardier toornig.„Om te lachen,” antwoordde de man.Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen van Thénardier in ’t oog te houden en te volgen, die, door zijn woede verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het volle vertrouwen dat de deurgoed bewaakt werd, in het bewustzijn dat hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren, zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar den heer Leblanc gekeerd.Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. ’t Waren de drie „stokers”, die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, aan beide einden met een looden kogel.Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.—„Vergeef mij, mijn vader!” dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn pistool. Hij was op ’t punt om ’t over te halen, toen Thénardier riep:„Doe hem geen leed!”Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte, lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.„Doe hem geen leed!” herhaalde hij, en zonder het te vermoeden, had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet ’t een of ander gebeurt, dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te doen omkomen, òf den redder van den kolonel in ’t verderf te storten?Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen „stokers” steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn onder een troep huilende doggen en jachthonden.’t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn haar niet losgelaten.„Bemoei gij er u niet meê,” riep Thénardier. „Ge zult uw kleeren beschadigen.”Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf gehoorzaamt.„Onderzoekt hem nu,” beval Thénardier aan de overigen.De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, waarin zes francs, en zijn zakdoek.Thénardier stak den zakdoek bij zich.„Hoe, geen portefeuille?” vroeg hij.„Noch horloge,” antwoordde een der „stokers.”„Om ’t even,” zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde man met den grooten sleutel, „de oude is sterk.”Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, dien hij hun toewierp.„Bindt hem aan den voet van de krib,” zeide hij en, den oude ziende, die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:„Is Boulatruelle dood?”„Neen,” antwoordde Bigrenaille, „hij is dronken.”„Veeg hem in een hoek,” zei Thénardier.Twee „stokers” stieten den dronkaard met den voet naar den hoop oud ijzer.„Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?” zeiThénardierzacht tot den man met den knuppel, „dit was niet noodig.”„Wat zal ik zeggen?” antwoordde de man met den knuppel; „zij wilden er allen bij zijn. ’t Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen.”De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl hij stond, met de voeten aan ’t hoofdeneind der krib, die het verst van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur zag veranderen.„Mijnheer...” zei Thénardier.En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc nog vasthielden:„Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken.”Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:„Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt.”Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:„Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben genomen. ’t Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men zou ’t u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben gestopt. Ik zal u zeggen waarom. ’t Is omdat niets uit deze kamer kan gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; ’t is er echtereen! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon als de donder. ’t Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en justitie in aanraking te komen. En wel—zooals ik reeds sinds lang vermoedde—omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus.”Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze voorzorg,die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, wij moeten ’t bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.’t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die niet wist wat vertwijfeling was. ’t Was een derzulken, die zelfs de verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water zijn verschrikte oogen opent.Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo het komfoor met gloeiende kolen,waarin de gevangene duidelijk den wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes gespikkeld was.Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.„Ik herhaal,” zeide hij, „wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te maken, ik weet niet wat mij in het hoofdkwam; ik ben te ver gegaan; ik heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs.”De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:„Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan ’t geld gehecht zijt, en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.—Gij zijt zeker ook een verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, dat alles is afgedaan en gij ’t minst niet meer te vreezen hebt. Ge zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen.”Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:„Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt kunnen schrijven, niet aanneem.”Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin het lange mes glinsterde.Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.„Schrijf!” zeide hij.Eindelijk sprak de gevangene:„Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden.”„’t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk,” zei Thénardier; en zich tot Bigrenaille wendende:„Maak den rechterarm van Mijnheer los.”Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier de pen in den inkt en reikte ze hem.„Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden en ’t ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd is. Wees nu zoo goed te schrijven.”„Wat?” vroeg de gevangene.„Ik zal ’t u voorzeggen.”De heer Leblanc nam de pen.Thénardier begon te dicteeren.„Lieve dochter...”De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.„Schrijf: „lieve dochter,” hernam Thénardier. De heer Leblanc gehoorzaamde. Thénardier ging voort:„Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik wacht u. Kom onbevreesd.”De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:„Wacht! schrap „kom onbevreesd” uit; ’t zou kunnen doen vermoeden dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen.”De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.„Zet nu uw naam,” zeide Thénardier; „hoe heet ge?”De gevangene legde de pen neder en vroeg:„Voor wie is deze brief?”„Ge weet het immers,” antwoordde Thénardier, „voor het meisje. Ik heb ’t u straks gezegd.”Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van ’t welk spraak was. Hij zeide „de leeuwerik”—„het meisje”, maar noemde geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele „zaak” overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.Hij hernam:„Teeken. Hoe heet ge?”„Urbain Fabre,” zei de gevangene.Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk op en trad dicht bij de kaars. „U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, teeken U. F.”De gevangene onderteekende.„Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, zal ik hem dichtvouwen.”Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:„Schrijf het adres. „Mejuffrouw Fabre” te uwen huize. Ik weet dat ge niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacquesdu Haut-Pas, wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats doen. Schrijf dus.”De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:„Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat St. Dominique d’Enfer No. 17.”Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.„Vrouw!” riep hij.Vrouw Thénardier kwam toeloopen.„Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug.”„Gij,” voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, „daar gij uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?”„Ja,” zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij vrouw Thénardier.Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half geopende deur en riep in de gang:„Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd duizend francs bij u hebt.”Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:„Wees gerust; ik heb hem goed geborgen.”Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.„Goed,” mompelde Thénardier. „Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn.”Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten uit naar het komfoor.„Ik heb koude voeten,” zeide hij.Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangeneslechts nog vijf bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, die sliep.Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit „meisje” dat Thénardier ook de „leeuwerik” had genoemd? Was het „zijn Ursula?” Den gevangene scheen dat woord „de leeuwerik” niet getroffen te hebben en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: „Ik weet niet wat ge meent.” Van den anderen kant waren de twee letters U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, enUrsulaheette niet meerUrsula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om ’t even wat, want hij kon tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.„In allen geval,” zeide hij bij zich zelven, „zoo zij de Leeuwerik is zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo ’t zijn moet, mijn bloed en leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden.”Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht van den kant des gevangenen op te merken.Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:„Luister, mijnheer Fabre, ’t is even goed, dat ik ’t u dadelijk zegge.”Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:„Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen.”De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:„Ge ziet, ’t is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, zoo ge ’t zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, opdat ge weet waaraan u te houden.”Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:„Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben.”Afgrijselijke beelden verrezen in Marius’ geest.Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...En zoo zij het ware! En ’t was duidelijk dat zij het was! Marius voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij de bloedige beteekenis begreep: „Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet.”Nu was ’t niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, verkeerde.Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden,maar vond ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de noodlottige stilte van het roovershol.Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.De gevangene bewoog zich in zijn banden.„Daar is mijn vrouw terug,” zei Thénardier.Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:„Een valsch adres!”De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam weder zijn bijl.„Een valsch adres?” herhaalde Thénardier.Zij hernam:„Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain Fabre! Men kent er niemand van dien naam.”Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:„Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet.”Marius ademde ruimer. Zij,Ursulaof de Leeuwerik, hij wist niet meer hoe haar te noemen, was gered.Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik naar het komfoor.Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den gevangene:„Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?”„Tijd te winnen!” riep de gevangene met heldere, forsche stem.En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen,stak de hand naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, die een heilloozen gloed wierp.Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno’s weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina’s, evenals er in de taal Villon’s zijn. De rampzalige, die naar zijn vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. ’t Is dan een doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. ’t Was zulk een koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. ’t Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, hij dat koperstuk, ’t welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden was; ’t geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, welke Marius had opgemerkt, verklaart.Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.„Wees gerust,” zei Bigrenaille tot Thénardier, „hij is nog aan een been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien poot gebonden.”Nu sprak de gevangene:„Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil...”Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:„Zietdaar!”Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand hield.Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op ’t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.„Ellendigen,” zeide hij, „hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees voor u heb!”En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.De gevangene hernam:„Doet met mij wat ge wilt.”Hij was weerloos.„Vat hem!” zei Thénardier.Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:„Er blijft nog maar één ding te doen over.”„Hem koud te maken.”„Ja.”’t Waren de man en de vrouw die raadpleegden.Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het mes uit.Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, met het mes in de hand.Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel der wanhoop.Eensklaps ontroerde hij.Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote letters geschreven:de dienders komen.Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius’ geest; dit was het middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, ’t welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.’t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten schroom overwonnen, en naderde den gevangene.„Er valt iets,” riep vrouw Thénardier.„Wat is ’t?” zei de man.De vrouw was toegesneld, en had het in ’t papier gewikkelde stuk kalk opgeraapt. Zij gaf het haar man.„Waar is dit vandaan gekomen?” vroeg Thénardier.„Waar zou ’t anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster,” zei de vrouw.„Ik heb ’t zien vallen,” zei Bigrenaille.Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.„’t Is Epopine’s schrift. Duivels!”Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:„Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge in de val achterblijven.”„Zonder den kerel den hals af te snijden?” vroeg vrouw Thénardier.„Wij hebben geen tijd.”„Waarheen?” vroeg Bigrenaille.„Door het venster,” antwoordde Thénardier. „Dewijl Ponine den steen door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet omsingeld.”De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig met de twee ijzeren haken aan ’t kozijn gehecht.De gevangene sloeg geen acht op ’t geen gebeurde. Hij scheen te denken of te bidden.Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:„Kom, vrouw!”En hij ijlde naar het raam.Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij den kraag.„Neen, neen, oude snaak! na ons!”„Na ons!” brulden de bandieten.„Ge zijt kinderachtig,” zei Thénardier, „wij verliezen tijd. De dienders zijn ons op de hielen.”„Nu,” zei een der bandieten, „laat er ons om trekken, wie ’t eerst zal gaan.”Maar Thénardier riep:„Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op papiertjes schrijven en ze in een pet schudden....”„Wilt ge mijn hoed?” riep een stem op den drempel.Allen zagen om. ’t Was Javert!Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.

Twintigste hoofdstuk.De hinderlaag.De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer grooten sleutel als die eener gevangenisdeur.Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere.„Is alles gereed?” vroeg Jondrette.„Ja,” antwoordde de magere man.„Waar is Montparnasse?”„Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken.”„Welke?”„De oudste.”„Is er een huurkoets beneden?”„Ja.”„Is het rijtuig ingespannen?”„Ingespannen.”„Met twee goede paarden?”„Beste.”„Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?”„Ja.”„Goed,” zei Jondrette.De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug van den stoel.Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.Drie der mannen welke Jondrette „stokers” had genoemd, hadden uit den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang, de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hemnedergezet.Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang, gereed om zijn pistool te lossen.Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:„Gij herkent mij dus niet?”De heer Leblanc zag hem in ’t gezicht en antwoordde:„Neen.”Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde gezicht van den heer Leblanc, en naderdehem zoo dicht mogelijk, zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:„Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent ge mij nu?”Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich verhief, en met zijn gewone bedaardheid:„Evenmin!”Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: „Ik heet Thénardier,” had Marius door al zijn leden gebeefd en zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: „Hoort ge wel, Thénardier?” liet Marius het pistool schier uit zijn bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: „Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is.” Men herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren, was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten, roept het lot hem toe: ’t Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan dezen man het leven zijns vaders, dat te midden vanhet schrootvuur op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het betalen met—het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques, van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius, aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven, op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in ’t ongeluk storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigsteverbintenissenmet zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant scheen hij „zijn Ursula” hem voor haar vader te hooren bidden, aan den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor zijn oogen had. ’t Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen.Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij van verwarring en zegepraal.Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den muur spatte.Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:„In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! ’t schijnt, dat het zijn liefhebberij is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of ’t altijd even aardig is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!”Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het was alsof zijn toorn, gelijk deRhône, in een hol viel; toen, als voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist op de tafel en riep:„Met zijn goedhartig voorkomen!”En tot den heer Leblanc het woord richtende:„Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van ’t welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om ’t even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij zijt kapot, goede man. Ik lach, ja,waarachtig, ik lach! Hij is heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik u het hart uit het lijf!”Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg, die den voet op ’t hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden.De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg:„Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man, en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor een ander aan.”„Ha,” krijschte Thénardier; „gij wilt nog verder met mij schertsen! Maar, ’t is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet gij niet wie ik ben?”„Verschoon mij, mijnheer,” antwoordde de heer Leblanc op een beleefden toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; „ik zie, dat ge een bandiet zijt.”Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord „bandiet”, sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel, als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen.„Verroer u niet!” riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc zeide hij:„Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja, ’t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood, geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten, ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, asperges,die in de maand Januari veertig francs de bos kosten; ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of ’t koud is, kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l’Horloge te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen: Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet, mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man, een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien niet, gij!”Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden en voegde er wrokkend bij:„Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper ben.”Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc:„Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben, ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de huizen haalt. Ik ben een oudFranschsoldaat, ik moest gedecoreerd zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, of ik verdelg u, voor den d.....!”Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. ’t Was wel degelijk de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, ’t welk hij op ’t punt was zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon, in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed ennietigheid, van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat—iets afschuwelijks als het kwade, iets treffends als de waarheid.Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy; de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; ’t was niet meer het uithangbord der kroeg van Montfermeil, ’t was een verrijzenis; een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem, en ’t was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde.Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf:„Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?”De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in de gang deze gruwzame spotternij:„Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!”’t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van tanden liet zien.’t Was het gezicht van den man met de bijl.„Waarom hebt ge uw masker afgedaan?” riep Thénardier toornig.„Om te lachen,” antwoordde de man.Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen van Thénardier in ’t oog te houden en te volgen, die, door zijn woede verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het volle vertrouwen dat de deurgoed bewaakt werd, in het bewustzijn dat hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren, zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar den heer Leblanc gekeerd.Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. ’t Waren de drie „stokers”, die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, aan beide einden met een looden kogel.Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.—„Vergeef mij, mijn vader!” dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn pistool. Hij was op ’t punt om ’t over te halen, toen Thénardier riep:„Doe hem geen leed!”Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte, lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.„Doe hem geen leed!” herhaalde hij, en zonder het te vermoeden, had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet ’t een of ander gebeurt, dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te doen omkomen, òf den redder van den kolonel in ’t verderf te storten?Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen „stokers” steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn onder een troep huilende doggen en jachthonden.’t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn haar niet losgelaten.„Bemoei gij er u niet meê,” riep Thénardier. „Ge zult uw kleeren beschadigen.”Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf gehoorzaamt.„Onderzoekt hem nu,” beval Thénardier aan de overigen.De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, waarin zes francs, en zijn zakdoek.Thénardier stak den zakdoek bij zich.„Hoe, geen portefeuille?” vroeg hij.„Noch horloge,” antwoordde een der „stokers.”„Om ’t even,” zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde man met den grooten sleutel, „de oude is sterk.”Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, dien hij hun toewierp.„Bindt hem aan den voet van de krib,” zeide hij en, den oude ziende, die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:„Is Boulatruelle dood?”„Neen,” antwoordde Bigrenaille, „hij is dronken.”„Veeg hem in een hoek,” zei Thénardier.Twee „stokers” stieten den dronkaard met den voet naar den hoop oud ijzer.„Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?” zeiThénardierzacht tot den man met den knuppel, „dit was niet noodig.”„Wat zal ik zeggen?” antwoordde de man met den knuppel; „zij wilden er allen bij zijn. ’t Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen.”De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl hij stond, met de voeten aan ’t hoofdeneind der krib, die het verst van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur zag veranderen.„Mijnheer...” zei Thénardier.En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc nog vasthielden:„Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken.”Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:„Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt.”Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:„Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben genomen. ’t Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men zou ’t u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben gestopt. Ik zal u zeggen waarom. ’t Is omdat niets uit deze kamer kan gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; ’t is er echtereen! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon als de donder. ’t Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en justitie in aanraking te komen. En wel—zooals ik reeds sinds lang vermoedde—omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus.”Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze voorzorg,die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, wij moeten ’t bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.’t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die niet wist wat vertwijfeling was. ’t Was een derzulken, die zelfs de verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water zijn verschrikte oogen opent.Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo het komfoor met gloeiende kolen,waarin de gevangene duidelijk den wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes gespikkeld was.Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.„Ik herhaal,” zeide hij, „wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te maken, ik weet niet wat mij in het hoofdkwam; ik ben te ver gegaan; ik heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs.”De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:„Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan ’t geld gehecht zijt, en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.—Gij zijt zeker ook een verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, dat alles is afgedaan en gij ’t minst niet meer te vreezen hebt. Ge zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen.”Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:„Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt kunnen schrijven, niet aanneem.”Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin het lange mes glinsterde.Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.„Schrijf!” zeide hij.Eindelijk sprak de gevangene:„Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden.”„’t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk,” zei Thénardier; en zich tot Bigrenaille wendende:„Maak den rechterarm van Mijnheer los.”Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier de pen in den inkt en reikte ze hem.„Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden en ’t ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd is. Wees nu zoo goed te schrijven.”„Wat?” vroeg de gevangene.„Ik zal ’t u voorzeggen.”De heer Leblanc nam de pen.Thénardier begon te dicteeren.„Lieve dochter...”De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.„Schrijf: „lieve dochter,” hernam Thénardier. De heer Leblanc gehoorzaamde. Thénardier ging voort:„Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik wacht u. Kom onbevreesd.”De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:„Wacht! schrap „kom onbevreesd” uit; ’t zou kunnen doen vermoeden dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen.”De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.„Zet nu uw naam,” zeide Thénardier; „hoe heet ge?”De gevangene legde de pen neder en vroeg:„Voor wie is deze brief?”„Ge weet het immers,” antwoordde Thénardier, „voor het meisje. Ik heb ’t u straks gezegd.”Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van ’t welk spraak was. Hij zeide „de leeuwerik”—„het meisje”, maar noemde geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele „zaak” overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.Hij hernam:„Teeken. Hoe heet ge?”„Urbain Fabre,” zei de gevangene.Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk op en trad dicht bij de kaars. „U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, teeken U. F.”De gevangene onderteekende.„Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, zal ik hem dichtvouwen.”Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:„Schrijf het adres. „Mejuffrouw Fabre” te uwen huize. Ik weet dat ge niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacquesdu Haut-Pas, wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats doen. Schrijf dus.”De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:„Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat St. Dominique d’Enfer No. 17.”Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.„Vrouw!” riep hij.Vrouw Thénardier kwam toeloopen.„Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug.”„Gij,” voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, „daar gij uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?”„Ja,” zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij vrouw Thénardier.Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half geopende deur en riep in de gang:„Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd duizend francs bij u hebt.”Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:„Wees gerust; ik heb hem goed geborgen.”Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.„Goed,” mompelde Thénardier. „Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn.”Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten uit naar het komfoor.„Ik heb koude voeten,” zeide hij.Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangeneslechts nog vijf bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, die sliep.Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit „meisje” dat Thénardier ook de „leeuwerik” had genoemd? Was het „zijn Ursula?” Den gevangene scheen dat woord „de leeuwerik” niet getroffen te hebben en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: „Ik weet niet wat ge meent.” Van den anderen kant waren de twee letters U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, enUrsulaheette niet meerUrsula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om ’t even wat, want hij kon tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.„In allen geval,” zeide hij bij zich zelven, „zoo zij de Leeuwerik is zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo ’t zijn moet, mijn bloed en leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden.”Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht van den kant des gevangenen op te merken.Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:„Luister, mijnheer Fabre, ’t is even goed, dat ik ’t u dadelijk zegge.”Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:„Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen.”De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:„Ge ziet, ’t is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, zoo ge ’t zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, opdat ge weet waaraan u te houden.”Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:„Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben.”Afgrijselijke beelden verrezen in Marius’ geest.Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...En zoo zij het ware! En ’t was duidelijk dat zij het was! Marius voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij de bloedige beteekenis begreep: „Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet.”Nu was ’t niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, verkeerde.Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden,maar vond ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de noodlottige stilte van het roovershol.Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.De gevangene bewoog zich in zijn banden.„Daar is mijn vrouw terug,” zei Thénardier.Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:„Een valsch adres!”De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam weder zijn bijl.„Een valsch adres?” herhaalde Thénardier.Zij hernam:„Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain Fabre! Men kent er niemand van dien naam.”Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:„Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet.”Marius ademde ruimer. Zij,Ursulaof de Leeuwerik, hij wist niet meer hoe haar te noemen, was gered.Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik naar het komfoor.Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den gevangene:„Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?”„Tijd te winnen!” riep de gevangene met heldere, forsche stem.En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen,stak de hand naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, die een heilloozen gloed wierp.Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno’s weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina’s, evenals er in de taal Villon’s zijn. De rampzalige, die naar zijn vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. ’t Is dan een doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. ’t Was zulk een koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. ’t Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, hij dat koperstuk, ’t welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden was; ’t geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, welke Marius had opgemerkt, verklaart.Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.„Wees gerust,” zei Bigrenaille tot Thénardier, „hij is nog aan een been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien poot gebonden.”Nu sprak de gevangene:„Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil...”Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:„Zietdaar!”Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand hield.Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op ’t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.„Ellendigen,” zeide hij, „hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees voor u heb!”En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.De gevangene hernam:„Doet met mij wat ge wilt.”Hij was weerloos.„Vat hem!” zei Thénardier.Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:„Er blijft nog maar één ding te doen over.”„Hem koud te maken.”„Ja.”’t Waren de man en de vrouw die raadpleegden.Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het mes uit.Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, met het mes in de hand.Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel der wanhoop.Eensklaps ontroerde hij.Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote letters geschreven:de dienders komen.Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius’ geest; dit was het middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, ’t welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.’t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten schroom overwonnen, en naderde den gevangene.„Er valt iets,” riep vrouw Thénardier.„Wat is ’t?” zei de man.De vrouw was toegesneld, en had het in ’t papier gewikkelde stuk kalk opgeraapt. Zij gaf het haar man.„Waar is dit vandaan gekomen?” vroeg Thénardier.„Waar zou ’t anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster,” zei de vrouw.„Ik heb ’t zien vallen,” zei Bigrenaille.Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.„’t Is Epopine’s schrift. Duivels!”Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:„Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge in de val achterblijven.”„Zonder den kerel den hals af te snijden?” vroeg vrouw Thénardier.„Wij hebben geen tijd.”„Waarheen?” vroeg Bigrenaille.„Door het venster,” antwoordde Thénardier. „Dewijl Ponine den steen door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet omsingeld.”De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig met de twee ijzeren haken aan ’t kozijn gehecht.De gevangene sloeg geen acht op ’t geen gebeurde. Hij scheen te denken of te bidden.Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:„Kom, vrouw!”En hij ijlde naar het raam.Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij den kraag.„Neen, neen, oude snaak! na ons!”„Na ons!” brulden de bandieten.„Ge zijt kinderachtig,” zei Thénardier, „wij verliezen tijd. De dienders zijn ons op de hielen.”„Nu,” zei een der bandieten, „laat er ons om trekken, wie ’t eerst zal gaan.”Maar Thénardier riep:„Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op papiertjes schrijven en ze in een pet schudden....”„Wilt ge mijn hoed?” riep een stem op den drempel.Allen zagen om. ’t Was Javert!Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.

Twintigste hoofdstuk.De hinderlaag.De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer grooten sleutel als die eener gevangenisdeur.Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere.„Is alles gereed?” vroeg Jondrette.„Ja,” antwoordde de magere man.„Waar is Montparnasse?”„Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken.”„Welke?”„De oudste.”„Is er een huurkoets beneden?”„Ja.”„Is het rijtuig ingespannen?”„Ingespannen.”„Met twee goede paarden?”„Beste.”„Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?”„Ja.”„Goed,” zei Jondrette.De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug van den stoel.Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.Drie der mannen welke Jondrette „stokers” had genoemd, hadden uit den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang, de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hemnedergezet.Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang, gereed om zijn pistool te lossen.Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:„Gij herkent mij dus niet?”De heer Leblanc zag hem in ’t gezicht en antwoordde:„Neen.”Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde gezicht van den heer Leblanc, en naderdehem zoo dicht mogelijk, zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:„Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent ge mij nu?”Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich verhief, en met zijn gewone bedaardheid:„Evenmin!”Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: „Ik heet Thénardier,” had Marius door al zijn leden gebeefd en zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: „Hoort ge wel, Thénardier?” liet Marius het pistool schier uit zijn bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: „Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is.” Men herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren, was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten, roept het lot hem toe: ’t Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan dezen man het leven zijns vaders, dat te midden vanhet schrootvuur op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het betalen met—het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques, van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius, aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven, op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in ’t ongeluk storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigsteverbintenissenmet zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant scheen hij „zijn Ursula” hem voor haar vader te hooren bidden, aan den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor zijn oogen had. ’t Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen.Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij van verwarring en zegepraal.Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den muur spatte.Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:„In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! ’t schijnt, dat het zijn liefhebberij is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of ’t altijd even aardig is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!”Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het was alsof zijn toorn, gelijk deRhône, in een hol viel; toen, als voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist op de tafel en riep:„Met zijn goedhartig voorkomen!”En tot den heer Leblanc het woord richtende:„Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van ’t welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om ’t even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij zijt kapot, goede man. Ik lach, ja,waarachtig, ik lach! Hij is heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik u het hart uit het lijf!”Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg, die den voet op ’t hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden.De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg:„Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man, en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor een ander aan.”„Ha,” krijschte Thénardier; „gij wilt nog verder met mij schertsen! Maar, ’t is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet gij niet wie ik ben?”„Verschoon mij, mijnheer,” antwoordde de heer Leblanc op een beleefden toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; „ik zie, dat ge een bandiet zijt.”Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord „bandiet”, sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel, als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen.„Verroer u niet!” riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc zeide hij:„Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja, ’t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood, geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten, ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, asperges,die in de maand Januari veertig francs de bos kosten; ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of ’t koud is, kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l’Horloge te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen: Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet, mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man, een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien niet, gij!”Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden en voegde er wrokkend bij:„Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper ben.”Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc:„Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben, ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de huizen haalt. Ik ben een oudFranschsoldaat, ik moest gedecoreerd zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, of ik verdelg u, voor den d.....!”Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. ’t Was wel degelijk de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, ’t welk hij op ’t punt was zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon, in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed ennietigheid, van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat—iets afschuwelijks als het kwade, iets treffends als de waarheid.Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy; de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; ’t was niet meer het uithangbord der kroeg van Montfermeil, ’t was een verrijzenis; een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem, en ’t was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde.Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf:„Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?”De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in de gang deze gruwzame spotternij:„Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!”’t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van tanden liet zien.’t Was het gezicht van den man met de bijl.„Waarom hebt ge uw masker afgedaan?” riep Thénardier toornig.„Om te lachen,” antwoordde de man.Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen van Thénardier in ’t oog te houden en te volgen, die, door zijn woede verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het volle vertrouwen dat de deurgoed bewaakt werd, in het bewustzijn dat hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren, zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar den heer Leblanc gekeerd.Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. ’t Waren de drie „stokers”, die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, aan beide einden met een looden kogel.Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.—„Vergeef mij, mijn vader!” dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn pistool. Hij was op ’t punt om ’t over te halen, toen Thénardier riep:„Doe hem geen leed!”Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte, lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.„Doe hem geen leed!” herhaalde hij, en zonder het te vermoeden, had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet ’t een of ander gebeurt, dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te doen omkomen, òf den redder van den kolonel in ’t verderf te storten?Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen „stokers” steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn onder een troep huilende doggen en jachthonden.’t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn haar niet losgelaten.„Bemoei gij er u niet meê,” riep Thénardier. „Ge zult uw kleeren beschadigen.”Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf gehoorzaamt.„Onderzoekt hem nu,” beval Thénardier aan de overigen.De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, waarin zes francs, en zijn zakdoek.Thénardier stak den zakdoek bij zich.„Hoe, geen portefeuille?” vroeg hij.„Noch horloge,” antwoordde een der „stokers.”„Om ’t even,” zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde man met den grooten sleutel, „de oude is sterk.”Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, dien hij hun toewierp.„Bindt hem aan den voet van de krib,” zeide hij en, den oude ziende, die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:„Is Boulatruelle dood?”„Neen,” antwoordde Bigrenaille, „hij is dronken.”„Veeg hem in een hoek,” zei Thénardier.Twee „stokers” stieten den dronkaard met den voet naar den hoop oud ijzer.„Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?” zeiThénardierzacht tot den man met den knuppel, „dit was niet noodig.”„Wat zal ik zeggen?” antwoordde de man met den knuppel; „zij wilden er allen bij zijn. ’t Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen.”De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl hij stond, met de voeten aan ’t hoofdeneind der krib, die het verst van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur zag veranderen.„Mijnheer...” zei Thénardier.En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc nog vasthielden:„Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken.”Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:„Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt.”Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:„Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben genomen. ’t Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men zou ’t u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben gestopt. Ik zal u zeggen waarom. ’t Is omdat niets uit deze kamer kan gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; ’t is er echtereen! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon als de donder. ’t Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en justitie in aanraking te komen. En wel—zooals ik reeds sinds lang vermoedde—omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus.”Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze voorzorg,die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, wij moeten ’t bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.’t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die niet wist wat vertwijfeling was. ’t Was een derzulken, die zelfs de verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water zijn verschrikte oogen opent.Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo het komfoor met gloeiende kolen,waarin de gevangene duidelijk den wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes gespikkeld was.Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.„Ik herhaal,” zeide hij, „wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te maken, ik weet niet wat mij in het hoofdkwam; ik ben te ver gegaan; ik heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs.”De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:„Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan ’t geld gehecht zijt, en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.—Gij zijt zeker ook een verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, dat alles is afgedaan en gij ’t minst niet meer te vreezen hebt. Ge zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen.”Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:„Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt kunnen schrijven, niet aanneem.”Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin het lange mes glinsterde.Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.„Schrijf!” zeide hij.Eindelijk sprak de gevangene:„Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden.”„’t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk,” zei Thénardier; en zich tot Bigrenaille wendende:„Maak den rechterarm van Mijnheer los.”Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier de pen in den inkt en reikte ze hem.„Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden en ’t ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd is. Wees nu zoo goed te schrijven.”„Wat?” vroeg de gevangene.„Ik zal ’t u voorzeggen.”De heer Leblanc nam de pen.Thénardier begon te dicteeren.„Lieve dochter...”De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.„Schrijf: „lieve dochter,” hernam Thénardier. De heer Leblanc gehoorzaamde. Thénardier ging voort:„Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik wacht u. Kom onbevreesd.”De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:„Wacht! schrap „kom onbevreesd” uit; ’t zou kunnen doen vermoeden dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen.”De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.„Zet nu uw naam,” zeide Thénardier; „hoe heet ge?”De gevangene legde de pen neder en vroeg:„Voor wie is deze brief?”„Ge weet het immers,” antwoordde Thénardier, „voor het meisje. Ik heb ’t u straks gezegd.”Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van ’t welk spraak was. Hij zeide „de leeuwerik”—„het meisje”, maar noemde geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele „zaak” overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.Hij hernam:„Teeken. Hoe heet ge?”„Urbain Fabre,” zei de gevangene.Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk op en trad dicht bij de kaars. „U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, teeken U. F.”De gevangene onderteekende.„Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, zal ik hem dichtvouwen.”Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:„Schrijf het adres. „Mejuffrouw Fabre” te uwen huize. Ik weet dat ge niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacquesdu Haut-Pas, wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats doen. Schrijf dus.”De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:„Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat St. Dominique d’Enfer No. 17.”Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.„Vrouw!” riep hij.Vrouw Thénardier kwam toeloopen.„Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug.”„Gij,” voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, „daar gij uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?”„Ja,” zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij vrouw Thénardier.Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half geopende deur en riep in de gang:„Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd duizend francs bij u hebt.”Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:„Wees gerust; ik heb hem goed geborgen.”Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.„Goed,” mompelde Thénardier. „Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn.”Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten uit naar het komfoor.„Ik heb koude voeten,” zeide hij.Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangeneslechts nog vijf bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, die sliep.Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit „meisje” dat Thénardier ook de „leeuwerik” had genoemd? Was het „zijn Ursula?” Den gevangene scheen dat woord „de leeuwerik” niet getroffen te hebben en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: „Ik weet niet wat ge meent.” Van den anderen kant waren de twee letters U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, enUrsulaheette niet meerUrsula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om ’t even wat, want hij kon tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.„In allen geval,” zeide hij bij zich zelven, „zoo zij de Leeuwerik is zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo ’t zijn moet, mijn bloed en leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden.”Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht van den kant des gevangenen op te merken.Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:„Luister, mijnheer Fabre, ’t is even goed, dat ik ’t u dadelijk zegge.”Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:„Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen.”De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:„Ge ziet, ’t is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, zoo ge ’t zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, opdat ge weet waaraan u te houden.”Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:„Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben.”Afgrijselijke beelden verrezen in Marius’ geest.Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...En zoo zij het ware! En ’t was duidelijk dat zij het was! Marius voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij de bloedige beteekenis begreep: „Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet.”Nu was ’t niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, verkeerde.Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden,maar vond ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de noodlottige stilte van het roovershol.Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.De gevangene bewoog zich in zijn banden.„Daar is mijn vrouw terug,” zei Thénardier.Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:„Een valsch adres!”De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam weder zijn bijl.„Een valsch adres?” herhaalde Thénardier.Zij hernam:„Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain Fabre! Men kent er niemand van dien naam.”Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:„Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet.”Marius ademde ruimer. Zij,Ursulaof de Leeuwerik, hij wist niet meer hoe haar te noemen, was gered.Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik naar het komfoor.Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den gevangene:„Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?”„Tijd te winnen!” riep de gevangene met heldere, forsche stem.En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen,stak de hand naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, die een heilloozen gloed wierp.Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno’s weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina’s, evenals er in de taal Villon’s zijn. De rampzalige, die naar zijn vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. ’t Is dan een doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. ’t Was zulk een koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. ’t Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, hij dat koperstuk, ’t welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden was; ’t geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, welke Marius had opgemerkt, verklaart.Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.„Wees gerust,” zei Bigrenaille tot Thénardier, „hij is nog aan een been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien poot gebonden.”Nu sprak de gevangene:„Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil...”Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:„Zietdaar!”Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand hield.Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op ’t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.„Ellendigen,” zeide hij, „hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees voor u heb!”En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.De gevangene hernam:„Doet met mij wat ge wilt.”Hij was weerloos.„Vat hem!” zei Thénardier.Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:„Er blijft nog maar één ding te doen over.”„Hem koud te maken.”„Ja.”’t Waren de man en de vrouw die raadpleegden.Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het mes uit.Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, met het mes in de hand.Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel der wanhoop.Eensklaps ontroerde hij.Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote letters geschreven:de dienders komen.Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius’ geest; dit was het middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, ’t welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.’t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten schroom overwonnen, en naderde den gevangene.„Er valt iets,” riep vrouw Thénardier.„Wat is ’t?” zei de man.De vrouw was toegesneld, en had het in ’t papier gewikkelde stuk kalk opgeraapt. Zij gaf het haar man.„Waar is dit vandaan gekomen?” vroeg Thénardier.„Waar zou ’t anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster,” zei de vrouw.„Ik heb ’t zien vallen,” zei Bigrenaille.Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.„’t Is Epopine’s schrift. Duivels!”Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:„Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge in de val achterblijven.”„Zonder den kerel den hals af te snijden?” vroeg vrouw Thénardier.„Wij hebben geen tijd.”„Waarheen?” vroeg Bigrenaille.„Door het venster,” antwoordde Thénardier. „Dewijl Ponine den steen door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet omsingeld.”De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig met de twee ijzeren haken aan ’t kozijn gehecht.De gevangene sloeg geen acht op ’t geen gebeurde. Hij scheen te denken of te bidden.Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:„Kom, vrouw!”En hij ijlde naar het raam.Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij den kraag.„Neen, neen, oude snaak! na ons!”„Na ons!” brulden de bandieten.„Ge zijt kinderachtig,” zei Thénardier, „wij verliezen tijd. De dienders zijn ons op de hielen.”„Nu,” zei een der bandieten, „laat er ons om trekken, wie ’t eerst zal gaan.”Maar Thénardier riep:„Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op papiertjes schrijven en ze in een pet schudden....”„Wilt ge mijn hoed?” riep een stem op den drempel.Allen zagen om. ’t Was Javert!Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.

Twintigste hoofdstuk.De hinderlaag.

De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer grooten sleutel als die eener gevangenisdeur.Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere.„Is alles gereed?” vroeg Jondrette.„Ja,” antwoordde de magere man.„Waar is Montparnasse?”„Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken.”„Welke?”„De oudste.”„Is er een huurkoets beneden?”„Ja.”„Is het rijtuig ingespannen?”„Ingespannen.”„Met twee goede paarden?”„Beste.”„Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?”„Ja.”„Goed,” zei Jondrette.De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug van den stoel.Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.Drie der mannen welke Jondrette „stokers” had genoemd, hadden uit den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang, de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hemnedergezet.Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang, gereed om zijn pistool te lossen.Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:„Gij herkent mij dus niet?”De heer Leblanc zag hem in ’t gezicht en antwoordde:„Neen.”Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde gezicht van den heer Leblanc, en naderdehem zoo dicht mogelijk, zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:„Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent ge mij nu?”Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich verhief, en met zijn gewone bedaardheid:„Evenmin!”Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: „Ik heet Thénardier,” had Marius door al zijn leden gebeefd en zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: „Hoort ge wel, Thénardier?” liet Marius het pistool schier uit zijn bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: „Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is.” Men herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren, was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten, roept het lot hem toe: ’t Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan dezen man het leven zijns vaders, dat te midden vanhet schrootvuur op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het betalen met—het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques, van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius, aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven, op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in ’t ongeluk storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigsteverbintenissenmet zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant scheen hij „zijn Ursula” hem voor haar vader te hooren bidden, aan den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor zijn oogen had. ’t Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen.Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij van verwarring en zegepraal.Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den muur spatte.Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:„In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! ’t schijnt, dat het zijn liefhebberij is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of ’t altijd even aardig is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!”Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het was alsof zijn toorn, gelijk deRhône, in een hol viel; toen, als voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist op de tafel en riep:„Met zijn goedhartig voorkomen!”En tot den heer Leblanc het woord richtende:„Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van ’t welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om ’t even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij zijt kapot, goede man. Ik lach, ja,waarachtig, ik lach! Hij is heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik u het hart uit het lijf!”Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg, die den voet op ’t hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden.De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg:„Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man, en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor een ander aan.”„Ha,” krijschte Thénardier; „gij wilt nog verder met mij schertsen! Maar, ’t is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet gij niet wie ik ben?”„Verschoon mij, mijnheer,” antwoordde de heer Leblanc op een beleefden toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; „ik zie, dat ge een bandiet zijt.”Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord „bandiet”, sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel, als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen.„Verroer u niet!” riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc zeide hij:„Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja, ’t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood, geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten, ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, asperges,die in de maand Januari veertig francs de bos kosten; ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of ’t koud is, kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l’Horloge te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen: Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet, mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man, een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien niet, gij!”Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden en voegde er wrokkend bij:„Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper ben.”Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc:„Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben, ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de huizen haalt. Ik ben een oudFranschsoldaat, ik moest gedecoreerd zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, of ik verdelg u, voor den d.....!”Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. ’t Was wel degelijk de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, ’t welk hij op ’t punt was zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon, in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed ennietigheid, van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat—iets afschuwelijks als het kwade, iets treffends als de waarheid.Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy; de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; ’t was niet meer het uithangbord der kroeg van Montfermeil, ’t was een verrijzenis; een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem, en ’t was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde.Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf:„Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?”De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in de gang deze gruwzame spotternij:„Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!”’t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van tanden liet zien.’t Was het gezicht van den man met de bijl.„Waarom hebt ge uw masker afgedaan?” riep Thénardier toornig.„Om te lachen,” antwoordde de man.Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen van Thénardier in ’t oog te houden en te volgen, die, door zijn woede verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het volle vertrouwen dat de deurgoed bewaakt werd, in het bewustzijn dat hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren, zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar den heer Leblanc gekeerd.Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. ’t Waren de drie „stokers”, die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, aan beide einden met een looden kogel.Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.—„Vergeef mij, mijn vader!” dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn pistool. Hij was op ’t punt om ’t over te halen, toen Thénardier riep:„Doe hem geen leed!”Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte, lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.„Doe hem geen leed!” herhaalde hij, en zonder het te vermoeden, had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet ’t een of ander gebeurt, dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te doen omkomen, òf den redder van den kolonel in ’t verderf te storten?Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen „stokers” steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn onder een troep huilende doggen en jachthonden.’t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn haar niet losgelaten.„Bemoei gij er u niet meê,” riep Thénardier. „Ge zult uw kleeren beschadigen.”Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf gehoorzaamt.„Onderzoekt hem nu,” beval Thénardier aan de overigen.De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, waarin zes francs, en zijn zakdoek.Thénardier stak den zakdoek bij zich.„Hoe, geen portefeuille?” vroeg hij.„Noch horloge,” antwoordde een der „stokers.”„Om ’t even,” zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde man met den grooten sleutel, „de oude is sterk.”Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, dien hij hun toewierp.„Bindt hem aan den voet van de krib,” zeide hij en, den oude ziende, die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:„Is Boulatruelle dood?”„Neen,” antwoordde Bigrenaille, „hij is dronken.”„Veeg hem in een hoek,” zei Thénardier.Twee „stokers” stieten den dronkaard met den voet naar den hoop oud ijzer.„Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?” zeiThénardierzacht tot den man met den knuppel, „dit was niet noodig.”„Wat zal ik zeggen?” antwoordde de man met den knuppel; „zij wilden er allen bij zijn. ’t Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen.”De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl hij stond, met de voeten aan ’t hoofdeneind der krib, die het verst van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur zag veranderen.„Mijnheer...” zei Thénardier.En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc nog vasthielden:„Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken.”Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:„Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt.”Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:„Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben genomen. ’t Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men zou ’t u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben gestopt. Ik zal u zeggen waarom. ’t Is omdat niets uit deze kamer kan gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; ’t is er echtereen! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon als de donder. ’t Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en justitie in aanraking te komen. En wel—zooals ik reeds sinds lang vermoedde—omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus.”Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze voorzorg,die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, wij moeten ’t bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.’t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die niet wist wat vertwijfeling was. ’t Was een derzulken, die zelfs de verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water zijn verschrikte oogen opent.Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo het komfoor met gloeiende kolen,waarin de gevangene duidelijk den wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes gespikkeld was.Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.„Ik herhaal,” zeide hij, „wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te maken, ik weet niet wat mij in het hoofdkwam; ik ben te ver gegaan; ik heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs.”De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:„Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan ’t geld gehecht zijt, en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.—Gij zijt zeker ook een verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, dat alles is afgedaan en gij ’t minst niet meer te vreezen hebt. Ge zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen.”Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:„Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt kunnen schrijven, niet aanneem.”Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin het lange mes glinsterde.Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.„Schrijf!” zeide hij.Eindelijk sprak de gevangene:„Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden.”„’t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk,” zei Thénardier; en zich tot Bigrenaille wendende:„Maak den rechterarm van Mijnheer los.”Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier de pen in den inkt en reikte ze hem.„Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden en ’t ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd is. Wees nu zoo goed te schrijven.”„Wat?” vroeg de gevangene.„Ik zal ’t u voorzeggen.”De heer Leblanc nam de pen.Thénardier begon te dicteeren.„Lieve dochter...”De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.„Schrijf: „lieve dochter,” hernam Thénardier. De heer Leblanc gehoorzaamde. Thénardier ging voort:„Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik wacht u. Kom onbevreesd.”De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:„Wacht! schrap „kom onbevreesd” uit; ’t zou kunnen doen vermoeden dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen.”De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.„Zet nu uw naam,” zeide Thénardier; „hoe heet ge?”De gevangene legde de pen neder en vroeg:„Voor wie is deze brief?”„Ge weet het immers,” antwoordde Thénardier, „voor het meisje. Ik heb ’t u straks gezegd.”Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van ’t welk spraak was. Hij zeide „de leeuwerik”—„het meisje”, maar noemde geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele „zaak” overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.Hij hernam:„Teeken. Hoe heet ge?”„Urbain Fabre,” zei de gevangene.Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk op en trad dicht bij de kaars. „U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, teeken U. F.”De gevangene onderteekende.„Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, zal ik hem dichtvouwen.”Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:„Schrijf het adres. „Mejuffrouw Fabre” te uwen huize. Ik weet dat ge niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacquesdu Haut-Pas, wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats doen. Schrijf dus.”De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:„Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat St. Dominique d’Enfer No. 17.”Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.„Vrouw!” riep hij.Vrouw Thénardier kwam toeloopen.„Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug.”„Gij,” voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, „daar gij uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?”„Ja,” zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij vrouw Thénardier.Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half geopende deur en riep in de gang:„Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd duizend francs bij u hebt.”Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:„Wees gerust; ik heb hem goed geborgen.”Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.„Goed,” mompelde Thénardier. „Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn.”Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten uit naar het komfoor.„Ik heb koude voeten,” zeide hij.Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangeneslechts nog vijf bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, die sliep.Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit „meisje” dat Thénardier ook de „leeuwerik” had genoemd? Was het „zijn Ursula?” Den gevangene scheen dat woord „de leeuwerik” niet getroffen te hebben en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: „Ik weet niet wat ge meent.” Van den anderen kant waren de twee letters U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, enUrsulaheette niet meerUrsula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om ’t even wat, want hij kon tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.„In allen geval,” zeide hij bij zich zelven, „zoo zij de Leeuwerik is zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo ’t zijn moet, mijn bloed en leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden.”Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht van den kant des gevangenen op te merken.Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:„Luister, mijnheer Fabre, ’t is even goed, dat ik ’t u dadelijk zegge.”Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:„Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen.”De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:„Ge ziet, ’t is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, zoo ge ’t zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, opdat ge weet waaraan u te houden.”Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:„Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben.”Afgrijselijke beelden verrezen in Marius’ geest.Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...En zoo zij het ware! En ’t was duidelijk dat zij het was! Marius voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij de bloedige beteekenis begreep: „Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet.”Nu was ’t niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, verkeerde.Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden,maar vond ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de noodlottige stilte van het roovershol.Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.De gevangene bewoog zich in zijn banden.„Daar is mijn vrouw terug,” zei Thénardier.Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:„Een valsch adres!”De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam weder zijn bijl.„Een valsch adres?” herhaalde Thénardier.Zij hernam:„Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain Fabre! Men kent er niemand van dien naam.”Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:„Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet.”Marius ademde ruimer. Zij,Ursulaof de Leeuwerik, hij wist niet meer hoe haar te noemen, was gered.Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik naar het komfoor.Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den gevangene:„Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?”„Tijd te winnen!” riep de gevangene met heldere, forsche stem.En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen,stak de hand naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, die een heilloozen gloed wierp.Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno’s weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina’s, evenals er in de taal Villon’s zijn. De rampzalige, die naar zijn vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. ’t Is dan een doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. ’t Was zulk een koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. ’t Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, hij dat koperstuk, ’t welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden was; ’t geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, welke Marius had opgemerkt, verklaart.Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.„Wees gerust,” zei Bigrenaille tot Thénardier, „hij is nog aan een been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien poot gebonden.”Nu sprak de gevangene:„Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil...”Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:„Zietdaar!”Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand hield.Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op ’t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.„Ellendigen,” zeide hij, „hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees voor u heb!”En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.De gevangene hernam:„Doet met mij wat ge wilt.”Hij was weerloos.„Vat hem!” zei Thénardier.Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:„Er blijft nog maar één ding te doen over.”„Hem koud te maken.”„Ja.”’t Waren de man en de vrouw die raadpleegden.Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het mes uit.Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, met het mes in de hand.Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel der wanhoop.Eensklaps ontroerde hij.Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote letters geschreven:de dienders komen.Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius’ geest; dit was het middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, ’t welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.’t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten schroom overwonnen, en naderde den gevangene.„Er valt iets,” riep vrouw Thénardier.„Wat is ’t?” zei de man.De vrouw was toegesneld, en had het in ’t papier gewikkelde stuk kalk opgeraapt. Zij gaf het haar man.„Waar is dit vandaan gekomen?” vroeg Thénardier.„Waar zou ’t anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster,” zei de vrouw.„Ik heb ’t zien vallen,” zei Bigrenaille.Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.„’t Is Epopine’s schrift. Duivels!”Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:„Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge in de val achterblijven.”„Zonder den kerel den hals af te snijden?” vroeg vrouw Thénardier.„Wij hebben geen tijd.”„Waarheen?” vroeg Bigrenaille.„Door het venster,” antwoordde Thénardier. „Dewijl Ponine den steen door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet omsingeld.”De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig met de twee ijzeren haken aan ’t kozijn gehecht.De gevangene sloeg geen acht op ’t geen gebeurde. Hij scheen te denken of te bidden.Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:„Kom, vrouw!”En hij ijlde naar het raam.Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij den kraag.„Neen, neen, oude snaak! na ons!”„Na ons!” brulden de bandieten.„Ge zijt kinderachtig,” zei Thénardier, „wij verliezen tijd. De dienders zijn ons op de hielen.”„Nu,” zei een der bandieten, „laat er ons om trekken, wie ’t eerst zal gaan.”Maar Thénardier riep:„Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op papiertjes schrijven en ze in een pet schudden....”„Wilt ge mijn hoed?” riep een stem op den drempel.Allen zagen om. ’t Was Javert!Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.

De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer grooten sleutel als die eener gevangenisdeur.

Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere.

„Is alles gereed?” vroeg Jondrette.

„Ja,” antwoordde de magere man.

„Waar is Montparnasse?”

„Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken.”

„Welke?”

„De oudste.”

„Is er een huurkoets beneden?”

„Ja.”

„Is het rijtuig ingespannen?”

„Ingespannen.”

„Met twee goede paarden?”

„Beste.”

„Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?”

„Ja.”

„Goed,” zei Jondrette.

De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug van den stoel.

Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.

Drie der mannen welke Jondrette „stokers” had genoemd, hadden uit den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang, de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hemnedergezet.

Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang, gereed om zijn pistool te lossen.

Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:

„Gij herkent mij dus niet?”

De heer Leblanc zag hem in ’t gezicht en antwoordde:

„Neen.”

Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde gezicht van den heer Leblanc, en naderdehem zoo dicht mogelijk, zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:

„Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent ge mij nu?”

Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich verhief, en met zijn gewone bedaardheid:

„Evenmin!”

Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: „Ik heet Thénardier,” had Marius door al zijn leden gebeefd en zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: „Hoort ge wel, Thénardier?” liet Marius het pistool schier uit zijn bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: „Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is.” Men herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren, was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten, roept het lot hem toe: ’t Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan dezen man het leven zijns vaders, dat te midden vanhet schrootvuur op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het betalen met—het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques, van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius, aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven, op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in ’t ongeluk storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigsteverbintenissenmet zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant scheen hij „zijn Ursula” hem voor haar vader te hooren bidden, aan den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor zijn oogen had. ’t Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen.

Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij van verwarring en zegepraal.

Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den muur spatte.

Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:

„In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! ’t schijnt, dat het zijn liefhebberij is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of ’t altijd even aardig is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!”

Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het was alsof zijn toorn, gelijk deRhône, in een hol viel; toen, als voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist op de tafel en riep:

„Met zijn goedhartig voorkomen!”

En tot den heer Leblanc het woord richtende:

„Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van ’t welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om ’t even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij zijt kapot, goede man. Ik lach, ja,waarachtig, ik lach! Hij is heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik u het hart uit het lijf!”

Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg, die den voet op ’t hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden.

De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg:

„Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man, en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor een ander aan.”

„Ha,” krijschte Thénardier; „gij wilt nog verder met mij schertsen! Maar, ’t is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet gij niet wie ik ben?”

„Verschoon mij, mijnheer,” antwoordde de heer Leblanc op een beleefden toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; „ik zie, dat ge een bandiet zijt.”

Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord „bandiet”, sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel, als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen.

„Verroer u niet!” riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc zeide hij:

„Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja, ’t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood, geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten, ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, asperges,die in de maand Januari veertig francs de bos kosten; ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of ’t koud is, kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l’Horloge te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen: Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet, mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man, een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien niet, gij!”

Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden en voegde er wrokkend bij:

„Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper ben.”

Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc:

„Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben, ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de huizen haalt. Ik ben een oudFranschsoldaat, ik moest gedecoreerd zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, of ik verdelg u, voor den d.....!”

Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. ’t Was wel degelijk de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, ’t welk hij op ’t punt was zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon, in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed ennietigheid, van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat—iets afschuwelijks als het kwade, iets treffends als de waarheid.

Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.

Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy; de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; ’t was niet meer het uithangbord der kroeg van Montfermeil, ’t was een verrijzenis; een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem, en ’t was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde.

Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf:

„Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?”

De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in de gang deze gruwzame spotternij:

„Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!”

’t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.

Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van tanden liet zien.

’t Was het gezicht van den man met de bijl.

„Waarom hebt ge uw masker afgedaan?” riep Thénardier toornig.

„Om te lachen,” antwoordde de man.

Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen van Thénardier in ’t oog te houden en te volgen, die, door zijn woede verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het volle vertrouwen dat de deurgoed bewaakt werd, in het bewustzijn dat hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren, zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar den heer Leblanc gekeerd.

Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. ’t Waren de drie „stokers”, die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.

Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.

Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, aan beide einden met een looden kogel.

Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.—„Vergeef mij, mijn vader!” dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn pistool. Hij was op ’t punt om ’t over te halen, toen Thénardier riep:

„Doe hem geen leed!”

Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.

In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte, lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.

„Doe hem geen leed!” herhaalde hij, en zonder het te vermoeden, had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet ’t een of ander gebeurt, dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te doen omkomen, òf den redder van den kolonel in ’t verderf te storten?

Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen „stokers” steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn onder een troep huilende doggen en jachthonden.

’t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn haar niet losgelaten.

„Bemoei gij er u niet meê,” riep Thénardier. „Ge zult uw kleeren beschadigen.”

Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf gehoorzaamt.

„Onderzoekt hem nu,” beval Thénardier aan de overigen.

De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, waarin zes francs, en zijn zakdoek.

Thénardier stak den zakdoek bij zich.

„Hoe, geen portefeuille?” vroeg hij.

„Noch horloge,” antwoordde een der „stokers.”

„Om ’t even,” zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde man met den grooten sleutel, „de oude is sterk.”

Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, dien hij hun toewierp.

„Bindt hem aan den voet van de krib,” zeide hij en, den oude ziende, die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:

„Is Boulatruelle dood?”

„Neen,” antwoordde Bigrenaille, „hij is dronken.”

„Veeg hem in een hoek,” zei Thénardier.

Twee „stokers” stieten den dronkaard met den voet naar den hoop oud ijzer.

„Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?” zeiThénardierzacht tot den man met den knuppel, „dit was niet noodig.”

„Wat zal ik zeggen?” antwoordde de man met den knuppel; „zij wilden er allen bij zijn. ’t Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen.”

De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl hij stond, met de voeten aan ’t hoofdeneind der krib, die het verst van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.

Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur zag veranderen.

„Mijnheer...” zei Thénardier.

En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc nog vasthielden:

„Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken.”

Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:

„Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt.”

Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:

„Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben genomen. ’t Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men zou ’t u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben gestopt. Ik zal u zeggen waarom. ’t Is omdat niets uit deze kamer kan gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; ’t is er echtereen! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon als de donder. ’t Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en justitie in aanraking te komen. En wel—zooals ik reeds sinds lang vermoedde—omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus.”

Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze voorzorg,die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, wij moeten ’t bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.

De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.

’t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die niet wist wat vertwijfeling was. ’t Was een derzulken, die zelfs de verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water zijn verschrikte oogen opent.

Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo het komfoor met gloeiende kolen,waarin de gevangene duidelijk den wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes gespikkeld was.

Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.

„Ik herhaal,” zeide hij, „wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te maken, ik weet niet wat mij in het hoofdkwam; ik ben te ver gegaan; ik heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs.”

De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:

„Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan ’t geld gehecht zijt, en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.—Gij zijt zeker ook een verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, dat alles is afgedaan en gij ’t minst niet meer te vreezen hebt. Ge zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen.”

Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:

„Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt kunnen schrijven, niet aanneem.”

Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin het lange mes glinsterde.

Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.

„Schrijf!” zeide hij.

Eindelijk sprak de gevangene:

„Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden.”

„’t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk,” zei Thénardier; en zich tot Bigrenaille wendende:

„Maak den rechterarm van Mijnheer los.”

Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier de pen in den inkt en reikte ze hem.

„Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden en ’t ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd is. Wees nu zoo goed te schrijven.”

„Wat?” vroeg de gevangene.

„Ik zal ’t u voorzeggen.”

De heer Leblanc nam de pen.

Thénardier begon te dicteeren.

„Lieve dochter...”

De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.

„Schrijf: „lieve dochter,” hernam Thénardier. De heer Leblanc gehoorzaamde. Thénardier ging voort:

„Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik wacht u. Kom onbevreesd.”

De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:

„Wacht! schrap „kom onbevreesd” uit; ’t zou kunnen doen vermoeden dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen.”

De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.

„Zet nu uw naam,” zeide Thénardier; „hoe heet ge?”

De gevangene legde de pen neder en vroeg:

„Voor wie is deze brief?”

„Ge weet het immers,” antwoordde Thénardier, „voor het meisje. Ik heb ’t u straks gezegd.”

Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van ’t welk spraak was. Hij zeide „de leeuwerik”—„het meisje”, maar noemde geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele „zaak” overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.

Hij hernam:

„Teeken. Hoe heet ge?”

„Urbain Fabre,” zei de gevangene.

Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk op en trad dicht bij de kaars. „U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, teeken U. F.”

De gevangene onderteekende.

„Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, zal ik hem dichtvouwen.”

Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:

„Schrijf het adres. „Mejuffrouw Fabre” te uwen huize. Ik weet dat ge niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacquesdu Haut-Pas, wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats doen. Schrijf dus.”

De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:

„Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat St. Dominique d’Enfer No. 17.”

Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.

„Vrouw!” riep hij.

Vrouw Thénardier kwam toeloopen.

„Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug.”

„Gij,” voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, „daar gij uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?”

„Ja,” zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij vrouw Thénardier.

Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half geopende deur en riep in de gang:

„Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd duizend francs bij u hebt.”

Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:

„Wees gerust; ik heb hem goed geborgen.”

Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.

„Goed,” mompelde Thénardier. „Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn.”

Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten uit naar het komfoor.

„Ik heb koude voeten,” zeide hij.

Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangeneslechts nog vijf bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.

De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.

Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, die sliep.

Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit „meisje” dat Thénardier ook de „leeuwerik” had genoemd? Was het „zijn Ursula?” Den gevangene scheen dat woord „de leeuwerik” niet getroffen te hebben en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: „Ik weet niet wat ge meent.” Van den anderen kant waren de twee letters U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, enUrsulaheette niet meerUrsula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om ’t even wat, want hij kon tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.

„In allen geval,” zeide hij bij zich zelven, „zoo zij de Leeuwerik is zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo ’t zijn moet, mijn bloed en leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden.”

Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht van den kant des gevangenen op te merken.

Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:

„Luister, mijnheer Fabre, ’t is even goed, dat ik ’t u dadelijk zegge.”

Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:

„Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen.”

De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:

„Ge ziet, ’t is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, zoo ge ’t zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, opdat ge weet waaraan u te houden.”

Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:

„Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben.”

Afgrijselijke beelden verrezen in Marius’ geest.

Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...

En zoo zij het ware! En ’t was duidelijk dat zij het was! Marius voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij de bloedige beteekenis begreep: „Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet.”

Nu was ’t niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, verkeerde.

Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden,maar vond ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de noodlottige stilte van het roovershol.

Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.

De gevangene bewoog zich in zijn banden.

„Daar is mijn vrouw terug,” zei Thénardier.

Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:

„Een valsch adres!”

De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam weder zijn bijl.

„Een valsch adres?” herhaalde Thénardier.

Zij hernam:

„Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain Fabre! Men kent er niemand van dien naam.”

Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:

„Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet.”

Marius ademde ruimer. Zij,Ursulaof de Leeuwerik, hij wist niet meer hoe haar te noemen, was gered.

Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik naar het komfoor.

Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den gevangene:

„Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?”

„Tijd te winnen!” riep de gevangene met heldere, forsche stem.

En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.

Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen,stak de hand naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, die een heilloozen gloed wierp.

Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno’s weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina’s, evenals er in de taal Villon’s zijn. De rampzalige, die naar zijn vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. ’t Is dan een doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. ’t Was zulk een koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. ’t Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, hij dat koperstuk, ’t welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden was; ’t geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, welke Marius had opgemerkt, verklaart.

Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.

De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.

„Wees gerust,” zei Bigrenaille tot Thénardier, „hij is nog aan een been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien poot gebonden.”

Nu sprak de gevangene:

„Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil...”

Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:

„Zietdaar!”

Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand hield.

Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.

Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op ’t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.

„Ellendigen,” zeide hij, „hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees voor u heb!”

En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.

De gevangene hernam:

„Doet met mij wat ge wilt.”

Hij was weerloos.

„Vat hem!” zei Thénardier.

Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.

Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:

„Er blijft nog maar één ding te doen over.”

„Hem koud te maken.”

„Ja.”

’t Waren de man en de vrouw die raadpleegden.

Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het mes uit.

Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, met het mes in de hand.

Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel der wanhoop.

Eensklaps ontroerde hij.

Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote letters geschreven:

de dienders komen.

Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius’ geest; dit was het middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, ’t welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.

’t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten schroom overwonnen, en naderde den gevangene.

„Er valt iets,” riep vrouw Thénardier.

„Wat is ’t?” zei de man.

De vrouw was toegesneld, en had het in ’t papier gewikkelde stuk kalk opgeraapt. Zij gaf het haar man.

„Waar is dit vandaan gekomen?” vroeg Thénardier.

„Waar zou ’t anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster,” zei de vrouw.

„Ik heb ’t zien vallen,” zei Bigrenaille.

Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.

„’t Is Epopine’s schrift. Duivels!”

Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:

„Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge in de val achterblijven.”

„Zonder den kerel den hals af te snijden?” vroeg vrouw Thénardier.

„Wij hebben geen tijd.”

„Waarheen?” vroeg Bigrenaille.

„Door het venster,” antwoordde Thénardier. „Dewijl Ponine den steen door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet omsingeld.”

De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig met de twee ijzeren haken aan ’t kozijn gehecht.

De gevangene sloeg geen acht op ’t geen gebeurde. Hij scheen te denken of te bidden.

Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:

„Kom, vrouw!”

En hij ijlde naar het raam.

Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij den kraag.

„Neen, neen, oude snaak! na ons!”

„Na ons!” brulden de bandieten.

„Ge zijt kinderachtig,” zei Thénardier, „wij verliezen tijd. De dienders zijn ons op de hielen.”

„Nu,” zei een der bandieten, „laat er ons om trekken, wie ’t eerst zal gaan.”

Maar Thénardier riep:

„Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op papiertjes schrijven en ze in een pet schudden....”

„Wilt ge mijn hoed?” riep een stem op den drempel.

Allen zagen om. ’t Was Javert!

Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.


Back to IndexNext