MENCIUSIn het jaar 371 v. C., ruim honderd jaar na den dood van Confucius, werd in denzelfden staat Loe, waarin Confucius ter wereld kwam, de Chineesche wijsgeer Mêng geboren, later Mêng Tsz’ genoemd (gelatinizeerd: Mencius), die op den geest van het Chineesche volk, evenals zijn groote voorganger dit deed, een invloed zou uitoefenen, dien tweeduizend jaren niet konden doen verminderen.De revolutie van 1911–1912 zou wellicht nooit ontstaan zijn, indien de ideeën van Mencius niet zoo diep in den Chineeschen geest waren doorgedrongen. Immers, Mencius was vóor alles de echte volkstribuun, die steeds geleerd heeft, dat het volk het recht en zelfs den plicht heeft, den souverein van den troon te stooten, die niet met Wijsheid regeert en wien het belang van ’tvolkniet vóór alles gaat.Mencius leefde in een tijd, toen Confucius’ geschriften en overgeleverde leerstellingen reeds algemeen verspreid waren, en ontwikkelde zich geheel en al door den invloed, dien Confucius’ geest op hem uitoefende. Evenals zijn’ voorganger beleefde hij een tijd van uiterste verwarring, en zag hij vorsten van verschillende feudale staten met elkaar om den voorrang strijden, en precies als Confucius ging hij rond bij de verschillende vorsten om hun raad te geven en te vermanen. Behalve hertog Wan van den Staat Th’ang, die met ijver trachtte, zijn plannen voor sociale verbetering en volksopvoeding ten uitvoer te brengen, luisterde echter geen dier vorsten ernstig naar hem, en hij ondervond dezelfde teleurstellingen als Confucius, al kwam het bij hem niettot een zoo ongelukkig lot van verbanning en uitstooting.De filosofische beginselen van Mêng Tsz’ zijn in hoofdtrekken dezelfde als die van Confucius, maar terwijl Confucius meer den nadruk legde, in wijsgeerige politiek, op de centrale monarchie, en de zedelijke kracht, die van den vorst behoort uit te gaan, zocht Mencius het gewicht van den staat vooral in de rechten van het volk. Mencius is dan ook de groote democraat, de echte volksman van China geweest, die openlijk het recht uitsprak van het volk, om iederen vorst, die het verdrukte, te verjagen en desnoods te dooden. Deze leerstellingen sprak hij zelfs onomwonden uit tegenover de vorsten, die hij ontmoette, en zijn geheele leven door heeft hij de onafhankelijke, onbevreesde, fiere, zelfbewuste houding tegenover vorsten aangenomen, die den echten volkstribuun kenmerken. In dat opzicht was Confucius altijd meer een hoveling, ofschoon men hierbij niet moet vergeten, dat deze in koningen en prinsen een boven hem geplaatste macht zag in de kosmische Orde der Dingen.Ik meen, den geest van Mêng Tsz’ niet beter te kunnen aanduiden dan door eenige fragmenten te geven uit zijn werken. De tekst van Mencius—een der „Vier Boeken” (waarvan Confucius’ „Choeng Yoeng”, „Ta Hioh” en „Loen Yü” de andere drie zijn) van China—wordt door de literair-filosofische autoriteiten uit de Oudheid aan hemzelf toegeschreven, maar latere deskundigen meenen, dat een zijner discipelen hem heeft geschreven.„Als iemand door (brute) kracht menschen onderwerpt, onderwerpen zij zich niet aan hem in hun hàrt, maar omdat hun kracht niet er tegen opgewassen is. Als iemand hun onderwerpt door Deugd, zijn zij vergenoegd in hun innerlijkste hart, en zij onderwerpen zich ernstig, zooals het geval was met de 70 discipelen van Confucius”.„Er is een weg om het Keizerrijk te verkrijgen: krijg het volk en ge hebt het keizerrijk. Er is een weg om het volk te verkrijgen: krijg hun harten en ge hebt het. Er is een weg om hun harten te verkrijgen: het is eenvoudig door bijeen te zamelen wat zij wenschen en hun niet op te leggen wat zij niet wenschen. Het volk keert zich naar een liefderijk regeerder zooals water benedenwaarts stroomt en zooals wilde beesten naar de wildernis loopen.”„Mencius zeide: „Van al de deelen die in een mensch zijn is de oogpupil het uitstekendste. De oogpupil kan zijn slechtheid niet verbergen. Is (alles in) de borst in orde dan is de pupil ook in orde, als (alles in) de borst niet in orde is, dan is de pupil dof. Luister naar iemands woorden en kijk naar zijn pupil. Hoe kan iemand zijn karakter verbergen?”„Diè man is groot, die niet zijn hart verliest van toen hij een kind was”.„Ofschoon een mensch slecht kan zijn, tóch, àls hij zijne gedachten betert, vast, en zich (schoon) baadt, mag hij aan Shang Ti offeren.”1„Ik heb nog nooit gehoord van iemand, die zelf boog, en toch anderen recht maakte.”Mencius zeide: „Ik houd van visch en ik houd van berenklauwen. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van de visch en neem de berenklauwen. Zóó houd ik van leven en ik houd van rechtvaardigheid. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van het leven enneem de rechtvaardigheid. Ik houd ook van leven, maar er is iets waar ik meer van houd dan van leven, en daarom wil ik het niet bezitten door oneerlijkheid. Ik haat ook den dood, maar er is iets wat ik meer haat dan den dood, en daarom zijn er gelegenheden, waarin ik hem niet wil vermijden.”„Hier is een klein mandje rijst en een schotel soep, en het geval doet zich voor dat het krijgen daarvan leven beteekent en het ontberen dood; als zij worden aangeboden met een beleedigende stem zal zelfs een landlooper ze niet willen hebben, en als ge er eerst op trapt zal een bedelaar zich niet bukken om ze op te rapen”.„Sommige deelen van het lichaam zijn edel en anderen verachtelijk. Het groote mag niet geschaad worden voor het kleine, het edele niet voor het verachtelijke. Hij, die het kleine in zich voedt is een klein mensch, hij die het groote in zich voedt, is een groot mensch”.„De Discipel Koeng Too zeide: „Wij zijn allen menschen, maar sommigen zijn kleine menschen en anderen groote, hoe zit dat nu?”„Mencius zeide: „Zij, die het groote, in hun belichaamd, volgen zijn groote menschen, zij die het kleine, in hun belichaamd, volgen zijn kleine menschen.”„Laat een mensch eerst gevestigd staan in het groote dat hij heeft, dan kan het kleine dat hij heeft het niet van hem wegnemen”.Mencius zeide: „Hij, die zijn Geest uitgeput heeft kent zijn Sing.2Kent hij zijn Sing dan kent hij Th’ien”.2Mencius zeide: „Alle dingen zijn (reeds) compleet in ons”.Mencius zeide: „De lichamelijke vormen en de begeerten behooren (ook) tot onze Sing van den Hemel. Maar men moet een Shêng Jên (Heilig Mensch) zijn eer men ze op de rechte plaats kan ordenen.”Mencius zeide: „De bekwame kunstenaar zal niet van zijn weg afwijken om een dommen werkman”.Mencius zeide: „Er zijn menschen die zeggen: „Ik kan goed troepen drillen, ik kan goed veldslagen leveren”, maar dat zijn groote misdadigers”.Mencius zeide: „Het volk is het meest belangrijke element, de geesten van het land en het graan het tweede, de vorst het minste.”(Mencius zeide): „De Kiün Tsz’ betracht de Wet (van het Recht), wacht op wat over hem beschikt is door den Hemel,3en daarmede uit.”(Mencius zeide): „Ik heb nog nooit gehoord dat principes afhankelijk zouden zijn van hun uitwerking op andere menschen.”Mencius zeide: „In de Ts’oen Ts’ioe4komen geen rechtvaardige oorlogen voor. Er zijn wèl voorbeelden van één oorlog die beter was dan een ander”.„Het is een oude wet dat de verdrukker zonder waarschuwing ter dood gebracht mag worden”.„Groote veldheeren zijn groote misdadigers. De harten der menschen onderwerpen zich niet aan kracht, maar aan Deugd”.„Den Hemel dienen bestaat in het voeden van de ware constitutie van ons wezen, bezorgd noch om dood, noch om leven.”„Door deugd alleen in zichzelf krijgt men nooit macht over andere harten. Men moet zijn deugd tot steun voor anderen maken.”„De eer, dien de mensch verleent, is geen ware eer”.„Van de eigenschappen van den Wijze is er geen grooter dan die van een helper der menschen te zijn tot een goed leven. Er is geen grooter genot dan bewust te zijn van Recht in ons. Als men streeft om anderen te behandelen zooals men door hen zou willen behandeld worden, is men niet ver van het volmaakte leven.”1De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius den echten volksman.↑2Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑3In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’ „Choeng Yoeng”.↑4Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑
MENCIUSIn het jaar 371 v. C., ruim honderd jaar na den dood van Confucius, werd in denzelfden staat Loe, waarin Confucius ter wereld kwam, de Chineesche wijsgeer Mêng geboren, later Mêng Tsz’ genoemd (gelatinizeerd: Mencius), die op den geest van het Chineesche volk, evenals zijn groote voorganger dit deed, een invloed zou uitoefenen, dien tweeduizend jaren niet konden doen verminderen.De revolutie van 1911–1912 zou wellicht nooit ontstaan zijn, indien de ideeën van Mencius niet zoo diep in den Chineeschen geest waren doorgedrongen. Immers, Mencius was vóor alles de echte volkstribuun, die steeds geleerd heeft, dat het volk het recht en zelfs den plicht heeft, den souverein van den troon te stooten, die niet met Wijsheid regeert en wien het belang van ’tvolkniet vóór alles gaat.Mencius leefde in een tijd, toen Confucius’ geschriften en overgeleverde leerstellingen reeds algemeen verspreid waren, en ontwikkelde zich geheel en al door den invloed, dien Confucius’ geest op hem uitoefende. Evenals zijn’ voorganger beleefde hij een tijd van uiterste verwarring, en zag hij vorsten van verschillende feudale staten met elkaar om den voorrang strijden, en precies als Confucius ging hij rond bij de verschillende vorsten om hun raad te geven en te vermanen. Behalve hertog Wan van den Staat Th’ang, die met ijver trachtte, zijn plannen voor sociale verbetering en volksopvoeding ten uitvoer te brengen, luisterde echter geen dier vorsten ernstig naar hem, en hij ondervond dezelfde teleurstellingen als Confucius, al kwam het bij hem niettot een zoo ongelukkig lot van verbanning en uitstooting.De filosofische beginselen van Mêng Tsz’ zijn in hoofdtrekken dezelfde als die van Confucius, maar terwijl Confucius meer den nadruk legde, in wijsgeerige politiek, op de centrale monarchie, en de zedelijke kracht, die van den vorst behoort uit te gaan, zocht Mencius het gewicht van den staat vooral in de rechten van het volk. Mencius is dan ook de groote democraat, de echte volksman van China geweest, die openlijk het recht uitsprak van het volk, om iederen vorst, die het verdrukte, te verjagen en desnoods te dooden. Deze leerstellingen sprak hij zelfs onomwonden uit tegenover de vorsten, die hij ontmoette, en zijn geheele leven door heeft hij de onafhankelijke, onbevreesde, fiere, zelfbewuste houding tegenover vorsten aangenomen, die den echten volkstribuun kenmerken. In dat opzicht was Confucius altijd meer een hoveling, ofschoon men hierbij niet moet vergeten, dat deze in koningen en prinsen een boven hem geplaatste macht zag in de kosmische Orde der Dingen.Ik meen, den geest van Mêng Tsz’ niet beter te kunnen aanduiden dan door eenige fragmenten te geven uit zijn werken. De tekst van Mencius—een der „Vier Boeken” (waarvan Confucius’ „Choeng Yoeng”, „Ta Hioh” en „Loen Yü” de andere drie zijn) van China—wordt door de literair-filosofische autoriteiten uit de Oudheid aan hemzelf toegeschreven, maar latere deskundigen meenen, dat een zijner discipelen hem heeft geschreven.„Als iemand door (brute) kracht menschen onderwerpt, onderwerpen zij zich niet aan hem in hun hàrt, maar omdat hun kracht niet er tegen opgewassen is. Als iemand hun onderwerpt door Deugd, zijn zij vergenoegd in hun innerlijkste hart, en zij onderwerpen zich ernstig, zooals het geval was met de 70 discipelen van Confucius”.„Er is een weg om het Keizerrijk te verkrijgen: krijg het volk en ge hebt het keizerrijk. Er is een weg om het volk te verkrijgen: krijg hun harten en ge hebt het. Er is een weg om hun harten te verkrijgen: het is eenvoudig door bijeen te zamelen wat zij wenschen en hun niet op te leggen wat zij niet wenschen. Het volk keert zich naar een liefderijk regeerder zooals water benedenwaarts stroomt en zooals wilde beesten naar de wildernis loopen.”„Mencius zeide: „Van al de deelen die in een mensch zijn is de oogpupil het uitstekendste. De oogpupil kan zijn slechtheid niet verbergen. Is (alles in) de borst in orde dan is de pupil ook in orde, als (alles in) de borst niet in orde is, dan is de pupil dof. Luister naar iemands woorden en kijk naar zijn pupil. Hoe kan iemand zijn karakter verbergen?”„Diè man is groot, die niet zijn hart verliest van toen hij een kind was”.„Ofschoon een mensch slecht kan zijn, tóch, àls hij zijne gedachten betert, vast, en zich (schoon) baadt, mag hij aan Shang Ti offeren.”1„Ik heb nog nooit gehoord van iemand, die zelf boog, en toch anderen recht maakte.”Mencius zeide: „Ik houd van visch en ik houd van berenklauwen. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van de visch en neem de berenklauwen. Zóó houd ik van leven en ik houd van rechtvaardigheid. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van het leven enneem de rechtvaardigheid. Ik houd ook van leven, maar er is iets waar ik meer van houd dan van leven, en daarom wil ik het niet bezitten door oneerlijkheid. Ik haat ook den dood, maar er is iets wat ik meer haat dan den dood, en daarom zijn er gelegenheden, waarin ik hem niet wil vermijden.”„Hier is een klein mandje rijst en een schotel soep, en het geval doet zich voor dat het krijgen daarvan leven beteekent en het ontberen dood; als zij worden aangeboden met een beleedigende stem zal zelfs een landlooper ze niet willen hebben, en als ge er eerst op trapt zal een bedelaar zich niet bukken om ze op te rapen”.„Sommige deelen van het lichaam zijn edel en anderen verachtelijk. Het groote mag niet geschaad worden voor het kleine, het edele niet voor het verachtelijke. Hij, die het kleine in zich voedt is een klein mensch, hij die het groote in zich voedt, is een groot mensch”.„De Discipel Koeng Too zeide: „Wij zijn allen menschen, maar sommigen zijn kleine menschen en anderen groote, hoe zit dat nu?”„Mencius zeide: „Zij, die het groote, in hun belichaamd, volgen zijn groote menschen, zij die het kleine, in hun belichaamd, volgen zijn kleine menschen.”„Laat een mensch eerst gevestigd staan in het groote dat hij heeft, dan kan het kleine dat hij heeft het niet van hem wegnemen”.Mencius zeide: „Hij, die zijn Geest uitgeput heeft kent zijn Sing.2Kent hij zijn Sing dan kent hij Th’ien”.2Mencius zeide: „Alle dingen zijn (reeds) compleet in ons”.Mencius zeide: „De lichamelijke vormen en de begeerten behooren (ook) tot onze Sing van den Hemel. Maar men moet een Shêng Jên (Heilig Mensch) zijn eer men ze op de rechte plaats kan ordenen.”Mencius zeide: „De bekwame kunstenaar zal niet van zijn weg afwijken om een dommen werkman”.Mencius zeide: „Er zijn menschen die zeggen: „Ik kan goed troepen drillen, ik kan goed veldslagen leveren”, maar dat zijn groote misdadigers”.Mencius zeide: „Het volk is het meest belangrijke element, de geesten van het land en het graan het tweede, de vorst het minste.”(Mencius zeide): „De Kiün Tsz’ betracht de Wet (van het Recht), wacht op wat over hem beschikt is door den Hemel,3en daarmede uit.”(Mencius zeide): „Ik heb nog nooit gehoord dat principes afhankelijk zouden zijn van hun uitwerking op andere menschen.”Mencius zeide: „In de Ts’oen Ts’ioe4komen geen rechtvaardige oorlogen voor. Er zijn wèl voorbeelden van één oorlog die beter was dan een ander”.„Het is een oude wet dat de verdrukker zonder waarschuwing ter dood gebracht mag worden”.„Groote veldheeren zijn groote misdadigers. De harten der menschen onderwerpen zich niet aan kracht, maar aan Deugd”.„Den Hemel dienen bestaat in het voeden van de ware constitutie van ons wezen, bezorgd noch om dood, noch om leven.”„Door deugd alleen in zichzelf krijgt men nooit macht over andere harten. Men moet zijn deugd tot steun voor anderen maken.”„De eer, dien de mensch verleent, is geen ware eer”.„Van de eigenschappen van den Wijze is er geen grooter dan die van een helper der menschen te zijn tot een goed leven. Er is geen grooter genot dan bewust te zijn van Recht in ons. Als men streeft om anderen te behandelen zooals men door hen zou willen behandeld worden, is men niet ver van het volmaakte leven.”1De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius den echten volksman.↑2Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑3In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’ „Choeng Yoeng”.↑4Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑
MENCIUS
In het jaar 371 v. C., ruim honderd jaar na den dood van Confucius, werd in denzelfden staat Loe, waarin Confucius ter wereld kwam, de Chineesche wijsgeer Mêng geboren, later Mêng Tsz’ genoemd (gelatinizeerd: Mencius), die op den geest van het Chineesche volk, evenals zijn groote voorganger dit deed, een invloed zou uitoefenen, dien tweeduizend jaren niet konden doen verminderen.De revolutie van 1911–1912 zou wellicht nooit ontstaan zijn, indien de ideeën van Mencius niet zoo diep in den Chineeschen geest waren doorgedrongen. Immers, Mencius was vóor alles de echte volkstribuun, die steeds geleerd heeft, dat het volk het recht en zelfs den plicht heeft, den souverein van den troon te stooten, die niet met Wijsheid regeert en wien het belang van ’tvolkniet vóór alles gaat.Mencius leefde in een tijd, toen Confucius’ geschriften en overgeleverde leerstellingen reeds algemeen verspreid waren, en ontwikkelde zich geheel en al door den invloed, dien Confucius’ geest op hem uitoefende. Evenals zijn’ voorganger beleefde hij een tijd van uiterste verwarring, en zag hij vorsten van verschillende feudale staten met elkaar om den voorrang strijden, en precies als Confucius ging hij rond bij de verschillende vorsten om hun raad te geven en te vermanen. Behalve hertog Wan van den Staat Th’ang, die met ijver trachtte, zijn plannen voor sociale verbetering en volksopvoeding ten uitvoer te brengen, luisterde echter geen dier vorsten ernstig naar hem, en hij ondervond dezelfde teleurstellingen als Confucius, al kwam het bij hem niettot een zoo ongelukkig lot van verbanning en uitstooting.De filosofische beginselen van Mêng Tsz’ zijn in hoofdtrekken dezelfde als die van Confucius, maar terwijl Confucius meer den nadruk legde, in wijsgeerige politiek, op de centrale monarchie, en de zedelijke kracht, die van den vorst behoort uit te gaan, zocht Mencius het gewicht van den staat vooral in de rechten van het volk. Mencius is dan ook de groote democraat, de echte volksman van China geweest, die openlijk het recht uitsprak van het volk, om iederen vorst, die het verdrukte, te verjagen en desnoods te dooden. Deze leerstellingen sprak hij zelfs onomwonden uit tegenover de vorsten, die hij ontmoette, en zijn geheele leven door heeft hij de onafhankelijke, onbevreesde, fiere, zelfbewuste houding tegenover vorsten aangenomen, die den echten volkstribuun kenmerken. In dat opzicht was Confucius altijd meer een hoveling, ofschoon men hierbij niet moet vergeten, dat deze in koningen en prinsen een boven hem geplaatste macht zag in de kosmische Orde der Dingen.Ik meen, den geest van Mêng Tsz’ niet beter te kunnen aanduiden dan door eenige fragmenten te geven uit zijn werken. De tekst van Mencius—een der „Vier Boeken” (waarvan Confucius’ „Choeng Yoeng”, „Ta Hioh” en „Loen Yü” de andere drie zijn) van China—wordt door de literair-filosofische autoriteiten uit de Oudheid aan hemzelf toegeschreven, maar latere deskundigen meenen, dat een zijner discipelen hem heeft geschreven.„Als iemand door (brute) kracht menschen onderwerpt, onderwerpen zij zich niet aan hem in hun hàrt, maar omdat hun kracht niet er tegen opgewassen is. Als iemand hun onderwerpt door Deugd, zijn zij vergenoegd in hun innerlijkste hart, en zij onderwerpen zich ernstig, zooals het geval was met de 70 discipelen van Confucius”.„Er is een weg om het Keizerrijk te verkrijgen: krijg het volk en ge hebt het keizerrijk. Er is een weg om het volk te verkrijgen: krijg hun harten en ge hebt het. Er is een weg om hun harten te verkrijgen: het is eenvoudig door bijeen te zamelen wat zij wenschen en hun niet op te leggen wat zij niet wenschen. Het volk keert zich naar een liefderijk regeerder zooals water benedenwaarts stroomt en zooals wilde beesten naar de wildernis loopen.”„Mencius zeide: „Van al de deelen die in een mensch zijn is de oogpupil het uitstekendste. De oogpupil kan zijn slechtheid niet verbergen. Is (alles in) de borst in orde dan is de pupil ook in orde, als (alles in) de borst niet in orde is, dan is de pupil dof. Luister naar iemands woorden en kijk naar zijn pupil. Hoe kan iemand zijn karakter verbergen?”„Diè man is groot, die niet zijn hart verliest van toen hij een kind was”.„Ofschoon een mensch slecht kan zijn, tóch, àls hij zijne gedachten betert, vast, en zich (schoon) baadt, mag hij aan Shang Ti offeren.”1„Ik heb nog nooit gehoord van iemand, die zelf boog, en toch anderen recht maakte.”Mencius zeide: „Ik houd van visch en ik houd van berenklauwen. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van de visch en neem de berenklauwen. Zóó houd ik van leven en ik houd van rechtvaardigheid. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van het leven enneem de rechtvaardigheid. Ik houd ook van leven, maar er is iets waar ik meer van houd dan van leven, en daarom wil ik het niet bezitten door oneerlijkheid. Ik haat ook den dood, maar er is iets wat ik meer haat dan den dood, en daarom zijn er gelegenheden, waarin ik hem niet wil vermijden.”„Hier is een klein mandje rijst en een schotel soep, en het geval doet zich voor dat het krijgen daarvan leven beteekent en het ontberen dood; als zij worden aangeboden met een beleedigende stem zal zelfs een landlooper ze niet willen hebben, en als ge er eerst op trapt zal een bedelaar zich niet bukken om ze op te rapen”.„Sommige deelen van het lichaam zijn edel en anderen verachtelijk. Het groote mag niet geschaad worden voor het kleine, het edele niet voor het verachtelijke. Hij, die het kleine in zich voedt is een klein mensch, hij die het groote in zich voedt, is een groot mensch”.„De Discipel Koeng Too zeide: „Wij zijn allen menschen, maar sommigen zijn kleine menschen en anderen groote, hoe zit dat nu?”„Mencius zeide: „Zij, die het groote, in hun belichaamd, volgen zijn groote menschen, zij die het kleine, in hun belichaamd, volgen zijn kleine menschen.”„Laat een mensch eerst gevestigd staan in het groote dat hij heeft, dan kan het kleine dat hij heeft het niet van hem wegnemen”.Mencius zeide: „Hij, die zijn Geest uitgeput heeft kent zijn Sing.2Kent hij zijn Sing dan kent hij Th’ien”.2Mencius zeide: „Alle dingen zijn (reeds) compleet in ons”.Mencius zeide: „De lichamelijke vormen en de begeerten behooren (ook) tot onze Sing van den Hemel. Maar men moet een Shêng Jên (Heilig Mensch) zijn eer men ze op de rechte plaats kan ordenen.”Mencius zeide: „De bekwame kunstenaar zal niet van zijn weg afwijken om een dommen werkman”.Mencius zeide: „Er zijn menschen die zeggen: „Ik kan goed troepen drillen, ik kan goed veldslagen leveren”, maar dat zijn groote misdadigers”.Mencius zeide: „Het volk is het meest belangrijke element, de geesten van het land en het graan het tweede, de vorst het minste.”(Mencius zeide): „De Kiün Tsz’ betracht de Wet (van het Recht), wacht op wat over hem beschikt is door den Hemel,3en daarmede uit.”(Mencius zeide): „Ik heb nog nooit gehoord dat principes afhankelijk zouden zijn van hun uitwerking op andere menschen.”Mencius zeide: „In de Ts’oen Ts’ioe4komen geen rechtvaardige oorlogen voor. Er zijn wèl voorbeelden van één oorlog die beter was dan een ander”.„Het is een oude wet dat de verdrukker zonder waarschuwing ter dood gebracht mag worden”.„Groote veldheeren zijn groote misdadigers. De harten der menschen onderwerpen zich niet aan kracht, maar aan Deugd”.„Den Hemel dienen bestaat in het voeden van de ware constitutie van ons wezen, bezorgd noch om dood, noch om leven.”„Door deugd alleen in zichzelf krijgt men nooit macht over andere harten. Men moet zijn deugd tot steun voor anderen maken.”„De eer, dien de mensch verleent, is geen ware eer”.„Van de eigenschappen van den Wijze is er geen grooter dan die van een helper der menschen te zijn tot een goed leven. Er is geen grooter genot dan bewust te zijn van Recht in ons. Als men streeft om anderen te behandelen zooals men door hen zou willen behandeld worden, is men niet ver van het volmaakte leven.”
In het jaar 371 v. C., ruim honderd jaar na den dood van Confucius, werd in denzelfden staat Loe, waarin Confucius ter wereld kwam, de Chineesche wijsgeer Mêng geboren, later Mêng Tsz’ genoemd (gelatinizeerd: Mencius), die op den geest van het Chineesche volk, evenals zijn groote voorganger dit deed, een invloed zou uitoefenen, dien tweeduizend jaren niet konden doen verminderen.
De revolutie van 1911–1912 zou wellicht nooit ontstaan zijn, indien de ideeën van Mencius niet zoo diep in den Chineeschen geest waren doorgedrongen. Immers, Mencius was vóor alles de echte volkstribuun, die steeds geleerd heeft, dat het volk het recht en zelfs den plicht heeft, den souverein van den troon te stooten, die niet met Wijsheid regeert en wien het belang van ’tvolkniet vóór alles gaat.
Mencius leefde in een tijd, toen Confucius’ geschriften en overgeleverde leerstellingen reeds algemeen verspreid waren, en ontwikkelde zich geheel en al door den invloed, dien Confucius’ geest op hem uitoefende. Evenals zijn’ voorganger beleefde hij een tijd van uiterste verwarring, en zag hij vorsten van verschillende feudale staten met elkaar om den voorrang strijden, en precies als Confucius ging hij rond bij de verschillende vorsten om hun raad te geven en te vermanen. Behalve hertog Wan van den Staat Th’ang, die met ijver trachtte, zijn plannen voor sociale verbetering en volksopvoeding ten uitvoer te brengen, luisterde echter geen dier vorsten ernstig naar hem, en hij ondervond dezelfde teleurstellingen als Confucius, al kwam het bij hem niettot een zoo ongelukkig lot van verbanning en uitstooting.
De filosofische beginselen van Mêng Tsz’ zijn in hoofdtrekken dezelfde als die van Confucius, maar terwijl Confucius meer den nadruk legde, in wijsgeerige politiek, op de centrale monarchie, en de zedelijke kracht, die van den vorst behoort uit te gaan, zocht Mencius het gewicht van den staat vooral in de rechten van het volk. Mencius is dan ook de groote democraat, de echte volksman van China geweest, die openlijk het recht uitsprak van het volk, om iederen vorst, die het verdrukte, te verjagen en desnoods te dooden. Deze leerstellingen sprak hij zelfs onomwonden uit tegenover de vorsten, die hij ontmoette, en zijn geheele leven door heeft hij de onafhankelijke, onbevreesde, fiere, zelfbewuste houding tegenover vorsten aangenomen, die den echten volkstribuun kenmerken. In dat opzicht was Confucius altijd meer een hoveling, ofschoon men hierbij niet moet vergeten, dat deze in koningen en prinsen een boven hem geplaatste macht zag in de kosmische Orde der Dingen.
Ik meen, den geest van Mêng Tsz’ niet beter te kunnen aanduiden dan door eenige fragmenten te geven uit zijn werken. De tekst van Mencius—een der „Vier Boeken” (waarvan Confucius’ „Choeng Yoeng”, „Ta Hioh” en „Loen Yü” de andere drie zijn) van China—wordt door de literair-filosofische autoriteiten uit de Oudheid aan hemzelf toegeschreven, maar latere deskundigen meenen, dat een zijner discipelen hem heeft geschreven.
„Als iemand door (brute) kracht menschen onderwerpt, onderwerpen zij zich niet aan hem in hun hàrt, maar omdat hun kracht niet er tegen opgewassen is. Als iemand hun onderwerpt door Deugd, zijn zij vergenoegd in hun innerlijkste hart, en zij onderwerpen zich ernstig, zooals het geval was met de 70 discipelen van Confucius”.
„Er is een weg om het Keizerrijk te verkrijgen: krijg het volk en ge hebt het keizerrijk. Er is een weg om het volk te verkrijgen: krijg hun harten en ge hebt het. Er is een weg om hun harten te verkrijgen: het is eenvoudig door bijeen te zamelen wat zij wenschen en hun niet op te leggen wat zij niet wenschen. Het volk keert zich naar een liefderijk regeerder zooals water benedenwaarts stroomt en zooals wilde beesten naar de wildernis loopen.”
„Mencius zeide: „Van al de deelen die in een mensch zijn is de oogpupil het uitstekendste. De oogpupil kan zijn slechtheid niet verbergen. Is (alles in) de borst in orde dan is de pupil ook in orde, als (alles in) de borst niet in orde is, dan is de pupil dof. Luister naar iemands woorden en kijk naar zijn pupil. Hoe kan iemand zijn karakter verbergen?”
„Diè man is groot, die niet zijn hart verliest van toen hij een kind was”.
„Ofschoon een mensch slecht kan zijn, tóch, àls hij zijne gedachten betert, vast, en zich (schoon) baadt, mag hij aan Shang Ti offeren.”1
„Ik heb nog nooit gehoord van iemand, die zelf boog, en toch anderen recht maakte.”
Mencius zeide: „Ik houd van visch en ik houd van berenklauwen. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van de visch en neem de berenklauwen. Zóó houd ik van leven en ik houd van rechtvaardigheid. Als ik ze niet beide kan hebben doe ik afstand van het leven enneem de rechtvaardigheid. Ik houd ook van leven, maar er is iets waar ik meer van houd dan van leven, en daarom wil ik het niet bezitten door oneerlijkheid. Ik haat ook den dood, maar er is iets wat ik meer haat dan den dood, en daarom zijn er gelegenheden, waarin ik hem niet wil vermijden.”
„Hier is een klein mandje rijst en een schotel soep, en het geval doet zich voor dat het krijgen daarvan leven beteekent en het ontberen dood; als zij worden aangeboden met een beleedigende stem zal zelfs een landlooper ze niet willen hebben, en als ge er eerst op trapt zal een bedelaar zich niet bukken om ze op te rapen”.
„Sommige deelen van het lichaam zijn edel en anderen verachtelijk. Het groote mag niet geschaad worden voor het kleine, het edele niet voor het verachtelijke. Hij, die het kleine in zich voedt is een klein mensch, hij die het groote in zich voedt, is een groot mensch”.
„De Discipel Koeng Too zeide: „Wij zijn allen menschen, maar sommigen zijn kleine menschen en anderen groote, hoe zit dat nu?”
„Mencius zeide: „Zij, die het groote, in hun belichaamd, volgen zijn groote menschen, zij die het kleine, in hun belichaamd, volgen zijn kleine menschen.”
„Laat een mensch eerst gevestigd staan in het groote dat hij heeft, dan kan het kleine dat hij heeft het niet van hem wegnemen”.
Mencius zeide: „Hij, die zijn Geest uitgeput heeft kent zijn Sing.2Kent hij zijn Sing dan kent hij Th’ien”.2
Mencius zeide: „Alle dingen zijn (reeds) compleet in ons”.
Mencius zeide: „De lichamelijke vormen en de begeerten behooren (ook) tot onze Sing van den Hemel. Maar men moet een Shêng Jên (Heilig Mensch) zijn eer men ze op de rechte plaats kan ordenen.”
Mencius zeide: „De bekwame kunstenaar zal niet van zijn weg afwijken om een dommen werkman”.
Mencius zeide: „Er zijn menschen die zeggen: „Ik kan goed troepen drillen, ik kan goed veldslagen leveren”, maar dat zijn groote misdadigers”.
Mencius zeide: „Het volk is het meest belangrijke element, de geesten van het land en het graan het tweede, de vorst het minste.”
(Mencius zeide): „De Kiün Tsz’ betracht de Wet (van het Recht), wacht op wat over hem beschikt is door den Hemel,3en daarmede uit.”
(Mencius zeide): „Ik heb nog nooit gehoord dat principes afhankelijk zouden zijn van hun uitwerking op andere menschen.”
Mencius zeide: „In de Ts’oen Ts’ioe4komen geen rechtvaardige oorlogen voor. Er zijn wèl voorbeelden van één oorlog die beter was dan een ander”.
„Het is een oude wet dat de verdrukker zonder waarschuwing ter dood gebracht mag worden”.
„Groote veldheeren zijn groote misdadigers. De harten der menschen onderwerpen zich niet aan kracht, maar aan Deugd”.
„Den Hemel dienen bestaat in het voeden van de ware constitutie van ons wezen, bezorgd noch om dood, noch om leven.”
„Door deugd alleen in zichzelf krijgt men nooit macht over andere harten. Men moet zijn deugd tot steun voor anderen maken.”
„De eer, dien de mensch verleent, is geen ware eer”.
„Van de eigenschappen van den Wijze is er geen grooter dan die van een helper der menschen te zijn tot een goed leven. Er is geen grooter genot dan bewust te zijn van Recht in ons. Als men streeft om anderen te behandelen zooals men door hen zou willen behandeld worden, is men niet ver van het volmaakte leven.”
1De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius den echten volksman.↑2Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑3In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’ „Choeng Yoeng”.↑4Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑
1De Chineesche wet staat alleen den Keizer toe, op het Hemel-Altaar aan Shang Ti te offeren. Men herkent alzoo in dit gezegde van Mencius den echten volksman.↑
2Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑
3In den tekst staat „wacht op zijn Ming”. Zie Confucius’ „Choeng Yoeng”.↑
4Zie het Hoofdstuk over Confucius.↑