Boek IX.

Boek IX.Zwaarste schaduw, helderst morgenrood.Eerste hoofdstuk.Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen.’t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet men,—in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,—het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou beschuldigen.Marius,—wij hebben het gezegd—had vóór zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem denken zou. ’t Was meer dan uitwissching, ’t was verduistering.Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo behoedzaammogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld aan te raken.Cosette was met geen dezer geheimen bekend; ’t zou evenwel hard zijn ook haar te veroordeelen.Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van „mijnheer Jean”, den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius’ geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?—’t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l’Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet „neen” antwoorden.Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.’t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. ’t Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, „ziet vooruit”. De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is.Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. ’t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.Tweede hoofdstuk.Laatste flikkering der lamp zonder olie.Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:„Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten.”„Jawel,” antwoordde Jean Valjean.„De schotel is nog vol.”„Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.”„Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt.”„Nu,” hernam Jean Valjean, „zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?”„Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts.”„Ik zal morgen eten.”„Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker.”Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.„Ik beloof u het te eten,” zeide hij met zijn goedmoedige stem.„Ik ben ontevreden op u,” antwoordde de portierster.Jean Valjean zagnauwelijkseen ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemanddoorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. ’t Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: „De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal ’t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan ’t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is.”De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:„Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij ’t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven.”„En zoo hij er een neemt?”„Zal hij ook sterven,” zei de portier.De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen „harer straat” te krabben, terwijl zij mompelde:„’t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen.”Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam ’t op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.„’t Is op de tweede verdieping,” zeide zij. „Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur.”De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:„Nu, dokter?”„Uw zieke is zeer ziek.”„Wat deert hem?”„Alles en niets. ’t Is iemand, die, zoo ’t schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven.”„Wat heeft hij u gezegd?”„Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.”„Komt ge terug, dokter?”„Ja,” antwoordde de geneesheer; „maar ’t ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.”Derde hoofdstuk.Een pen is zwaar voor dengene die de kar van Fauchelevent oplichtte.Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder ’t kleeden eenige keeren rusten: alleen door ’t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op ’t gezicht.Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.Hij spreidde ze uit op zijn bed.De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel ’t nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. ’t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; ’t was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, ’t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers,welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen ’t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars enlampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.„Ach!”riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), „’t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. ’t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! ’t Is niets te sterven; maar ’t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, ’t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien.”In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.Vierde hoofdstuk.Zwarte inkt die wit maakt.Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem in den tuin.Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die soort.Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: „Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel.” Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazingbliksems heeft. Marius werd als door een dier bliksems verlicht.De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld in hem herleven. ’t Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; ’t was wel het bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen voor hem.Alzoo—zonderlinge gril van het toeval—kwam zich vanzelf een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd verloren te hebben.Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:„Mijnheer de baron!„Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.„Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.„Met eerbied.”De brief was onderteekend: „Thénard.”Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling allen twijfel.Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets meer te wenschen over.Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque keek door de deur.„Laat den man binnenkomen,” zei Marius.Basque diende aan:„Mijnheer Thénard.”Een man trad binnen.Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem volkomen onbekend.Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in ’t zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het binnentreden nog dieper. ’t Viel bij den eersten blik in ’t oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel woord ter opheldering noodig.In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette „de Wisselaar”; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was de costumier van het groote drama, ’t welk de schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, werd nooitbestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: „Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed.” Daarnaast stond: „oud ambassadeur,” en eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: „In een afzonderlijke doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld.” Dit alles behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig van den kapstok des wisselaars.De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:„Wat wilt gij?”De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:„’t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien.Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet.”’t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.„Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray,” zeide hij. „Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander gezet.”Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:„Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas wijn drinken!”Marius zag hoe langer hoe strenger.„Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?”Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.„Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom ’t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den voorraad en deammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te komen; ’t is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er goud.”„Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?” viel Marius hem in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging.„Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste gebracht. Ik wil ’t eens met de wilden beproeven.”„Verder?”„Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is ’s menschen doel. Goud is de magneet!”„Verder? maak een einde.”„Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig.”„Wat gaat mij dit aan?” zei Marius.De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:„Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?”Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:„Spreek duidelijk.”De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.„Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een geheim verkoopen.”„Een geheim?”„Een geheim.”„Dat mij betreft?”„Eenigszins.”„Welk geheim?”Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.„Ik begin voor niets,” zei de onbekende. „Gij zult zien, dat ik belangrijk word.”„Spreek.”„Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar.”Marius ontroerde.„In mijn huis, neen,” zeide hij.De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:„Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor niets zeggen.”„Ik luister.”„Hij heet Jean Valjean.”„Ik weet het.”„Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is.”„Spreek.”„Een voormalig galeiboef.”„Ik weet het.”„Gij weet het sedert ik de eer heb gehad ’t u te zeggen.”„Neen, ik wist het vroeger.”De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, „ik weet het”, zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, ontsnapte hij aan Marius niet. ’t Was een derzulke, die men herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; een bril verbergt niets;—zet eens een glasruit voor de hel!De onbekende hernam glimlachend:„Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van mevrouw de barones. ’t Is een buitengewoon geheim. ’t Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs.”„Ik ken dat geheim evenals de andere,” zei Marius.Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig af te slaan.„Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek.”„Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij zeggen wilt.”In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:„Ik moet vandaag toch eten. ’t Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs.”Marius zag hem strak in het gezicht:„Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken.”„Mijn naam?”„Ja.”„’t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u te schrijven en te zeggen. Thénard.”„Dier.”„Wat?”„Thénardier.”„Wie? Hoe?”In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.Marius hernam:„Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard.”„Vrouw? welke?”„En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden.”„Een kroeg! Nooit!”„En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt.”„Ik loochen het.”„En dat ge een schoft zijt. Ziedaar.”En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp ’t hem in ’t gezicht.„’k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!”En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.„Vijfhonderd francs!” hernam hij verstomd. Enhalfluidstamelde hij: „Een echt bankje!”Toen riep hij plotseling:„Nu, het zij zoo. Laten we ’t ons gemakkelijk maken.”En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.„Mijnheer de baron is onfeilbaar,” zeide hij, met een duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, „ik ben Thénardier.”En hij richtte zijn gebogen rug op.Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, ’t geen te Parijs niets zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te hebben om te verkoopen. Enwaarschijnlijk zou deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: „Uw vrouw is een onecht kind”, geen andere uitkomst hebben gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe was zijn toestand in dat, ’t welk gevoerd zou worden? Hij wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: „Ik ben Thénardier”, wachtte hij.Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg geven. ’t Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en ’t was hem alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. ’t Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.Thénardier had het „echte bankbriefje” in zijn zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.Marius verbrak de stilte.„Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het geheim zegge, ’t welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, den heer Madeleine. Eenmoordenaar, wijl hij den politieagent Javert heeft vermoord.”„Ik begrijp u niet, mijnheer de baron,” zei Thénardier.„Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier Laffitte—ik heb dit van den kassier zelven vernomen—door middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig.”Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:„Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg.”En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting veelbeteekenend te rammelen.„Wat!” hernam Marius, „spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten.”„’t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood.”„Dat is sterk! Hoe weet ge dit?”„Om twee redenen.”„Welke? Spreek.”„De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is.”„Wat vertelt ge mij toch?”„De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die Javert heeft gedood, Javert zelf is.”„Wat bedoelt ge?”„Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd.”„Bewijs! bewijs!” riep Marius buiten zich zelven.Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud Alexandrijnsch vers opzeide:„De politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden.”„Maar bewijs dit!”Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te worden.„Ik heb mijn aktestukken,” zeide hij bedaard.En hij voegde er bij:„In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad dan Javert, en ’t geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte bewijzen.”Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, scheen veel ouder dan het andere.„Twee feiten, twee bewijzen,” zei Thénardier en reikte Marius de twee opengeslagen bladen.De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer vanle Drapeau blancvan 25 Juli 1823, van ’t welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, eenMoniteurvan 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd te schieten.Marius las. ’t Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers gezegde te bevestigen: het in denMoniteurgeplaatste bericht was door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:„Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder van Javert! hij is een held, een heilige!”„Hij is noch een heilige noch een held,” zei Thénardier. „Hij is een moordenaar en dief.”En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij gezag begon te verkrijgen: „Laat ons bedaard zijn!”Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.„Nog?” zeide hij.„Altijd,” hernam Thénardier. „Jean Valjean heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar is toch een moordenaar.”„Wilt ge,” hernam Marius, „van dien ellendigen diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?”„Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en al onbekend. ’t Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, dit is inderdaad niet dom.”„Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden,” merkte Marius aan, „maar ga voort.”„Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te uwen gunste; de berekeningis zeer schrander; maar hij bezit nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, veroorloof mij een stoel te nemen.”Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de nagels op deDrapeau blancsloeg: „’t heeft mij moeite gekost dit te krijgen.” Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van ’t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:„Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug der Invaliden en de brug van Jena.”Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:„Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni was; ’t kon acht uren ’s avonds zijn. De man hoorde gerucht in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. ’t Was ’t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij ’t schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, ’t geen de moordenaarniet wilde. Hij torste zijn last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost hebben, want ’t is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij ’t er levend heeft afgebracht.”Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:„Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot den verblijfhouder: „Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij.” Deze galeiboef was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en geheel door bloed misvormd was. Onder ’t gesprek vond hij middel om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, ’t was een bewijsstuk; een middel om weder op ’t spoor der zaak te komen en den schuldige van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok...”Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.Ondertusschen voer Thénardier voort:„Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had.”„Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!” riep Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs gevulde vuist op ’t gezicht.„Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; ge wildet hem in ’t verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l’Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, enzelfsverder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt.”En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.„Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u.”„Waterloo!” mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.„Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered....”„Van een generaal,” zei Thénardier het hoofd opheffend.„Van een kolonel!” hernam Marius driftig. „Ik zou geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! ’t Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend francs.Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal ’t oog houden over uwvertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!”„Mijnheer de baron,” antwoordde Thénardier tot den grond buigend, „eeuwige dankbaarheid.”Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en ’t zou hem zeer gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door Marius’ bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar Cosette nog wandelde:„Cosette! Cosette!” riep hij „kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!”Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij omhelsde Cosette, zeggende: „Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!”Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar ’t was iets grootsch.In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.„Koetsier,” zeide hij, „naar de straat de l’Homme-Armé No. 7.”Het rijtuig vertrok.„Ha! welk een geluk!” riep Cosette, „naar de straat del’Homme-Armé. Ik durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken.”„Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar zijn. Ja, zoo zal ’t geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt ’t nu.”Cosette begreep niets.„Gij hebt gelijk,” zeide zij.Ondertusschen reed het rijtuig voort.Vijfde hoofdstuk.Nacht, waarachter de dag is.Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.„Binnen,” riep hij zwak.De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den deurpost staan.„Cosette!” zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige blijdschap in de oogen.Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.„Vader!” zeide zij.Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:„Cosette! Zijt gij ’t, mevrouw! Zijt gij ’t. O, mijn God!”En in Cosettes armen geklemd, riep hij:„Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!”Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn gesnik te bedekken:„Mijn vader!”„En ook gij vergeeft mij!” zei Jean Valjean.Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: „Heb dank.”Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.„Dit hindert mij,” zeide zij.Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.Jean Valjean mompelde:„Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij zelven zeide: ’t Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, dat gij de trap opgingt.Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op den goeden God. De goede God zegt: „Gij verbeeldt u, dat men u zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal ’t niet gebeuren. Kom, er is daar een arm oud man, die een engel noodig heeft.” En de engel komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik was zeer ongelukkig.”Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:„Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar spreken. ’t Zal niet lang meer duren.”En Cosette zeide, hem berispend:„Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn.Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge ’t ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!”„Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft mij!” herhaalde Jean Valjean.Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, barstte hij uit:„Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij heeft mij doorallerlei doodsgevarenheen gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!”„Stil, stil!” zei Jean Valjean zacht. „Waarom van dat alles te spreken?”„Maar gij!” riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, „waarom hebt gij het niet gezegd? ’t Is ook uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. ’t Is ongehoord!”„Ik heb de waarheid gezegd,” antwoordde Jean Valjean.„Neen,” hernam Marius, „waarheid is de geheele waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?”„Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest.”„Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!” hernam Marius. „Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge morgen nog hier zijt.”„Morgen,” zei Jean Valjean, „zal ik niet hier zijn, maar ook niet bij u.”„Wat bedoelt ge?” vroeg Marius. „O, wij geven u geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten u niet los.”„Ditmaal is het ernst,” voegde Cosette er bij. „We hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken.”En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard in haar armen optillen.„In ons huis is nog altijd uw kamer,” vervolgde zij. „Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet waar, Marius? Hetprogrammais veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen.”Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op. Hij prevelde:„Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is.”„Mijn vader,” zei Cosette.Jean Valjean hernam:„’t Is waar, ’t zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. ’t Is zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den tuin roepen. Men ziet elkandervan ’s morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, ik zou haar mijn rozen doen plukken. ’t Zou bekoorlijk zijn. Maar...”Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:„’t Is jammer.”De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem door een glimlach.Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.„Mijn God,” zeide zij, „uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert u iets?”„Ik? neen,” antwoordde Jean Valjean, „ik ben zeer wèl, maar...”Hij zweeg.„Maar, wat?”„Ik zal spoedig sterven.”Cosette en Marius huiverden.„Sterven!” riep Marius.„Ja, maar dat is niets,” zei Jean Valjean.Hij haalde adem, glimlachte en hernam:„Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren.”Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een hartverscheurenden kreet.„Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge leeft, hoort ge!”Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:„O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij belet. ’t Kwam mij voor, dat ik herleefde.”„Ge zijt vol kracht en leven,” riep Marius. „Verbeeldt ge u, dat men zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!”„Ge hoort immers,” hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, „dat Marius zegt, dat ge niet zult sterven.”„Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert niet van meening; ’t is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alleverrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij.”De deur kraakte. ’t Was de dokter, die binnentrad.„Goedendag en vaarwel, dokter,” zei Jean Valjean. „Ziehier mijn arme kinderen.”Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een volledige vraag.De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.„Omdat de dingen ons onaangenaam zijn,” zei Jean Valjean, „is dit geen reden om onbillijk jegens God te wezen.”Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking mogelijk.De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het graf kan ook zijn flikkering hebben.De dokter voelde hem den pols.„Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!” mompelde hij, Cosette en Marius aanziende.En zich tot Marius’ oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:„Te laat.”Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:„’t Is niets te sterven, maar ’t is vreeselijk, niet te leven.”Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het kruisbeeld op de tafel zettende:„Ziedaar den grooten lijder!”Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen,op zijn knieën rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden:„Vader! verlaat ons niet. Is ’t mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te verliezen?”Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt een zekere rondtasting.Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.„Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!” riep Marius.„Ge zijt beiden goed,” zei Jean Valjean. „Ik zal u zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal ’t u verklaren, mijn kinderen, en juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. ’t Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij.”De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:„Wilt ge een priester?”„Ik heb er een,” antwoordde Jean Valjean.En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.’t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven tegenwoordig was.Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.Jean Valjean hernam:„Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de zoogenaamde Berlijnschejuweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs.”Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, elkander de hand gevende.Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd grooter. ’t Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. ’t Was blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.„Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, ’t is zoet zóó te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. ’t Was voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. ’t Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of hij, die ze mijgegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal ’t mij genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. ’t Is voor de armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? ’t Is echter niet langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. ’t Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel van den emmer nam? ’t Was de eerste keer, dat ik uw arm klein handje raakte. ’t Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is ’t oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit:elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, ’t is mijn schuld niet, ik verzeker ’t u, dat ik u in al deze dagen niet gezien heb; ’t verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde hoofden, dat ik er mijn handen oplegge.”Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich niet meer.Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel wachtte.Zesde hoofdstuk.Het gras verbergt en de regen wischt uit.Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in ’t gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, envoor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.Men leest er geen naam op.Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,La chose simplement d’elle-même arriva,Comme la nuit se fait lorsque le jour s’en va.1Einde van het vijfde en laatste deel.1Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,Toen hij zijn Engel niet meer zag.De dood kwam zachtkens hem bevrijden,En volgde op zijn maatloos lijden,Zooals de nacht wijkt voor den dag.

Boek IX.Zwaarste schaduw, helderst morgenrood.Eerste hoofdstuk.Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen.’t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet men,—in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,—het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou beschuldigen.Marius,—wij hebben het gezegd—had vóór zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem denken zou. ’t Was meer dan uitwissching, ’t was verduistering.Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo behoedzaammogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld aan te raken.Cosette was met geen dezer geheimen bekend; ’t zou evenwel hard zijn ook haar te veroordeelen.Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van „mijnheer Jean”, den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius’ geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?—’t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l’Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet „neen” antwoorden.Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.’t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. ’t Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, „ziet vooruit”. De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is.Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. ’t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.Tweede hoofdstuk.Laatste flikkering der lamp zonder olie.Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:„Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten.”„Jawel,” antwoordde Jean Valjean.„De schotel is nog vol.”„Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.”„Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt.”„Nu,” hernam Jean Valjean, „zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?”„Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts.”„Ik zal morgen eten.”„Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker.”Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.„Ik beloof u het te eten,” zeide hij met zijn goedmoedige stem.„Ik ben ontevreden op u,” antwoordde de portierster.Jean Valjean zagnauwelijkseen ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemanddoorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. ’t Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: „De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal ’t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan ’t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is.”De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:„Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij ’t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven.”„En zoo hij er een neemt?”„Zal hij ook sterven,” zei de portier.De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen „harer straat” te krabben, terwijl zij mompelde:„’t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen.”Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam ’t op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.„’t Is op de tweede verdieping,” zeide zij. „Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur.”De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:„Nu, dokter?”„Uw zieke is zeer ziek.”„Wat deert hem?”„Alles en niets. ’t Is iemand, die, zoo ’t schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven.”„Wat heeft hij u gezegd?”„Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.”„Komt ge terug, dokter?”„Ja,” antwoordde de geneesheer; „maar ’t ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.”Derde hoofdstuk.Een pen is zwaar voor dengene die de kar van Fauchelevent oplichtte.Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder ’t kleeden eenige keeren rusten: alleen door ’t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op ’t gezicht.Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.Hij spreidde ze uit op zijn bed.De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel ’t nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. ’t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; ’t was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, ’t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers,welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen ’t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars enlampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.„Ach!”riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), „’t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. ’t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! ’t Is niets te sterven; maar ’t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, ’t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien.”In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.Vierde hoofdstuk.Zwarte inkt die wit maakt.Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem in den tuin.Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die soort.Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: „Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel.” Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazingbliksems heeft. Marius werd als door een dier bliksems verlicht.De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld in hem herleven. ’t Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; ’t was wel het bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen voor hem.Alzoo—zonderlinge gril van het toeval—kwam zich vanzelf een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd verloren te hebben.Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:„Mijnheer de baron!„Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.„Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.„Met eerbied.”De brief was onderteekend: „Thénard.”Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling allen twijfel.Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets meer te wenschen over.Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque keek door de deur.„Laat den man binnenkomen,” zei Marius.Basque diende aan:„Mijnheer Thénard.”Een man trad binnen.Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem volkomen onbekend.Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in ’t zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het binnentreden nog dieper. ’t Viel bij den eersten blik in ’t oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel woord ter opheldering noodig.In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette „de Wisselaar”; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was de costumier van het groote drama, ’t welk de schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, werd nooitbestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: „Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed.” Daarnaast stond: „oud ambassadeur,” en eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: „In een afzonderlijke doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld.” Dit alles behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig van den kapstok des wisselaars.De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:„Wat wilt gij?”De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:„’t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien.Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet.”’t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.„Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray,” zeide hij. „Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander gezet.”Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:„Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas wijn drinken!”Marius zag hoe langer hoe strenger.„Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?”Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.„Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom ’t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den voorraad en deammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te komen; ’t is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er goud.”„Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?” viel Marius hem in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging.„Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste gebracht. Ik wil ’t eens met de wilden beproeven.”„Verder?”„Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is ’s menschen doel. Goud is de magneet!”„Verder? maak een einde.”„Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig.”„Wat gaat mij dit aan?” zei Marius.De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:„Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?”Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:„Spreek duidelijk.”De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.„Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een geheim verkoopen.”„Een geheim?”„Een geheim.”„Dat mij betreft?”„Eenigszins.”„Welk geheim?”Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.„Ik begin voor niets,” zei de onbekende. „Gij zult zien, dat ik belangrijk word.”„Spreek.”„Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar.”Marius ontroerde.„In mijn huis, neen,” zeide hij.De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:„Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor niets zeggen.”„Ik luister.”„Hij heet Jean Valjean.”„Ik weet het.”„Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is.”„Spreek.”„Een voormalig galeiboef.”„Ik weet het.”„Gij weet het sedert ik de eer heb gehad ’t u te zeggen.”„Neen, ik wist het vroeger.”De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, „ik weet het”, zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, ontsnapte hij aan Marius niet. ’t Was een derzulke, die men herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; een bril verbergt niets;—zet eens een glasruit voor de hel!De onbekende hernam glimlachend:„Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van mevrouw de barones. ’t Is een buitengewoon geheim. ’t Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs.”„Ik ken dat geheim evenals de andere,” zei Marius.Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig af te slaan.„Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek.”„Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij zeggen wilt.”In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:„Ik moet vandaag toch eten. ’t Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs.”Marius zag hem strak in het gezicht:„Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken.”„Mijn naam?”„Ja.”„’t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u te schrijven en te zeggen. Thénard.”„Dier.”„Wat?”„Thénardier.”„Wie? Hoe?”In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.Marius hernam:„Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard.”„Vrouw? welke?”„En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden.”„Een kroeg! Nooit!”„En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt.”„Ik loochen het.”„En dat ge een schoft zijt. Ziedaar.”En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp ’t hem in ’t gezicht.„’k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!”En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.„Vijfhonderd francs!” hernam hij verstomd. Enhalfluidstamelde hij: „Een echt bankje!”Toen riep hij plotseling:„Nu, het zij zoo. Laten we ’t ons gemakkelijk maken.”En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.„Mijnheer de baron is onfeilbaar,” zeide hij, met een duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, „ik ben Thénardier.”En hij richtte zijn gebogen rug op.Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, ’t geen te Parijs niets zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te hebben om te verkoopen. Enwaarschijnlijk zou deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: „Uw vrouw is een onecht kind”, geen andere uitkomst hebben gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe was zijn toestand in dat, ’t welk gevoerd zou worden? Hij wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: „Ik ben Thénardier”, wachtte hij.Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg geven. ’t Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en ’t was hem alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. ’t Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.Thénardier had het „echte bankbriefje” in zijn zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.Marius verbrak de stilte.„Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het geheim zegge, ’t welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, den heer Madeleine. Eenmoordenaar, wijl hij den politieagent Javert heeft vermoord.”„Ik begrijp u niet, mijnheer de baron,” zei Thénardier.„Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier Laffitte—ik heb dit van den kassier zelven vernomen—door middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig.”Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:„Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg.”En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting veelbeteekenend te rammelen.„Wat!” hernam Marius, „spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten.”„’t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood.”„Dat is sterk! Hoe weet ge dit?”„Om twee redenen.”„Welke? Spreek.”„De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is.”„Wat vertelt ge mij toch?”„De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die Javert heeft gedood, Javert zelf is.”„Wat bedoelt ge?”„Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd.”„Bewijs! bewijs!” riep Marius buiten zich zelven.Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud Alexandrijnsch vers opzeide:„De politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden.”„Maar bewijs dit!”Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te worden.„Ik heb mijn aktestukken,” zeide hij bedaard.En hij voegde er bij:„In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad dan Javert, en ’t geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte bewijzen.”Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, scheen veel ouder dan het andere.„Twee feiten, twee bewijzen,” zei Thénardier en reikte Marius de twee opengeslagen bladen.De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer vanle Drapeau blancvan 25 Juli 1823, van ’t welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, eenMoniteurvan 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd te schieten.Marius las. ’t Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers gezegde te bevestigen: het in denMoniteurgeplaatste bericht was door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:„Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder van Javert! hij is een held, een heilige!”„Hij is noch een heilige noch een held,” zei Thénardier. „Hij is een moordenaar en dief.”En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij gezag begon te verkrijgen: „Laat ons bedaard zijn!”Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.„Nog?” zeide hij.„Altijd,” hernam Thénardier. „Jean Valjean heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar is toch een moordenaar.”„Wilt ge,” hernam Marius, „van dien ellendigen diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?”„Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en al onbekend. ’t Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, dit is inderdaad niet dom.”„Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden,” merkte Marius aan, „maar ga voort.”„Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te uwen gunste; de berekeningis zeer schrander; maar hij bezit nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, veroorloof mij een stoel te nemen.”Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de nagels op deDrapeau blancsloeg: „’t heeft mij moeite gekost dit te krijgen.” Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van ’t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:„Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug der Invaliden en de brug van Jena.”Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:„Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni was; ’t kon acht uren ’s avonds zijn. De man hoorde gerucht in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. ’t Was ’t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij ’t schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, ’t geen de moordenaarniet wilde. Hij torste zijn last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost hebben, want ’t is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij ’t er levend heeft afgebracht.”Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:„Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot den verblijfhouder: „Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij.” Deze galeiboef was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en geheel door bloed misvormd was. Onder ’t gesprek vond hij middel om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, ’t was een bewijsstuk; een middel om weder op ’t spoor der zaak te komen en den schuldige van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok...”Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.Ondertusschen voer Thénardier voort:„Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had.”„Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!” riep Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs gevulde vuist op ’t gezicht.„Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; ge wildet hem in ’t verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l’Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, enzelfsverder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt.”En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.„Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u.”„Waterloo!” mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.„Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered....”„Van een generaal,” zei Thénardier het hoofd opheffend.„Van een kolonel!” hernam Marius driftig. „Ik zou geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! ’t Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend francs.Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal ’t oog houden over uwvertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!”„Mijnheer de baron,” antwoordde Thénardier tot den grond buigend, „eeuwige dankbaarheid.”Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en ’t zou hem zeer gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door Marius’ bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar Cosette nog wandelde:„Cosette! Cosette!” riep hij „kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!”Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij omhelsde Cosette, zeggende: „Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!”Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar ’t was iets grootsch.In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.„Koetsier,” zeide hij, „naar de straat de l’Homme-Armé No. 7.”Het rijtuig vertrok.„Ha! welk een geluk!” riep Cosette, „naar de straat del’Homme-Armé. Ik durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken.”„Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar zijn. Ja, zoo zal ’t geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt ’t nu.”Cosette begreep niets.„Gij hebt gelijk,” zeide zij.Ondertusschen reed het rijtuig voort.Vijfde hoofdstuk.Nacht, waarachter de dag is.Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.„Binnen,” riep hij zwak.De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den deurpost staan.„Cosette!” zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige blijdschap in de oogen.Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.„Vader!” zeide zij.Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:„Cosette! Zijt gij ’t, mevrouw! Zijt gij ’t. O, mijn God!”En in Cosettes armen geklemd, riep hij:„Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!”Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn gesnik te bedekken:„Mijn vader!”„En ook gij vergeeft mij!” zei Jean Valjean.Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: „Heb dank.”Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.„Dit hindert mij,” zeide zij.Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.Jean Valjean mompelde:„Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij zelven zeide: ’t Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, dat gij de trap opgingt.Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op den goeden God. De goede God zegt: „Gij verbeeldt u, dat men u zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal ’t niet gebeuren. Kom, er is daar een arm oud man, die een engel noodig heeft.” En de engel komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik was zeer ongelukkig.”Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:„Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar spreken. ’t Zal niet lang meer duren.”En Cosette zeide, hem berispend:„Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn.Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge ’t ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!”„Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft mij!” herhaalde Jean Valjean.Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, barstte hij uit:„Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij heeft mij doorallerlei doodsgevarenheen gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!”„Stil, stil!” zei Jean Valjean zacht. „Waarom van dat alles te spreken?”„Maar gij!” riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, „waarom hebt gij het niet gezegd? ’t Is ook uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. ’t Is ongehoord!”„Ik heb de waarheid gezegd,” antwoordde Jean Valjean.„Neen,” hernam Marius, „waarheid is de geheele waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?”„Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest.”„Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!” hernam Marius. „Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge morgen nog hier zijt.”„Morgen,” zei Jean Valjean, „zal ik niet hier zijn, maar ook niet bij u.”„Wat bedoelt ge?” vroeg Marius. „O, wij geven u geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten u niet los.”„Ditmaal is het ernst,” voegde Cosette er bij. „We hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken.”En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard in haar armen optillen.„In ons huis is nog altijd uw kamer,” vervolgde zij. „Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet waar, Marius? Hetprogrammais veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen.”Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op. Hij prevelde:„Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is.”„Mijn vader,” zei Cosette.Jean Valjean hernam:„’t Is waar, ’t zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. ’t Is zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den tuin roepen. Men ziet elkandervan ’s morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, ik zou haar mijn rozen doen plukken. ’t Zou bekoorlijk zijn. Maar...”Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:„’t Is jammer.”De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem door een glimlach.Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.„Mijn God,” zeide zij, „uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert u iets?”„Ik? neen,” antwoordde Jean Valjean, „ik ben zeer wèl, maar...”Hij zweeg.„Maar, wat?”„Ik zal spoedig sterven.”Cosette en Marius huiverden.„Sterven!” riep Marius.„Ja, maar dat is niets,” zei Jean Valjean.Hij haalde adem, glimlachte en hernam:„Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren.”Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een hartverscheurenden kreet.„Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge leeft, hoort ge!”Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:„O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij belet. ’t Kwam mij voor, dat ik herleefde.”„Ge zijt vol kracht en leven,” riep Marius. „Verbeeldt ge u, dat men zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!”„Ge hoort immers,” hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, „dat Marius zegt, dat ge niet zult sterven.”„Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert niet van meening; ’t is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alleverrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij.”De deur kraakte. ’t Was de dokter, die binnentrad.„Goedendag en vaarwel, dokter,” zei Jean Valjean. „Ziehier mijn arme kinderen.”Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een volledige vraag.De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.„Omdat de dingen ons onaangenaam zijn,” zei Jean Valjean, „is dit geen reden om onbillijk jegens God te wezen.”Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking mogelijk.De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het graf kan ook zijn flikkering hebben.De dokter voelde hem den pols.„Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!” mompelde hij, Cosette en Marius aanziende.En zich tot Marius’ oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:„Te laat.”Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:„’t Is niets te sterven, maar ’t is vreeselijk, niet te leven.”Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het kruisbeeld op de tafel zettende:„Ziedaar den grooten lijder!”Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen,op zijn knieën rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden:„Vader! verlaat ons niet. Is ’t mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te verliezen?”Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt een zekere rondtasting.Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.„Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!” riep Marius.„Ge zijt beiden goed,” zei Jean Valjean. „Ik zal u zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal ’t u verklaren, mijn kinderen, en juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. ’t Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij.”De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:„Wilt ge een priester?”„Ik heb er een,” antwoordde Jean Valjean.En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.’t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven tegenwoordig was.Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.Jean Valjean hernam:„Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de zoogenaamde Berlijnschejuweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs.”Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, elkander de hand gevende.Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd grooter. ’t Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. ’t Was blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.„Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, ’t is zoet zóó te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. ’t Was voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. ’t Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of hij, die ze mijgegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal ’t mij genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. ’t Is voor de armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? ’t Is echter niet langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. ’t Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel van den emmer nam? ’t Was de eerste keer, dat ik uw arm klein handje raakte. ’t Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is ’t oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit:elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, ’t is mijn schuld niet, ik verzeker ’t u, dat ik u in al deze dagen niet gezien heb; ’t verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde hoofden, dat ik er mijn handen oplegge.”Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich niet meer.Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel wachtte.Zesde hoofdstuk.Het gras verbergt en de regen wischt uit.Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in ’t gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, envoor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.Men leest er geen naam op.Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,La chose simplement d’elle-même arriva,Comme la nuit se fait lorsque le jour s’en va.1Einde van het vijfde en laatste deel.1Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,Toen hij zijn Engel niet meer zag.De dood kwam zachtkens hem bevrijden,En volgde op zijn maatloos lijden,Zooals de nacht wijkt voor den dag.

Eerste hoofdstuk.Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen.’t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet men,—in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,—het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou beschuldigen.Marius,—wij hebben het gezegd—had vóór zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem denken zou. ’t Was meer dan uitwissching, ’t was verduistering.Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo behoedzaammogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld aan te raken.Cosette was met geen dezer geheimen bekend; ’t zou evenwel hard zijn ook haar te veroordeelen.Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van „mijnheer Jean”, den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius’ geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?—’t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l’Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet „neen” antwoorden.Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.’t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. ’t Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, „ziet vooruit”. De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is.Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. ’t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.

Eerste hoofdstuk.Medelijden met de ongelukkigen, maar toegevendheid voor de gelukkigen.

’t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet men,—in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,—het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou beschuldigen.Marius,—wij hebben het gezegd—had vóór zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem denken zou. ’t Was meer dan uitwissching, ’t was verduistering.Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo behoedzaammogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld aan te raken.Cosette was met geen dezer geheimen bekend; ’t zou evenwel hard zijn ook haar te veroordeelen.Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van „mijnheer Jean”, den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius’ geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?—’t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l’Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet „neen” antwoorden.Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.’t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. ’t Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, „ziet vooruit”. De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is.Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. ’t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.

’t Is iets verschrikkelijks gelukkig te zijn! Hoe stelt men er zich meê tevreden! Hoe vindt men, dat dit genoeg is! Hoe spoedig vergeet men,—in het bezit zijnde van het valsche doel des levens,—het eigenlijk geluk, het ware, den plicht.

Wij moeten evenwel zeggen, dat men Marius ten onrechte zou beschuldigen.

Marius,—wij hebben het gezegd—had vóór zijn huwelijk tot den heer Fauchelevent geen vragen gericht, en later huiverde hij er Jean Valjean te doen. Hij had de belofte betreurd, tot welke hij zich had laten verleiden. Hij had dikwerf tot zich zelf gezegd, dat hij ongelijk had gehad deze concessie aan de wanhoop te doen. Hij had er zich bij bepaald, allengs Jean Valjean uit zijn huis te verwijderen en hem zooveel mogelijk uit Cosettes geest te wisschen. Hij had zich altijd eenigszins tusschen Cosette en Jean Valjean geplaatst, verzekerd, dat zij hem op die wijze niet opmerken en niet aan hem denken zou. ’t Was meer dan uitwissching, ’t was verduistering.

Marius deed wat hij noodig en billijk achtte. Hij meende, dat hij ernstige redenen had, om Jean Valjean zonder hardheid, maar ook zonder zwakheid, te verwijderen, welke redenen men gedeeltelijk reeds kent, en nog verder later zien zal. Het toeval had hem bij een proces, dat hij bezorgd had, in betrekking gebracht met een voormaligen kantoorklerk van het huis Laffitte, en ten gevolge hiervan waren hem ongezocht geheime inlichtingen bekend geworden, welke hij echter niet nader had kunnen onderzoeken, zonder de geheimhouding, welke hij beloofd had, te schenden en Jean Valjeans toestand in gevaar te brengen. Hij meende thans een ernstigen plicht te moeten vervullen: namelijk de teruggave van de zesmaal honderdduizend francs aan iemand, dien hij zoo behoedzaammogelijk zocht. Inmiddels vermeed hij, dit geld aan te raken.

Cosette was met geen dezer geheimen bekend; ’t zou evenwel hard zijn ook haar te veroordeelen.

Marius had op haar een machtigen, magnetischen invloed, die haar instinctmatig en schier werktuiglijk alles deed doen wat Marius wenschte. Zij gevoelde, ten aanzien van „mijnheer Jean”, den wil van Marius, en daarnaar richtte zij zich. Haar man had haar niets behoeven te zeggen; zij erkende den flauwen, maar duidelijken druk zijner zwijgende bedoelingen, en gehoorzaamde blindelings. Haar gehoorzaamheid bestond in zich niet te herinneren wat Marius vergat. Daartoe behoefde zij geen moeite te doen. Zonder dat zij zelve wist waarom, en zonder dat men haar deswege moet beschuldigen, had haar ziel zich zoozeer naar die van haar echtgenoot gevormd, dat hetgeen Marius’ geest beschaduwde, ook den haren verduisterde.

Gaan wij echter niet te ver; ten aanzien van Jean Valjean waren deze vergetelheid en terzijdestelling slechts oppervlakkig. Zij was eer onbedachtzaam, dan vergeetachtig. In den grond beminde zij dengene, die zij zoo lang vader had genoemd. Maar zij beminde haar man nog meer. Dit had de balans van haar hart een weinig valsch gemaakt, zoodat die nu naar één zijde overhelde.

Vaak gebeurde het, dat Cosette van Jean Valjean sprak en zich verwonderde. Dan stelde Marius haar gerust: Hij is van huis, geloof ik. Heeft hij niet gezegd, dat hij op reis ging?—’t Is waar, dacht Cosette. Zulke afwezigheden waren bij hem gewoon. Maar niet zoo lang. Twee of drie keeren zond zij Nicolette naar de straat de l’Homme-Armé, om te vernemen of mijnheer Jean van zijn reis terug was. Jean Valjean liet „neen” antwoorden.

Cosette vroeg niet verder, daar zij op de wereld slechts één behoefte had: Marius.

Voegen wij hierbij, dat Marius en Cosette insgelijks afwezig waren geweest. Zij waren naar Vernon gegaan, waar Marius Cosette naar het graf van zijn vader had gevoerd.

Allengs had Marius Cosette aan Jean Valjean onttrokken. Cosette had zich laten leiden.

’t Geen men overigens, in sommige gevallen al te hard, de ondankbaarheid der kinderen noemt, is niet altijd zulk een berispelijke zaak, als men meent. ’t Is de ondankbaarheid der natuur. De natuur, wij hebben het elders gezegd, „ziet vooruit”. De natuur verdeelt de levende wezens in komenden en gaanden. De gaanden zijn naar de schaduw gewend, de komenden naar het licht. Vandaar een verwijdering, die ten opzichte der ouden ongelukkig, ten opzichte der jongen onwillekeurig is.Deze verwijdering, eerst ongevoelig, neemt allengskens toe, gelijk iedere scheiding van takken. De takken, zonder zich van den stam los te maken, verwijderen er zich van. ’t Is hun schuld niet. De jeugd gaat naar den kant der vreugde, naar feesten, naar glans, naar liefde. De ouderdom gaat naar het einde. Men verliest elkander niet uit het oog, maar de gehechtheid vermindert. De jongelieden gevoelen de verkoeling des levens; de grijsaards die van het graf. Beschuldigen wij die arme kinderen niet.

Tweede hoofdstuk.Laatste flikkering der lamp zonder olie.Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:„Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten.”„Jawel,” antwoordde Jean Valjean.„De schotel is nog vol.”„Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.”„Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt.”„Nu,” hernam Jean Valjean, „zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?”„Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts.”„Ik zal morgen eten.”„Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker.”Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.„Ik beloof u het te eten,” zeide hij met zijn goedmoedige stem.„Ik ben ontevreden op u,” antwoordde de portierster.Jean Valjean zagnauwelijkseen ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemanddoorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. ’t Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: „De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal ’t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan ’t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is.”De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:„Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij ’t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven.”„En zoo hij er een neemt?”„Zal hij ook sterven,” zei de portier.De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen „harer straat” te krabben, terwijl zij mompelde:„’t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen.”Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam ’t op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.„’t Is op de tweede verdieping,” zeide zij. „Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur.”De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:„Nu, dokter?”„Uw zieke is zeer ziek.”„Wat deert hem?”„Alles en niets. ’t Is iemand, die, zoo ’t schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven.”„Wat heeft hij u gezegd?”„Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.”„Komt ge terug, dokter?”„Ja,” antwoordde de geneesheer; „maar ’t ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.”

Tweede hoofdstuk.Laatste flikkering der lamp zonder olie.

Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:„Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten.”„Jawel,” antwoordde Jean Valjean.„De schotel is nog vol.”„Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.”„Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt.”„Nu,” hernam Jean Valjean, „zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?”„Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts.”„Ik zal morgen eten.”„Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker.”Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.„Ik beloof u het te eten,” zeide hij met zijn goedmoedige stem.„Ik ben ontevreden op u,” antwoordde de portierster.Jean Valjean zagnauwelijkseen ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemanddoorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. ’t Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: „De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal ’t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan ’t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is.”De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:„Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij ’t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven.”„En zoo hij er een neemt?”„Zal hij ook sterven,” zei de portier.De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen „harer straat” te krabben, terwijl zij mompelde:„’t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen.”Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam ’t op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.„’t Is op de tweede verdieping,” zeide zij. „Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur.”De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:„Nu, dokter?”„Uw zieke is zeer ziek.”„Wat deert hem?”„Alles en niets. ’t Is iemand, die, zoo ’t schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven.”„Wat heeft hij u gezegd?”„Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.”„Komt ge terug, dokter?”„Ja,” antwoordde de geneesheer; „maar ’t ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.”

Op zekeren dag ging Jean Valjean zijn trap af, deed drie schreden op de straat, zette zich op een straatpaal, op denzelfden straatpaal, waar Gavroche hem in den nacht van 5 op 6 Juni peinzend had gevonden; hij bleef er eenige minuten en ging toen weder naar boven. Dit was de laatste beweging van den slinger. Den volgenden dag ging hij niet uit. Den daarop volgenden dag verliet hij zijn bed niet.

Zijn portierster, die hem zijn sober maal bereidde, kool of eenige aardappelen met een stukje spek, zag in den bruinaarden schotel en riep:

„Maar, arme goede man, gij hebt gisteren niet gegeten.”

„Jawel,” antwoordde Jean Valjean.

„De schotel is nog vol.”

„Bezie deze waterkruik. Zij is ledig.”

„Dit bewijst, dat ge gedronken, maar niet, dat ge gegeten hebt.”

„Nu,” hernam Jean Valjean, „zoo ik alleen maar honger naar water heb gehad?”

„Dit heet dorst, en wanneer men niet tevens eet, heet het koorts.”

„Ik zal morgen eten.”

„Wie weet! Waarom niet heden? Is dat een zeggen: Ik zal morgen eten! Mijn schotel te laten staan zonder ze aan te raken! Het was zoo lekker.”

Jean Valjean nam de hand der oude vrouw.

„Ik beloof u het te eten,” zeide hij met zijn goedmoedige stem.

„Ik ben ontevreden op u,” antwoordde de portierster.

Jean Valjean zagnauwelijkseen ander menschelijk wezen dan deze goede vrouw. In Parijs zijn straten, waar niemanddoorgaat, en huizen, waarin niemand komt. Hij was in een dier straten en in een dier huizen.

In den tijd toen hij nog uitging, had hij voor eenige sous van een koperslager een klein koperen kruisbeeldje gekocht, dat hij tegenover zijn bed aan een spijker had gehangen. ’t Is altijd goed, zulk een teeken voor zijn oogen te hebben.

Een week verstreek, zonder dat Jean Valjean een tred in zijn kamer deed. Hij bleef steeds te bed. De portierster zeide tot haar man: „De oude man van boven staat niet meer op, hij eet niet meer; hij zal ’t niet lang meer maken. Die man heeft verdriet. Men kan ’t mij niet uit het hoofd praten, dat zijn dochter ongelukkig getrouwd is.”

De portier antwoordde op den toon der echtelijke souvereiniteit:

„Zoo hij rijk is, laat hij dan een dokter nemen. Is hij niet rijk, dan kan hij ’t niet doen. Zoo hij geen dokter neemt, zal hij sterven.”

„En zoo hij er een neemt?”

„Zal hij ook sterven,” zei de portier.

De portierster begon, met een oud mes het gras van tusschen de steenen „harer straat” te krabben, terwijl zij mompelde:

„’t Is jammer. Zulk een net oud man. Hij is zoo blank als een hoen.”

Aan het einde van de straat zag zij een dokter uit de buurt voorbijgaan. Zij nam ’t op zich, hem te verzoeken eens naar den zieke te zien.

„’t Is op de tweede verdieping,” zeide zij. „Ga maar binnen, want, wijl de goede man niet meer van zijn bed komt, steekt de sleutel altijd in de deur.”

De geneesheer zag Jean Valjean en sprak hem. Toen hij weder naar beneden ging, vroeg de portierster hem:

„Nu, dokter?”

„Uw zieke is zeer ziek.”

„Wat deert hem?”

„Alles en niets. ’t Is iemand, die, zoo ’t schijnt, een zeer geliefd persoon heeft verloren. Men kan daarvan sterven.”

„Wat heeft hij u gezegd?”

„Hij heeft mij gezegd, dat hij welvarend was.”

„Komt ge terug, dokter?”

„Ja,” antwoordde de geneesheer; „maar ’t ware beter, zoo een ander dan ik terugkwam.”

Derde hoofdstuk.Een pen is zwaar voor dengene die de kar van Fauchelevent oplichtte.Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder ’t kleeden eenige keeren rusten: alleen door ’t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op ’t gezicht.Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.Hij spreidde ze uit op zijn bed.De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel ’t nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. ’t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; ’t was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, ’t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers,welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen ’t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars enlampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.„Ach!”riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), „’t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. ’t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! ’t Is niets te sterven; maar ’t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, ’t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien.”In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.

Derde hoofdstuk.Een pen is zwaar voor dengene die de kar van Fauchelevent oplichtte.

Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder ’t kleeden eenige keeren rusten: alleen door ’t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op ’t gezicht.Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.Hij spreidde ze uit op zijn bed.De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel ’t nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. ’t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; ’t was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, ’t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers,welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen ’t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars enlampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.„Ach!”riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), „’t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. ’t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! ’t Is niets te sterven; maar ’t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, ’t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien.”In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.

Op zekeren avond had Jean Valjean moeite zich op den elleboog op te richten; hij nam zijn hand, maar voelde geen pols; zijn ademhaling was kort en afgebroken; hij erkende, dat hij zwakker was geworden, dan hij ooit geweest was. Toen, ongetwijfeld door een of andere gewichtige gedachte aangespoord, deed hij een poging op zich zelven, richtte zich overeind en kleedde zich. Hij trok zijn oud arbeiderspak aan. Daar hij niet meer uitging, had hij het weer in gebruik genomen en gaf het de voorkeur. Hij moest onder ’t kleeden eenige keeren rusten: alleen door ’t aantrekken van het buis, kwam het zweet hem op ’t gezicht.

Sinds hij alleen was, had hij zijn bed in de voorkamer geplaatst, om zoo min mogelijk in het verlaten vertrek te zijn.

Hij opende het koffertje en nam er Cosettes kleederen uit.

Hij spreidde ze uit op zijn bed.

De kandelaars van den bisschop stonden op hun plaats, op den schoorsteen. Hij nam uit een lade twee waskaarsen, en zette ze op de kandelaars. Toen ontstak hij ze, hoewel ’t nog helderlichte dag in den zomer was. Dus ziet men soms op den dag brandende kaarsen in kamers, waar dooden zijn. Iedere stap, dien hij van het eene naar het andere meubelstuk deed, vermoeide hem, en hij was gedwongen te gaan zitten. ’t Was niet de gewone vermoeidheid, die de kracht verteert om haar te hernieuwen; ’t was het overblijfsel der nog mogelijke bewegingen, ’t was het uitgeputte leven, dat verteert door zware inspanningen, welke men niet weder kan beginnen.

Een der stoelen, waarop hij nederzeeg, stond voor den spiegel, die zoo noodlottig voor hem, zoo gezegend voor Marius was geweest, waarin hij het omgekeerde schrift op het vloeipapier van Cosette gelezen had. Hij zag zich in dien spiegel, maar herkende zich niet. Hij scheen tachtig jaar oud: vóór het huwelijk van Marius zou men hem niet ouder dan vijftig jaar geschat hebben; dit jaar had voor dertig geteld. Wat hij op het voorhoofd had, was niet meer de rimpel van den tijd, maar het geheimzinnige merk des doods. Men gevoelde daar de groeve van den onmeedoogenden nagel. Zijn wangen hingen slap; zijn gelaat had de kleur, alsof er reeds aarde op ligt; de mondhoeken waren neergetrokken, als bij die maskers,welke de ouden op hun grafsteenen beitelden; met een zweem van verwijt staarde hij in het ledige. Men had hem voor een dier groote tragische wezens kunnen houden, die zich over iemand te beklagen hebben. Hij was in dien toestand, de laatste periode der neerslachtigheid, wanneer de smart niet meer vloeit, waarin zij, om zoo te spreken, verstijfd is; de ziel is dan door de wanhoop versteend.

De nacht was gedaald. Met moeite sleepte hij een tafel en den ouden armstoel voor den schoorsteen, en legde op de tafel een pen, inkt en papier.

Na dit gedaan te hebben, viel hij in onmacht. Toen hij zijn bewustzijn herkreeg, had hij dorst. De waterkruik niet kunnende optillen, boog hij ze met moeite naar zijn mond en dronk een teug.

Toen wendde hij zich naar het bed, en steeds zittend, want hij kon niet staan, aanschouwde hij het zwarte jurkje en al deze dierbare voorwerpen.

Dergelijke overpeinzingen duren uren, die minuten schijnen. Eensklaps doorliep hem een huivering; hij voelde, dat de koude hem overweldigde; hij leunde op de tafel, die door de kandelaars van den bisschop verlicht werd, en nam de pen.

Wijl de pen en de inkt sinds lang niet gebruikt werden, waren de punten der pen opgetrokken, en was de inkt verdroogd; hij moest opstaan om eenige droppels water bij den inkt te doen, bij welke verrichting hij twee of drie keeren moest rusten en gaan zitten; hij was verplicht de pen ’t achterste voor te houden om te schrijven. Nu en dan veegde hij het zweet van zijn voorhoofd.

Zijn hand beefde. Hij schreef langzaam deze regels:

„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars enlampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”

„Cosette, ik zegen u. Ik zal u eene verklaring geven. Uw echtgenoot heeft gelijk gehad, mij te doen begrijpen, dat ik heen moest gaan; hij heeft zich echter eenigszins in zijn meening vergist, maar hij heeft gelijk gehad. Hij is een uitmuntend mensch. Bemin hem steeds, wanneer ik dood zal zijn. Mijnheer Pontmercy, bemin steeds mijn teergeliefd kind. Cosette, men zal dit papier vinden; dit wilde ik u zeggen; ge zult cijfers zien; zoo ik de kracht heb ze mij te herinneren. Luister, dit geld behoort u met alle recht. Ziehier de zaak: Het witte git komt uit Noorwegen, het zwarte git komt uit Engeland; de zwarte glaskralen komen uit Duitschland. Het git is lichter, kostbaarder en duurder. Men kan ’t in Frankrijk evengoed als in Duitschland namaken. Men heeft er een aanbeeldje van twee vierkante duimen toe noodig en een spirituslamp om het verniswerk te maken. Eertijds werd het vernis gemaakt van hars enlampezwart, en kostte vier francs het pond. Ik heb uitgevonden het van gomlak en terpentijn te maken. Het kost dan slechts dertig sous en is veel beter. De oorringen worden gemaakt van een violetkleurig glaasje, dat men met dat vernis op een klein ijzeren plaatje hecht. Het glas moet violetkleurig voor ijzeren, en zwart voor gouden kleinoodiën zijn! Spanje koopt er veel. ’t Is het land van git...”

Hier brak hij af met schrijven, de pen viel uit zijn vingers, hem overviel een wanhopig gesnik, zooals nu en dan uit de diepte zijner ziel oprees. De arme man nam zijn hoofd in beide handen en peinsde.

„Ach!”riep hij inwendig (erbarmelijke kreten, die God alleen hoort), „’t is gedaan. Ik zal haar niet meer zien. ’t Is een glimlach, die over mij is gegaan. Ik zal den nacht ingaan, zonder haar zelfs weder te zien. Ach! een minuut, een oogenblik haar stem te hooren, haar kleed aan te raken, haar te aanschouwen, de engel, en dan sterven! ’t Is niets te sterven; maar ’t is vreeselijk, te sterven zonder haar te zien. Zij zou mij toelachen, mij een woord zeggen. Zou dit iemand leed doen? Neen, ’t is gedaan, voor immer. Nu ben ik alleen. Mijn God, mijn God! ik zal haar niet wederzien.”

In dit oogenblik werd aan de deur geklopt.

Vierde hoofdstuk.Zwarte inkt die wit maakt.Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem in den tuin.Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die soort.Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: „Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel.” Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazingbliksems heeft. Marius werd als door een dier bliksems verlicht.De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld in hem herleven. ’t Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; ’t was wel het bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen voor hem.Alzoo—zonderlinge gril van het toeval—kwam zich vanzelf een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd verloren te hebben.Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:„Mijnheer de baron!„Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.„Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.„Met eerbied.”De brief was onderteekend: „Thénard.”Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling allen twijfel.Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets meer te wenschen over.Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque keek door de deur.„Laat den man binnenkomen,” zei Marius.Basque diende aan:„Mijnheer Thénard.”Een man trad binnen.Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem volkomen onbekend.Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in ’t zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het binnentreden nog dieper. ’t Viel bij den eersten blik in ’t oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel woord ter opheldering noodig.In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette „de Wisselaar”; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was de costumier van het groote drama, ’t welk de schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, werd nooitbestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: „Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed.” Daarnaast stond: „oud ambassadeur,” en eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: „In een afzonderlijke doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld.” Dit alles behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig van den kapstok des wisselaars.De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:„Wat wilt gij?”De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:„’t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien.Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet.”’t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.„Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray,” zeide hij. „Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander gezet.”Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:„Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas wijn drinken!”Marius zag hoe langer hoe strenger.„Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?”Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.„Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom ’t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den voorraad en deammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te komen; ’t is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er goud.”„Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?” viel Marius hem in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging.„Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste gebracht. Ik wil ’t eens met de wilden beproeven.”„Verder?”„Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is ’s menschen doel. Goud is de magneet!”„Verder? maak een einde.”„Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig.”„Wat gaat mij dit aan?” zei Marius.De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:„Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?”Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:„Spreek duidelijk.”De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.„Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een geheim verkoopen.”„Een geheim?”„Een geheim.”„Dat mij betreft?”„Eenigszins.”„Welk geheim?”Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.„Ik begin voor niets,” zei de onbekende. „Gij zult zien, dat ik belangrijk word.”„Spreek.”„Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar.”Marius ontroerde.„In mijn huis, neen,” zeide hij.De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:„Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor niets zeggen.”„Ik luister.”„Hij heet Jean Valjean.”„Ik weet het.”„Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is.”„Spreek.”„Een voormalig galeiboef.”„Ik weet het.”„Gij weet het sedert ik de eer heb gehad ’t u te zeggen.”„Neen, ik wist het vroeger.”De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, „ik weet het”, zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, ontsnapte hij aan Marius niet. ’t Was een derzulke, die men herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; een bril verbergt niets;—zet eens een glasruit voor de hel!De onbekende hernam glimlachend:„Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van mevrouw de barones. ’t Is een buitengewoon geheim. ’t Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs.”„Ik ken dat geheim evenals de andere,” zei Marius.Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig af te slaan.„Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek.”„Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij zeggen wilt.”In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:„Ik moet vandaag toch eten. ’t Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs.”Marius zag hem strak in het gezicht:„Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken.”„Mijn naam?”„Ja.”„’t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u te schrijven en te zeggen. Thénard.”„Dier.”„Wat?”„Thénardier.”„Wie? Hoe?”In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.Marius hernam:„Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard.”„Vrouw? welke?”„En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden.”„Een kroeg! Nooit!”„En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt.”„Ik loochen het.”„En dat ge een schoft zijt. Ziedaar.”En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp ’t hem in ’t gezicht.„’k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!”En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.„Vijfhonderd francs!” hernam hij verstomd. Enhalfluidstamelde hij: „Een echt bankje!”Toen riep hij plotseling:„Nu, het zij zoo. Laten we ’t ons gemakkelijk maken.”En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.„Mijnheer de baron is onfeilbaar,” zeide hij, met een duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, „ik ben Thénardier.”En hij richtte zijn gebogen rug op.Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, ’t geen te Parijs niets zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te hebben om te verkoopen. Enwaarschijnlijk zou deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: „Uw vrouw is een onecht kind”, geen andere uitkomst hebben gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe was zijn toestand in dat, ’t welk gevoerd zou worden? Hij wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: „Ik ben Thénardier”, wachtte hij.Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg geven. ’t Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en ’t was hem alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. ’t Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.Thénardier had het „echte bankbriefje” in zijn zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.Marius verbrak de stilte.„Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het geheim zegge, ’t welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, den heer Madeleine. Eenmoordenaar, wijl hij den politieagent Javert heeft vermoord.”„Ik begrijp u niet, mijnheer de baron,” zei Thénardier.„Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier Laffitte—ik heb dit van den kassier zelven vernomen—door middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig.”Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:„Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg.”En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting veelbeteekenend te rammelen.„Wat!” hernam Marius, „spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten.”„’t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood.”„Dat is sterk! Hoe weet ge dit?”„Om twee redenen.”„Welke? Spreek.”„De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is.”„Wat vertelt ge mij toch?”„De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die Javert heeft gedood, Javert zelf is.”„Wat bedoelt ge?”„Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd.”„Bewijs! bewijs!” riep Marius buiten zich zelven.Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud Alexandrijnsch vers opzeide:„De politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden.”„Maar bewijs dit!”Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te worden.„Ik heb mijn aktestukken,” zeide hij bedaard.En hij voegde er bij:„In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad dan Javert, en ’t geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte bewijzen.”Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, scheen veel ouder dan het andere.„Twee feiten, twee bewijzen,” zei Thénardier en reikte Marius de twee opengeslagen bladen.De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer vanle Drapeau blancvan 25 Juli 1823, van ’t welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, eenMoniteurvan 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd te schieten.Marius las. ’t Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers gezegde te bevestigen: het in denMoniteurgeplaatste bericht was door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:„Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder van Javert! hij is een held, een heilige!”„Hij is noch een heilige noch een held,” zei Thénardier. „Hij is een moordenaar en dief.”En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij gezag begon te verkrijgen: „Laat ons bedaard zijn!”Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.„Nog?” zeide hij.„Altijd,” hernam Thénardier. „Jean Valjean heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar is toch een moordenaar.”„Wilt ge,” hernam Marius, „van dien ellendigen diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?”„Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en al onbekend. ’t Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, dit is inderdaad niet dom.”„Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden,” merkte Marius aan, „maar ga voort.”„Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te uwen gunste; de berekeningis zeer schrander; maar hij bezit nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, veroorloof mij een stoel te nemen.”Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de nagels op deDrapeau blancsloeg: „’t heeft mij moeite gekost dit te krijgen.” Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van ’t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:„Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug der Invaliden en de brug van Jena.”Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:„Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni was; ’t kon acht uren ’s avonds zijn. De man hoorde gerucht in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. ’t Was ’t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij ’t schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, ’t geen de moordenaarniet wilde. Hij torste zijn last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost hebben, want ’t is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij ’t er levend heeft afgebracht.”Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:„Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot den verblijfhouder: „Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij.” Deze galeiboef was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en geheel door bloed misvormd was. Onder ’t gesprek vond hij middel om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, ’t was een bewijsstuk; een middel om weder op ’t spoor der zaak te komen en den schuldige van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok...”Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.Ondertusschen voer Thénardier voort:„Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had.”„Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!” riep Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs gevulde vuist op ’t gezicht.„Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; ge wildet hem in ’t verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l’Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, enzelfsverder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt.”En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.„Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u.”„Waterloo!” mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.„Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered....”„Van een generaal,” zei Thénardier het hoofd opheffend.„Van een kolonel!” hernam Marius driftig. „Ik zou geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! ’t Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend francs.Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal ’t oog houden over uwvertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!”„Mijnheer de baron,” antwoordde Thénardier tot den grond buigend, „eeuwige dankbaarheid.”Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en ’t zou hem zeer gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door Marius’ bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar Cosette nog wandelde:„Cosette! Cosette!” riep hij „kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!”Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij omhelsde Cosette, zeggende: „Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!”Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar ’t was iets grootsch.In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.„Koetsier,” zeide hij, „naar de straat de l’Homme-Armé No. 7.”Het rijtuig vertrok.„Ha! welk een geluk!” riep Cosette, „naar de straat del’Homme-Armé. Ik durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken.”„Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar zijn. Ja, zoo zal ’t geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt ’t nu.”Cosette begreep niets.„Gij hebt gelijk,” zeide zij.Ondertusschen reed het rijtuig voort.

Vierde hoofdstuk.Zwarte inkt die wit maakt.

Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem in den tuin.Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die soort.Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: „Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel.” Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazingbliksems heeft. Marius werd als door een dier bliksems verlicht.De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld in hem herleven. ’t Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; ’t was wel het bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen voor hem.Alzoo—zonderlinge gril van het toeval—kwam zich vanzelf een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd verloren te hebben.Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:„Mijnheer de baron!„Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.„Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.„Met eerbied.”De brief was onderteekend: „Thénard.”Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling allen twijfel.Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets meer te wenschen over.Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque keek door de deur.„Laat den man binnenkomen,” zei Marius.Basque diende aan:„Mijnheer Thénard.”Een man trad binnen.Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem volkomen onbekend.Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in ’t zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het binnentreden nog dieper. ’t Viel bij den eersten blik in ’t oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel woord ter opheldering noodig.In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette „de Wisselaar”; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was de costumier van het groote drama, ’t welk de schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, werd nooitbestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: „Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed.” Daarnaast stond: „oud ambassadeur,” en eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: „In een afzonderlijke doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld.” Dit alles behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig van den kapstok des wisselaars.De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:„Wat wilt gij?”De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:„’t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien.Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet.”’t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.„Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray,” zeide hij. „Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander gezet.”Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:„Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas wijn drinken!”Marius zag hoe langer hoe strenger.„Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?”Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.„Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom ’t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den voorraad en deammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te komen; ’t is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er goud.”„Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?” viel Marius hem in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging.„Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste gebracht. Ik wil ’t eens met de wilden beproeven.”„Verder?”„Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is ’s menschen doel. Goud is de magneet!”„Verder? maak een einde.”„Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig.”„Wat gaat mij dit aan?” zei Marius.De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:„Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?”Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:„Spreek duidelijk.”De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.„Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een geheim verkoopen.”„Een geheim?”„Een geheim.”„Dat mij betreft?”„Eenigszins.”„Welk geheim?”Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.„Ik begin voor niets,” zei de onbekende. „Gij zult zien, dat ik belangrijk word.”„Spreek.”„Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar.”Marius ontroerde.„In mijn huis, neen,” zeide hij.De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:„Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor niets zeggen.”„Ik luister.”„Hij heet Jean Valjean.”„Ik weet het.”„Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is.”„Spreek.”„Een voormalig galeiboef.”„Ik weet het.”„Gij weet het sedert ik de eer heb gehad ’t u te zeggen.”„Neen, ik wist het vroeger.”De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, „ik weet het”, zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, ontsnapte hij aan Marius niet. ’t Was een derzulke, die men herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; een bril verbergt niets;—zet eens een glasruit voor de hel!De onbekende hernam glimlachend:„Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van mevrouw de barones. ’t Is een buitengewoon geheim. ’t Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs.”„Ik ken dat geheim evenals de andere,” zei Marius.Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig af te slaan.„Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek.”„Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij zeggen wilt.”In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:„Ik moet vandaag toch eten. ’t Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs.”Marius zag hem strak in het gezicht:„Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken.”„Mijn naam?”„Ja.”„’t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u te schrijven en te zeggen. Thénard.”„Dier.”„Wat?”„Thénardier.”„Wie? Hoe?”In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.Marius hernam:„Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard.”„Vrouw? welke?”„En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden.”„Een kroeg! Nooit!”„En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt.”„Ik loochen het.”„En dat ge een schoft zijt. Ziedaar.”En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp ’t hem in ’t gezicht.„’k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!”En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.„Vijfhonderd francs!” hernam hij verstomd. Enhalfluidstamelde hij: „Een echt bankje!”Toen riep hij plotseling:„Nu, het zij zoo. Laten we ’t ons gemakkelijk maken.”En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.„Mijnheer de baron is onfeilbaar,” zeide hij, met een duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, „ik ben Thénardier.”En hij richtte zijn gebogen rug op.Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, ’t geen te Parijs niets zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te hebben om te verkoopen. Enwaarschijnlijk zou deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: „Uw vrouw is een onecht kind”, geen andere uitkomst hebben gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe was zijn toestand in dat, ’t welk gevoerd zou worden? Hij wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: „Ik ben Thénardier”, wachtte hij.Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg geven. ’t Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en ’t was hem alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. ’t Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.Thénardier had het „echte bankbriefje” in zijn zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.Marius verbrak de stilte.„Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het geheim zegge, ’t welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, den heer Madeleine. Eenmoordenaar, wijl hij den politieagent Javert heeft vermoord.”„Ik begrijp u niet, mijnheer de baron,” zei Thénardier.„Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier Laffitte—ik heb dit van den kassier zelven vernomen—door middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig.”Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:„Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg.”En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting veelbeteekenend te rammelen.„Wat!” hernam Marius, „spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten.”„’t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood.”„Dat is sterk! Hoe weet ge dit?”„Om twee redenen.”„Welke? Spreek.”„De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is.”„Wat vertelt ge mij toch?”„De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die Javert heeft gedood, Javert zelf is.”„Wat bedoelt ge?”„Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd.”„Bewijs! bewijs!” riep Marius buiten zich zelven.Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud Alexandrijnsch vers opzeide:„De politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden.”„Maar bewijs dit!”Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te worden.„Ik heb mijn aktestukken,” zeide hij bedaard.En hij voegde er bij:„In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad dan Javert, en ’t geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte bewijzen.”Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, scheen veel ouder dan het andere.„Twee feiten, twee bewijzen,” zei Thénardier en reikte Marius de twee opengeslagen bladen.De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer vanle Drapeau blancvan 25 Juli 1823, van ’t welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, eenMoniteurvan 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd te schieten.Marius las. ’t Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers gezegde te bevestigen: het in denMoniteurgeplaatste bericht was door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:„Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder van Javert! hij is een held, een heilige!”„Hij is noch een heilige noch een held,” zei Thénardier. „Hij is een moordenaar en dief.”En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij gezag begon te verkrijgen: „Laat ons bedaard zijn!”Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.„Nog?” zeide hij.„Altijd,” hernam Thénardier. „Jean Valjean heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar is toch een moordenaar.”„Wilt ge,” hernam Marius, „van dien ellendigen diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?”„Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en al onbekend. ’t Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, dit is inderdaad niet dom.”„Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden,” merkte Marius aan, „maar ga voort.”„Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te uwen gunste; de berekeningis zeer schrander; maar hij bezit nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, veroorloof mij een stoel te nemen.”Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de nagels op deDrapeau blancsloeg: „’t heeft mij moeite gekost dit te krijgen.” Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van ’t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:„Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug der Invaliden en de brug van Jena.”Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:„Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni was; ’t kon acht uren ’s avonds zijn. De man hoorde gerucht in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. ’t Was ’t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij ’t schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, ’t geen de moordenaarniet wilde. Hij torste zijn last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost hebben, want ’t is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij ’t er levend heeft afgebracht.”Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:„Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot den verblijfhouder: „Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij.” Deze galeiboef was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en geheel door bloed misvormd was. Onder ’t gesprek vond hij middel om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, ’t was een bewijsstuk; een middel om weder op ’t spoor der zaak te komen en den schuldige van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok...”Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.Ondertusschen voer Thénardier voort:„Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had.”„Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!” riep Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs gevulde vuist op ’t gezicht.„Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; ge wildet hem in ’t verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l’Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, enzelfsverder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt.”En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.„Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u.”„Waterloo!” mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.„Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered....”„Van een generaal,” zei Thénardier het hoofd opheffend.„Van een kolonel!” hernam Marius driftig. „Ik zou geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! ’t Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend francs.Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal ’t oog houden over uwvertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!”„Mijnheer de baron,” antwoordde Thénardier tot den grond buigend, „eeuwige dankbaarheid.”Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en ’t zou hem zeer gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door Marius’ bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar Cosette nog wandelde:„Cosette! Cosette!” riep hij „kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!”Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij omhelsde Cosette, zeggende: „Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!”Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar ’t was iets grootsch.In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.„Koetsier,” zeide hij, „naar de straat de l’Homme-Armé No. 7.”Het rijtuig vertrok.„Ha! welk een geluk!” riep Cosette, „naar de straat del’Homme-Armé. Ik durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken.”„Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar zijn. Ja, zoo zal ’t geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt ’t nu.”Cosette begreep niets.„Gij hebt gelijk,” zeide zij.Ondertusschen reed het rijtuig voort.

Dienzelfden dag, of liever gezegd, dienzelfden avond, had Basque aan Marius, toen hij van tafel was opgestaan en zich naar zijn schrijfkabinet begaf, om er te werken, een brief ter hand gesteld en gezegd: de persoon, die den brief geschreven heeft, is in de voorkamer.

Cosette had den arm van den grootvader genomen en wandelde met hem in den tuin.

Een brief kan, evenals een mensch, een slecht voorkomen hebben. Van grof papier en slordig dichtgevouwen, mishagen sommige brieven op het eerste gezicht. De brief, dien Basque had gebracht, behoorde tot die soort.

Marius nam hem. Hij rook naar tabak. Niets wekt beter een herinnering dan een geur. Marius herkende dien tabak. Hij bezag het opschrift: „Aan mijnheer, mijnheer den baron Pommerci. In zijn hôtel.” Na den tabak herkend te hebben, herkende hij het schrift. Men zou kunnen zeggen, dat de verbazingbliksems heeft. Marius werd als door een dier bliksems verlicht.

De reuk, dit geheimzinnig herinneringsmiddel, deed een geheele wereld in hem herleven. ’t Was wel hetzelfde papier, dezelfde wijze van toevouwing, dezelfde bleeke inkt; ’t was wel het bekende schrift, bovenal was het de tabak. Het verblijf van Jondrette verscheen voor hem.

Alzoo—zonderlinge gril van het toeval—kwam zich vanzelf een der beide sporen aanbieden, die hij zoo lang gezocht had, voor welke hij onlangs nog zoovele pogingen had gedaan, en die hij meende voor altijd verloren te hebben.

Nieuwsgierig brak hij den brief open en las:

„Mijnheer de baron!„Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.„Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.„Met eerbied.”

„Mijnheer de baron!

„Indien het Opperwezen mij het talent er voor gegeven had, zou ik de baron Thénard kunnen geweest zijn, lid van het instituut (academie der wetenschappen), maar ik ben het niet. Ik draag slechts denzelfden naam als hij; en ik acht mij gelukkig zoo deze herinnering mij aan uw uitstekende goedheid aanbeveelt. De weldaad, waarmede gij mij zult vereeren, zal wederkeerig zijn. Ik ben in het bezit van een geheim, iemand betreffende. Die persoon gaat u aan. Ik houd het geheim te uwer beschikking, wenschende de eer te hebben u nuttig te zijn. Ik zal u het eenvoudig middel aan de hand doen, om uit uw zeer geachte familie dat individu weg te jagen, dat er geen recht toe heeft, wijl mevrouw de barones van hooge geboorte is. Het toonbeeld der deugd mag niet langer met de misdaad samenwonen, zonder zich zelf te schaden.

„Ik wacht in uw voorkamer de bevelen van mijnheer den baron.

„Met eerbied.”

De brief was onderteekend: „Thénard.”

Deze handteekening was niet valsch. Zij was slechts een weinig verkort.

Overigens benamen de hoogdravende stijl en de foutieve spelling allen twijfel.

Marius was diep getroffen. Na een gewaarwording van verrassing, gevoelde hij een opwelling van vreugd. Vond hij nu den anderen man, dien hij zocht, dengene die hem, Marius, had gered; dan bleef hem niets meer te wenschen over.

Hij opende een lade van zijn secretaire, nam er eenige bankbriefjes uit, stak ze in zijn zak, sloot de secretaire weder en schelde. Basque keek door de deur.

„Laat den man binnenkomen,” zei Marius.

Basque diende aan:

„Mijnheer Thénard.”

Een man trad binnen.

Nieuwe verrassing voor Marius. De man, die binnentrad, was hem volkomen onbekend.

Deze, overigens oude man, had een dikken neus, de kin in de das, een groene bril met groenzijden kleppen voor de oogen, glad, plat, sluik neerhangend haar, gelijk de koetsierspruik van den engelschen hoogen adel. Zijn haar was grijs. Van top tot teen was hij in ’t zwart gekleed, dat wel kaal, maar zindelijk was; een ketting met zware cachetten, die uit zijn horlogezak te voorschijn kwam, deed er een horloge in vermoeden. In zijn hand hield hij een ouden hoed. Hij ging gebogen, en de kromming van zijn rug maakte zijn buiging bij het binnentreden nog dieper. ’t Viel bij den eersten blik in ’t oog, dat de rok van dit personage, hoewel zorgvuldig dichtgeknoopt, hem veel te wijd was en niet voor hem gemaakt scheen. Hier is een enkel woord ter opheldering noodig.

In dien tijd woonde te Parijs in een oud krot in de straat Beautreillis, bij het Arsenaal, een schrandere jood, die het beroep uitoefende, een schurk in een eerlijk man te herscheppen. Niet voor langen tijd, want dit had voor den schurk gevaarlijk kunnen worden. De verandering ontstond plotseling, voor een paar dagen, tegen dertig sous per dag, door middel van een costuum, dat zooveel mogelijk de eerlijkheid voor iedereen geleek. Deze costumen-verhuurder heette „de Wisselaar”; de Parijsche gauwdieven hadden hem dien naam gegeven en kenden hem onder geen anderen. Zijn verzameling kleedingstukken was tamelijk volledig. De vodden, waarmede hij de lieden opschikte, waren genoegzaam draagbaar. Hij had specialiteiten en categorieën; aan iederen spijker van zijn magazijn hing, versleten en opgelapt, een maatschappelijke stand; hier de rok van een gerechtspersoon, daar die van een pastoor, ginds de rok van een bankier, in een hoek de uniform van een gepensionneerd militair, elders de rok van den geletterde, iets verder de rok van den staatsman. Dit wezen was de costumier van het groote drama, ’t welk de schelmerij te Parijs speelt. Zijn krot was de coulisse, waaruit de diefstal ging en de afzetting binnentrad. Een havelooze schurk kwam in dat kleerenmagazijn, gaf dertig sous en koos, voor de rol, welke hij dien dag wilde spelen, de kleeding die hem voegde; en de trap afgaande, had de schurk het voorkomen van een eerlijk man. Den volgenden dag werd de kleeding trouw teruggebracht, en de wisselaar, die alles aan de dieven toevertrouwde, werd nooitbestolen. Maar deze kleedingstukken hadden een ongerief, zij pasten niet altijd, wijl zij niet voor hen waren gemaakt, die ze droegen. Zij waren voor den een te nauw, voor den ander te wijd, en pasten eigenlijk niemand juist. Iedere gauwdief, die kleiner of grooter dan de middelbare lengte was, vond zich in de costumes van den wisselaar niet op zijn gemak. Men moest noch te dik noch te dun zijn. De wisselaar had slechts op gewone menschen gerekend. Hij had de maat genomen op den eersten den besten schurk, die noch te dik noch te dun, noch te groot noch te klein was. Vandaar dat de klanten van den wisselaar moeite hadden iets van pas te vinden, en zij zich moesten behelpen zoo goed zij konden. Des te erger voor de uitzonderingen. De kleeding van den staatsman, bij voorbeeld, van top tot teen zwart en dus deftig, zou te wijd voor Pitt en te nauw voor Castelcicala zijn geweest. De kleeding van den staatsman was volgenderwijs in den catalogus van den wisselaar aangeduid; wij copieeren: „Een zwartlakensche rok, een pantalon van zwart cuir de laine, een zijden vest, laarzen en linnengoed.” Daarnaast stond: „oud ambassadeur,” en eene noot, welke wij insgelijks overschrijven: „In een afzonderlijke doos, een net gekrulde pruik, groene bril, horlogeketting en twee kleine penneschachten, een duim lang, met katoen omwikkeld.” Dit alles behoorde tot den staatsman, oud-ambassadeur. Dit geheele costuum was om zoo te zeggen afgedragen; de naden waren wit, een klein gaatje was aan een der ellebogen zichtbaar; bovendien ontbrak aan den rok een knoop op de borst; maar dit was slechts een kleinigheid; daar een staatsman zijn hand steeds in den rok en aan het hart moet houden, kon hij op die wijze den ontbrekenden knoop verbergen.

Indien Marius bekend was geweest met de verborgen instellingen van Parijs, zou hij dadelijk op den rug van den bezoeker, dien Basque binnen had geleid, den rok van den staatsman hebben herkend, afkomstig van den kapstok des wisselaars.

De teleurstelling van Marius, toen hij een ander zag dan dien hij verwachtte, veranderde in een soort van onwil voor den aangekomene. Hij beschouwde hem van het hoofd tot de voeten, terwijl die persoon zich onmatig diep bewoog, en vroeg hem kortaf:

„Wat wilt gij?”

De man antwoordde met een liefelijken grijns, waarvan de vleiende glimlach van een krokodil een denkbeeld had kunnen geven:

„’t Komt mij onmogelijk voor, dat ik niet reeds de eer zou gehad hebben mijnheer den baron in de groote wereld te zien.Ik meen zeker hem voor eenige jaren dikwijls bij mevrouw de prinses Bagration en in de salons van mijnheer den vicomte Dambray, Pair van Frankrijk, te hebben ontmoet.”

’t Is altijd een goede tactiek in de schelmerij, den schijn aan te nemen van iemand te herkennen, dien men niet kent.

Marius lette nauwkeurig op de woorden van den man. Hij bespiedde zijn tongval en zijn gebaren; maar zijn teleurstelling nam toe; hij sprak door den neus, geheel verschillend van de scherpe en ruwe stem, welke hij verwacht had. Hij was geheel uit het veld geslagen.

„Ik ken noch mevrouw Bagration noch mijnheer Dambray,” zeide hij. „Ik heb van mijn leven geen voet noch bij de eene noch bij den ander gezet.”

Het antwoord was norsch. Het personage hernam desniettemin beleefd:

„Dan zal het bij Chateaubriand zijn geweest, dat ik mijnheer gezien heb. Ik ben zeer bekend met Chateaubriand. Hij is heel minzaam. Hij zegt mij dikwijls: Thénard, mijn vriend,... laat ons samen een glas wijn drinken!”

Marius zag hoe langer hoe strenger.

„Ik heb nooit de eer gehad bij den heer Chateaubriand te zijn. Zeg zonder omwegen wat uw begeerte is?”

Voor deze nog barscher stem boog de man dieper.

„Mijnheer de baron, verwaardig u mij aan te hooren. In Amerika, in een land aan de kust van Panama, is een dorp la Joya genoemd. Dat dorp bestaat uit een enkel huis. Een groot vierkant huis, drie verdiepingen hoog, van in de zon gebakken steen; iedere zijde van het vierkant is vijfhonderd voet lang, iedere verdieping loopt twaalf voet in, zoodat iedere verdieping een terras van twaalf voet breed rondom ’t geheele gebouw heeft; in het midden is een binnenplaats voor den voorraad en deammunitie; er zijn geen vensters, geen schietgaten, geen deur, maar ladders, ladders om van de straat naar het eerste terras te stijgen, en van het eerste naar het tweede, en van het tweede naar het derde; ladders om op de binnenplaats af te klimmen, geen deuren aan de kamers; geen trappen naar de kamers; maar ladders; des avonds sluit men de valluiken; men trekt de ladders in, men stelt donderbussen en buksen in de schietgaten; geen middel om binnen te komen; ’t is des daags een huis, des nachts een citadel; achthonderd inwoners; ziedaar het dorp. Waarom zoo veel voorzorg? Omdat het een gevaarlijk land is, vol menscheneters. Waarom gaat men daarheen? Omdat het een wonderbaar land is; men vindt er goud.”

„Waar wilt ge eigenlijk op neerkomen?” viel Marius hem in de rede, wiens teleurstelling tot ongeduld overging.

„Hierop, mijnheer de baron. Ik ben een oud diplomaat, wien deze betrekking verveelt. De oude beschaving heeft mij tot het uiterste gebracht. Ik wil ’t eens met de wilden beproeven.”

„Verder?”

„Mijnheer de baron, de zelfzucht beheerscht de wereld. De arme boerin, die als dagloonster werkt, keert zich om als de diligence voorbijrijdt; de boerin-landbezitster, die op haar veld werkt, keert zich niet om. De hond van den arme blaft tegen den rijke, de hond van den rijke blaft tegen den arme. Ieder voor zich. Eigenbelang is ’s menschen doel. Goud is de magneet!”

„Verder? maak een einde.”

„Ik zou mij te la Joya willen vestigen. Wij zijn met ons drieën. Ik heb mijn echtgenoot en mijn dochter; een zeer schoon meisje. De reis is lang en kostbaar. Ik heb een weinig geld noodig.”

„Wat gaat mij dit aan?” zei Marius.

De onbekende stak de kin uit zijn das, een eigenaardige beweging van den gier, en hernam met verdubbelden glimlach:

„Mijnheer de baron heeft dus mijn brief niet gelezen?”

Dat was eenigszins waarheid. De inhoud van den brief was op Marius afgegleden. Hij had meer het geschrift gezien dan den brief gelezen. Hij herinnerde zich den inhoud nauwelijks. Sedert een oogenblik was hij door een nieuwen wenk oplettend geworden. Hij had deze woorden opgemerkt: mijn echtgenoot en mijn dochter. Hij sloeg een vorschenden blik op den onbekende. Een rechter van instructie zou niet scherper gezien hebben. Hij bespiedde hem schier. Hij antwoordde enkel:

„Spreek duidelijk.”

De onbekende stak zijn beide handen in zijn broekzakken, richtte het hoofd op, zonder zijn ruggestreng recht te buigen, maar op zijn beurt Marius met den groenen blik van zijn bril bespiedende.

„Goed, mijnheer de baron, ik zal duidelijk spreken. Ik wil u een geheim verkoopen.”

„Een geheim?”

„Een geheim.”

„Dat mij betreft?”

„Eenigszins.”

„Welk geheim?”

Terwijl hij luisterde, nam Marius den man meer en meer op.

„Ik begin voor niets,” zei de onbekende. „Gij zult zien, dat ik belangrijk word.”

„Spreek.”

„Mijnheer de baron, ge hebt in uw huis een dief en moordenaar.”

Marius ontroerde.

„In mijn huis, neen,” zeide hij.

De onbekende wreef bedaard zijn hoed met den elleboog en hernam:

„Moordenaar en dief. Wees zoo goed op te merken, mijnheer de baron, dat ik hier niet van lang geleden, vergeten zaken spreek, die door verjaring voor de wet en door berouw voor God uitgewischt kunnen zijn. Ik spreek van nieuwe zaken, van onlangs gebeurde zaken, van zaken waarmede de justitie tot hiertoe nog niet bekend is. Ik ga verder. Deze man heeft zich in uw vertrouwen, schier in uw familie gedrongen onder een valschen naam. Ik zal u zijn waren naam zeggen. Ik zal hem u voor niets zeggen.”

„Ik luister.”

„Hij heet Jean Valjean.”

„Ik weet het.”

„Ik zal u, eveneens voor niets, zeggen, wat hij is.”

„Spreek.”

„Een voormalig galeiboef.”

„Ik weet het.”

„Gij weet het sedert ik de eer heb gehad ’t u te zeggen.”

„Neen, ik wist het vroeger.”

De koele toon van Marius, dit dubbel antwoord, „ik weet het”, zijn kortheid, die het gesprek belemmerde, wekte bij den onbekende een verborgen toorn. Hij sloeg van ter zijde op Marius een woedenden blik, die echter dadelijk was verdoofd. Hoe snel deze blik was, ontsnapte hij aan Marius niet. ’t Was een derzulke, die men herkent wanneer men ze eenmaal gezien heeft. Zekere vlammen kunnen slechts in zekere zielen ontstaan; het oog, dat venster der ziel, brandt er door; een bril verbergt niets;—zet eens een glasruit voor de hel!

De onbekende hernam glimlachend:

„Ik veroorloof mij niet, mijnheer den baron tegen te spreken. In allen geval moet ge zien, dat ik goed onderricht ben. Wat ik u nu heb mede te deelen, is alleen aan mij bekend. Het betreft het fortuin van mevrouw de barones. ’t Is een buitengewoon geheim. ’t Is te koop. Ik bied het u in de eerste plaats aan. Goedkoop. Twintig duizend francs.”

„Ik ken dat geheim evenals de andere,” zei Marius.

Het personage gevoelde de noodzakelijkheid om zijn prijs een weinig af te slaan.

„Mijnheer de baron, zeg tien duizend francs en ik spreek.”

„Ik herhaal, dat ge mij niets kunt berichten. Ik weet al wat ge mij zeggen wilt.”

In het oog van den man scheen een nieuwe vlam. Hij riep:

„Ik moet vandaag toch eten. ’t Is een buitengewoon geheim, zeg ik u. Ik zal spreken, mijnheer de baron. Ik spreek. Geef mij twintig francs.”

Marius zag hem strak in het gezicht:

„Ik ken uw buitengewoon geheim, evengoed als ik den naam van Jean Valjean kende, evengoed als ik uw naam ken.”

„Mijn naam?”

„Ja.”

„’t Is niet moeilijk, mijnheer de baron. Ik heb de eer gehad hem u te schrijven en te zeggen. Thénard.”

„Dier.”

„Wat?”

„Thénardier.”

„Wie? Hoe?”

In het gevaar verheft het stekelvarken zijn pennen, de kever houdt zich dood, de oude garde vormt zich in carré; deze man lachte.

Vervolgens knipte hij een stofje van de mouw van zijn rok.

Marius hernam:

„Ge zijt ook de arbeider Jondrette, de comediant Fabantou, de dichter Genflot, de Spanjaard don Alvarès, en vrouw Balizard.”

„Vrouw? welke?”

„En ge hebt te Montfermeil een kroeg gehouden.”

„Een kroeg! Nooit!”

„En ik zeg u, dat ge Thénardier zijt.”

„Ik loochen het.”

„En dat ge een schoft zijt. Ziedaar.”

En Marius nam uit zijn zak een bankbriefje en wierp ’t hem in ’t gezicht.

„’k Dank u! Vergeef mij! Vijfhonderd francs! mijnheer de baron!”

En verward buigende, greep de man het biljet en beschouwde het.

„Vijfhonderd francs!” hernam hij verstomd. Enhalfluidstamelde hij: „Een echt bankje!”

Toen riep hij plotseling:

„Nu, het zij zoo. Laten we ’t ons gemakkelijk maken.”

En met apengezwindheid zijn haar achteruit werpend, zijn bril afrukkend, de beide penneschachten uit zijn neus halend, van welke we straks en reeds vroeger gesproken hebben, en ze wegmoffelend, nam hij zijn gezicht af, gelijk men zijn hoed afneemt.

Zijn oogen vlamden; zijn gerimpeld, hobbelig, leelijk voorhoofd streek zich glad, zijn neus werd weder scherp als een snavel; het wreed en sluw profiel van den roofmensch kwam weder te voorschijn.

„Mijnheer de baron is onfeilbaar,” zeide hij, met een duidelijke stem, waaruit alle neusklank was verdwenen, „ik ben Thénardier.”

En hij richtte zijn gebogen rug op.

Thénardier, want hij was het werkelijk, was zonderling verrast; hij zou verward zijn geweest, zoo dit bij hem mogelijk ware. Hij had verbazing willen veroorzaken en werd zelf verbaasd. Voor deze deemoediging werd hem vijfhonderd francs betaald, en, alles wel beschouwd, nam hij ze aan; maar desniettemin was hij zeer verstomd.

Voor den eersten keer zag hij dezen baron Pontmercy, en in weerwil van zijn vermomming, herkende deze baron Pontmercy hem in den grond. Niet alleen wist deze baron alles van Thénardier, maar hij scheen ook alles van Jean Valjean te weten. Wie was deze schier baardelooze jonge man, die zoo koel, zoo edelmoedig was, die den naam der lieden, al hun namen, kende en voor hen zijn beurs opende; die de schurken als een rechter oordeelde en hen als een bedrogene betaalde?

Men herinnere zich, dat Thénardier, hoewel naast Marius gewoond hebbende, dezen nooit gezien had, ’t geen te Parijs niets zeldzaams is; vroeger had hij terloops zijn dochters hooren spreken van een zeer arm jongeling, Marius genaamd, die in het huis woonde. Hij had, zonder hem te kennen, hem den bekenden brief geschreven. Volgens zijn gedachte was er volstrekt geen betrekking tusschen dien Marius en mijnheer den baron Pontmercy mogelijk. Overigens was hij door zijn dochter Azelma, welke hij ter opsporing van het bruidspaar op den 16 Februari had uitgezonden, en door zijn eigen navorschingen er in geslaagd veel te vernemen, en uit de diepte zijner duisternis was het hem gelukt meer dan één geheimzinnigen draad te vatten. Door allerlei sluwe praktijken, of ten minste door gissingen, had hij òf ontdekt òf geraden, wie de man was, dien hij op zekeren dag in het Groote Riool ontmoet had. Van den man was hij gemakkelijk tot den naam gekomen. Hij wist, dat mevrouw de barones Pontmercy Cosette was. Maar te haren aanzien wilde hij geheimhoudend zijn. Wie was Cosette? Hij wist het zelf niet juist. Hij vermoedde wel iets van onechtheid, want Fantines geschiedenis was hem altijd verdacht voorgekomen; maar waartoe diende het ervan te spreken? Om zich voor zijn geheimhouding te doen betalen? Hij had of meende iets beter te hebben om te verkoopen. Enwaarschijnlijk zou deze verklaring, zonder eenig bewijs, aan den baron Pontmercy gedaan: „Uw vrouw is een onecht kind”, geen andere uitkomst hebben gehad, dan een schop van den echtgenoot voor den berichtgever.

Volgens Thénardiers meening was de onderhandeling met Marius nog niet begonnen. Hij had zijn strategie moeten wijzigen, zijn stelling verlaten, van front veranderen; maar niets gewichtigs was nog in gevaar, en hij had vijfhonderd francs in zijn zak. Bovendien had hij iets beslissends te zeggen, en zelfs tegenover dien baron Pontmercy, die zoo goed ingelicht en zoo goed gewapend was, gevoelde hij zich sterk. Voor lieden als Thénardier is ieder gesprek een gevecht. Hoe was zijn toestand in dat, ’t welk gevoerd zou worden? Hij wist niet tot wien hij sprak, maar wel waarvan hij sprak. Schielijk nam hij heimelijk zijn wapens in oogenschouw, en na gezegd te hebben: „Ik ben Thénardier”, wachtte hij.

Marius was in gedachten gebleven. Eindelijk had hij dan Thénardier voor zich. De man, dien hij zoo vurig gewenscht had weder te vinden, was er. Eindelijk kon hij de aanbeveling van den kolonel Pontmercy gevolg geven. ’t Was voor hem een verootmoediging, dat deze held iets aan dezen schurk verschuldigd was, en dat de wisselbrief, dien zijn vader uit zijn graf op hem, Marius, had getrokken, tot heden geprotesteerd was. Ook meende hij in den zonderlingen toestand, waarin zijn geest zich ten opzichte van Thénardier bevond, dat de kolonel gewroken moest worden over het ongeluk, van door zulk een schurk gered te zijn. Hoe het ook zij, hij was tevreden. Eindelijk zou hij de schim van den kolonel van dezen schandelijken schuldeischer verlossen, en ’t was hem alsof hij de gedachtenis zijns vaders uit de gijzeling ging bevrijden.

Behalve dezen plicht rustte een andere op hem, namelijk, zoo mogelijk, de bron des fortuins van Cosette op te sporen. Daartoe scheen zich de gelegenheid aan te bieden. Misschien wist Thénardier iets. ’t Kon nuttig zijn, dien man te doorgronden. Daarmede begon hij.

Thénardier had het „echte bankbriefje” in zijn zak doen verdwijnen en aanschouwde Marius met schier teedere zachtheid.

Marius verbrak de stilte.

„Thénardier, ik heb u uw naam gezegd. Wilt ge nu, dat ik u het geheim zegge, ’t welk ge mij kwaamt mededeelen? Ook ik heb mijn inlichtingen. Ge zult zien, dat ik meer weet dan gij. Jean Valjean is, zooals ge gezegd hebt, een moordenaar en dief. Een dief, wijl hij een rijk fabrikant heeft bestolen, wiens val hij heeft veroorzaakt, den heer Madeleine. Eenmoordenaar, wijl hij den politieagent Javert heeft vermoord.”

„Ik begrijp u niet, mijnheer de baron,” zei Thénardier.

„Ik zal mij begrijpelijk maken. Luister. In een arrondissement van Pas-de-Calais was omstreeks het jaar 1822 een man, die vroeger in aanraking met de justitie was geweest, en onder den naam van Madeleine zich weer opgericht en gerehabiliteerd had. Deze man was in de volle beteekenis van het woord een deugdzaam man geworden. Met een industrie, de vervaardiging van zwart glaswerk, had hij een geheele stad tot welvaart gebracht. Ook had hij zijn eigen fortuin gemaakt, doch slechts in de tweede plaats en als toevallig. Hij was de verzorger der armen. Hij stichtte hospitalen, opende scholen, bezocht de kranken, gaf huwelijksgiften aan arme meisjes, ondersteunde de weduwen, nam weezen aan; hij was als de voogd van het oord. Hij had het ridderkruis geweigerd, men had hem tot maire benoemd. Een in vrijheid gestelde galeiboef kende het geheim van een door dien man vroeger ondergane straf; hij verklaagde hem, deed hem gevangen nemen en maakte van deze gevangenneming gebruik om naar Parijs te gaan en zich door den bankier Laffitte—ik heb dit van den kassier zelven vernomen—door middel van een valsche handteekening, een som van meer dan een half millioen, die aan den heer Madeleine behoorde, te laten uitbetalen. Deze galeiboef, die den heer Madeleine heeft bestolen, is Jean Valjean. Nopens het andere feit kunt ge mij evenmin iets nieuws mededeelen. Jean Valjean heeft den agent Javert gedood; hem met een pistoolschot gedood. Ik zelf was er bij tegenwoordig.”

Thénardier sloeg op Marius een zegevierenden blik van een geslagen man, die de hand weder op de overwinning legt en in één minuut het terrein herwint, dat hij verloren had. Maar de glimlach keerde dadelijk terug; de mindere moet tegenover den meerdere heimelijk zegevieren, en Thénardier zeide niets anders tot Marius dan:

„Mijnheer de baron, wij zijn op een verkeerden weg.”

En op deze woorden legde hij klem door aan zijn horlogeketting veelbeteekenend te rammelen.

„Wat!” hernam Marius, „spreekt ge dit tegen? Het zijn feiten.”

„’t Zijn hersenschimmen. Het vertrouwen, waarmede mijnheer de baron mij vereert, maakt het mij tot plicht, hem dit te zeggen. Bovenal waarheid en rechtvaardigheid. Ik zie niet gaarne, dat de lieden onrechtvaardig beschuldigd worden. Mijnheer de baron, Jean Valjean heeft den heer Madeleine niet bestolen, en Jean Valjean heeft Javert niet gedood.”

„Dat is sterk! Hoe weet ge dit?”

„Om twee redenen.”

„Welke? Spreek.”

„De eerste is: hij heeft den heer Madeleine niet bestolen, aangezien hij zelf, Jean Valjean, de heer Madeleine is.”

„Wat vertelt ge mij toch?”

„De tweede is: hij heeft Javert niet vermoord, aangezien hij, die Javert heeft gedood, Javert zelf is.”

„Wat bedoelt ge?”

„Dat Javert een zelfmoord heeft gepleegd.”

„Bewijs! bewijs!” riep Marius buiten zich zelven.

Thénardier hernam, op de lettergrepen drukkende, alsof hij een oud Alexandrijnsch vers opzeide:

„De politie-agent-Ja-vert-is-onder-een-schuit-bij-de-Pont-au-Change-verdronken-gevonden.”

„Maar bewijs dit!”

Thénardier nam uit zijn zak een grooten grijzen omslag, waarin papieren van verschillende grootte schenen bewaard te worden.

„Ik heb mijn aktestukken,” zeide hij bedaard.

En hij voegde er bij:

„In uw belang, mijnheer de baron, heb ik Jean Valjean grondig willen kennen. Ik zeg, dat Jean Valjean en Madeleine een en dezelfde persoon zijn; en ik zeg, dat Javert geen anderen moordenaar heeft gehad dan Javert, en ’t geen ik zeg zal ik bewijzen. Geen schriftelijke bewijzen, het geschrevene is verdacht, de pen is beleefd; maar gedrukte bewijzen.”

Dus sprekende nam Thénardier uit den omslag twee nummers van geel geworden, gehavende en sterk naar tabak riekende dagbladen. Het eene dezer bladen, versleten op de vouwen en in vierkante stukken vallende, scheen veel ouder dan het andere.

„Twee feiten, twee bewijzen,” zei Thénardier en reikte Marius de twee opengeslagen bladen.

De lezer kent deze twee dagbladen. Het eene, het oudste, een nummer vanle Drapeau blancvan 25 Juli 1823, van ’t welk men in het derde deel van dit werk den tekst heeft gezien, bevestigde de identiteit van den heer Madeleine en Jean Valjean. Het andere, eenMoniteurvan 15 juni 1832, bewees den zelfmoord van Javert, met de bijvoeging, dat het uit een mondeling rapport van Javert aan den prefect van politie bleek, dat, toen hij in de barricade van de Chanvreriestraat gevangen was genomen, hij aan de edelmoedigheid van een opstandeling het leven te danken had gehad, daar deze, toen hij hem onder zijn pistool had, het in de lucht afschoot, in plaats van er hem mede door het hoofd te schieten.

Marius las. ’t Was iets stelligs, een bepaalde datum, een onwraakbaar bewijs; beide dagbladen waren niet opzettelijk gedrukt om Thénardiers gezegde te bevestigen: het in denMoniteurgeplaatste bericht was door de prefectuur van politie officiëel medegedeeld. Marius kon niet twijfelen. De mededeelingen van den kassiers-klerk waren valsch, en deze had zich zelf vergist. Jean Valjean, eensklaps groot geworden, scheen als uit een wolk te komen. Marius kon een vreugdekreet niet bedwingen:

„Welnu, dan is deze ongelukkige een bewonderenswaardig mensch! dat geheele vermogen behoorde hem werkelijk! hij is Madeleine, de voorzienigheid van een geheel gewest! hij is Jean Valjean, de redder van Javert! hij is een held, een heilige!”

„Hij is noch een heilige noch een held,” zei Thénardier. „Hij is een moordenaar en dief.”

En hij voegde er bij, op den toon van iemand, die gevoelt, dat hij gezag begon te verkrijgen: „Laat ons bedaard zijn!”

Dief, moordenaar, deze woorden, welke Marius meende dat verdwenen waren en nu terugkwamen, vielen als een stortbad van ijs op hem.

„Nog?” zeide hij.

„Altijd,” hernam Thénardier. „Jean Valjean heeft Madeleine niet bestolen, maar is toch een dief. Hij heeft Javert niet gedood, maar is toch een moordenaar.”

„Wilt ge,” hernam Marius, „van dien ellendigen diefstal, van voor veertig jaren spreken, die, zooals uit uw dagbladen zelve blijkt, door een geheel leven van berouw, zelfverloochening en deugd geboet werd?”

„Ik zeg moord en diefstal, mijnheer de baron. En ik herhaal, dat ik van werkelijke feiten spreek. Wat ik u te openbaren heb, is geheel en al onbekend. ’t Is niet gedrukt. En daar zult gij misschien de bron in vinden van het fortuin, dat Jean Valjean zoo behendig aan mevrouw de barones heeft geschonken. Ik zeg behendig, want door een dergelijke gift in een achtenswaardig huis te sluipen, welks welvaart men zal deelen, terwijl men tegelijkertijd zijn misdaad verbergt, genot van zijn diefstal heeft, zijn naam begraaft en zich een familie schept, dit is inderdaad niet dom.”

„Ik zou u hierop iets kunnen antwoorden,” merkte Marius aan, „maar ga voort.”

„Mijnheer de baron, ik zal alles zeggen en de belooning aan uw edelmoedigheid overlaten. Dit geheim is goud waard. Ge zult tot mij zeggen: Waarom hebt ge u niet tot Jean Valjean gewend? Om een zeer eenvoudige reden: ik weet, dat hij het geld heeft afgestaan, en wel te uwen gunste; de berekeningis zeer schrander; maar hij bezit nu geen centime meer, hij zou mij zijn ledige handen toonen, en wijl ik eenig geld behoef voor mijn reis naar Joya, geef ik u, die alles bezit, de voorkeur boven hem, die niets bezit. Ik ben eenigszins vermoeid, veroorloof mij een stoel te nemen.”

Marius zette zich en wenkte hem plaats te nemen.

Thénardier ging op een kussenstoel zitten, nam de beide dagbladen, stak ze weder in den omslag, en mompelde, terwijl hij met de nagels op deDrapeau blancsloeg: „’t heeft mij moeite gekost dit te krijgen.” Toen sloeg hij de beenen over elkander en leunde met den rug in den armstoel, welke houding te kennen geeft, dat men zeker is van ’t geen men zegt; vervolgens ging hij tot de zaak over, ernstig en op zijn woorden drukkende:

„Mijnheer de baron, den 6 Juni 1832, thans bijna een jaar geleden, op den dag van het oproer, was een man in het Groote Riool van Parijs, ter plaatse waar dat riool in de Seine uitloopt, tusschen de brug der Invaliden en de brug van Jena.”

Marius schoof eensklaps zijn stoel dicht bij dien van Thénardier. Thénardier merkte deze beweging op, en sprak voort met de langzaamheid van een redenaar, die zijn hoorder boeit, en de hartklopping van zijn tegenstander onder zijn woorden voelt:

„Deze man, die gedwongen was zich te verbergen, om redenen, die overigens aan de politiek vreemd zijn, had het riool tot verblijf gekozen en bezat er een sleutel van. Ik herhaal, dat het op den 6 Juni was; ’t kon acht uren ’s avonds zijn. De man hoorde gerucht in het riool. Hoogst verwonderd drong hij zich in een hoek en loerde. ’t Was ’t gerucht van voetstappen, men ging in de duisternis, en men kwam naar zijn kant. Een vreemd verschijnsel, dat in het riool nog een ander man was dan hij. Het uitgangshek van het riool was niet ver. Een weinig licht, dat er door viel, veroorloofde hem den nieuw gekomene te herkennen en te zien, dat die man iets op den rug droeg. Hij ging gebukt. De man, die gebukt ging, was een oude galeiboef, en wat hij op den rug droeg was een lijk. Kan er een tastbaarder bewijs van moord zijn dan dit. Wat den diefstal betreft, dit spreekt vanzelf, men vermoordt niet iemand voor niets. Deze galeiboef ging het lijk in de rivier werpen. Het verdient opmerking, dat deze galeiboef, vóór hij aan het uitgangshek kwam, reeds zeer verre door het riool was gegaan, en noodwendig een schrikkelijken modderpoel had ontmoet, waar hij het lijk had kunnen achterlaten; doch dan zouden de rioolruimers bij ’t schoonmaken den volgenden dag terstond den vermoorden man hebben gevonden, ’t geen de moordenaarniet wilde. Hij torste zijn last liever door den modderpoel heen, en dit moet hem vreeselijke inspanning gekost hebben, want ’t is onmogelijk grooter levensgevaar te trotseeren; ik begrijp niet, hoe hij ’t er levend heeft afgebracht.”

Marius schoof zijn stoel nog dichter bij. Thénardier maakte er gebruik van om in den adem te schieten. Daarna voer hij voort:

„Mijnheer de baron, een riool is niet het veld van Mars. Alles ontbreekt er, zelfs ruimte. Wanneer er twee menschen in zijn, moeten zij elkander ontmoeten. Dit gebeurde. De verblijfhouder en de doorganger waren gedwongen elkander goedendag te zeggen, tot groot leedwezen zoowel van den een als van den ander. De doorganger zei tot den verblijfhouder: „Gij ziet, wat ik op mijn rug heb; ik moet hieruit gaan, gij hebt den sleutel, geef hem mij.” Deze galeiboef was een vreeselijk sterk man; men durfde hem niets weigeren. Evenwel onderhandelde de eigenaar van den sleutel een wijl, eeniglijk om tijd te winnen. Hij beschouwde den doode, maar kon niets anders zien dan dat hij jong en goed gekleed was, het voorkomen van een rijk man had en geheel door bloed misvormd was. Onder ’t gesprek vond hij middel om een stuk van den rok des vermoorden af te scheuren, zonder dat de moordenaar dat bemerkte. Gij begrijpt, ’t was een bewijsstuk; een middel om weder op ’t spoor der zaak te komen en den schuldige van de misdaad te overtuigen. Hij stak het bewijsstuk in zijn zak, waarna hij het hek opende, den man met zijn last op den rug liet uitgaan, het hek weder sloot en zich uit de voeten maakte, daar hij volstrekt geen lust had verder in het avontuur gemengd te worden, en vooral er niet bij tegenwoordig wilde zijn, wanneer de moordenaar den vermoorde in het water wierp. Gij begrijpt dit licht? Degeen nu, die het lijk droeg, was Jean Valjean; degeen die den sleutel had, spreekt op dit oogenblik tot u, en het stuk van den rok...”

Thénardier voleindde zijn zin met uit zijn zak een stuk zwart laken te halen, dat gescheurd en met leelijke vlekken bedekt was; hij hield het tusschen zijn duimen en wijsvingers voor zijn oogen.

Marius, bleek, nauwelijks ademend, met het oog op het stuk zwart laken gericht, was opgestaan, en zonder een woord te spreken, zonder zijn blik van die lap te wenden, trad hij achteruit naar den muur, en zijn rechterhand achter zich uitstekende, zocht hij tastend naar den sleutel, die in het slot van een wandkast bij den schoorsteen stak. Hij vond dien sleutel, opende de kast, en zonder er naar te zien, zonder dat zijn verbaasd oog zich van de lap wendde, die Thénardier hem voorhield, stak hij zijn arm in de kast.

Ondertusschen voer Thénardier voort:

„Mijnheer de baron, ik heb de grootste redenen om te gelooven dat de vermoorde jonge man een rijke vreemdeling was, dien Jean Valjean in een valstrik had gelokt, en dat hij een aanzienlijke som bij zich had.”

„Deze jonge man was ik, en ziehier den rok!” riep Marius, terwijl hij een ouden zwarten, geheel bebloeden rok op den grond wierp.

Daarop rukte hij de lap uit Thénardiers handen, knielde bij den rok, en hield de afgescheurde lap bij het pand van den rok, waar het ontbrak. De lap paste volkomen en bracht den rok weder in zijn geheel.

Thénardier was als versteend. Hij dacht: ik ben er in geloopen.

Bevend, buiten zich zelven, met gloeiende oogen richtte Marius zich op. Hij tastte in zijn zak, trad woedend op Thénardier toe, en drukte hem schier zijn met bankbriefjes van vijfhonderd en duizend francs gevulde vuist op ’t gezicht.

„Ge zijt een eerlooze, ge zijt een leugenaar, een lasteraar, een schurk. Ge kwaamt dien man beschuldigen, ge hebt hem gerechtvaardigd; ge wildet hem in ’t verderf storten, en gij hebt hem verheerlijkt. Maar gij zijt een dief. Gij zijt een moordenaar! Ik heb u gezien, Thénardier Jondrette, in het vervallen huis op den boulevard de l’Hopital. Ik weet genoeg van u om u naar het bagno te zenden, enzelfsverder, zoo ik wilde. Ziedaar hebt ge duizend francs, spitsboef die ge zijt.”

En hij wierp Thénardier een bankbiljet van duizend francs toe.

„Ha! Jondrette Thénardier, lage schurk, dat u dit tot les strekke, verkooper van geheimen, zwendelaar in verborgenheden, ellendeling, die in de duisternissen wroet. Neem deze vijfhonderd francs en scheer u weg! Waterloo beschermt u.”

„Waterloo!” mompelde Thénardier, terwijl hij de vijfhonderd francs met de duizend in zijn zak stak.

„Ja, moordenaar! ge hebt er het leven van een kolonel gered....”

„Van een generaal,” zei Thénardier het hoofd opheffend.

„Van een kolonel!” hernam Marius driftig. „Ik zou geen cent voor een generaal geven. En ge kwaamt hier schandelijkheden uitvoeren! Ik zeg u, dat ge allerlei misdaden hebt gepleegd. Vertrek! verdwijn! ’t Ga u wel, dat is al wat ik u wensch. Ha! monster! Ziedaar nog drieduizend francs.Neem ze! Vertrek morgen met uw dochter naar Amerika; want uw vrouw is dood, schandelijke leugenaar. Ik zal ’t oog houden over uwvertrek, bandiet, en ik zal u alsdan nog twintigduizend francs geven. Laat u elders hangen!”

„Mijnheer de baron,” antwoordde Thénardier tot den grond buigend, „eeuwige dankbaarheid.”

Thénardier ging, niets ervan begrijpende, en verrukt over die zachte verplettering onder zakken met goud en dien schitterenden bliksem van bankbiljetten boven zijn hoofd.

Hij was verbaasd, maar tevens verheugd; en ’t zou hem zeer gespeten hebben, een afleider tegen dien bliksem te hebben.

Laat ons aanstonds met dezen man eindigen. Twee dagen na de gebeurtenissen, welke wij op dit oogenblik verhalen, vertrok hij, door Marius’ bemoeiing, naar Amerika, onder een valschen naam en voorzien van een wissel van twintigduizend francs op New-York, met zijn dochter Azelma. De zedelijke ellende van Thénardier, den mislukten burger, was onherstelbaar; hij was in Amerika dezelfde als in Europa. De aanraking van een slecht mensch is soms voldoende om een goede daad te bederven en er iets slechts uit te doen voortkomen. Met het geld van Marius werd Thénardier slavenhandelaar.

Zoodra Thénardier vertrokken was, ijlde Marius naar den tuin waar Cosette nog wandelde:

„Cosette! Cosette!” riep hij „kom, kom gauw. Laat ons gaan! Basque, een rijtuig! Cosette, kom. Ach, mijn God! Hij heeft mij het leven gered. Verliezen wij geen minuut. Doe uw shawl om!”

Cosette meende, dat hij zinneloos was geworden en gehoorzaamde.

Hij kon nauwelijks ademen en legde de hand aan zijn hart om de klopping ervan te bedwingen. Hij liep met groote stappen heen en weder, hij omhelsde Cosette, zeggende: „Ach, Cosette, ik ben een ongelukkige!”

Marius was in de uiterste verwarring. In dien Jean Valjean begon hij een edel, verheven wezen te vermoeden. Een ongehoorde groote, stille deugd, die nederig in haar grootheid was, verscheen voor hem. De galeiboef veranderde zich in een Christus. Marius werd als verblind door dit wonder. Hij wist niet juist wat hij zag, maar ’t was iets grootsch.

In een oogenblik stond een huurrijtuig voor de deur.

Marius hielp Cosette instijgen en sprong er zelf in.

„Koetsier,” zeide hij, „naar de straat de l’Homme-Armé No. 7.”

Het rijtuig vertrok.

„Ha! welk een geluk!” riep Cosette, „naar de straat del’Homme-Armé. Ik durfde er u niet meer van spreken. Wij gaan mijnheer Jean bezoeken.”

„Uw vader! Cosette, meer dan ooit uw vader. Cosette, ik begrijp het thans. Ge hebt mij gezegd, dat ge nooit den brief had ontvangen, dien ik u door Gavroche gezonden had. Hij zal in zijn handen zijn gevallen. Cosette, hij is naar de barricade gegaan om mij te redden. Wijl het een behoefte voor hem is een engel te zijn, heeft hij terloops ook nog anderen gered; hij heeft Javert gered. Hij heeft mij uit dien poel getrokken om mij aan u te geven. In dat schrikkelijk riool heeft hij mij op zijn rug gedragen. Ach! ik ben een gedrochtelijke ondankbare. Cosette, na uwe voorzienigheid te zijn geweest, is hij de mijne geworden. Verbeeld u een schrikkelijken modderpoel, waarin men honderd malen kon verdrinken, in het slijk verdrinken. Cosette, hij heeft er mij doorgeworsteld. Ik was buiten kennis; ik zag, hoorde niets, ik kon niets van mijn eigen lot bevroeden. Wij zullen hem terughalen, medenemen; hij moge willen of niet, hij zal ons niet meer verlaten. Zoo hij maar te huis is! zoo wij hem maar vinden! Mijn geheele leven zal ik hem vereeren en dankbaar zijn. Ja, zoo zal ’t geweest zijn, Cosette. Gavroche zal mijn brief hem hebben overhandigd. Alles verklaart zich. Gij begrijpt ’t nu.”

Cosette begreep niets.

„Gij hebt gelijk,” zeide zij.

Ondertusschen reed het rijtuig voort.

Vijfde hoofdstuk.Nacht, waarachter de dag is.Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.„Binnen,” riep hij zwak.De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den deurpost staan.„Cosette!” zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige blijdschap in de oogen.Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.„Vader!” zeide zij.Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:„Cosette! Zijt gij ’t, mevrouw! Zijt gij ’t. O, mijn God!”En in Cosettes armen geklemd, riep hij:„Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!”Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn gesnik te bedekken:„Mijn vader!”„En ook gij vergeeft mij!” zei Jean Valjean.Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: „Heb dank.”Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.„Dit hindert mij,” zeide zij.Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.Jean Valjean mompelde:„Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij zelven zeide: ’t Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, dat gij de trap opgingt.Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op den goeden God. De goede God zegt: „Gij verbeeldt u, dat men u zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal ’t niet gebeuren. Kom, er is daar een arm oud man, die een engel noodig heeft.” En de engel komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik was zeer ongelukkig.”Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:„Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar spreken. ’t Zal niet lang meer duren.”En Cosette zeide, hem berispend:„Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn.Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge ’t ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!”„Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft mij!” herhaalde Jean Valjean.Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, barstte hij uit:„Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij heeft mij doorallerlei doodsgevarenheen gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!”„Stil, stil!” zei Jean Valjean zacht. „Waarom van dat alles te spreken?”„Maar gij!” riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, „waarom hebt gij het niet gezegd? ’t Is ook uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. ’t Is ongehoord!”„Ik heb de waarheid gezegd,” antwoordde Jean Valjean.„Neen,” hernam Marius, „waarheid is de geheele waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?”„Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest.”„Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!” hernam Marius. „Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge morgen nog hier zijt.”„Morgen,” zei Jean Valjean, „zal ik niet hier zijn, maar ook niet bij u.”„Wat bedoelt ge?” vroeg Marius. „O, wij geven u geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten u niet los.”„Ditmaal is het ernst,” voegde Cosette er bij. „We hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken.”En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard in haar armen optillen.„In ons huis is nog altijd uw kamer,” vervolgde zij. „Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet waar, Marius? Hetprogrammais veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen.”Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op. Hij prevelde:„Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is.”„Mijn vader,” zei Cosette.Jean Valjean hernam:„’t Is waar, ’t zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. ’t Is zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den tuin roepen. Men ziet elkandervan ’s morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, ik zou haar mijn rozen doen plukken. ’t Zou bekoorlijk zijn. Maar...”Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:„’t Is jammer.”De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem door een glimlach.Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.„Mijn God,” zeide zij, „uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert u iets?”„Ik? neen,” antwoordde Jean Valjean, „ik ben zeer wèl, maar...”Hij zweeg.„Maar, wat?”„Ik zal spoedig sterven.”Cosette en Marius huiverden.„Sterven!” riep Marius.„Ja, maar dat is niets,” zei Jean Valjean.Hij haalde adem, glimlachte en hernam:„Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren.”Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een hartverscheurenden kreet.„Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge leeft, hoort ge!”Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:„O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij belet. ’t Kwam mij voor, dat ik herleefde.”„Ge zijt vol kracht en leven,” riep Marius. „Verbeeldt ge u, dat men zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!”„Ge hoort immers,” hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, „dat Marius zegt, dat ge niet zult sterven.”„Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert niet van meening; ’t is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alleverrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij.”De deur kraakte. ’t Was de dokter, die binnentrad.„Goedendag en vaarwel, dokter,” zei Jean Valjean. „Ziehier mijn arme kinderen.”Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een volledige vraag.De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.„Omdat de dingen ons onaangenaam zijn,” zei Jean Valjean, „is dit geen reden om onbillijk jegens God te wezen.”Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking mogelijk.De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het graf kan ook zijn flikkering hebben.De dokter voelde hem den pols.„Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!” mompelde hij, Cosette en Marius aanziende.En zich tot Marius’ oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:„Te laat.”Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:„’t Is niets te sterven, maar ’t is vreeselijk, niet te leven.”Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het kruisbeeld op de tafel zettende:„Ziedaar den grooten lijder!”Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen,op zijn knieën rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden:„Vader! verlaat ons niet. Is ’t mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te verliezen?”Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt een zekere rondtasting.Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.„Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!” riep Marius.„Ge zijt beiden goed,” zei Jean Valjean. „Ik zal u zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal ’t u verklaren, mijn kinderen, en juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. ’t Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij.”De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:„Wilt ge een priester?”„Ik heb er een,” antwoordde Jean Valjean.En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.’t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven tegenwoordig was.Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.Jean Valjean hernam:„Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de zoogenaamde Berlijnschejuweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs.”Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, elkander de hand gevende.Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd grooter. ’t Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. ’t Was blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.„Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, ’t is zoet zóó te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. ’t Was voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. ’t Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of hij, die ze mijgegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal ’t mij genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. ’t Is voor de armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? ’t Is echter niet langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. ’t Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel van den emmer nam? ’t Was de eerste keer, dat ik uw arm klein handje raakte. ’t Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is ’t oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit:elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, ’t is mijn schuld niet, ik verzeker ’t u, dat ik u in al deze dagen niet gezien heb; ’t verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde hoofden, dat ik er mijn handen oplegge.”Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich niet meer.Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel wachtte.

Vijfde hoofdstuk.Nacht, waarachter de dag is.

Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.„Binnen,” riep hij zwak.De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den deurpost staan.„Cosette!” zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige blijdschap in de oogen.Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.„Vader!” zeide zij.Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:„Cosette! Zijt gij ’t, mevrouw! Zijt gij ’t. O, mijn God!”En in Cosettes armen geklemd, riep hij:„Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!”Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn gesnik te bedekken:„Mijn vader!”„En ook gij vergeeft mij!” zei Jean Valjean.Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: „Heb dank.”Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.„Dit hindert mij,” zeide zij.Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.Jean Valjean mompelde:„Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij zelven zeide: ’t Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, dat gij de trap opgingt.Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op den goeden God. De goede God zegt: „Gij verbeeldt u, dat men u zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal ’t niet gebeuren. Kom, er is daar een arm oud man, die een engel noodig heeft.” En de engel komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik was zeer ongelukkig.”Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:„Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar spreken. ’t Zal niet lang meer duren.”En Cosette zeide, hem berispend:„Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn.Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge ’t ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!”„Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft mij!” herhaalde Jean Valjean.Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, barstte hij uit:„Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij heeft mij doorallerlei doodsgevarenheen gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!”„Stil, stil!” zei Jean Valjean zacht. „Waarom van dat alles te spreken?”„Maar gij!” riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, „waarom hebt gij het niet gezegd? ’t Is ook uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. ’t Is ongehoord!”„Ik heb de waarheid gezegd,” antwoordde Jean Valjean.„Neen,” hernam Marius, „waarheid is de geheele waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?”„Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest.”„Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!” hernam Marius. „Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge morgen nog hier zijt.”„Morgen,” zei Jean Valjean, „zal ik niet hier zijn, maar ook niet bij u.”„Wat bedoelt ge?” vroeg Marius. „O, wij geven u geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten u niet los.”„Ditmaal is het ernst,” voegde Cosette er bij. „We hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken.”En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard in haar armen optillen.„In ons huis is nog altijd uw kamer,” vervolgde zij. „Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet waar, Marius? Hetprogrammais veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen.”Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op. Hij prevelde:„Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is.”„Mijn vader,” zei Cosette.Jean Valjean hernam:„’t Is waar, ’t zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. ’t Is zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den tuin roepen. Men ziet elkandervan ’s morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, ik zou haar mijn rozen doen plukken. ’t Zou bekoorlijk zijn. Maar...”Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:„’t Is jammer.”De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem door een glimlach.Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.„Mijn God,” zeide zij, „uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert u iets?”„Ik? neen,” antwoordde Jean Valjean, „ik ben zeer wèl, maar...”Hij zweeg.„Maar, wat?”„Ik zal spoedig sterven.”Cosette en Marius huiverden.„Sterven!” riep Marius.„Ja, maar dat is niets,” zei Jean Valjean.Hij haalde adem, glimlachte en hernam:„Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren.”Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een hartverscheurenden kreet.„Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge leeft, hoort ge!”Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:„O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij belet. ’t Kwam mij voor, dat ik herleefde.”„Ge zijt vol kracht en leven,” riep Marius. „Verbeeldt ge u, dat men zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!”„Ge hoort immers,” hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, „dat Marius zegt, dat ge niet zult sterven.”„Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert niet van meening; ’t is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alleverrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij.”De deur kraakte. ’t Was de dokter, die binnentrad.„Goedendag en vaarwel, dokter,” zei Jean Valjean. „Ziehier mijn arme kinderen.”Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een volledige vraag.De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.„Omdat de dingen ons onaangenaam zijn,” zei Jean Valjean, „is dit geen reden om onbillijk jegens God te wezen.”Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking mogelijk.De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het graf kan ook zijn flikkering hebben.De dokter voelde hem den pols.„Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!” mompelde hij, Cosette en Marius aanziende.En zich tot Marius’ oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:„Te laat.”Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:„’t Is niets te sterven, maar ’t is vreeselijk, niet te leven.”Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het kruisbeeld op de tafel zettende:„Ziedaar den grooten lijder!”Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen,op zijn knieën rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden:„Vader! verlaat ons niet. Is ’t mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te verliezen?”Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt een zekere rondtasting.Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.„Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!” riep Marius.„Ge zijt beiden goed,” zei Jean Valjean. „Ik zal u zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal ’t u verklaren, mijn kinderen, en juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. ’t Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij.”De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:„Wilt ge een priester?”„Ik heb er een,” antwoordde Jean Valjean.En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.’t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven tegenwoordig was.Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.Jean Valjean hernam:„Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de zoogenaamde Berlijnschejuweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs.”Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, elkander de hand gevende.Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd grooter. ’t Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. ’t Was blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.„Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, ’t is zoet zóó te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. ’t Was voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. ’t Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of hij, die ze mijgegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal ’t mij genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. ’t Is voor de armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? ’t Is echter niet langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. ’t Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel van den emmer nam? ’t Was de eerste keer, dat ik uw arm klein handje raakte. ’t Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is ’t oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit:elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, ’t is mijn schuld niet, ik verzeker ’t u, dat ik u in al deze dagen niet gezien heb; ’t verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde hoofden, dat ik er mijn handen oplegge.”Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich niet meer.Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel wachtte.

Toen Jean Valjean aan zijn deur hoorde kloppen, wendde hij zich om.

„Binnen,” riep hij zwak.

De deur opende zich. Cosette en Marius verschenen.

Cosette vloog de kamer binnen. Marius bleef op den drempel tegen den deurpost staan.

„Cosette!” zei Jean Valjean, en hij richtte zich in zijn stoel op, met open, bevende armen, verwilderd, bleek, akelig, en met een oneindige blijdschap in de oogen.

Cosette, van aandoening stikkend, zonk aan de borst van Jean Valjean.

„Vader!” zeide zij.

Geheel ontroerd stamelde Jean Valjean:

„Cosette! Zijt gij ’t, mevrouw! Zijt gij ’t. O, mijn God!”

En in Cosettes armen geklemd, riep hij:

„Gij! gij zijt hier! gij vergeeft mij dus!”

Marius, die de oogleden sloot, om niet te weenen, naderde een schrede en mompelde tusschen zijn krampachtig saamgedrukte lippen om zijn gesnik te bedekken:

„Mijn vader!”

„En ook gij vergeeft mij!” zei Jean Valjean.

Marius kon geen woorden vinden en Jean Valjean voegde er bij: „Heb dank.”

Cosette sloeg haar shawl af en wierp haar hoed op het bed.

„Dit hindert mij,” zeide zij.

Toen zette zij zich op de knieën van den grijsaard, streek met een bekoorlijke beweging zijn wit haar weg en kuste zijn voorhoofd.

Ontroerd liet Jean Valjean alles geschieden.

Cosette, die slechts onduidelijk begreep, verdubbelde haar liefkoozen, alsof zij de schuld van Marius wilde voldoen.

Jean Valjean mompelde:

„Hoe dom is men! Ik dacht dat ik haar niet weer zou zien. Verbeeld u, mijnheer Pontmercy, dat, juist toen gij binnenkwaamt, ik bij mij zelven zeide: ’t Is gedaan. Ziedaar haar jurkje; ik ben een ellendig mensch; ik zal Cosette niet wederzien; dit zeide ik op het oogenblik, dat gij de trap opgingt.

Hoe dwaas was ik! Zoo dwaas kan men zijn! maar men rekent niet op den goeden God. De goede God zegt: „Gij verbeeldt u, dat men u zal verlaten! Neen. Neen, zoo zal ’t niet gebeuren. Kom, er is daar een arm oud man, die een engel noodig heeft.” En de engel komt; en men ziet zijn Cosette weder! en men ziet zijn kleine Cosetje weder. Ach! ik was zeer ongelukkig.”

Hij was een oogenblik zonder te kunnen spreken; toen hernam hij:

„Ik had waarlijk behoefte, Cosette nu en dan even weder te zien. Een hart wil toch wel iets ter bevrediging. Evenwel gevoelde ik, dat ik er te veel was. Ik gaf mij deze redenen: Zij hebben u niet noodig, blijf in uw hoek; men heeft geen recht zich altijd op te dringen. Ha, Goddank, ik zie haar weder! Weet ge, Cosette, dat uw man zeer schoon is? Ha, goed, ge hebt een fraai geborduurd kraagje om. Ik houd van dat patroon. Uw man heeft het gekozen, niet waar? Maar ge moet nog shawls hebben. Mijnheer Pontmercy, laat mij als vroeger tot haar spreken. ’t Zal niet lang meer duren.”

En Cosette zeide, hem berispend:

„Hoe ondeugend van u, zoo lang van ons afwezend te zijn.Waar zijt ge toch geweest? Waarom zoo lang weg te zijn? Uw reizen duurden vroeger niet langer dan drie of vier dagen. Ik heb Nicolette gezonden; men antwoordde altijd: Hij is afwezend. Sinds wanneer zijt ge terug? Waarom hebt ge ’t ons niet laten weten? Weet ge wel, dat ge zeer veranderd zijt. O, ondeugende vader. Gij zijt ziek geweest en wij hebben er niets van geweten! Zie, Marius, voel zijn hand, hoe koud zij is!”

„Gij zijt dus ook hier! mijnheer Pontmercy? Gij vergeeft mij!” herhaalde Jean Valjean.

Bij deze woorden, welke Jean Valjean herhaald had, kon Marius zijn gevoel niet langer bedwingen, en zijn opgekropt hart lucht gevende, barstte hij uit:

„Cosette, hoort ge wat hij zegt? Hij vraagt mij vergeving! En weet gij, wat hij voor mij gedaan heeft, Cosette? Hij heeft mij het leven gered. Hij heeft meer gedaan. Hij heeft u aan mij geschonken. En na mij gered en na mij u geschonken te hebben, Cosette, wat heeft hij voor zich zelven gedaan? Hij heeft zich opgeofferd. Ziedaar den man. En mij, ondankbare, onmeedoogende, schuldige, zegt hij dank! Cosette, mijn geheel leven aan de voeten van dien man doorgebracht, zou te weinig zijn. Deze barricade, dat riool, dezen gloeienden oven, dien modderpoel, alles heeft hij voor mij, voor u, Cosette, doorgestaan! Hij heeft mij doorallerlei doodsgevarenheen gedragen, welke hij van mij wendde en zelf op zich nam. Hij bezit allen moed, alle deugden, allen heldenzin, alle heiligheid. Cosette, deze man is een engel!”

„Stil, stil!” zei Jean Valjean zacht. „Waarom van dat alles te spreken?”

„Maar gij!” riep Marius met een verstoordheid, waarin vereering lag, „waarom hebt gij het niet gezegd? ’t Is ook uw schuld. Gij redt den menschen het leven en verbergt het hun! Gij doet meer, onder voorwendsel u te ontmaskeren, lastert ge u zelven. ’t Is ongehoord!”

„Ik heb de waarheid gezegd,” antwoordde Jean Valjean.

„Neen,” hernam Marius, „waarheid is de geheele waarheid, en die hebt gij niet gezegd. Gij waart de heer Madeleine; waarom het niet gezegd? Gij hadt Javert gered; waarom het niet gezegd? Ik had u het leven te danken, waarom het niet gezegd?”

„Wijl ik even als gij dacht. Ik vond dat gij gelijk hadt. Ik moest heengaan. Zoo u de zaak van het riool bekend was geweest, zoudt ge mij bij u hebben doen blijven. Ik moest dus zwijgen. Indien ik gesproken had, zou ik u maar hinderlijk zijn geweest.”

„Hinderlijk! wat! wie, hinderlijk!” hernam Marius. „Denkt ge dan, dat ge hier zult blijven? Wij nemen u mede. Ach, mijn God! als ik denk, dat ik dit alles toevallig heb vernomen! Wij nemen u mede. Gij zijt een deel van ons zelven. Gij zijt haar vader en de mijne. Geen dag langer zult ge in dit akelig huis blijven. Verbeeld u niet, dat ge morgen nog hier zijt.”

„Morgen,” zei Jean Valjean, „zal ik niet hier zijn, maar ook niet bij u.”

„Wat bedoelt ge?” vroeg Marius. „O, wij geven u geen verlof tot reizen meer. Gij verlaat ons niet meer. Gij behoort ons. Wij laten u niet los.”

„Ditmaal is het ernst,” voegde Cosette er bij. „We hebben beneden een rijtuig. Ik schaak u. Zoo het noodig is, zal ik geweld gebruiken.”

En glimlachend maakte zij een beweging, als wilde zij den grijsaard in haar armen optillen.

„In ons huis is nog altijd uw kamer,” vervolgde zij. „Ge moest eens weten hoe fraai onze tuin op dit oogenblik is. De azaleën komen goed uit. De paden zijn met wit zand bestrooid, met kleine schulpjes vermengd. Ge zult mijn aardbeziën proeven. Ik begiet ze zelf. En geen mevrouw, geen mijnheer Jean meer; wij leven in een republiek, niet waar, Marius? Hetprogrammais veranderd. Zoo ge wist, vader, welk een verdriet ik heb gehad; een roodborstje had in een gat van den muur zijn nestje gebouwd, en een leelijke kat heeft het opgegeten. Mijn arm klein roodborstje, dat zijn kopje uit zijn venstertje stak en mij aankeek! Ik heb er om geweend. Ik zou de kat hebben kunnen vermoorden. Maar nu weent niemand meer. Iedereen lacht, allen zijn gelukkig. Ge gaat met ons mede. Hoe tevreden zal grootvader zijn! Ge zult uw aardbeziënbed in den tuin hebben om het te beplanten, en wij zullen zien of uw vruchten even schoon als de mijne zijn. Vervolgens zal ik alles doen wat ge wilt, en gij zult mij wel gehoorzamen.”

Jean Valjean luisterde zonder haar te begrijpen. Hij hoorde veeleer de muziek harer stem dan den zin harer woorden; een dier groote tranen, welke de treurige paarlen der ziel zijn, welde langzaam in zijn oog op. Hij prevelde:

„Haar komst hier is het bewijs, dat God goed is.”

„Mijn vader,” zei Cosette.

Jean Valjean hernam:

„’t Is waar, ’t zou aangenaam zijn samen te leven. Zij hebben boomen vol vogels. Ik zou met Cosette wandelen. ’t Is zoet tot levende wezens te behooren, die elkander goedendag zeggen, die elkander in den tuin roepen. Men ziet elkandervan ’s morgens af. Wij zouden ieder een hoekje gronds verzorgen. Zij zou mij haar aardbeziën doen eten, ik zou haar mijn rozen doen plukken. ’t Zou bekoorlijk zijn. Maar...”

Hij brak zijn woorden af en zeide zacht:

„’t Is jammer.”

De traan viel niet, hij trok zich terug, en Jean Valjean verving hem door een glimlach.

Cosette nam beide handen van den grijsaard in de hare.

„Mijn God,” zeide zij, „uw handen zijn nog kouder. Zijt gij ziek? Deert u iets?”

„Ik? neen,” antwoordde Jean Valjean, „ik ben zeer wèl, maar...”

Hij zweeg.

„Maar, wat?”

„Ik zal spoedig sterven.”

Cosette en Marius huiverden.

„Sterven!” riep Marius.

„Ja, maar dat is niets,” zei Jean Valjean.

Hij haalde adem, glimlachte en hernam:

„Gij spraakt tot mij, Cosette, ga voort. Spreek nog, uw roodborstje is dan dood; spreek, laat mij uw stem hooren.”

Marius staarde als versteend den grijsaard aan. Cosette slaakte een hartverscheurenden kreet.

„Vader, mijn vader! gij zult leven. Gij moet leven. Ik wil dat ge leeft, hoort ge!”

Jean Valjean richtte liefderijk het hoofd tot haar op:

„O ja, verbied mij te sterven. Wie weet? Ik zal misschien gehoorzamen. Ik was bezig te sterven, toen ge kwaamt. Dat heeft mij belet. ’t Kwam mij voor, dat ik herleefde.”

„Ge zijt vol kracht en leven,” riep Marius. „Verbeeldt ge u, dat men zóó sterft? Ge hebt verdriet gehad, ge zult het niet meer hebben. Ik vraag u vergiffenis, en wel op mijn knieën. Ge zult leven, met ons leven, lang leven. Wij nemen u mede. Wij beiden, Cosette en ik, zullen voortaan slechts ééne gedachte hebben, uw geluk!”

„Ge hoort immers,” hernam Cosette, in tranen wegsmeltende, „dat Marius zegt, dat ge niet zult sterven.”

„Zoo ge mij medenaamt, mijnheer Pontmercy, zou ik dan een andere zijn dan ik ben? Neen. God heeft gedacht, zooals gij en ik, en verandert niet van meening; ’t is noodzakelijk dat ik heenga. De dood is een goede schikking. God weet beter dan wij, wat wij behoeven. Dat gij gelukkig zijt, dat mijnheer Pontmercy Cosette hebbe, dat de jeugd den ochtend huwe, dat u, mijn kinderen, seringen en nachtegalen omgeven, dat uw leven een schoon grasperk met zonneschijn zij, dat alleverrukkingen des hemels uwe ziel vervullen en dat eindelijk ik, die tot niets meer dien, sterve; dat alles is stellig goed. Ziet ge, laat ons verstandig zijn, er is niets meer aan te doen, ik gevoel volkomen, dat het met mij gedaan is. Een uur geleden viel ik in onmacht. En dezen nacht heb ik deze kruik water geheel uitgedronken. Hoe goed is uw echtgenoot, Cosette. Ge zijt beter bij hem, dan bij mij.”

De deur kraakte. ’t Was de dokter, die binnentrad.

„Goedendag en vaarwel, dokter,” zei Jean Valjean. „Ziehier mijn arme kinderen.”

Marius naderde den dokter. Hij richtte tot hem alleen dit woord: mijnheer?.. maar in de wijze, waarop hij het uitsprak, lag een volledige vraag.

De geneesheer beantwoordde de vraag met een veelbeteekenenden blik.

„Omdat de dingen ons onaangenaam zijn,” zei Jean Valjean, „is dit geen reden om onbillijk jegens God te wezen.”

Er ontstond stilte. Aller borsten waren bekneld. Jean Valjean wendde zich tot Cosette. Hij aanschouwde haar, als wilde hij haar beeld in de eeuwigheid medenemen. In de diepe schaduw, waarin hij reeds verzonken was, was in de aanschouwing van Cosette voor hem nog verrukking mogelijk.

De glans van haar zacht gelaat verhelderde zijn bleeke trekken. Het graf kan ook zijn flikkering hebben.

De dokter voelde hem den pols.

„Ha, gij zijt het, welke hij behoefde!” mompelde hij, Cosette en Marius aanziende.

En zich tot Marius’ oor buigende, voegde hij er zeer zacht bij:

„Te laat.”

Jean Valjean aanschouwde Marius en den geneesheer met blijmoedigen blik, zonder echter op te houden Cosette aan te zien. Men hoorde uit zijn mond deze nauwelijks verstaanbare woorden komen:

„’t Is niets te sterven, maar ’t is vreeselijk, niet te leven.”

Eensklaps richtte hij zich op. Zulk een terugkeer der krachten is dikwerf een voorteeken van den doodsstrijd. Met vasten tred naderde hij den wand, wees Marius en den dokter af, die hem wilden ondersteunen, nam het koperen kruisbeeld van den wand, ging weder zitten met de gemakkelijkheid van een volkomen gezonde, en sprak met luide stem, het kruisbeeld op de tafel zettende:

„Ziedaar den grooten lijder!”

Toen zonk zijn borst ineen, zijn hoofd waggelde, als werd hij door de bedwelming des doods bevangen en zijn beide handen,op zijn knieën rustende, krabden krampachtig met de nagels op de stof van zijn broek.

Cosette hield hem bij de schouders vast, weende, en poogde tot hem te spreken, zonder dit te vermogen. Men onderscheidde, temidden der woorden, die onder haar snikken en schreien versmoorden:„Vader! verlaat ons niet. Is ’t mogelijk, dat wij u slechts wedervinden om u te verliezen?”

Men zou kunnen zeggen, dat de doodsstrijd zich kronkelt. Hij komt en gaat, nadert het graf en keert tot het leven terug. In het sterven ligt een zekere rondtasting.

Na deze halve bezwijming, herstelde zich Jean Valjean weder, schudde zijn hoofd als om de duisternis te verdrijven, en kwam schier geheel bij. Hij nam een strook van Cosettes mouw en kuste ze.

„Hij komt weder bij, dokter, hij komt weder bij!” riep Marius.

„Ge zijt beiden goed,” zei Jean Valjean. „Ik zal u zeggen, wat mij smartelijk is geweest. Het heeft mij gesmart, mijnheer Pontmercy, dat ge dat geld niet hebt willen aanraken. Dat geld behoort wel deugdelijk uw vrouw. Ik zal ’t u verklaren, mijn kinderen, en juist daarom doet het mij genoegen u te zien. Het zwarte git komt uit Engeland, het witte git komt uit Noorwegen. Dat alles staat hier, op dit papier, dat ge lezen zult. Voor de armbanden heb ik in plaats der blikken gesoldeerde slootjes, slootjes van één stuk uitgevonden. ’t Is fraaier, beter en goedkooper. Nu begrijpt gij, hoeveel geld men daarmeê verdienen kan. Cosettes vermogen behoort haar alzoo. Ik deel u deze bijzonderheden mede, opdat uw geweten gerust zij.”

De portierster was naar boven gekomen en zag door de half openstaande deur. De dokter zond haar weg, maar kon niet beletten, dat de goede vrouw, vóór ze ging, in haar godsdienstijver, den stervende toeriep:

„Wilt ge een priester?”

„Ik heb er een,” antwoordde Jean Valjean.

En met den vinger scheen hij naar een punt boven zijn hoofd te wijzen, waar men zou gezegd hebben, dat hij iets zag.

’t Is waarschijnlijk, dat de bisschop werkelijk bij dit sterven tegenwoordig was.

Zacht schoof Cosette een oorkussen onder zijn lendenen.

Jean Valjean hernam:

„Ik bezweer u, mijnheer Pontmercy, heb geen bezwaar. De zesmaal honderd duizend francs behooren deugdelijk aan Cosette. Mijn leven zou verloren zijn, zoo gij ze niet aannaamt. Wij waren er in geslaagd dat glaswerk zeer goed te vervaardigen. Wij wedijverden met hetgeen men de zoogenaamde Berlijnschejuweelen noemt. Maar men kan, bij voorbeeld, het zwarte Duitsche glas niet evenaren. Een gros van twaalfhonderd zeer goed geslepen kralen kost slechts drie francs.”

Wanneer een wezen, dat ons dierbaar is, sterft, staart men het met een blik aan, die zich aan hem vastklemt en hem zou willen tegenhouden.

Beiden, sprakeloos van angst, niet wetende wat tegen den dood te zeggen, wanhopend en bevend, stonden Cosette en Marius voor hem, elkander de hand gevende.

Jean Valjean nam ziender oogen af. Hij daalde; hij naderde den donkeren horizont. Zijn adem stokte bij tusschenpoozen, en werd door gereutel afgebroken. Met moeite kon hij zijn voorarm verplaatsen, zijn beenen waren stijf geworden, doch terzelfder tijd dat zijn lichaam afnam, vertoonde en ontvouwde zich op zijn voorhoofd de geheele majesteit der ziel. Het licht der onbekende wereld was reeds in zijn oogen zichtbaar.

Zijn gelaat verbleekte en glimlachte tegelijk. Het leven was er niet meer, er was iets anders. Zijn ademhaling werd korter, zijn blik werd grooter. ’t Was een lijk, waaraan men vleugels vermoedde.

Hij wenkte Cosette om te naderen, daarna Marius. ’t Was blijkbaar de laatste minuut van het laatste uur; en hij sprak tot hen met zulk een flauwe stem, dat zij van verren afstand scheen te komen, en men zou gezegd hebben, dat nu reeds een muur tusschen hen en hem bestond.

„Nader, nadert beiden. Ik bemin u zeer. O, ’t is zoet zóó te sterven. Ook gij, Cosette, bemint mij. Ik wist wel, dat gij steeds vriendschap voor den ouden goeden man hadt. Hoe lief zijt gij, mij een kussen onder de lendenen te hebben gelegd! Ge zult mij een weinig betreuren, niet waar? Niet te veel; ik wil niet, dat ge werkelijk verdriet hebt. Ge moet uw geluk genieten, mijn kinderen. Ik heb vergeten u te zeggen, dat men op de gespen zonder tongen meer verdiende dan op al het overige. Het gros, de twaalf dozijn, kwam op tien francs en werd voor zestig verkocht. ’t Was voorwaar een goede handel. Gij moet u dus over de zesmaal honderdduizend francs niet verwonderen, mijnheer de Pontmercy. ’t Is eerlijk gewonnen geld. Ge moogt gerust rijk zijn. Ge moet rijtuig houden, nu en dan een loge in den schouwburg, fraaie kleederen hebben, mijn Cosette, en uw vrienden diners geven; ge moet zeer gelukkig zijn. Straks schreef ik aan Cosette. Zij zal mijn brief vinden. Aan haar vermaak ik de twee kandelaars, die op den schoorsteen staan. Zij zijn van zilver; maar voor mij zijn zij van goud, van diamant; zij veranderen de waskaarsen, die men er op zet, in gewijde kaarsen. Ik weet niet of hij, die ze mijgegeven heeft, hierboven over mij tevreden is. Ik heb gedaan wat ik kon. Mijn kinderen, vergeet niet, dat ik een arm mensch ben; laat mij in een afgelegen hoekje begraven, onder een steen om de plaats aan te duiden. Dat is mijn wil. Geen naam op den steen. Zoo Cosette nu en dan daarheen wil gaan, zal ’t mij genoegen doen. Ook gij, mijnheer Pontmercy. Ik moet u bekennen, dat ik u niet altijd bemind heb; ik vraag er u vergiffenis voor. Thans zijt gij en zij slechts één voor mij. Ik ben u zeer dankbaar. Ik gevoel dat gij Cosette gelukkig maakt. Zoo ge wist, mijnheer Pontmercy, hoe haar schoone rozenwangen mij verheugden; wanneer ik haar bleek zag, was ik treurig. In de tafel ligt een bankbiljet van vijfhonderd francs. Ik heb er niet aangeraakt. ’t Is voor de armen. Cosette, ziet ge uw jurkje, dáár, op het bed? herkent ge het? ’t Is echter niet langer dan tien jaren geleden. Hoe snel verloopt de tijd. Wij zijn zeer gelukkig geweest. ’t Is nu gedaan. Weent niet, mijn kinderen, ik ga niet ver, ik zal u van dààr zien. Ge behoeft slechts des nachts op te zien, en ge zult mij zien glimlachen. Cosette, herinnert ge u Montfermeil? Ge waart in het bosch en zeer bevreesd; herinnert ge u, dat ik het hengsel van den emmer nam? ’t Was de eerste keer, dat ik uw arm klein handje raakte. ’t Was zoo koud. O, destijds waren uw handjes zeer rood, thans zijn zij zeer blank. En de groote pop! herinnert ge u haar? Ge noemdet haar Kaatje. Het speet u ze niet naar het klooster te hebben medegenomen! Hoe dikwijls hebt gij mij doen lachen, mijn lieve engel! Wanneer het geregend had, liet ge in de goten stroohalmen drijven en oogdet ze na. Op een dag gaf ik u een raket en een bal met gele, blauwe en groene veeren. Ge zijt het zeker vergeten. Gij waart zulk een aardig meisje, toen ge jong waart. Ge speeldet. Ge deedt kersen in de ooren. Dat zijn herinneringen uit het verledene. De bosschen, welke men met zijn kind is doorgegaan, het geboomte waaronder men gewandeld, de kloosters waarin men zich verborgen heeft, de spelen, het vroolijk kindergelach, dat alles is schaduw. Ik heb mij verbeeld, dat mij dit alleen behoorde. Zoo dom was ik. De Thénardiers waren zeer ondeugend. Men moet hun vergeven. Cosette, thans is ’t oogenblik gekomen om u den naam uwer moeder te zeggen. Zij heette Fantine. Onthoud dien naam: Fantine. Kniel, telkens wanneer ge hem uitspreekt. Zij heeft veel geleden. Zij heeft u innig bemind. Zij heeft evenveel rampen gehad, als gij geluk gehad hebt. Dit zijn de beschikkingen Gods. Hij is hierboven. Hij ziet ons allen en weet wat Hij temidden zijner oneindige wereldbollen doet. Ik ga heen, mijn kinderen. Bemint elkander steeds. Op de wereld is niets van meer belang dan dit:elkander te beminnen. Ge zult somwijlen aan den armen, ouden man denken, die hier gestorven is. O, mijn Cosette, ’t is mijn schuld niet, ik verzeker ’t u, dat ik u in al deze dagen niet gezien heb; ’t verscheurde mijn hart; ik ging tot aan den hoek der straat, en moest een vreemde vertooning maken voor de menschen, die mij voorbij zagen gaan; ik was als zinneloos; eenmaal ging ik zonder hoed uit. Mijn kinderen, nu zie ik niet helder meer; ik had u nog een en ander te zeggen, maar het zij zoo. Denk nu en dan aan mij. Gij zijt gezegende wezens. Ik weet niet, wat het is; maar ik zie licht. Nadert nog dichter. Ik sterf gelukkig. Geef mij uw veelgeliefde hoofden, dat ik er mijn handen oplegge.”

Cosette en Marius knielden hevig bewogen, in hun tranen stikkend, en bogen zich elk op een hand van Jean Valjean. Zijn handen bewogen zich niet meer.

Hij lag achterover, beschenen door het licht der twee waskaarsen; zijn bleek gezicht aanschouwde den hemel, hij liet Cosette en Marius zijn handen met kussen bedekken; hij was dood.

De nacht was zonder sterren, en stikdonker. Ongetwijfeld stond in de schaduw een groote engel met uitgebreide vleugelen, die de ziel wachtte.

Zesde hoofdstuk.Het gras verbergt en de regen wischt uit.Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in ’t gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, envoor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.Men leest er geen naam op.Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,La chose simplement d’elle-même arriva,Comme la nuit se fait lorsque le jour s’en va.1Einde van het vijfde en laatste deel.1Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,Toen hij zijn Engel niet meer zag.De dood kwam zachtkens hem bevrijden,En volgde op zijn maatloos lijden,Zooals de nacht wijkt voor den dag.

Zesde hoofdstuk.Het gras verbergt en de regen wischt uit.

Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in ’t gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, envoor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.Men leest er geen naam op.Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,La chose simplement d’elle-même arriva,Comme la nuit se fait lorsque le jour s’en va.1Einde van het vijfde en laatste deel.

Op het kerkhof van Père-Lachaise, nabij de algemeene begraafplaats, ver van de sierlijke wijk dezer doodenstad, ver van al die weidsche grafgestichten, welke in ’t gezicht der eeuwigheid de stuitende modes van den dood ten toon spreiden, in een eenzamen hoek, bezijden een ouden muur, onder een grooten ijpeboom, om welken zich het klimop slingert, onder hondsgras en mos, ligt een steen. Deze steen is evenmin als andere steenen tegen den tand des tijds, schimmel, mos en vogeldrek beveiligd. Het vocht maakt hem groen, de lucht zwart. Hij ligt niet in de nabijheid van eenig pad, en men gaat niet gaarne in deze richting, wijl het gras er hoog is en men dadelijk natte voeten heeft. Wanneer de zon even schijnt, komen er hagedissen. In de geheele omgeving heerscht een geritsel van wilde haverhalmen. In de lente zingen de vogels er in de boomen.

De steen is geheel glad. Toen men hem beitelde, heeft men slechts aan de volstrekte behoefte van het graf gedacht, envoor niets anders gezorgd dan om dien steen lang en smal genoeg te maken om een lijk te dekken.

Men leest er geen naam op.

Maar reeds vele jaren geleden, schreef een hand met een potlood deze vier regels er op, welke allengs door den regen en het stof onleesbaar zijn geworden en waarschijnlijk thans uitgewischt zijn.

Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,La chose simplement d’elle-même arriva,Comme la nuit se fait lorsque le jour s’en va.1

Il dort. Quoique le sort fût pour lui bien étrange,

Il vivait. Il mourut quand il n’eut plus son ange,

La chose simplement d’elle-même arriva,

Comme la nuit se fait lorsque le jour s’en va.1

Einde van het vijfde en laatste deel.

1Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,Toen hij zijn Engel niet meer zag.De dood kwam zachtkens hem bevrijden,En volgde op zijn maatloos lijden,Zooals de nacht wijkt voor den dag.

1

Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,Toen hij zijn Engel niet meer zag.De dood kwam zachtkens hem bevrijden,En volgde op zijn maatloos lijden,Zooals de nacht wijkt voor den dag.

Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,Toen hij zijn Engel niet meer zag.De dood kwam zachtkens hem bevrijden,En volgde op zijn maatloos lijden,Zooals de nacht wijkt voor den dag.

Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,Toen hij zijn Engel niet meer zag.De dood kwam zachtkens hem bevrijden,En volgde op zijn maatloos lijden,Zooals de nacht wijkt voor den dag.

Hoe vreemd het lot hem was, hij leefde.

Deez’ steen dekt thans zijn asch. Hij sneefde,

Toen hij zijn Engel niet meer zag.

De dood kwam zachtkens hem bevrijden,

En volgde op zijn maatloos lijden,

Zooals de nacht wijkt voor den dag.


Back to IndexNext