Twintigste hoofdstuk.De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk.De doodsstrijd der barricade zou beginnen.Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijnen wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren—dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In ’t midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; ’t is verschrikkelijk!De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, ’t geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: „De verwoede gematigden.” Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt.—Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des teerger voor hen. Zij hebben ’t zich zelven te wijten en verdienen het. ’t Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. ’t Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet.—En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.Wien moet men beschuldigen?Niemand en iedereen.De onvolkomen tijden, welke wij beleven.’t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.Maar is het wel ondankbaarheid?Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.Neen, uit dat van het individu.De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over ’t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapendetoeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, ’t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.—Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood—iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans,haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treftmet het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is ’t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In ’t algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; ’t is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen,vooralwanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaanzij, gehoorzaam aan het goddelijkscenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een volksverbijstering.Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk ver, ’t was misschien onduidelijk, en week bij de poging achteruit; maar het was grootsch.Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling maakt den opstand dichterlijken verguldt hem. Men werpt zich in deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking dier dolende ridders. De groote massa’s, de menigten, die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag het hart.Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.Omdat het kunstenaar is.Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië gaf, ’t welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende volken!Vitai lampada tradunt.Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk geslacht het voorschrift van het ideale.Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: Alexander op den olifant.De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van klein te willen zijn. Dit is alles.Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het licht is identisch met het voortbestaan van het ik.Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het graf in ballingschap, is voor den opofferingszineen aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de staatslieden bemin.Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten ontmoeten. ’t Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk veroordeelde en welks eigenlijk titel „de vooruitgang” is.De vooruitgang!Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan het einde.Een-en-twintigste hoofdstuk.De helden.Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa’s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.De muur bleef staande.De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt.Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.Courfeyrac was blootshoofds.„Wat hebt ge met uw hoed gedaan?” vroeg Bossuet.„Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,” antwoordde Courfeyrac.Of zij hielden trotsche redenen.„Begrijpt ge,” riep Feuilly bitter, „die mannen”—(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) „welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten.”Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:„Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte.”Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder ’t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, diesedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. ’t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en ’t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan.Twee-en-twintigste hoofdstuk.Voet voor voet.Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was ’t gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. ’t Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: „Nadert niet!” en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn,de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: „Er is slechts één open deur. Deze.” Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: „Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden.”Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.De soldaten, ’t moet gezegd worden, waren vol toorn.De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en ’t was een dergelijk valsch gerucht, ’t welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:„Laten wij ons leven duur verkoopen.”Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. ’t Was die van den grijsaard.Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.’t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: „Capituleert,” antwoordde Palafox: „Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes.” Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. ’t Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.’t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. ’t Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meernaar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.’t Was de heldenmoed tot monster geworden.Drie-en-twintigste hoofdstuk.Orestes nuchter en Pylades dronken.Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van ’t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in ’t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. ’t Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:„Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood.”„Ja, schiet mij dood,” zei Enjolras.Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijkevier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. ’t Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: „Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen.”Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: „’t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten.”Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.Toen riep een sergeant: „Legt aan!”Een officier trad tusschenbeiden.„Wacht!”En zich tot Enjolras wendende:„Wilt ge, dat men u blinddoeke?”„Neen.”„Is ’t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?”„Ja.”Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.Hij was in de volle beteekenis, wat men „smoordronken” noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op ’t eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem.—De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. ’t Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armenuit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter ’t biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando „legt aan” te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:„Leve de republiek! Ik behoor er toe.”Grantaire was opgestaan.De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.Hij herhaalde: „Leve de republiek!” ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.„Doodt er twee met één schot!” zeide hij.Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:„Veroorlooft gij ’t mij?”Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielenzij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.De barricade was ingenomen.De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.Vier-en-twintigste hoofdstuk.Gevangene.Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. ’t Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergtein de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. ’t Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.De toestand was vreeselijk.Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. ’t Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in ’t oog hielden. ’t Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.Wat te doen?Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo ’t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd,zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in ’t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, ’t was Marius.Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.
Twintigste hoofdstuk.De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk.De doodsstrijd der barricade zou beginnen.Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijnen wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren—dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In ’t midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; ’t is verschrikkelijk!De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, ’t geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: „De verwoede gematigden.” Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt.—Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des teerger voor hen. Zij hebben ’t zich zelven te wijten en verdienen het. ’t Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. ’t Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet.—En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.Wien moet men beschuldigen?Niemand en iedereen.De onvolkomen tijden, welke wij beleven.’t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.Maar is het wel ondankbaarheid?Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.Neen, uit dat van het individu.De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over ’t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapendetoeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, ’t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.—Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood—iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans,haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treftmet het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is ’t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In ’t algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; ’t is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen,vooralwanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaanzij, gehoorzaam aan het goddelijkscenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een volksverbijstering.Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk ver, ’t was misschien onduidelijk, en week bij de poging achteruit; maar het was grootsch.Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling maakt den opstand dichterlijken verguldt hem. Men werpt zich in deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking dier dolende ridders. De groote massa’s, de menigten, die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag het hart.Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.Omdat het kunstenaar is.Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië gaf, ’t welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende volken!Vitai lampada tradunt.Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk geslacht het voorschrift van het ideale.Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: Alexander op den olifant.De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van klein te willen zijn. Dit is alles.Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het licht is identisch met het voortbestaan van het ik.Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het graf in ballingschap, is voor den opofferingszineen aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de staatslieden bemin.Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten ontmoeten. ’t Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk veroordeelde en welks eigenlijk titel „de vooruitgang” is.De vooruitgang!Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan het einde.Een-en-twintigste hoofdstuk.De helden.Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa’s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.De muur bleef staande.De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt.Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.Courfeyrac was blootshoofds.„Wat hebt ge met uw hoed gedaan?” vroeg Bossuet.„Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,” antwoordde Courfeyrac.Of zij hielden trotsche redenen.„Begrijpt ge,” riep Feuilly bitter, „die mannen”—(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) „welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten.”Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:„Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte.”Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder ’t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, diesedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. ’t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en ’t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan.Twee-en-twintigste hoofdstuk.Voet voor voet.Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was ’t gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. ’t Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: „Nadert niet!” en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn,de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: „Er is slechts één open deur. Deze.” Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: „Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden.”Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.De soldaten, ’t moet gezegd worden, waren vol toorn.De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en ’t was een dergelijk valsch gerucht, ’t welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:„Laten wij ons leven duur verkoopen.”Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. ’t Was die van den grijsaard.Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.’t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: „Capituleert,” antwoordde Palafox: „Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes.” Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. ’t Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.’t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. ’t Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meernaar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.’t Was de heldenmoed tot monster geworden.Drie-en-twintigste hoofdstuk.Orestes nuchter en Pylades dronken.Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van ’t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in ’t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. ’t Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:„Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood.”„Ja, schiet mij dood,” zei Enjolras.Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijkevier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. ’t Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: „Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen.”Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: „’t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten.”Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.Toen riep een sergeant: „Legt aan!”Een officier trad tusschenbeiden.„Wacht!”En zich tot Enjolras wendende:„Wilt ge, dat men u blinddoeke?”„Neen.”„Is ’t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?”„Ja.”Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.Hij was in de volle beteekenis, wat men „smoordronken” noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op ’t eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem.—De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. ’t Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armenuit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter ’t biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando „legt aan” te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:„Leve de republiek! Ik behoor er toe.”Grantaire was opgestaan.De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.Hij herhaalde: „Leve de republiek!” ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.„Doodt er twee met één schot!” zeide hij.Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:„Veroorlooft gij ’t mij?”Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielenzij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.De barricade was ingenomen.De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.Vier-en-twintigste hoofdstuk.Gevangene.Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. ’t Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergtein de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. ’t Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.De toestand was vreeselijk.Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. ’t Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in ’t oog hielden. ’t Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.Wat te doen?Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo ’t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd,zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in ’t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, ’t was Marius.Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.
Twintigste hoofdstuk.De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk.De doodsstrijd der barricade zou beginnen.Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijnen wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren—dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In ’t midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; ’t is verschrikkelijk!De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, ’t geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: „De verwoede gematigden.” Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt.—Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des teerger voor hen. Zij hebben ’t zich zelven te wijten en verdienen het. ’t Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. ’t Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet.—En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.Wien moet men beschuldigen?Niemand en iedereen.De onvolkomen tijden, welke wij beleven.’t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.Maar is het wel ondankbaarheid?Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.Neen, uit dat van het individu.De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over ’t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapendetoeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, ’t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.—Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood—iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans,haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treftmet het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is ’t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In ’t algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; ’t is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen,vooralwanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaanzij, gehoorzaam aan het goddelijkscenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een volksverbijstering.Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk ver, ’t was misschien onduidelijk, en week bij de poging achteruit; maar het was grootsch.Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling maakt den opstand dichterlijken verguldt hem. Men werpt zich in deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking dier dolende ridders. De groote massa’s, de menigten, die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag het hart.Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.Omdat het kunstenaar is.Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië gaf, ’t welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende volken!Vitai lampada tradunt.Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk geslacht het voorschrift van het ideale.Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: Alexander op den olifant.De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van klein te willen zijn. Dit is alles.Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het licht is identisch met het voortbestaan van het ik.Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het graf in ballingschap, is voor den opofferingszineen aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de staatslieden bemin.Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten ontmoeten. ’t Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk veroordeelde en welks eigenlijk titel „de vooruitgang” is.De vooruitgang!Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan het einde.
Twintigste hoofdstuk.De dooden hebben gelijk en de levenden geen ongelijk.
De doodsstrijd der barricade zou beginnen.Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijnen wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren—dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In ’t midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; ’t is verschrikkelijk!De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, ’t geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: „De verwoede gematigden.” Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt.—Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des teerger voor hen. Zij hebben ’t zich zelven te wijten en verdienen het. ’t Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. ’t Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet.—En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.Wien moet men beschuldigen?Niemand en iedereen.De onvolkomen tijden, welke wij beleven.’t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.Maar is het wel ondankbaarheid?Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.Neen, uit dat van het individu.De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over ’t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapendetoeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, ’t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.—Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood—iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans,haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treftmet het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is ’t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In ’t algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; ’t is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen,vooralwanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaanzij, gehoorzaam aan het goddelijkscenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een volksverbijstering.Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk ver, ’t was misschien onduidelijk, en week bij de poging achteruit; maar het was grootsch.Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling maakt den opstand dichterlijken verguldt hem. Men werpt zich in deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking dier dolende ridders. De groote massa’s, de menigten, die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag het hart.Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.Omdat het kunstenaar is.Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië gaf, ’t welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende volken!Vitai lampada tradunt.Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk geslacht het voorschrift van het ideale.Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: Alexander op den olifant.De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van klein te willen zijn. Dit is alles.Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het licht is identisch met het voortbestaan van het ik.Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het graf in ballingschap, is voor den opofferingszineen aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de staatslieden bemin.Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten ontmoeten. ’t Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk veroordeelde en welks eigenlijk titel „de vooruitgang” is.De vooruitgang!Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan het einde.
De doodsstrijd der barricade zou beginnen.
Alles werkte mede tot de treurige majesteit van dezen laatsten oogenblik; duizend geheimzinnige geluiden in de lucht, het gerucht van zich in de straten in beweging zettende drommen, die men niet zag; het galoppeeren der cavalerie, de zware schudding der rollende kanonnen, het peloton- en kanonvuur, dat elkaar in den Parijschen doolhof kruiste, de rook van het gevecht, die, door de zon verguld, boven de daken opsteeg, onverklaarbare, verschrikkelijke kreten in de verte, overal dreigende bliksems, de stormklok van St. Merry, die thans als gesnik klonk, de zachtheid van het jaargetijde, de prachtige hemel vol zonneschijnen wolkjes, de schoonheid van den dag en de vreeselijke stilte der huizen.
Want sedert den vorigen avond waren de twee rijen huizen in de Chanvreriestraat twee muren geworden; vreeselijke muren. Gesloten deuren, gesloten vensters, gesloten blinden.
In dien tijd, zoo geheel verschillend van dien, waarin wij ons bevinden, toen het uur was gekomen, dat het volk een einde wilde maken aan een te lang geduurd hebbenden toestand, aan een geoctrooieerde grondwet, of aan een wettelijk bestuur, wanneer de algemeene toorn in de lucht was verspreid, wanneer de stad toeliet, dat haar straten werden opgenomen, wanneer de opstand de burgers paaide door hen het woord orde in de ooren te fluisteren—dan was de burger, om zoo te spreken, de hulpgenoot van den strijder, en het huis spande samen met de geïmproviseerde vesting, die er tegen steunde. Wanneer de toestand niet rijp was, de opstand niet bepaald was aangenomen, wanneer de menigte de beweging afkeurde, was het met de strijders gedaan, de stad veranderde in woestijn rondom den opstand, de harten bleven koud, de wijkplaatsen sloten zich en de straat werd een loopgraaf, om het leger bij de inneming der barricade te helpen.
Men laat geen volk bij verrassing sneller gaan dan het wil. Wee dengeen, die het tot iets dwingen wil. Een volk laat zich niet dwingen. Dan laat het den opstand aan zich zelven over. De opstandelingen worden als pestzieken vermeden. Elk huis is een steilte, elke deur is een weigering, elke gevel is een muur. Deze muur ziet, hoort, maar wil niet. Zij zou zich kunnen openen en redden. Neen. Deze muur is een rechter, hij aanschouwt en veroordeelt. O hoe vreeselijk zijn deze gesloten huizen! Zij schijnen dood, maar leven. Het leven, dat er als afgebroken is, blijft in stand. Niemand is er sedert vierentwintig uren uitgegaan, maar niemand ontbreekt er. In ’t midden dier rots gaat men heen en weder, men gaat er te bed, staat op, het gezin is er bijeen; men eet, men drinkt er; men is er angstig; ’t is verschrikkelijk!
De vrees verschoont deze vreeselijke ongastvrijheid en mengt er ontzetting onder, ’t geen een verzachtende omstandigheid is. Men heeft zelfs gezien, dat de vrees hartstocht wordt; de schrik kan in woede veranderen, gelijk de voorzichtigheid in razernij; vandaar de diepzinnige uitdrukking: „De verwoede gematigden.” Er zijn ontvlammingen van grenzenlooze ontzetting, waaruit, als een akelige rook, de toorn opstijgt.—Wat willen deze lieden? Zij zijn nooit tevreden. Zij brengen de vreedzamen in gevaar. Heeft men niet reeds genoeg revolutiën gehad! Wat komen zij hier doen? Zoo zij er zich niet uitredden, des teerger voor hen. Zij hebben ’t zich zelven te wijten en verdienen het. ’t Gaat ons niet aan. Zie, hoe onze arme straat van kogels doorboord is. ’t Is een hoop deugnieten. Open vooral de deur niet.—En het huis neemt de gedaante van een graf aan. De opstandeling zieltoogt voor de deur; hij ziet het schroot of de blanke sabels naderen; zoo hij roept, weet de vervolger, dat men hem hoort, maar niet komen zal; daar zijn muren, die hem konden beschermen, menschen, die hem konden redden; en deze muren hebben ooren van vleesch, en deze menschen hebben ingewanden van steen.
Wien moet men beschuldigen?
Niemand en iedereen.
De onvolkomen tijden, welke wij beleven.
’t Is steeds op haar eigen kosten en gevaar, dat een utopie in opstand verandert, en van wijsgeerig protest tot gewapend protest overgaat, van Minerva Pallas wordt. De utopie, die ongeduldig en opstand wordt, weet wat zij te wachten heeft; schier altijd komt zij te vroeg. Dan onderwerpt zij zich en neemt stoïcijnsch, in de plaats der overwinning, de nederlaag aan. Zij dient, zonder zich te beklagen, en zelfs hen verontschuldigende, die haar verloochenen; en zij is zoo grootmoedig er in te bewilligen, dat men haar verlate. Zij is onbedwingbaar tegenover de hindernis, en zachtmoedig jegens de ondankbaarheid.
Maar is het wel ondankbaarheid?
Ja, uit het gezichtspunt van het menschelijk geslacht.
Neen, uit dat van het individu.
De vooruitgang ligt in den aard van den mensch. Het algemeen leven van het menschelijk geslacht heet vooruitgang; de gezamenlijke tred van het menschelijk geslacht heet vooruitgang. De vooruitgang doet de groote menschelijke en aardsche reis naar het hemelsche en goddelijke; hij heeft rustperken, waar hij de achterblijvers wacht; hij heeft stilstanden, waar hij overdenkt; in het gezicht van een schitterend Kanaän, dat zich eensklaps aan den horizon onthult; hij heeft zijn nachten dat hij slaapt, en voor den denker is het een der vlijmendste smarten de menschelijke ziel in de schaduw te zien en in de duisternis rond te tasten, zonder den slapenden vooruitgang te kunnen wekken.
God is misschien dood, zei eens tot hem, die deze regels schrijft, Gerard de Nerval, die den vooruitgang met God verwarde, en den stilstand der beweging voor den dood van het Opperwezen hield.
Wie wanhoopt heeft ongelijk. De vooruitgang ontwaakt zeker, en men zou over ’t algemeen kunnen zeggen, dat hij zelfs slapendetoeneemt, want hij is grooter geworden. Wanneer men hem weder ziet opstaan, vindt men hem hooger. Steeds vreedzaam te zijn, hangt evenmin van den vooruitgang als van de rivier af; leg ze geen dammen, werp er geen rotsen in; de hindernissen doen het water bruisen en de menschheid gisten. Daardoor ontstaan beroeringen; maar na die beroeringen ziet men, dat er weg is afgelegd. Zoolang de orde niet is ingevoerd, die niets anders dan de algemeene vrede is, zoolang de harmonie en eensgezindheid niet heerschen, zal de vooruitgang revolutiën tot rustpunten hebben.
Wat is toch vooruitgang? Wij hebben het gezegd. Het voortdurend leven der volken.
Nu gebeurt het soms, dat het voorbijgaand leven der individuen aan het eeuwige leven van het menschelijk geslacht weerstand biedt.
Laat ons zonder bitterheid bekennen, dat het individu zijn dadelijk belang heeft, en het voor dat belang kan optreden en het verdedigen, zonder misdadig te zijn; het tegenwoordige heeft zijn verschoonbare hoeveelheid zelfzucht; het tegenwoordig leven heeft zijn rechten en is niet gehouden, zich geheel voor de toekomst op te offeren. Het geslacht, ’t welk thans zijn beurt van overgang over de aarde heeft, is niet verplicht zijn verblijf te verkorten, ten gevalle der geslachten, die in allen geval zijnsgelijken zijn, en later hun beurt zullen krijgen. Ik besta, fluistert een, die zich Allen noemt. Ik ben jong en verliefd, ik ben oud en wil rust nemen, ik ben huisvader, ik werk, ik heb voorspoed, ik doe goede zaken, ik ben huiseigenaar, ik bezit staatspapieren, ik ben gelukkig, ik heb vrouw en kinderen, ik bemin dat alles, ik wensch te leven, laat mij met vrede.—Daardoor worden op sommige tijden de edele voorposten van het menschelijk geslacht ijskoud.
Bovendien, wij erkennen het, treedt de utopie uit haar schitterenden kring, zoodra zij oorlog voert. Zij, de waarheid van morgen, ontleent haar gedrag, het gevecht, aan de logen van gisteren. Zij, de toekomst, handelt gelijk het verleden. Zij, de zuivere idée, wordt gewelddaad. Zij paart aan haar heldenmoed een hevigheid, waarvoor zij terecht verantwoordelijk is; een gelegenheids-hevigheid, een hulpmiddel, dat in strijd is met de beginselen, en waarvoor zij vreeselijk gestraft wordt. De utopie-opstand strijdt met het oude militaire wetboek in de hand; zij schiet de spionnen en verraders dood; zij vernietigt levende wezens en werpt ze in de onbekende duisternissen. Zij bedient zich van den dood—iets zeer ernstigs. Het schijnt, dat de utopie geen vertrouwen meer in haar glans,haar onweerstaanbare, onverderfelijke kracht, stelt. Zij treftmet het zwaard. En geen zwaard is enkelvoudig. Ieder zwaard is tweesnijdend; die met de eene zijde wondt, kwetst zich zelf met de andere.
Behoudens deze uitzondering, waarvan wij al het gewicht erkennen, is ’t ons echter onmogelijk, die roemrijke strijders voor de toekomst, die belijders der utopie, zij mogen slagen of niet, niet te bewonderen. Zelfs wanneer zij schipbreuk lijden, zijn zij eerbiedwaardig, en hebben juist dan misschien de meeste majesteit. De overwinning, zoo zij volgens den vooruitgang is, verdient de toejuiching der volken, maar een heldhaftige nederlaag verdient hun verteedering. De eene is heerlijk, de andere is verheven. Voor ons, die aan het martelaarschap boven de overwinning de voorkeur geven, is John Brown grooter dan Washington, en Pisacane grooter dan Garibaldi.
Er moet toch iemand voor de overwonnelingen zijn.
Men is onrechtvaardig jegens die groote proefnemers der toekomst, wanneer zij niet slagen.
Men beschuldigt de revolutionnairen er van, dat zij schrik verspreiden. Iedere barricade schijnt een aanranding. Men beschuldigt hun theorieën, verdenkt hun doel, vreest hun bijgedachten, veroordeelt hun geweten. Men verwijt hun, dat zij tegen het bestaande maatschappelijk feit een berg ellenden, smarten, onrechtvaardigheden, grieven en wanhoop oprichten en opeenstapelen, en uit de benedenwereld blokken duisternis rukken, om er zich achter te verschansen en te strijden. Men roept hun toe: gij neemt de straten der hel op! Zij zouden kunnen antwoorden: Dit is het bewijs, dat onze barricade van goede bedoelingen is gemaakt.
Het beste is voorwaar een vreedzame oplossing. In ’t algemeen, wij moeten bekennen, dat, zoodra men steenen ziet, men aan den beer denkt, en een goede wil verontrust de maatschappij. Maar het hangt van de maatschappij zelve af zich te redden; ’t is op haar eigen goeden wil, dat wij een beroep doen. Geen geweldig middel is noodzakelijk. Het kwaad op vriendelijke wijze te onderzoeken, het te erkennen en te genezen, daartoe noodigen wij de maatschappij uit.
Hoe het zij, zelfs wanneer zij gevallen,vooralwanneer zij gevallen zijn, zijn die mannen verheven, die, op alle plekken der aarde, met het oog op Frankrijk gericht, voor het groote werk strijden met de onwrikbare logica van het ideaal; zij geven hun leven als een zuiver offer voor den vooruitgang; zij vervullen den wil der Voorzienigheid; zij verrichten een godsdienstig werk. Op het bepaalde oogenblik, met dezelfde zelfverloochening als een tooneelspeler die moet optreden, gaanzij, gehoorzaam aan het goddelijkscenario, in het graf. En dezen hopeloozen strijd, deze stoïcijnsche verdwijning aanvaarden zij, om de verheven menschelijke beweging, die onwederstaanbaar den 14 Juli 1789 begon, tot haar heerlijke en verhevene algemeene gevolgen te brengen; deze soldaten zijn priesters. De Fransche Revolutie is een beweging van God.
Overigens zijn er, en wij moeten deze onderscheiding voegen bij de onderscheidingen bereids in een vorig hoofdstuk gemaakt, er zijn aangenomen opstanden die revolutiën heeten; er zijn geweigerde opstanden, die oproeren heeten. Een uitgebroken opstand is een idée, die voor het volk haar examen ondergaat. Zoo het volk de zwarte boon laat vallen, is de idée een doode vrucht, de opstand is een volksverbijstering.
Het aannemen van den oorlog bij iedere sommatie, en telkens wanneer de utopie het begeert, is niet de zaak der volken. Niet altijd en op ieder uur hebben de natiën den zin van helden en martelaars.
Zij zijn positief. A priori, zijn zij van den opstand afkeerig; eerstens wijl hij dikwerf rampen ten gevolge heeft; tweedens wijl hij steeds tot uitgangspunt een abstractie heeft.
Want, en dit is schoon, immer is het voor het ideaal, en voor het ideaal alleen, dat zij, die zich opofferen, zich opofferen. Een opstand is een geestvervoering. De geestvervoering kan toornig worden; dan grijpt zij naar de wapens. Maar iedere opstand, die op een gouvernement of bestuur aanlegt, heeft een hooger doel. Dus was, bij voorbeeld, wat de aanvoerders van den opstand in 1832 bestreden, en bijzonderlijk de jonge geestdrijvers der Chanvreriestraat, niet eigenlijk Lodewijk Filips. De meesten lieten, wanneer zij openhartig spraken, de voortreffelijke hoedanigheden van dezen half monarchalen, half revolutionnairen koning recht wedervaren; geen hunner haatte hem. Maar zij bestreden den jongsten tak van het goddelijk recht in Lodewijk Filips, gelijk zij den oudsten tak ervan in Karel X hadden bevochten; en wat zij wilden omverwerpen, door het koningschap in Frankrijk omver te werpen, was, gelijk wij verklaard hebben, de overheersching van den eenen op den anderen mensch en het privilegie op het recht der geheele wereld. De terugwerking van Parijs zonder koning, is de wereld zonder despoten. Zóó redeneerden zij. Hun doel lag zekerlijk ver, ’t was misschien onduidelijk, en week bij de poging achteruit; maar het was grootsch.
Zoo is het. En men offert zich op voor deze denkbeelden, die voor de geofferden schier altijd luchtkasteelen zijn, maar luchtkasteelen, waarin het welzijn der geheele menschheid betrokken is. De opstandeling maakt den opstand dichterlijken verguldt hem. Men werpt zich in deze treurige zaken, door zich te bedwelmen met hetgeen men doen wil. Wie weet? men slaagt misschien. Men is de minderheid, men heeft tegen zich een geheel leger, maar men verdedigt het recht, de natuurwet, de souvereiniteit van ieder op zich zelven, waarbij geen afstand mogelijk is, de rechtvaardigheid, de waarheid, en desnoods sterft men gelijk de driehonderd Spartanen. Men denkt niet aan don Quichotte, maar aan Leonidas. Men gaat voorwaarts, en is men in den strijd, dan wijkt men niet meer, maar stort er zich blindelings in, met de hoop op een ongehoorde overwinning, op de volmaking der revolutie, op de invrijheidstelling van den vooruitgang, op de verheffing van het menschelijk geslacht, op de algemeene vrijheid; en in het ergste geval op de Thermopylen, namelijk op den heldendood.
Deze wapenfeiten voor den vooruitgang mislukken dikwerf, en wij hebben de reden er van gezegd. De menigte is ongezind voor de verlokking dier dolende ridders. De groote massa’s, de menigten, die uithoofde harer eigen zwaarte zoo licht breekbaar zijn, vreezen de avonturen; en in het ideale is iets avontuurlijks.
Men vergete bovendien niet, dat de stoffelijke belangen geen groote vrienden van het ideale en het sentimenteele zijn. Soms verlamt de maag het hart.
Frankrijk is groot en schoon, wijl het minder voor den buik leeft dan andere volken; het snoert zich lichter den buik dicht. Het is het eerst wakker en het laatst in slaap. Het gaat voorwaarts en zoekt.
Omdat het kunstenaar is.
Het ideale is slechts het hoogste punt der logica, evenals het schoone slechts het toppunt van het ware is. De kunstenaarsvolken zijn ook de consequente volken. De schoonheid te beminnen, is het licht te zien. En daarom is de flambouw van Europa, namelijk de beschaving, eerst door Griekenland gedragen, dat haar vervolgens aan Italië gaf, ’t welk haar aan Frankrijk reikte. Goddelijke, verlichtende volken!Vitai lampada tradunt.
Bewonderenswaardig is het, dat de poëzie van een volk het element van zijn vooruitgang is. De hoeveelheid beschaving meet zich af naar de hoeveelheid verbeelding. Evenwel moet een beschavend volk een mannelijk volk blijven. Corinthe, ja; Sybaris, neen. Wat verwijfd wordt, ontaardt. Men moet noch dilettant, noch virtuoos, maar men moet kunstenaar zijn. In zake van beschaving moet men niet gekunsteld, maar verheven wezen. Op die voorwaarde geeft men aan het menschelijk geslacht het voorschrift van het ideale.
Het moderne ideaal heeft zijn type in de kunst en zijn middel in de wetenschap. Door de wetenschap zal men het verheven droombeeld der poëten: het maatschappelijk, schoone, verwezenlijken. Men zal het Eden door het A + B herstellen. Op het punt, waartoe de beschaving is gekomen, is het exacte een noodzakelijk element van het schoone, en het kunstenaarsgevoel wordt door het wetenschappelijk orgaan niet alleen gediend, maar volkomen gemaakt; de droom moet rekenen kunnen. De kunst moet de wetenschap tot steunpunt hebben. De moderne geest is de genius van Griekenland, die tot voertuig den genius van Indië heeft: Alexander op den olifant.
De in het dogma versteende of door winzucht zedelijk verlaagde rassen zijn ongeschikt voor de leiding der beschaving. De kniebuiging voor het afgodsbeeld of voor het geldstuk verlamt de spier voor het loopen en den wil voor verheffing. De priesterlijke of handels-nevel vermindert den glans van een volk, verlaagt zijn horizon, door zijn grondslag te verlagen, en ontneemt het die tevens menschelijke en goddelijke intelligentie van een algemeen doel, dat de natiën tot zendelingen vormt. Babel heeft geen ideaal; Karthago heeft geen ideaal. Athene en Rome hebben en behouden, zelfs door de dikke duisternis der eeuwen heen, nog een straalkrans van beschaving.
Frankrijk is van dezelfde soort van volk als Griekenland en Italië. Het is Atheensch door het schoone, en Romeinsch door het grootsche. Bovendien is het goed. Het is mededeelzaam, en meer dan andere volken opofferingsgezind. Maar deze gezindheid komt en gaat. En hierin ligt het groot gevaar voor hen, die loopen, wanneer het slechts gaan wil, of die gaan, wanneer het wil blijven staan. Frankrijk vervalt soms tot het materialisme en op zekere oogenblikken hebben de ideeën, welke dit verheven brein vervullen, niets meer wat aan de Fransche grootheid herinnert, en zijn ze gelijk aan die van een bewoner van Missouri of Zuid-Carolina. Wat is daartegen te doen? De reus speelt dan de rol van den dwerg; het onmetelijke Frankrijk heeft de gril van klein te willen zijn. Dit is alles.
Daartegen is niets te zeggen. De volken hebben hetzelfde recht om zich te verduisteren als de starren. Dit is goed, mits het licht terugkome en de verduistering niet in nacht ontaarde. Dageraad en opstanding hebben dezelfde beteekenis. De wederverschijning van het licht is identisch met het voortbestaan van het ik.
Constateeren wij bedaard deze feiten. De dood op de barricade of het graf in ballingschap, is voor den opofferingszineen aanneembaar geval. De ware naam van opoffering is onbaatzuchtigheid. Dat de verlatenen zich laten verlaten, dat de ballingen zich laten bannen, en bepalen wij ons er bij, de groote volken te bidden van niet te ver achteruit te gaan, wanneer zij achteruit gaan. Men mag niet, onder het voorwendsel van tot de rede terug te keeren, te ver naar beneden gaan.
Het stoffelijke bestaat, de minuut bestaat, de belangen bestaan, de maag bestaat; maar de maag mag niet de eenige wijsheid zijn. Het voorbijgaande leven heeft rechten, wij stemmen het toe, maar het blijvende leven heeft ook de zijne. Helaas, niets belet dengene die opgestegen is te vallen. Men ziet dit vaker in de geschiedenis dan men wenschen zou. Een natie is beroemd; zij heeft smaak in het ideaal; daarna bijt zij in het slijk en vindt het goed; vraagt men haar, waarom zij Socrates voor Falstaff verlaat, dan antwoordt zij: Omdat ik de staatslieden bemin.
Nog een woord, vóór we naar het krijgsgewoel terugkeeren.
Een gevecht, als dat wij in dit oogenblik schetsen, is niets dan een stuiptrekking naar het ideaal. De belemmerde vooruitgang is ziekelijk, en er zijn zulke treurige vallende ziekten. Deze ziekte van den vooruitgang, den burgeroorlog, hebben wij op onzen weg moeten ontmoeten. ’t Is een dier noodlottige tooneelen, tevens bedrijf en tusschenbedrijf van het drama, welks spil een maatschappelijk veroordeelde en welks eigenlijk titel „de vooruitgang” is.
De vooruitgang!
Deze kreet, dien wij zoo dikwerf slaken, is onze eenige gedachte, en wijl de idée, welke ons verhaal bevat, op het punt waar wij thans gekomen zijn, nog aan meer dan een proeve moet worden onderworpen, is het ons misschien geoorloofd, zoo niet den sluier ervan op te lichten, ten minste het licht ervan te doen doorschijnen.
Het boek, dat de lezer voor zich heeft, is van het begin tot het einde, in zijn geheel en in zijn bijzonderheden, welke uitzonderingen en leemten er in mogen voorkomen, de gang van het kwade naar het goede, van het onrechtvaardige naar het rechtvaardige, van het valsche naar het ware, van den nacht naar den dag, van den lust naar het geweten, van het bederf naar het leven, van het dierlijke naar den plicht, van de hel naar den hemel, van het niet naar God. Het uitgangspunt is de stof; het aankomstpunt de ziel. De hydra aan het begin, de engel aan het einde.
Een-en-twintigste hoofdstuk.De helden.Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa’s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.De muur bleef staande.De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt.Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.Courfeyrac was blootshoofds.„Wat hebt ge met uw hoed gedaan?” vroeg Bossuet.„Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,” antwoordde Courfeyrac.Of zij hielden trotsche redenen.„Begrijpt ge,” riep Feuilly bitter, „die mannen”—(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) „welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten.”Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:„Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte.”Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder ’t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, diesedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. ’t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en ’t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan.
Een-en-twintigste hoofdstuk.De helden.
Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa’s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.De muur bleef staande.De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt.Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.Courfeyrac was blootshoofds.„Wat hebt ge met uw hoed gedaan?” vroeg Bossuet.„Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,” antwoordde Courfeyrac.Of zij hielden trotsche redenen.„Begrijpt ge,” riep Feuilly bitter, „die mannen”—(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) „welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten.”Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:„Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte.”Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder ’t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, diesedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. ’t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en ’t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan.
Eensklaps sloeg de trom den stormmarsch.
De aanval was een orkaan. Den vorigen avond was de barricade in de duisternis en in stilte als door een boa genaderd. Thans, op klaarlichten dag, was in deze wijde straat een overrompeling bepaald onmogelijk; bovendien had het geweld zich ontmaskerd, het kanon was beginnen te bulderen, en het leger stormde tegen de barricade. De woede was nu behendigheid. Een sterke colonne linie-infanterie, waaronder nationale en municipale garden gestoken, steunende op groote massa’s, die men hoorde zonder ze te zien, rukte met den stormmarsch, onder trommelslag en trompetgeschal, gevelde bajonnet, de sappeurs aan de spits, en onwrikbaar onder den kogelregen, regelrecht tegen de barricade, met de kracht van een metalen balk tegen een muur.
De muur bleef staande.
De opstandelingen gaven onstuimig vuur. De beklommen barricade scheen bliksemstralen te schieten. De bestorming was zoo geweldig, dat de barricade een oogenblik van aanvallers overstroomd was; maar zij schudde de soldaten af, gelijk de leeuw de honden, en zij was slechts overdekt met bestormers, als de klip met schuim, om een oogenblik later weder steil, donker en vreeselijk te voorschijn te komen.
De colonne, die gedwongen was te wijken, bleef ongedekt, maar schrikkelijk, in de straat opeengedrongen, staan, en beantwoordde de barricade met een ontzettend geweervuur. Wie een vuurwerk heeft gezien, herinnert zich de schoof, die uit over elkander schietend kruisvuur bestaat, en het bouquet wordt genoemd. Men stelle zich dit bouquet voor, niet verticaal, maar horizontaal, met een kogel of kartets aan de punt van elk zijner vuurstralen en met zijn dondertrossen den dood verspreidende. Daaronder was de barricade.
Aan beide zijden was dezelfde stoutmoedigheid. De dapperheid was er schier barbaarsch en ging gepaard met een soort van heldhaftige wreedheid, welke met de opoffering van zich zelve begon. In dien tijd streed een nationale garde als een zouaaf. De soldaten wilden er een einde aan maken; de opstand wilde strijden. Vol jeugd en gezondheid den dood te verachten, brengt de onverschrokkenheid tot razernij. Ieder bezat in dezen strijd het verhevene van het sterfuur. De straat werd met lijken overdekt.
Aan de eene zijde der barricade stond Enjolras, aan de andere Marius. Enjolras, die de gansche barricade in het hoofd had, spaarde en beveiligde zich; drie soldaten vielen de een na den ander onder zijn schietgat, zonder hem zelfs gezien te hebben. Marius streed ongedekt. Hij maakte zich tot een mikpunt. Meer dan ten halve lijve kwam hij boven de barricade uit. Niemand is verspillender dan een vrek, die tot buitensporigheden overslaat. Geen mensch is vreeselijker in het gevecht dan een zoogenaamde droomer. Marius was schrikkelijk en peinzend. Hij was in het gevecht als in een droom. Men had hem een spook kunnen noemen, dat schiet.
De patronen der belegerden raakten uitgeput, niet hun kwinkslagen. In dien draaikolk des doods, waarin zij zich bevonden, schertsten zij.
Courfeyrac was blootshoofds.
„Wat hebt ge met uw hoed gedaan?” vroeg Bossuet.
„Zij hebben hem mij ten laatste met kanonskogels afgeschoten,” antwoordde Courfeyrac.
Of zij hielden trotsche redenen.
„Begrijpt ge,” riep Feuilly bitter, „die mannen”—(en hij noemde namen, bekende, zelfs beroemde namen, waaronder eenige van het oude leger) „welke beloofd hadden zich bij ons te voegen, en gezworen ons te helpen, en daarvoor hun eer verpandden, en die onze generaals zijn en ons nu in den steek laten.”
Combeferre antwoordde slechts ernstig en glimlachend:
„Er zijn lieden, die de wetten van eer beschouwen, zooals men de sterren beschouwt, zeer uit de verte.”
Het binnenste der barricade was zoo met verscheurde patronen bezaaid, alsof het gesneeuwd had.
De aanvallers hadden de meerderheid; de opstandelingen de goede stelling. Zij stonden op een muur en hadden de soldaten onder ’t schot, die door de dooden en gekwetsten belemmerd waren. Deze bewonderenswaardig gebouwde barricade, die tegen de huizen steunde, was gewis een dier stellingen, waar een handvol manschappen een geheel legioen tegenhoudt. Inmiddels naderde de aanvalscolonne, die onder den kogelregen steeds versterkt en vermeerderd werd, onverbiddelijk, en nu drong het leger, langzaam, schrede voor schrede, maar zeker, tegen de barricade, gelijk de moer de schroef perst.
De aanvallen volgden elkander op. De ijselijkheid nam steeds toe.
Toen ontstond op dien hoop straatsteenen, in deze Chanvreriestraat, een strijd, die de muren van Troje waardig was. Deze havelooze, in lompen gekleede, uitgeputte mannen, diesedert vier-en-twintig uren niet gegeten, niet geslapen hadden en nog slechts weinige schoten konden doen; die in hun ledige zakken naar patronen tastten, schier alle gewond waren, het hoofd of den arm met een roodgevlekten doek verbonden, met gaten in de kleederen, waaruit het bloed stroomde, slechts gebrekkig met slechte geweren of oude sabels gewapend, werden Titans. Tienmalen werd de barricade aangegrepen, bestormd, beklommen, maar niet genomen.
Om zich van dien strijd een denkbeeld te vormen, moest men zich een hoop in brand gestoken moed voorstellen en dien brand aanschouwen. ’t Was geen gevecht, maar de gloed van een fornuis. De monden ademden vlammen, de gezichten hadden een buitengewone uitdrukking. De menschelijke gestalte scheen er onmogelijk, de strijders vlamden, en ’t was schrikkelijk deze salamanders van den strijd in dien rooden rook te zien heen en weder gaan. Wij onthouden ons de opvolgende en gelijktijdige tooneelen van dit grootsche bloedbad te schetsen. Alleen het heldendicht heeft het recht twaalf duizend verzen met een gevecht te vullen. Het geleek die hel van het Bramahisme, de vreeselijkste der zeventien afgronden, welke de Veda het woud der zwaarden noemt.
Men streed man tegen man, voet tegen voet, met pistolen, sabels, vuisten, van verre, van nabij, van onder, van boven, overal, van de daken der huizen, uit de vensters der herberg, uit de keldergaten. Men was één tegen zestig. De gevel van Corinthe, die half vernield was, zag er afschuwelijk uit. Het door kogels getatoueerde venster had glasruiten en raam verloren en was nog slechts een vormlooze, met straatsteenen gevulde opening. Bossuet werd gedood; Feuilly werd gedood; Courfeyrac werd gedood; Joly werd gedood; Combeferre, die drie bajonetsteken ontving, toen hij een gekwetst soldaat oprichtte, had slechts den tijd hemelwaarts te zien, en gaf den laatsten snik.
Marius, die nog altijd vocht, was zoodanig met wonden bedekt, vooral aan het hoofd, dat zijn gelaat door het bloed onzichtbaar was, en men zou gemeend hebben, dat zijn gezicht met een rooden zakdoek was bedekt.
Slechts Enjolras was nog ongewond. Wanneer hij geen wapen meer had, stak hij links of rechts de hand uit, en een opstandeling gaf hem een of ander wapen in de hand. Hij had nog slechts een stomp van vier degens over; één meer dan Frans I te Marignan.
Twee-en-twintigste hoofdstuk.Voet voor voet.Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was ’t gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. ’t Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: „Nadert niet!” en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn,de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: „Er is slechts één open deur. Deze.” Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: „Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden.”Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.De soldaten, ’t moet gezegd worden, waren vol toorn.De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en ’t was een dergelijk valsch gerucht, ’t welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:„Laten wij ons leven duur verkoopen.”Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. ’t Was die van den grijsaard.Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.’t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: „Capituleert,” antwoordde Palafox: „Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes.” Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. ’t Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.’t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. ’t Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meernaar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.’t Was de heldenmoed tot monster geworden.
Twee-en-twintigste hoofdstuk.Voet voor voet.
Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was ’t gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. ’t Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: „Nadert niet!” en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn,de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: „Er is slechts één open deur. Deze.” Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: „Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden.”Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.De soldaten, ’t moet gezegd worden, waren vol toorn.De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en ’t was een dergelijk valsch gerucht, ’t welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:„Laten wij ons leven duur verkoopen.”Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. ’t Was die van den grijsaard.Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.’t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: „Capituleert,” antwoordde Palafox: „Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes.” Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. ’t Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.’t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. ’t Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meernaar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.’t Was de heldenmoed tot monster geworden.
Toen er geen levende aanvoerders meer waren dan Enjolras en Marius aan beide einden der barricade, zwichtte het centrum, dat Courfeyrac, Joly, Bossuet, Feuilly en Combeferre zoo lang verdedigd hadden. Het kanon had het midden der barricade deerlijk gehavend, zonder echter een voldoende bres te hebben geschoten; de kruin van den muur was door de kanonskogels verdwenen en ingestort; het naar binnen en buiten gevallen puin had zich eindelijk aan weerszijden der barricade tot twee glooiingen opgehoopt. De buitenste glooiing bood den belegeraars een hellend vlak ter beklimming aan.
Een laatste bestorming werd beproefd en deze bestorming gelukte. De massa bajonnetten, die met den stormmarsch aanrukte, was onweerstaanbaar en het dichte front der aanvalscolonne verscheen in rook gehuld op de barricade. Ditmaal was ’t gedaan. De groep opstandelingen, die het centrum verdedigde, week in verwarring.
Toen herleefde bij eenigen de treurige liefde voor het leven. Verscheidenen, die dit woud geweren op zich aangelegd zagen, wilden niet meer sneven. ’t Was een oogenblik, waarin het instinct van behoud de overhand heeft en het dier in den mensch weer te voorschijn treedt. Zij stonden tegen het zes verdiepingen hooge huis achter de barricade. Dit huis kon hun heil zijn; maar het was versperd en als van boven tot onder een muur. Voor dat de linietroepen in de barricade waren, had een deur den tijd gehad zich te openen en te sluiten, een oogenblik was daartoe voldoende; en de deur van dit huis, schielijk geopend en dadelijk weder gesloten, was voor deze wanhopigen het leven. Achter dat huis waren straten, ruimte, en de vlucht was bijgevolg mogelijk. Zij sloegen met de geweerkolven en met hun voeten tegen die deur, riepen, schreeuwden, smeekten met saamgevouwen handen. Niemand opende. Uit het venster der derde verdieping zag het doode hoofd op hen neder.
Maar Enjolras en Marius, en zeven of acht anderen, die zich bij hen geschaard hadden, verdedigden zich nog. Enjolras had tot de soldaten geroepen: „Nadert niet!” en een officier, hieraan niet gehoorzamende, werd door Enjolras gedood. Thans was hij op de kleine binnenplaats der barricade, tegen het huis Corinthe, in de eene hand den degen, in de andere de karabijn,de deur der herberg open houdende, welke hij voor de aanvallers versperde. Hij riep tot de wanhopigen: „Er is slechts één open deur. Deze.” Hen met zijn lichaam bedekkende en het hoofd aan een geheel bataljon biedende, liet hij hen achter zich binnengaan. Allen stortten het huis binnen. Enjolras bediende zich nu van zijn geweer als de batonnist van zijn stok, sloeg de geweren om en voor zich neder, en trad het laatst het huis binnen; er ontstond een vreeselijk oogenblik, de soldaten wilden binnendringen, de opstandelingen de deur sluiten. Zij werd dan ook zoo geweldig dicht geworpen, dat zij de vijf vingers van een soldaat, die zich aan den deurpost vastklampte, afsloeg.
Marius was buiten gebleven. Een geweerschot had zijn sleutelbeen verbrijzeld; hij gevoelde, dat hij bezwijmde en neerzonk. De oogen reeds gesloten, had hij de gewaarwording alsof een forsche hand hem greep, en de bezwijming, waarin hij zijn bewustzijn verloor, liet hem nauwelijks den tijd, tot deze gedachte, waarin zich een laatste herinnering aan Cosette mengde: „Ik ben gevangengenomen en zal gefusilleerd worden.”
Enjolras, die Marius niet onder de gevluchten in de herberg zag, had dezelfde gedachte. Maar allen waren thans in dit oogenblik, wanneer ieder slechts den tijd heeft aan zijn eigen dood te denken. Enjolras bevestigde den boom op de deur, grendelde ze en sloot ze op het nachtslot, terwijl zij van buiten geweldig, door de soldaten met geweerkolven en door de sappeurs met bijlen, gebeukt werd. De bestormers stonden voor de deur gegroepeerd. Nu begon de belegering der herberg.
De soldaten, ’t moet gezegd worden, waren vol toorn.
De dood van den sergeant der artillerie had hen verbitterd, en, wat nog noodlottiger was, eenige uren voor den aanval werd onder hen gezegd, dat de opstandelingen de gevangenen verminkten, en in de herberg het lijk van een soldaat zonder hoofd lag. Zulke noodlottige geruchten gaan gewoonlijk aan burger-oorlogen gepaard, en ’t was een dergelijk valsch gerucht, ’t welk later den ongelukkigen afloop in de straat Transnonain ten gevolge had.
Toen de deur versperd was, zeide Enjolras tot de anderen:
„Laten wij ons leven duur verkoopen.”
Daarop naderde hij de tafel, waarop Mabeuf en Gavroche lagen. Onder het zwarte kleed zag men twee rechte en stijve gestalten, de eene groot, de andere klein, en beider gezichten teekenden zich flauw af onder de kille plooien der lijkwade. Een hand kwam er onder uit en hing naar beneden. ’t Was die van den grijsaard.
Enjolras boog en kuste deze eerwaardige hand, gelijk hij den vorigen avond het voorhoofd had gekust.
’t Waren de twee eenige kussen, welke hij in zijn leven gegeven had.
Laat ons kort zijn. De barricade had als een poort van Thebe weerstand geboden; de herberg streed als een huis van Sarragossa. Zulke verdedigingen zijn wreed. Geen genade. Geen onderhandeling is mogelijk. Men wil sterven, mits men doodt. Toen Suchet zeide: „Capituleert,” antwoordde Palafox: „Na den oorlog met het kanon, den oorlog met het mes.” Niets ontbrak aan de stormende inneming der herberg Hucheloup; noch de straatsteenen, die uit de vensters en van het dak op de belegeraars regenden, en door hun vreeselijke uitwerking de soldaten woedend maakten, noch de geweerschoten uit de kelders en dakvensters, noch de woede van den aanval, noch de razende verdediging, noch, toen eindelijk de deur zwichtte, de dwepende waanzin der verdelging. De aanvallers, die de herberg binnendrongen, na de belemmeringen van de gebroken deur en ander puin aan den ingang overwonnen te hebben, vonden er geen enkelen strijder. De wenteltrap, die met bijlen was stukken gehouwen, lag in het midden van het benedenvertrek, eenige gekwetsten lagen te zieltogen, allen die niet gesneuveld waren, bevonden zich op de eerste verdieping, en door de opening van de zoldering, die tot ingang van de trap had gediend, brandde een vreeselijk geweervuur los. ’t Waren de laatste patronen. Toen deze verschoten waren, toen deze vreeselijke zieltogenden noch kruid noch lood meer hadden, nam ieder twee flesschen in de hand, welke Enjolras had achtergehouden en waarvan wij gesproken hebben, en met deze vreeselijk broze knotsen boden zij den beklimmers het hoofd.
’t Waren flesschen met sterk water. Wij verhalen deze treurige bijzonderheden van het bloedbad, zooals zij waren. De belegerde, helaas! gebruikt alles tot wapen. Het grieksche vuur heeft Archimedes niet onteerd, evenmin als het kokende pek Bayard. De geheele oorlog is een verschrikking; de keuze is onverschillig. Het geweervuur der belegeraars, hoewel belemmerd en van beneden naar boven, was moorddadig. De kant van de zolderopening werd spoedig met doode hoofden bedekt, waaruit roode, dampende stralen vloeiden. Het gerucht was onbeschrijfelijk; een ingesloten en brandende rook hulde dit gevecht schier in nachtelijke duisternis. Woorden ontbreken, om het afgrijselijke, tot dien graad gekomen, te schetsen. Het waren geen menschen meer in dit nu helsch geworden gevecht. ’t Waren geen reuzen meer tegen kolossen. Het geleek meernaar Milton en Dante, dan naar Homerus. Duivels vielen aan, spoken verdedigden zich.
’t Was de heldenmoed tot monster geworden.
Drie-en-twintigste hoofdstuk.Orestes nuchter en Pylades dronken.Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van ’t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in ’t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. ’t Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:„Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood.”„Ja, schiet mij dood,” zei Enjolras.Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijkevier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. ’t Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: „Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen.”Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: „’t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten.”Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.Toen riep een sergeant: „Legt aan!”Een officier trad tusschenbeiden.„Wacht!”En zich tot Enjolras wendende:„Wilt ge, dat men u blinddoeke?”„Neen.”„Is ’t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?”„Ja.”Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.Hij was in de volle beteekenis, wat men „smoordronken” noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op ’t eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem.—De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. ’t Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armenuit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter ’t biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando „legt aan” te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:„Leve de republiek! Ik behoor er toe.”Grantaire was opgestaan.De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.Hij herhaalde: „Leve de republiek!” ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.„Doodt er twee met één schot!” zeide hij.Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:„Veroorlooft gij ’t mij?”Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielenzij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.De barricade was ingenomen.De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.
Drie-en-twintigste hoofdstuk.Orestes nuchter en Pylades dronken.
Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van ’t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in ’t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. ’t Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:„Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood.”„Ja, schiet mij dood,” zei Enjolras.Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijkevier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. ’t Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: „Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen.”Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: „’t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten.”Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.Toen riep een sergeant: „Legt aan!”Een officier trad tusschenbeiden.„Wacht!”En zich tot Enjolras wendende:„Wilt ge, dat men u blinddoeke?”„Neen.”„Is ’t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?”„Ja.”Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.Hij was in de volle beteekenis, wat men „smoordronken” noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op ’t eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem.—De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. ’t Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armenuit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter ’t biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando „legt aan” te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:„Leve de republiek! Ik behoor er toe.”Grantaire was opgestaan.De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.Hij herhaalde: „Leve de republiek!” ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.„Doodt er twee met één schot!” zeide hij.Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:„Veroorlooft gij ’t mij?”Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielenzij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.De barricade was ingenomen.De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.
Eindelijk elkander tot ladder gebruikende, zich van ’t overschot der trap bedienende, langs de muren opklauterend, zich aan de zoldering klemmend en op den rand van het trapluik zelfs de laatsten die zich verdedigden neersabelend, vielen ongeveer twintig belegeraars, soldaten, nationale, municipale garden dooreen, de meesten in ’t gezicht gewond bij deze vreeselijke opstijging, verblind door het bloed, woedend, als halve wilden in de kamer der eerste verdieping. Slechts een man stond er nog overeind. ’t Was Enjolras. Zonder patronen, zonder degen, was hij nog slechts gewapend met den loop zijner karabijn, wier kolf hij op de hoofden der binnenstormenden had stukgeslagen. Het biljart stond tusschen hem en de aanvallers; hij had het naar den hoek der kamer geschoven, en daar, met fieren blik, met opgericht hoofd, met het gebroken wapen in de hand, was hij nog schrikbarend genoeg om ruimte om zich te maken. Een kreet ging op:
„Hij is de aanvoerder! Hij heeft den artillerist gedood. Wijl hij zich daar geplaatst heeft, is hij er goed en moet hij er blijven. Schieten wij hem hier dood.”
„Ja, schiet mij dood,” zei Enjolras.
Toen de stomp zijner karabijn wegwerpende en de armen over elkander geslagen, bood hij zijn borst aan.
De stoutmoedigheid voor den dood treft immer de menschen. Zoodra Enjolras de armen over elkander had geslagen en het einde inriep, hield eensklaps het gerucht van den strijd in de zaal op, en plotseling ging deze chaos in een soort van plechtige grafstilte over. De dreigende majesteit van den ontwapenden en bewegingloozen Enjolras scheen het tumult te bezweren, en enkel door het gezag van zijn rustigen blik scheen deze jongeling, de eenige, die niet gewond was, trotsch, bebloed, bekoorlijk, onverschillig als een onkwetsbare, dezen heilloozen troep te dwingen, hem met eerbied te dooden. Op dit oogenblik was zijn schoonheid, door zijn fierheid verhoogd, schitterend, en alsof hij evenmin vermoeid als gekwetst kon zijn, was hij, na de vreeselijkevier-en-twintig uren, die verstreken waren, blozend en frisch. ’t Was misschien van hem, dat later een getuige voor den krijgsraad zeide: „Er was een opstandeling, dien ik Apollo hoorde noemen.”
Een nationale garde, die op Enjolras aanlegde, zeide, het geweer latende zinken: „’t Is mij, alsof ik een bloem zou afschieten.”
Twaalf man vormden een peloton in den hoek tegenover Enjolras, en maakten zwijgend hun geweren gereed.
Toen riep een sergeant: „Legt aan!”
Een officier trad tusschenbeiden.
„Wacht!”
En zich tot Enjolras wendende:
„Wilt ge, dat men u blinddoeke?”
„Neen.”
„Is ’t waar, dat gij den sergeant der artillerie gedood hebt?”
„Ja.”
Sedert eenige oogenblikken was Grantaire ontwaakt.
Grantaire, zooals men zich herinnert, sliep sedert den vorigen avond in de bovenkamer der herberg, op een stoel zittende en op de tafel geleund.
Hij was in de volle beteekenis, wat men „smoordronken” noemt. Het afschuwelijke mengsel van absinth, stout en alcohol had hem in een soort van verdooving gebracht. Wijl zijn tafel te klein was om voor de barricade te kunnen dienen, had men ze hem gelaten. Hij was nog altijd in dezelfde houding, met de borst op de tafel gebogen, het hoofd op de armen, omgeven van glazen, kruiken en flesschen. Hij was in den diepen slaap van den verdoofden beer en van den verzadigden bloedzuiger. Niets had hem kunnen wekken, noch het geweervuur, noch de kanonskogels, noch het schroot, dat door het venster zijner kamer vloog, noch het ontzettend gerucht van den aanval. Hij beantwoordde slechts nu en dan het kanon met gesnork. Hij scheen hier een kogel af te wachten, die hem de moeite van te ontwaken zou besparen. Verscheidene lijken lagen rondom hem; en op ’t eerste gezicht kon men hem van deze diepe slapers des doods niet onderscheiden. Het gerucht wekt een dronkaard niet; de stilte wekt hem. Deze zonderlingheid is meermalen opgemerkt. De val van alles rondom hem, vermeerderde Grantaires bewusteloosheid; het gewoel wiegde hem.—De soort van stilte, welke het gedrag van Enjolras veroorzaakte, was een schok in dien diepen slaap. ’t Was de uitwerking van een galoppeerend rijtuig, dat plotseling stilhoudt. De daarin slapenden ontwaken. Grantaire richtte zich eensklaps op, breidde de armenuit, wreef zich de oogen, zag in de rondte, geeuwde, en begreep.
De dronkenschap, die eindigt, gelijkt een gordijn, dat weggetrokken wordt. In zijn geheel en met een enkelen blik ziet men alles wat de dronkenschap verborgen hield. Plotseling herinnert men zich alles; en de dronkaard, die niet weet wat sedert vier-en-twintig uren gebeurd is, behoeft slechts de oogen te openen om geheel op de hoogte te zijn. Het verstand komt met een plotselinge helderheid terug; de nevel der dronkenschap, een soort van damp die de hersens benevelde, verdwijnt, en maakt plaats voor de juiste opvatting der werkelijkheid.
In een afgezonderden hoek en als beveiligd achter ’t biljart, hadden de soldaten, die hun blik op Enjolras vestigden, Grantaire niet opgemerkt, en de sergeant was gereed om zijn commando „legt aan” te herhalen, toen zij eensklaps in hun nabijheid een forsche stem hoorden roepen:
„Leve de republiek! Ik behoor er toe.”
Grantaire was opgestaan.
De ontzettende gloed van het gevecht, dat hij verzuimd had, en waarbij hij niet geweest was, verscheen in den schitterenden blik van den herstelden dronkaard.
Hij herhaalde: „Leve de republiek!” ging met vasten tred door de zaal en plaatste zich vóór de geweren, bij Enjolras.
„Doodt er twee met één schot!” zeide hij.
Zich daarop met zachtheid tot Enjolras wendend, vroeg hij:
„Veroorlooft gij ’t mij?”
Glimlachend drukte Enjolras hem de hand.
De glimlach was nog niet verdwenen, toen de geweren losbrandden.
Enjolras, wien acht kogels getroffen hadden, bleef tegen den muur staan alsof de kogels er hem aan genageld hadden. Slechts liet hij het hoofd zinken.
Verpletterd zonk Grantaire aan zijn voeten.
Eenige oogenblikken later verdreven de soldaten de laatste opstandelingen, die naar boven in het huis gevlucht waren. Zij schoten door een houten hek op den zolder. Men vocht tusschen de hanebalken. De lichamen werden uit de vensters geworpen, sommige levend. Twee voltigeurs, die den verbrijzelden omnibus wilden terecht zetten, werden door twee geweerschoten uit de zoldervensters gedood. Een man in een kiel werd er uitgeworpen; hij had een bajonnetsteek in den buik en kermde nog, toen hij op den grond lag.
Een soldaat en een opstandeling rolden samen over de pannen van het dak, en elkander niet willende loslaten, vielenzij te zamen in deze wreede omhelzing. Evenzoo streed men in den kelder. Kreten, geweerschoten, woest getrappel; waarop stilte volgde.
De barricade was ingenomen.
De soldaten begonnen toen de naburige huizen te onderzoeken en de vluchtelingen te vervolgen.
Vier-en-twintigste hoofdstuk.Gevangene.Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. ’t Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergtein de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. ’t Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.De toestand was vreeselijk.Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. ’t Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in ’t oog hielden. ’t Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.Wat te doen?Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo ’t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd,zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in ’t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, ’t was Marius.Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.
Vier-en-twintigste hoofdstuk.Gevangene.
Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. ’t Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergtein de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. ’t Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.De toestand was vreeselijk.Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. ’t Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in ’t oog hielden. ’t Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.Wat te doen?Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo ’t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd,zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in ’t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, ’t was Marius.Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.
Marius was inderdaad een gevangene, de gevangene van Jean Valjean.
De hand, die hem van achter had omvat, op het oogenblik dat hij viel, en welke omvatting hij, toen hij bewusteloos werd, nog gevoeld had, was die van Jean Valjean.
Jean Valjean had geen ander deel aan het gevecht genomen dan er zich aan bloot te stellen. Buiten hem, zou niemand op dit uiterste oogenblik der zieltoging aan de gekwetsten hebben gedacht. ’t Was door hem, die als een voorzienigheid overal in het bloedbad tegenwoordig was, dat zij, die vielen, opgenomen, naar de benedenkamer gedragen en verbonden werden. In de tusschenpoozen verscheen hij weder in de barricade. Maar niets dat een schot, een aanval of zelfs persoonlijke verdediging geleek, kwam van zijn handen. Hij zweeg en leende bijstand. Overigens had hij nauwelijks eenige krabben. De kogels hadden hem niet willen hebben. Zoo hij aan zelfmoord had gedacht, toen hij dit graf binnenging, was hij in dit opzicht niet geslaagd. Maar wij betwijfelen het, dat hij aan zelfmoord had gedacht, wijl dit een ongodsdienstige handeling ware.
Jean Valjean hield zich in den dichten nevel van het gevecht, alsof hij Marius niet zag; maar werkelijk verloor hij hem niet uit het oog. Toen een geweerschot Marius deed vallen, sprong Jean Valjean met de vlugheid eens tijgers toe, viel op hem als op een prooi, en droeg hem weg.
De storm van den aanval was op dit oogenblik met zooveel geweld op Enjolras en de deur der herberg gericht, dat niemand Jean Valjean zag, terwijl hij, den bezwijmden Marius in zijn armen dragende, door de barricade ging en om den hoek van het huis Corinthe verdween.
Men herinnere zich dezen hoek, die een soort van voorgebergtein de straat vormde; hij beveiligde eenige vierkante voeten gronds voor de kogels en het schroot, en ook voor het gezicht. Zoo is er soms bij hevigen brand, een kamer die niet brandt, en in de woeste zeeën, voorbij een voorgebergte of tusschen de rotsen, een stil plekje. ’t Was in zulk een stil plekje binnen de barricade, dat Eponine gestorven was.
Daar bleef Jean Valjean staan; hij legde Marius zacht op den grond, leunde tegen den muur en sloeg de oogen rondom zich.
De toestand was vreeselijk.
Slechts voor het oogenblik, misschien voor twee of drie minuten, was deze muur een wijkplaats; maar hoe dit bloedbad te ontkomen? Hij herinnerde zich den doodsangst, waarin hij acht jaren geleden, in de staat Polonceau was geweest, en op welke wijze het hem gelukt was te ontsnappen; toen was het moeielijk, thans was het onmogelijk. Hij had vóór zich dat onverzoenlijke, zes verdiepingen hooge huis, dat slechts bewoond scheen door den uit het venster gebogen doode; aan zijn rechterhand de tamelijke lage barricade, welke de kleine Truanderie sloot; over die belemmering te klimmen scheen gemakkelijk, maar men zag boven haar top een rij bajonetten. ’t Waren de liniesoldaten, die, aan gene zijde der barricade geposteerd, haar in ’t oog hielden. ’t Was blijkbaar, dat ieder die over de barricade klom een pelotonsvuur te gemoet ging, en ieder hoofd, dat boven den straatsteenen muur uitkwam, tot mikpunt van zestig geweerschoten zou dienen. Aan zijn linkerhand had hij het slagveld. De dood was achter den hoek van den muur.
Wat te doen?
Slechts een vogel had zich uit deze plaats kunnen redden.
En er moest terstond een besluit genomen, een middel gevonden, een partij gekozen worden. Men vocht op weinige schreden van hem; gelukkig woedde alles op één punt, tegen de deur der herberg; maar zoo ’t slechts één enkel soldaat in de gedachte kwam het huis om te gaan of het van de zijde aan te vallen, was alles gedaan.
Jean Valjean aanschouwde het huis tegenover zich, de barricade bezijden hem, en toen zag hij naar den grond met de kracht van den uitersten nood, alsof hij er met zijn oogen een gat in had willen boren.
Terwijl hij dus strak naar den grond zag, nam iets, in zulk een angst nauwelijks zichtbaars, aan zijn voeten een vorm aan, als had de kracht van zijn blik het gewenschte voorwerp doen ontstaan. Eenige schreden van hem, aan den voet der kleine barricade, die van buiten zoo onmeedoogend bewaakt werd,zag hij, onder een hoop straatsteenen half verborgen, een ijzeren rooster, gelijk met den grond gelegd. Deze rooster, uit zware ijzeren staven bestaande, was ongeveer twee voet in ’t vierkant. De steenen, die het rondom hielden ingesloten, waren uitgebroken, zoodat de rooster los scheen te liggen. Door de staven zag men een donkere ruimte, iets als de pijp van een schoorsteen of den hals van een regenbak. Jean Valjean ijlde er op toe. Zijn oude wetenschap der ontvluchtingen schoot hem als een lichtstraal in den geest. De straatsteenen weg te ruimen, den rooster op te lichten, Marius, bewegingloos en stijf als een dood lichaam, op zijn schouders te nemen, met dezen last op de lenden, steunende op ellebogen en knieën, in dezen gelukkig niet diepen put af te dalen; het zware ijzeren rooster weder boven zijn hoofd te plaatsen, waarop de straatsteenen opnieuw vielen, den voet op een gemetselden bodem, drie voeten beneden den beganen grond te zetten, dit alles werd, als in een verrukking, met de kracht van een reus en de snelheid van een arend, uitgevoerd en duurde nauwelijks eenige minuten.
Jean Valjean bevond zich met Marius, die steeds in zwijm lag, in een soort van lange onderaardsche gang.
Daar heerschte diepe rust, volkomen stilte, nacht.
Denzelfden indruk, dien hij vroeger had ondervonden, toen hij uit de straat in het klooster viel, gevoelde hij ook thans. Maar, wat hij nu wegvoerde, was niet meer Cosette, ’t was Marius.
Ternauwernood hoorde hij thans, boven zich, als een dof gerucht, het ontzettend rumoer van de bestorming en inneming der herberg.