CONFUCIUS

CONFUCIUS(Kh’ oeng-Foe-Tsz’)Meer dan twee duizend jaren geleden is het, dat zijn lichaam gestorven is, maar nog altijd leeft de geest van Confucius in iedere Chineesche woning.Kort voor zijn dood, toen hij zich ziek voelde worden, zeide hij tot zijn discipel Tsz’ Koeng: „De groote berg valt in puin. De stutbalk breekt. De Wijze sterft weg als een plant”, maar dit doelde slechts op zijn stoffelijk omhulsel, waarin zijn groote geest tijdelijk op aarde woonde.Zijn geest, die onsterfelijk is, heeft sedert over geheel China getrild, en er is geen Geest van China denkbaar zonder den Geest van Confucius.„Mijn Leer is een Eenheid, die Alles samenhoudt,” zeide hij eens tot zijn leerling Ts’an. Het is die Synthese, die het groote gebouw van godsdienst, filosofie, literatuur, wetenschap en staatkunde van China bij elkaar heeft gehouden, in kosmische Eenheid.Er is eigenlijk niets in het leven der Chineezen, waarin de geest van Confucius zich niet openbaart. Geen enkele gewichtige handeling, geen enkele familie-, liefde-, of vriendschapsband, geen enkele literaire of filosofische arbeid, geen enkele godsdienstige of wijsgeerige gedachte, geen enkele beleefdheids-ceremonie, geen enkele maatschappelijke orde, geenenkellevens-ding van de Chineezen is eigenlijk denkbaar, waarbij de geest van Confucius hun niet beïnvloedt.Wèl zeer terecht schreef de Chineesche literator Cheng Chang Loo in 1909 in een Engelsch blad:„In China hebben wij gedurende de laatste 2500 jaar gewerkt op het geaccumuleerde kapitaal van onze voorvaderen,wier illustere herinneringen en onsterfelijke volmakingen voor ons zijn bewaard door de vooruitziendheid en de wijsheid van onzen grooten Wijze Confucius. Zonder Confucius zou het Verre Oosten—China, Korea, Annam en zelfs het nu machtige Japan—gezonken zijn in de diepten van barbarisme”.Al ware het alléén reeds om de twee door hem, honderden jaren vóór zijn grooten mede-Leeraar der menschheid, Jezus Christus uitgesproken gulden woorden:„Alle menschen binnen de vier zeeën zijn broeders”en„Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen niet”zou hij reeds den titel verdiend hebben, die boven den inbouw van den tempel van Confucius in Peking staat:„Wan Shi Sh’ Piao”(„Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”)en die de groote, literaire keizer Khang Hsi, de keizerlijke literator-filosoof, met eigen penseel heeft neergeschreven.De geest van Confucius heeft geleefd, en leeft nog altijd, in het penseel van iederen Chineeschen literator, en in de geheele, hooge Literatuur van China is het die geest geweest, die de Schoonheid er in deed stralen.Het eerste werk van de voornaamste literaire revolutionnairen van 1911–1912 was, om over het geheele land redevoeringen en voordrachten te houden, om de leer van Confucius duidelijk te maken, zooals is voorgeschreven in een der heilige Vier Boeken, de „Ta Hioh”, de Groote Leering. Mijn vriend Dr. Lim Boon King zond mij, in ’t begin van 1912, eene kleine serie Confucianistische teksten, door hem opgesteld, die het onderwerp zouden vormen zijner „yen shwoh” (voordrachten, ten doel hebbend, de nieuwe maatschappijop den grondslag van Confucius’ leerop te trekken.)Ik begin daarom de filosofie van China, waarin China’s Geest leeft, te behandelen met de leer van China’s populairste Wijze K’hoeng Foe Tsz’. Gelatinizeerd is deze naam Kh’oeng Foe Tsz’, die beteekent den Meester Kh’oeng, Confucius geworden.Confucius werd, volgens geloofwaardige commentators, geboren in ’t jaar 552 v. C., doch door China’s grooten historieschrijver Sz’ Ma Ch’ien is abusievelijk het jaar 551 v. C. opgegeven.Om een denkbeeld te hebben van den tijd, waarin Confucius leefde, moeten wij ons het China in die periode vooral niet denken als het China van de laatste eeuwen. Het was een geheel ander China, waarin alles, tot haardracht en kleeding toe, anders was dan nu.De Chineesche geschiedenis verliest zich in de verre Oudheid. De precieze datum van het begin dier geschiedenis is onbekend, maar het is zeker, dat China als eene natie reeds 6000 jaar bestaat. De eerste legendaire keizer, Pao Hsi of Fu Hsi, leefde 2402 jaar vóór de geboorte van Confucius, alzoo omstreeks 2953–2839 v. C. Het was gedurende de z.g. Chow-dynastie (1022–255 v. C.) dat de Chineesche oude beschaving tot haar volle ontwikkeling kwam. Confucianisme, de nieuwe godsdienst of juister misschien: de nieuwe filosofie van Confucius, was daarom niet de godsdienst van een primitief volk, maar van een volk met hooge, door eeuwen heen ontwikkelde beschaving.Tijdens Confucius’ leven was de Chow-dynastie al aan het vervallen, de keizers waren practisch al zonder werkelijke macht, en China leefde in een verval-tijdperk van feudalisme. Iedere feudale staat was eigenlijk een onafhankelijke natie, iedere vorst van zulk een natie vocht om de oppermacht en de macht van die feudale vorsten was eigenlijk grooter dan die van een keizer. Gedurende Confucius’ tijd was de macht van die vorsten alweer gaandeweg in de handen van eenige adellijkefamilies gevallen en heerschte er een soort oligarchie. Wanorde was door de regeerende klasse over het geheele rijk gebracht, terwijl het volk, niet genoeg ontwikkeld om voor zich zelf te zorgen, geheel verwaarloosd werd. Toch bestond er een midden-klasse, die zich zelf had opgevoed, en ontwikkeld genoeg was voor nieuwe ideeën. Die midden-klasse was het product van een reeds eeuwenoude beschaving. En, ondanks die oligarchie, en die verwarring had iedereen vrijheid van beweging en van spreken, zooals Dr. Chen Huan Cheng terecht opmerkt.In 522 werd Confucius geboren in den staat Loe, den staat van den hertog van Chow, ongeveer in ’t tegenwoordige Shantung. Loe was het centrum der toenmalige Chineesche beschaving. In militaire kracht was het de mindere van de oudere staten, maar in kunst, literatuur, filosofie en moraliteit de meerdere. Confucius’ vader was een hoog ambtenaar, zooiets als bij ons in een groote residentiestad een burgemeester. Confucius’ familienaam was K’oeng, zijn persoonlijke naam Ch’iu, en zijn puberteits-naam Chung Ni (een Chinees krijgt bij zijn puberteit een nieuwen naam). Later werd hij meestal met den eerenaam Meester, Leeraar aangeduid, in ’t Chineesch Foe Tsz’, dus Kh’oeng de Meester, d.i. Kh’oeng Foe Tsz’.Ik zal in dit hoofdstuk niet te lang over het leven van Confucius uitweiden, méér over zijn werken. Bijzonderheden over zijn leven kan men o.a. vinden in mijn 15 jaar geleden bij van Kampen uitgegeven werk: De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. Deel I Confucius, waarnaar ik hierbij verwijs.Ik volsta hier dus met te zeggen, dat hij, diep getroffen door de verwarring en ontaarding, die in zijn tijd in China heerschten, zijn leven lang werkte en streed, om door rede en wijsheid de regeering en het volk te hervormen. Op 52-jarigen leeftijd, na allerlei teleurstellingen en wederwaardigheden, werd hij magistraat van destad Chung Tu in den staat Loe. Zijn administratie en rechtspraak waren zóó rechtvaardig, dat de vorsten der naburige staten haar als model namen. Toen hij 53 jaar was werd hij benoemd tot Minister van Binnenlandsche Zaken, en later van Justitie, en toen hij 56 was, tot Eersten Minister. Zijn moreele invloed werd zóó groot, en de door hem aangebrachte hervormingen zóó verreikend, dat de naburige staten jaloersch werden, en vreesden dat de staat Loe hen allen zou overvleugelen. De vorst van den naburigen staat Ch’i zond toen, echt Oostersch, tachtig van de mooiste meisjes, die maar te vinden waren, met een geschenk van 120 prachtige paarden naar hertog Ting van den staat Loe, om deze van de wijs te brengen en van Confucius te vervreemden.De wijsheid moest toen wijken voor de schoonheid, de hertog en zijn hof dachten om niets meer dan om de mooie vrouwen, het volk, dat onder Confucius’ regeering zoo sterk en trouw en kuisch was geworden, begon door dit voorbeeld te ontaarden, en Confucius kon niets anders doen dan den staat verlaten, waar de zinnelijke schoonheid de wijsheid verdrongen had.Van toen af werd zijn leven, als dat van Dante, één zwerftocht buiten zijn vaderland. Hij zwierf door al de feudale staten van China, waar hij overal zijn diensten aanbood tot hervorming van regeering en volk, nù eens tijdelijk aangenomen, en later weer afgewezen, voortdurend uitgestooten, en zelfs nu en dan gevangen genomen. Zijn vele reizen waren echter óók eenigszins in den geest van zendingswerk. Overal verspreidde hij zijn leer, kreeg discipelen, en stichtte scholen van zijn levensleer. Op het laatst had hij wel drieduizend discipelen. Na veertien jaar verguisd in den vreemde te hebben gezworven, werd hij door zijn geboorte-staat Loe teruggeroepen, maar kreeg daar toch geen ambt meer. Hij was toen 69 jaar. Confucius was, als zoo vele groote mannen, niet bestemd om zijn eigen onmiddellijke tijden te dienen, maar om de eeuwen van de toekomst te beïnvloeden.Al vroeger, toen hij 48 jaar was, had hij de oude heilige geschriften van China, overgeleverd door eeuwenlange beschaving, verzameld, herzien en toegelicht.Ik moet hier zeggen, dat China in Confucius’ tijd heilige boeken bezat, die werden geacht, door hoogere geestelijke machten geïnspireerd te zijn, evenals gedacht wordt van onze Heilige Schrift. Deze geschriften werden genaamd King (in ’t Peking-Mandarijnsch: Ching.) Confucius wordt door de Chineezen geacht een door hoogere macht gezondene en aangewezene te zijn geweest, om goddelijke wijsheid te verkondigen en ook om die Heilige Geschriften, de King’s, te ordenen en te regelen, zoodat zij, in den door hem geordenden vorm, zouden bewaard blijven. De Chineesche geleerde Chen Huan Chang in zijn onlangs, door de Columbia-University uitgegeven werk „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt dat het woord King door de Europeesche sinologie „mistranslated” (verkeerd vertaald) is met:Classics, Klassieken. Prof. Legge, een groot sinoloog, maar als zendeling bevooroordeeld, spreekt voortdurend van de door hem vertaalde Kings als vanChinese Classics. De juiste vertaling is volgens Dr. Chen: ChineescheHeilige Schriften, een soort Chineesche Bijbels dus. Bijbel, zegt hij, ware de rechte vertaling voor King, en wordt ook als zoodanig gebruikt door moderne hedendaagsche Confucianisten. Of dit juist is zou ik echter niet durven verzekeren.Deze Chineesche Kings nu, zooals zij thans bewaard zijn, zijn gedeeltelijk eigen werk van Confucius, al bevatten zij wijsbegeerte, poëzie en geschiedenis van de vroegste eeuwen af.Er waren oorspronkelijk 6 van die Chineesche Heilige Schriften, waarvan er één, die der Muziek, in de Han-dynastie (ongeveer 85 n. C.) verloren is gegaan, zoodat er nu nog 5 over zijn, door Confucius verzameld, geredigeerd, en ook gedeeltelijk geschreven.De eerste is deShi King, of Bijbel der Poëzie. Hijbevat 305 Gedichten en Odes die door verschillende dichters eeuwen vóór Confucius geschreven zijn, maar door Confucius volgens zijn eigen principes uitgegeven. Zeer mooi is door Confucius het wezen van dezen King en ook het wezen der Poëzie gekarakteriseerd toen hij eens tot zijn discipelen zeide: „De Shi King heeft 300 stukken, maar alles kan worden vervat in één zin:Hebt géén lage gedachten.”De tweede is deShoe-King, de Bijbel der Geschiedenis, die de geschiedenis bevat van China, vanaf 2357 j. v. C.–621 v. C. De documenten hiervoor zijn geschreven door verschillende auteurs, maar door Confucius uitgegeven. Geheele, belangrijke hoofdstukken ervan, herkenbaar aan hun zelfden, van de anderen verschillenden stijl worden door bevoegde Chineesche geleerden aan Confucius zelf toegeschreven.De derde is deLi Kiof de Annalen van den Ritus en het Decorum. Hij bevat alweder zéér oude geschriften, over zeden en gewoonten, maar verzameld en geredigeerd door Confucius.De vierde is deYih King, de Bijbel der Transformaties, beter en juister: de Bijbel der Evolutie, het diepzinnigste boek der Chineesche filosofie. Ofschoon hier de acht triagrammen van keizer Foe Hsi (2953–2839 v. C.) de grondslag van zijn en ook de daaruit afgeleide 64 hexagrammen van Wen Wang, is volgens sommige Chineesche geleerden het grootste deel tekst van Confucius. Confucius heeft eens gezegd dat hijeen overleveraar en geen makerwas. Hij heeft dan ook zéér veel oude wijsheid die reeds bekend was overgeleverd. Maar overigens moet dit gezegde betracht worden als eene uiting van de bekende Chineesche bescheidenheid. Confucius heeft nietenkelovergeleverd, maar ook zeer veelzelfgemaakt.De vijfde is de z.g.Ts’oen Ts’ioe(lett: Lente en Herfst), een boek, dat geheel en al door Confucius geschreven is, het éénige geheel van hèm alléén. Het bevatde geschiedenis van China van 722–481 v. C. Om dit boek te kunnen vervaardigen, zond Confucius 14 zijner leerlingen uit om de heilige geschriften van 120 volken voor hem te halen en deze te bestudeeren, aldus Dr. Chen Huan Chang.Ik heb vroeger, o.a. toen ik, nu 15 jaar geleden, mijn Hollandsch werk over Confucius uitgaf, gedacht, dat dit boek Ts’oen Ts’ioe een exclusief geschiedkundig karakter had, en daarom van niet zooveel beteekenis was voor zijn filosofie. Dit is ook het oordeel van de meeste Europeesche sinologen. Sedert echter hebben Chineesche geleerde vrienden mij er op gewezen, dat dit niet juist is. Het zou n.l. niet zuiver historisch van karakter zijn, volgens hun oordeel. Zooals Dr. Chen Huan Chang er van zegt: „De woorden, uit de geschiedenis aangehaald, zijn slechts de beelden, waarmede Confucius zijn principes illustreert”. „Ik zou mijn ideeën als pure theorieën willen verkondigen”, zeide Confucius er zelf van, „maar het is dieper, waarder, helderder, glanzender, ze te representeeren door de daden van menschen”. Hij critizeert er de keizers in, verlaagt er de vorsten in, valt de hooge ambtenaren aan en vestigt zijn ideale koninkrijk, een republiek op aarde door de Ts’oen Ts’ioe. Confucius was dus, als trouwens alle groote mannen, een revolutionnair. Confucius heeft zelfs gezegd: (zie de Loen Yü): „Het is alleen de Ts’oen Ts’ioe die mij bekend zal maken bij de menschen, en ’t is alleen de Ts’oen Ts’ioe die zal maken dat de menschen mij veroordeelen.”Van de 5 daar zooeven door mij opgenoemde boeken zijn de Yih King de Bijbel der Evolutie, en de Ts’oen Ts’ioe de voornaamste, volgens sommige Chineesche geleerden.De Yih King is deductief, beginnende met abstracte principes en voortgaande tot hun practische toepassing; de Ts’oen Ts’ioe is inductief, en komt door de analyse van feiten uit de historie tot algemeene theorieën.Voor degenen onder mijn lezers, die mijn in 1898verschenen boekje over Confucius mochten gelezen hebben, zou ik er hier gaarne even op wijzen, dat het mij nù zéér spijt, daarin niet meer van deze twee Chineesche Kings te hebben gezegd, die zoo veel van Confucius zelf en zijn godsdienstige wijsbegeerte bevatten. Ik schaam mij niet te zeggen, dat ik in de 16 jaar, die na de publiceering van dat werkje verloopen zijn, wat dieper in de Chineesche filosofie ben doorgedrongen, en er wat méér van geleerd heb. Ik ben dan ook bezig aan een vollediger werk er over, waarin ik het vroeger te weinig gegevene hoop in te halen.Bij zijn terugkomst in Loe, toen hij 69 jaar oud was, voltooide hij de Yih King, en hij was 72, toen hij de Ts’oen Ts’ioe schreef. In 479 v. C. stierf hij 74 jaar oud, 8 jaar vóór de geboorte van Socrates.Ik heb Confucius’ leven hier maar even zéér beknopt behandeld, omdat ik liever gauw op zijn leer wilde neerkomen.Wat wij van Confucius’ Wijsheid over hebben is (behalve wat ik zooeven aanhaalde, de Ts’oen Ts’ioe en de bewerking der 5 Kings) alles overlevering zijner discipelen, dus niet door hem zelf geschreven werk. Deze overleveringen, werken van discipelen over Confucius en zijn leer, deChoeng1Yoeng, deTa Hiohen deLoen Yüworden, met de werken van den filosoofMêng Tsz’of Mencius, de z.g.Sz’ Shoed.i.Vier Boekengenoemd, naast de vijf Kingsdeliteraireenfilosofische schatten van China.Ik zal nu beginnen met de Choeng Yoeng, door Confucius’kleinzoon K’oeng Kei geschreven, die gewoonlijk bij zijn studeernaam Tsz’ Sz’ wordt genoemd. De Choeng Yoeng is de zuivere, overgeleverde leer van Confucius, door Tsz’ Sz, zijn kleinzoon en discipel, uit den mond van den Wijze opgeteekend, omdat hij vreesde, dat ze anders wellicht later verkeerd zou worden overgebracht.Confucius’ discipelen waren gewoon, belangrijke woorden van hun Meester op tabletten aan te teekenen om ze te onthouden.Ik zal den eersten tekst geheel opschrijven om een idee te geven van den uitersten eenvoud en kortheid van Chineesche filosofie.(van boven naar beneden te lezen, van rechts naar links, te beginnen met kolom A)2CBASiuShwaaiTh’ienTaoSingMingChüChüChüWeiWeiWeiKiaoTaoSing天命之謂性。率性之謂道。修道之謂教。Dit zijn in ’t geheel maar 15 schriftteekens of karakters, maar er zijn geheele boekdeelen te schrijven, en die zijn dan ook geschreven, over de uitlegging van dezen tekst.Nu is ’t gemakkelijk om, zooals wel eens enkele sinologen gedaan hebben, voor ieder der Chineesche karakters een equivalent te nemen in een Europeesche taal, en er dan een paar Europeesche zinnen van te maken. Ik moet er echter nog eens op wijzen dat een Chineesche tekst niet is een representatie vanwoorden, maar een opeenvolging vanideeënen dat de combinatie van die symbolen niet is een representatie van wat de schrijver wildezeggen, maar vooral van wat hijdenkt. Een woordelijke versie is daarom onmogelijk.Prof. Legge, de groote, erkende sinoloog van deChinese Classicsheeft den eersten zin vertaald met:„What Heaven has conferred is called the Nature” (wat de Hemel heeft verleend wordt genaamd de Natuur). En hij zegt er in een commentaar bij: „BySing of Nature is to be understood the Nature of Man”.(Onder Sing of natuur is te verstaan de Natuur van den Mensch).Er zit echter véél meer aan vast, en ik zeg dit, behalve uit eigen overtuiging, op gezag van Chineesche geleerden. Wij moeten dus dezen tekst eens wat nader beschouwen. Ten eerste: Wat wordt hier bedoeld met Hemel?In de alleroudste Chineesche godsdienst en geschiedenisboeken lezen wij van één, alleroppersten God, oneindig en in-zich-zelf bestaande, die genaamd werd Shang Ti letterlijk vertaald met: Opperste Macht of Heer. (In de Bijbelvertaling is God dan ook met dit Shang Ti vertaald). Voor dit abstracte begrip Shang Ti is later een meer concreet, Th’ien, de Hemel, in de plaats gekomen. Trouwens, ook wij spreken dikwijls in volkstaal van de Hemel, waar wij God bedoelen. Shang Ti en Th’ien zijn daarom in de oude Chineesche Heilige Schriften één en hetzelfde, het eerste alleen abstracter, het tweede wat concreter uitgedrukt. De alleroudste Chineesche godsdienst spreekt niet van goden of afgoden, maar van één Opperwezen, Shang Ti, later ook wel Th’ien, Hemel, genaamd.Het karakter Ti bestaat uit een combinatie van twee, waarvan het eene: Boven, en het andere: Doordringen beteekent, dus: het Opperste dat alles doordringt.Het woord „ming” is samengesteld, ideografisch, uit „mond”, en „bevelen” of „ordonneeren”, en beteekent niet alleen bevel, order, maar ook het bevel zelf, het z.g. mandaat, en ook: de wil, die het bevel gaf. Zoo wordt de Regeering beschouwd te zijn als een mandaat, bevel van den Hemel, en ook dat, wat van den Hemel verkregen is bij Hemelsche beschikking. Al deze beteekenissen te zamen liggen opgesloten in ’t karakter ming, en het is onmogelijk, die met een Hollandsch woord weer te geven. Omschrijvend, zou het hier zijn: „Dat, wat de Hemel, beschikt heeft, te bevelen en te verleenen, en ook dàt, wat van den Hemel verleend is krachtens deze beschikking”. Meer vrij-Europeesch: dat wat de HemelscheWijsheid geordonneerd heeft dat zoo zij. (Het karakter Chü duidt een soort genitief aan, hier meer dat wat.) Dit nu, wordt genaamd, Sing, een karakter, samengesteld uit hart, en geboren worden. Dus geboren zijn van het hart. Dit karakter hart beteekent in ’t Chineesch ookgeest, mind, niet alleen ’t physieke hart. We moeten nu den zin niet letter-alphabetisch, maar symbolisch lezen, zooalsalleChineesche filosofie. We zien, hier, ideografisch gelezen, staan: dat, wat de Hemel beschikt, bevolen heeft en ook: dat, wat van den Hemel krachtens die beschikking ontvangen is, heet (wei) „hart geboren”.In de Europeesche, alphabetische taal moeten die symbolen worden omschreven, die in ’t Chineesch niet gespeld in letters en geconstrueerd in zinnen, maargedachtworden en als gedachten ideografisch voorgesteld. De Chineesche tekst wordt daardoor als ’t ware op een ander gebied overgebracht, want hij is meer op gedachte-gebied dan op taal-gebied.We krijgen dan, véél uitvoeriger en met véél meer omhaal:Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest) verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen) heet Sing.De groote Chineesche filosoof Choe Hie, die van 1129–1201 v. C. leefde, noemt deze Sing „het goddelijke principe (li)”.Er staat volstrekt niet bij, dat deze Sing alleen aan den mensch gegeven zou zijn. Integendeel, zoowel Choe Hie als andere groote Chineesche wijsgeeren en commentators zeggen er uitdrukkelijk bij, dat: Alle myriaden dingen (wan woe) deze Sing in zich hebben. De Sing is dus volstrekt niet alleen de natuur van den mensch, maar veel universeeler, het goddelijke principe van Shang Ti, het Opperwezen, in zijne openbaring in het Heelaldaaraan gegeven. Men kan dit polytheisme noemen, men kan ’t echter ook monotheisme noemen, want het neemt één God aan, al is ’t geen persoonlijke God, niet buiten het Heelal staande, maar in ’t geheele Heelal gemanifesteerd, en er dus één mede. Voor zoover ’t op menschen betrekking heeft, in beperkter zin, kan men het de Hemelsche natuur van den mensch noemen.De volgende tekst luidt:Het volgen van den (leider) Sing heet Tao.Het karakter率„shwaai” (zie B) beteekent hier:het volgen van een leider, het medegaan met, het gehoorzaam zijn aan, en tegelijk het den vrijen loop laten aan.Dit Tao—een van de beteekenisvolste karakters in de Chineesche filosofie—is dus hier in Confucius ongeveer als het Pad, de Weg, mits men dan altijd in ’t oog houde: EengeestelijkeWeg, eengeestelijkPad, en niet aan afstand of ruimte hierbij denke. Het volgen van den leider Sing, het goddelijke principe in ons, is alzoo de geestelijke Weg, of het geestelijke Levens-bewegen.De derde tekst luidt:Het regelen, cultiveeren (siu修zie C beteekent beide) van de Tao (den spiritueelen Weg) heet Kiao.Kiao is een Chineesch karakter dat Onderwijs, Leering beteekent, maar dat ook in zekeren zin Godsdienst beteekent. Het karakter voor godsdienst is ook: Kiao. In den godsdienstigen zin beteekent Kiao: moreele lessen, somtijds sluit het het geheel der beschaving in. Daarom is wat de Chinees onder godsdienst verstaat niet alleen spiritueel, maar ook moreel, sociaal en filosofisch.Kiao is zoowel gewoon onderwijs als godsdienst. Endat is zoo vreemd niet als ’t wel lijkt, want de Chinees beschouwt godsdienst als de moreele les leerend道Tao, den spiritueelen Weg, (het volgen van den leidenden Sing) te begaan. Een opvoedende instelling is in China daardoor kerk en school beiden. De eigenlijke priesters van ’t Confucianisme, dat geen priesters heeft, zijn dan ook de literati, die de hoogere literatuur, d.i. de Confucianistische filosofie, onderwijzen.Ik heb deze teksten hier neergeschreven, om een denkbeeld te geven, hoeveel er aan die aparte Chineesche karakters vastzit, en hoe moeilijk het is, er equivalenten voor te krijgen in Europeesch alphabetisch schrift.Ik wijs er nog even op dat het karakter Tao, de spiritueele Weg of het geestelijk Pad, bestaat, ideografisch, uit: bewegen, of rondgaan, en hoofd, hier dus in den zin: spiritueele hoofd, geestelijk hoofdprincipe, dat beweegt, of rondgaat in ’t Heelal. In de nog oudere filosofie, en in Lao Tsz’, beteekent ditzelfde Taoniethet spiritueele Pad, maar de suprême Geestzelf, die zich in ’t Heelal openbaart en daarin zijn Weg gaat en dat is de oorspronkelijke beteekenis van Tao.Het zou te lang duren en ook voor een publiek van niet sinologen wat te moeilijk worden, als ik nu ook alle andere teksten in ’t Chineesch zou neerschrijven, dus de volgende geef ik daarom in mijne vertaling:„Welnu, Tao mag geen oogenblikje verlaten worden. Kon het verlaten worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over wat hij niet ziet, en in vreeze over wat hij niet hoort. Wat men niet ziet is verborgen, wat niet zichtbaar geopenbaard is, is subtiel. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over zijn eenzaamheid.”Dus niet op de zichtbare en hoorbare dingen, door de zinnen waarneembaar, moet de Superieure Mensch enkel letten, maar over de verborgen, subtiele, geestelijke dingen, diep in zich zelf, behoort hij te waken en er voorin reverente vreeze te zijn. Daarom is hij waakzaam over zijn eenzaamheid. (Een karakter „toe”, door den filosoof Choe Hie omschreven met: „de plaats die andere menschen niet weten, maar die wij alleen weten”). In die plaats juist, in onze diepste binnenste, kunnen wij van den geestelijken Weg, van Tao, afwijken. En Tao mag geen oogenblikje verlaten worden, anders zou het niet Tao, het volgen van den leider Sing, ’t Hemelsche principe zijn.Nu komen weer twee belangrijke teksten:„Als vreugde, toon, smart, of geluk nog niet bewegen, heet dat Choeng (Midden, Centrum); als zij wèl bewegen, maar in den juisten maat, heet dat Ho (Harmonie). Dit Choeng (Centrum) nu, is de groote oorsprong van het geopenbaarde, deze Ho (Harmonie) is de manifestatie van Tao (den Spiritueelen Weg).„Als men het uiterste Choeng en de uiterste Harmonie bereikt heeft, zijn Hemel en Aarde gevestigd en al het geopenbaarde ligt gevoed en gekoesterd”.De geestelijke portée van de laatste teksten is niet altijd volledig door Europeesche vertalers begrepen.Confucius’ filosofie is hier verwant aan de oude Indische, n.l. de Brahmaansche en Hindoesche filosofie. Het Choeng, Midden, Centrum, is verwant aan wat in die oude wijsbegeerten bedoeld wordt met het goddelijke,onpersoonlijkZelf, dat Zelf, dat, als ongeopenbaard in ’t Heelal, volkomen rustig, stil onbewegelijk is. Als de mensch die goddelijke rust in zich zelf, in zijn goddelijke Zelf, heeft bereikt, bewegen geenerlei aandoeningen van vreugde of toorn, smart of geluk. Is men in dit Choeng, Midden, geconcentreerd dan voelt, zegt een Chineesche commentator er bij, men zijn Sing één met de Sing van alle menschen en dingen, van al ’t door ’t Opperwezen geopenbaarde, en voelt men hoe Hemel en Aarde en al dat geopenbaarde gevestigd zijn in ’t goddelijke en dus gevoed en gekoesterd liggen in dat goddelijke,Choe Hie zegt in een commentaar: „Is mijn hart recht, dan is dat van Hemel en Aarde óók recht”.Als de aandoeningen vreugde, toorn, smart of geluk wèl bewegen, maar in de juiste middenmaat, dan is er Harmonie in den Mensch, een bewijs, dat Tao, ’t Geestelijke Pad, gevolgd wordt, dat zich manifesteert in Harmonie. Choeng slaat dus meer op ’t hóógste als ongeopenbaard, Ho op het geopenbaarde, want Tao is de Weg van ’t geopenbaarde.Choeng is dus het einde van dat Pad, het einde van Tao, dat, waartoe Tao leidt, en waarna alle menschelijke aandoeningen, vreugde, toorn, geluk, smart, zwijgen en ophouden, als de groote Rust is binnengetreden. Harmonie, Ho, in die aandoeningen is ’t bewijs, dat men in Tao, het Pad gaat, dat daartoe leidt.Het zou voor een sinoloog een loonend werk zijn, eens eene studie te schrijven over de, totnutoe nog veel te weinig opgemerkte overeenkomst van deze Confucianistische bespiegelingen, met oude Indische wijsbegeerte, ook het Boeddhisme.De concentratie in het van den Hemel gegeven zelf, het vrij worden van aandoeningen en hartstochten, den geest geconcentreerd in het Hemelsche; het inwendige, spiritueele leven, vrij van de uitwendige verschijnselen, dit alles zou voor een Brahmaan en een Boeddhist volkomen begrijpelijk zijn.De titel van het werk waarvan ik zooeven den eersten tekst opschreef, is Choeng Yoeng.Onder Choeng (het schriftteeken is: Midden) is te verstaan het zonder overneiging naar een of andere zijde zijn, dus: stabiel, in rust, eeuwig zijn; onder Yoeng het nooit veranderen, altijd hetzelfde blijven. Choeng is het doel van de rechte Tao, het rechte spiritueele Pad, dat altijd stabiel ’t zelfde is, en niet neigt naar een of andere zijde, Yoeng is het vaste principe van al ’t Geopenbaarde, de onveranderlijke kern van al de veranderlijke dingen.De voorreden van de Choeng Yoeng zegt van het eerste hoofdstuk, dat ik zooeven behandelde: „Het spreekt eerst van het ééne principe (de Sing n.l.) dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen, ten laatste keert het terug en vereenigt ze weer onder het eene principe. Ontrol het, en het vult het Heelal, rolt het (weer) op en het verbergt zich in mysterie”.M.a.w. het Hemelsche principe doordringt het Heelal, en is in alle dingen gemanifesteerd, de Eenheid is in de Veelheid, maar alle Veelheid kan teruggebracht worden tot Eenheid. En die Eenheid, het goddelijke, ligt voor ons verborgen in mysterie.In de Loen Yü, eene verzameling gezegden van en over Confucius, door zijne discipelen opgeteekend, komt het volgende gezegde van den Meester voor: „Mijn leer is een Eenheid die alles samenhoudt”. Met deze Eenheid bedoelde hij het universeele van het goddelijke principe, dat het Heelal, en dus ook de menschen, doordringt, de Sing, door den Hemel of het Opperwezen in Zijne Wijsheid, zijn Wil gegeven, toen Hij zich openbaarde, en waarvan het volgen heet Tao, het spiritueele Pad, dat alzoo is als het bewegen van de zich openbarende Godheid in het Heelal, dat Hij openbaarde.Met betrekking op de menschen vindt dit Eenheids-Idee óók haar uiting, in een ander karakter uit de Confucianistische filosofie, n.l. „Shoe”, ideografisch samengesteld uit „evenals”, „gelijk aan” en „hart”, dus: „gelijk aan mijn hart”.In de Loen Yü lezen wij: Tsz’Koeng (een van Confucius’ discipelen) vroeg eens: „Is er één woord, dat als een regel van gedrag voor ’t geheele leven kan gelden?” De Meester zeide: „Is niet Shoe zulk een woord? Wat gij niet wilt van anderen gedaan zijn, doe dat ook aan anderen niet”.Deze tekst, bijna eender door Jezus Christus later geuit, is karakteristiek voor Confucius’ filosofie. Dit karakter „shoe” is moeilijk te vertalen, ideografisch leestde Chinees er al in: gelijk mijn hart is het hart der menschen. Prof. Legge vertaalde het door „reciprocity”.We zouden het ook, in Hollandsche termen gelijkheid of broederschap kunnen noemen. Het groote principe van Confucius nu is: de eigen Sing rein houden en volmaakt doen blijven, maar ook: de Sing van anderen, van onze broeders, rein houden en volmaken, en dit laatste geschiedt door Kiao, dat èn onderricht en godsdienstleer beteekent. De Hemel, of Shang Ti, gaf ons bij onze geboorte de Sing, en is dus onze Vader. Onze medemenschen, die immers dezelfde Sing hebben als wij, zijn onze broeders. Dr. Chen Huan Chang noemt dat in westersche termen:De leer van ’t vaderschap van God en de broederschap der menschen.Als de zoon van Shang Ti, later beschouwd van Th’ien, Hemel, werd in latere eeuwen erkend de Keizer, wien dan ook de eerenaam Th’ien Tsz’, d.i. Zoon van den Hemel, werd gegeven. Met betrekking tot het menschelijk leven op de aarde—dus niet in hóógeren metaphysischen zin hier—werd een ander Drietal als heilig, van hooger hand vastgesteld, aangenomen, n.l. Th’ien-Ti-Jên, Hemel-Aarde-Mensch. De hooge wetten, die den Hemel, Th’ien regeeren, zijn dezelfde als die, welke de aarde, en ook de menschheid regeeren. Al die wetten, die de menschheid regeeren, en die met bepaald ceremonieel worden samengehouden en uitgevoerd, openbaren zich in wat in de Chineesche taal „Li” heet, een onvertaalbaar begrip, waar decorum nog het dichtste bij komt, mits begrepen als: door hoogere machten en wetten vastgesteld, die ook den Hemel regeeren. De vaste wetten, die het geheele planeet-stelsel zijn baan aangeven, zijn dezelfde als die de z.g. betrekkingen der menschen regelen. Men houde dit goed in ’t oog, want de geheele inrichting van den Chineeschen staat en van de Chineesche familie (die de staat in ’t klein is), werd beschouwd als een goddelijke instelling.Wat nu de Orde der dingen aangaat in de menschheid,het voornaamste hiervan was volgens Confucius het onderhouden der z.g. Woe Loen, d.i. Vijf Betrekkingen, n.l. die tusschen Vorst en Onderdaan, Vader en Zoon, Man en Vrouw, Ouderen Broeder en Jongeren Broeder, en Vriend en Vriend. Deze betrekkingen worden beschouwd als te zijn ingesteld door goddelijke wet, en eigenlijk als eene voortzetting in de menschheid der kosmische wetten.Een van de allereerste deugden van den Mensch is de Hiao, uitgedrukt, zeer treffend, door een ideografische combinatie van ’t karakter oud en ’t karakter kind, waarin ’t kind, onderaan geplaatst, het oude steunt.Dit Hiao wordt meestal door Filial Pity, Ouderliefde, vertaald, maar heeft een veel wijdere strekking dan algemeen geacht wordt. Hiao is n.l. niet alleen ouderlijke liefde, maar in ’t algemeen een geheele wijsbegeerte, gebaseerd op de regelende harmonieën der Natuur, op de wederzijdsche verplichtingen tusschen die bovenaan staan in de wereld en die onderaan staan, en op de kracht van het voorbeeld. De Hiao is, in ’t maatschappelijke leven der Chineezen, wat de orde der hemelsche bewegingen en de onuitputtelijke vruchtbaarheid van de aarde is ten opzichte van het zichtbare heelal.In de Hiao King, door een van Confucius’ discipelen gecompileerd, maar van onbekende afkomst, is alles over deze deugd te vinden. Hier volgen eenige teksten er uit, waaruit men ziet, dat het méér is dan enkel liefde voor de ouders.„Van de Hiao is het eerste principe om, in zuiverheid en kracht, het lichaam te behouden, dat wij van onze ouders hebben gekregen. Zijn volmaaktheid ligt in de beoefening van de deugd en in ’t verwerven van een naam, die hun herinnering eer aandoet.”„Zijn voorbeeld is de regelmatigheid der hemelsche lichamen in ’t verschaffen wat noodig is voor de aarde, en in ’t regelen van de daden der menschen.”„De koningen, van oudsher af, in ’t betrachten vanHiao, zouden niet een oude van dagen of een weduwe durven verachten, noch iemand, beroemd om zijn deugd en wijsheid.”„Eén deugdzame koning trekt een heel volk met zich mede. Laat de vrees om de herinnering aan Uw ouders te kwetsen de eerste gedachte zijn van Uw droomen, en laat de slaap ze niet verdrijven”.Hiao is dus méér dan ouderliefde, het is ook eerbied voor den koning, eerbied voor deugd en wijsheid, voor ouden van dagen, ja, we kunnen gerust zeggen, voor al wat schoon en edel is, en zelfs de koning en de keizer hebben alleen dan Hiao, als zij rechtvaardig en wijs regeeren.De eerste aller deugden zegt Confucius, ’t zij in een zoon of in een onderdaan, is Hiao. Het is dit wat de mensch van ’t redelooze dier onderscheidt, het is dit, hetgeen de erkentenis is van de ware relatie tusschen kind en vader, tusschen vader en Hemel, en door de beoefening van Hiao is het, dat de harmonie van ’t Heelal wordt bewaard.Dat Hiao nog véél verder gaat dan alléén liefde en gehoorzaamheid aan de ouders kan blijken uit een tekst uit de Li Ki, die luidt: „Iedere boom heeft zijn bepaalden tijd om te vergaan en ieder beest om te sterven, en hij, die een boom omhakt vóór zijn tijd, of een beest doodt vóór diens tijd is schuldig aan een gebrek aan Hiao”.Zeer treffend is het feit, dat onder de vijf Betrekkingen ook Vriendschap is opgenomen.De liefdetusschenbroeders is even heilig als de liefde tusschen vrienden. Vriendschap is in China een even heilige zaak als nauwe bloedverwantschap. Van den keizer af moeten allen vrienden hebben, zegt Confucius.Vriendschap is de eerste van alle sociale relaties en mag niet voor één dag verwaarloosd worden. Niemand mag een vriend hebben, die niet minstens zijn gelijke is. Vrienden zijn weelde voor de armen, kracht voor dezwakken, medicijn voor de zieken. Zij moeten altijd de slechte dingen van hun vriend vergeven en om hun deugden blijven denken. De schoonste vriendschap is die, welke door den band der literatuur is gemaakt. Confucius zeide: Sluit vriendschap met de deugdzaamsten onder de literatoren. De hoofdplicht tusschen vrienden is: sin, een ideografisch karakter, samengesteld uit „mensch” en „woorden” of „spreken”.„Sin” beteekent dan ook waarheid, oprechtheid, geloof. Geraaktheid, twijfel, wantrouwen tusschen vrienden is een gebrek aan sin.Confucius onderscheidt nu drie soorten van menschen. De eerste, maar héél zeldzame, zijn de Shêng Jên, de Heilige Menschen, Wijzen, en dat zijn de uitverkorenen, die vanzelf de hoogste Wijsheid zonder inspanning bezitten, en die daarom van zelf Tao, het spiritueele Padbegaan, zonder dat daartoe ontwikkeling door Kiao, onderricht, leering, noodig is. Hun Sing, hun goddelijke principe, wordt nooit, door wàt ook van menschelijken aard, verduisterd, en verkeert van zelf in den staat van volkomen volmaking, die Confucius uitdrukt met het schriftteeken: Ch’ing, een karakter, bestaande uit „woord”, en, „volmaakt”.Ch’ing is de volmaakt reine, door niets verduisterde, oorspronkelijke, en dus goddelijke staat van de Sing. Zij, die in den staat Ch’ing zijn, hebben het al-Weten en doorgronden de goddelijke dingen.Zij zijn in zekeren zin één met Th’ien, den Hemel, of, abstracter gesproken, met Shang Ti, het Opperwezen.Confucius zelf is door het nageslacht als zulk een Shêng Jên beschouwd.De tweede soort is wat Confucius noemt de Kiün Tsz’, de Vorstelijke, Koninklijke Mensch, we zouden ook kunnen zeggen: De Superieure Mensch. Dr. van Deventer heeft er mij eens op gewezen dat deze Kiün Tsz’, zooals hij er in mijn vertaling van Confucius over las, veel heeft van wat in de Grieksche Platonische filosofie heetkalokágathos. Er is misschien ook iets in, maar dan zonder het conventioneele dat er aan is gaan kleven, en meer in ’t hoogere, ideale, van ’t Engelsche „gentleman”.De derde soort is de Siao Jên, de Kleine Mensch. De meeste sinologen, en ik vroeger ook, hebben dit opgevat in den zin van de verachtelijke mensch, maar volgens de moderne Confucianisten beteekent het meer de mindere, nog niet ontwikkelde mensch, de armere mensch die, omdat hij nog uitsluitend om zijn voedsel moet denken en tobben, het hoogere ethische leven nog niet kent. Het zou dan veel hebben, van wat in Europa met eene klasse-aanduiding de proletariër heet.Het wonderschoone in Confucius’ leer is dat hij het bereiken der hoogste Deugd binnen ieders vermogen stelt en verzekert, dat „Ch’ing”, den staat van volmaakte helderheid der Sing, dien de Wijze Heilige, de „Shêng Jên” reeds bij de geboorte bezit, ook door andere, gewone menschen door onderricht („Kiao”) en oefening kan verkregen worden. Dit wordt duidelijk gezegd in den tekst uit de „Choeng Yoeng”:„Sommige worden met de kennis (der plichten en deugden) geboren; sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar eenmaal weten is het ’t zelfde.”Men behoeft alzoo niet als heilige geboren te worden om den volmaakten staat „Ch’ing” te bereiken. Ieder kan dit „Ch’ing” verkrijgen, hetzij door studie, hetzij door de loutering en verheffing van de smart.Ik zal nu eerst eens nader de menschelijke betrekkingen der „Woe Loen” toelichten.Men houde vooral in het oog, dat de „vijf betrekkingen” als een orde van dingen in de menschheid beschouwd worden, die eene voortvloeiing zijn van de groote Orde der Dingen van het heelal. Zij zijn dus niet enkel een maatschappelijke, maar eigenlijk een heilige,kosmische orde. De ritueele of formeele orde, die het gedrag der menschen in die betrekkingen regelt is wat in China „Li” heet. In een der heilige boeken, de „Li Ki” is al het daaraan verbonden ceremonieel omschreven. De „Li” is echter niet enkel ceremonieel en ritueel van menschen onderling, maar ook van menschen tegenover de hoogere, goddelijke machten. Voor zoover de formaliteiten onder menschen aangaat is ditceremonieeldoor oningewijde Westerlingen veelal voor overdreven conventie, en zelfs affectatie aangezien. Deze „Li” is echter niet—als de Westersche begrippen decorum, beleefdheid, fatsoen enz.—afgescheiden van ethica en geloof in China,maar is er identiek mede. De ceremoniën van de „Li” zijn „een symbool van den mensch in zijn veelvuldige verwantschappen”, en wel niet enkel menschelijke, maar ook kosmische en goddelijke verwantschappen. Uit het hoofdstuk in dit werk over de „Yih King” zal men gewaar worden, dat kosmisch en goddelijk in ’t Chineesch zeer na verwante, zoo niet identieke begrippen zijn, daar de gansche kosmos goddelijke openbaring is.De Chineesche familie is, zooals ik reeds zeide, niet enkel een maatschappelijke, maar een kosmische orde. Eerbied voor de familie is eerbied voor de kosmische orde, voor de goddelijke orde. De Chineesche familie is de georganiseerde uitdrukking van den staat. Vandaar dat de absolute keizerlijke macht over het rijk afgespiegeld is in de absolute „patria potestas” in de familie. Het godsdienstige ideaal is in de inrichting der familie zichtbaar gemaakt in patriarchale vormen. De familie is èn een religieuze, èn een kosmische, èn een sociale instelling. Het begrip „familie” weerspiegelt ook het hoogere „creatie”, onafgebroken vorming en voortbrenging van leven. Samuel Johnson heeft terecht den innigen samenhang tusschen de leden eener Chineesche familie verklaard uit hetgeen hij noemt „the religion of the seed”. Deze is zóó veelomvattend dat hij verwantschap berekent in negen geslachten, en dat de oudere broederden zoon van zijn jongeren broeder als zijn eigen zoon beschouwt, en volle neven worden gerekend broeder te zijn.Zóó als de keizer verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn volk, is de familievader verantwoordelijk voor dat zijner familie. Hij heeft een onbeperkte „patria potestas” maar hij is dan ook de waker, de hoeder over alles en allen in de familie, hij moet voor haar zorgen en werken, en zelfs is hij aansprakelijk voor het gedrag der familieleden. Volgens de „Shêng Yü”, het Heilige Edict, uitgevaardigd door keizer Kh’ang Hsi, is hij zelfs strafbaar voor de vergrijpen en misdaden der kinderen. Dit Heilige Edict vergelijkt de familie met een stroom, die vele takken en zijarmen heeft, waarin, hoe vèr ook van den oorsprong, hetzelfde water is.De noodzakelijkheid, het leven altijd door te verlengen, als een heilige plicht, geeft aan het huwelijk als eerste doel het verwekken van kinderen. Te sterven zonder zonen na te laten is een bewijs van oneerbiedigheid tegenover de ouders en voorouders, een gebrek aan „Hiao”, en daarom is voor een man zonder zonen adoptie—mits van een agnatischen verwant—plicht en is, zelfs nà zijn dood, voor de familie-oudsten posthume adoptie voorgeschreven. Door dit verlangen naar zonen heeft het patriarchale concubinaat, gegrond op voortzetting van het heilige leven, in China niet een enkel zinnelijk motief, maar is het oorspronkelijk godsdienstig. De patriarch is het moreele en sociale hoofd van de familie, wiens priester hij in zekeren zin is. Naar beneden vloeit de patriarchale idee zóó uit, dat de oudere broeder macht heeft over den jongere, en tevens den plicht, hem te steunen en te leeren. Als twee broeders twisten, zegt het Heilige Edict, is dit alsof de linkerhand de rechter slaat.De „patria potestas” is een absolute macht, evenals de keizerlijke autoriteit, maar steeds getemperd en begrensd door recht, door de plicht ook om te onderwijzen en liefderijk te helpen en te steunen.In zekeren zin is Ouderdom óók een patriarch in China.De „Li Ki” zegt, dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten.De geheele Chineesche godsdienst is wel eens genoemd eene ontwikkeling uit de „Hiao”, die de liefde en de eerbied tot de ouders niet alleen is, maar de ondergeschiktheid, in reverentie, van ’t lagere in de orde der dingen tot het hoogere in die orde. In elken Chineeschen vorm van godsdienst is de basis patriarchaal.De patriarch in de Chineesche familie heeft ook niet zijn autoriteit als alleenstaand persoonlijk individu, maar als een schakel in de kosmische orde der dingen, als constitueerend deel der geheele Familie, de doode voorvaderen medegerekend, en deze familie weer mede constitueerend den staat, met aan ’t hoofd de keizer, die weer boven zich heeft zijn vader Shang Ti (of, meer concreet: Th’ien, den Hemel).Wij moeten dus den voor ons, Westerlingen, overdreven lijkenden samenhang der Chineesche familie, en den eerbied der Chineezen voor hun familiebetrekkingen—een eerbied, zóó groot, dat een volwassen, veertigjarig man niets van belang doen zal vóór zijn ouden vader eerst om raad, en vergunning te vragen—niet beschouwen als een maatschappelijke conventie, maar als eerbied voor de kosmische en goddelijke Orde der dingen. Het Pad, Tao, kan niet begaan worden zonder eerbied voor en in standhouding van de familiebetrekkingen. Een tekst uit de „Choeng Yoeng” zegt dan ook: „De Tao van den Kiün Tsz’ begint met (den gewonen omgang van) mannen en vrouwen. Maar aan het opperste er van gekomen strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde”.Zooals ik reeds gezegd heb, werd de Sing door Confucius beschouwd als de bron van alle menschelijke deugden. Was deze Sing dus in den toestand van Ch’ing, Volmaaktheid, dan waren alle deugden in den mensch ook volmaakt. De mensch wordt, volgens Confucius, dus nietgeboren met zonde, maar met Deugd. Er is geen Duivel en geen Hel, die hem wachten, omdat hij (waar hij toch moeilijk iets aan doen kon) met erfzonde geboren werd, maar door zijn Deugd, indien hij zich slechts aan de Sing hield, en deze in Ch’ing, den volmaakten staat bleef, kan hij worden als zijn Vader, den Hemel, Shang Ti. Niet met een soort boeman, die Satan heette, noch met een brandend vuurtje, de Hel, moeten de menschen bang gehouden worden, om hun des te beter te kunnen regeeren, maar door de kracht van zijn eigen Wijsheid, die de Deugd insluit, moet de regeerder het volk regeeren. Regeert hij niet met de Deugd en de Wijsheid, dan wordt het Ming, het mandaat van den Hemel hem ontnomen.575 jaar voor Confucius werd de tiran keizer Chow door den revolutionnair Wen Wang, die later een zeer goed, wijs koning werd, onthoofd, omdat hij zijn macht in wreedheid misbruikte, en deze Wen Wang wordt in de Shoe King als een van China’s deugdzaamste groote mannen verheerlijkt en door Confucius telkens als moreel voorbeeld gesteld.De „Sing” is het uitgangspunt van het geheele leven, zoowel in de familie als in den staat. En hier komen wij nu tot het schoone beginsel, waarin de Geest van China zich op zijn heerlijkst openbaart, en dat het geheele Westen, dat zijn staatkundige inrichting op het oogenblik in haar grondvesten geschokt ziet, hoog noodig van het Oosten behoort over te nemen, namelijk dit: dat regeeren berust op het zelf-karakter, dus op de cultivatie van de Sing, van den regeerder of de regeerders. Niet op enkel kunde, intellect, knapheid van de regeerders behoort de staat te berusten, maar op hunkarakter.Ik haal, om dit te illustreeren, eenige teksten van Confucius hieronder aan:„Daarom mag (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) niet verzuimen zijn eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijneigen karakter verzorgen, dan mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders dienen, dan mag hij niet verzuimen de menschen te kennen. Wil hij de menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen”.3„De instellingen en wetten van den (Vorst die een)KiünTsz’ (is) hebben hun oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van gebeurt door de groote massa van het volk”.4„Alleen hij, die de opperste Wijsheid heeft onder den Hemel kan voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vèr-reikende intelligentie, àlomvattend van kennis zijn om de regeering uit te oefenen”.5„Alleen hij, die de opperste „Ching” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij ietsbuitenzichzelf kunnen hebben om op te steunen?”6„De Ouden, die de schitterende Deugd door het geheele keizerrijk wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk goed. Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hun families. Wilden zij hun families regelen, dan verzorgden zij eerst hun Zelf. Wilden zij hun Zelf verzorgen dan maakten zij eerst hun wil en gedachten oprecht, wilden zij hun wil en gedachten oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De kennis tot het allerhoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de dingen”.7„Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het verzorgen van het Zelf als de Oorsprong beschouwen.”8„Wordt de Oorsprong verward dan kan niets wat daaruit voortkomt tot goede orde worden gebracht”.9„Wat bedoeld wordt met „Om het rijk te regeeren moet men eerst zijne familie regelen” beteekent: als men zijne familie niet kan leeren, kan men andere menschen niet leeren. Daarom behoeft deKiünTsz’niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn vorst dienen. De Ti (liefde voor ouderen broeder) daarmede moet men zijn superieuren dienen. De Ts’z’ (mededoogen) daarmede moet men de menigte behandelen”.10„Daarom moet (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) alles (eerst) zelf hebben en daarna van het volk verlangen, dat het zelf (ook) heeft, en moet alles (eerst) zelf niet hebben en daarna van het volk verlangen, dat het dit zelf (ook) niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan”.11„Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als hij de deugd heeft, heeft hij ook de menschen. Als hij de menschen heeft, heeft hij het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft hij bezittingen. Heeft hij bezittingen dan heeft hij middelen voor zijn uitgaven.”12„De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde.”13„De Vorst die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, zal met het volk in strijd komen, en maken dat er roof gebeurt”.14„Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) een groote Tao (Weg) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het. Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.”15Bovenstaande teksten illustreeren genoegzaam de bedoeling, dat het de Wijsheid is, die alleen recht en bevoegdheid geeft om te regeeren.Uit den schoonen, en zoo eenvoudigen tekst: „De Deugd is de oorsprong, de bezittingen zijn het einde” volgt de oplossing van het moeilijke raadsel, waardoor de wereld thans in zulk eene schromelijke verwarring is, namelijk het raadsel, hoe de groote economische strijd is op te lossen. Die oplossing zal namelijk eerst daar zijn,wanneer Economie en Ethica één zijn.Om een en ander goed uit te leggen is het echter noodig, eerst iets te vertellen van een toekomst-droom, door Confucius in een grandioze zieners-vizie gedroomd.1Uit te spreken „Tsoeng”.↑2Zie bladz. 30.↑3„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7.↑4„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3.↑5„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1.↑6„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1.↑7Ta Hioh Inleiding 4.↑8Ta Hioh Inleiding 5.↑9Ta Hioh Inleiding 6.↑10Ta Hioh Inleiding 7.↑11Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1.↑12Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4.↑13Ta Hioh Hoofdstuk X 6.↑14Ta Hioh Hoofdstuk X 7.↑15Ta Hioh Hoofdstuk X 8.↑

CONFUCIUS(Kh’ oeng-Foe-Tsz’)Meer dan twee duizend jaren geleden is het, dat zijn lichaam gestorven is, maar nog altijd leeft de geest van Confucius in iedere Chineesche woning.Kort voor zijn dood, toen hij zich ziek voelde worden, zeide hij tot zijn discipel Tsz’ Koeng: „De groote berg valt in puin. De stutbalk breekt. De Wijze sterft weg als een plant”, maar dit doelde slechts op zijn stoffelijk omhulsel, waarin zijn groote geest tijdelijk op aarde woonde.Zijn geest, die onsterfelijk is, heeft sedert over geheel China getrild, en er is geen Geest van China denkbaar zonder den Geest van Confucius.„Mijn Leer is een Eenheid, die Alles samenhoudt,” zeide hij eens tot zijn leerling Ts’an. Het is die Synthese, die het groote gebouw van godsdienst, filosofie, literatuur, wetenschap en staatkunde van China bij elkaar heeft gehouden, in kosmische Eenheid.Er is eigenlijk niets in het leven der Chineezen, waarin de geest van Confucius zich niet openbaart. Geen enkele gewichtige handeling, geen enkele familie-, liefde-, of vriendschapsband, geen enkele literaire of filosofische arbeid, geen enkele godsdienstige of wijsgeerige gedachte, geen enkele beleefdheids-ceremonie, geen enkele maatschappelijke orde, geenenkellevens-ding van de Chineezen is eigenlijk denkbaar, waarbij de geest van Confucius hun niet beïnvloedt.Wèl zeer terecht schreef de Chineesche literator Cheng Chang Loo in 1909 in een Engelsch blad:„In China hebben wij gedurende de laatste 2500 jaar gewerkt op het geaccumuleerde kapitaal van onze voorvaderen,wier illustere herinneringen en onsterfelijke volmakingen voor ons zijn bewaard door de vooruitziendheid en de wijsheid van onzen grooten Wijze Confucius. Zonder Confucius zou het Verre Oosten—China, Korea, Annam en zelfs het nu machtige Japan—gezonken zijn in de diepten van barbarisme”.Al ware het alléén reeds om de twee door hem, honderden jaren vóór zijn grooten mede-Leeraar der menschheid, Jezus Christus uitgesproken gulden woorden:„Alle menschen binnen de vier zeeën zijn broeders”en„Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen niet”zou hij reeds den titel verdiend hebben, die boven den inbouw van den tempel van Confucius in Peking staat:„Wan Shi Sh’ Piao”(„Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”)en die de groote, literaire keizer Khang Hsi, de keizerlijke literator-filosoof, met eigen penseel heeft neergeschreven.De geest van Confucius heeft geleefd, en leeft nog altijd, in het penseel van iederen Chineeschen literator, en in de geheele, hooge Literatuur van China is het die geest geweest, die de Schoonheid er in deed stralen.Het eerste werk van de voornaamste literaire revolutionnairen van 1911–1912 was, om over het geheele land redevoeringen en voordrachten te houden, om de leer van Confucius duidelijk te maken, zooals is voorgeschreven in een der heilige Vier Boeken, de „Ta Hioh”, de Groote Leering. Mijn vriend Dr. Lim Boon King zond mij, in ’t begin van 1912, eene kleine serie Confucianistische teksten, door hem opgesteld, die het onderwerp zouden vormen zijner „yen shwoh” (voordrachten, ten doel hebbend, de nieuwe maatschappijop den grondslag van Confucius’ leerop te trekken.)Ik begin daarom de filosofie van China, waarin China’s Geest leeft, te behandelen met de leer van China’s populairste Wijze K’hoeng Foe Tsz’. Gelatinizeerd is deze naam Kh’oeng Foe Tsz’, die beteekent den Meester Kh’oeng, Confucius geworden.Confucius werd, volgens geloofwaardige commentators, geboren in ’t jaar 552 v. C., doch door China’s grooten historieschrijver Sz’ Ma Ch’ien is abusievelijk het jaar 551 v. C. opgegeven.Om een denkbeeld te hebben van den tijd, waarin Confucius leefde, moeten wij ons het China in die periode vooral niet denken als het China van de laatste eeuwen. Het was een geheel ander China, waarin alles, tot haardracht en kleeding toe, anders was dan nu.De Chineesche geschiedenis verliest zich in de verre Oudheid. De precieze datum van het begin dier geschiedenis is onbekend, maar het is zeker, dat China als eene natie reeds 6000 jaar bestaat. De eerste legendaire keizer, Pao Hsi of Fu Hsi, leefde 2402 jaar vóór de geboorte van Confucius, alzoo omstreeks 2953–2839 v. C. Het was gedurende de z.g. Chow-dynastie (1022–255 v. C.) dat de Chineesche oude beschaving tot haar volle ontwikkeling kwam. Confucianisme, de nieuwe godsdienst of juister misschien: de nieuwe filosofie van Confucius, was daarom niet de godsdienst van een primitief volk, maar van een volk met hooge, door eeuwen heen ontwikkelde beschaving.Tijdens Confucius’ leven was de Chow-dynastie al aan het vervallen, de keizers waren practisch al zonder werkelijke macht, en China leefde in een verval-tijdperk van feudalisme. Iedere feudale staat was eigenlijk een onafhankelijke natie, iedere vorst van zulk een natie vocht om de oppermacht en de macht van die feudale vorsten was eigenlijk grooter dan die van een keizer. Gedurende Confucius’ tijd was de macht van die vorsten alweer gaandeweg in de handen van eenige adellijkefamilies gevallen en heerschte er een soort oligarchie. Wanorde was door de regeerende klasse over het geheele rijk gebracht, terwijl het volk, niet genoeg ontwikkeld om voor zich zelf te zorgen, geheel verwaarloosd werd. Toch bestond er een midden-klasse, die zich zelf had opgevoed, en ontwikkeld genoeg was voor nieuwe ideeën. Die midden-klasse was het product van een reeds eeuwenoude beschaving. En, ondanks die oligarchie, en die verwarring had iedereen vrijheid van beweging en van spreken, zooals Dr. Chen Huan Cheng terecht opmerkt.In 522 werd Confucius geboren in den staat Loe, den staat van den hertog van Chow, ongeveer in ’t tegenwoordige Shantung. Loe was het centrum der toenmalige Chineesche beschaving. In militaire kracht was het de mindere van de oudere staten, maar in kunst, literatuur, filosofie en moraliteit de meerdere. Confucius’ vader was een hoog ambtenaar, zooiets als bij ons in een groote residentiestad een burgemeester. Confucius’ familienaam was K’oeng, zijn persoonlijke naam Ch’iu, en zijn puberteits-naam Chung Ni (een Chinees krijgt bij zijn puberteit een nieuwen naam). Later werd hij meestal met den eerenaam Meester, Leeraar aangeduid, in ’t Chineesch Foe Tsz’, dus Kh’oeng de Meester, d.i. Kh’oeng Foe Tsz’.Ik zal in dit hoofdstuk niet te lang over het leven van Confucius uitweiden, méér over zijn werken. Bijzonderheden over zijn leven kan men o.a. vinden in mijn 15 jaar geleden bij van Kampen uitgegeven werk: De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. Deel I Confucius, waarnaar ik hierbij verwijs.Ik volsta hier dus met te zeggen, dat hij, diep getroffen door de verwarring en ontaarding, die in zijn tijd in China heerschten, zijn leven lang werkte en streed, om door rede en wijsheid de regeering en het volk te hervormen. Op 52-jarigen leeftijd, na allerlei teleurstellingen en wederwaardigheden, werd hij magistraat van destad Chung Tu in den staat Loe. Zijn administratie en rechtspraak waren zóó rechtvaardig, dat de vorsten der naburige staten haar als model namen. Toen hij 53 jaar was werd hij benoemd tot Minister van Binnenlandsche Zaken, en later van Justitie, en toen hij 56 was, tot Eersten Minister. Zijn moreele invloed werd zóó groot, en de door hem aangebrachte hervormingen zóó verreikend, dat de naburige staten jaloersch werden, en vreesden dat de staat Loe hen allen zou overvleugelen. De vorst van den naburigen staat Ch’i zond toen, echt Oostersch, tachtig van de mooiste meisjes, die maar te vinden waren, met een geschenk van 120 prachtige paarden naar hertog Ting van den staat Loe, om deze van de wijs te brengen en van Confucius te vervreemden.De wijsheid moest toen wijken voor de schoonheid, de hertog en zijn hof dachten om niets meer dan om de mooie vrouwen, het volk, dat onder Confucius’ regeering zoo sterk en trouw en kuisch was geworden, begon door dit voorbeeld te ontaarden, en Confucius kon niets anders doen dan den staat verlaten, waar de zinnelijke schoonheid de wijsheid verdrongen had.Van toen af werd zijn leven, als dat van Dante, één zwerftocht buiten zijn vaderland. Hij zwierf door al de feudale staten van China, waar hij overal zijn diensten aanbood tot hervorming van regeering en volk, nù eens tijdelijk aangenomen, en later weer afgewezen, voortdurend uitgestooten, en zelfs nu en dan gevangen genomen. Zijn vele reizen waren echter óók eenigszins in den geest van zendingswerk. Overal verspreidde hij zijn leer, kreeg discipelen, en stichtte scholen van zijn levensleer. Op het laatst had hij wel drieduizend discipelen. Na veertien jaar verguisd in den vreemde te hebben gezworven, werd hij door zijn geboorte-staat Loe teruggeroepen, maar kreeg daar toch geen ambt meer. Hij was toen 69 jaar. Confucius was, als zoo vele groote mannen, niet bestemd om zijn eigen onmiddellijke tijden te dienen, maar om de eeuwen van de toekomst te beïnvloeden.Al vroeger, toen hij 48 jaar was, had hij de oude heilige geschriften van China, overgeleverd door eeuwenlange beschaving, verzameld, herzien en toegelicht.Ik moet hier zeggen, dat China in Confucius’ tijd heilige boeken bezat, die werden geacht, door hoogere geestelijke machten geïnspireerd te zijn, evenals gedacht wordt van onze Heilige Schrift. Deze geschriften werden genaamd King (in ’t Peking-Mandarijnsch: Ching.) Confucius wordt door de Chineezen geacht een door hoogere macht gezondene en aangewezene te zijn geweest, om goddelijke wijsheid te verkondigen en ook om die Heilige Geschriften, de King’s, te ordenen en te regelen, zoodat zij, in den door hem geordenden vorm, zouden bewaard blijven. De Chineesche geleerde Chen Huan Chang in zijn onlangs, door de Columbia-University uitgegeven werk „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt dat het woord King door de Europeesche sinologie „mistranslated” (verkeerd vertaald) is met:Classics, Klassieken. Prof. Legge, een groot sinoloog, maar als zendeling bevooroordeeld, spreekt voortdurend van de door hem vertaalde Kings als vanChinese Classics. De juiste vertaling is volgens Dr. Chen: ChineescheHeilige Schriften, een soort Chineesche Bijbels dus. Bijbel, zegt hij, ware de rechte vertaling voor King, en wordt ook als zoodanig gebruikt door moderne hedendaagsche Confucianisten. Of dit juist is zou ik echter niet durven verzekeren.Deze Chineesche Kings nu, zooals zij thans bewaard zijn, zijn gedeeltelijk eigen werk van Confucius, al bevatten zij wijsbegeerte, poëzie en geschiedenis van de vroegste eeuwen af.Er waren oorspronkelijk 6 van die Chineesche Heilige Schriften, waarvan er één, die der Muziek, in de Han-dynastie (ongeveer 85 n. C.) verloren is gegaan, zoodat er nu nog 5 over zijn, door Confucius verzameld, geredigeerd, en ook gedeeltelijk geschreven.De eerste is deShi King, of Bijbel der Poëzie. Hijbevat 305 Gedichten en Odes die door verschillende dichters eeuwen vóór Confucius geschreven zijn, maar door Confucius volgens zijn eigen principes uitgegeven. Zeer mooi is door Confucius het wezen van dezen King en ook het wezen der Poëzie gekarakteriseerd toen hij eens tot zijn discipelen zeide: „De Shi King heeft 300 stukken, maar alles kan worden vervat in één zin:Hebt géén lage gedachten.”De tweede is deShoe-King, de Bijbel der Geschiedenis, die de geschiedenis bevat van China, vanaf 2357 j. v. C.–621 v. C. De documenten hiervoor zijn geschreven door verschillende auteurs, maar door Confucius uitgegeven. Geheele, belangrijke hoofdstukken ervan, herkenbaar aan hun zelfden, van de anderen verschillenden stijl worden door bevoegde Chineesche geleerden aan Confucius zelf toegeschreven.De derde is deLi Kiof de Annalen van den Ritus en het Decorum. Hij bevat alweder zéér oude geschriften, over zeden en gewoonten, maar verzameld en geredigeerd door Confucius.De vierde is deYih King, de Bijbel der Transformaties, beter en juister: de Bijbel der Evolutie, het diepzinnigste boek der Chineesche filosofie. Ofschoon hier de acht triagrammen van keizer Foe Hsi (2953–2839 v. C.) de grondslag van zijn en ook de daaruit afgeleide 64 hexagrammen van Wen Wang, is volgens sommige Chineesche geleerden het grootste deel tekst van Confucius. Confucius heeft eens gezegd dat hijeen overleveraar en geen makerwas. Hij heeft dan ook zéér veel oude wijsheid die reeds bekend was overgeleverd. Maar overigens moet dit gezegde betracht worden als eene uiting van de bekende Chineesche bescheidenheid. Confucius heeft nietenkelovergeleverd, maar ook zeer veelzelfgemaakt.De vijfde is de z.g.Ts’oen Ts’ioe(lett: Lente en Herfst), een boek, dat geheel en al door Confucius geschreven is, het éénige geheel van hèm alléén. Het bevatde geschiedenis van China van 722–481 v. C. Om dit boek te kunnen vervaardigen, zond Confucius 14 zijner leerlingen uit om de heilige geschriften van 120 volken voor hem te halen en deze te bestudeeren, aldus Dr. Chen Huan Chang.Ik heb vroeger, o.a. toen ik, nu 15 jaar geleden, mijn Hollandsch werk over Confucius uitgaf, gedacht, dat dit boek Ts’oen Ts’ioe een exclusief geschiedkundig karakter had, en daarom van niet zooveel beteekenis was voor zijn filosofie. Dit is ook het oordeel van de meeste Europeesche sinologen. Sedert echter hebben Chineesche geleerde vrienden mij er op gewezen, dat dit niet juist is. Het zou n.l. niet zuiver historisch van karakter zijn, volgens hun oordeel. Zooals Dr. Chen Huan Chang er van zegt: „De woorden, uit de geschiedenis aangehaald, zijn slechts de beelden, waarmede Confucius zijn principes illustreert”. „Ik zou mijn ideeën als pure theorieën willen verkondigen”, zeide Confucius er zelf van, „maar het is dieper, waarder, helderder, glanzender, ze te representeeren door de daden van menschen”. Hij critizeert er de keizers in, verlaagt er de vorsten in, valt de hooge ambtenaren aan en vestigt zijn ideale koninkrijk, een republiek op aarde door de Ts’oen Ts’ioe. Confucius was dus, als trouwens alle groote mannen, een revolutionnair. Confucius heeft zelfs gezegd: (zie de Loen Yü): „Het is alleen de Ts’oen Ts’ioe die mij bekend zal maken bij de menschen, en ’t is alleen de Ts’oen Ts’ioe die zal maken dat de menschen mij veroordeelen.”Van de 5 daar zooeven door mij opgenoemde boeken zijn de Yih King de Bijbel der Evolutie, en de Ts’oen Ts’ioe de voornaamste, volgens sommige Chineesche geleerden.De Yih King is deductief, beginnende met abstracte principes en voortgaande tot hun practische toepassing; de Ts’oen Ts’ioe is inductief, en komt door de analyse van feiten uit de historie tot algemeene theorieën.Voor degenen onder mijn lezers, die mijn in 1898verschenen boekje over Confucius mochten gelezen hebben, zou ik er hier gaarne even op wijzen, dat het mij nù zéér spijt, daarin niet meer van deze twee Chineesche Kings te hebben gezegd, die zoo veel van Confucius zelf en zijn godsdienstige wijsbegeerte bevatten. Ik schaam mij niet te zeggen, dat ik in de 16 jaar, die na de publiceering van dat werkje verloopen zijn, wat dieper in de Chineesche filosofie ben doorgedrongen, en er wat méér van geleerd heb. Ik ben dan ook bezig aan een vollediger werk er over, waarin ik het vroeger te weinig gegevene hoop in te halen.Bij zijn terugkomst in Loe, toen hij 69 jaar oud was, voltooide hij de Yih King, en hij was 72, toen hij de Ts’oen Ts’ioe schreef. In 479 v. C. stierf hij 74 jaar oud, 8 jaar vóór de geboorte van Socrates.Ik heb Confucius’ leven hier maar even zéér beknopt behandeld, omdat ik liever gauw op zijn leer wilde neerkomen.Wat wij van Confucius’ Wijsheid over hebben is (behalve wat ik zooeven aanhaalde, de Ts’oen Ts’ioe en de bewerking der 5 Kings) alles overlevering zijner discipelen, dus niet door hem zelf geschreven werk. Deze overleveringen, werken van discipelen over Confucius en zijn leer, deChoeng1Yoeng, deTa Hiohen deLoen Yüworden, met de werken van den filosoofMêng Tsz’of Mencius, de z.g.Sz’ Shoed.i.Vier Boekengenoemd, naast de vijf Kingsdeliteraireenfilosofische schatten van China.Ik zal nu beginnen met de Choeng Yoeng, door Confucius’kleinzoon K’oeng Kei geschreven, die gewoonlijk bij zijn studeernaam Tsz’ Sz’ wordt genoemd. De Choeng Yoeng is de zuivere, overgeleverde leer van Confucius, door Tsz’ Sz, zijn kleinzoon en discipel, uit den mond van den Wijze opgeteekend, omdat hij vreesde, dat ze anders wellicht later verkeerd zou worden overgebracht.Confucius’ discipelen waren gewoon, belangrijke woorden van hun Meester op tabletten aan te teekenen om ze te onthouden.Ik zal den eersten tekst geheel opschrijven om een idee te geven van den uitersten eenvoud en kortheid van Chineesche filosofie.(van boven naar beneden te lezen, van rechts naar links, te beginnen met kolom A)2CBASiuShwaaiTh’ienTaoSingMingChüChüChüWeiWeiWeiKiaoTaoSing天命之謂性。率性之謂道。修道之謂教。Dit zijn in ’t geheel maar 15 schriftteekens of karakters, maar er zijn geheele boekdeelen te schrijven, en die zijn dan ook geschreven, over de uitlegging van dezen tekst.Nu is ’t gemakkelijk om, zooals wel eens enkele sinologen gedaan hebben, voor ieder der Chineesche karakters een equivalent te nemen in een Europeesche taal, en er dan een paar Europeesche zinnen van te maken. Ik moet er echter nog eens op wijzen dat een Chineesche tekst niet is een representatie vanwoorden, maar een opeenvolging vanideeënen dat de combinatie van die symbolen niet is een representatie van wat de schrijver wildezeggen, maar vooral van wat hijdenkt. Een woordelijke versie is daarom onmogelijk.Prof. Legge, de groote, erkende sinoloog van deChinese Classicsheeft den eersten zin vertaald met:„What Heaven has conferred is called the Nature” (wat de Hemel heeft verleend wordt genaamd de Natuur). En hij zegt er in een commentaar bij: „BySing of Nature is to be understood the Nature of Man”.(Onder Sing of natuur is te verstaan de Natuur van den Mensch).Er zit echter véél meer aan vast, en ik zeg dit, behalve uit eigen overtuiging, op gezag van Chineesche geleerden. Wij moeten dus dezen tekst eens wat nader beschouwen. Ten eerste: Wat wordt hier bedoeld met Hemel?In de alleroudste Chineesche godsdienst en geschiedenisboeken lezen wij van één, alleroppersten God, oneindig en in-zich-zelf bestaande, die genaamd werd Shang Ti letterlijk vertaald met: Opperste Macht of Heer. (In de Bijbelvertaling is God dan ook met dit Shang Ti vertaald). Voor dit abstracte begrip Shang Ti is later een meer concreet, Th’ien, de Hemel, in de plaats gekomen. Trouwens, ook wij spreken dikwijls in volkstaal van de Hemel, waar wij God bedoelen. Shang Ti en Th’ien zijn daarom in de oude Chineesche Heilige Schriften één en hetzelfde, het eerste alleen abstracter, het tweede wat concreter uitgedrukt. De alleroudste Chineesche godsdienst spreekt niet van goden of afgoden, maar van één Opperwezen, Shang Ti, later ook wel Th’ien, Hemel, genaamd.Het karakter Ti bestaat uit een combinatie van twee, waarvan het eene: Boven, en het andere: Doordringen beteekent, dus: het Opperste dat alles doordringt.Het woord „ming” is samengesteld, ideografisch, uit „mond”, en „bevelen” of „ordonneeren”, en beteekent niet alleen bevel, order, maar ook het bevel zelf, het z.g. mandaat, en ook: de wil, die het bevel gaf. Zoo wordt de Regeering beschouwd te zijn als een mandaat, bevel van den Hemel, en ook dat, wat van den Hemel verkregen is bij Hemelsche beschikking. Al deze beteekenissen te zamen liggen opgesloten in ’t karakter ming, en het is onmogelijk, die met een Hollandsch woord weer te geven. Omschrijvend, zou het hier zijn: „Dat, wat de Hemel, beschikt heeft, te bevelen en te verleenen, en ook dàt, wat van den Hemel verleend is krachtens deze beschikking”. Meer vrij-Europeesch: dat wat de HemelscheWijsheid geordonneerd heeft dat zoo zij. (Het karakter Chü duidt een soort genitief aan, hier meer dat wat.) Dit nu, wordt genaamd, Sing, een karakter, samengesteld uit hart, en geboren worden. Dus geboren zijn van het hart. Dit karakter hart beteekent in ’t Chineesch ookgeest, mind, niet alleen ’t physieke hart. We moeten nu den zin niet letter-alphabetisch, maar symbolisch lezen, zooalsalleChineesche filosofie. We zien, hier, ideografisch gelezen, staan: dat, wat de Hemel beschikt, bevolen heeft en ook: dat, wat van den Hemel krachtens die beschikking ontvangen is, heet (wei) „hart geboren”.In de Europeesche, alphabetische taal moeten die symbolen worden omschreven, die in ’t Chineesch niet gespeld in letters en geconstrueerd in zinnen, maargedachtworden en als gedachten ideografisch voorgesteld. De Chineesche tekst wordt daardoor als ’t ware op een ander gebied overgebracht, want hij is meer op gedachte-gebied dan op taal-gebied.We krijgen dan, véél uitvoeriger en met véél meer omhaal:Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest) verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen) heet Sing.De groote Chineesche filosoof Choe Hie, die van 1129–1201 v. C. leefde, noemt deze Sing „het goddelijke principe (li)”.Er staat volstrekt niet bij, dat deze Sing alleen aan den mensch gegeven zou zijn. Integendeel, zoowel Choe Hie als andere groote Chineesche wijsgeeren en commentators zeggen er uitdrukkelijk bij, dat: Alle myriaden dingen (wan woe) deze Sing in zich hebben. De Sing is dus volstrekt niet alleen de natuur van den mensch, maar veel universeeler, het goddelijke principe van Shang Ti, het Opperwezen, in zijne openbaring in het Heelaldaaraan gegeven. Men kan dit polytheisme noemen, men kan ’t echter ook monotheisme noemen, want het neemt één God aan, al is ’t geen persoonlijke God, niet buiten het Heelal staande, maar in ’t geheele Heelal gemanifesteerd, en er dus één mede. Voor zoover ’t op menschen betrekking heeft, in beperkter zin, kan men het de Hemelsche natuur van den mensch noemen.De volgende tekst luidt:Het volgen van den (leider) Sing heet Tao.Het karakter率„shwaai” (zie B) beteekent hier:het volgen van een leider, het medegaan met, het gehoorzaam zijn aan, en tegelijk het den vrijen loop laten aan.Dit Tao—een van de beteekenisvolste karakters in de Chineesche filosofie—is dus hier in Confucius ongeveer als het Pad, de Weg, mits men dan altijd in ’t oog houde: EengeestelijkeWeg, eengeestelijkPad, en niet aan afstand of ruimte hierbij denke. Het volgen van den leider Sing, het goddelijke principe in ons, is alzoo de geestelijke Weg, of het geestelijke Levens-bewegen.De derde tekst luidt:Het regelen, cultiveeren (siu修zie C beteekent beide) van de Tao (den spiritueelen Weg) heet Kiao.Kiao is een Chineesch karakter dat Onderwijs, Leering beteekent, maar dat ook in zekeren zin Godsdienst beteekent. Het karakter voor godsdienst is ook: Kiao. In den godsdienstigen zin beteekent Kiao: moreele lessen, somtijds sluit het het geheel der beschaving in. Daarom is wat de Chinees onder godsdienst verstaat niet alleen spiritueel, maar ook moreel, sociaal en filosofisch.Kiao is zoowel gewoon onderwijs als godsdienst. Endat is zoo vreemd niet als ’t wel lijkt, want de Chinees beschouwt godsdienst als de moreele les leerend道Tao, den spiritueelen Weg, (het volgen van den leidenden Sing) te begaan. Een opvoedende instelling is in China daardoor kerk en school beiden. De eigenlijke priesters van ’t Confucianisme, dat geen priesters heeft, zijn dan ook de literati, die de hoogere literatuur, d.i. de Confucianistische filosofie, onderwijzen.Ik heb deze teksten hier neergeschreven, om een denkbeeld te geven, hoeveel er aan die aparte Chineesche karakters vastzit, en hoe moeilijk het is, er equivalenten voor te krijgen in Europeesch alphabetisch schrift.Ik wijs er nog even op dat het karakter Tao, de spiritueele Weg of het geestelijk Pad, bestaat, ideografisch, uit: bewegen, of rondgaan, en hoofd, hier dus in den zin: spiritueele hoofd, geestelijk hoofdprincipe, dat beweegt, of rondgaat in ’t Heelal. In de nog oudere filosofie, en in Lao Tsz’, beteekent ditzelfde Taoniethet spiritueele Pad, maar de suprême Geestzelf, die zich in ’t Heelal openbaart en daarin zijn Weg gaat en dat is de oorspronkelijke beteekenis van Tao.Het zou te lang duren en ook voor een publiek van niet sinologen wat te moeilijk worden, als ik nu ook alle andere teksten in ’t Chineesch zou neerschrijven, dus de volgende geef ik daarom in mijne vertaling:„Welnu, Tao mag geen oogenblikje verlaten worden. Kon het verlaten worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over wat hij niet ziet, en in vreeze over wat hij niet hoort. Wat men niet ziet is verborgen, wat niet zichtbaar geopenbaard is, is subtiel. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over zijn eenzaamheid.”Dus niet op de zichtbare en hoorbare dingen, door de zinnen waarneembaar, moet de Superieure Mensch enkel letten, maar over de verborgen, subtiele, geestelijke dingen, diep in zich zelf, behoort hij te waken en er voorin reverente vreeze te zijn. Daarom is hij waakzaam over zijn eenzaamheid. (Een karakter „toe”, door den filosoof Choe Hie omschreven met: „de plaats die andere menschen niet weten, maar die wij alleen weten”). In die plaats juist, in onze diepste binnenste, kunnen wij van den geestelijken Weg, van Tao, afwijken. En Tao mag geen oogenblikje verlaten worden, anders zou het niet Tao, het volgen van den leider Sing, ’t Hemelsche principe zijn.Nu komen weer twee belangrijke teksten:„Als vreugde, toon, smart, of geluk nog niet bewegen, heet dat Choeng (Midden, Centrum); als zij wèl bewegen, maar in den juisten maat, heet dat Ho (Harmonie). Dit Choeng (Centrum) nu, is de groote oorsprong van het geopenbaarde, deze Ho (Harmonie) is de manifestatie van Tao (den Spiritueelen Weg).„Als men het uiterste Choeng en de uiterste Harmonie bereikt heeft, zijn Hemel en Aarde gevestigd en al het geopenbaarde ligt gevoed en gekoesterd”.De geestelijke portée van de laatste teksten is niet altijd volledig door Europeesche vertalers begrepen.Confucius’ filosofie is hier verwant aan de oude Indische, n.l. de Brahmaansche en Hindoesche filosofie. Het Choeng, Midden, Centrum, is verwant aan wat in die oude wijsbegeerten bedoeld wordt met het goddelijke,onpersoonlijkZelf, dat Zelf, dat, als ongeopenbaard in ’t Heelal, volkomen rustig, stil onbewegelijk is. Als de mensch die goddelijke rust in zich zelf, in zijn goddelijke Zelf, heeft bereikt, bewegen geenerlei aandoeningen van vreugde of toorn, smart of geluk. Is men in dit Choeng, Midden, geconcentreerd dan voelt, zegt een Chineesche commentator er bij, men zijn Sing één met de Sing van alle menschen en dingen, van al ’t door ’t Opperwezen geopenbaarde, en voelt men hoe Hemel en Aarde en al dat geopenbaarde gevestigd zijn in ’t goddelijke en dus gevoed en gekoesterd liggen in dat goddelijke,Choe Hie zegt in een commentaar: „Is mijn hart recht, dan is dat van Hemel en Aarde óók recht”.Als de aandoeningen vreugde, toorn, smart of geluk wèl bewegen, maar in de juiste middenmaat, dan is er Harmonie in den Mensch, een bewijs, dat Tao, ’t Geestelijke Pad, gevolgd wordt, dat zich manifesteert in Harmonie. Choeng slaat dus meer op ’t hóógste als ongeopenbaard, Ho op het geopenbaarde, want Tao is de Weg van ’t geopenbaarde.Choeng is dus het einde van dat Pad, het einde van Tao, dat, waartoe Tao leidt, en waarna alle menschelijke aandoeningen, vreugde, toorn, geluk, smart, zwijgen en ophouden, als de groote Rust is binnengetreden. Harmonie, Ho, in die aandoeningen is ’t bewijs, dat men in Tao, het Pad gaat, dat daartoe leidt.Het zou voor een sinoloog een loonend werk zijn, eens eene studie te schrijven over de, totnutoe nog veel te weinig opgemerkte overeenkomst van deze Confucianistische bespiegelingen, met oude Indische wijsbegeerte, ook het Boeddhisme.De concentratie in het van den Hemel gegeven zelf, het vrij worden van aandoeningen en hartstochten, den geest geconcentreerd in het Hemelsche; het inwendige, spiritueele leven, vrij van de uitwendige verschijnselen, dit alles zou voor een Brahmaan en een Boeddhist volkomen begrijpelijk zijn.De titel van het werk waarvan ik zooeven den eersten tekst opschreef, is Choeng Yoeng.Onder Choeng (het schriftteeken is: Midden) is te verstaan het zonder overneiging naar een of andere zijde zijn, dus: stabiel, in rust, eeuwig zijn; onder Yoeng het nooit veranderen, altijd hetzelfde blijven. Choeng is het doel van de rechte Tao, het rechte spiritueele Pad, dat altijd stabiel ’t zelfde is, en niet neigt naar een of andere zijde, Yoeng is het vaste principe van al ’t Geopenbaarde, de onveranderlijke kern van al de veranderlijke dingen.De voorreden van de Choeng Yoeng zegt van het eerste hoofdstuk, dat ik zooeven behandelde: „Het spreekt eerst van het ééne principe (de Sing n.l.) dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen, ten laatste keert het terug en vereenigt ze weer onder het eene principe. Ontrol het, en het vult het Heelal, rolt het (weer) op en het verbergt zich in mysterie”.M.a.w. het Hemelsche principe doordringt het Heelal, en is in alle dingen gemanifesteerd, de Eenheid is in de Veelheid, maar alle Veelheid kan teruggebracht worden tot Eenheid. En die Eenheid, het goddelijke, ligt voor ons verborgen in mysterie.In de Loen Yü, eene verzameling gezegden van en over Confucius, door zijne discipelen opgeteekend, komt het volgende gezegde van den Meester voor: „Mijn leer is een Eenheid die alles samenhoudt”. Met deze Eenheid bedoelde hij het universeele van het goddelijke principe, dat het Heelal, en dus ook de menschen, doordringt, de Sing, door den Hemel of het Opperwezen in Zijne Wijsheid, zijn Wil gegeven, toen Hij zich openbaarde, en waarvan het volgen heet Tao, het spiritueele Pad, dat alzoo is als het bewegen van de zich openbarende Godheid in het Heelal, dat Hij openbaarde.Met betrekking op de menschen vindt dit Eenheids-Idee óók haar uiting, in een ander karakter uit de Confucianistische filosofie, n.l. „Shoe”, ideografisch samengesteld uit „evenals”, „gelijk aan” en „hart”, dus: „gelijk aan mijn hart”.In de Loen Yü lezen wij: Tsz’Koeng (een van Confucius’ discipelen) vroeg eens: „Is er één woord, dat als een regel van gedrag voor ’t geheele leven kan gelden?” De Meester zeide: „Is niet Shoe zulk een woord? Wat gij niet wilt van anderen gedaan zijn, doe dat ook aan anderen niet”.Deze tekst, bijna eender door Jezus Christus later geuit, is karakteristiek voor Confucius’ filosofie. Dit karakter „shoe” is moeilijk te vertalen, ideografisch leestde Chinees er al in: gelijk mijn hart is het hart der menschen. Prof. Legge vertaalde het door „reciprocity”.We zouden het ook, in Hollandsche termen gelijkheid of broederschap kunnen noemen. Het groote principe van Confucius nu is: de eigen Sing rein houden en volmaakt doen blijven, maar ook: de Sing van anderen, van onze broeders, rein houden en volmaken, en dit laatste geschiedt door Kiao, dat èn onderricht en godsdienstleer beteekent. De Hemel, of Shang Ti, gaf ons bij onze geboorte de Sing, en is dus onze Vader. Onze medemenschen, die immers dezelfde Sing hebben als wij, zijn onze broeders. Dr. Chen Huan Chang noemt dat in westersche termen:De leer van ’t vaderschap van God en de broederschap der menschen.Als de zoon van Shang Ti, later beschouwd van Th’ien, Hemel, werd in latere eeuwen erkend de Keizer, wien dan ook de eerenaam Th’ien Tsz’, d.i. Zoon van den Hemel, werd gegeven. Met betrekking tot het menschelijk leven op de aarde—dus niet in hóógeren metaphysischen zin hier—werd een ander Drietal als heilig, van hooger hand vastgesteld, aangenomen, n.l. Th’ien-Ti-Jên, Hemel-Aarde-Mensch. De hooge wetten, die den Hemel, Th’ien regeeren, zijn dezelfde als die, welke de aarde, en ook de menschheid regeeren. Al die wetten, die de menschheid regeeren, en die met bepaald ceremonieel worden samengehouden en uitgevoerd, openbaren zich in wat in de Chineesche taal „Li” heet, een onvertaalbaar begrip, waar decorum nog het dichtste bij komt, mits begrepen als: door hoogere machten en wetten vastgesteld, die ook den Hemel regeeren. De vaste wetten, die het geheele planeet-stelsel zijn baan aangeven, zijn dezelfde als die de z.g. betrekkingen der menschen regelen. Men houde dit goed in ’t oog, want de geheele inrichting van den Chineeschen staat en van de Chineesche familie (die de staat in ’t klein is), werd beschouwd als een goddelijke instelling.Wat nu de Orde der dingen aangaat in de menschheid,het voornaamste hiervan was volgens Confucius het onderhouden der z.g. Woe Loen, d.i. Vijf Betrekkingen, n.l. die tusschen Vorst en Onderdaan, Vader en Zoon, Man en Vrouw, Ouderen Broeder en Jongeren Broeder, en Vriend en Vriend. Deze betrekkingen worden beschouwd als te zijn ingesteld door goddelijke wet, en eigenlijk als eene voortzetting in de menschheid der kosmische wetten.Een van de allereerste deugden van den Mensch is de Hiao, uitgedrukt, zeer treffend, door een ideografische combinatie van ’t karakter oud en ’t karakter kind, waarin ’t kind, onderaan geplaatst, het oude steunt.Dit Hiao wordt meestal door Filial Pity, Ouderliefde, vertaald, maar heeft een veel wijdere strekking dan algemeen geacht wordt. Hiao is n.l. niet alleen ouderlijke liefde, maar in ’t algemeen een geheele wijsbegeerte, gebaseerd op de regelende harmonieën der Natuur, op de wederzijdsche verplichtingen tusschen die bovenaan staan in de wereld en die onderaan staan, en op de kracht van het voorbeeld. De Hiao is, in ’t maatschappelijke leven der Chineezen, wat de orde der hemelsche bewegingen en de onuitputtelijke vruchtbaarheid van de aarde is ten opzichte van het zichtbare heelal.In de Hiao King, door een van Confucius’ discipelen gecompileerd, maar van onbekende afkomst, is alles over deze deugd te vinden. Hier volgen eenige teksten er uit, waaruit men ziet, dat het méér is dan enkel liefde voor de ouders.„Van de Hiao is het eerste principe om, in zuiverheid en kracht, het lichaam te behouden, dat wij van onze ouders hebben gekregen. Zijn volmaaktheid ligt in de beoefening van de deugd en in ’t verwerven van een naam, die hun herinnering eer aandoet.”„Zijn voorbeeld is de regelmatigheid der hemelsche lichamen in ’t verschaffen wat noodig is voor de aarde, en in ’t regelen van de daden der menschen.”„De koningen, van oudsher af, in ’t betrachten vanHiao, zouden niet een oude van dagen of een weduwe durven verachten, noch iemand, beroemd om zijn deugd en wijsheid.”„Eén deugdzame koning trekt een heel volk met zich mede. Laat de vrees om de herinnering aan Uw ouders te kwetsen de eerste gedachte zijn van Uw droomen, en laat de slaap ze niet verdrijven”.Hiao is dus méér dan ouderliefde, het is ook eerbied voor den koning, eerbied voor deugd en wijsheid, voor ouden van dagen, ja, we kunnen gerust zeggen, voor al wat schoon en edel is, en zelfs de koning en de keizer hebben alleen dan Hiao, als zij rechtvaardig en wijs regeeren.De eerste aller deugden zegt Confucius, ’t zij in een zoon of in een onderdaan, is Hiao. Het is dit wat de mensch van ’t redelooze dier onderscheidt, het is dit, hetgeen de erkentenis is van de ware relatie tusschen kind en vader, tusschen vader en Hemel, en door de beoefening van Hiao is het, dat de harmonie van ’t Heelal wordt bewaard.Dat Hiao nog véél verder gaat dan alléén liefde en gehoorzaamheid aan de ouders kan blijken uit een tekst uit de Li Ki, die luidt: „Iedere boom heeft zijn bepaalden tijd om te vergaan en ieder beest om te sterven, en hij, die een boom omhakt vóór zijn tijd, of een beest doodt vóór diens tijd is schuldig aan een gebrek aan Hiao”.Zeer treffend is het feit, dat onder de vijf Betrekkingen ook Vriendschap is opgenomen.De liefdetusschenbroeders is even heilig als de liefde tusschen vrienden. Vriendschap is in China een even heilige zaak als nauwe bloedverwantschap. Van den keizer af moeten allen vrienden hebben, zegt Confucius.Vriendschap is de eerste van alle sociale relaties en mag niet voor één dag verwaarloosd worden. Niemand mag een vriend hebben, die niet minstens zijn gelijke is. Vrienden zijn weelde voor de armen, kracht voor dezwakken, medicijn voor de zieken. Zij moeten altijd de slechte dingen van hun vriend vergeven en om hun deugden blijven denken. De schoonste vriendschap is die, welke door den band der literatuur is gemaakt. Confucius zeide: Sluit vriendschap met de deugdzaamsten onder de literatoren. De hoofdplicht tusschen vrienden is: sin, een ideografisch karakter, samengesteld uit „mensch” en „woorden” of „spreken”.„Sin” beteekent dan ook waarheid, oprechtheid, geloof. Geraaktheid, twijfel, wantrouwen tusschen vrienden is een gebrek aan sin.Confucius onderscheidt nu drie soorten van menschen. De eerste, maar héél zeldzame, zijn de Shêng Jên, de Heilige Menschen, Wijzen, en dat zijn de uitverkorenen, die vanzelf de hoogste Wijsheid zonder inspanning bezitten, en die daarom van zelf Tao, het spiritueele Padbegaan, zonder dat daartoe ontwikkeling door Kiao, onderricht, leering, noodig is. Hun Sing, hun goddelijke principe, wordt nooit, door wàt ook van menschelijken aard, verduisterd, en verkeert van zelf in den staat van volkomen volmaking, die Confucius uitdrukt met het schriftteeken: Ch’ing, een karakter, bestaande uit „woord”, en, „volmaakt”.Ch’ing is de volmaakt reine, door niets verduisterde, oorspronkelijke, en dus goddelijke staat van de Sing. Zij, die in den staat Ch’ing zijn, hebben het al-Weten en doorgronden de goddelijke dingen.Zij zijn in zekeren zin één met Th’ien, den Hemel, of, abstracter gesproken, met Shang Ti, het Opperwezen.Confucius zelf is door het nageslacht als zulk een Shêng Jên beschouwd.De tweede soort is wat Confucius noemt de Kiün Tsz’, de Vorstelijke, Koninklijke Mensch, we zouden ook kunnen zeggen: De Superieure Mensch. Dr. van Deventer heeft er mij eens op gewezen dat deze Kiün Tsz’, zooals hij er in mijn vertaling van Confucius over las, veel heeft van wat in de Grieksche Platonische filosofie heetkalokágathos. Er is misschien ook iets in, maar dan zonder het conventioneele dat er aan is gaan kleven, en meer in ’t hoogere, ideale, van ’t Engelsche „gentleman”.De derde soort is de Siao Jên, de Kleine Mensch. De meeste sinologen, en ik vroeger ook, hebben dit opgevat in den zin van de verachtelijke mensch, maar volgens de moderne Confucianisten beteekent het meer de mindere, nog niet ontwikkelde mensch, de armere mensch die, omdat hij nog uitsluitend om zijn voedsel moet denken en tobben, het hoogere ethische leven nog niet kent. Het zou dan veel hebben, van wat in Europa met eene klasse-aanduiding de proletariër heet.Het wonderschoone in Confucius’ leer is dat hij het bereiken der hoogste Deugd binnen ieders vermogen stelt en verzekert, dat „Ch’ing”, den staat van volmaakte helderheid der Sing, dien de Wijze Heilige, de „Shêng Jên” reeds bij de geboorte bezit, ook door andere, gewone menschen door onderricht („Kiao”) en oefening kan verkregen worden. Dit wordt duidelijk gezegd in den tekst uit de „Choeng Yoeng”:„Sommige worden met de kennis (der plichten en deugden) geboren; sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar eenmaal weten is het ’t zelfde.”Men behoeft alzoo niet als heilige geboren te worden om den volmaakten staat „Ch’ing” te bereiken. Ieder kan dit „Ch’ing” verkrijgen, hetzij door studie, hetzij door de loutering en verheffing van de smart.Ik zal nu eerst eens nader de menschelijke betrekkingen der „Woe Loen” toelichten.Men houde vooral in het oog, dat de „vijf betrekkingen” als een orde van dingen in de menschheid beschouwd worden, die eene voortvloeiing zijn van de groote Orde der Dingen van het heelal. Zij zijn dus niet enkel een maatschappelijke, maar eigenlijk een heilige,kosmische orde. De ritueele of formeele orde, die het gedrag der menschen in die betrekkingen regelt is wat in China „Li” heet. In een der heilige boeken, de „Li Ki” is al het daaraan verbonden ceremonieel omschreven. De „Li” is echter niet enkel ceremonieel en ritueel van menschen onderling, maar ook van menschen tegenover de hoogere, goddelijke machten. Voor zoover de formaliteiten onder menschen aangaat is ditceremonieeldoor oningewijde Westerlingen veelal voor overdreven conventie, en zelfs affectatie aangezien. Deze „Li” is echter niet—als de Westersche begrippen decorum, beleefdheid, fatsoen enz.—afgescheiden van ethica en geloof in China,maar is er identiek mede. De ceremoniën van de „Li” zijn „een symbool van den mensch in zijn veelvuldige verwantschappen”, en wel niet enkel menschelijke, maar ook kosmische en goddelijke verwantschappen. Uit het hoofdstuk in dit werk over de „Yih King” zal men gewaar worden, dat kosmisch en goddelijk in ’t Chineesch zeer na verwante, zoo niet identieke begrippen zijn, daar de gansche kosmos goddelijke openbaring is.De Chineesche familie is, zooals ik reeds zeide, niet enkel een maatschappelijke, maar een kosmische orde. Eerbied voor de familie is eerbied voor de kosmische orde, voor de goddelijke orde. De Chineesche familie is de georganiseerde uitdrukking van den staat. Vandaar dat de absolute keizerlijke macht over het rijk afgespiegeld is in de absolute „patria potestas” in de familie. Het godsdienstige ideaal is in de inrichting der familie zichtbaar gemaakt in patriarchale vormen. De familie is èn een religieuze, èn een kosmische, èn een sociale instelling. Het begrip „familie” weerspiegelt ook het hoogere „creatie”, onafgebroken vorming en voortbrenging van leven. Samuel Johnson heeft terecht den innigen samenhang tusschen de leden eener Chineesche familie verklaard uit hetgeen hij noemt „the religion of the seed”. Deze is zóó veelomvattend dat hij verwantschap berekent in negen geslachten, en dat de oudere broederden zoon van zijn jongeren broeder als zijn eigen zoon beschouwt, en volle neven worden gerekend broeder te zijn.Zóó als de keizer verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn volk, is de familievader verantwoordelijk voor dat zijner familie. Hij heeft een onbeperkte „patria potestas” maar hij is dan ook de waker, de hoeder over alles en allen in de familie, hij moet voor haar zorgen en werken, en zelfs is hij aansprakelijk voor het gedrag der familieleden. Volgens de „Shêng Yü”, het Heilige Edict, uitgevaardigd door keizer Kh’ang Hsi, is hij zelfs strafbaar voor de vergrijpen en misdaden der kinderen. Dit Heilige Edict vergelijkt de familie met een stroom, die vele takken en zijarmen heeft, waarin, hoe vèr ook van den oorsprong, hetzelfde water is.De noodzakelijkheid, het leven altijd door te verlengen, als een heilige plicht, geeft aan het huwelijk als eerste doel het verwekken van kinderen. Te sterven zonder zonen na te laten is een bewijs van oneerbiedigheid tegenover de ouders en voorouders, een gebrek aan „Hiao”, en daarom is voor een man zonder zonen adoptie—mits van een agnatischen verwant—plicht en is, zelfs nà zijn dood, voor de familie-oudsten posthume adoptie voorgeschreven. Door dit verlangen naar zonen heeft het patriarchale concubinaat, gegrond op voortzetting van het heilige leven, in China niet een enkel zinnelijk motief, maar is het oorspronkelijk godsdienstig. De patriarch is het moreele en sociale hoofd van de familie, wiens priester hij in zekeren zin is. Naar beneden vloeit de patriarchale idee zóó uit, dat de oudere broeder macht heeft over den jongere, en tevens den plicht, hem te steunen en te leeren. Als twee broeders twisten, zegt het Heilige Edict, is dit alsof de linkerhand de rechter slaat.De „patria potestas” is een absolute macht, evenals de keizerlijke autoriteit, maar steeds getemperd en begrensd door recht, door de plicht ook om te onderwijzen en liefderijk te helpen en te steunen.In zekeren zin is Ouderdom óók een patriarch in China.De „Li Ki” zegt, dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten.De geheele Chineesche godsdienst is wel eens genoemd eene ontwikkeling uit de „Hiao”, die de liefde en de eerbied tot de ouders niet alleen is, maar de ondergeschiktheid, in reverentie, van ’t lagere in de orde der dingen tot het hoogere in die orde. In elken Chineeschen vorm van godsdienst is de basis patriarchaal.De patriarch in de Chineesche familie heeft ook niet zijn autoriteit als alleenstaand persoonlijk individu, maar als een schakel in de kosmische orde der dingen, als constitueerend deel der geheele Familie, de doode voorvaderen medegerekend, en deze familie weer mede constitueerend den staat, met aan ’t hoofd de keizer, die weer boven zich heeft zijn vader Shang Ti (of, meer concreet: Th’ien, den Hemel).Wij moeten dus den voor ons, Westerlingen, overdreven lijkenden samenhang der Chineesche familie, en den eerbied der Chineezen voor hun familiebetrekkingen—een eerbied, zóó groot, dat een volwassen, veertigjarig man niets van belang doen zal vóór zijn ouden vader eerst om raad, en vergunning te vragen—niet beschouwen als een maatschappelijke conventie, maar als eerbied voor de kosmische en goddelijke Orde der dingen. Het Pad, Tao, kan niet begaan worden zonder eerbied voor en in standhouding van de familiebetrekkingen. Een tekst uit de „Choeng Yoeng” zegt dan ook: „De Tao van den Kiün Tsz’ begint met (den gewonen omgang van) mannen en vrouwen. Maar aan het opperste er van gekomen strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde”.Zooals ik reeds gezegd heb, werd de Sing door Confucius beschouwd als de bron van alle menschelijke deugden. Was deze Sing dus in den toestand van Ch’ing, Volmaaktheid, dan waren alle deugden in den mensch ook volmaakt. De mensch wordt, volgens Confucius, dus nietgeboren met zonde, maar met Deugd. Er is geen Duivel en geen Hel, die hem wachten, omdat hij (waar hij toch moeilijk iets aan doen kon) met erfzonde geboren werd, maar door zijn Deugd, indien hij zich slechts aan de Sing hield, en deze in Ch’ing, den volmaakten staat bleef, kan hij worden als zijn Vader, den Hemel, Shang Ti. Niet met een soort boeman, die Satan heette, noch met een brandend vuurtje, de Hel, moeten de menschen bang gehouden worden, om hun des te beter te kunnen regeeren, maar door de kracht van zijn eigen Wijsheid, die de Deugd insluit, moet de regeerder het volk regeeren. Regeert hij niet met de Deugd en de Wijsheid, dan wordt het Ming, het mandaat van den Hemel hem ontnomen.575 jaar voor Confucius werd de tiran keizer Chow door den revolutionnair Wen Wang, die later een zeer goed, wijs koning werd, onthoofd, omdat hij zijn macht in wreedheid misbruikte, en deze Wen Wang wordt in de Shoe King als een van China’s deugdzaamste groote mannen verheerlijkt en door Confucius telkens als moreel voorbeeld gesteld.De „Sing” is het uitgangspunt van het geheele leven, zoowel in de familie als in den staat. En hier komen wij nu tot het schoone beginsel, waarin de Geest van China zich op zijn heerlijkst openbaart, en dat het geheele Westen, dat zijn staatkundige inrichting op het oogenblik in haar grondvesten geschokt ziet, hoog noodig van het Oosten behoort over te nemen, namelijk dit: dat regeeren berust op het zelf-karakter, dus op de cultivatie van de Sing, van den regeerder of de regeerders. Niet op enkel kunde, intellect, knapheid van de regeerders behoort de staat te berusten, maar op hunkarakter.Ik haal, om dit te illustreeren, eenige teksten van Confucius hieronder aan:„Daarom mag (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) niet verzuimen zijn eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijneigen karakter verzorgen, dan mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders dienen, dan mag hij niet verzuimen de menschen te kennen. Wil hij de menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen”.3„De instellingen en wetten van den (Vorst die een)KiünTsz’ (is) hebben hun oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van gebeurt door de groote massa van het volk”.4„Alleen hij, die de opperste Wijsheid heeft onder den Hemel kan voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vèr-reikende intelligentie, àlomvattend van kennis zijn om de regeering uit te oefenen”.5„Alleen hij, die de opperste „Ching” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij ietsbuitenzichzelf kunnen hebben om op te steunen?”6„De Ouden, die de schitterende Deugd door het geheele keizerrijk wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk goed. Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hun families. Wilden zij hun families regelen, dan verzorgden zij eerst hun Zelf. Wilden zij hun Zelf verzorgen dan maakten zij eerst hun wil en gedachten oprecht, wilden zij hun wil en gedachten oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De kennis tot het allerhoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de dingen”.7„Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het verzorgen van het Zelf als de Oorsprong beschouwen.”8„Wordt de Oorsprong verward dan kan niets wat daaruit voortkomt tot goede orde worden gebracht”.9„Wat bedoeld wordt met „Om het rijk te regeeren moet men eerst zijne familie regelen” beteekent: als men zijne familie niet kan leeren, kan men andere menschen niet leeren. Daarom behoeft deKiünTsz’niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn vorst dienen. De Ti (liefde voor ouderen broeder) daarmede moet men zijn superieuren dienen. De Ts’z’ (mededoogen) daarmede moet men de menigte behandelen”.10„Daarom moet (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) alles (eerst) zelf hebben en daarna van het volk verlangen, dat het zelf (ook) heeft, en moet alles (eerst) zelf niet hebben en daarna van het volk verlangen, dat het dit zelf (ook) niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan”.11„Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als hij de deugd heeft, heeft hij ook de menschen. Als hij de menschen heeft, heeft hij het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft hij bezittingen. Heeft hij bezittingen dan heeft hij middelen voor zijn uitgaven.”12„De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde.”13„De Vorst die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, zal met het volk in strijd komen, en maken dat er roof gebeurt”.14„Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) een groote Tao (Weg) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het. Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.”15Bovenstaande teksten illustreeren genoegzaam de bedoeling, dat het de Wijsheid is, die alleen recht en bevoegdheid geeft om te regeeren.Uit den schoonen, en zoo eenvoudigen tekst: „De Deugd is de oorsprong, de bezittingen zijn het einde” volgt de oplossing van het moeilijke raadsel, waardoor de wereld thans in zulk eene schromelijke verwarring is, namelijk het raadsel, hoe de groote economische strijd is op te lossen. Die oplossing zal namelijk eerst daar zijn,wanneer Economie en Ethica één zijn.Om een en ander goed uit te leggen is het echter noodig, eerst iets te vertellen van een toekomst-droom, door Confucius in een grandioze zieners-vizie gedroomd.1Uit te spreken „Tsoeng”.↑2Zie bladz. 30.↑3„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7.↑4„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3.↑5„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1.↑6„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1.↑7Ta Hioh Inleiding 4.↑8Ta Hioh Inleiding 5.↑9Ta Hioh Inleiding 6.↑10Ta Hioh Inleiding 7.↑11Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1.↑12Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4.↑13Ta Hioh Hoofdstuk X 6.↑14Ta Hioh Hoofdstuk X 7.↑15Ta Hioh Hoofdstuk X 8.↑

CONFUCIUS

(Kh’ oeng-Foe-Tsz’)Meer dan twee duizend jaren geleden is het, dat zijn lichaam gestorven is, maar nog altijd leeft de geest van Confucius in iedere Chineesche woning.Kort voor zijn dood, toen hij zich ziek voelde worden, zeide hij tot zijn discipel Tsz’ Koeng: „De groote berg valt in puin. De stutbalk breekt. De Wijze sterft weg als een plant”, maar dit doelde slechts op zijn stoffelijk omhulsel, waarin zijn groote geest tijdelijk op aarde woonde.Zijn geest, die onsterfelijk is, heeft sedert over geheel China getrild, en er is geen Geest van China denkbaar zonder den Geest van Confucius.„Mijn Leer is een Eenheid, die Alles samenhoudt,” zeide hij eens tot zijn leerling Ts’an. Het is die Synthese, die het groote gebouw van godsdienst, filosofie, literatuur, wetenschap en staatkunde van China bij elkaar heeft gehouden, in kosmische Eenheid.Er is eigenlijk niets in het leven der Chineezen, waarin de geest van Confucius zich niet openbaart. Geen enkele gewichtige handeling, geen enkele familie-, liefde-, of vriendschapsband, geen enkele literaire of filosofische arbeid, geen enkele godsdienstige of wijsgeerige gedachte, geen enkele beleefdheids-ceremonie, geen enkele maatschappelijke orde, geenenkellevens-ding van de Chineezen is eigenlijk denkbaar, waarbij de geest van Confucius hun niet beïnvloedt.Wèl zeer terecht schreef de Chineesche literator Cheng Chang Loo in 1909 in een Engelsch blad:„In China hebben wij gedurende de laatste 2500 jaar gewerkt op het geaccumuleerde kapitaal van onze voorvaderen,wier illustere herinneringen en onsterfelijke volmakingen voor ons zijn bewaard door de vooruitziendheid en de wijsheid van onzen grooten Wijze Confucius. Zonder Confucius zou het Verre Oosten—China, Korea, Annam en zelfs het nu machtige Japan—gezonken zijn in de diepten van barbarisme”.Al ware het alléén reeds om de twee door hem, honderden jaren vóór zijn grooten mede-Leeraar der menschheid, Jezus Christus uitgesproken gulden woorden:„Alle menschen binnen de vier zeeën zijn broeders”en„Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen niet”zou hij reeds den titel verdiend hebben, die boven den inbouw van den tempel van Confucius in Peking staat:„Wan Shi Sh’ Piao”(„Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”)en die de groote, literaire keizer Khang Hsi, de keizerlijke literator-filosoof, met eigen penseel heeft neergeschreven.De geest van Confucius heeft geleefd, en leeft nog altijd, in het penseel van iederen Chineeschen literator, en in de geheele, hooge Literatuur van China is het die geest geweest, die de Schoonheid er in deed stralen.Het eerste werk van de voornaamste literaire revolutionnairen van 1911–1912 was, om over het geheele land redevoeringen en voordrachten te houden, om de leer van Confucius duidelijk te maken, zooals is voorgeschreven in een der heilige Vier Boeken, de „Ta Hioh”, de Groote Leering. Mijn vriend Dr. Lim Boon King zond mij, in ’t begin van 1912, eene kleine serie Confucianistische teksten, door hem opgesteld, die het onderwerp zouden vormen zijner „yen shwoh” (voordrachten, ten doel hebbend, de nieuwe maatschappijop den grondslag van Confucius’ leerop te trekken.)Ik begin daarom de filosofie van China, waarin China’s Geest leeft, te behandelen met de leer van China’s populairste Wijze K’hoeng Foe Tsz’. Gelatinizeerd is deze naam Kh’oeng Foe Tsz’, die beteekent den Meester Kh’oeng, Confucius geworden.Confucius werd, volgens geloofwaardige commentators, geboren in ’t jaar 552 v. C., doch door China’s grooten historieschrijver Sz’ Ma Ch’ien is abusievelijk het jaar 551 v. C. opgegeven.Om een denkbeeld te hebben van den tijd, waarin Confucius leefde, moeten wij ons het China in die periode vooral niet denken als het China van de laatste eeuwen. Het was een geheel ander China, waarin alles, tot haardracht en kleeding toe, anders was dan nu.De Chineesche geschiedenis verliest zich in de verre Oudheid. De precieze datum van het begin dier geschiedenis is onbekend, maar het is zeker, dat China als eene natie reeds 6000 jaar bestaat. De eerste legendaire keizer, Pao Hsi of Fu Hsi, leefde 2402 jaar vóór de geboorte van Confucius, alzoo omstreeks 2953–2839 v. C. Het was gedurende de z.g. Chow-dynastie (1022–255 v. C.) dat de Chineesche oude beschaving tot haar volle ontwikkeling kwam. Confucianisme, de nieuwe godsdienst of juister misschien: de nieuwe filosofie van Confucius, was daarom niet de godsdienst van een primitief volk, maar van een volk met hooge, door eeuwen heen ontwikkelde beschaving.Tijdens Confucius’ leven was de Chow-dynastie al aan het vervallen, de keizers waren practisch al zonder werkelijke macht, en China leefde in een verval-tijdperk van feudalisme. Iedere feudale staat was eigenlijk een onafhankelijke natie, iedere vorst van zulk een natie vocht om de oppermacht en de macht van die feudale vorsten was eigenlijk grooter dan die van een keizer. Gedurende Confucius’ tijd was de macht van die vorsten alweer gaandeweg in de handen van eenige adellijkefamilies gevallen en heerschte er een soort oligarchie. Wanorde was door de regeerende klasse over het geheele rijk gebracht, terwijl het volk, niet genoeg ontwikkeld om voor zich zelf te zorgen, geheel verwaarloosd werd. Toch bestond er een midden-klasse, die zich zelf had opgevoed, en ontwikkeld genoeg was voor nieuwe ideeën. Die midden-klasse was het product van een reeds eeuwenoude beschaving. En, ondanks die oligarchie, en die verwarring had iedereen vrijheid van beweging en van spreken, zooals Dr. Chen Huan Cheng terecht opmerkt.In 522 werd Confucius geboren in den staat Loe, den staat van den hertog van Chow, ongeveer in ’t tegenwoordige Shantung. Loe was het centrum der toenmalige Chineesche beschaving. In militaire kracht was het de mindere van de oudere staten, maar in kunst, literatuur, filosofie en moraliteit de meerdere. Confucius’ vader was een hoog ambtenaar, zooiets als bij ons in een groote residentiestad een burgemeester. Confucius’ familienaam was K’oeng, zijn persoonlijke naam Ch’iu, en zijn puberteits-naam Chung Ni (een Chinees krijgt bij zijn puberteit een nieuwen naam). Later werd hij meestal met den eerenaam Meester, Leeraar aangeduid, in ’t Chineesch Foe Tsz’, dus Kh’oeng de Meester, d.i. Kh’oeng Foe Tsz’.Ik zal in dit hoofdstuk niet te lang over het leven van Confucius uitweiden, méér over zijn werken. Bijzonderheden over zijn leven kan men o.a. vinden in mijn 15 jaar geleden bij van Kampen uitgegeven werk: De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. Deel I Confucius, waarnaar ik hierbij verwijs.Ik volsta hier dus met te zeggen, dat hij, diep getroffen door de verwarring en ontaarding, die in zijn tijd in China heerschten, zijn leven lang werkte en streed, om door rede en wijsheid de regeering en het volk te hervormen. Op 52-jarigen leeftijd, na allerlei teleurstellingen en wederwaardigheden, werd hij magistraat van destad Chung Tu in den staat Loe. Zijn administratie en rechtspraak waren zóó rechtvaardig, dat de vorsten der naburige staten haar als model namen. Toen hij 53 jaar was werd hij benoemd tot Minister van Binnenlandsche Zaken, en later van Justitie, en toen hij 56 was, tot Eersten Minister. Zijn moreele invloed werd zóó groot, en de door hem aangebrachte hervormingen zóó verreikend, dat de naburige staten jaloersch werden, en vreesden dat de staat Loe hen allen zou overvleugelen. De vorst van den naburigen staat Ch’i zond toen, echt Oostersch, tachtig van de mooiste meisjes, die maar te vinden waren, met een geschenk van 120 prachtige paarden naar hertog Ting van den staat Loe, om deze van de wijs te brengen en van Confucius te vervreemden.De wijsheid moest toen wijken voor de schoonheid, de hertog en zijn hof dachten om niets meer dan om de mooie vrouwen, het volk, dat onder Confucius’ regeering zoo sterk en trouw en kuisch was geworden, begon door dit voorbeeld te ontaarden, en Confucius kon niets anders doen dan den staat verlaten, waar de zinnelijke schoonheid de wijsheid verdrongen had.Van toen af werd zijn leven, als dat van Dante, één zwerftocht buiten zijn vaderland. Hij zwierf door al de feudale staten van China, waar hij overal zijn diensten aanbood tot hervorming van regeering en volk, nù eens tijdelijk aangenomen, en later weer afgewezen, voortdurend uitgestooten, en zelfs nu en dan gevangen genomen. Zijn vele reizen waren echter óók eenigszins in den geest van zendingswerk. Overal verspreidde hij zijn leer, kreeg discipelen, en stichtte scholen van zijn levensleer. Op het laatst had hij wel drieduizend discipelen. Na veertien jaar verguisd in den vreemde te hebben gezworven, werd hij door zijn geboorte-staat Loe teruggeroepen, maar kreeg daar toch geen ambt meer. Hij was toen 69 jaar. Confucius was, als zoo vele groote mannen, niet bestemd om zijn eigen onmiddellijke tijden te dienen, maar om de eeuwen van de toekomst te beïnvloeden.Al vroeger, toen hij 48 jaar was, had hij de oude heilige geschriften van China, overgeleverd door eeuwenlange beschaving, verzameld, herzien en toegelicht.Ik moet hier zeggen, dat China in Confucius’ tijd heilige boeken bezat, die werden geacht, door hoogere geestelijke machten geïnspireerd te zijn, evenals gedacht wordt van onze Heilige Schrift. Deze geschriften werden genaamd King (in ’t Peking-Mandarijnsch: Ching.) Confucius wordt door de Chineezen geacht een door hoogere macht gezondene en aangewezene te zijn geweest, om goddelijke wijsheid te verkondigen en ook om die Heilige Geschriften, de King’s, te ordenen en te regelen, zoodat zij, in den door hem geordenden vorm, zouden bewaard blijven. De Chineesche geleerde Chen Huan Chang in zijn onlangs, door de Columbia-University uitgegeven werk „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt dat het woord King door de Europeesche sinologie „mistranslated” (verkeerd vertaald) is met:Classics, Klassieken. Prof. Legge, een groot sinoloog, maar als zendeling bevooroordeeld, spreekt voortdurend van de door hem vertaalde Kings als vanChinese Classics. De juiste vertaling is volgens Dr. Chen: ChineescheHeilige Schriften, een soort Chineesche Bijbels dus. Bijbel, zegt hij, ware de rechte vertaling voor King, en wordt ook als zoodanig gebruikt door moderne hedendaagsche Confucianisten. Of dit juist is zou ik echter niet durven verzekeren.Deze Chineesche Kings nu, zooals zij thans bewaard zijn, zijn gedeeltelijk eigen werk van Confucius, al bevatten zij wijsbegeerte, poëzie en geschiedenis van de vroegste eeuwen af.Er waren oorspronkelijk 6 van die Chineesche Heilige Schriften, waarvan er één, die der Muziek, in de Han-dynastie (ongeveer 85 n. C.) verloren is gegaan, zoodat er nu nog 5 over zijn, door Confucius verzameld, geredigeerd, en ook gedeeltelijk geschreven.De eerste is deShi King, of Bijbel der Poëzie. Hijbevat 305 Gedichten en Odes die door verschillende dichters eeuwen vóór Confucius geschreven zijn, maar door Confucius volgens zijn eigen principes uitgegeven. Zeer mooi is door Confucius het wezen van dezen King en ook het wezen der Poëzie gekarakteriseerd toen hij eens tot zijn discipelen zeide: „De Shi King heeft 300 stukken, maar alles kan worden vervat in één zin:Hebt géén lage gedachten.”De tweede is deShoe-King, de Bijbel der Geschiedenis, die de geschiedenis bevat van China, vanaf 2357 j. v. C.–621 v. C. De documenten hiervoor zijn geschreven door verschillende auteurs, maar door Confucius uitgegeven. Geheele, belangrijke hoofdstukken ervan, herkenbaar aan hun zelfden, van de anderen verschillenden stijl worden door bevoegde Chineesche geleerden aan Confucius zelf toegeschreven.De derde is deLi Kiof de Annalen van den Ritus en het Decorum. Hij bevat alweder zéér oude geschriften, over zeden en gewoonten, maar verzameld en geredigeerd door Confucius.De vierde is deYih King, de Bijbel der Transformaties, beter en juister: de Bijbel der Evolutie, het diepzinnigste boek der Chineesche filosofie. Ofschoon hier de acht triagrammen van keizer Foe Hsi (2953–2839 v. C.) de grondslag van zijn en ook de daaruit afgeleide 64 hexagrammen van Wen Wang, is volgens sommige Chineesche geleerden het grootste deel tekst van Confucius. Confucius heeft eens gezegd dat hijeen overleveraar en geen makerwas. Hij heeft dan ook zéér veel oude wijsheid die reeds bekend was overgeleverd. Maar overigens moet dit gezegde betracht worden als eene uiting van de bekende Chineesche bescheidenheid. Confucius heeft nietenkelovergeleverd, maar ook zeer veelzelfgemaakt.De vijfde is de z.g.Ts’oen Ts’ioe(lett: Lente en Herfst), een boek, dat geheel en al door Confucius geschreven is, het éénige geheel van hèm alléén. Het bevatde geschiedenis van China van 722–481 v. C. Om dit boek te kunnen vervaardigen, zond Confucius 14 zijner leerlingen uit om de heilige geschriften van 120 volken voor hem te halen en deze te bestudeeren, aldus Dr. Chen Huan Chang.Ik heb vroeger, o.a. toen ik, nu 15 jaar geleden, mijn Hollandsch werk over Confucius uitgaf, gedacht, dat dit boek Ts’oen Ts’ioe een exclusief geschiedkundig karakter had, en daarom van niet zooveel beteekenis was voor zijn filosofie. Dit is ook het oordeel van de meeste Europeesche sinologen. Sedert echter hebben Chineesche geleerde vrienden mij er op gewezen, dat dit niet juist is. Het zou n.l. niet zuiver historisch van karakter zijn, volgens hun oordeel. Zooals Dr. Chen Huan Chang er van zegt: „De woorden, uit de geschiedenis aangehaald, zijn slechts de beelden, waarmede Confucius zijn principes illustreert”. „Ik zou mijn ideeën als pure theorieën willen verkondigen”, zeide Confucius er zelf van, „maar het is dieper, waarder, helderder, glanzender, ze te representeeren door de daden van menschen”. Hij critizeert er de keizers in, verlaagt er de vorsten in, valt de hooge ambtenaren aan en vestigt zijn ideale koninkrijk, een republiek op aarde door de Ts’oen Ts’ioe. Confucius was dus, als trouwens alle groote mannen, een revolutionnair. Confucius heeft zelfs gezegd: (zie de Loen Yü): „Het is alleen de Ts’oen Ts’ioe die mij bekend zal maken bij de menschen, en ’t is alleen de Ts’oen Ts’ioe die zal maken dat de menschen mij veroordeelen.”Van de 5 daar zooeven door mij opgenoemde boeken zijn de Yih King de Bijbel der Evolutie, en de Ts’oen Ts’ioe de voornaamste, volgens sommige Chineesche geleerden.De Yih King is deductief, beginnende met abstracte principes en voortgaande tot hun practische toepassing; de Ts’oen Ts’ioe is inductief, en komt door de analyse van feiten uit de historie tot algemeene theorieën.Voor degenen onder mijn lezers, die mijn in 1898verschenen boekje over Confucius mochten gelezen hebben, zou ik er hier gaarne even op wijzen, dat het mij nù zéér spijt, daarin niet meer van deze twee Chineesche Kings te hebben gezegd, die zoo veel van Confucius zelf en zijn godsdienstige wijsbegeerte bevatten. Ik schaam mij niet te zeggen, dat ik in de 16 jaar, die na de publiceering van dat werkje verloopen zijn, wat dieper in de Chineesche filosofie ben doorgedrongen, en er wat méér van geleerd heb. Ik ben dan ook bezig aan een vollediger werk er over, waarin ik het vroeger te weinig gegevene hoop in te halen.Bij zijn terugkomst in Loe, toen hij 69 jaar oud was, voltooide hij de Yih King, en hij was 72, toen hij de Ts’oen Ts’ioe schreef. In 479 v. C. stierf hij 74 jaar oud, 8 jaar vóór de geboorte van Socrates.Ik heb Confucius’ leven hier maar even zéér beknopt behandeld, omdat ik liever gauw op zijn leer wilde neerkomen.Wat wij van Confucius’ Wijsheid over hebben is (behalve wat ik zooeven aanhaalde, de Ts’oen Ts’ioe en de bewerking der 5 Kings) alles overlevering zijner discipelen, dus niet door hem zelf geschreven werk. Deze overleveringen, werken van discipelen over Confucius en zijn leer, deChoeng1Yoeng, deTa Hiohen deLoen Yüworden, met de werken van den filosoofMêng Tsz’of Mencius, de z.g.Sz’ Shoed.i.Vier Boekengenoemd, naast de vijf Kingsdeliteraireenfilosofische schatten van China.Ik zal nu beginnen met de Choeng Yoeng, door Confucius’kleinzoon K’oeng Kei geschreven, die gewoonlijk bij zijn studeernaam Tsz’ Sz’ wordt genoemd. De Choeng Yoeng is de zuivere, overgeleverde leer van Confucius, door Tsz’ Sz, zijn kleinzoon en discipel, uit den mond van den Wijze opgeteekend, omdat hij vreesde, dat ze anders wellicht later verkeerd zou worden overgebracht.Confucius’ discipelen waren gewoon, belangrijke woorden van hun Meester op tabletten aan te teekenen om ze te onthouden.Ik zal den eersten tekst geheel opschrijven om een idee te geven van den uitersten eenvoud en kortheid van Chineesche filosofie.(van boven naar beneden te lezen, van rechts naar links, te beginnen met kolom A)2CBASiuShwaaiTh’ienTaoSingMingChüChüChüWeiWeiWeiKiaoTaoSing天命之謂性。率性之謂道。修道之謂教。Dit zijn in ’t geheel maar 15 schriftteekens of karakters, maar er zijn geheele boekdeelen te schrijven, en die zijn dan ook geschreven, over de uitlegging van dezen tekst.Nu is ’t gemakkelijk om, zooals wel eens enkele sinologen gedaan hebben, voor ieder der Chineesche karakters een equivalent te nemen in een Europeesche taal, en er dan een paar Europeesche zinnen van te maken. Ik moet er echter nog eens op wijzen dat een Chineesche tekst niet is een representatie vanwoorden, maar een opeenvolging vanideeënen dat de combinatie van die symbolen niet is een representatie van wat de schrijver wildezeggen, maar vooral van wat hijdenkt. Een woordelijke versie is daarom onmogelijk.Prof. Legge, de groote, erkende sinoloog van deChinese Classicsheeft den eersten zin vertaald met:„What Heaven has conferred is called the Nature” (wat de Hemel heeft verleend wordt genaamd de Natuur). En hij zegt er in een commentaar bij: „BySing of Nature is to be understood the Nature of Man”.(Onder Sing of natuur is te verstaan de Natuur van den Mensch).Er zit echter véél meer aan vast, en ik zeg dit, behalve uit eigen overtuiging, op gezag van Chineesche geleerden. Wij moeten dus dezen tekst eens wat nader beschouwen. Ten eerste: Wat wordt hier bedoeld met Hemel?In de alleroudste Chineesche godsdienst en geschiedenisboeken lezen wij van één, alleroppersten God, oneindig en in-zich-zelf bestaande, die genaamd werd Shang Ti letterlijk vertaald met: Opperste Macht of Heer. (In de Bijbelvertaling is God dan ook met dit Shang Ti vertaald). Voor dit abstracte begrip Shang Ti is later een meer concreet, Th’ien, de Hemel, in de plaats gekomen. Trouwens, ook wij spreken dikwijls in volkstaal van de Hemel, waar wij God bedoelen. Shang Ti en Th’ien zijn daarom in de oude Chineesche Heilige Schriften één en hetzelfde, het eerste alleen abstracter, het tweede wat concreter uitgedrukt. De alleroudste Chineesche godsdienst spreekt niet van goden of afgoden, maar van één Opperwezen, Shang Ti, later ook wel Th’ien, Hemel, genaamd.Het karakter Ti bestaat uit een combinatie van twee, waarvan het eene: Boven, en het andere: Doordringen beteekent, dus: het Opperste dat alles doordringt.Het woord „ming” is samengesteld, ideografisch, uit „mond”, en „bevelen” of „ordonneeren”, en beteekent niet alleen bevel, order, maar ook het bevel zelf, het z.g. mandaat, en ook: de wil, die het bevel gaf. Zoo wordt de Regeering beschouwd te zijn als een mandaat, bevel van den Hemel, en ook dat, wat van den Hemel verkregen is bij Hemelsche beschikking. Al deze beteekenissen te zamen liggen opgesloten in ’t karakter ming, en het is onmogelijk, die met een Hollandsch woord weer te geven. Omschrijvend, zou het hier zijn: „Dat, wat de Hemel, beschikt heeft, te bevelen en te verleenen, en ook dàt, wat van den Hemel verleend is krachtens deze beschikking”. Meer vrij-Europeesch: dat wat de HemelscheWijsheid geordonneerd heeft dat zoo zij. (Het karakter Chü duidt een soort genitief aan, hier meer dat wat.) Dit nu, wordt genaamd, Sing, een karakter, samengesteld uit hart, en geboren worden. Dus geboren zijn van het hart. Dit karakter hart beteekent in ’t Chineesch ookgeest, mind, niet alleen ’t physieke hart. We moeten nu den zin niet letter-alphabetisch, maar symbolisch lezen, zooalsalleChineesche filosofie. We zien, hier, ideografisch gelezen, staan: dat, wat de Hemel beschikt, bevolen heeft en ook: dat, wat van den Hemel krachtens die beschikking ontvangen is, heet (wei) „hart geboren”.In de Europeesche, alphabetische taal moeten die symbolen worden omschreven, die in ’t Chineesch niet gespeld in letters en geconstrueerd in zinnen, maargedachtworden en als gedachten ideografisch voorgesteld. De Chineesche tekst wordt daardoor als ’t ware op een ander gebied overgebracht, want hij is meer op gedachte-gebied dan op taal-gebied.We krijgen dan, véél uitvoeriger en met véél meer omhaal:Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest) verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen) heet Sing.De groote Chineesche filosoof Choe Hie, die van 1129–1201 v. C. leefde, noemt deze Sing „het goddelijke principe (li)”.Er staat volstrekt niet bij, dat deze Sing alleen aan den mensch gegeven zou zijn. Integendeel, zoowel Choe Hie als andere groote Chineesche wijsgeeren en commentators zeggen er uitdrukkelijk bij, dat: Alle myriaden dingen (wan woe) deze Sing in zich hebben. De Sing is dus volstrekt niet alleen de natuur van den mensch, maar veel universeeler, het goddelijke principe van Shang Ti, het Opperwezen, in zijne openbaring in het Heelaldaaraan gegeven. Men kan dit polytheisme noemen, men kan ’t echter ook monotheisme noemen, want het neemt één God aan, al is ’t geen persoonlijke God, niet buiten het Heelal staande, maar in ’t geheele Heelal gemanifesteerd, en er dus één mede. Voor zoover ’t op menschen betrekking heeft, in beperkter zin, kan men het de Hemelsche natuur van den mensch noemen.De volgende tekst luidt:Het volgen van den (leider) Sing heet Tao.Het karakter率„shwaai” (zie B) beteekent hier:het volgen van een leider, het medegaan met, het gehoorzaam zijn aan, en tegelijk het den vrijen loop laten aan.Dit Tao—een van de beteekenisvolste karakters in de Chineesche filosofie—is dus hier in Confucius ongeveer als het Pad, de Weg, mits men dan altijd in ’t oog houde: EengeestelijkeWeg, eengeestelijkPad, en niet aan afstand of ruimte hierbij denke. Het volgen van den leider Sing, het goddelijke principe in ons, is alzoo de geestelijke Weg, of het geestelijke Levens-bewegen.De derde tekst luidt:Het regelen, cultiveeren (siu修zie C beteekent beide) van de Tao (den spiritueelen Weg) heet Kiao.Kiao is een Chineesch karakter dat Onderwijs, Leering beteekent, maar dat ook in zekeren zin Godsdienst beteekent. Het karakter voor godsdienst is ook: Kiao. In den godsdienstigen zin beteekent Kiao: moreele lessen, somtijds sluit het het geheel der beschaving in. Daarom is wat de Chinees onder godsdienst verstaat niet alleen spiritueel, maar ook moreel, sociaal en filosofisch.Kiao is zoowel gewoon onderwijs als godsdienst. Endat is zoo vreemd niet als ’t wel lijkt, want de Chinees beschouwt godsdienst als de moreele les leerend道Tao, den spiritueelen Weg, (het volgen van den leidenden Sing) te begaan. Een opvoedende instelling is in China daardoor kerk en school beiden. De eigenlijke priesters van ’t Confucianisme, dat geen priesters heeft, zijn dan ook de literati, die de hoogere literatuur, d.i. de Confucianistische filosofie, onderwijzen.Ik heb deze teksten hier neergeschreven, om een denkbeeld te geven, hoeveel er aan die aparte Chineesche karakters vastzit, en hoe moeilijk het is, er equivalenten voor te krijgen in Europeesch alphabetisch schrift.Ik wijs er nog even op dat het karakter Tao, de spiritueele Weg of het geestelijk Pad, bestaat, ideografisch, uit: bewegen, of rondgaan, en hoofd, hier dus in den zin: spiritueele hoofd, geestelijk hoofdprincipe, dat beweegt, of rondgaat in ’t Heelal. In de nog oudere filosofie, en in Lao Tsz’, beteekent ditzelfde Taoniethet spiritueele Pad, maar de suprême Geestzelf, die zich in ’t Heelal openbaart en daarin zijn Weg gaat en dat is de oorspronkelijke beteekenis van Tao.Het zou te lang duren en ook voor een publiek van niet sinologen wat te moeilijk worden, als ik nu ook alle andere teksten in ’t Chineesch zou neerschrijven, dus de volgende geef ik daarom in mijne vertaling:„Welnu, Tao mag geen oogenblikje verlaten worden. Kon het verlaten worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over wat hij niet ziet, en in vreeze over wat hij niet hoort. Wat men niet ziet is verborgen, wat niet zichtbaar geopenbaard is, is subtiel. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over zijn eenzaamheid.”Dus niet op de zichtbare en hoorbare dingen, door de zinnen waarneembaar, moet de Superieure Mensch enkel letten, maar over de verborgen, subtiele, geestelijke dingen, diep in zich zelf, behoort hij te waken en er voorin reverente vreeze te zijn. Daarom is hij waakzaam over zijn eenzaamheid. (Een karakter „toe”, door den filosoof Choe Hie omschreven met: „de plaats die andere menschen niet weten, maar die wij alleen weten”). In die plaats juist, in onze diepste binnenste, kunnen wij van den geestelijken Weg, van Tao, afwijken. En Tao mag geen oogenblikje verlaten worden, anders zou het niet Tao, het volgen van den leider Sing, ’t Hemelsche principe zijn.Nu komen weer twee belangrijke teksten:„Als vreugde, toon, smart, of geluk nog niet bewegen, heet dat Choeng (Midden, Centrum); als zij wèl bewegen, maar in den juisten maat, heet dat Ho (Harmonie). Dit Choeng (Centrum) nu, is de groote oorsprong van het geopenbaarde, deze Ho (Harmonie) is de manifestatie van Tao (den Spiritueelen Weg).„Als men het uiterste Choeng en de uiterste Harmonie bereikt heeft, zijn Hemel en Aarde gevestigd en al het geopenbaarde ligt gevoed en gekoesterd”.De geestelijke portée van de laatste teksten is niet altijd volledig door Europeesche vertalers begrepen.Confucius’ filosofie is hier verwant aan de oude Indische, n.l. de Brahmaansche en Hindoesche filosofie. Het Choeng, Midden, Centrum, is verwant aan wat in die oude wijsbegeerten bedoeld wordt met het goddelijke,onpersoonlijkZelf, dat Zelf, dat, als ongeopenbaard in ’t Heelal, volkomen rustig, stil onbewegelijk is. Als de mensch die goddelijke rust in zich zelf, in zijn goddelijke Zelf, heeft bereikt, bewegen geenerlei aandoeningen van vreugde of toorn, smart of geluk. Is men in dit Choeng, Midden, geconcentreerd dan voelt, zegt een Chineesche commentator er bij, men zijn Sing één met de Sing van alle menschen en dingen, van al ’t door ’t Opperwezen geopenbaarde, en voelt men hoe Hemel en Aarde en al dat geopenbaarde gevestigd zijn in ’t goddelijke en dus gevoed en gekoesterd liggen in dat goddelijke,Choe Hie zegt in een commentaar: „Is mijn hart recht, dan is dat van Hemel en Aarde óók recht”.Als de aandoeningen vreugde, toorn, smart of geluk wèl bewegen, maar in de juiste middenmaat, dan is er Harmonie in den Mensch, een bewijs, dat Tao, ’t Geestelijke Pad, gevolgd wordt, dat zich manifesteert in Harmonie. Choeng slaat dus meer op ’t hóógste als ongeopenbaard, Ho op het geopenbaarde, want Tao is de Weg van ’t geopenbaarde.Choeng is dus het einde van dat Pad, het einde van Tao, dat, waartoe Tao leidt, en waarna alle menschelijke aandoeningen, vreugde, toorn, geluk, smart, zwijgen en ophouden, als de groote Rust is binnengetreden. Harmonie, Ho, in die aandoeningen is ’t bewijs, dat men in Tao, het Pad gaat, dat daartoe leidt.Het zou voor een sinoloog een loonend werk zijn, eens eene studie te schrijven over de, totnutoe nog veel te weinig opgemerkte overeenkomst van deze Confucianistische bespiegelingen, met oude Indische wijsbegeerte, ook het Boeddhisme.De concentratie in het van den Hemel gegeven zelf, het vrij worden van aandoeningen en hartstochten, den geest geconcentreerd in het Hemelsche; het inwendige, spiritueele leven, vrij van de uitwendige verschijnselen, dit alles zou voor een Brahmaan en een Boeddhist volkomen begrijpelijk zijn.De titel van het werk waarvan ik zooeven den eersten tekst opschreef, is Choeng Yoeng.Onder Choeng (het schriftteeken is: Midden) is te verstaan het zonder overneiging naar een of andere zijde zijn, dus: stabiel, in rust, eeuwig zijn; onder Yoeng het nooit veranderen, altijd hetzelfde blijven. Choeng is het doel van de rechte Tao, het rechte spiritueele Pad, dat altijd stabiel ’t zelfde is, en niet neigt naar een of andere zijde, Yoeng is het vaste principe van al ’t Geopenbaarde, de onveranderlijke kern van al de veranderlijke dingen.De voorreden van de Choeng Yoeng zegt van het eerste hoofdstuk, dat ik zooeven behandelde: „Het spreekt eerst van het ééne principe (de Sing n.l.) dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen, ten laatste keert het terug en vereenigt ze weer onder het eene principe. Ontrol het, en het vult het Heelal, rolt het (weer) op en het verbergt zich in mysterie”.M.a.w. het Hemelsche principe doordringt het Heelal, en is in alle dingen gemanifesteerd, de Eenheid is in de Veelheid, maar alle Veelheid kan teruggebracht worden tot Eenheid. En die Eenheid, het goddelijke, ligt voor ons verborgen in mysterie.In de Loen Yü, eene verzameling gezegden van en over Confucius, door zijne discipelen opgeteekend, komt het volgende gezegde van den Meester voor: „Mijn leer is een Eenheid die alles samenhoudt”. Met deze Eenheid bedoelde hij het universeele van het goddelijke principe, dat het Heelal, en dus ook de menschen, doordringt, de Sing, door den Hemel of het Opperwezen in Zijne Wijsheid, zijn Wil gegeven, toen Hij zich openbaarde, en waarvan het volgen heet Tao, het spiritueele Pad, dat alzoo is als het bewegen van de zich openbarende Godheid in het Heelal, dat Hij openbaarde.Met betrekking op de menschen vindt dit Eenheids-Idee óók haar uiting, in een ander karakter uit de Confucianistische filosofie, n.l. „Shoe”, ideografisch samengesteld uit „evenals”, „gelijk aan” en „hart”, dus: „gelijk aan mijn hart”.In de Loen Yü lezen wij: Tsz’Koeng (een van Confucius’ discipelen) vroeg eens: „Is er één woord, dat als een regel van gedrag voor ’t geheele leven kan gelden?” De Meester zeide: „Is niet Shoe zulk een woord? Wat gij niet wilt van anderen gedaan zijn, doe dat ook aan anderen niet”.Deze tekst, bijna eender door Jezus Christus later geuit, is karakteristiek voor Confucius’ filosofie. Dit karakter „shoe” is moeilijk te vertalen, ideografisch leestde Chinees er al in: gelijk mijn hart is het hart der menschen. Prof. Legge vertaalde het door „reciprocity”.We zouden het ook, in Hollandsche termen gelijkheid of broederschap kunnen noemen. Het groote principe van Confucius nu is: de eigen Sing rein houden en volmaakt doen blijven, maar ook: de Sing van anderen, van onze broeders, rein houden en volmaken, en dit laatste geschiedt door Kiao, dat èn onderricht en godsdienstleer beteekent. De Hemel, of Shang Ti, gaf ons bij onze geboorte de Sing, en is dus onze Vader. Onze medemenschen, die immers dezelfde Sing hebben als wij, zijn onze broeders. Dr. Chen Huan Chang noemt dat in westersche termen:De leer van ’t vaderschap van God en de broederschap der menschen.Als de zoon van Shang Ti, later beschouwd van Th’ien, Hemel, werd in latere eeuwen erkend de Keizer, wien dan ook de eerenaam Th’ien Tsz’, d.i. Zoon van den Hemel, werd gegeven. Met betrekking tot het menschelijk leven op de aarde—dus niet in hóógeren metaphysischen zin hier—werd een ander Drietal als heilig, van hooger hand vastgesteld, aangenomen, n.l. Th’ien-Ti-Jên, Hemel-Aarde-Mensch. De hooge wetten, die den Hemel, Th’ien regeeren, zijn dezelfde als die, welke de aarde, en ook de menschheid regeeren. Al die wetten, die de menschheid regeeren, en die met bepaald ceremonieel worden samengehouden en uitgevoerd, openbaren zich in wat in de Chineesche taal „Li” heet, een onvertaalbaar begrip, waar decorum nog het dichtste bij komt, mits begrepen als: door hoogere machten en wetten vastgesteld, die ook den Hemel regeeren. De vaste wetten, die het geheele planeet-stelsel zijn baan aangeven, zijn dezelfde als die de z.g. betrekkingen der menschen regelen. Men houde dit goed in ’t oog, want de geheele inrichting van den Chineeschen staat en van de Chineesche familie (die de staat in ’t klein is), werd beschouwd als een goddelijke instelling.Wat nu de Orde der dingen aangaat in de menschheid,het voornaamste hiervan was volgens Confucius het onderhouden der z.g. Woe Loen, d.i. Vijf Betrekkingen, n.l. die tusschen Vorst en Onderdaan, Vader en Zoon, Man en Vrouw, Ouderen Broeder en Jongeren Broeder, en Vriend en Vriend. Deze betrekkingen worden beschouwd als te zijn ingesteld door goddelijke wet, en eigenlijk als eene voortzetting in de menschheid der kosmische wetten.Een van de allereerste deugden van den Mensch is de Hiao, uitgedrukt, zeer treffend, door een ideografische combinatie van ’t karakter oud en ’t karakter kind, waarin ’t kind, onderaan geplaatst, het oude steunt.Dit Hiao wordt meestal door Filial Pity, Ouderliefde, vertaald, maar heeft een veel wijdere strekking dan algemeen geacht wordt. Hiao is n.l. niet alleen ouderlijke liefde, maar in ’t algemeen een geheele wijsbegeerte, gebaseerd op de regelende harmonieën der Natuur, op de wederzijdsche verplichtingen tusschen die bovenaan staan in de wereld en die onderaan staan, en op de kracht van het voorbeeld. De Hiao is, in ’t maatschappelijke leven der Chineezen, wat de orde der hemelsche bewegingen en de onuitputtelijke vruchtbaarheid van de aarde is ten opzichte van het zichtbare heelal.In de Hiao King, door een van Confucius’ discipelen gecompileerd, maar van onbekende afkomst, is alles over deze deugd te vinden. Hier volgen eenige teksten er uit, waaruit men ziet, dat het méér is dan enkel liefde voor de ouders.„Van de Hiao is het eerste principe om, in zuiverheid en kracht, het lichaam te behouden, dat wij van onze ouders hebben gekregen. Zijn volmaaktheid ligt in de beoefening van de deugd en in ’t verwerven van een naam, die hun herinnering eer aandoet.”„Zijn voorbeeld is de regelmatigheid der hemelsche lichamen in ’t verschaffen wat noodig is voor de aarde, en in ’t regelen van de daden der menschen.”„De koningen, van oudsher af, in ’t betrachten vanHiao, zouden niet een oude van dagen of een weduwe durven verachten, noch iemand, beroemd om zijn deugd en wijsheid.”„Eén deugdzame koning trekt een heel volk met zich mede. Laat de vrees om de herinnering aan Uw ouders te kwetsen de eerste gedachte zijn van Uw droomen, en laat de slaap ze niet verdrijven”.Hiao is dus méér dan ouderliefde, het is ook eerbied voor den koning, eerbied voor deugd en wijsheid, voor ouden van dagen, ja, we kunnen gerust zeggen, voor al wat schoon en edel is, en zelfs de koning en de keizer hebben alleen dan Hiao, als zij rechtvaardig en wijs regeeren.De eerste aller deugden zegt Confucius, ’t zij in een zoon of in een onderdaan, is Hiao. Het is dit wat de mensch van ’t redelooze dier onderscheidt, het is dit, hetgeen de erkentenis is van de ware relatie tusschen kind en vader, tusschen vader en Hemel, en door de beoefening van Hiao is het, dat de harmonie van ’t Heelal wordt bewaard.Dat Hiao nog véél verder gaat dan alléén liefde en gehoorzaamheid aan de ouders kan blijken uit een tekst uit de Li Ki, die luidt: „Iedere boom heeft zijn bepaalden tijd om te vergaan en ieder beest om te sterven, en hij, die een boom omhakt vóór zijn tijd, of een beest doodt vóór diens tijd is schuldig aan een gebrek aan Hiao”.Zeer treffend is het feit, dat onder de vijf Betrekkingen ook Vriendschap is opgenomen.De liefdetusschenbroeders is even heilig als de liefde tusschen vrienden. Vriendschap is in China een even heilige zaak als nauwe bloedverwantschap. Van den keizer af moeten allen vrienden hebben, zegt Confucius.Vriendschap is de eerste van alle sociale relaties en mag niet voor één dag verwaarloosd worden. Niemand mag een vriend hebben, die niet minstens zijn gelijke is. Vrienden zijn weelde voor de armen, kracht voor dezwakken, medicijn voor de zieken. Zij moeten altijd de slechte dingen van hun vriend vergeven en om hun deugden blijven denken. De schoonste vriendschap is die, welke door den band der literatuur is gemaakt. Confucius zeide: Sluit vriendschap met de deugdzaamsten onder de literatoren. De hoofdplicht tusschen vrienden is: sin, een ideografisch karakter, samengesteld uit „mensch” en „woorden” of „spreken”.„Sin” beteekent dan ook waarheid, oprechtheid, geloof. Geraaktheid, twijfel, wantrouwen tusschen vrienden is een gebrek aan sin.Confucius onderscheidt nu drie soorten van menschen. De eerste, maar héél zeldzame, zijn de Shêng Jên, de Heilige Menschen, Wijzen, en dat zijn de uitverkorenen, die vanzelf de hoogste Wijsheid zonder inspanning bezitten, en die daarom van zelf Tao, het spiritueele Padbegaan, zonder dat daartoe ontwikkeling door Kiao, onderricht, leering, noodig is. Hun Sing, hun goddelijke principe, wordt nooit, door wàt ook van menschelijken aard, verduisterd, en verkeert van zelf in den staat van volkomen volmaking, die Confucius uitdrukt met het schriftteeken: Ch’ing, een karakter, bestaande uit „woord”, en, „volmaakt”.Ch’ing is de volmaakt reine, door niets verduisterde, oorspronkelijke, en dus goddelijke staat van de Sing. Zij, die in den staat Ch’ing zijn, hebben het al-Weten en doorgronden de goddelijke dingen.Zij zijn in zekeren zin één met Th’ien, den Hemel, of, abstracter gesproken, met Shang Ti, het Opperwezen.Confucius zelf is door het nageslacht als zulk een Shêng Jên beschouwd.De tweede soort is wat Confucius noemt de Kiün Tsz’, de Vorstelijke, Koninklijke Mensch, we zouden ook kunnen zeggen: De Superieure Mensch. Dr. van Deventer heeft er mij eens op gewezen dat deze Kiün Tsz’, zooals hij er in mijn vertaling van Confucius over las, veel heeft van wat in de Grieksche Platonische filosofie heetkalokágathos. Er is misschien ook iets in, maar dan zonder het conventioneele dat er aan is gaan kleven, en meer in ’t hoogere, ideale, van ’t Engelsche „gentleman”.De derde soort is de Siao Jên, de Kleine Mensch. De meeste sinologen, en ik vroeger ook, hebben dit opgevat in den zin van de verachtelijke mensch, maar volgens de moderne Confucianisten beteekent het meer de mindere, nog niet ontwikkelde mensch, de armere mensch die, omdat hij nog uitsluitend om zijn voedsel moet denken en tobben, het hoogere ethische leven nog niet kent. Het zou dan veel hebben, van wat in Europa met eene klasse-aanduiding de proletariër heet.Het wonderschoone in Confucius’ leer is dat hij het bereiken der hoogste Deugd binnen ieders vermogen stelt en verzekert, dat „Ch’ing”, den staat van volmaakte helderheid der Sing, dien de Wijze Heilige, de „Shêng Jên” reeds bij de geboorte bezit, ook door andere, gewone menschen door onderricht („Kiao”) en oefening kan verkregen worden. Dit wordt duidelijk gezegd in den tekst uit de „Choeng Yoeng”:„Sommige worden met de kennis (der plichten en deugden) geboren; sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar eenmaal weten is het ’t zelfde.”Men behoeft alzoo niet als heilige geboren te worden om den volmaakten staat „Ch’ing” te bereiken. Ieder kan dit „Ch’ing” verkrijgen, hetzij door studie, hetzij door de loutering en verheffing van de smart.Ik zal nu eerst eens nader de menschelijke betrekkingen der „Woe Loen” toelichten.Men houde vooral in het oog, dat de „vijf betrekkingen” als een orde van dingen in de menschheid beschouwd worden, die eene voortvloeiing zijn van de groote Orde der Dingen van het heelal. Zij zijn dus niet enkel een maatschappelijke, maar eigenlijk een heilige,kosmische orde. De ritueele of formeele orde, die het gedrag der menschen in die betrekkingen regelt is wat in China „Li” heet. In een der heilige boeken, de „Li Ki” is al het daaraan verbonden ceremonieel omschreven. De „Li” is echter niet enkel ceremonieel en ritueel van menschen onderling, maar ook van menschen tegenover de hoogere, goddelijke machten. Voor zoover de formaliteiten onder menschen aangaat is ditceremonieeldoor oningewijde Westerlingen veelal voor overdreven conventie, en zelfs affectatie aangezien. Deze „Li” is echter niet—als de Westersche begrippen decorum, beleefdheid, fatsoen enz.—afgescheiden van ethica en geloof in China,maar is er identiek mede. De ceremoniën van de „Li” zijn „een symbool van den mensch in zijn veelvuldige verwantschappen”, en wel niet enkel menschelijke, maar ook kosmische en goddelijke verwantschappen. Uit het hoofdstuk in dit werk over de „Yih King” zal men gewaar worden, dat kosmisch en goddelijk in ’t Chineesch zeer na verwante, zoo niet identieke begrippen zijn, daar de gansche kosmos goddelijke openbaring is.De Chineesche familie is, zooals ik reeds zeide, niet enkel een maatschappelijke, maar een kosmische orde. Eerbied voor de familie is eerbied voor de kosmische orde, voor de goddelijke orde. De Chineesche familie is de georganiseerde uitdrukking van den staat. Vandaar dat de absolute keizerlijke macht over het rijk afgespiegeld is in de absolute „patria potestas” in de familie. Het godsdienstige ideaal is in de inrichting der familie zichtbaar gemaakt in patriarchale vormen. De familie is èn een religieuze, èn een kosmische, èn een sociale instelling. Het begrip „familie” weerspiegelt ook het hoogere „creatie”, onafgebroken vorming en voortbrenging van leven. Samuel Johnson heeft terecht den innigen samenhang tusschen de leden eener Chineesche familie verklaard uit hetgeen hij noemt „the religion of the seed”. Deze is zóó veelomvattend dat hij verwantschap berekent in negen geslachten, en dat de oudere broederden zoon van zijn jongeren broeder als zijn eigen zoon beschouwt, en volle neven worden gerekend broeder te zijn.Zóó als de keizer verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn volk, is de familievader verantwoordelijk voor dat zijner familie. Hij heeft een onbeperkte „patria potestas” maar hij is dan ook de waker, de hoeder over alles en allen in de familie, hij moet voor haar zorgen en werken, en zelfs is hij aansprakelijk voor het gedrag der familieleden. Volgens de „Shêng Yü”, het Heilige Edict, uitgevaardigd door keizer Kh’ang Hsi, is hij zelfs strafbaar voor de vergrijpen en misdaden der kinderen. Dit Heilige Edict vergelijkt de familie met een stroom, die vele takken en zijarmen heeft, waarin, hoe vèr ook van den oorsprong, hetzelfde water is.De noodzakelijkheid, het leven altijd door te verlengen, als een heilige plicht, geeft aan het huwelijk als eerste doel het verwekken van kinderen. Te sterven zonder zonen na te laten is een bewijs van oneerbiedigheid tegenover de ouders en voorouders, een gebrek aan „Hiao”, en daarom is voor een man zonder zonen adoptie—mits van een agnatischen verwant—plicht en is, zelfs nà zijn dood, voor de familie-oudsten posthume adoptie voorgeschreven. Door dit verlangen naar zonen heeft het patriarchale concubinaat, gegrond op voortzetting van het heilige leven, in China niet een enkel zinnelijk motief, maar is het oorspronkelijk godsdienstig. De patriarch is het moreele en sociale hoofd van de familie, wiens priester hij in zekeren zin is. Naar beneden vloeit de patriarchale idee zóó uit, dat de oudere broeder macht heeft over den jongere, en tevens den plicht, hem te steunen en te leeren. Als twee broeders twisten, zegt het Heilige Edict, is dit alsof de linkerhand de rechter slaat.De „patria potestas” is een absolute macht, evenals de keizerlijke autoriteit, maar steeds getemperd en begrensd door recht, door de plicht ook om te onderwijzen en liefderijk te helpen en te steunen.In zekeren zin is Ouderdom óók een patriarch in China.De „Li Ki” zegt, dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten.De geheele Chineesche godsdienst is wel eens genoemd eene ontwikkeling uit de „Hiao”, die de liefde en de eerbied tot de ouders niet alleen is, maar de ondergeschiktheid, in reverentie, van ’t lagere in de orde der dingen tot het hoogere in die orde. In elken Chineeschen vorm van godsdienst is de basis patriarchaal.De patriarch in de Chineesche familie heeft ook niet zijn autoriteit als alleenstaand persoonlijk individu, maar als een schakel in de kosmische orde der dingen, als constitueerend deel der geheele Familie, de doode voorvaderen medegerekend, en deze familie weer mede constitueerend den staat, met aan ’t hoofd de keizer, die weer boven zich heeft zijn vader Shang Ti (of, meer concreet: Th’ien, den Hemel).Wij moeten dus den voor ons, Westerlingen, overdreven lijkenden samenhang der Chineesche familie, en den eerbied der Chineezen voor hun familiebetrekkingen—een eerbied, zóó groot, dat een volwassen, veertigjarig man niets van belang doen zal vóór zijn ouden vader eerst om raad, en vergunning te vragen—niet beschouwen als een maatschappelijke conventie, maar als eerbied voor de kosmische en goddelijke Orde der dingen. Het Pad, Tao, kan niet begaan worden zonder eerbied voor en in standhouding van de familiebetrekkingen. Een tekst uit de „Choeng Yoeng” zegt dan ook: „De Tao van den Kiün Tsz’ begint met (den gewonen omgang van) mannen en vrouwen. Maar aan het opperste er van gekomen strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde”.Zooals ik reeds gezegd heb, werd de Sing door Confucius beschouwd als de bron van alle menschelijke deugden. Was deze Sing dus in den toestand van Ch’ing, Volmaaktheid, dan waren alle deugden in den mensch ook volmaakt. De mensch wordt, volgens Confucius, dus nietgeboren met zonde, maar met Deugd. Er is geen Duivel en geen Hel, die hem wachten, omdat hij (waar hij toch moeilijk iets aan doen kon) met erfzonde geboren werd, maar door zijn Deugd, indien hij zich slechts aan de Sing hield, en deze in Ch’ing, den volmaakten staat bleef, kan hij worden als zijn Vader, den Hemel, Shang Ti. Niet met een soort boeman, die Satan heette, noch met een brandend vuurtje, de Hel, moeten de menschen bang gehouden worden, om hun des te beter te kunnen regeeren, maar door de kracht van zijn eigen Wijsheid, die de Deugd insluit, moet de regeerder het volk regeeren. Regeert hij niet met de Deugd en de Wijsheid, dan wordt het Ming, het mandaat van den Hemel hem ontnomen.575 jaar voor Confucius werd de tiran keizer Chow door den revolutionnair Wen Wang, die later een zeer goed, wijs koning werd, onthoofd, omdat hij zijn macht in wreedheid misbruikte, en deze Wen Wang wordt in de Shoe King als een van China’s deugdzaamste groote mannen verheerlijkt en door Confucius telkens als moreel voorbeeld gesteld.De „Sing” is het uitgangspunt van het geheele leven, zoowel in de familie als in den staat. En hier komen wij nu tot het schoone beginsel, waarin de Geest van China zich op zijn heerlijkst openbaart, en dat het geheele Westen, dat zijn staatkundige inrichting op het oogenblik in haar grondvesten geschokt ziet, hoog noodig van het Oosten behoort over te nemen, namelijk dit: dat regeeren berust op het zelf-karakter, dus op de cultivatie van de Sing, van den regeerder of de regeerders. Niet op enkel kunde, intellect, knapheid van de regeerders behoort de staat te berusten, maar op hunkarakter.Ik haal, om dit te illustreeren, eenige teksten van Confucius hieronder aan:„Daarom mag (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) niet verzuimen zijn eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijneigen karakter verzorgen, dan mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders dienen, dan mag hij niet verzuimen de menschen te kennen. Wil hij de menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen”.3„De instellingen en wetten van den (Vorst die een)KiünTsz’ (is) hebben hun oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van gebeurt door de groote massa van het volk”.4„Alleen hij, die de opperste Wijsheid heeft onder den Hemel kan voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vèr-reikende intelligentie, àlomvattend van kennis zijn om de regeering uit te oefenen”.5„Alleen hij, die de opperste „Ching” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij ietsbuitenzichzelf kunnen hebben om op te steunen?”6„De Ouden, die de schitterende Deugd door het geheele keizerrijk wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk goed. Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hun families. Wilden zij hun families regelen, dan verzorgden zij eerst hun Zelf. Wilden zij hun Zelf verzorgen dan maakten zij eerst hun wil en gedachten oprecht, wilden zij hun wil en gedachten oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De kennis tot het allerhoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de dingen”.7„Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het verzorgen van het Zelf als de Oorsprong beschouwen.”8„Wordt de Oorsprong verward dan kan niets wat daaruit voortkomt tot goede orde worden gebracht”.9„Wat bedoeld wordt met „Om het rijk te regeeren moet men eerst zijne familie regelen” beteekent: als men zijne familie niet kan leeren, kan men andere menschen niet leeren. Daarom behoeft deKiünTsz’niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn vorst dienen. De Ti (liefde voor ouderen broeder) daarmede moet men zijn superieuren dienen. De Ts’z’ (mededoogen) daarmede moet men de menigte behandelen”.10„Daarom moet (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) alles (eerst) zelf hebben en daarna van het volk verlangen, dat het zelf (ook) heeft, en moet alles (eerst) zelf niet hebben en daarna van het volk verlangen, dat het dit zelf (ook) niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan”.11„Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als hij de deugd heeft, heeft hij ook de menschen. Als hij de menschen heeft, heeft hij het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft hij bezittingen. Heeft hij bezittingen dan heeft hij middelen voor zijn uitgaven.”12„De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde.”13„De Vorst die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, zal met het volk in strijd komen, en maken dat er roof gebeurt”.14„Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) een groote Tao (Weg) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het. Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.”15Bovenstaande teksten illustreeren genoegzaam de bedoeling, dat het de Wijsheid is, die alleen recht en bevoegdheid geeft om te regeeren.Uit den schoonen, en zoo eenvoudigen tekst: „De Deugd is de oorsprong, de bezittingen zijn het einde” volgt de oplossing van het moeilijke raadsel, waardoor de wereld thans in zulk eene schromelijke verwarring is, namelijk het raadsel, hoe de groote economische strijd is op te lossen. Die oplossing zal namelijk eerst daar zijn,wanneer Economie en Ethica één zijn.Om een en ander goed uit te leggen is het echter noodig, eerst iets te vertellen van een toekomst-droom, door Confucius in een grandioze zieners-vizie gedroomd.

(Kh’ oeng-Foe-Tsz’)

Meer dan twee duizend jaren geleden is het, dat zijn lichaam gestorven is, maar nog altijd leeft de geest van Confucius in iedere Chineesche woning.

Kort voor zijn dood, toen hij zich ziek voelde worden, zeide hij tot zijn discipel Tsz’ Koeng: „De groote berg valt in puin. De stutbalk breekt. De Wijze sterft weg als een plant”, maar dit doelde slechts op zijn stoffelijk omhulsel, waarin zijn groote geest tijdelijk op aarde woonde.

Zijn geest, die onsterfelijk is, heeft sedert over geheel China getrild, en er is geen Geest van China denkbaar zonder den Geest van Confucius.

„Mijn Leer is een Eenheid, die Alles samenhoudt,” zeide hij eens tot zijn leerling Ts’an. Het is die Synthese, die het groote gebouw van godsdienst, filosofie, literatuur, wetenschap en staatkunde van China bij elkaar heeft gehouden, in kosmische Eenheid.

Er is eigenlijk niets in het leven der Chineezen, waarin de geest van Confucius zich niet openbaart. Geen enkele gewichtige handeling, geen enkele familie-, liefde-, of vriendschapsband, geen enkele literaire of filosofische arbeid, geen enkele godsdienstige of wijsgeerige gedachte, geen enkele beleefdheids-ceremonie, geen enkele maatschappelijke orde, geenenkellevens-ding van de Chineezen is eigenlijk denkbaar, waarbij de geest van Confucius hun niet beïnvloedt.

Wèl zeer terecht schreef de Chineesche literator Cheng Chang Loo in 1909 in een Engelsch blad:

„In China hebben wij gedurende de laatste 2500 jaar gewerkt op het geaccumuleerde kapitaal van onze voorvaderen,wier illustere herinneringen en onsterfelijke volmakingen voor ons zijn bewaard door de vooruitziendheid en de wijsheid van onzen grooten Wijze Confucius. Zonder Confucius zou het Verre Oosten—China, Korea, Annam en zelfs het nu machtige Japan—gezonken zijn in de diepten van barbarisme”.

Al ware het alléén reeds om de twee door hem, honderden jaren vóór zijn grooten mede-Leeraar der menschheid, Jezus Christus uitgesproken gulden woorden:

„Alle menschen binnen de vier zeeën zijn broeders”

en

„Wat gij niet wilt dat aan U zelven gedaan wordt, doe dat aan anderen niet”

zou hij reeds den titel verdiend hebben, die boven den inbouw van den tempel van Confucius in Peking staat:

„Wan Shi Sh’ Piao”(„Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”)

„Wan Shi Sh’ Piao”

(„Het Voorbeeld der Meesters van Tienduizend Eeuwen”)

en die de groote, literaire keizer Khang Hsi, de keizerlijke literator-filosoof, met eigen penseel heeft neergeschreven.

De geest van Confucius heeft geleefd, en leeft nog altijd, in het penseel van iederen Chineeschen literator, en in de geheele, hooge Literatuur van China is het die geest geweest, die de Schoonheid er in deed stralen.

Het eerste werk van de voornaamste literaire revolutionnairen van 1911–1912 was, om over het geheele land redevoeringen en voordrachten te houden, om de leer van Confucius duidelijk te maken, zooals is voorgeschreven in een der heilige Vier Boeken, de „Ta Hioh”, de Groote Leering. Mijn vriend Dr. Lim Boon King zond mij, in ’t begin van 1912, eene kleine serie Confucianistische teksten, door hem opgesteld, die het onderwerp zouden vormen zijner „yen shwoh” (voordrachten, ten doel hebbend, de nieuwe maatschappijop den grondslag van Confucius’ leerop te trekken.)

Ik begin daarom de filosofie van China, waarin China’s Geest leeft, te behandelen met de leer van China’s populairste Wijze K’hoeng Foe Tsz’. Gelatinizeerd is deze naam Kh’oeng Foe Tsz’, die beteekent den Meester Kh’oeng, Confucius geworden.

Confucius werd, volgens geloofwaardige commentators, geboren in ’t jaar 552 v. C., doch door China’s grooten historieschrijver Sz’ Ma Ch’ien is abusievelijk het jaar 551 v. C. opgegeven.

Om een denkbeeld te hebben van den tijd, waarin Confucius leefde, moeten wij ons het China in die periode vooral niet denken als het China van de laatste eeuwen. Het was een geheel ander China, waarin alles, tot haardracht en kleeding toe, anders was dan nu.

De Chineesche geschiedenis verliest zich in de verre Oudheid. De precieze datum van het begin dier geschiedenis is onbekend, maar het is zeker, dat China als eene natie reeds 6000 jaar bestaat. De eerste legendaire keizer, Pao Hsi of Fu Hsi, leefde 2402 jaar vóór de geboorte van Confucius, alzoo omstreeks 2953–2839 v. C. Het was gedurende de z.g. Chow-dynastie (1022–255 v. C.) dat de Chineesche oude beschaving tot haar volle ontwikkeling kwam. Confucianisme, de nieuwe godsdienst of juister misschien: de nieuwe filosofie van Confucius, was daarom niet de godsdienst van een primitief volk, maar van een volk met hooge, door eeuwen heen ontwikkelde beschaving.

Tijdens Confucius’ leven was de Chow-dynastie al aan het vervallen, de keizers waren practisch al zonder werkelijke macht, en China leefde in een verval-tijdperk van feudalisme. Iedere feudale staat was eigenlijk een onafhankelijke natie, iedere vorst van zulk een natie vocht om de oppermacht en de macht van die feudale vorsten was eigenlijk grooter dan die van een keizer. Gedurende Confucius’ tijd was de macht van die vorsten alweer gaandeweg in de handen van eenige adellijkefamilies gevallen en heerschte er een soort oligarchie. Wanorde was door de regeerende klasse over het geheele rijk gebracht, terwijl het volk, niet genoeg ontwikkeld om voor zich zelf te zorgen, geheel verwaarloosd werd. Toch bestond er een midden-klasse, die zich zelf had opgevoed, en ontwikkeld genoeg was voor nieuwe ideeën. Die midden-klasse was het product van een reeds eeuwenoude beschaving. En, ondanks die oligarchie, en die verwarring had iedereen vrijheid van beweging en van spreken, zooals Dr. Chen Huan Cheng terecht opmerkt.

In 522 werd Confucius geboren in den staat Loe, den staat van den hertog van Chow, ongeveer in ’t tegenwoordige Shantung. Loe was het centrum der toenmalige Chineesche beschaving. In militaire kracht was het de mindere van de oudere staten, maar in kunst, literatuur, filosofie en moraliteit de meerdere. Confucius’ vader was een hoog ambtenaar, zooiets als bij ons in een groote residentiestad een burgemeester. Confucius’ familienaam was K’oeng, zijn persoonlijke naam Ch’iu, en zijn puberteits-naam Chung Ni (een Chinees krijgt bij zijn puberteit een nieuwen naam). Later werd hij meestal met den eerenaam Meester, Leeraar aangeduid, in ’t Chineesch Foe Tsz’, dus Kh’oeng de Meester, d.i. Kh’oeng Foe Tsz’.

Ik zal in dit hoofdstuk niet te lang over het leven van Confucius uitweiden, méér over zijn werken. Bijzonderheden over zijn leven kan men o.a. vinden in mijn 15 jaar geleden bij van Kampen uitgegeven werk: De Chineesche Filosofie, toegelicht voor niet-sinologen. Deel I Confucius, waarnaar ik hierbij verwijs.

Ik volsta hier dus met te zeggen, dat hij, diep getroffen door de verwarring en ontaarding, die in zijn tijd in China heerschten, zijn leven lang werkte en streed, om door rede en wijsheid de regeering en het volk te hervormen. Op 52-jarigen leeftijd, na allerlei teleurstellingen en wederwaardigheden, werd hij magistraat van destad Chung Tu in den staat Loe. Zijn administratie en rechtspraak waren zóó rechtvaardig, dat de vorsten der naburige staten haar als model namen. Toen hij 53 jaar was werd hij benoemd tot Minister van Binnenlandsche Zaken, en later van Justitie, en toen hij 56 was, tot Eersten Minister. Zijn moreele invloed werd zóó groot, en de door hem aangebrachte hervormingen zóó verreikend, dat de naburige staten jaloersch werden, en vreesden dat de staat Loe hen allen zou overvleugelen. De vorst van den naburigen staat Ch’i zond toen, echt Oostersch, tachtig van de mooiste meisjes, die maar te vinden waren, met een geschenk van 120 prachtige paarden naar hertog Ting van den staat Loe, om deze van de wijs te brengen en van Confucius te vervreemden.

De wijsheid moest toen wijken voor de schoonheid, de hertog en zijn hof dachten om niets meer dan om de mooie vrouwen, het volk, dat onder Confucius’ regeering zoo sterk en trouw en kuisch was geworden, begon door dit voorbeeld te ontaarden, en Confucius kon niets anders doen dan den staat verlaten, waar de zinnelijke schoonheid de wijsheid verdrongen had.

Van toen af werd zijn leven, als dat van Dante, één zwerftocht buiten zijn vaderland. Hij zwierf door al de feudale staten van China, waar hij overal zijn diensten aanbood tot hervorming van regeering en volk, nù eens tijdelijk aangenomen, en later weer afgewezen, voortdurend uitgestooten, en zelfs nu en dan gevangen genomen. Zijn vele reizen waren echter óók eenigszins in den geest van zendingswerk. Overal verspreidde hij zijn leer, kreeg discipelen, en stichtte scholen van zijn levensleer. Op het laatst had hij wel drieduizend discipelen. Na veertien jaar verguisd in den vreemde te hebben gezworven, werd hij door zijn geboorte-staat Loe teruggeroepen, maar kreeg daar toch geen ambt meer. Hij was toen 69 jaar. Confucius was, als zoo vele groote mannen, niet bestemd om zijn eigen onmiddellijke tijden te dienen, maar om de eeuwen van de toekomst te beïnvloeden.

Al vroeger, toen hij 48 jaar was, had hij de oude heilige geschriften van China, overgeleverd door eeuwenlange beschaving, verzameld, herzien en toegelicht.

Ik moet hier zeggen, dat China in Confucius’ tijd heilige boeken bezat, die werden geacht, door hoogere geestelijke machten geïnspireerd te zijn, evenals gedacht wordt van onze Heilige Schrift. Deze geschriften werden genaamd King (in ’t Peking-Mandarijnsch: Ching.) Confucius wordt door de Chineezen geacht een door hoogere macht gezondene en aangewezene te zijn geweest, om goddelijke wijsheid te verkondigen en ook om die Heilige Geschriften, de King’s, te ordenen en te regelen, zoodat zij, in den door hem geordenden vorm, zouden bewaard blijven. De Chineesche geleerde Chen Huan Chang in zijn onlangs, door de Columbia-University uitgegeven werk „The Economic Principles of Confucius and his School” zegt dat het woord King door de Europeesche sinologie „mistranslated” (verkeerd vertaald) is met:Classics, Klassieken. Prof. Legge, een groot sinoloog, maar als zendeling bevooroordeeld, spreekt voortdurend van de door hem vertaalde Kings als vanChinese Classics. De juiste vertaling is volgens Dr. Chen: ChineescheHeilige Schriften, een soort Chineesche Bijbels dus. Bijbel, zegt hij, ware de rechte vertaling voor King, en wordt ook als zoodanig gebruikt door moderne hedendaagsche Confucianisten. Of dit juist is zou ik echter niet durven verzekeren.

Deze Chineesche Kings nu, zooals zij thans bewaard zijn, zijn gedeeltelijk eigen werk van Confucius, al bevatten zij wijsbegeerte, poëzie en geschiedenis van de vroegste eeuwen af.

Er waren oorspronkelijk 6 van die Chineesche Heilige Schriften, waarvan er één, die der Muziek, in de Han-dynastie (ongeveer 85 n. C.) verloren is gegaan, zoodat er nu nog 5 over zijn, door Confucius verzameld, geredigeerd, en ook gedeeltelijk geschreven.

De eerste is deShi King, of Bijbel der Poëzie. Hijbevat 305 Gedichten en Odes die door verschillende dichters eeuwen vóór Confucius geschreven zijn, maar door Confucius volgens zijn eigen principes uitgegeven. Zeer mooi is door Confucius het wezen van dezen King en ook het wezen der Poëzie gekarakteriseerd toen hij eens tot zijn discipelen zeide: „De Shi King heeft 300 stukken, maar alles kan worden vervat in één zin:Hebt géén lage gedachten.”

De tweede is deShoe-King, de Bijbel der Geschiedenis, die de geschiedenis bevat van China, vanaf 2357 j. v. C.–621 v. C. De documenten hiervoor zijn geschreven door verschillende auteurs, maar door Confucius uitgegeven. Geheele, belangrijke hoofdstukken ervan, herkenbaar aan hun zelfden, van de anderen verschillenden stijl worden door bevoegde Chineesche geleerden aan Confucius zelf toegeschreven.

De derde is deLi Kiof de Annalen van den Ritus en het Decorum. Hij bevat alweder zéér oude geschriften, over zeden en gewoonten, maar verzameld en geredigeerd door Confucius.

De vierde is deYih King, de Bijbel der Transformaties, beter en juister: de Bijbel der Evolutie, het diepzinnigste boek der Chineesche filosofie. Ofschoon hier de acht triagrammen van keizer Foe Hsi (2953–2839 v. C.) de grondslag van zijn en ook de daaruit afgeleide 64 hexagrammen van Wen Wang, is volgens sommige Chineesche geleerden het grootste deel tekst van Confucius. Confucius heeft eens gezegd dat hijeen overleveraar en geen makerwas. Hij heeft dan ook zéér veel oude wijsheid die reeds bekend was overgeleverd. Maar overigens moet dit gezegde betracht worden als eene uiting van de bekende Chineesche bescheidenheid. Confucius heeft nietenkelovergeleverd, maar ook zeer veelzelfgemaakt.

De vijfde is de z.g.Ts’oen Ts’ioe(lett: Lente en Herfst), een boek, dat geheel en al door Confucius geschreven is, het éénige geheel van hèm alléén. Het bevatde geschiedenis van China van 722–481 v. C. Om dit boek te kunnen vervaardigen, zond Confucius 14 zijner leerlingen uit om de heilige geschriften van 120 volken voor hem te halen en deze te bestudeeren, aldus Dr. Chen Huan Chang.

Ik heb vroeger, o.a. toen ik, nu 15 jaar geleden, mijn Hollandsch werk over Confucius uitgaf, gedacht, dat dit boek Ts’oen Ts’ioe een exclusief geschiedkundig karakter had, en daarom van niet zooveel beteekenis was voor zijn filosofie. Dit is ook het oordeel van de meeste Europeesche sinologen. Sedert echter hebben Chineesche geleerde vrienden mij er op gewezen, dat dit niet juist is. Het zou n.l. niet zuiver historisch van karakter zijn, volgens hun oordeel. Zooals Dr. Chen Huan Chang er van zegt: „De woorden, uit de geschiedenis aangehaald, zijn slechts de beelden, waarmede Confucius zijn principes illustreert”. „Ik zou mijn ideeën als pure theorieën willen verkondigen”, zeide Confucius er zelf van, „maar het is dieper, waarder, helderder, glanzender, ze te representeeren door de daden van menschen”. Hij critizeert er de keizers in, verlaagt er de vorsten in, valt de hooge ambtenaren aan en vestigt zijn ideale koninkrijk, een republiek op aarde door de Ts’oen Ts’ioe. Confucius was dus, als trouwens alle groote mannen, een revolutionnair. Confucius heeft zelfs gezegd: (zie de Loen Yü): „Het is alleen de Ts’oen Ts’ioe die mij bekend zal maken bij de menschen, en ’t is alleen de Ts’oen Ts’ioe die zal maken dat de menschen mij veroordeelen.”

Van de 5 daar zooeven door mij opgenoemde boeken zijn de Yih King de Bijbel der Evolutie, en de Ts’oen Ts’ioe de voornaamste, volgens sommige Chineesche geleerden.

De Yih King is deductief, beginnende met abstracte principes en voortgaande tot hun practische toepassing; de Ts’oen Ts’ioe is inductief, en komt door de analyse van feiten uit de historie tot algemeene theorieën.

Voor degenen onder mijn lezers, die mijn in 1898verschenen boekje over Confucius mochten gelezen hebben, zou ik er hier gaarne even op wijzen, dat het mij nù zéér spijt, daarin niet meer van deze twee Chineesche Kings te hebben gezegd, die zoo veel van Confucius zelf en zijn godsdienstige wijsbegeerte bevatten. Ik schaam mij niet te zeggen, dat ik in de 16 jaar, die na de publiceering van dat werkje verloopen zijn, wat dieper in de Chineesche filosofie ben doorgedrongen, en er wat méér van geleerd heb. Ik ben dan ook bezig aan een vollediger werk er over, waarin ik het vroeger te weinig gegevene hoop in te halen.

Bij zijn terugkomst in Loe, toen hij 69 jaar oud was, voltooide hij de Yih King, en hij was 72, toen hij de Ts’oen Ts’ioe schreef. In 479 v. C. stierf hij 74 jaar oud, 8 jaar vóór de geboorte van Socrates.

Ik heb Confucius’ leven hier maar even zéér beknopt behandeld, omdat ik liever gauw op zijn leer wilde neerkomen.

Wat wij van Confucius’ Wijsheid over hebben is (behalve wat ik zooeven aanhaalde, de Ts’oen Ts’ioe en de bewerking der 5 Kings) alles overlevering zijner discipelen, dus niet door hem zelf geschreven werk. Deze overleveringen, werken van discipelen over Confucius en zijn leer, deChoeng1Yoeng, deTa Hiohen deLoen Yüworden, met de werken van den filosoofMêng Tsz’of Mencius, de z.g.Sz’ Shoed.i.Vier Boekengenoemd, naast de vijf Kingsdeliteraireenfilosofische schatten van China.

Ik zal nu beginnen met de Choeng Yoeng, door Confucius’kleinzoon K’oeng Kei geschreven, die gewoonlijk bij zijn studeernaam Tsz’ Sz’ wordt genoemd. De Choeng Yoeng is de zuivere, overgeleverde leer van Confucius, door Tsz’ Sz, zijn kleinzoon en discipel, uit den mond van den Wijze opgeteekend, omdat hij vreesde, dat ze anders wellicht later verkeerd zou worden overgebracht.Confucius’ discipelen waren gewoon, belangrijke woorden van hun Meester op tabletten aan te teekenen om ze te onthouden.

Ik zal den eersten tekst geheel opschrijven om een idee te geven van den uitersten eenvoud en kortheid van Chineesche filosofie.

(van boven naar beneden te lezen, van rechts naar links, te beginnen met kolom A)2

CBASiuShwaaiTh’ienTaoSingMingChüChüChüWeiWeiWeiKiaoTaoSing

天命之謂性。率性之謂道。修道之謂教。

Dit zijn in ’t geheel maar 15 schriftteekens of karakters, maar er zijn geheele boekdeelen te schrijven, en die zijn dan ook geschreven, over de uitlegging van dezen tekst.

Nu is ’t gemakkelijk om, zooals wel eens enkele sinologen gedaan hebben, voor ieder der Chineesche karakters een equivalent te nemen in een Europeesche taal, en er dan een paar Europeesche zinnen van te maken. Ik moet er echter nog eens op wijzen dat een Chineesche tekst niet is een representatie vanwoorden, maar een opeenvolging vanideeënen dat de combinatie van die symbolen niet is een representatie van wat de schrijver wildezeggen, maar vooral van wat hijdenkt. Een woordelijke versie is daarom onmogelijk.

Prof. Legge, de groote, erkende sinoloog van deChinese Classicsheeft den eersten zin vertaald met:

„What Heaven has conferred is called the Nature” (wat de Hemel heeft verleend wordt genaamd de Natuur). En hij zegt er in een commentaar bij: „BySing of Nature is to be understood the Nature of Man”.(Onder Sing of natuur is te verstaan de Natuur van den Mensch).

Er zit echter véél meer aan vast, en ik zeg dit, behalve uit eigen overtuiging, op gezag van Chineesche geleerden. Wij moeten dus dezen tekst eens wat nader beschouwen. Ten eerste: Wat wordt hier bedoeld met Hemel?

In de alleroudste Chineesche godsdienst en geschiedenisboeken lezen wij van één, alleroppersten God, oneindig en in-zich-zelf bestaande, die genaamd werd Shang Ti letterlijk vertaald met: Opperste Macht of Heer. (In de Bijbelvertaling is God dan ook met dit Shang Ti vertaald). Voor dit abstracte begrip Shang Ti is later een meer concreet, Th’ien, de Hemel, in de plaats gekomen. Trouwens, ook wij spreken dikwijls in volkstaal van de Hemel, waar wij God bedoelen. Shang Ti en Th’ien zijn daarom in de oude Chineesche Heilige Schriften één en hetzelfde, het eerste alleen abstracter, het tweede wat concreter uitgedrukt. De alleroudste Chineesche godsdienst spreekt niet van goden of afgoden, maar van één Opperwezen, Shang Ti, later ook wel Th’ien, Hemel, genaamd.

Het karakter Ti bestaat uit een combinatie van twee, waarvan het eene: Boven, en het andere: Doordringen beteekent, dus: het Opperste dat alles doordringt.

Het woord „ming” is samengesteld, ideografisch, uit „mond”, en „bevelen” of „ordonneeren”, en beteekent niet alleen bevel, order, maar ook het bevel zelf, het z.g. mandaat, en ook: de wil, die het bevel gaf. Zoo wordt de Regeering beschouwd te zijn als een mandaat, bevel van den Hemel, en ook dat, wat van den Hemel verkregen is bij Hemelsche beschikking. Al deze beteekenissen te zamen liggen opgesloten in ’t karakter ming, en het is onmogelijk, die met een Hollandsch woord weer te geven. Omschrijvend, zou het hier zijn: „Dat, wat de Hemel, beschikt heeft, te bevelen en te verleenen, en ook dàt, wat van den Hemel verleend is krachtens deze beschikking”. Meer vrij-Europeesch: dat wat de HemelscheWijsheid geordonneerd heeft dat zoo zij. (Het karakter Chü duidt een soort genitief aan, hier meer dat wat.) Dit nu, wordt genaamd, Sing, een karakter, samengesteld uit hart, en geboren worden. Dus geboren zijn van het hart. Dit karakter hart beteekent in ’t Chineesch ookgeest, mind, niet alleen ’t physieke hart. We moeten nu den zin niet letter-alphabetisch, maar symbolisch lezen, zooalsalleChineesche filosofie. We zien, hier, ideografisch gelezen, staan: dat, wat de Hemel beschikt, bevolen heeft en ook: dat, wat van den Hemel krachtens die beschikking ontvangen is, heet (wei) „hart geboren”.

In de Europeesche, alphabetische taal moeten die symbolen worden omschreven, die in ’t Chineesch niet gespeld in letters en geconstrueerd in zinnen, maargedachtworden en als gedachten ideografisch voorgesteld. De Chineesche tekst wordt daardoor als ’t ware op een ander gebied overgebracht, want hij is meer op gedachte-gebied dan op taal-gebied.

We krijgen dan, véél uitvoeriger en met véél meer omhaal:

Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest) verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen) heet Sing.

Dat, bij wat ’t geboren worden van het hart, (den geest) verkregen is door beschikking van den Hemel (van ’t Opperwezen) heet Sing.

De groote Chineesche filosoof Choe Hie, die van 1129–1201 v. C. leefde, noemt deze Sing „het goddelijke principe (li)”.

Er staat volstrekt niet bij, dat deze Sing alleen aan den mensch gegeven zou zijn. Integendeel, zoowel Choe Hie als andere groote Chineesche wijsgeeren en commentators zeggen er uitdrukkelijk bij, dat: Alle myriaden dingen (wan woe) deze Sing in zich hebben. De Sing is dus volstrekt niet alleen de natuur van den mensch, maar veel universeeler, het goddelijke principe van Shang Ti, het Opperwezen, in zijne openbaring in het Heelaldaaraan gegeven. Men kan dit polytheisme noemen, men kan ’t echter ook monotheisme noemen, want het neemt één God aan, al is ’t geen persoonlijke God, niet buiten het Heelal staande, maar in ’t geheele Heelal gemanifesteerd, en er dus één mede. Voor zoover ’t op menschen betrekking heeft, in beperkter zin, kan men het de Hemelsche natuur van den mensch noemen.

De volgende tekst luidt:

Het volgen van den (leider) Sing heet Tao.

Het karakter率„shwaai” (zie B) beteekent hier:

het volgen van een leider, het medegaan met, het gehoorzaam zijn aan, en tegelijk het den vrijen loop laten aan.

Dit Tao—een van de beteekenisvolste karakters in de Chineesche filosofie—is dus hier in Confucius ongeveer als het Pad, de Weg, mits men dan altijd in ’t oog houde: EengeestelijkeWeg, eengeestelijkPad, en niet aan afstand of ruimte hierbij denke. Het volgen van den leider Sing, het goddelijke principe in ons, is alzoo de geestelijke Weg, of het geestelijke Levens-bewegen.

De derde tekst luidt:

Het regelen, cultiveeren (siu修zie C beteekent beide) van de Tao (den spiritueelen Weg) heet Kiao.

Kiao is een Chineesch karakter dat Onderwijs, Leering beteekent, maar dat ook in zekeren zin Godsdienst beteekent. Het karakter voor godsdienst is ook: Kiao. In den godsdienstigen zin beteekent Kiao: moreele lessen, somtijds sluit het het geheel der beschaving in. Daarom is wat de Chinees onder godsdienst verstaat niet alleen spiritueel, maar ook moreel, sociaal en filosofisch.

Kiao is zoowel gewoon onderwijs als godsdienst. Endat is zoo vreemd niet als ’t wel lijkt, want de Chinees beschouwt godsdienst als de moreele les leerend道Tao, den spiritueelen Weg, (het volgen van den leidenden Sing) te begaan. Een opvoedende instelling is in China daardoor kerk en school beiden. De eigenlijke priesters van ’t Confucianisme, dat geen priesters heeft, zijn dan ook de literati, die de hoogere literatuur, d.i. de Confucianistische filosofie, onderwijzen.

Ik heb deze teksten hier neergeschreven, om een denkbeeld te geven, hoeveel er aan die aparte Chineesche karakters vastzit, en hoe moeilijk het is, er equivalenten voor te krijgen in Europeesch alphabetisch schrift.

Ik wijs er nog even op dat het karakter Tao, de spiritueele Weg of het geestelijk Pad, bestaat, ideografisch, uit: bewegen, of rondgaan, en hoofd, hier dus in den zin: spiritueele hoofd, geestelijk hoofdprincipe, dat beweegt, of rondgaat in ’t Heelal. In de nog oudere filosofie, en in Lao Tsz’, beteekent ditzelfde Taoniethet spiritueele Pad, maar de suprême Geestzelf, die zich in ’t Heelal openbaart en daarin zijn Weg gaat en dat is de oorspronkelijke beteekenis van Tao.

Het zou te lang duren en ook voor een publiek van niet sinologen wat te moeilijk worden, als ik nu ook alle andere teksten in ’t Chineesch zou neerschrijven, dus de volgende geef ik daarom in mijne vertaling:

„Welnu, Tao mag geen oogenblikje verlaten worden. Kon het verlaten worden, dan zou het Tao niet zijn. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over wat hij niet ziet, en in vreeze over wat hij niet hoort. Wat men niet ziet is verborgen, wat niet zichtbaar geopenbaard is, is subtiel. Daarom is de Superieure Mensch waakzaam over zijn eenzaamheid.”

Dus niet op de zichtbare en hoorbare dingen, door de zinnen waarneembaar, moet de Superieure Mensch enkel letten, maar over de verborgen, subtiele, geestelijke dingen, diep in zich zelf, behoort hij te waken en er voorin reverente vreeze te zijn. Daarom is hij waakzaam over zijn eenzaamheid. (Een karakter „toe”, door den filosoof Choe Hie omschreven met: „de plaats die andere menschen niet weten, maar die wij alleen weten”). In die plaats juist, in onze diepste binnenste, kunnen wij van den geestelijken Weg, van Tao, afwijken. En Tao mag geen oogenblikje verlaten worden, anders zou het niet Tao, het volgen van den leider Sing, ’t Hemelsche principe zijn.

Nu komen weer twee belangrijke teksten:

„Als vreugde, toon, smart, of geluk nog niet bewegen, heet dat Choeng (Midden, Centrum); als zij wèl bewegen, maar in den juisten maat, heet dat Ho (Harmonie). Dit Choeng (Centrum) nu, is de groote oorsprong van het geopenbaarde, deze Ho (Harmonie) is de manifestatie van Tao (den Spiritueelen Weg).

„Als men het uiterste Choeng en de uiterste Harmonie bereikt heeft, zijn Hemel en Aarde gevestigd en al het geopenbaarde ligt gevoed en gekoesterd”.

De geestelijke portée van de laatste teksten is niet altijd volledig door Europeesche vertalers begrepen.

Confucius’ filosofie is hier verwant aan de oude Indische, n.l. de Brahmaansche en Hindoesche filosofie. Het Choeng, Midden, Centrum, is verwant aan wat in die oude wijsbegeerten bedoeld wordt met het goddelijke,onpersoonlijkZelf, dat Zelf, dat, als ongeopenbaard in ’t Heelal, volkomen rustig, stil onbewegelijk is. Als de mensch die goddelijke rust in zich zelf, in zijn goddelijke Zelf, heeft bereikt, bewegen geenerlei aandoeningen van vreugde of toorn, smart of geluk. Is men in dit Choeng, Midden, geconcentreerd dan voelt, zegt een Chineesche commentator er bij, men zijn Sing één met de Sing van alle menschen en dingen, van al ’t door ’t Opperwezen geopenbaarde, en voelt men hoe Hemel en Aarde en al dat geopenbaarde gevestigd zijn in ’t goddelijke en dus gevoed en gekoesterd liggen in dat goddelijke,Choe Hie zegt in een commentaar: „Is mijn hart recht, dan is dat van Hemel en Aarde óók recht”.

Als de aandoeningen vreugde, toorn, smart of geluk wèl bewegen, maar in de juiste middenmaat, dan is er Harmonie in den Mensch, een bewijs, dat Tao, ’t Geestelijke Pad, gevolgd wordt, dat zich manifesteert in Harmonie. Choeng slaat dus meer op ’t hóógste als ongeopenbaard, Ho op het geopenbaarde, want Tao is de Weg van ’t geopenbaarde.

Choeng is dus het einde van dat Pad, het einde van Tao, dat, waartoe Tao leidt, en waarna alle menschelijke aandoeningen, vreugde, toorn, geluk, smart, zwijgen en ophouden, als de groote Rust is binnengetreden. Harmonie, Ho, in die aandoeningen is ’t bewijs, dat men in Tao, het Pad gaat, dat daartoe leidt.

Het zou voor een sinoloog een loonend werk zijn, eens eene studie te schrijven over de, totnutoe nog veel te weinig opgemerkte overeenkomst van deze Confucianistische bespiegelingen, met oude Indische wijsbegeerte, ook het Boeddhisme.

De concentratie in het van den Hemel gegeven zelf, het vrij worden van aandoeningen en hartstochten, den geest geconcentreerd in het Hemelsche; het inwendige, spiritueele leven, vrij van de uitwendige verschijnselen, dit alles zou voor een Brahmaan en een Boeddhist volkomen begrijpelijk zijn.

De titel van het werk waarvan ik zooeven den eersten tekst opschreef, is Choeng Yoeng.

Onder Choeng (het schriftteeken is: Midden) is te verstaan het zonder overneiging naar een of andere zijde zijn, dus: stabiel, in rust, eeuwig zijn; onder Yoeng het nooit veranderen, altijd hetzelfde blijven. Choeng is het doel van de rechte Tao, het rechte spiritueele Pad, dat altijd stabiel ’t zelfde is, en niet neigt naar een of andere zijde, Yoeng is het vaste principe van al ’t Geopenbaarde, de onveranderlijke kern van al de veranderlijke dingen.

De voorreden van de Choeng Yoeng zegt van het eerste hoofdstuk, dat ik zooeven behandelde: „Het spreekt eerst van het ééne principe (de Sing n.l.) dan spreidt het dit uit, en het omvat alle dingen, ten laatste keert het terug en vereenigt ze weer onder het eene principe. Ontrol het, en het vult het Heelal, rolt het (weer) op en het verbergt zich in mysterie”.

M.a.w. het Hemelsche principe doordringt het Heelal, en is in alle dingen gemanifesteerd, de Eenheid is in de Veelheid, maar alle Veelheid kan teruggebracht worden tot Eenheid. En die Eenheid, het goddelijke, ligt voor ons verborgen in mysterie.

In de Loen Yü, eene verzameling gezegden van en over Confucius, door zijne discipelen opgeteekend, komt het volgende gezegde van den Meester voor: „Mijn leer is een Eenheid die alles samenhoudt”. Met deze Eenheid bedoelde hij het universeele van het goddelijke principe, dat het Heelal, en dus ook de menschen, doordringt, de Sing, door den Hemel of het Opperwezen in Zijne Wijsheid, zijn Wil gegeven, toen Hij zich openbaarde, en waarvan het volgen heet Tao, het spiritueele Pad, dat alzoo is als het bewegen van de zich openbarende Godheid in het Heelal, dat Hij openbaarde.

Met betrekking op de menschen vindt dit Eenheids-Idee óók haar uiting, in een ander karakter uit de Confucianistische filosofie, n.l. „Shoe”, ideografisch samengesteld uit „evenals”, „gelijk aan” en „hart”, dus: „gelijk aan mijn hart”.

In de Loen Yü lezen wij: Tsz’Koeng (een van Confucius’ discipelen) vroeg eens: „Is er één woord, dat als een regel van gedrag voor ’t geheele leven kan gelden?” De Meester zeide: „Is niet Shoe zulk een woord? Wat gij niet wilt van anderen gedaan zijn, doe dat ook aan anderen niet”.

Deze tekst, bijna eender door Jezus Christus later geuit, is karakteristiek voor Confucius’ filosofie. Dit karakter „shoe” is moeilijk te vertalen, ideografisch leestde Chinees er al in: gelijk mijn hart is het hart der menschen. Prof. Legge vertaalde het door „reciprocity”.

We zouden het ook, in Hollandsche termen gelijkheid of broederschap kunnen noemen. Het groote principe van Confucius nu is: de eigen Sing rein houden en volmaakt doen blijven, maar ook: de Sing van anderen, van onze broeders, rein houden en volmaken, en dit laatste geschiedt door Kiao, dat èn onderricht en godsdienstleer beteekent. De Hemel, of Shang Ti, gaf ons bij onze geboorte de Sing, en is dus onze Vader. Onze medemenschen, die immers dezelfde Sing hebben als wij, zijn onze broeders. Dr. Chen Huan Chang noemt dat in westersche termen:De leer van ’t vaderschap van God en de broederschap der menschen.

Als de zoon van Shang Ti, later beschouwd van Th’ien, Hemel, werd in latere eeuwen erkend de Keizer, wien dan ook de eerenaam Th’ien Tsz’, d.i. Zoon van den Hemel, werd gegeven. Met betrekking tot het menschelijk leven op de aarde—dus niet in hóógeren metaphysischen zin hier—werd een ander Drietal als heilig, van hooger hand vastgesteld, aangenomen, n.l. Th’ien-Ti-Jên, Hemel-Aarde-Mensch. De hooge wetten, die den Hemel, Th’ien regeeren, zijn dezelfde als die, welke de aarde, en ook de menschheid regeeren. Al die wetten, die de menschheid regeeren, en die met bepaald ceremonieel worden samengehouden en uitgevoerd, openbaren zich in wat in de Chineesche taal „Li” heet, een onvertaalbaar begrip, waar decorum nog het dichtste bij komt, mits begrepen als: door hoogere machten en wetten vastgesteld, die ook den Hemel regeeren. De vaste wetten, die het geheele planeet-stelsel zijn baan aangeven, zijn dezelfde als die de z.g. betrekkingen der menschen regelen. Men houde dit goed in ’t oog, want de geheele inrichting van den Chineeschen staat en van de Chineesche familie (die de staat in ’t klein is), werd beschouwd als een goddelijke instelling.

Wat nu de Orde der dingen aangaat in de menschheid,het voornaamste hiervan was volgens Confucius het onderhouden der z.g. Woe Loen, d.i. Vijf Betrekkingen, n.l. die tusschen Vorst en Onderdaan, Vader en Zoon, Man en Vrouw, Ouderen Broeder en Jongeren Broeder, en Vriend en Vriend. Deze betrekkingen worden beschouwd als te zijn ingesteld door goddelijke wet, en eigenlijk als eene voortzetting in de menschheid der kosmische wetten.

Een van de allereerste deugden van den Mensch is de Hiao, uitgedrukt, zeer treffend, door een ideografische combinatie van ’t karakter oud en ’t karakter kind, waarin ’t kind, onderaan geplaatst, het oude steunt.

Dit Hiao wordt meestal door Filial Pity, Ouderliefde, vertaald, maar heeft een veel wijdere strekking dan algemeen geacht wordt. Hiao is n.l. niet alleen ouderlijke liefde, maar in ’t algemeen een geheele wijsbegeerte, gebaseerd op de regelende harmonieën der Natuur, op de wederzijdsche verplichtingen tusschen die bovenaan staan in de wereld en die onderaan staan, en op de kracht van het voorbeeld. De Hiao is, in ’t maatschappelijke leven der Chineezen, wat de orde der hemelsche bewegingen en de onuitputtelijke vruchtbaarheid van de aarde is ten opzichte van het zichtbare heelal.

In de Hiao King, door een van Confucius’ discipelen gecompileerd, maar van onbekende afkomst, is alles over deze deugd te vinden. Hier volgen eenige teksten er uit, waaruit men ziet, dat het méér is dan enkel liefde voor de ouders.

„Van de Hiao is het eerste principe om, in zuiverheid en kracht, het lichaam te behouden, dat wij van onze ouders hebben gekregen. Zijn volmaaktheid ligt in de beoefening van de deugd en in ’t verwerven van een naam, die hun herinnering eer aandoet.”

„Zijn voorbeeld is de regelmatigheid der hemelsche lichamen in ’t verschaffen wat noodig is voor de aarde, en in ’t regelen van de daden der menschen.”

„De koningen, van oudsher af, in ’t betrachten vanHiao, zouden niet een oude van dagen of een weduwe durven verachten, noch iemand, beroemd om zijn deugd en wijsheid.”

„Eén deugdzame koning trekt een heel volk met zich mede. Laat de vrees om de herinnering aan Uw ouders te kwetsen de eerste gedachte zijn van Uw droomen, en laat de slaap ze niet verdrijven”.

Hiao is dus méér dan ouderliefde, het is ook eerbied voor den koning, eerbied voor deugd en wijsheid, voor ouden van dagen, ja, we kunnen gerust zeggen, voor al wat schoon en edel is, en zelfs de koning en de keizer hebben alleen dan Hiao, als zij rechtvaardig en wijs regeeren.

De eerste aller deugden zegt Confucius, ’t zij in een zoon of in een onderdaan, is Hiao. Het is dit wat de mensch van ’t redelooze dier onderscheidt, het is dit, hetgeen de erkentenis is van de ware relatie tusschen kind en vader, tusschen vader en Hemel, en door de beoefening van Hiao is het, dat de harmonie van ’t Heelal wordt bewaard.

Dat Hiao nog véél verder gaat dan alléén liefde en gehoorzaamheid aan de ouders kan blijken uit een tekst uit de Li Ki, die luidt: „Iedere boom heeft zijn bepaalden tijd om te vergaan en ieder beest om te sterven, en hij, die een boom omhakt vóór zijn tijd, of een beest doodt vóór diens tijd is schuldig aan een gebrek aan Hiao”.

Zeer treffend is het feit, dat onder de vijf Betrekkingen ook Vriendschap is opgenomen.

De liefdetusschenbroeders is even heilig als de liefde tusschen vrienden. Vriendschap is in China een even heilige zaak als nauwe bloedverwantschap. Van den keizer af moeten allen vrienden hebben, zegt Confucius.

Vriendschap is de eerste van alle sociale relaties en mag niet voor één dag verwaarloosd worden. Niemand mag een vriend hebben, die niet minstens zijn gelijke is. Vrienden zijn weelde voor de armen, kracht voor dezwakken, medicijn voor de zieken. Zij moeten altijd de slechte dingen van hun vriend vergeven en om hun deugden blijven denken. De schoonste vriendschap is die, welke door den band der literatuur is gemaakt. Confucius zeide: Sluit vriendschap met de deugdzaamsten onder de literatoren. De hoofdplicht tusschen vrienden is: sin, een ideografisch karakter, samengesteld uit „mensch” en „woorden” of „spreken”.

„Sin” beteekent dan ook waarheid, oprechtheid, geloof. Geraaktheid, twijfel, wantrouwen tusschen vrienden is een gebrek aan sin.

Confucius onderscheidt nu drie soorten van menschen. De eerste, maar héél zeldzame, zijn de Shêng Jên, de Heilige Menschen, Wijzen, en dat zijn de uitverkorenen, die vanzelf de hoogste Wijsheid zonder inspanning bezitten, en die daarom van zelf Tao, het spiritueele Padbegaan, zonder dat daartoe ontwikkeling door Kiao, onderricht, leering, noodig is. Hun Sing, hun goddelijke principe, wordt nooit, door wàt ook van menschelijken aard, verduisterd, en verkeert van zelf in den staat van volkomen volmaking, die Confucius uitdrukt met het schriftteeken: Ch’ing, een karakter, bestaande uit „woord”, en, „volmaakt”.

Ch’ing is de volmaakt reine, door niets verduisterde, oorspronkelijke, en dus goddelijke staat van de Sing. Zij, die in den staat Ch’ing zijn, hebben het al-Weten en doorgronden de goddelijke dingen.

Zij zijn in zekeren zin één met Th’ien, den Hemel, of, abstracter gesproken, met Shang Ti, het Opperwezen.

Confucius zelf is door het nageslacht als zulk een Shêng Jên beschouwd.

De tweede soort is wat Confucius noemt de Kiün Tsz’, de Vorstelijke, Koninklijke Mensch, we zouden ook kunnen zeggen: De Superieure Mensch. Dr. van Deventer heeft er mij eens op gewezen dat deze Kiün Tsz’, zooals hij er in mijn vertaling van Confucius over las, veel heeft van wat in de Grieksche Platonische filosofie heetkalokágathos. Er is misschien ook iets in, maar dan zonder het conventioneele dat er aan is gaan kleven, en meer in ’t hoogere, ideale, van ’t Engelsche „gentleman”.

De derde soort is de Siao Jên, de Kleine Mensch. De meeste sinologen, en ik vroeger ook, hebben dit opgevat in den zin van de verachtelijke mensch, maar volgens de moderne Confucianisten beteekent het meer de mindere, nog niet ontwikkelde mensch, de armere mensch die, omdat hij nog uitsluitend om zijn voedsel moet denken en tobben, het hoogere ethische leven nog niet kent. Het zou dan veel hebben, van wat in Europa met eene klasse-aanduiding de proletariër heet.

Het wonderschoone in Confucius’ leer is dat hij het bereiken der hoogste Deugd binnen ieders vermogen stelt en verzekert, dat „Ch’ing”, den staat van volmaakte helderheid der Sing, dien de Wijze Heilige, de „Shêng Jên” reeds bij de geboorte bezit, ook door andere, gewone menschen door onderricht („Kiao”) en oefening kan verkregen worden. Dit wordt duidelijk gezegd in den tekst uit de „Choeng Yoeng”:

„Sommige worden met de kennis (der plichten en deugden) geboren; sommigen leeren haar later; sommigen kennen haar (eerst) na een smartelijk besef van hun onwetendheid. Maar als ze haar eenmaal weten is het ’t zelfde.”

Men behoeft alzoo niet als heilige geboren te worden om den volmaakten staat „Ch’ing” te bereiken. Ieder kan dit „Ch’ing” verkrijgen, hetzij door studie, hetzij door de loutering en verheffing van de smart.

Ik zal nu eerst eens nader de menschelijke betrekkingen der „Woe Loen” toelichten.

Men houde vooral in het oog, dat de „vijf betrekkingen” als een orde van dingen in de menschheid beschouwd worden, die eene voortvloeiing zijn van de groote Orde der Dingen van het heelal. Zij zijn dus niet enkel een maatschappelijke, maar eigenlijk een heilige,kosmische orde. De ritueele of formeele orde, die het gedrag der menschen in die betrekkingen regelt is wat in China „Li” heet. In een der heilige boeken, de „Li Ki” is al het daaraan verbonden ceremonieel omschreven. De „Li” is echter niet enkel ceremonieel en ritueel van menschen onderling, maar ook van menschen tegenover de hoogere, goddelijke machten. Voor zoover de formaliteiten onder menschen aangaat is ditceremonieeldoor oningewijde Westerlingen veelal voor overdreven conventie, en zelfs affectatie aangezien. Deze „Li” is echter niet—als de Westersche begrippen decorum, beleefdheid, fatsoen enz.—afgescheiden van ethica en geloof in China,maar is er identiek mede. De ceremoniën van de „Li” zijn „een symbool van den mensch in zijn veelvuldige verwantschappen”, en wel niet enkel menschelijke, maar ook kosmische en goddelijke verwantschappen. Uit het hoofdstuk in dit werk over de „Yih King” zal men gewaar worden, dat kosmisch en goddelijk in ’t Chineesch zeer na verwante, zoo niet identieke begrippen zijn, daar de gansche kosmos goddelijke openbaring is.

De Chineesche familie is, zooals ik reeds zeide, niet enkel een maatschappelijke, maar een kosmische orde. Eerbied voor de familie is eerbied voor de kosmische orde, voor de goddelijke orde. De Chineesche familie is de georganiseerde uitdrukking van den staat. Vandaar dat de absolute keizerlijke macht over het rijk afgespiegeld is in de absolute „patria potestas” in de familie. Het godsdienstige ideaal is in de inrichting der familie zichtbaar gemaakt in patriarchale vormen. De familie is èn een religieuze, èn een kosmische, èn een sociale instelling. Het begrip „familie” weerspiegelt ook het hoogere „creatie”, onafgebroken vorming en voortbrenging van leven. Samuel Johnson heeft terecht den innigen samenhang tusschen de leden eener Chineesche familie verklaard uit hetgeen hij noemt „the religion of the seed”. Deze is zóó veelomvattend dat hij verwantschap berekent in negen geslachten, en dat de oudere broederden zoon van zijn jongeren broeder als zijn eigen zoon beschouwt, en volle neven worden gerekend broeder te zijn.

Zóó als de keizer verantwoordelijk is voor het welzijn van zijn volk, is de familievader verantwoordelijk voor dat zijner familie. Hij heeft een onbeperkte „patria potestas” maar hij is dan ook de waker, de hoeder over alles en allen in de familie, hij moet voor haar zorgen en werken, en zelfs is hij aansprakelijk voor het gedrag der familieleden. Volgens de „Shêng Yü”, het Heilige Edict, uitgevaardigd door keizer Kh’ang Hsi, is hij zelfs strafbaar voor de vergrijpen en misdaden der kinderen. Dit Heilige Edict vergelijkt de familie met een stroom, die vele takken en zijarmen heeft, waarin, hoe vèr ook van den oorsprong, hetzelfde water is.

De noodzakelijkheid, het leven altijd door te verlengen, als een heilige plicht, geeft aan het huwelijk als eerste doel het verwekken van kinderen. Te sterven zonder zonen na te laten is een bewijs van oneerbiedigheid tegenover de ouders en voorouders, een gebrek aan „Hiao”, en daarom is voor een man zonder zonen adoptie—mits van een agnatischen verwant—plicht en is, zelfs nà zijn dood, voor de familie-oudsten posthume adoptie voorgeschreven. Door dit verlangen naar zonen heeft het patriarchale concubinaat, gegrond op voortzetting van het heilige leven, in China niet een enkel zinnelijk motief, maar is het oorspronkelijk godsdienstig. De patriarch is het moreele en sociale hoofd van de familie, wiens priester hij in zekeren zin is. Naar beneden vloeit de patriarchale idee zóó uit, dat de oudere broeder macht heeft over den jongere, en tevens den plicht, hem te steunen en te leeren. Als twee broeders twisten, zegt het Heilige Edict, is dit alsof de linkerhand de rechter slaat.

De „patria potestas” is een absolute macht, evenals de keizerlijke autoriteit, maar steeds getemperd en begrensd door recht, door de plicht ook om te onderwijzen en liefderijk te helpen en te steunen.

In zekeren zin is Ouderdom óók een patriarch in China.

De „Li Ki” zegt, dat eerbied voor den Ouderdom even oud is als het menschelijk geweten.

De geheele Chineesche godsdienst is wel eens genoemd eene ontwikkeling uit de „Hiao”, die de liefde en de eerbied tot de ouders niet alleen is, maar de ondergeschiktheid, in reverentie, van ’t lagere in de orde der dingen tot het hoogere in die orde. In elken Chineeschen vorm van godsdienst is de basis patriarchaal.

De patriarch in de Chineesche familie heeft ook niet zijn autoriteit als alleenstaand persoonlijk individu, maar als een schakel in de kosmische orde der dingen, als constitueerend deel der geheele Familie, de doode voorvaderen medegerekend, en deze familie weer mede constitueerend den staat, met aan ’t hoofd de keizer, die weer boven zich heeft zijn vader Shang Ti (of, meer concreet: Th’ien, den Hemel).

Wij moeten dus den voor ons, Westerlingen, overdreven lijkenden samenhang der Chineesche familie, en den eerbied der Chineezen voor hun familiebetrekkingen—een eerbied, zóó groot, dat een volwassen, veertigjarig man niets van belang doen zal vóór zijn ouden vader eerst om raad, en vergunning te vragen—niet beschouwen als een maatschappelijke conventie, maar als eerbied voor de kosmische en goddelijke Orde der dingen. Het Pad, Tao, kan niet begaan worden zonder eerbied voor en in standhouding van de familiebetrekkingen. Een tekst uit de „Choeng Yoeng” zegt dan ook: „De Tao van den Kiün Tsz’ begint met (den gewonen omgang van) mannen en vrouwen. Maar aan het opperste er van gekomen strekt Tao zich uit over Hemel en Aarde”.

Zooals ik reeds gezegd heb, werd de Sing door Confucius beschouwd als de bron van alle menschelijke deugden. Was deze Sing dus in den toestand van Ch’ing, Volmaaktheid, dan waren alle deugden in den mensch ook volmaakt. De mensch wordt, volgens Confucius, dus nietgeboren met zonde, maar met Deugd. Er is geen Duivel en geen Hel, die hem wachten, omdat hij (waar hij toch moeilijk iets aan doen kon) met erfzonde geboren werd, maar door zijn Deugd, indien hij zich slechts aan de Sing hield, en deze in Ch’ing, den volmaakten staat bleef, kan hij worden als zijn Vader, den Hemel, Shang Ti. Niet met een soort boeman, die Satan heette, noch met een brandend vuurtje, de Hel, moeten de menschen bang gehouden worden, om hun des te beter te kunnen regeeren, maar door de kracht van zijn eigen Wijsheid, die de Deugd insluit, moet de regeerder het volk regeeren. Regeert hij niet met de Deugd en de Wijsheid, dan wordt het Ming, het mandaat van den Hemel hem ontnomen.

575 jaar voor Confucius werd de tiran keizer Chow door den revolutionnair Wen Wang, die later een zeer goed, wijs koning werd, onthoofd, omdat hij zijn macht in wreedheid misbruikte, en deze Wen Wang wordt in de Shoe King als een van China’s deugdzaamste groote mannen verheerlijkt en door Confucius telkens als moreel voorbeeld gesteld.

De „Sing” is het uitgangspunt van het geheele leven, zoowel in de familie als in den staat. En hier komen wij nu tot het schoone beginsel, waarin de Geest van China zich op zijn heerlijkst openbaart, en dat het geheele Westen, dat zijn staatkundige inrichting op het oogenblik in haar grondvesten geschokt ziet, hoog noodig van het Oosten behoort over te nemen, namelijk dit: dat regeeren berust op het zelf-karakter, dus op de cultivatie van de Sing, van den regeerder of de regeerders. Niet op enkel kunde, intellect, knapheid van de regeerders behoort de staat te berusten, maar op hunkarakter.

Ik haal, om dit te illustreeren, eenige teksten van Confucius hieronder aan:

„Daarom mag (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) niet verzuimen zijn eigen karakter te verzorgen. Wil hij zijneigen karakter verzorgen, dan mag hij niet verzuimen, zijn ouders te dienen. Wil hij zijn ouders dienen, dan mag hij niet verzuimen de menschen te kennen. Wil hij de menschen kennen, dan mag hij niet verzuimen, den Hemel te kennen”.3

„De instellingen en wetten van den (Vorst die een)KiünTsz’ (is) hebben hun oorsprong in zijn eigen karakter, en de bevestiging er van gebeurt door de groote massa van het volk”.4

„Alleen hij, die de opperste Wijsheid heeft onder den Hemel kan voldoende vlug van bevatting, helder van doorzicht, van vèr-reikende intelligentie, àlomvattend van kennis zijn om de regeering uit te oefenen”.5

„Alleen hij, die de opperste „Ching” heeft onder den Hemel, kan de hoogste, natuurlijke betrekkingen der menschen onder den Hemel regelen, kan de groote, oorspronkelijke deugden van den Hemel grondvesten, kan de transformeerende en voedende acties van den Hemel weten. Hoe zou hij ietsbuitenzichzelf kunnen hebben om op te steunen?”6

„De Ouden, die de schitterende Deugd door het geheele keizerrijk wilden heldermaken, regeerden eerst hun rijk goed. Wilden zij hun rijk regeeren, dan regelden zij eerst hun families. Wilden zij hun families regelen, dan verzorgden zij eerst hun Zelf. Wilden zij hun Zelf verzorgen dan maakten zij eerst hun wil en gedachten oprecht, wilden zij hun wil en gedachten oprecht maken, dan voerden zij hun kennis tot het allerhoogste op. De kennis tot het allerhoogste opvoeren bestaat in het doorgronden van de dingen”.7

„Van den Keizer af tot de massa van het volk toe moeten allen het verzorgen van het Zelf als de Oorsprong beschouwen.”8„Wordt de Oorsprong verward dan kan niets wat daaruit voortkomt tot goede orde worden gebracht”.9

„Wat bedoeld wordt met „Om het rijk te regeeren moet men eerst zijne familie regelen” beteekent: als men zijne familie niet kan leeren, kan men andere menschen niet leeren. Daarom behoeft deKiünTsz’niet buiten zijne familie te gaan om zijn leer voor den staat te volmaken. De Hiao, daarmede moet men zijn vorst dienen. De Ti (liefde voor ouderen broeder) daarmede moet men zijn superieuren dienen. De Ts’z’ (mededoogen) daarmede moet men de menigte behandelen”.10

„Daarom moet (de Vorst die een Kiün Tsz’ is) alles (eerst) zelf hebben en daarna van het volk verlangen, dat het zelf (ook) heeft, en moet alles (eerst) zelf niet hebben en daarna van het volk verlangen, dat het dit zelf (ook) niet heeft. Een mensch, die zichzelf wegcijfert en (alles) niet wederkeerig op zichzelf doet slaan, en (toch) het volk vermocht te leeren, heeft nog niet bestaan”.11

„Daarom zal de Vorst allereerst zorg dragen voor (eigen) deugd. Als hij de deugd heeft, heeft hij ook de menschen. Als hij de menschen heeft, heeft hij het grondgebied. Als hij het grondgebied heeft, heeft hij bezittingen. Heeft hij bezittingen dan heeft hij middelen voor zijn uitgaven.”12

„De deugd is de Oorsprong. De bezittingen zijn het einde.”13

„De Vorst die den Oorsprong bijzaak maakt, en het einde hoofdzaak, zal met het volk in strijd komen, en maken dat er roof gebeurt”.14

„Daarom heeft de (Vorst die een) Kiün Tsz’ (is) een groote Tao (Weg) te volgen. Met zelfvolmaking en waarachtigheid verkrijgt hij het. Met hoogmoed en buitensporigheid verliest hij het.”15

Bovenstaande teksten illustreeren genoegzaam de bedoeling, dat het de Wijsheid is, die alleen recht en bevoegdheid geeft om te regeeren.

Uit den schoonen, en zoo eenvoudigen tekst: „De Deugd is de oorsprong, de bezittingen zijn het einde” volgt de oplossing van het moeilijke raadsel, waardoor de wereld thans in zulk eene schromelijke verwarring is, namelijk het raadsel, hoe de groote economische strijd is op te lossen. Die oplossing zal namelijk eerst daar zijn,wanneer Economie en Ethica één zijn.

Om een en ander goed uit te leggen is het echter noodig, eerst iets te vertellen van een toekomst-droom, door Confucius in een grandioze zieners-vizie gedroomd.

1Uit te spreken „Tsoeng”.↑2Zie bladz. 30.↑3„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7.↑4„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3.↑5„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1.↑6„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1.↑7Ta Hioh Inleiding 4.↑8Ta Hioh Inleiding 5.↑9Ta Hioh Inleiding 6.↑10Ta Hioh Inleiding 7.↑11Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1.↑12Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4.↑13Ta Hioh Hoofdstuk X 6.↑14Ta Hioh Hoofdstuk X 7.↑15Ta Hioh Hoofdstuk X 8.↑

1Uit te spreken „Tsoeng”.↑

2Zie bladz. 30.↑

3„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XX 7.↑

4„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXIX 3.↑

5„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXI 1.↑

6„Choeng Yoeng” Hoofdstuk XXXII 1.↑

7Ta Hioh Inleiding 4.↑

8Ta Hioh Inleiding 5.↑

9Ta Hioh Inleiding 6.↑

10Ta Hioh Inleiding 7.↑

11Ta Hioh Hoofdstuk IX. 1.↑

12Ta Hioh Hoofdstuk IX. 4.↑

13Ta Hioh Hoofdstuk X 6.↑

14Ta Hioh Hoofdstuk X 7.↑

15Ta Hioh Hoofdstuk X 8.↑


Back to IndexNext