Toulon est là! Woedende uitval van den auteur tegen monologen, met ’n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (De uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen ’t voorbeeld.) Gesprekken op denOlymp, waarbyJupiter’t wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan ’n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en ’n pastoor, alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.—Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want, wat doet-i? Hy verkwist z’n moeders goed. Als die man pruimen wil, laat ’m zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik heb altyd zuur moeten werken voor m’n boeltje, niet waar, Stoffel?—Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het ’n kinderachtigheid van Wouter is.—Net wat ik zeg, ’n kinderachtigheid!—Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat de Heer z’n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur ’m ’ns by me. De fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend ’m ’ns by me.—Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet!—Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed...Ze sprak de waarheid!... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib, of ... Nebukadnezar, of ...Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat oogenblik ’n briefje te schryven had gehad—aan Femke liefst!—zoud-i zeker geroemd hebben: “begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo slecht als drie oude koningen met hun allen!”En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig!—Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het midden, en z’n voeten zyn van klei. De Heer zal ’m wis en zeker omgooien! Stuur ’m ’ns by me.De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch Stoffel hadden den moed, Wouter’s wegblyven voor hun eigen rekening te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm.—Maar, m’n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i ... o! Wat moet ik doen met zoo’n kind?Wouter was te zacht om z’n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich alsof ze...Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy ’t gewaagd had zich in dit geval te beroepen op ’t oordeel van z’n moeder. In tegenwoordigheid van Laps zou men z’n opmerking bedolven hebben onder ’n stortvloed van verwytingen over z’n “brutaligheid.” En na ’t vertrek van ’t schepsel, had men hem gezegd:—Je bent toch ’n dom kind! Begryp je dan niet dat ik ’t mensch toch niet in ’r gezicht zeggen kan dat ik ’n hekel heb aan haar geoefen?Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens optehalen van z’n vergryp, ontsnapte hem ’n eenvoudig woord waaruit z’n belaagster ’n vroolyk [Greek: heurêka] wist te putten.—De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem iets geven, en toen ...Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was háár! Of althans, ze wist nu waarToulonlag, en van welken kant de vesting kòn genomen worden ... als ze neembaar was!—Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet je ’m niet dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by ’t weggaan. Ferseeren helpt niet. Men moet ieder z’n eigen sinnigheid laten. Ik geloof werachtig dat jelui ’t kind te veel besikkeneert.Lieve god, wie zal nu zoo’n bereddering maken om ’n stuiver!—Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder. ’t Zou waarachtig wel lyken of ’t me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er, goddank, niet op aan! We kunnen altyd nog wel ’n stuiver missen, wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder, maar ’t wordt toch tyd dat Wouter...—Komaan, wat ’n geseur om ’n pruimpie tabak! De Heer zal ’t zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! “Zoo wat ge den minsten myner broederen gedaan hebt...Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps ’t verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker niet hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond het vreemd dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden.Ja, ja, ’t is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden, en ... sommige anderen!De moeite die zich de Pietersens getroostten om ’t raadseltjen optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot. Ze waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de verklaring van dat zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde zich minder over de oplossing, dan schynbaar van z’n lust in stiptheid en z’n begeerte om teweten, had kunnen verwacht worden. De oorzaak hiervan lag in zekere overstelping van indrukken, die hem belette zich met ’n bepaald vraagstuk bezig te houden. Z’n gemoed zag er uit als ’t naaikistje van ’n goedige moeder, waarin de kinderen gegrabbeld hebben.De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar ’t grootste gedeelte paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine beginner in ’t Mensch-worden was ’n te onbedreven hovenier, om uitterukken wat niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was.Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z’n gaven en streven—Trieb!—lag in dit alles iets byzonders. Overhoop gehaalde ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt zoodanige verwarring even schadelyk.De regeling der indrukken die Wouter’s weinigje ondervinding had te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer slechts die indrukken niet waren vergezeld geweest van z’n voorbeschiktheid tot zedelyk en verstandelyk zwaartillen. Hem kleefde een zeldzame fout aan: hy was ’t omgekeerde van lichtzinnig, en deze hoedanigheid had nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk by het tegenovergestelde waarnemen. Verward in de menigte der zaken die hy niet begreep, gaf-i moedeloos de poging tot verklaring op, en scheen dus gelyk te staan met de meeste anderen die aan opheldering geen behoefte voelen.Maar deze gelykstelling ging niet in-àllen-deele door. Wouterberustteniet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk.Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z’n onbegrepen leed te klagen aan Femke.Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren had hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek van haar huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs.By deze gelegenheden wond-i zich op tot ... redenary. Hy maakte aan- en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden zou, en wanneer ik daarvan denjuistentekst geven kon, zou ik ’n heerlyk hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar dit kan ik niet.Toch wil ik het by benadering beproeven.Nogeens op volkomen juistheid maakt m’n schildering geen aanspraak.—Och, Femke, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek worden zal? Zou je dan by me komen? Doe het niet! M’n moeder houdt niet van je ... doe ’t niet, Femke! Laat me sterven, en vraag maar aan de buren waar ik begraven ben. Wil je dan ’s avends op m’n graf komen? Eens maar, ééns! Want ik begryp wel dat je niet dikwyls komen kunt, om de bleek, en om al je werk, en om je moeder, en om de menschen, die ’t gek zullen vinden als je komt kyken naar ’t graf van ’n kleine jongen.Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw zestien, en heb ’n deenschen matroos gezien, die ’n zwaren baard had, en kleiner was dan ik ... wezenlyk!Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze ’t behangsel veranderden. Die bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een bloem die gescheurd is, en ze lykt ... nu eens op ’n gebroken toren, dan weer op twee vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou geleek, maar ’t gáát niet! En dan maak ik me driftig dat die bloem niet veranderen wil van vorm. En dan voel ik dat ik dom ben, want ... ze kàn niet! En dan word ik nog driftiger ... over m’n eigen domheid, begrypje?Och, Femke, ik geloof zeker dat ik weer ziek wordt! Het sterven is niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo vermoeiend!Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel? Ik wou juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor ’t eerst!Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in den bybel staat! Waarom zou hy ’t áánzien zoo moeielyk maken! ’t Is onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem—om allerlei vragen te doen, weetje?—en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i me terstond blind schitteren? Femke, ik geloof het niet!En als het tòch waar is ... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan zal ik zeggen: God, dáártoe ben ik niet gestorven! Niet dààrvoor kwam ik in den hemel! ’t Was donker in de bedstee waar ik ziek lag, en die bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig, en nu ik eindelyk goed en wel hier ben—in den hemel, weetje, Femke—nu kryg ik niets te weten, en alles blyft even verward, en niets gehoorzaamt m’n wil, en in-plaats van licht dat helderheid geeft, zou ik hier m’n oogen moeten sluiten voor ’n licht dat alles even donker maakt als in m’n bedstee...Ik doe het niet, Femke. Ik doe hetniet! Ik sla m’n oogennietneer!En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet blyven mocht in den hemel, ik doe hetniet!Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen? Wèl, juist om alles teweten.En als dàt niet kan...Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. Dàt zal ik ook aan God zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen!Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt? Gut, Femke, ze vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik moet eerst nogeens in den handel.Ik heb je nooit zien voorbykomen op denZeedyk, en ik was er bly om. Als ik je gezien had...Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m’n kerfbuis had aangehad...Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te komen. Want... daar loopen veel matrozen die soms... onfatsoenlyk zyn. Voor my was ’t niets, weetje—gut, ik kan zelf al vloeken, en gemeene woorden weet ik ook!—neen, voormywas ’t niets! Ik heb eens “godverdomme” gezegd tegen ’n Rus die me slaan wou. ’t Is heusch waar dat ik zestien word in September, en ik zou best naar Griekenland durven gaan, vooral by ’t paardenvolk, omdat men dan gauwer by de Turken is. Op denZeedykheb ik met één hand den winkeltrap over de toonbank gezet, en m’nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was dan-i gedacht had.En vind jy ’t ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden soldaat...Nu, ook dàt wil ik aan God vragen! ’t Zal me benieuwen wat-i zegt. Ik kon al die menschen te-gelyk niet verstandig maken...De “massa” is niet dom, Femke, maar ze is...Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn ze dom? Ook niet! ’t Zyn maar gegooide steenen. Begryp je ’t onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en... niet-dom of niet-verstandig... niemendal?O, en hoe ’t afgeloopen is met Jakob Claesz! Dat zal ik vragen. En waarom God hem niet geholpen heeft? Als-i maar z’n been had gebroken, even voor ’t uitzeilen. ’t Had God maar één woord hoeven te kosten! Neen ... niet eens ’n woord. Hy heeft maar te willen! Och, men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men almachtig is! En daarom wou ik zoo graag ... wat grooter zyn.En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar... dan kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uitroeienwat verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn, en ... nooit iets te zeggen wat niet precies waar is.Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen? Vraag ’t eens aan pater Jansen. Maar myn ... dominee—onze paters heeten dominee, weetje!—myn dominee gaf me nooit ’n antwoord dat ik begrypen kon.Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar ... we begrypen hem niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z’n grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou hem wèl begrypen! En jy zeker ook?Vind jy ’t mooi van God, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken: hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig...Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daarzybegrip, en erisbegrip!Want ... begrip en licht is ’tzelfde, weetje!En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er geen slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust nemen, want ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i te doen en te laten had! Zou je dat niet mooi vinden?’t Is waar, dan hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle Turken zouden dan op-eens ... christenen worden, en aan niemand kwaad doen...Maar ... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch, als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? ik kan je wel twintig oorlogen noemen—met de jaartallen er by, Femke!—van christenen tegen christenen. Hoe vind je dàt?En by elken oorlog bidden ze aan beide kanten.Hoe redt God zich uit al die gebeden? Hy mag niemand in nood laten, die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus’ wil. Ik zal ’t hem vragen.Als ik er ben—in den hemel, meen ik—en ze bidden dan weer zoo tegen elkaar in ... weetje wat ik zeggen zal? Ik zal zeggen: houd eerst op met vechten! Dan zalikzien wie gelyk heeft, en ieder ’t zyne geven naar behooren.Want dat eeuwige vechten is te ruw. ’t Is Turkenwerk. Menschen van goed geloof kunnen op beter manier te weten komen wat recht is.Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink zeggen ... als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom.Hy wéét niet hoe raar ’t hier op aarde soms toegaat, en denkt misschien dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is niet waar! Ik zal ’t hem zeggen.En ook ... dat er ’n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duidelyker, weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat geeft niemendal! Zou jy ’r beter om bleeken, Femke, als je de namen wist van al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat doet er zoo weinig toe!Maar wèl zou ’t goed zyn als je wat beter zeep had—ze ruikt zoo!—en als de jongens niet met steenen gooiden. God moest maken dat ze geen pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep...Dit is nu zóó, Femke. Er groeien veel dingen ... in de aarde, boven de aarde, in de zee, jazelfs in de lucht. En alles kan gebruikt worden, als we maar wetenhoe? Dit moeten we trachten te leeren, en als we ons daarmee yverig bezig-houden vinden we telkens wat nieuws. Oom Sybrand heeft gezegd dat er ’n tyd komen zal dat men ’n zwavelstok kan aansteken aan den muur!Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femke, omdat we ... dom zyn. Want jy en ik zyn wèl dom, maar ... we kunnen wat leeren. En ... daartoe leven wy. Zóó is ’t eigenlyk, zou ik denken. Ik wil je uitleggen, Femke, waarom ik dat geloof. Er was ’n tyd dat men geen boek kon drukken. Alle werken waren maar geschreven met de pen, en de gezangen ook, en de psalmen ook, en de gebeden ook—verbeeldje, hoe lastig in de kerk!—zoodat het heel wat in-had, ’n boek te krygen. De menschen hadden kramp in de vingers van al ’t geschryf. En nu? Gut, by m’n gewezen patroon—hy is weggeloopen naar Amerika—stond ’n heele winkel vol boeken, en de menschen betaalden ’n gulden per deel ... als pand, weetje? En vóór de uitvinding van die kunst van drukken—’t gebeurde te Haarlem in den Hout, en ik zou je de zaak precies kunnen vertellen, want er zyn verssies op gemaakt—nu, toen was ’n boek zoo duur, zóó duur, dat ... byna niemand wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor ’n heelen almanak ... met de verjaardagen van koning en koningin er by, en ook ’t weer, en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster en hemelvaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten, en printjes van nederlandsche heldendaden ... och, Femke dat alles koop je nu voor één dubbeltje! Is ’t waar of niet!Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie ’t voorspeld had, zou niet geloofd geworden zyn. Toch is ’t gebeurd!Zóó zal ’t ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en ... ze zullen ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt. Want, Femke, als ik ’n schoon hemd aantrek, word ik misselyk, en dat kan toch Gods wil niet zyn!Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens te zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag hy ook niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg opgaan, want als we dien kenden, zou er in ’t vinden geen kunst liggen. En hy helpt ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan met z’n Almacht?O, Femke, alsikalmachtig was, ik zou je...Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De engelen moesten ’n katechismus maken met honderdduizend vragen, en ... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan.Kyk, zóó—maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze niet weet:Waarom valt ’n appel?Groeit ’n boom van-boven of van-onder?Waarom ben ik zoo verdrietig?Waarom gaapt men elkaar na?Hoe weet iemand of de pyn die hy in ’t hoofd voelt, hoofdpyn is?Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?Hoe verstond-i Gods taal?ZouStoffelwel eens ’n fout gemaakt hebben?Waarom begryp ik nooit wat juffrouwLapszegt? Is ’t waar dat zy de genade heeft? Hoe komiker aan?Wat moet ’n mensch doen om veel te weten, om ... alles te weten?Alles? Hm?De lezer ziet dat Wouter’s bescheidenheid zich niet uitstrekte tot deres divinae, en dat wèl beschouwd de “Heer” meer reden dan juffrouw Pieterse zou gehad hebben, hem z’n “brutaligheid” te verwyten.Toch klaagdezyaltyd, en de “Heer” zweeg. Hy was goedertierener dan zy.Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de “paden” in den omtrek van Femke’s huisje tot getuigen, dat ik z’n mymeringen hoogst-onvolkomen heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat zou geweest zyn tot meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet! Hy zou ’t er nog slechter afgebracht hebben dan ik.De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom zoo moeilyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging dan voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den invloed was van tegenstrydige aandoeningen die zich z’n ziel schenen te betwisten. Wel brak hier-en-daar ’t gezond verstand door, maar onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol. ’tGevoelwas er. DeVerbeeldingwas er. DeMoedwas er ...Nu ja, en toch ... toch ...Ik beroep me weer op ’t overhoop-gehaalde “moeder’s naaikistje.” Wouter grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die moeder Natuur in z’n gemoed had neergelegd.Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da Costa genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die misschien te beschouwen hebben alscorollair.Hetsentimenteeleis voorzeker ’n uitvloeisel—’n leelyk uitwas vaak!—vansentiment. En ’t sentimenteele wàs er!Moed?Wel zeker! En meer dan dàt zelfs, of ... iets anders dat er heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetelheid en lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom? Overmoeddus... ’n leelyk ding! Maar toch... ’t is niet ieder gegeven, God te roepen ter verantwoording, en pruimtabak te leveren aan ’n zondebok van de “massa.”En deVerbeelding?“Nu, dááraan ontbrak het hem waarachtig niet!” hoor ik den lezer roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich op niet gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter’s idealen niet precies gekopieerd waren uit z’n romans. Iets dat anders wel eens ’t geval is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schryven.En ook ’t hysterisch element—wie ’t weglaat by menschschilderen of geschiedschryven, is ’n knoeier of ’n huichelaar, d. i. beide tegelyk—ontbrak niet!Er staan of liggen my ’n paar beelden voor den geest, die de stemming van Wouter’s gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar... ze klinken onklassisch. In-godsnaam—d. i. ik wil niet verantwoordelyk zyn voor ’t litterarisch gehalte—Wouter’s ziel geleek op ’n schotel melkpap waaruit de bliksem schoot, op ’n donderend bloembed.Elken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd te zullen wezen als ’t weer mislukte. Maar na ’n paar alineaas gepeins vergat hy... Femke niet, maar z’n lust om haar in persoon te ontmoeten. Z’n mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen... dit alles wàs hem Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens vóór hem staande, onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy, onverhoeds door haar teruggeroepen in... ’n àndere werkelykheid dan die waarin hy zweefde, haar had toegevoegd:—Ach, had je me niet nog ’n oogenblik kunnen alleen laten? Ik vroeg juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou geantwoord hebben!’n Zonderling vryertje!Eénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner gedachten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben over domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We zyn zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn, weersgesteldheid... zeker, maar:waarom toch, o God? zou Wouter gevraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte.Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen, en hy verveelde zich. Z’n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach, de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had...—Ik wil haar zien, riep hy, ikwil! En als vrouw Claus weer naar wurmen vraagt... ’t kan me niet schelen: ik wil Femke zien!Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd “binnen” geroepen. Dit was wel ’n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo’n klink optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi en dien heldhaftigen Lord.De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen zuigeling.Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan ’n wasemende waschtobbe—de zeep stonk... turksch!—en pater Jansen rookte even huiselyk ’n goudsche pyp.—Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat ’s goed! Dat ’s nou ’t jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater?De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door, zonder ’t minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.—Ja, juffrouw, ik kwam ’ns kyken of....—Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-’n boteram? En hoe maakt ’t je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is ’n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer beter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts ... of ... ’n beroerte, of ... wat was ’t ook?—Gut né, juffrouw....—Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet in z’n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moeder niet ziek geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. ’t Zal ’n ander geweest zyn, ’n mensch heeft zoo veel aan z’n hoofd. Houd je van kaas? ’t Is leidsche.De goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui ’t gezien had, was ze flauw gevallen. In de ... zooveelste onderklasse namelyk van “Burgerstand” II of III. (Pp) heerscht ’n fatsoenlyke schrielheid die niet bestaat by wat men—gek genoeg, als by uitsluiting—denwerkendenstand noemt. Arbeiders—mits de zoodanigen die hun geld niet besteden aan jenever—zyn minder bekrompen in de toedeeling van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen fransche namen geven en de “Kersnacht” laten reciteeren, of in andere fatsoenlykhedens doen.Wouter had nooit zoo’n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting van de kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd ...O, realistische Fancy?... ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter verwacht had.By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en ’t gevolg was van z’n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat ’n pastoor, ’n geestelyke, ’n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook deze soort van godverkondigers—hoe aardsch dan ook, en onzienerlyk!—hadden zich steeds aan hem geopenbaard op ’n manier die hem dwong hen aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen kemelsharen kleed, dat ’s waar, maar ze hadden ’n driekantigenhoed op ’t hoofd, en heel andere broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen. Misschien zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten aankondigen te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig sprinkhanen. Wouter wist alzoo ’t kostuum der leeraren inzynkerk, vry wel pas te maken by z’n indrukken. En dit kostte hem op ’t eerste gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk ’n ander jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en geloof leven.Maar ... de houding! Maar ... ’t spreken! Maar ... de toon!De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken wel niet ... heilig, maar ze spraken toch als ’n boek, en hoestten heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen ’t geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als ’n wysgeer, dan toch ongemaakt als ’n boer. Van pedanterie vond men by hem geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i minder onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend. Hy bezocht de schaapjes van z’n kudde zeer trouw, en ... de armen by-voorkeur, niet uit pronkerigen weldadigheidszin—hyzelf was doodarm—maar omdat-i in de lagere standen zich meer op z’n gemak voelde. Ook hield hy veel van boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak nu-en-dan ’n preek jen over de zonden van den dag—de lezer heeft er een te-goed!—katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde ... alles zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z’n ... ambt uit, als ’n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van toon te leggen in de mededeelingen: dat hy “by de kerk” was gegaan, en: dat z’n broers in Noordbrabant de zaak van z’n vader voortzetten, die hoefsmid en herbergier was geweest.—En wat wiljyworden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want ... ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in boekbinden? Dat ’s ’n goed vak.—Ik ben ... in den handel geweest, m’nheer, en ... ik ga er weer in.—Wel, jongen, dat ’s goed! Dan kan je-n-’n ryk man worden. Vooral hier te Amsterdam, want ... Amsterdam is ’n handelsstad.Wouter sprak ’t niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er bytevoegen: “’t Is de grootste koopstad van Europa, m’nheer!” Maar ... hy was verbluft door ’t ... onhemelsche van pater Jansen’s taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar ... ’t bevreemdde hem.’t Zou nog erger worden!—’n Jongetjen als jy moet goed eten ... je ziet ’r bleekjes uit. M’n broer by Vucht knypt ’n hoefyzer krom. Wat zeg je dààrvan? Heb je wel eens een noordbrabantsche mik gegeten? ’t Is ’t beste brood! Maar ham is ook niet kwaad. ’n Mensch die niet goed eet,wordt ... kreuzelig. Ik eet altyd twee boterammenalsik by Vrouw Claus kom, maar ik ben lang zoo sterk niet als m’n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis ’ns zien! Dat’s me-n-’n pret!Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder had-i nog nooit boodschappen uit den hemel t’huisgekregen! En uit den hemel kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabantschen tongval—’n ongemaaktheid te-meer!—die pater Jansen ten-beste gaf tusschen de rookwolken van z’n pyp in.O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedighuisbakken gewoonheid. OokzynFancy was goedig, enbourgeois, en onopgesmukt... als ’t haar zoo ’ns in den zin kwam! Ookzyzou den neus niet hebben opgetrokken voor “mik” en kermispret!Maar... Wouter meende juist dat dit ’n fout van haar was! Hy beschuldigde z’n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van verregaande onaanzienlykheid.En zie, daar zat ’n man met ’n vreemde jas aan—en dus tot verkondiger geykt!—zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God, geen genade, geen geloovery—en geen hel vooral!—in de wereld was! Die man kende God—hy werd er voor betaald!—en was kinderlyk verheugd over de kracht van z’n broer, den smid! Die man was van beroep: zaligmaker, en toch hield-i van kaas en dikke boterammen!Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom, en dacht, en dacht, en ... zei:—M’nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist verstaan had. Eindelyk:—Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je ...—Maar, pater, riep Vrouw Claus, ’t kind is niet van de kerk! Ben je wèl, jongen, of heb ik ’t mis?—Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar ...—Nu ja, aangenomen, maar ...—Op de Noordermarkt, juffrouw!—Juist, maar zie je, indiekerk ...De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen dat die aannemery niet de rechte was.—Ben je ... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd?—Gevormd?—Wel zeker! Want als je niet gevormd bent ...Wat Wouter ’n zonderling gezicht zette!Hyniet gevormd!... als je niet gevormd bent door den Bisschop, dan ... zieje ... dan....In-godsnaam! Wouter moest tot z’n schaamte erkennen dat-i ’n ongevormd wezen was, ’nmoles, ’n “massa” misschien, een van de ergste dingen die hem konden overkomen.—Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.—Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem ’ns hooren opzeggen. Dàt ’s ’n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m’n eigen kind, maar ... dàt ’s me-n-meid!—Ja, Femke is ’n heel braaf meisje, zei de pater, en ...Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.... ik heb nooit moeite met haar.Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan ook pater Jansen. Z’n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van ’t meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als ’n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i “zoo goed schuurt.”En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z’n onderbroeken zoo netjes versteld!O Fancy!Neen ... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter’s schoonheidsgevoel niet, of althans z’n schoonheidsgevoel niet het meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy versmaadde ’t rangverschil tusschen pater’s onderbroeken en den melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door ’t burgerlyke, noch door ongekleedheid ... zy die gewoon was alles naakt te zien, paters en Mensheid!Een geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in ’n deel van Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen, omdat niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke ...vooral’t menschelyke niet!Wouter waszestienjaren oud, reeds ’n kleine man dus, en ... iets anders nog: ’n mannetje!Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z’n onderbroek!—Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als ’n weerliggie! Is er niet wat van je stuk, pater? Stuur ’t maar gerust hier!Wouter gloeide. Waren ’t dan in-godsnaam maar halskraagjes, kousen, of ... vesten, of ... ziedaar—als ’t dan volstrekt iets wezen moest van verdrietigen aard—al was ’t dan maar ’n bovenbroek!... stuur ’t maar hier, pater, want al is onze Fem er niet ...Wáár zou ze wezen?...ikzal je boeltje wel heel maken! Dat kanikook nog wel!Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe het, en laat Femke waar ze-n-is!Maar... wáár zou ze zyn?ZoodachtWouter. Ziehier wat-izei, de leugenaar, de gauwdief, de huichelende booswicht ... het menschje:—Hé, ’t is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten hebben te vragen waar toch uw dochter Femke is?—Fem? Wèl, die is by ’n nicht van ons, die ’n meid ziek heeft, want ... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de kinderen van onze nicht.Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De deugniet zette ’n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z’n stoel—Wouter wist nog niet hoe men ’n bezoek afbreekt: velen leeren het nooit!—verliet hy met pater Jansen ’t huisje.Het verregaand liberalismus van juffrouwPieterseis oorzaak dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom paterJansenzoo doof was aan z’n linkeroor.—Wil je me-n-’n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m’n rechterzy, want ik ben doof hier.En hy wees op z’n linkeroor.—Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik ’n kleine jongen was... kan je goed klimmen?—N...é, m’nheer!—Zoo? Nu, ik wel. In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens ’n bloempotjen uit ’n venster van de derde verdieping gehaald. En ... onze pastoor was niet gemakkelyk, in ’t geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik ’t potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want het was ’t potje van ’n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar aan de twintigconfiteorszat ik vast, hoorje, vast als ’n bliek aan den hoek. Ik hou niet van bliek ... ’t is ’n gemeene visch. Nu, er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng ...Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m’n linkeroor.Op ’t simmenarie was ’n student ... hy is nu kanunnik, ergens in de Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want ... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i ... Vink heette ... maar z’n naam was anders, dit begryp je. Die Vink was ’n slechte jongen. Maar nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z’n tellen! Help ’ns kyken, of-i geen bisschop wordt, of ... paus! Je moest hem ’ns hooren als-i ’n brok uit deVulgataopzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar, en vergiste zich nooit in ’n tekst.Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon ... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in gedrag ...Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als Vink durfde denken, maar ... hy stond niet op zoo’n goeden voet met de professers. Ik mag je z’n naam wel noemen, omdat-i dood is, en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen ... hy heette Kruger. O, ’n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren.Ja, Kruger was ’n beste jongen, en byna zoo knap als Vink ... misschien wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd want ik wedde op Kruger ... omdat ik zooveel van hem hield.Eens nu, toen de tyd van ’t examen naderde, was Kruger’s vader ziek geworden—en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer, want hy was Vink ’n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal geweest zyn, als-i maar kon meedingen in ’tSpecimen, klasse:rhetoriek-eerste, en:theologie-derde. Daarvoor worden hooge punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de kleine les best missen.We hadden inrhetoriek-eerstedat jaar:de eloquentiâ, en intheologie-derde: de substantiâ archangelorum...heele moeielyke stukken, dit voel je wel!Kruger zond z’n:de eloquentiâvan-huis—en ’t was heel goed ... mooi, hoor!—maar hy schreef aan onzen patertheologie-derde: dat-i ’n:de substantiâ archangelorumreeds vroeger had behandeld ... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was> en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z’n pleizier doet ...—Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met ’n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier, zeg ik je, hier! In huis ... terstond! Heerejesis-kristis, wat heb ik ’n last van dàt kind!Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking met pater Jansen af.De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby Wouter’s woning, en z’n moeder die juist in onderhandeling was met ’n groentejood over ’n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich ’n beroerte te krygen van ergernis.—Met ’n pastoor! Stoffel, kom ’ns gauw beneden ... de jongen loopt met ’n pastoor!Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen ’n lieve goede man die zoo’n bejegening niet verdiende. En dit was de zuivere waarheid.De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove slechts bereikte aan den linkerkant?Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z’n woning was, en dat-i geroepen werd door z’n moeder, antwoordde de man heel goedig:—Zóó ... woon ie daar? Nu dan zal ik je-n-’n volgenden keer vertellen waarom ik zoo doof ben aan m’n linkeroor ... heelemaal doof, weetje?Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z’n tranen af.Het kwam hem voor dat z’n moeder ’n zware zonde begaan had, en dat ’n vyftigtalconfiteors...Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op ’t “simmenarie” ’t krabbedieven van ’n bloempot gestraft wordt?—Ah ... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw Dungelaar ... ’t was om de bloemen niet, en ook niet om den pot, zieje, maar alleen omdat ik zoo’n lust in klimmen had. Anders ... men moet nooit iets wegnemen wat ’n ander behoort, al staat het nog zoo hoog. Dag, jongeheer!En na ’n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging de man zyns weegs.Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen ...—’t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.—Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo’n manier komt er nooit iets van hem te-recht.Onze wysgeer had wel ’ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.—Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, ’t kind moet werk hebben. Als-i maar letterzetten wou! Of in ’n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet dat-i zelf ’n schoen maakt!—Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loopikmet ’n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar m’n school ga.—Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.—Anders ... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther, dat was ook ’n soort van pastoor. En wat deed-i?—Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.—Luthersch, moeder! Nu, dat ’s byna ’tzelfde. We moeten niet zoo bekrompen wezen, moeder!—Wel neen, ’n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd zeg. Want, Stoffel, wat doet er ’n mensch z’n geloof toe, niet waar, als-i maar braaf is, en niet roomsch.Enz. Enz. Enz.Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw Claus den rang aanmatigde van iemand die “in den handel” geweest was, en weer “in den handel” gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer “in.”Door bemiddeling van zekeren leerkooper die—kommercieel gesproken—zeer na verwant was aan de schoenen die voorgavenuit Parys gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by ’n firma wier weledelheid iets minder aprokrief was dan de ons bekende zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou ’n nieuwen leertyd ingaan op ’t wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.De zaak erlangde haar beslag op ’n woensdag, en de nieuwe betrekking zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.Voor ’t evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets wat-i niet was—god-bewaarme!—tot ’n romanheld.
Toulon est là! Woedende uitval van den auteur tegen monologen, met ’n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (De uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen ’t voorbeeld.) Gesprekken op denOlymp, waarbyJupiter’t wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan ’n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en ’n pastoor, alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.—Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want, wat doet-i? Hy verkwist z’n moeders goed. Als die man pruimen wil, laat ’m zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik heb altyd zuur moeten werken voor m’n boeltje, niet waar, Stoffel?—Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het ’n kinderachtigheid van Wouter is.—Net wat ik zeg, ’n kinderachtigheid!—Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat de Heer z’n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur ’m ’ns by me. De fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend ’m ’ns by me.—Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet!—Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed...Ze sprak de waarheid!... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib, of ... Nebukadnezar, of ...Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat oogenblik ’n briefje te schryven had gehad—aan Femke liefst!—zoud-i zeker geroemd hebben: “begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo slecht als drie oude koningen met hun allen!”En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig!—Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het midden, en z’n voeten zyn van klei. De Heer zal ’m wis en zeker omgooien! Stuur ’m ’ns by me.De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch Stoffel hadden den moed, Wouter’s wegblyven voor hun eigen rekening te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm.—Maar, m’n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i ... o! Wat moet ik doen met zoo’n kind?Wouter was te zacht om z’n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich alsof ze...Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy ’t gewaagd had zich in dit geval te beroepen op ’t oordeel van z’n moeder. In tegenwoordigheid van Laps zou men z’n opmerking bedolven hebben onder ’n stortvloed van verwytingen over z’n “brutaligheid.” En na ’t vertrek van ’t schepsel, had men hem gezegd:—Je bent toch ’n dom kind! Begryp je dan niet dat ik ’t mensch toch niet in ’r gezicht zeggen kan dat ik ’n hekel heb aan haar geoefen?Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens optehalen van z’n vergryp, ontsnapte hem ’n eenvoudig woord waaruit z’n belaagster ’n vroolyk [Greek: heurêka] wist te putten.—De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem iets geven, en toen ...Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was háár! Of althans, ze wist nu waarToulonlag, en van welken kant de vesting kòn genomen worden ... als ze neembaar was!—Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet je ’m niet dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by ’t weggaan. Ferseeren helpt niet. Men moet ieder z’n eigen sinnigheid laten. Ik geloof werachtig dat jelui ’t kind te veel besikkeneert.Lieve god, wie zal nu zoo’n bereddering maken om ’n stuiver!—Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder. ’t Zou waarachtig wel lyken of ’t me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er, goddank, niet op aan! We kunnen altyd nog wel ’n stuiver missen, wat zeg jy, Stoffel?—Ja, moeder, maar ’t wordt toch tyd dat Wouter...—Komaan, wat ’n geseur om ’n pruimpie tabak! De Heer zal ’t zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! “Zoo wat ge den minsten myner broederen gedaan hebt...Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps ’t verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker niet hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond het vreemd dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden.Ja, ja, ’t is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden, en ... sommige anderen!De moeite die zich de Pietersens getroostten om ’t raadseltjen optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot. Ze waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de verklaring van dat zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde zich minder over de oplossing, dan schynbaar van z’n lust in stiptheid en z’n begeerte om teweten, had kunnen verwacht worden. De oorzaak hiervan lag in zekere overstelping van indrukken, die hem belette zich met ’n bepaald vraagstuk bezig te houden. Z’n gemoed zag er uit als ’t naaikistje van ’n goedige moeder, waarin de kinderen gegrabbeld hebben.De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar ’t grootste gedeelte paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine beginner in ’t Mensch-worden was ’n te onbedreven hovenier, om uitterukken wat niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was.Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z’n gaven en streven—Trieb!—lag in dit alles iets byzonders. Overhoop gehaalde ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt zoodanige verwarring even schadelyk.De regeling der indrukken die Wouter’s weinigje ondervinding had te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer slechts die indrukken niet waren vergezeld geweest van z’n voorbeschiktheid tot zedelyk en verstandelyk zwaartillen. Hem kleefde een zeldzame fout aan: hy was ’t omgekeerde van lichtzinnig, en deze hoedanigheid had nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk by het tegenovergestelde waarnemen. Verward in de menigte der zaken die hy niet begreep, gaf-i moedeloos de poging tot verklaring op, en scheen dus gelyk te staan met de meeste anderen die aan opheldering geen behoefte voelen.Maar deze gelykstelling ging niet in-àllen-deele door. Wouterberustteniet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk.Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z’n onbegrepen leed te klagen aan Femke.Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren had hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek van haar huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs.By deze gelegenheden wond-i zich op tot ... redenary. Hy maakte aan- en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden zou, en wanneer ik daarvan denjuistentekst geven kon, zou ik ’n heerlyk hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar dit kan ik niet.Toch wil ik het by benadering beproeven.Nogeens op volkomen juistheid maakt m’n schildering geen aanspraak.—Och, Femke, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek worden zal? Zou je dan by me komen? Doe het niet! M’n moeder houdt niet van je ... doe ’t niet, Femke! Laat me sterven, en vraag maar aan de buren waar ik begraven ben. Wil je dan ’s avends op m’n graf komen? Eens maar, ééns! Want ik begryp wel dat je niet dikwyls komen kunt, om de bleek, en om al je werk, en om je moeder, en om de menschen, die ’t gek zullen vinden als je komt kyken naar ’t graf van ’n kleine jongen.Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw zestien, en heb ’n deenschen matroos gezien, die ’n zwaren baard had, en kleiner was dan ik ... wezenlyk!Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze ’t behangsel veranderden. Die bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een bloem die gescheurd is, en ze lykt ... nu eens op ’n gebroken toren, dan weer op twee vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou geleek, maar ’t gáát niet! En dan maak ik me driftig dat die bloem niet veranderen wil van vorm. En dan voel ik dat ik dom ben, want ... ze kàn niet! En dan word ik nog driftiger ... over m’n eigen domheid, begrypje?Och, Femke, ik geloof zeker dat ik weer ziek wordt! Het sterven is niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo vermoeiend!Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel? Ik wou juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor ’t eerst!Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in den bybel staat! Waarom zou hy ’t áánzien zoo moeielyk maken! ’t Is onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem—om allerlei vragen te doen, weetje?—en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i me terstond blind schitteren? Femke, ik geloof het niet!En als het tòch waar is ... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan zal ik zeggen: God, dáártoe ben ik niet gestorven! Niet dààrvoor kwam ik in den hemel! ’t Was donker in de bedstee waar ik ziek lag, en die bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig, en nu ik eindelyk goed en wel hier ben—in den hemel, weetje, Femke—nu kryg ik niets te weten, en alles blyft even verward, en niets gehoorzaamt m’n wil, en in-plaats van licht dat helderheid geeft, zou ik hier m’n oogen moeten sluiten voor ’n licht dat alles even donker maakt als in m’n bedstee...Ik doe het niet, Femke. Ik doe hetniet! Ik sla m’n oogennietneer!En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet blyven mocht in den hemel, ik doe hetniet!Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen? Wèl, juist om alles teweten.En als dàt niet kan...Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. Dàt zal ik ook aan God zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen!Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt? Gut, Femke, ze vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik moet eerst nogeens in den handel.Ik heb je nooit zien voorbykomen op denZeedyk, en ik was er bly om. Als ik je gezien had...Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m’n kerfbuis had aangehad...Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te komen. Want... daar loopen veel matrozen die soms... onfatsoenlyk zyn. Voor my was ’t niets, weetje—gut, ik kan zelf al vloeken, en gemeene woorden weet ik ook!—neen, voormywas ’t niets! Ik heb eens “godverdomme” gezegd tegen ’n Rus die me slaan wou. ’t Is heusch waar dat ik zestien word in September, en ik zou best naar Griekenland durven gaan, vooral by ’t paardenvolk, omdat men dan gauwer by de Turken is. Op denZeedykheb ik met één hand den winkeltrap over de toonbank gezet, en m’nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was dan-i gedacht had.En vind jy ’t ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden soldaat...Nu, ook dàt wil ik aan God vragen! ’t Zal me benieuwen wat-i zegt. Ik kon al die menschen te-gelyk niet verstandig maken...De “massa” is niet dom, Femke, maar ze is...Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn ze dom? Ook niet! ’t Zyn maar gegooide steenen. Begryp je ’t onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en... niet-dom of niet-verstandig... niemendal?O, en hoe ’t afgeloopen is met Jakob Claesz! Dat zal ik vragen. En waarom God hem niet geholpen heeft? Als-i maar z’n been had gebroken, even voor ’t uitzeilen. ’t Had God maar één woord hoeven te kosten! Neen ... niet eens ’n woord. Hy heeft maar te willen! Och, men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men almachtig is! En daarom wou ik zoo graag ... wat grooter zyn.En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar... dan kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uitroeienwat verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn, en ... nooit iets te zeggen wat niet precies waar is.Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen? Vraag ’t eens aan pater Jansen. Maar myn ... dominee—onze paters heeten dominee, weetje!—myn dominee gaf me nooit ’n antwoord dat ik begrypen kon.Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar ... we begrypen hem niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z’n grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou hem wèl begrypen! En jy zeker ook?Vind jy ’t mooi van God, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken: hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig...Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daarzybegrip, en erisbegrip!Want ... begrip en licht is ’tzelfde, weetje!En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er geen slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust nemen, want ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i te doen en te laten had! Zou je dat niet mooi vinden?’t Is waar, dan hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle Turken zouden dan op-eens ... christenen worden, en aan niemand kwaad doen...Maar ... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch, als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? ik kan je wel twintig oorlogen noemen—met de jaartallen er by, Femke!—van christenen tegen christenen. Hoe vind je dàt?En by elken oorlog bidden ze aan beide kanten.Hoe redt God zich uit al die gebeden? Hy mag niemand in nood laten, die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus’ wil. Ik zal ’t hem vragen.Als ik er ben—in den hemel, meen ik—en ze bidden dan weer zoo tegen elkaar in ... weetje wat ik zeggen zal? Ik zal zeggen: houd eerst op met vechten! Dan zalikzien wie gelyk heeft, en ieder ’t zyne geven naar behooren.Want dat eeuwige vechten is te ruw. ’t Is Turkenwerk. Menschen van goed geloof kunnen op beter manier te weten komen wat recht is.Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink zeggen ... als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom.Hy wéét niet hoe raar ’t hier op aarde soms toegaat, en denkt misschien dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is niet waar! Ik zal ’t hem zeggen.En ook ... dat er ’n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duidelyker, weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat geeft niemendal! Zou jy ’r beter om bleeken, Femke, als je de namen wist van al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat doet er zoo weinig toe!Maar wèl zou ’t goed zyn als je wat beter zeep had—ze ruikt zoo!—en als de jongens niet met steenen gooiden. God moest maken dat ze geen pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep...Dit is nu zóó, Femke. Er groeien veel dingen ... in de aarde, boven de aarde, in de zee, jazelfs in de lucht. En alles kan gebruikt worden, als we maar wetenhoe? Dit moeten we trachten te leeren, en als we ons daarmee yverig bezig-houden vinden we telkens wat nieuws. Oom Sybrand heeft gezegd dat er ’n tyd komen zal dat men ’n zwavelstok kan aansteken aan den muur!Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femke, omdat we ... dom zyn. Want jy en ik zyn wèl dom, maar ... we kunnen wat leeren. En ... daartoe leven wy. Zóó is ’t eigenlyk, zou ik denken. Ik wil je uitleggen, Femke, waarom ik dat geloof. Er was ’n tyd dat men geen boek kon drukken. Alle werken waren maar geschreven met de pen, en de gezangen ook, en de psalmen ook, en de gebeden ook—verbeeldje, hoe lastig in de kerk!—zoodat het heel wat in-had, ’n boek te krygen. De menschen hadden kramp in de vingers van al ’t geschryf. En nu? Gut, by m’n gewezen patroon—hy is weggeloopen naar Amerika—stond ’n heele winkel vol boeken, en de menschen betaalden ’n gulden per deel ... als pand, weetje? En vóór de uitvinding van die kunst van drukken—’t gebeurde te Haarlem in den Hout, en ik zou je de zaak precies kunnen vertellen, want er zyn verssies op gemaakt—nu, toen was ’n boek zoo duur, zóó duur, dat ... byna niemand wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor ’n heelen almanak ... met de verjaardagen van koning en koningin er by, en ook ’t weer, en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster en hemelvaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten, en printjes van nederlandsche heldendaden ... och, Femke dat alles koop je nu voor één dubbeltje! Is ’t waar of niet!Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie ’t voorspeld had, zou niet geloofd geworden zyn. Toch is ’t gebeurd!Zóó zal ’t ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en ... ze zullen ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt. Want, Femke, als ik ’n schoon hemd aantrek, word ik misselyk, en dat kan toch Gods wil niet zyn!Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens te zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag hy ook niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg opgaan, want als we dien kenden, zou er in ’t vinden geen kunst liggen. En hy helpt ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan met z’n Almacht?O, Femke, alsikalmachtig was, ik zou je...Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De engelen moesten ’n katechismus maken met honderdduizend vragen, en ... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan.Kyk, zóó—maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze niet weet:Waarom valt ’n appel?Groeit ’n boom van-boven of van-onder?Waarom ben ik zoo verdrietig?Waarom gaapt men elkaar na?Hoe weet iemand of de pyn die hy in ’t hoofd voelt, hoofdpyn is?Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?Hoe verstond-i Gods taal?ZouStoffelwel eens ’n fout gemaakt hebben?Waarom begryp ik nooit wat juffrouwLapszegt? Is ’t waar dat zy de genade heeft? Hoe komiker aan?Wat moet ’n mensch doen om veel te weten, om ... alles te weten?Alles? Hm?De lezer ziet dat Wouter’s bescheidenheid zich niet uitstrekte tot deres divinae, en dat wèl beschouwd de “Heer” meer reden dan juffrouw Pieterse zou gehad hebben, hem z’n “brutaligheid” te verwyten.Toch klaagdezyaltyd, en de “Heer” zweeg. Hy was goedertierener dan zy.Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de “paden” in den omtrek van Femke’s huisje tot getuigen, dat ik z’n mymeringen hoogst-onvolkomen heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat zou geweest zyn tot meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet! Hy zou ’t er nog slechter afgebracht hebben dan ik.De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom zoo moeilyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging dan voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den invloed was van tegenstrydige aandoeningen die zich z’n ziel schenen te betwisten. Wel brak hier-en-daar ’t gezond verstand door, maar onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol. ’tGevoelwas er. DeVerbeeldingwas er. DeMoedwas er ...Nu ja, en toch ... toch ...Ik beroep me weer op ’t overhoop-gehaalde “moeder’s naaikistje.” Wouter grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die moeder Natuur in z’n gemoed had neergelegd.Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da Costa genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die misschien te beschouwen hebben alscorollair.Hetsentimenteeleis voorzeker ’n uitvloeisel—’n leelyk uitwas vaak!—vansentiment. En ’t sentimenteele wàs er!Moed?Wel zeker! En meer dan dàt zelfs, of ... iets anders dat er heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetelheid en lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom? Overmoeddus... ’n leelyk ding! Maar toch... ’t is niet ieder gegeven, God te roepen ter verantwoording, en pruimtabak te leveren aan ’n zondebok van de “massa.”En deVerbeelding?“Nu, dááraan ontbrak het hem waarachtig niet!” hoor ik den lezer roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich op niet gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter’s idealen niet precies gekopieerd waren uit z’n romans. Iets dat anders wel eens ’t geval is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schryven.En ook ’t hysterisch element—wie ’t weglaat by menschschilderen of geschiedschryven, is ’n knoeier of ’n huichelaar, d. i. beide tegelyk—ontbrak niet!Er staan of liggen my ’n paar beelden voor den geest, die de stemming van Wouter’s gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar... ze klinken onklassisch. In-godsnaam—d. i. ik wil niet verantwoordelyk zyn voor ’t litterarisch gehalte—Wouter’s ziel geleek op ’n schotel melkpap waaruit de bliksem schoot, op ’n donderend bloembed.Elken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd te zullen wezen als ’t weer mislukte. Maar na ’n paar alineaas gepeins vergat hy... Femke niet, maar z’n lust om haar in persoon te ontmoeten. Z’n mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen... dit alles wàs hem Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens vóór hem staande, onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy, onverhoeds door haar teruggeroepen in... ’n àndere werkelykheid dan die waarin hy zweefde, haar had toegevoegd:—Ach, had je me niet nog ’n oogenblik kunnen alleen laten? Ik vroeg juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou geantwoord hebben!’n Zonderling vryertje!Eénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner gedachten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben over domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We zyn zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn, weersgesteldheid... zeker, maar:waarom toch, o God? zou Wouter gevraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte.Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen, en hy verveelde zich. Z’n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach, de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had...—Ik wil haar zien, riep hy, ikwil! En als vrouw Claus weer naar wurmen vraagt... ’t kan me niet schelen: ik wil Femke zien!Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd “binnen” geroepen. Dit was wel ’n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo’n klink optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi en dien heldhaftigen Lord.De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen zuigeling.Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan ’n wasemende waschtobbe—de zeep stonk... turksch!—en pater Jansen rookte even huiselyk ’n goudsche pyp.—Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat ’s goed! Dat ’s nou ’t jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater?De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door, zonder ’t minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.—Ja, juffrouw, ik kwam ’ns kyken of....—Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-’n boteram? En hoe maakt ’t je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is ’n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer beter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts ... of ... ’n beroerte, of ... wat was ’t ook?—Gut né, juffrouw....—Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet in z’n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moeder niet ziek geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. ’t Zal ’n ander geweest zyn, ’n mensch heeft zoo veel aan z’n hoofd. Houd je van kaas? ’t Is leidsche.De goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui ’t gezien had, was ze flauw gevallen. In de ... zooveelste onderklasse namelyk van “Burgerstand” II of III. (Pp) heerscht ’n fatsoenlyke schrielheid die niet bestaat by wat men—gek genoeg, als by uitsluiting—denwerkendenstand noemt. Arbeiders—mits de zoodanigen die hun geld niet besteden aan jenever—zyn minder bekrompen in de toedeeling van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen fransche namen geven en de “Kersnacht” laten reciteeren, of in andere fatsoenlykhedens doen.Wouter had nooit zoo’n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting van de kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd ...O, realistische Fancy?... ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter verwacht had.By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en ’t gevolg was van z’n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat ’n pastoor, ’n geestelyke, ’n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook deze soort van godverkondigers—hoe aardsch dan ook, en onzienerlyk!—hadden zich steeds aan hem geopenbaard op ’n manier die hem dwong hen aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen kemelsharen kleed, dat ’s waar, maar ze hadden ’n driekantigenhoed op ’t hoofd, en heel andere broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen. Misschien zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten aankondigen te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig sprinkhanen. Wouter wist alzoo ’t kostuum der leeraren inzynkerk, vry wel pas te maken by z’n indrukken. En dit kostte hem op ’t eerste gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk ’n ander jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en geloof leven.Maar ... de houding! Maar ... ’t spreken! Maar ... de toon!De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken wel niet ... heilig, maar ze spraken toch als ’n boek, en hoestten heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen ’t geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als ’n wysgeer, dan toch ongemaakt als ’n boer. Van pedanterie vond men by hem geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i minder onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend. Hy bezocht de schaapjes van z’n kudde zeer trouw, en ... de armen by-voorkeur, niet uit pronkerigen weldadigheidszin—hyzelf was doodarm—maar omdat-i in de lagere standen zich meer op z’n gemak voelde. Ook hield hy veel van boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak nu-en-dan ’n preek jen over de zonden van den dag—de lezer heeft er een te-goed!—katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde ... alles zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z’n ... ambt uit, als ’n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van toon te leggen in de mededeelingen: dat hy “by de kerk” was gegaan, en: dat z’n broers in Noordbrabant de zaak van z’n vader voortzetten, die hoefsmid en herbergier was geweest.—En wat wiljyworden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want ... ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in boekbinden? Dat ’s ’n goed vak.—Ik ben ... in den handel geweest, m’nheer, en ... ik ga er weer in.—Wel, jongen, dat ’s goed! Dan kan je-n-’n ryk man worden. Vooral hier te Amsterdam, want ... Amsterdam is ’n handelsstad.Wouter sprak ’t niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er bytevoegen: “’t Is de grootste koopstad van Europa, m’nheer!” Maar ... hy was verbluft door ’t ... onhemelsche van pater Jansen’s taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar ... ’t bevreemdde hem.’t Zou nog erger worden!—’n Jongetjen als jy moet goed eten ... je ziet ’r bleekjes uit. M’n broer by Vucht knypt ’n hoefyzer krom. Wat zeg je dààrvan? Heb je wel eens een noordbrabantsche mik gegeten? ’t Is ’t beste brood! Maar ham is ook niet kwaad. ’n Mensch die niet goed eet,wordt ... kreuzelig. Ik eet altyd twee boterammenalsik by Vrouw Claus kom, maar ik ben lang zoo sterk niet als m’n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis ’ns zien! Dat’s me-n-’n pret!Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder had-i nog nooit boodschappen uit den hemel t’huisgekregen! En uit den hemel kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabantschen tongval—’n ongemaaktheid te-meer!—die pater Jansen ten-beste gaf tusschen de rookwolken van z’n pyp in.O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedighuisbakken gewoonheid. OokzynFancy was goedig, enbourgeois, en onopgesmukt... als ’t haar zoo ’ns in den zin kwam! Ookzyzou den neus niet hebben opgetrokken voor “mik” en kermispret!Maar... Wouter meende juist dat dit ’n fout van haar was! Hy beschuldigde z’n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van verregaande onaanzienlykheid.En zie, daar zat ’n man met ’n vreemde jas aan—en dus tot verkondiger geykt!—zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God, geen genade, geen geloovery—en geen hel vooral!—in de wereld was! Die man kende God—hy werd er voor betaald!—en was kinderlyk verheugd over de kracht van z’n broer, den smid! Die man was van beroep: zaligmaker, en toch hield-i van kaas en dikke boterammen!Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom, en dacht, en dacht, en ... zei:—M’nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist verstaan had. Eindelyk:—Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je ...—Maar, pater, riep Vrouw Claus, ’t kind is niet van de kerk! Ben je wèl, jongen, of heb ik ’t mis?—Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar ...—Nu ja, aangenomen, maar ...—Op de Noordermarkt, juffrouw!—Juist, maar zie je, indiekerk ...De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen dat die aannemery niet de rechte was.—Ben je ... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd?—Gevormd?—Wel zeker! Want als je niet gevormd bent ...Wat Wouter ’n zonderling gezicht zette!Hyniet gevormd!... als je niet gevormd bent door den Bisschop, dan ... zieje ... dan....In-godsnaam! Wouter moest tot z’n schaamte erkennen dat-i ’n ongevormd wezen was, ’nmoles, ’n “massa” misschien, een van de ergste dingen die hem konden overkomen.—Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.—Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem ’ns hooren opzeggen. Dàt ’s ’n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m’n eigen kind, maar ... dàt ’s me-n-meid!—Ja, Femke is ’n heel braaf meisje, zei de pater, en ...Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.... ik heb nooit moeite met haar.Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan ook pater Jansen. Z’n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van ’t meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als ’n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i “zoo goed schuurt.”En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z’n onderbroeken zoo netjes versteld!O Fancy!Neen ... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter’s schoonheidsgevoel niet, of althans z’n schoonheidsgevoel niet het meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy versmaadde ’t rangverschil tusschen pater’s onderbroeken en den melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door ’t burgerlyke, noch door ongekleedheid ... zy die gewoon was alles naakt te zien, paters en Mensheid!Een geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in ’n deel van Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen, omdat niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke ...vooral’t menschelyke niet!Wouter waszestienjaren oud, reeds ’n kleine man dus, en ... iets anders nog: ’n mannetje!Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z’n onderbroek!—Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als ’n weerliggie! Is er niet wat van je stuk, pater? Stuur ’t maar gerust hier!Wouter gloeide. Waren ’t dan in-godsnaam maar halskraagjes, kousen, of ... vesten, of ... ziedaar—als ’t dan volstrekt iets wezen moest van verdrietigen aard—al was ’t dan maar ’n bovenbroek!... stuur ’t maar hier, pater, want al is onze Fem er niet ...Wáár zou ze wezen?...ikzal je boeltje wel heel maken! Dat kanikook nog wel!Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe het, en laat Femke waar ze-n-is!Maar... wáár zou ze zyn?ZoodachtWouter. Ziehier wat-izei, de leugenaar, de gauwdief, de huichelende booswicht ... het menschje:—Hé, ’t is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten hebben te vragen waar toch uw dochter Femke is?—Fem? Wèl, die is by ’n nicht van ons, die ’n meid ziek heeft, want ... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de kinderen van onze nicht.Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De deugniet zette ’n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z’n stoel—Wouter wist nog niet hoe men ’n bezoek afbreekt: velen leeren het nooit!—verliet hy met pater Jansen ’t huisje.
Toulon est là! Woedende uitval van den auteur tegen monologen, met ’n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (De uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen ’t voorbeeld.) Gesprekken op denOlymp, waarbyJupiter’t wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan ’n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en ’n pastoor, alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.
Toulon est là! Woedende uitval van den auteur tegen monologen, met ’n afschrikkend voorbeeld ter adstructie. (De uitval is gesupprimeerd, en de lezer krygt vandaag alleen ’t voorbeeld.) Gesprekken op denOlymp, waarbyJupiter’t wel eens zou kunnen te-kwaad krygen als-i zich waagde aan ’n antwoord. Boterammen, onderbroeken, yverzucht en ’n pastoor, alles opgeluisterd door volslagen absentie van godzaligheid.
—Ja juist, dat zeg ik ook altyd, antwoordde juffrouw Pieterse. Want, wat doet-i? Hy verkwist z’n moeders goed. Als die man pruimen wil, laat ’m zelf tabak koopen. Daarvoor wordt-i door den koning betaald. Ik heb altyd zuur moeten werken voor m’n boeltje, niet waar, Stoffel?
—Zeker, moeder! Maar ik blyf er by dat het ’n kinderachtigheid van Wouter is.
—Net wat ik zeg, ’n kinderachtigheid!
—Mensch, je bent er niet! riep de oefenaarster. Ik zeg je dat-i recht-toe loopt op den trog van Lukas 15. Draf zal-i eten! Meenje dat de Heer z’n gelykenissen verkeerd maken zou? Stuur ’m ’ns by me. De fout ligt aan de dominees, geloof me, heel alleen aan de dominees. Ze verklaren de Schrift niet. Dàt is het! Zend ’m ’ns by me.
—Als ik in-gods-heeren-naam maar wist waaròm hy zulke dingen doet!
—Waarom? Wel, weet je dàt niet? Uit hoogmoed...
Ze sprak de waarheid!
... uit puren klinkklaren hoogmoed! Precies Belsasar, of ... Sanherib, of ... Nebukadnezar, of ...
Och, hoe dankbaar was Wouter voor al die koninklyke vergelykingen! Wat was de artseny zoet, die juffrouw Laps hem toediende! Als-i op dat oogenblik ’n briefje te schryven had gehad—aan Femke liefst!—zoud-i zeker geroemd hebben: “begryp eens hoe ik gegroeid ben! Ik ben zoo slecht als drie oude koningen met hun allen!”
En dan te worden uitgescholden voor kinderachtig!
—Hoogmoed! zei juffrouw Laps. Hy is goud van boven, yzer in het midden, en z’n voeten zyn van klei. De Heer zal ’m wis en zeker omgooien! Stuur ’m ’ns by me.
De uitnoodiging om den modernen koninklyken booswicht by haar in de leer te doen, werd zoo dikwyls herhaald, dat men tenlaatste wel genoodzaakt was, daarop iets te antwoorden. Noch de moeder, noch Stoffel hadden den moed, Wouter’s wegblyven voor hun eigen rekening te nemen. De grief van de weigering moest neerkomen op hèm.
—Maar, m’n lieve juffrouw Laps, de jongen wil niet! Koppig is-i ... o! Wat moet ik doen met zoo’n kind?
Wouter was te zacht om z’n moeder openlyk aanteklagen van valsheid. By elke gelegenheid immers bleek hem dat zy even afkeerig was van lapsisch-theologischen invloed als hy-zelf. En nu? Ze hield zich alsof ze...
Maar dit was weer een van de inkonsekwentien die by karakterlooze menschen elk oogenblik voorkomen, en waaraan-i dus gewoon was geraakt. Hy wist zeer goed wat er zou geschied zyn indien hy ’t gewaagd had zich in dit geval te beroepen op ’t oordeel van z’n moeder. In tegenwoordigheid van Laps zou men z’n opmerking bedolven hebben onder ’n stortvloed van verwytingen over z’n “brutaligheid.” En na ’t vertrek van ’t schepsel, had men hem gezegd:
—Je bent toch ’n dom kind! Begryp je dan niet dat ik ’t mensch toch niet in ’r gezicht zeggen kan dat ik ’n hekel heb aan haar geoefen?
Hy zweeg dus. Doch zie, gedwongen om weer en weer en nogeens optehalen van z’n vergryp, ontsnapte hem ’n eenvoudig woord waaruit z’n belaagster ’n vroolyk [Greek: heurêka] wist te putten.
—De man wou tabak hebben, zeid-i, en niemand durfde hem iets geven, en toen ...
Juffrouw Laps wist genoeg. Wouter was háár! Of althans, ze wist nu waarToulonlag, en van welken kant de vesting kòn genomen worden ... als ze neembaar was!
—Nu, als-i dan geen pleizier heeft om by me te komen moet je ’m niet dwingen, zei ze op allerzachtmoedigsten toon, by ’t weggaan. Ferseeren helpt niet. Men moet ieder z’n eigen sinnigheid laten. Ik geloof werachtig dat jelui ’t kind te veel besikkeneert.Lieve god, wie zal nu zoo’n bereddering maken om ’n stuiver!
—Dat zeg ik ook, antwoordde de moeder. ’t Zou waarachtig wel lyken of ’t me daarom te doen was! Zoo nauw komt het er, goddank, niet op aan! We kunnen altyd nog wel ’n stuiver missen, wat zeg jy, Stoffel?
—Ja, moeder, maar ’t wordt toch tyd dat Wouter...
—Komaan, wat ’n geseur om ’n pruimpie tabak! De Heer zal ’t zeventigmaal-zeventigmaal weerom geven! “Zoo wat ge den minsten myner broederen gedaan hebt...
Met deze veelbelovende teksten op de lippen, verliet juffrouw Laps ’t verbaasde gezin. Men rekende haar den voorspelden hemelwoeker niet hooger aan dan onder Christenen gebruikelyk is, maar vond het vreemd dat ze op-eens zoo inschikkelyk was geworden.
Ja, ja, ’t is zoo makkelyk niet, juffrouw Laps te doorgronden, en ... sommige anderen!
De moeite die zich de Pietersens getroostten om ’t raadseltjen optelossen dat juffrouw Laps scheen optegeven, was niet zeer groot. Ze waren aan niet-begrypen te gewoon om zich intespannen tot de verklaring van dat zonderling laveeren. En ook Wouter bekommerde zich minder over de oplossing, dan schynbaar van z’n lust in stiptheid en z’n begeerte om teweten, had kunnen verwacht worden. De oorzaak hiervan lag in zekere overstelping van indrukken, die hem belette zich met ’n bepaald vraagstuk bezig te houden. Z’n gemoed zag er uit als ’t naaikistje van ’n goedige moeder, waarin de kinderen gegrabbeld hebben.
De zaden die in hem gestrooid werden, waren van onderscheiden soort. Dit nu is by ieder en altyd het geval. Maar ’t grootste gedeelte paste niet by den grond waarop ze vielen, en onze kleine beginner in ’t Mensch-worden was ’n te onbedreven hovenier, om uitterukken wat niet deugde en te ordenen wat bruikbaar was.
Alleen met betrekking tot de eigenaardigheid van z’n gaven en streven—Trieb!—lag in dit alles iets byzonders. Overhoop gehaalde ziele-werkdoosjes vindt men overal, maar niet overal werkt zoodanige verwarring even schadelyk.
De regeling der indrukken die Wouter’s weinigje ondervinding had te-weeg gebracht, zou niet moeielyk gevallen zyn, wanneer slechts die indrukken niet waren vergezeld geweest van z’n voorbeschiktheid tot zedelyk en verstandelyk zwaartillen. Hem kleefde een zeldzame fout aan: hy was ’t omgekeerde van lichtzinnig, en deze hoedanigheid had nagenoeg hetzelfde gevolg als we gewoonlyk by het tegenovergestelde waarnemen. Verward in de menigte der zaken die hy niet begreep, gaf-i moedeloos de poging tot verklaring op, en scheen dus gelyk te staan met de meeste anderen die aan opheldering geen behoefte voelen.
Maar deze gelykstelling ging niet in-àllen-deele door. Wouterberustteniet. Hy verwachtte licht, hy wachtte licht, en de spanning die hem hierdoor veroorzaakt werd, was pynlyk.
Zonderling dat hy in zulke stemmingen altyd behoefte voelde z’n onbegrepen leed te klagen aan Femke.
Door allerlei toeval kreeg-i haar niet te zien. Wel twaalf keeren had hy zich moeite gegeven haar te ontmoeten, door in den omtrek van haar huisje heen-en-weer te loopen. Maar altyd te-vergeefs.
By deze gelegenheden wond-i zich op tot ... redenary. Hy maakte aan- en toespraken gereed, waarmed-i zich tot het meisje wenden zou, en wanneer ik daarvan denjuistentekst geven kon, zou ik ’n heerlyk hoofdstuk geleverd hebben van menschenstudie. Maar dit kan ik niet.
Toch wil ik het by benadering beproeven.
Nogeens op volkomen juistheid maakt m’n schildering geen aanspraak.
—Och, Femke, ik ben zoo bedroefd. Denk je dat ik weer ziek worden zal? Zou je dan by me komen? Doe het niet! M’n moeder houdt niet van je ... doe ’t niet, Femke! Laat me sterven, en vraag maar aan de buren waar ik begraven ben. Wil je dan ’s avends op m’n graf komen? Eens maar, ééns! Want ik begryp wel dat je niet dikwyls komen kunt, om de bleek, en om al je werk, en om je moeder, en om de menschen, die ’t gek zullen vinden als je komt kyken naar ’t graf van ’n kleine jongen.
Maar, Femke, zoo heel klein ben ik niet meer! Ik word gauw zestien, en heb ’n deenschen matroos gezien, die ’n zwaren baard had, en kleiner was dan ik ... wezenlyk!
Als ik ziek word, wou ik zoo graag dat ze ’t behangsel veranderden. Die bloemen en strepen hinderen me zoo! En er is een bloem die gescheurd is, en ze lykt ... nu eens op ’n gebroken toren, dan weer op twee vechtende mannen. En ik wou dat ze op jou geleek, maar ’t gáát niet! En dan maak ik me driftig dat die bloem niet veranderen wil van vorm. En dan voel ik dat ik dom ben, want ... ze kàn niet! En dan word ik nog driftiger ... over m’n eigen domheid, begrypje?
Och, Femke, ik geloof zeker dat ik weer ziek wordt! Het sterven is niet treurig, dunkt me, maar dat ziek-zyn is zoo vermoeiend!
Zeg, waarom zou God de menschen niet tot zich roepen in volle gezondheid? Waarom komt men met allerlei kwalen in den hemel? Ik wou juist zoo graag heel flink wezen als ik God zag voor ’t eerst!
Ik kan niet gelooven dat ik de oogen zou neerslaan, zooals in den bybel staat! Waarom zou hy ’t áánzien zoo moeielyk maken! ’t Is onvriendelyk! Eerst verlang ik naar hem—om allerlei vragen te doen, weetje?—en als ik hem dan eindelyk te zien kryg, zoud-i me terstond blind schitteren? Femke, ik geloof het niet!
En als het tòch waar is ... weetje wat ik dan zeggen zal? Dan zal ik zeggen: God, dáártoe ben ik niet gestorven! Niet dààrvoor kwam ik in den hemel! ’t Was donker in de bedstee waar ik ziek lag, en die bloemen plaagden me zoo, en ik begreep zoo weinig, en nu ik eindelyk goed en wel hier ben—in den hemel, weetje, Femke—nu kryg ik niets te weten, en alles blyft even verward, en niets gehoorzaamt m’n wil, en in-plaats van licht dat helderheid geeft, zou ik hier m’n oogen moeten sluiten voor ’n licht dat alles even donker maakt als in m’n bedstee...
Ik doe het niet, Femke. Ik doe hetniet! Ik sla m’n oogennietneer!
En al zou God zeggen dat ik brutaal was, en dat ik daarom niet blyven mocht in den hemel, ik doe hetniet!
Want, zieje, waarom wou ik altyd zoo graag by God wezen? Wèl, juist om alles teweten.
En als dàt niet kan...
Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. Dàt zal ik ook aan God zeggen. Dat zal ik hem heel goed zeggen!
Ik wil hem vragen waarom-i de Grieken niet helpt? Gut, Femke, ze vechten zoo! En ik wou er zoo erg graag by wezen. Maar ik moet eerst nogeens in den handel.
Ik heb je nooit zien voorbykomen op denZeedyk, en ik was er bly om. Als ik je gezien had...
Ja, dat zou wel prettig geweest zyn, als ik maar niet juist m’n kerfbuis had aangehad...
Maar toch, ik zou je verzocht hebben nooit weer in die buurt te komen. Want... daar loopen veel matrozen die soms... onfatsoenlyk zyn. Voor my was ’t niets, weetje—gut, ik kan zelf al vloeken, en gemeene woorden weet ik ook!—neen, voormywas ’t niets! Ik heb eens “godverdomme” gezegd tegen ’n Rus die me slaan wou. ’t Is heusch waar dat ik zestien word in September, en ik zou best naar Griekenland durven gaan, vooral by ’t paardenvolk, omdat men dan gauwer by de Turken is. Op denZeedykheb ik met één hand den winkeltrap over de toonbank gezet, en m’nheer Motto zelf zei dat ik veel sterker was dan-i gedacht had.
En vind jy ’t ook zoo erg slecht van me, dat ik aan dien ouden soldaat...
Nu, ook dàt wil ik aan God vragen! ’t Zal me benieuwen wat-i zegt. Ik kon al die menschen te-gelyk niet verstandig maken...
De “massa” is niet dom, Femke, maar ze is...
Hoe zal ik je dat nu uitleggen? Als de jongens steenen op je bleek gooien, zyn dan die steenen verstandig? Wel neen! Zyn ze dom? Ook niet! ’t Zyn maar gegooide steenen. Begryp je ’t onderscheid wel, tusschen dom of verstandig, en... niet-dom of niet-verstandig... niemendal?
O, en hoe ’t afgeloopen is met Jakob Claesz! Dat zal ik vragen. En waarom God hem niet geholpen heeft? Als-i maar z’n been had gebroken, even voor ’t uitzeilen. ’t Had God maar één woord hoeven te kosten! Neen ... niet eens ’n woord. Hy heeft maar te willen! Och, men kan zoo gemakkelyk voor alles zorgen, als men almachtig is! En daarom wou ik zoo graag ... wat grooter zyn.
En jy zou prinses wezen. Niet omdat ik grootsch ben, maar... dan kon je my beter helpen in alles. We zouden samen alles uitroeienwat verkeerd is, en de menschen dwingen om goed te zyn, en ... nooit iets te zeggen wat niet precies waar is.
Waarom zorgt God er niet voor, dat ze de waarheid zeggen? Vraag ’t eens aan pater Jansen. Maar myn ... dominee—onze paters heeten dominee, weetje!—myn dominee gaf me nooit ’n antwoord dat ik begrypen kon.
Weetje wat-i zei? Hy zei dat God groot was, maar ... we begrypen hem niet! Waartoe dient dan de katechizatie? En wat hebben we aan z’n grootheid, als ze onbegrypelyk is? Daar zit juist de zaak... ik wou hem wèl begrypen! En jy zeker ook?
Vind jy ’t mooi van God, dat-i zoo onbegrypelyk is? Je moet denken: hy is almachtig, en kon dus heel eenvoudig...
Kyk, de zaak is zoo, Femke. Hy kan zeggen: daarzybegrip, en erisbegrip!
Want ... begrip en licht is ’tzelfde, weetje!
En, Femke, denk eens, als ieder altyd alles begreep, zouden er geen slechte menschen meer zyn. En dan kon de koning wat rust nemen, want ieder zou zonder bevel of verbod, precies weten wat-i te doen en te laten had! Zou je dat niet mooi vinden?
’t Is waar, dan hoefde ik niet naar Griekenland! Want alle Turken zouden dan op-eens ... christenen worden, en aan niemand kwaad doen...
Maar ... christenen doen ook wel eens kwaad. Hoe komt dit toch, als hun geloof zoo goed is als ze zeggen? ik kan je wel twintig oorlogen noemen—met de jaartallen er by, Femke!—van christenen tegen christenen. Hoe vind je dàt?
En by elken oorlog bidden ze aan beide kanten.
Hoe redt God zich uit al die gebeden? Hy mag niemand in nood laten, die gedoopt is en hem wat bidt om Jezus’ wil. Ik zal ’t hem vragen.
Als ik er ben—in den hemel, meen ik—en ze bidden dan weer zoo tegen elkaar in ... weetje wat ik zeggen zal? Ik zal zeggen: houd eerst op met vechten! Dan zalikzien wie gelyk heeft, en ieder ’t zyne geven naar behooren.
Want dat eeuwige vechten is te ruw. ’t Is Turkenwerk. Menschen van goed geloof kunnen op beter manier te weten komen wat recht is.
Maar God schynt er niet op te letten. En dit zal ik hem flink zeggen ... als ik ziek word van verdriet, en sterf, en in den hemel kom.
Hy wéét niet hoe raar ’t hier op aarde soms toegaat, en denkt misschien dat alle menschen precies leven naar de Schrift. Dat is niet waar! Ik zal ’t hem zeggen.
En ook ... dat er ’n nieuwe Schrift noodig is. Een beetje duidelyker, weetje? En al die koningen Israels hoeven er niet in. Dat geeft niemendal! Zou jy ’r beter om bleeken, Femke, als je de namen wist van al de bleekmeisjes uit den ouden tyd? Gut, dat doet er zoo weinig toe!
Maar wèl zou ’t goed zyn als je wat beter zeep had—ze ruikt zoo!—en als de jongens niet met steenen gooiden. God moest maken dat ze geen pleizier hadden in kwaaddoen, en dat de zeep...
Dit is nu zóó, Femke. Er groeien veel dingen ... in de aarde, boven de aarde, in de zee, jazelfs in de lucht. En alles kan gebruikt worden, als we maar wetenhoe? Dit moeten we trachten te leeren, en als we ons daarmee yverig bezig-houden vinden we telkens wat nieuws. Oom Sybrand heeft gezegd dat er ’n tyd komen zal dat men ’n zwavelstok kan aansteken aan den muur!
Dit kunnen we nu moeielyk gelooven, Femke, omdat we ... dom zyn. Want jy en ik zyn wèl dom, maar ... we kunnen wat leeren. En ... daartoe leven wy. Zóó is ’t eigenlyk, zou ik denken. Ik wil je uitleggen, Femke, waarom ik dat geloof. Er was ’n tyd dat men geen boek kon drukken. Alle werken waren maar geschreven met de pen, en de gezangen ook, en de psalmen ook, en de gebeden ook—verbeeldje, hoe lastig in de kerk!—zoodat het heel wat in-had, ’n boek te krygen. De menschen hadden kramp in de vingers van al ’t geschryf. En nu? Gut, by m’n gewezen patroon—hy is weggeloopen naar Amerika—stond ’n heele winkel vol boeken, en de menschen betaalden ’n gulden per deel ... als pand, weetje? En vóór de uitvinding van die kunst van drukken—’t gebeurde te Haarlem in den Hout, en ik zou je de zaak precies kunnen vertellen, want er zyn verssies op gemaakt—nu, toen was ’n boek zoo duur, zóó duur, dat ... byna niemand wat te lezen kreeg. En nu betaal je voor ’n heelen almanak ... met de verjaardagen van koning en koningin er by, en ook ’t weer, en de groenten die je zaaien moet, en paasch, pinkster en hemelvaart, en de kermissen, en de maan, en de paardenmarkten, en printjes van nederlandsche heldendaden ... och, Femke dat alles koop je nu voor één dubbeltje! Is ’t waar of niet!
Dit had vroeger onmogelyk geschenen, en wie ’t voorspeld had, zou niet geloofd geworden zyn. Toch is ’t gebeurd!
Zóó zal ’t ook gaan met die zwavelstokjes zonder vuur, en ... ze zullen ook wel eens zeep leeren maken die niet zoo leelyk riekt. Want, Femke, als ik ’n schoon hemd aantrek, word ik misselyk, en dat kan toch Gods wil niet zyn!
Ik denk dat-i er pleizier in heeft dat we zoo sukkelen, om eens te zien of we ons wel weten te redden. Heel goed! Maar dan mag hy ook niet boos worden als we dikwyls den verkeerden weg opgaan, want als we dien kenden, zou er in ’t vinden geen kunst liggen. En hy helpt ons niet. Ook heel goed! Maar wat doet-i dan met z’n Almacht?
O, Femke, alsikalmachtig was, ik zou je...
Neen, ik zou beginnen met alles te begrypen, en alles te doen begrypen! De engelen moesten ’n katechismus maken met honderdduizend vragen, en ... antwoorden! Goede wezenlyke antwoorden, weetje, en geen bybelteksten die geen mensch begrypen kan.
Kyk, zóó—maar de antwoorden zet ik er nu niet by, omdat ik ze niet weet:
Waarom valt ’n appel?
Groeit ’n boom van-boven of van-onder?
Waarom ben ik zoo verdrietig?
Waarom gaapt men elkaar na?
Hoe weet iemand of de pyn die hy in ’t hoofd voelt, hoofdpyn is?
Waar woonden de vliegen toen de menschen nog geen huizen hadden?
Hoe wist Adam dat hy eten moest als-i honger had? En waarom bracht-i de spys naar den mond, in-plaats van ze tegen de maag te drukken?
Hoe verstond-i Gods taal?
ZouStoffelwel eens ’n fout gemaakt hebben?
Waarom begryp ik nooit wat juffrouwLapszegt? Is ’t waar dat zy de genade heeft? Hoe komiker aan?
Wat moet ’n mensch doen om veel te weten, om ... alles te weten?
Alles? Hm?
De lezer ziet dat Wouter’s bescheidenheid zich niet uitstrekte tot deres divinae, en dat wèl beschouwd de “Heer” meer reden dan juffrouw Pieterse zou gehad hebben, hem z’n “brutaligheid” te verwyten.
Toch klaagdezyaltyd, en de “Heer” zweeg. Hy was goedertierener dan zy.
Ik roep de Amsterdamsche buitensingels en de “paden” in den omtrek van Femke’s huisje tot getuigen, dat ik z’n mymeringen hoogst-onvolkomen heb weergegeven. De vraag is of hyzelf in-staat zou geweest zyn tot meer nauwkeurigheid. Neen, dit was-i niet! Hy zou ’t er nog slechter afgebracht hebben dan ik.
De schildering der gedachten die hem bezighielden, is hierom zoo moeilyk wyl hy ze niet beheerschte en ze dus meer onderging dan voortbracht. De lezer zal opgemerkt hebben dat hy onder den invloed was van tegenstrydige aandoeningen die zich z’n ziel schenen te betwisten. Wel brak hier-en-daar ’t gezond verstand door, maar onbestuurde fantazie speelde de hoofdrol. ’tGevoelwas er. DeVerbeeldingwas er. DeMoedwas er ...
Nu ja, en toch ... toch ...
Ik beroep me weer op ’t overhoop-gehaalde “moeder’s naaikistje.” Wouter grabbelde met onbescheiden hand in de gegevens die moeder Natuur in z’n gemoed had neergelegd.
Dat er onder die gegevens ook anderen waren, dan de door Da Costa genoemden, spreekt vanzelf. Doch ik zei reeds dat we die misschien te beschouwen hebben alscorollair.
Hetsentimenteeleis voorzeker ’n uitvloeisel—’n leelyk uitwas vaak!—vansentiment. En ’t sentimenteele wàs er!
Moed?Wel zeker! En meer dan dàt zelfs, of ... iets anders dat er heel uit de verte op geleek. We zagen immers dat er vermetelheid en lust in uittarting huisde onder al dien kinderlyken schroom? Overmoeddus... ’n leelyk ding! Maar toch... ’t is niet ieder gegeven, God te roepen ter verantwoording, en pruimtabak te leveren aan ’n zondebok van de “massa.”
En deVerbeelding?
“Nu, dááraan ontbrak het hem waarachtig niet!” hoor ik den lezer roepen. Juist. Maar ook deze hoedanigheid openbaarde zich op niet gewone wys. Men moet erkennen dat Wouter’s idealen niet precies gekopieerd waren uit z’n romans. Iets dat anders wel eens ’t geval is by sommigen die in sentiment doen, of daarover schryven.
En ook ’t hysterisch element—wie ’t weglaat by menschschilderen of geschiedschryven, is ’n knoeier of ’n huichelaar, d. i. beide tegelyk—ontbrak niet!
Er staan of liggen my ’n paar beelden voor den geest, die de stemming van Wouter’s gemoed redelyk zuiver voorstellen, maar... ze klinken onklassisch. In-godsnaam—d. i. ik wil niet verantwoordelyk zyn voor ’t litterarisch gehalte—Wouter’s ziel geleek op ’n schotel melkpap waaruit de bliksem schoot, op ’n donderend bloembed.
Elken keer als-i uitging om Femke te zien, meende hy bedroefd te zullen wezen als ’t weer mislukte. Maar na ’n paar alineaas gepeins vergat hy... Femke niet, maar z’n lust om haar in persoon te ontmoeten. Z’n mymeren, en hopen, en wenschen, en droomen... dit alles wàs hem Femke. De mogelykheid bestond dat ze, op-eens vóór hem staande, onvriendelyk zou ontvangen zyn, en dat hy, onverhoeds door haar teruggeroepen in... ’n àndere werkelykheid dan die waarin hy zweefde, haar had toegevoegd:
—Ach, had je me niet nog ’n oogenblik kunnen alleen laten? Ik vroeg juist iets aan God. Wie weet of-i ditmaal niet zou geantwoord hebben!
’n Zonderling vryertje!
Eénmaal slechts verzette zich iets tegen den loop zyner gedachten. Hy voelde zich leeg, en te dom om verdriet te hebben over domheid. Misschien was de oorzaak van stoffelyken aard. We zyn zoo afhankelyk van huiduitwaseming, onderbuik, tandpyn, weersgesteldheid... zeker, maar:waarom toch, o God? zou Wouter gevraagd hebben, als-i geweten had wat hem schortte.
Eens dan was-i niet opgewekt om deze of dergelyke vragen te doen, en hy verveelde zich. Z’n stemming zakte laag genoeg om hem ditmaal werkelyk behoefte te doen voelen aan Femke zelf, aan Femke met haar frisch gelaat, met haar reinen blik, met haar vriendelyken lach, de Femke die onpoëtische lengte, breedte, hoogte en zwaarte had...
—Ik wil haar zien, riep hy, ikwil! En als vrouw Claus weer naar wurmen vraagt... ’t kan me niet schelen: ik wil Femke zien!
Hy trad het erf op, en klopte aan. Er werd “binnen” geroepen. Dit was wel ’n beetje wreed, want er hoort heel wat toe, om zoo’n klink optelichten! Maar Wouter dééd het. Misschien dacht-i aan Missolunghi en dien heldhaftigen Lord.
De Turken die hy ditmaal tegenover zich zag hadden geen verschrikkelyk voorkomen. Ze waren ongewapend en vermoordden geen enkelen zuigeling.
Vrouw Claus stond allerhuiselykst aan ’n wasemende waschtobbe—de zeep stonk... turksch!—en pater Jansen rookte even huiselyk ’n goudsche pyp.
—Zoo, jongeheer, ben jy daar? Komaan, dat ’s goed! Dat ’s nou ’t jongetje dat aan onze Fem die mooie prent gaf, weetje, pater?
De pater knikte hem vriendelyk toe, en rookte welbehagelyk door, zonder ’t minste blyk te geven van byzondere godzaligheid.
—Ja, juffrouw, ik kwam ’ns kyken of....
—Daar doe je goed aan, jongen! Wil je-n-’n boteram? En hoe maakt ’t je moeder? Is ze weer beter? Ze-n-is ommers ziek geweest? Hy is ’n goed jongetje, pater. Fem heeft het gezeid. Is je moeder weer beter? Ze was ommers ziek, niet waar? Koorts ... of ... ’n beroerte, of ... wat was ’t ook?
—Gut né, juffrouw....
—Je moet me geen juffrouw noemen, want ik ben waschvrouw. Ieder moet in z’n stand blyven, niet waar, pater? Zóó, is je moeder niet ziek geweest? Nu, des-te-beter! Ik meende dat ze ziek geweest was. ’t Zal ’n ander geweest zyn, ’n mensch heeft zoo veel aan z’n hoofd. Houd je van kaas? ’t Is leidsche.
De goede vrouw maakte een boteram gereed, kyk! Als Trui ’t gezien had, was ze flauw gevallen. In de ... zooveelste onderklasse namelyk van “Burgerstand” II of III. (Pp) heerscht ’n fatsoenlyke schrielheid die niet bestaat by wat men—gek genoeg, als by uitsluiting—denwerkendenstand noemt. Arbeiders—mits de zoodanigen die hun geld niet besteden aan jenever—zyn minder bekrompen in de toedeeling van voedsel aan hun gezin, dan de lieden die hun kinderen fransche namen geven en de “Kersnacht” laten reciteeren, of in andere fatsoenlykhedens doen.
Wouter had nooit zoo’n boteram gezien. Hy wist waarlyk niet of-i het ding in de breedte of in de dikte moest ontleden, maar de richting van de kaas wees hem welwillend den weg. Ronduit gezegd ...
O, realistische Fancy?
... ronduit gezegd, vrouw Claus beviel hem byzonder!
En pater Jansen ook, schoon deze zich heel anders vertoonde dan Wouter verwacht had.
By de bekrompen stiptheid van opvatting die hem eigen en ’t gevolg was van z’n oprechtheid, had hy altyd gemeend dat ’n pastoor, ’n geestelyke, ’n godsman, geheel-en-al vervuld moest zyn van bovenaardsche zaken. Wel was hy reeds eenigszins van deze dwaling genezen door aanraking met huis- en andere dominees, maar toch ook deze soort van godverkondigers—hoe aardsch dan ook, en onzienerlyk!—hadden zich steeds aan hem geopenbaard op ’n manier die hem dwong hen aantezien voor iets byzonders. Ze droegen geen kemelsharen kleed, dat ’s waar, maar ze hadden ’n driekantigenhoed op ’t hoofd, en heel andere broeken aan dan menschen die in aardsche zaken doen. Misschien zou Johannes zich ook zoo gekleed hebben, als-i Jezus komst had moeten aankondigen te Amsterdam, waar geen woestynen zyn en maar heel weinig sprinkhanen. Wouter wist alzoo ’t kostuum der leeraren inzynkerk, vry wel pas te maken by z’n indrukken. En dit kostte hem op ’t eerste gezicht even weinig moeite by pater Jansen, die werkelyk ’n ander jasje droeg dan menschen die niet van God, hemelryk en geloof leven.
Maar ... de houding! Maar ... ’t spreken! Maar ... de toon!
De aan Wouter bekende dominees waren in hun voorkomen en gesprekken wel niet ... heilig, maar ze spraken toch als ’n boek, en hoestten heel anders dan stervelingen en leeken. Dit nu was by pater Jansen ’t geval volstrekt niet. De man was, zoo-al niet eenvoudig als ’n wysgeer, dan toch ongemaakt als ’n boer. Van pedanterie vond men by hem geen spoor, en hy zou werkelyk zéér hoog hebben gestaan als-i minder onnoozel geweest was. Geestelyke hoogmoed was hem onbekend. Hy bezocht de schaapjes van z’n kudde zeer trouw, en ... de armen by-voorkeur, niet uit pronkerigen weldadigheidszin—hyzelf was doodarm—maar omdat-i in de lagere standen zich meer op z’n gemak voelde. Ook hield hy veel van boterammen van de soort als die vrouw Claus gewoon was haar gasten voortezetten. Overigens bediende hy stipt de mis, sprak nu-en-dan ’n preek jen over de zonden van den dag—de lezer heeft er een te-goed!—katechizeerde, konfirmeerde, absolveerde ... alles zonder de minste pretensie op hoogheid. Hy oefende z’n ... ambt uit, als ’n beroep of ambacht, en dacht er niet aan verschil van toon te leggen in de mededeelingen: dat hy “by de kerk” was gegaan, en: dat z’n broers in Noordbrabant de zaak van z’n vader voortzetten, die hoefsmid en herbergier was geweest.
—En wat wiljyworden, jongeheer? vroeg hy aan Wouter. Want ... ieder moet wat worden in de wereld. Heb je geen zin in boekbinden? Dat ’s ’n goed vak.
—Ik ben ... in den handel geweest, m’nheer, en ... ik ga er weer in.
—Wel, jongen, dat ’s goed! Dan kan je-n-’n ryk man worden. Vooral hier te Amsterdam, want ... Amsterdam is ’n handelsstad.
Wouter sprak ’t niet tegen. Jazelfs, hy had wel lust gehad er bytevoegen: “’t Is de grootste koopstad van Europa, m’nheer!” Maar ... hy was verbluft door ’t ... onhemelsche van pater Jansen’s taal. Niet dat hy daarin iets afkeurde, o neen! Maar ... ’t bevreemdde hem.
’t Zou nog erger worden!
—’n Jongetjen als jy moet goed eten ... je ziet ’r bleekjes uit. M’n broer by Vucht knypt ’n hoefyzer krom. Wat zeg je dààrvan? Heb je wel eens een noordbrabantsche mik gegeten? ’t Is ’t beste brood! Maar ham is ook niet kwaad. ’n Mensch die niet goed eet,wordt ... kreuzelig. Ik eet altyd twee boterammenalsik by Vrouw Claus kom, maar ik ben lang zoo sterk niet als m’n broer. Gut, je moest de Vuchter kermis ’ns zien! Dat’s me-n-’n pret!
Het zou inderdaad jammer wezen, indien de lezer zich voorstelde dat de toon van deze gesprekken onzen Wouter onaangenaam aandeed. Volstrekt niet. Maar verwonderd wàs-i. Luchtiger, makkelyker, ongesierder had-i nog nooit boodschappen uit den hemel t’huisgekregen! En uit den hemel kwamen ze toch, de woorden in vriendelyk brabantschen tongval—’n ongemaaktheid te-meer!—die pater Jansen ten-beste gaf tusschen de rookwolken van z’n pyp in.
O, zeker niet, verstoord was Wouter niet! Menige boekerig-valsche verhevenheid neep hem dieper wond, dan deze goedighuisbakken gewoonheid. OokzynFancy was goedig, enbourgeois, en onopgesmukt... als ’t haar zoo ’ns in den zin kwam! Ookzyzou den neus niet hebben opgetrokken voor “mik” en kermispret!
Maar... Wouter meende juist dat dit ’n fout van haar was! Hy beschuldigde z’n smaakjes, hebbelykheden, lusten en grillen van verregaande onaanzienlykheid.
En zie, daar zat ’n man met ’n vreemde jas aan—en dus tot verkondiger geykt!—zoo gemoedelyk te praten alsof er geen God, geen genade, geen geloovery—en geen hel vooral!—in de wereld was! Die man kende God—hy werd er voor betaald!—en was kinderlyk verheugd over de kracht van z’n broer, den smid! Die man was van beroep: zaligmaker, en toch hield-i van kaas en dikke boterammen!
Nog nooit had iets dat van God scheen te komen, zich aan Wouter zoo liefelyk geopenbaard. Maar hy aanvaardde de boodschap met schroom, en dacht, en dacht, en ... zei:
—M’nheer, ik wou zoo graag weten wie God is!
Pater Jansen keek vreemd op. Hy scheen te twyfelen of-i wel juist verstaan had. Eindelyk:
—Wèl, dat is heel goed van je! Dan moet je ...
—Maar, pater, riep Vrouw Claus, ’t kind is niet van de kerk! Ben je wèl, jongen, of heb ik ’t mis?
—Ja, juffrouw, ik ben wèl van de kerk, en al aangenomen ook, maar ...
—Nu ja, aangenomen, maar ...
—Op de Noordermarkt, juffrouw!
—Juist, maar zie je, indiekerk ...
De goede vrouw had het hart niet, of hart te veel, om hem te zeggen dat die aannemery niet de rechte was.
—Ben je ... by-voorbeeld, om nu eens iets te noemen, ben je gevormd?
—Gevormd?
—Wel zeker! Want als je niet gevormd bent ...
Wat Wouter ’n zonderling gezicht zette!Hyniet gevormd!
... als je niet gevormd bent door den Bisschop, dan ... zieje ... dan....
In-godsnaam! Wouter moest tot z’n schaamte erkennen dat-i ’n ongevormd wezen was, ’nmoles, ’n “massa” misschien, een van de ergste dingen die hem konden overkomen.
—Wie God wil leeren kennen, moet braaf leven, zei pater Jansen.
—Wel zeker, vulde Vrouw Claus aan, en de artikelen des geloofs van-buiten leeren. Die moet je-n-onze Fem ’ns hooren opzeggen. Dàt ’s ’n lust, niet waar, pater? Ze-n-is m’n eigen kind, maar ... dàt ’s me-n-meid!
—Ja, Femke is ’n heel braaf meisje, zei de pater, en ...
Wouter had hem wel om den hals willen vliegen.
... ik heb nooit moeite met haar.
Dit klonk minder mooi, en zeer professioneel. Zóó meende het dan ook pater Jansen. Z’n bedoeling was dat de smetjes op de ziel van ’t meisje zich zoo makkelyk lieten afwisschen. Hy sprak ongeveer als ’n keukenmeid die haar yzeren pot pryst omdat-i “zoo goed schuurt.”
En de pater had nog meer lof voor Femke ten-beste. Ze had z’n onderbroeken zoo netjes versteld!
O Fancy!
Neen ... alweer stuitte deze triviale loftuiting Wouter’s schoonheidsgevoel niet, of althans z’n schoonheidsgevoel niet het meest. Er kwam iets anders in het spel. De hoogheid van Fancy versmaadde ’t rangverschil tusschen pater’s onderbroeken en den melkweg, en kon zich niet geraakt voelen, noch door ’t burgerlyke, noch door ongekleedheid ... zy die gewoon was alles naakt te zien, paters en Mensheid!
Een geheel ànder element van wrevel begon meetespreken in ’n deel van Wouter zelf, een deel dat ook door háár werd geduld en begrepen, omdat niets haar vreemd mocht zyn, zelfs niet het menschelyke ...vooral’t menschelyke niet!
Wouter waszestienjaren oud, reeds ’n kleine man dus, en ... iets anders nog: ’n mannetje!
Wat hoefde Femke zich intelaten met dien pater z’n onderbroek!
—Ja, zei de moeder, handig is ze-n-als ’n weerliggie! Is er niet wat van je stuk, pater? Stuur ’t maar gerust hier!
Wouter gloeide. Waren ’t dan in-godsnaam maar halskraagjes, kousen, of ... vesten, of ... ziedaar—als ’t dan volstrekt iets wezen moest van verdrietigen aard—al was ’t dan maar ’n bovenbroek!
... stuur ’t maar hier, pater, want al is onze Fem er niet ...
Wáár zou ze wezen?
...ikzal je boeltje wel heel maken! Dat kanikook nog wel!
Goddank! Beste lieve heerlyke Vrouw Claus! Doe het, doe het, doe het, en laat Femke waar ze-n-is!
Maar... wáár zou ze zyn?
ZoodachtWouter. Ziehier wat-izei, de leugenaar, de gauwdief, de huichelende booswicht ... het menschje:
—Hé, ’t is waar ook, Vrouw Claus, ik zou waarlyk haast vergeten hebben te vragen waar toch uw dochter Femke is?
—Fem? Wèl, die is by ’n nicht van ons, die ’n meid ziek heeft, want ... we zyn van heel goeie familie, jonge-heer! Fem is by de kinderen van onze nicht.
Moed om te vragen waar die nicht woonde, had Wouter weer niet. De deugniet zette ’n gezicht alsof-i geheel-en-al voldaan was.
Na eenig toeven en dralen en kuchen en heen-en-weer schuiven op z’n stoel—Wouter wist nog niet hoe men ’n bezoek afbreekt: velen leeren het nooit!—verliet hy met pater Jansen ’t huisje.
Het verregaand liberalismus van juffrouwPieterseis oorzaak dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom paterJansenzoo doof was aan z’n linkeroor.—Wil je me-n-’n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m’n rechterzy, want ik ben doof hier.En hy wees op z’n linkeroor.—Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik ’n kleine jongen was... kan je goed klimmen?—N...é, m’nheer!—Zoo? Nu, ik wel. In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens ’n bloempotjen uit ’n venster van de derde verdieping gehaald. En ... onze pastoor was niet gemakkelyk, in ’t geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik ’t potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want het was ’t potje van ’n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar aan de twintigconfiteorszat ik vast, hoorje, vast als ’n bliek aan den hoek. Ik hou niet van bliek ... ’t is ’n gemeene visch. Nu, er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng ...Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m’n linkeroor.Op ’t simmenarie was ’n student ... hy is nu kanunnik, ergens in de Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want ... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i ... Vink heette ... maar z’n naam was anders, dit begryp je. Die Vink was ’n slechte jongen. Maar nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z’n tellen! Help ’ns kyken, of-i geen bisschop wordt, of ... paus! Je moest hem ’ns hooren als-i ’n brok uit deVulgataopzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar, en vergiste zich nooit in ’n tekst.Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon ... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in gedrag ...Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als Vink durfde denken, maar ... hy stond niet op zoo’n goeden voet met de professers. Ik mag je z’n naam wel noemen, omdat-i dood is, en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen ... hy heette Kruger. O, ’n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren.Ja, Kruger was ’n beste jongen, en byna zoo knap als Vink ... misschien wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd want ik wedde op Kruger ... omdat ik zooveel van hem hield.Eens nu, toen de tyd van ’t examen naderde, was Kruger’s vader ziek geworden—en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer, want hy was Vink ’n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal geweest zyn, als-i maar kon meedingen in ’tSpecimen, klasse:rhetoriek-eerste, en:theologie-derde. Daarvoor worden hooge punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de kleine les best missen.We hadden inrhetoriek-eerstedat jaar:de eloquentiâ, en intheologie-derde: de substantiâ archangelorum...heele moeielyke stukken, dit voel je wel!Kruger zond z’n:de eloquentiâvan-huis—en ’t was heel goed ... mooi, hoor!—maar hy schreef aan onzen patertheologie-derde: dat-i ’n:de substantiâ archangelorumreeds vroeger had behandeld ... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was> en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z’n pleizier doet ...—Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met ’n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier, zeg ik je, hier! In huis ... terstond! Heerejesis-kristis, wat heb ik ’n last van dàt kind!Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking met pater Jansen af.De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby Wouter’s woning, en z’n moeder die juist in onderhandeling was met ’n groentejood over ’n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich ’n beroerte te krygen van ergernis.—Met ’n pastoor! Stoffel, kom ’ns gauw beneden ... de jongen loopt met ’n pastoor!Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen ’n lieve goede man die zoo’n bejegening niet verdiende. En dit was de zuivere waarheid.De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove slechts bereikte aan den linkerkant?Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z’n woning was, en dat-i geroepen werd door z’n moeder, antwoordde de man heel goedig:—Zóó ... woon ie daar? Nu dan zal ik je-n-’n volgenden keer vertellen waarom ik zoo doof ben aan m’n linkeroor ... heelemaal doof, weetje?Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z’n tranen af.Het kwam hem voor dat z’n moeder ’n zware zonde begaan had, en dat ’n vyftigtalconfiteors...Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op ’t “simmenarie” ’t krabbedieven van ’n bloempot gestraft wordt?—Ah ... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw Dungelaar ... ’t was om de bloemen niet, en ook niet om den pot, zieje, maar alleen omdat ik zoo’n lust in klimmen had. Anders ... men moet nooit iets wegnemen wat ’n ander behoort, al staat het nog zoo hoog. Dag, jongeheer!En na ’n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging de man zyns weegs.Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen ...—’t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.—Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo’n manier komt er nooit iets van hem te-recht.Onze wysgeer had wel ’ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.—Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, ’t kind moet werk hebben. Als-i maar letterzetten wou! Of in ’n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet dat-i zelf ’n schoen maakt!—Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loopikmet ’n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar m’n school ga.—Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.—Anders ... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther, dat was ook ’n soort van pastoor. En wat deed-i?—Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.—Luthersch, moeder! Nu, dat ’s byna ’tzelfde. We moeten niet zoo bekrompen wezen, moeder!—Wel neen, ’n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd zeg. Want, Stoffel, wat doet er ’n mensch z’n geloof toe, niet waar, als-i maar braaf is, en niet roomsch.Enz. Enz. Enz.Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw Claus den rang aanmatigde van iemand die “in den handel” geweest was, en weer “in den handel” gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer “in.”Door bemiddeling van zekeren leerkooper die—kommercieel gesproken—zeer na verwant was aan de schoenen die voorgavenuit Parys gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by ’n firma wier weledelheid iets minder aprokrief was dan de ons bekende zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou ’n nieuwen leertyd ingaan op ’t wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.De zaak erlangde haar beslag op ’n woensdag, en de nieuwe betrekking zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.Voor ’t evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets wat-i niet was—god-bewaarme!—tot ’n romanheld.
Het verregaand liberalismus van juffrouwPieterseis oorzaak dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom paterJansenzoo doof was aan z’n linkeroor.
Het verregaand liberalismus van juffrouwPieterseis oorzaak dat de lezer ditmaal niet te weten komt waarom paterJansenzoo doof was aan z’n linkeroor.
—Wil je me-n-’n pleizier doen, zei de goede man, loop dan aan m’n rechterzy, want ik ben doof hier.
En hy wees op z’n linkeroor.
—Ik zal je vertellen hoe dat komt. Toen ik ’n kleine jongen was... kan je goed klimmen?
—N...é, m’nheer!
—Zoo? Nu, ik wel. In heel Vucht was geen jongen die zoo goed kon klimmen als ik. Weetje wat ik gedaan heb? Ik heb eens ’n bloempotjen uit ’n venster van de derde verdieping gehaald. En ... onze pastoor was niet gemakkelyk, in ’t geheel niet! Hy wou me niet aannemen voor ik ’t potje had teruggebracht, en excuus gevraagd aan de oude juffrouw. Want het was ’t potje van ’n oude juffrouw. En toen is zyzelf naar den pastoor gegaan om voor my te spreken. En aangenomen hééft-i me! Maar aan de twintigconfiteorszat ik vast, hoorje, vast als ’n bliek aan den hoek. Ik hou niet van bliek ... ’t is ’n gemeene visch. Nu, er was niemendal aan te doen! Gut, de man was zoo streng ...
Maar ik zou je vertellen waarom ik zoo doof ben aan m’n linkeroor.
Op ’t simmenarie was ’n student ... hy is nu kanunnik, ergens in de Rynlanden, en zal wel bisschop worden ook, en misschien wel paus, want ... knap wàs-i! Ik zal maar zeggen dat-i ... Vink heette ... maar z’n naam was anders, dit begryp je. Die Vink was ’n slechte jongen. Maar nooit kreeg-i straf, want hy paste goed op z’n tellen! Help ’ns kyken, of-i geen bisschop wordt, of ... paus! Je moest hem ’ns hooren als-i ’n brok uit deVulgataopzei! Hy kon drie uur spreken achter elkaar, en vergiste zich nooit in ’n tekst.
Er was er maar één onder de jongelui die byna tegen hem op kon ... in leeren, weetje, en in kennis, en in latyn, en zoo-al. Maar in gedrag ...
Neen, neen, neen, die ander was heel goed van gedrag. Zoo goed als Vink durfde denken, maar ... hy stond niet op zoo’n goeden voet met de professers. Ik mag je z’n naam wel noemen, omdat-i dood is, en bovendien ik heb niets dan goeds van hem te zeggen ... hy heette Kruger. O, ’n beste jongen! Dit kan ik je verzekeren.
Ja, Kruger was ’n beste jongen, en byna zoo knap als Vink ... misschien wel knapper. Somtyds wist onze rektor zelf niet, wie de eerste wezen zou, en de studenten maakten er weddenschappen over. Ik verloor altyd want ik wedde op Kruger ... omdat ik zooveel van hem hield.
Eens nu, toen de tyd van ’t examen naderde, was Kruger’s vader ziek geworden—en Kruger moest onverwachts naar huis. Dit speet hem zeer, want hy was Vink ’n paar punten vóór, en zou zeker de eerste gebleven zyn als-i maar had kunnen doorwerken. We hadden alle dagen de gewone lessen, en daarvoor kreeg-i nu geen punten. Maar dit zou niemendal geweest zyn, als-i maar kon meedingen in ’tSpecimen, klasse:rhetoriek-eerste, en:theologie-derde. Daarvoor worden hooge punten gegeven, weetje, en wie dáárin wint, kan de punten van de kleine les best missen.
We hadden inrhetoriek-eerstedat jaar:de eloquentiâ, en intheologie-derde: de substantiâ archangelorum...heele moeielyke stukken, dit voel je wel!
Kruger zond z’n:de eloquentiâvan-huis—en ’t was heel goed ... mooi, hoor!—maar hy schreef aan onzen patertheologie-derde: dat-i ’n:de substantiâ archangelorumreeds vroeger had behandeld ... verbeeldje, uit liefhebbery! Je ziet dus wel dat-i heel knap was> en lust in werken had. Want wie zóóiets voor z’n pleizier doet ...
—Ben je nu heelemaal mal, jongen, of wat scheelt je? Loop jy met ’n pastoor? Hoe kom je nu in-godsheerennaam dáár weer aan? Hier, zeg ik je, hier! In huis ... terstond! Heerejesis-kristis, wat heb ik ’n last van dàt kind!
Met deze woorden brak juffrouw Pieterse voor ditmaal de kennismaking met pater Jansen af.
De weg dien de beide kinderen hadden ingeslagen, leidde voorby Wouter’s woning, en z’n moeder die juist in onderhandeling was met ’n groentejood over ’n paar kop stoof-appelen, verbeeldde zich ’n beroerte te krygen van ergernis.
—Met ’n pastoor! Stoffel, kom ’ns gauw beneden ... de jongen loopt met ’n pastoor!
Tranen van smart schoten Wouter in de oogen. Hy vond pater Jansen ’n lieve goede man die zoo’n bejegening niet verdiende. En dit was de zuivere waarheid.
De goedhartige lezer hoopt immers dat al die ruwheid den armen doove slechts bereikte aan den linkerkant?
Nu dit scheen wel zoo. Want toen Wouter hem zei dat daar z’n woning was, en dat-i geroepen werd door z’n moeder, antwoordde de man heel goedig:
—Zóó ... woon ie daar? Nu dan zal ik je-n-’n volgenden keer vertellen waarom ik zoo doof ben aan m’n linkeroor ... heelemaal doof, weetje?
Goddank! dacht Wouter, en hy wischte z’n tranen af.
Het kwam hem voor dat z’n moeder ’n zware zonde begaan had, en dat ’n vyftigtalconfiteors...
Of hoe heetten ook de dingen, waarmee op ’t “simmenarie” ’t krabbedieven van ’n bloempot gestraft wordt?
—Ah ... ja, dit wou ik je nog even zeggen, kwam pater Jansen terugkeerend hem verzekeren, die anjeliertjes van de oude juffrouw Dungelaar ... ’t was om de bloemen niet, en ook niet om den pot, zieje, maar alleen omdat ik zoo’n lust in klimmen had. Anders ... men moet nooit iets wegnemen wat ’n ander behoort, al staat het nog zoo hoog. Dag, jongeheer!
En na ’n onverdiend-vriendelyken groet aan juffrouw Pieterse, ging de man zyns weegs.
Stoffel erkende dat het zeer verkeerd was met pastoors te loopen ...
—’t Is of-i mal is, zei juffrouw Pieterse.
—Ja, moeder, stapelmal! Maar de oorzaak is eigenlyk dat-i geen werk heeft, en maar zoowat rondslentert. Op zoo’n manier komt er nooit iets van hem te-recht.
Onze wysgeer had wel ’ns slechter gesproken, al zy het dan dat-i in dit byzonder geval niet geheel-en-al gelyk had. Wouter liep niet leeg. De zaak was maar dat-i niets tastbaars voortbracht. Stoffel begreep noch wist iets van de gisting die in hem woelde.
—Wel zeker, zei juffrouw Pieterse, ’t kind moet werk hebben. Als-i maar letterzetten wou! Of in ’n schoenenwinkel. Gut, ik verg niet dat-i zelf ’n schoen maakt!
—Dat loopen met pastoors komt alleen voort uit ledigheid, moeder. Loopikmet ’n pastoor? Nooit! Waarom niet? Omdat ik alle dagen naar m’n school ga.
—Ja, Stoffel, jy gaat alle dagen naar je school.
—Anders ... er zyn wel goede pastoors ook. Daar heb je, byv. Luther, dat was ook ’n soort van pastoor. En wat deed-i?
—Wel zeker, hy heeft de menschen griffermeerd gemaakt.
—Luthersch, moeder! Nu, dat ’s byna ’tzelfde. We moeten niet zoo bekrompen wezen, moeder!
—Wel neen, ’n mensch moet nooit bekrompen wezen! Precies wat ik altyd zeg. Want, Stoffel, wat doet er ’n mensch z’n geloof toe, niet waar, als-i maar braaf is, en niet roomsch.
Enz. Enz. Enz.
Wouter sprak meer waarheid dan hyzelf wist, toen-i zich by Vrouw Claus den rang aanmatigde van iemand die “in den handel” geweest was, en weer “in den handel” gaan zou. Hy kwam er werkelyk weer “in.”
Door bemiddeling van zekeren leerkooper die—kommercieel gesproken—zeer na verwant was aan de schoenen die voorgavenuit Parys gekomen te zyn, werd ons heldjen aangenomen als jongste bediende by ’n firma wier weledelheid iets minder aprokrief was dan de ons bekende zeedyksche van Motto, Handel & Cie. Wouter zou ’n nieuwen leertyd ingaan op ’t wereldberoemd kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.
De zaak erlangde haar beslag op ’n woensdag, en de nieuwe betrekking zou zonder fout aanstaanden maandag aanvaard worden.
Voor ’t evenwel zoover was, geschiedden er vreemde dingen die waarlyk wel eenigermate de strekking hadden om Wouter te stempelen tot iets wat-i niet was—god-bewaarme!—tot ’n romanheld.