Waarheid in legende.—Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over ’t geloof?Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden dag weèr by haar zat op ’t omgekeerd mandje.—Ja, maar ze zyn niet mooi.—Ken je niet wat van-buiten?Wouter zei ’n vers op van een protestanterig gezang, dat geen genade vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i ’t mooi opzei.—Lees je niets anders?Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van Stoffel:Werken van ’t dichtlievend genootschap... Ippel,Aardrykskunde... Verhandeling over de spelling... Reglement op de brandwacht... Geschiedenis van Jozef, doorHulshoff ...De brave Hendrik ... Vader Jakob onder zyne kindertjes ... Preêken van domineHellendoorn...Kathechismus vanidem... Hoornliedeboek...Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by Femke. Eindelyk:—Ik weet wel iets, maar ’t is niet van ’t geloof... het is van Glorioso...Femke beloofde te zullen luisteren, en Wouter vertelde. Eerst sprak hy afgebroken, en met al deen toensdie niet gemist kunnen worden by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich in den toestand van z’n held, en verhaalde beter dan-i gelezen had in dat voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond hy op van z’n korf, en bootste de daden van z’n held na, zoodat Femke er van schrikte. Maar prettig vond ze ’t toch, en toen hy eindelyk zweeg, was er een vonk van zyn zonderling bestuurde maar oprechte geestdrift gevallen in haar hart, dat als ’t zyne klopte van verrukking over al ’t schoone dat zy gehoord had. Beider wangen gloeiden, en waarlyk als ’r een trekschuit had gereed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke oogenblikkelyk ware meêgereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar, zooveel aventuren, en... zooveel minnary. En ’t fraaist was, dat er uit Wouter’s vertelling bleek hoe zuiver zoo’n italiaansche roover in ’t geloof is.—Weet je niet nog iets?—Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... ’t staat in een klein boekje ... een almanak, geloof ik.En hy verhaalde:—Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca heette. Al de koningen van dat land heetten Inca...—Zoo als hier Oranje ...—Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru—want het land heette Peru—waren de koningen uit de zon gekomen, en als ze stierven, keerden zy terug naar de zon. En zy mochten niet trouwen met ’n meisje dat niet uit de zon voortkwam. Dat was zoo de wet in Peru...—Is ’t waarlyk gebeurd, Wouter?—Het staat zoo in ’t boekje, Femke. Nu was er een koning die drie kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons heetten Telasco en Kusco, maar den naam van ’t meisje heb ik vergeten.—Zeg maar Marie.—Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is beter, of... Emma. Of wil je dat ik Femke zeg?—Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van my spreekt, of van die prinses.—Goed: Emma. Emma was ’t eenige zonnekind in heel Peru. En niemand wist wie na den dood van den koning, Inca worden zou, want Telasco en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat meer?Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er drie te-gelyk gehad... dat kan heel goed.—Nu, Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist niet wie hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook het volk van Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat mocht niet, omdat er in de wet stond dat er altyd maar één Inca wezen zou. Toen riep de koning alle priesters by elkaar op een hoogen berg, om nader aan de zon te wezen... want de zon zou beslissen wie koning worden moest.—Maar Wouter, dat kan niet waar zyn.—Het staat zoo in ’t boekje, Femke. En ... ’t is lang geleden, heel lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net als de ivoren poort.Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar ’t verhaal, hield ze zich of Wouter’s oplossing haar voldeed.—Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen. Maar ze staken het hout niet aan ... dit moest de zon zelf doen.—Dat kan heel goed ... met ’n brandglas.—Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen brandglazen. En bovendien het was juist te-doen om den wil van de zon te weten. De kransen op den éénen brandstapel waren gelegd of ’t een letter T was, dat beduidde Telasco. Op den ander had men een K geschreven ... ik meen: met bloemen. Die K wilde zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de koning op de knieën, en alle priesters ook, en zy zongen een gebed aan de zon...—Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen, dan voor de Heiligen. En dat bidden mag ook niet ... dat is afgodery.—Ja juist, ’t staat ook in ’t boekje dat die menschen in Peru afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschouwen, zie ... ’t is lang geleden ... en ’t was een ander volk ... een heel ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld ... in Frankryk ... daar noemen ze een vader:père... dus je ziet wel dat ieder volk zoo z’n eigen manieren heeft.Femke knikte, als byna overtuigd.—Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusco en Emma zongen meê, want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen, dit begryp je wel, want als Kusco’s houtstapel ’t eerst brandde, zou hy Inca worden, en Telasco bleef maar prins. En als Telasco’s stapel ’t eerst aanging, werdhykoning, en niet Kusco. Nu, voor Emma was ’t ook een heele zaak ... want ze moest trouwen met den nieuwen Inca. Ze wou dus graag weten wie ’t wezen zou...—Maar ... ’t waren haar broêrs!—Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy ’t eenige zonnekind was. Ze woonden in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan by ons...—Ja, dat ’s waar, zei Femke, die bang was dat te veel ongeloof haar de vertelling kosten zou. ’t Zal wezen als met Glorioso en die gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet ... dat vind je alleen in verre landen.—Ja ... of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de zon geen der beide brandstapels aan...—Hé... zei ’t meisje verwonderd, want na al ’t zonderlinge dat ze vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te hooren.—Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Inca en ’t volkvan Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en Kusco. Wie ze ’t meest beminde zou koning zyn.—Toen was ’t gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze.—Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar een maand tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde, en kon niet tot een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende te weten wien zy voortrok in haar hart, dan wilde zy ’t niet zeggen, omdat ze den ander te lief had om hem te bedroeven. Want zy wist dat beiden haar beminden, en dat haar voorkeur van den één, de dood van den ander wezen zou. Zy vraagde om raad by Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen...—Hé? riep Femke weêr. En er was een vragende toon in haar uitroep. Zy meende niet goed verstaan te hebben.—’t Was in Peru ... en heel lang geleden. En daarop smeekte zy Kusco, haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde dat Telasco haar gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen moest. Ook vond hy Telasco waardiger om Inca te worden, dan zichzelf.Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters ook niet. En ook niet by den koning, die in ’t geheel geen raad geven wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmeê hy zich niet mocht bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco haar had. ’s Avonds in ’t woud had ze hem beluisterd, toen-i een lied zong waarin hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen was zy hem om den hals gevallen, en ze ging naast hem zitten op de zodenbank, en ze zei: lieve Kusco... en ze legde ’t hoofd tegen zyn schouder, en begon bitter te schreien, omdat ze hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke.—Kun je ’t boekjen niet eens meêbrengen? vraagde het meisje. Ze wilde zoo gaarne dat prentje zien.—Ach neen, ’t boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat ik niets mag wegnemen uit z’n kastje. Dat is zyn bibliotheek, weetje, omdat-i schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde. En Kusco ook ... kàn dat?—Wel neen!—In ’t boek staat het toch. Maar hoor verder. Toen ze daar zoo zaten, kwam Telasco. Hy beluisterde hen—één oogenblik maar—en trad op-eens te voorschyn. Daarop viel hy op de knieën voor Kusco, en zeide: “heil u, Inca van Peru, de dochter der zon heeft u gekozen.” En hy boog z’n hoofd tot de aarde, en wilde Kusco’s voet op z’n nek plaatsen. Dat beduidde onderwerping, in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op, en beiden te-gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. “Zy heeftulief, broeder, sprak Kusco, aanudenkt zy, vanudroomt zy,ubemint zy, o Telasco! Gy zyt koning in haar hart, en dus Inca van Peru.”Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief, om te willen dat het waar was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst recht moeielyk voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en kuste hem innig, en trok hem naast zich op de bank van zoden. Maar terwylze aan de eene zyde Telasco omarmde, trok ze met de andere hand Kusco tot zich, en... toen zat ze in ’t midden, tusschen de beide broeders. En als ze Telasco kuste, zuchtte zy: “Lieve Kusco!” en als ze Kusco liefkoosde, fluisterde zy Telasco’s naam... och, Femke, ’t was zoo moeielyk!—Ja, zuchtte Femke, ’t was een moeielyk geval.—En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco was, zeide hy: “Gy moet kiezen, Emma!” in de hoop dat ze Kusco gelukkig maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als hy meende te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z’n eigen smart dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z’n broeder.En Kusco riep: “Kies, Emma!” telkens als zy zich wendde naar Telasco’s zyde, maar hy zweeg als Emma’s hoofd opzynschouder lag. Hy vreesde den dood niet—want, Femke, hy wilde sterven als-i niet leven kon met háár—maar hy was bekommerd over Telasco’s jammer, als deze Emma’s beeld zou moeten verdryven uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen, Femke? Ik weet niet of ik ’t goed vertel, maar ’t staat zoo in ’t boek...—Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren tweelingen, zieje, daar komt het van.Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen geloof te slaan aan Femke’s begrip. Ik verdenk haar van “schipperen” met het geloof aan Wouter’s vertelling. Zy drong zich het begrypen op, omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en offerzucht der drie helden van ’t heelal. Ze was niet geleerd genoeg om met spot neêrtezien op ’t verhevene, al werd het haar dan ook meêgedeeld op ’n wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd—van individu en Mensheid alweêr—is romantiek. Ze heeft behoefte aan onmogelykheid, of wat daar naby komt, en nu Wouter eenmaal Femke zoo ver had vervoerd dat zy zich verplaatste in zoo vreemde toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een sterken bondgenoot in Femke’s vurige begeerte om ’t vervolg te weten dier aandoenlyke geschiedenis.Zyhad hem—met minder moeite, want Wouter was jonger, en bovendienonevenredigkinderlyker—haar “ivoren toren en geestelyke vaten” ingegeven, nu zou ’t hem weldra gelukt zyn haar ’t zonnestelsel te doen slikken. Maar de arme jongen wist dit niet. Om te ontleden hoe zucht totwetenwordt afgeleid door behoefte aanliefde, had hy eenige tientallen jaren ouder moeten wezen, en niet zelf de patient van dit zielkundig verschynsel. De lezer zal wel zoo goed zyn myne opmerkingen aftescheiden van Wouter’s indrukken, en niet den natuuronderzoeker verwarren met den kikvorsch die dezen tot onderwerp diende van z’n galvanische proef. Wie te traag is om de analyse te volgen van ’n menschenhart, abonneere zich op de romans van Xavier de Montépin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken. Wie zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed, raad ik aan octrooi te verdienen op ’t uitvinden van iets belangrykers. En wie, eindelyk, mynwerk afkeurt als onvolledig, of myn slotsommen als onwaar... ik zal hem dankbaar zyn voor terechtwyzing. Maar in dat geval wenschte ik de blyken te zien van wat inspanning en studie, want dat kost het my ook... en nog iets.Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma’s hart begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broêrs. Wanneer hy dàt had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden. Nu drukte Femke’s snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid met de peruaansche historie, en hy vond ze schooner dan ooit. Deze indruk maakte hem welsprekender dan-i tot nog toe geweest was. Het werd hem nu een punt van eer, Femke’s goede meening te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande van den verhaaltoon tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne personen sprekende in. Er was eenquousque tandemvan teederheid in ’t naspreken van Telasco’s woorden:“Dochter der zonne, beslis!Hyheeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Is er een ree vlugger op ’t gebergte, een jager zekerder van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru, vlugger, zekerder, heldhaftiger dan hy?“Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om u te zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen bewogen zich als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den edelen Kusco!”“Niet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied, den verhevensten telg van de Inca’s. Hy schreef uwen naam, o dochter der zon, met kunstigen knoop in z’n gordel en luid heeft hy dien naam geroepen in den stryd tegen de vyanden van Peru. Zy vloden op dien roep, als ware de beschermende zon zelve neergedaald, om de belagers van haar kinderen te verdelgen. Kies Telasco, den dapperen Telasco... o gy verhevene dochter van ’t licht!”“Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik verslagen.Hyheeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid van ’t land. Hy worstelde, streed en overwon in uwen naam...“Telascolietmy de overwinning! Hy doodde z’n eerzucht in uwen naam...“Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten...“Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie...“Bedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven alles bemint, hem alleen...“Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde?Eindelyk sprak het meisje:“Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kàn niet kiezen, zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand beeft zoodra gy me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt evenzeer als zy den druk voelt van uwe hand. Myn hart siddert by de gevaren des oorlogs, als ik weet dat gy beiden vooraan staat in de reien derkinderen van de zon, en ik kàn niet beslissen hoe ik den pyl richten zou, die bestemd was één uwer te treffen... als ik veroordeeld was die richting te bepalen.“Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al ’t wee en al de zaligheid van ’n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er in myn hart plaats voor ’n alles verterenden gloed, by ’t inzuigen der goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden van Kusco begeleidt. Myn ziel leeft door ’t genieten van uw beider bestaan. Uw beider namen hoor ik roepen door den tortel in ’t geboomte, door den wind als ze suist of buldert. Uw beider naam staat me in liefelyke kronkeling geschreven op de vlakte van ’t meer, in rangschikking van kleur op de blaadjes der bloemen, in gloeiend schrift op de zon zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons bestaan. En, Telasco, als ik neêrkniel naast den Inca, om met al de kinderen van Peru onzen god te bidden om zegen voor zyn land, dan was myn bede één zucht: uw naam! En, Kusco, by ’t danken voor de zegeningen die de oorsprong van het licht schonk aan ’t blinkend land van Peru, dankte ik, de dochter der Inca’s, met dit ééne woord: Kusco!“Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kàn niet... ik kàn niet!”Aldus sprak de dochter der zon.Maar Telasco antwoordde:“De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt, Aztalpa...—Hé? Emma heette zy...—Neen, Aztalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen weergaf, ze heette Aztalpa. Telasco zeide:“De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy ’t gebod der zon niet opvolgen?”“Laat my sterven, Telasco!”“Neen,ik, ik!... riepen beide broeders tegelyk ...“Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen.”“Kies Telasco! riep Kusco.“Kies Kusco! riep Telasco.Maar het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-gelyk, en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden.Telasco bedacht zich.“Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor naar myn voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de vederen uwer pylen blauw, myn broeder? Zyn niet de myne rood? Hooraan! Morgen, voor ’t verschynen der zon, zullen wy te-zamen uitgaan naar ’t jachtveld. Wy zullen ons in het kreupelhout plaatsen... gy, honderd schreden voorby den boom die Aztalpa’s naam draagt, door ons beiden gesneden in de schors. Ik, honderd schreden van deze zyde van dien boom. Daar zullen wy het uitzicht hebben op den heuvel, waarlangs ’t wild vlucht, als het wordt opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op de eerste hinde die eropdaagt uit het woud. Als de vederen van den pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze. Als ’t uw pyl is Kusco, die ’t wild treft ... als de getroffen hindeuwkleur draagt...De beide broeders bedekten zich ’t gelaat, als vreesden zy iets te zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien Telasco voorsloeg.“Ik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen voorslag aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een boodschap der goden. Ik neem aan, ik neem aan ... my zal zy kiezen, als de vederen blauw zyn! O stem toe, Aztalpa, beloof dat gy berusten zult in den uitslag van Telasco’s voorstel!”“Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa! smeekte de andere broeder.En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar hart te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den volgenden dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit het woud.Den volgenden morgen vroeg, by ’t eerste licht der zon, hoorde Telasco van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met trom, bekkens en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de kleine heuvel, waar gewoonlyk ’t wild het geboomte verliet, als het schrikkend wegvlood voor ’t gevaarspellend geraas. Zóó jaagde anders Telasco niet. Zóó was de buit te licht gewonnen, en zelfs kwam zoo’n jacht hem voor als verraad. En ook nu jaagde Telasco niet op die wyze, want zie, z’n pylkoker lag naast hem, en de hand die de boog moest spannen, ondersteunde het hoofd.Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch vatte z’n trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot misschieten, als de eerste hinde zich vertoonen zou. “Misschien heeft de opmerkzame Kusco myn pylen geteld, by ’t samen uitgaan, dezen nacht.” Zoo dacht hy, en maakte zich gereed tot zorg dat er één pyl zou ontbreken aan ’t getal...Het gerucht kwam nader. Weldra zou...Daar vloog een hert, hooggeweid ... wilde buffels ... zwynen ... bevallige gazellen ... méér herten, méér buffels ... zwynen weer ... o God, de hinde, de hinde ... daar was zy! Daar stond het verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de wisse schoten der beide jagers ... neen, ditmaal beschermd door Telasco’s en Kusco’s edelmoedigheid.Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z’n pyl met de oogen, maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hemzelf het hart doorboorde.En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z’n pyl in den grond, en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy daar zichzelf begroef.Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die ongedeerd verder vluchtte.“Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep Kusco, die wild te-voorschyn sprong.“Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebtmymisleid. Gy hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z’n broeder te-gemoet snelde.“Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco.En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden aan Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over misleiding.Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco’s ziel. Hy zeide:“Wederom zullen wy ons, tegen den dageraad, plaatsen in het kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild opjagen naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de eerste hinde treft, Aztalpa’s keuze bepalen, maar ... Telasco, zweer my dat gy schieten zult, ditmaal!“Ik zàl schieten! En gy, beloof my dat gy treffen zult.“Ik zàl treffen!“Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel om te raken en te dooden? Werkelyk, de eerste hinde? Waarlyk? Zult ge?”“Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?”“Kusco, ik beloof het u.”Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den vorigen. Wel waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden op wild. Straks omklemde de linkerhand de slangenhouten boog. Duim en voorvinger van de rechter weerhielden den pyl tegen ’t halfgespannen koord. Het oog staarde over den gestrekten duim, zich richtend langs de punt van de schicht naar de opening van het woud. O, lang vóór de hinde den top des heuvels bereikt had, zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog een bison snuivend uit de wildernis...zwynen...herten... een hinde...Doodelyk getroffen stortte ’t arme dier neer...“Ik groet u, Inca van Peru!”Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn tredend uit het kreupelhout.“Gy hebt verwonnen, Kusco... ’t wasuwpyl!“De uwe, Telasco!’t Kàn de myne niet geweest zyn ... myn hand sidderde toen ik schoot.“Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde.“Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa!“Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon.“Gy, broeder!“Gy!”“Ik verzeker u datmynpyl...“’t Kàn de myne niet geweest zyn...“Den heuvel op!Dit laatste riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden zy naar de plek waar de hinde gevallen was...“Ik zie uwe kleur ... riep Kusco, nog op een afstand.“Onmogelyk broeder... de pylveêr is... blauw! En ’tmoetblauw zyn, want...“Hetmoetrood zyn, want...Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide broeders hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met verwisselde kleur.Want ’s nachts was Kusco, voorzichtig als ’n misdadiger, geslopen in de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl geroofd uit den koker zyns broeders. En niet moeielyk was deze diefstal, want Telasco’s legerstede was ledig. Er was niemand ter bewaking van de wapens, waarmeê hy niet wilde overwinnen...Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde? Telasco was ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om den blauwgeveêrden pyl te stelen, waarmeê hy Kusco wou maken tot Aztalpa’s uitverkorene, tot Inca van Peru. Begryp je ’t, Femke?—Ja ... maar...—Je moet altyd denken, ’t was vèr van hier, en ’t is lang geleden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd, en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de zon. Dit deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon antwoordde altyd hetzelfde: dat Aztalpa kiezen moest...—Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde?—Altyd. ’t Staat zoo in ’t boekje... ’t was vèr, weetje. Nu, Aztalpa moest kiezen. Daar was niets, niets, niets tegen te doen. En toch wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde.Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide:“Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte. Gy wilt niet kiezen, Aztalpa... welnu, ge zult sterven...—O God, riep Femke...—Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal je zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat Aztalpa niet zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde legde hy haar uit, waarom:“Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid komen in ’t land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat ge my kiest, omdat men weet hoe ’t den goeden Kusco zou bedroeven, my verstooten te zien. En wie my liefheeft, vordert dat ge aan Kusco uwe hand reikt, wyl men beseft hoe ’t my zou smarten, gelukkig te wezen by zyn wanhoop. Gy moet sterven, Aztalpa! Geen burgeroorlog mag ’t gevolg zyn der verdeeldheid van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn tot den oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweërlei toon in de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden opstygen, en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze lofliederen. Daar ... daar ... daarboven, zyt ge ons beiden even naby, Aztalpa! Daar kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den oneindigen rykdom uwerbescherming. Gy zult Kusco antwoorden in ’t ruischen der palmen, zonder dat ik te-vergeefs naar uw stem luister in de muziek van de zee. Hem en my zult ge verschynen in den droom... en myn arm zal niet slap nêervallen by de gedachte aan Kusco’s verlatenheid, noch hy bedroefd zyn door ’t besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor ’n liefde als de uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het, gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die ’t wist dat gy noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verheffing tot geest, omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting van zoo veel gevoel.Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is geen plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor ons beiden op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel...Aldus sprak Telasco.Kusco zweeg.En Aztalpa zeide:“Broeders, ik ben bereid.”En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het woud op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon. En daar was veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin Aztalpa zou opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze verbrand worden.Je weet, Femke, de rook gaat altyd naar boven. Dat is om optestygen, weetje?—Ja, antwoordde ’t meisje, met ’n overtuiging als-of ze Velleda zelf was. Och, ze had ’r boekje vergeten, en was ontrouw aan al haar Heiligen.—O God, Wouter, ’t doet me zeer! Moest Aztalpa nu waarlyk sterven? ’t Was wreed van Telasco...—Wat zou jy gedaan hebben, Femke?—Ik zou, ik zou... ik weet het waarlyk niet, Wouter.—Zieje, ’t was moeilyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen de beide broeders. Ze was in ’t wit gekleed, en een witte sluier hing haar over ’t gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men knielde. Aztalpa omhelsde haren vader, groette de menigte met de hand, en riep:“Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!”Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den brandstapel. Kusco’s houding was gebogen, en zyn tred was wankelend. Maar Telasco scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa niet sterven zou...Een diepe ademhaling verluchtte Femke’s gemoed. Met open mond staarde zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ontknooping opvangen met al de kracht van haar ziel.—Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het wist. Hy trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving... Kusco stond met de handen voor ’t gelaat... Aztalpa kruiste de armen voor de borst...zy boog het hoofd...Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco:“Broeder... één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood ontvangen van Kusco’s hand!”Telasco slingerde den dolk weg, en riep:“Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar staat uw Inca! Aztalpa, vaarwel!”Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco.Maar, toen deze z’n broeder zocht, was Telasco verdwenen. Men heeft hem nooit wedergezien. Vindje ’t niet mooi, Femke?—Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco haar verzoek zou uitleggen, had ze ’t niet gedaan. Maar de vertelling is mooi. Ik wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan?—Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, ’t staat zoo in ’t boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen stuiver om den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten. Och, Femke, ik wou zoo graag dat m’n vers al af was...—’t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets moeielyks te doen.—Neen, ik zal denken aan ’t meisje. Goeden avend, Femke...Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z’n vertelling. En droomend van Aztalpa, die op ’n bleek paste, stapte hy door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en ’t speet hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy verbeeldde zich dat hy nu by ’t maanlicht, beter nog dan anders zou verteld hebben. Maar ’t kon niet, om den stuiver, dien-i niet had.Wouter’sdroom.—Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat “die jongen” zelfs in den slaap z’n rust niet houden kon.Ziehier de oorzaak waarom Wouter z’n broeder Laurens zoo onheusch bejegende.DAAR ZAT EEN SLAPEND MEISJE IN ’T GRAS... OF ’T FEMKE WAS?Wat stond zich de maan te vervelen,Dien avend in ’t luchtruim alleen!De sterretjes waren verdwenen.Omdat zy te flikkerend schéén.Het is voor zoo’n maan niet pleizierigAlleen aan den hemel te staan.Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,En helpt het humeur... naar de maan.Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing,En troostte wat smachtend gevoel,En hielp een paar dichters aan verzen,Maar bleef als die verzen zoo koel.Zy straalde wat hoop in de harten,En droogde in ’t voorbygaan een traan,Maar ’t mooist wordt ten-laatste vervelend...Ze had dit zoo vaak al gedaan.Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde...Vervelend was al wat ze zag.“Och, riep zy, als dàt niet verandert,“Dan neem ik als maan m’n ontslag.“Ik sta als een gek te schynen,“En schitter me kreupel en lam.“Geen mensch die me ’r ooit voor bedankte,“Of die er notitie van nam.“Dat menschvolk is bitter ondankbaar!“Voor ’t zonnetje maakt men zich mooi,“Háár opent men deuren en vensters...Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.“Men moest daar beneden bedenken“Dat ’k nooit van m’n overvloed scheen.Ikzelf sta in ’t kryt by m’n zuster...“Die leent me... sints Genesis één.”’t Is drukkend—vooral aan famielje—“Zoo’n schuld van ’n eeuw of wat licht!“Ik schrik als de zon me komt manen,“En bleek wordt m’n mane-gezicht.”Zoo pruilde op een avend het maantje,En dit had de nachtwind verstaan.Hy vond dat ze recht had tot treuren,En was met haar droefheid begaan.En suizend begon hy te jagenLangs wegen en vaarten en wei:“Hop ... hop ...al wat mee kan, aan ’t dansen,“Wy geven de maan een party!“Hop, hop... in de rondte... naar boven...“Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!”Daar dansten de bladen in de ronde,Of schuifelden voort in galop.Daar knakten de takken der boomen,En zeiden de stammen vaarwel,En zwierden als dansende spoken,En speelden een wonderlyk spel.Daar vlogen de pannen der daken,En namen hun deel aan het feest.De schoorsteenen bogen deemoedig,Als waren zy hoflui geweest.De molens vergaten het malen,En noodden de boomen ten dans,En walsten met hunne bemindenOp hun muren en wallen en schans.“Hop, hop... in de rondte... vooruit maar...“Dien weg uit... omlaag by de poort...“Wat ’n vischlucht!... om ’t even... vooruit maar!“Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!”Daar zat een slapend meisje in ’t gras... of ’tFemkewas?Daar naderde joelend de bruiloft,En huppelde om ’t slapende kind.Haar bleekgoed rees op van de zoden,En danste op muziek van den wind.Daar neigden de hemden potsierlyk,En boden elkaêr hun manchet.Daar danste een pudiek chemisetjeMet ’n onderbroek een menuet.Daar lonkte de slaapmuts van passie,En maakte haar pluimpje zoo mooi.En drukte aan het fladderend jabootjeHeel sentimenteelig de plooi.De zakdoeken werden zoo dartel,En waagden zich boven hun stand,En reikten aan nuffige kraagjesHun opengewerkten rand.De slobkous, verliefd van complexie,Maakte aan een fichutje de cour,En sloot het verrukt in z’n knoopen,En zuchtte zoo innig: bonjour!Daar walste een bretel met een vestje,Een kindersok met een servet,En ’t windje gaf lustig de maat aan,En maakte geen eind aan de pret.En warrelde vroolyk daartusschen,En joeg alles rond op de baan ...En suisde: “hop, hop ... à vos dames ...“Wy geven een bal aan de maan!”Daar zat een slapend meisje in ’t gras... of ’tFemkewas?En dichter en dichter gedrongen,Sprong alles om ’t slapende kind ...Daar fladderden wild haar de lokkenOmhoog, op muziek van den wind ...Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze!En ylings ... de stoet nam haar meê,En droeg haar ... o hemel ...—Femke ... Femke!—Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning, die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en halsboordjes, op weg was naar de maan ...Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit hoofdstuk zoo dramatisch begint.Het “huis” Pieterse vergaderde voor Wouter’s bed. Daar was de edele stamvrouw, gehuld in ’t eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten de meisjes niet meer, na ’t verhuizen. Truitje was Gertrude geworden, zoo goed als ’n ongekeurde vorstin van Hessen. Myntje heette nu Mina, en wie haar pleizier woû doen, sprak deauit als eene.Dat gaf zoo’n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.Hyzelf kwam ook voor ’t licht, en verbaasde zelfs z’n moeder die zooveel van hem wachtte, door z’n deftigheid in gang en houding.—Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.—O, moeder, moeder ... Femke!—De jongen is gek, was ’t eenstemmig oordeel der Pietersens.En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.—Ze zouden haar wegdragen ... al draaiende ... altyd in de rondte ... en ze sloot zich aan den rook die opstygt ... opstygt ... dochter van de zon, beslis ... hier is Telasco ... neen, sterven zult gy niet, Emma, Aztalpa ... Femke, o god, blyf, blyf ... ik zal op de bleek passen ... ik zal de hinde schieten ... blyf, Femke, blyf ...een weduwnaar met god ... samen door de ivoren poort ... daar gaat ze weêr ... alléén ... omhoog ... Omikron, blyf!—Als we eens den dominee lieten roepen? vraagde de moeder, aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft ... of beide.En voor ’t eerst van z’n leven misschien, had Stoffel een goede gedachte:—Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig, is ... Wouter is ziek.Zoo was het. De arme jongen was aangetast door ’n zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter’s gemoed. Maar dit kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van ’t kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking nuttig. De dokter vertelde haar, tot ’r groote verbazing, dat men z’n kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er lucht, licht, leven, beweging,genotnoodig is tot ontwikkeling van ziel en lichaam. Datstraffen—met of zonderHeerdan—niet te-pas komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding ... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter ...—Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i komt. Hy schryft z’n receppies met ’n gouwe pen, en z’n koetsier heeft een bruine beer om z’n hals ...Ja, juist! zoo’n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden, dan zou ’t gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in ’t geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.—Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter er was. Ga ’t haar eens zeggen, Sertrude ... dat Woutertje ziek is, meen ik ... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe ... zoo laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny ... er moet toch zout wezen ... en maak ’n praatje ... ’t is niet om te praten, weetje ... je weet, ik hou niet van praterigheid ... ’t is maar, weetje, om te weten of de menschen ’t gezien hebben? En jy, Petró, denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want ’t is m’n ’n man ... zoo’n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak ... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet ... maar ik ben benieuwd of ze ’t gezien hebben in de komeny.Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter’s ziekte. Er was iets voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur.Alas, poor mankind!Weêr een avendje.—Maar, lieve jufvrouw Pieterse, hoe moet het nu met m’n oom? Jelui bent allemaal gevraagd, en ik heb ’m gezegd dat er een vers wezen zou.—Dat ’s moeielyk, jufvrouw Laps. Je begrypt dat het wurm nu geen verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel? Als we ’t hèm eens vroegen?—Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben ik geskandeliseerd.Stoffel werd uitgenoodigd Wouters plaats te vervullen. Hy had er veel tegen.—Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-kort doen aan ’t respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met de jeugd, dan is respekt nummer een, en zoo’n vers...—Maar de jongens op je school hoeven ’t niet te weten...—’t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet uwe zoo niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook verzen maakte ... en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost, moeder ... en hy is me nog de helft schuldig in een kruik inkt. Zieje, moeder, dat komt er van. Ieder moet op z’n zaken passen. Zoo’n vers ... dat is goed en wel voor een jongetje als Wouter ... maar als men zelf onderwyzer is...—En meester Pennewip dan? vroeg jufvrouw Laps.—Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip...—Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel!—Juist ... je hebt een vers van hem gelezen ... dat is ... dat komt... hoe zal ik ’t je nu precies uitleggen, jufvrouw Laps. Je begrypt, by zoo’n vak als ’t onderwys, heb je allerlei soort van dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik maar eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u, moeder?—Jawèl, jawèl, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou...—Amsterdam aan ’t Y. Precies. En dan heb je weêr heel andere dingen, want jufvrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al zoo by dat onderwys te-pas komt. Een kruidenier mengt z’n suiker met wat anders, en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy ’t pond moet verkoopen, om geen schaê te hebben, verbeeld je eens! En dan heb je nog de gezelschapsrekening, en de breuken, en de werkwoorden ... maar nu moet ik weg, anders slaan de jongens den boel stuk.Stoffel ging dien middag vroeger naar z’n school dan gewoonlyk, en liet jufvrouw Laps heel ongesticht achter. ’t Mensch wou maar niet begrypen, hoe Madrid en die kruidenier met de breuken, hinderpalen konden wezen voor Stoffel’s rymgenie of schoolmeestersfatsoen. Jufvrouw Pieterse praatte het goed, ik weet niet hoe, en ze stuurde jufvrouw Laps naar meester Pennewip zelf.De man zag vreemd op, by ’t bezoek van het vertoornde zoogdier, maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling.—Tot welke klasse behoort uw oom, jufvrouw?—Wel ... tot de klasse van ... van ... meent u weer iets van oesterschelpen en eieren?—Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat ... ik bedoel ... op welke hoogte ... ik herzeg op welken trap ... als gy deze uitdrukking begrypt—het is eene beeldspraak, juffrouw—op welken trap dan van den ladder der maatschappy?—In de granen, meester. Meent u dat?—Dit is niet voldoende, jufvrouw Laps. Men kan in de granen zyn ... als koekbakker ... als broodbakker ... als kleinhandelaar ... als groothandelaar ... als tusschenhandelaar ... en ook deze bedryven hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman,—die door sommigen onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt, ofschoon anderen beweren ... doch dit zullen wy onbeslist laten—zeker is het, dat Jozef granen opkocht, en op den bovensten trap stond, want, jufvrouw Laps, wy lezen inGenesis XLI...—Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao’s wagen, en droeg een witte zyden rok. Myn oom is fakter. Dat was m’n vader ook.—Zóó ... o ... o! Fakter ... ten-rechte gezegd: factor ... ei! Daarvan zegtGenesisniets ... en ik weet niet met zekerheid of deze klasse van personen ...—Myn oom is wéwenaar ...—Ziet ge, daar hebt gy ’t verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk dat Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den priester te On, en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote—of volgens sommigen, echtgenoot—reeds overleden was, toen hy zich toelegde op den graanhandel. Dus jufvrouw Laps ... ik zou u raden, als ’t u ernst is uwen oom te bezingen in een godsdienstig lied, u te begeven naar een myner leerlingen ... Klaasje van der Gracht.En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind vinden kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te scherp is, maar ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie, ik meen te weten dat hyzelf het gevraagde vers zou geleverd hebben, als jufvrouw Laps oom een wit kleed van den Koning had gekregen, of den Haag was doorgereden in een hofkoets. Maar ’t bezingen van een “fakter” liet hy over aan ’t genie van denvliegenden theeketelin de Peperstraat. Dit was niet mooi van Pennewip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was gegooid door z’n broêrs? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren? Dat-i geen droom kon uitleggen? En dat men tegenwoordig geen scherpzinnigheid beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onderkoningschap?Hoe dit zy, jufvrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid voelde door ’t bezoek.Er werd plechtig besloten dat Klaasje dienzelfden avend nog het vers kant en klaar zou maken. Hy zou ’t den volgenden ochtend by jufvrouw Laps komen opzeggen, en als ’t waardig werd gekeurd detolk te zyn van hare gevoelens jegens ’r oom, zou Klaas meêgenood worden op ’t avendje. En, had z’n vader gezegd, dan zou hy ’n witten das om hebben, met ’n opstaand boordje.—ja, net als Jozef, zei jufvrouw Laps ... zoo zieje hoe de Schrift toch alles vooruit wist.En ’t mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte overeenkomst te vinden tusschen Jozef’s verheffing en de apotheose die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht dat ze een mantel in de hand hield.Depoëta laureatusmeldde zich den volgenden morgen by haar aan, en dreunde z’n vers op. Wy zullen het later hooren, als het wordt voorgelezen op ’t avendje dat ons wacht, maar voor-af moet ik melding maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize van de Pietersens plaats vond.Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter had rust voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van ’t behangsel, en dwong zich die anders te rangschikken in zyne verbeelding. Hy liet ze over elkaêr springen, inëenvloeien. Hy zag er gezichten in ... personen ... legers ... wolken ... och, alles leefde! Wel was ’t vermoeiend, maar hy kon niet anders. En als-i zich omkeerde naar de muur-zy, was ’t nog erger. De hieroglyfische krassen vertelden allerlei dingen die hy niet noodig had te weten, en overlaadden hem met onnoodige indrukken. Hy moest de oogen wel sluiten, maar vond geen rust. Het was hem, of-i werd meêgevoerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest deelnemen aan ’t bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd als om de afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te brengen, maar ’t baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die muur, die bloemen, die dans, dat opnemen van Femke door den wervelwind ... zyne poging om haar vasttehouden ....Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeelding was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet konden dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde, om de maan wat op te beuren in haar eenzaamheid ... maar toch ...Schreiend riep hy zachtkens Femke’s naam, zacht genoeg om niet te worden gehoord door zyne verwanten, luid genoeg om wat lucht te geven aan zyn beklemd gemoed ...—Wat is dat? ... riep hy op-eens, antwoordt ze? Is dát ook verbeelding?Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en ’t was Femke’s stem!—Ikwilweten of ik droom, zeî ’t kind, en hy richtte zich overeind in z’n bed. Dàt is een roode bloem ... daarnaast een zwarte ... ik heet Wouter ... Laurens is op ’t letterzetten ... dit is alles juist ... ik droom niet ...En hy luisterde weêr, en boog zich buiten de bedstede, en opende mond en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden ter-hulpe komen aan zyn gehoor ...—O God ... Femke’s stem! Ja, ja, zy is het!Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van ’t bed af, de deur uit, rolde de trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van ’t bleekmeisje, dat in ’t portaal beneden een harden stryd voerde met het gezin der Pietersens.Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche vertelling. Eerst meende zy dat het om ’t prentje was, waarop Aztalpa de beide broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter’s schoolmeesterlyke broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen afstand te doen van den almanak die zooveel schoons bevatte. En ook zonder dat prentje, Femke verlangde Wouter weêrtezien. Om z’n persoon kon ’t niet wezen—zoo’n kind!—maar Wouter vertelde zoo aardig. En misschien vloeiden in ’t hart van dat meisje Wouter’s persoon in-een met de verhalen die hy deed. Analyseeren, verdeelen, is een hulpmiddel tot studie.Qui bene distinguit, bene docet, ja, en zelfs:qui bene distinguit, bene discit... dit alles is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy onderwees niet, en leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die niet studeert, en maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met allerlei aandoeningen door elkaêr, en liet het over aan dezen of genen professer in de ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes in elkander zaten, waarmeê Femke—die lieve karper!—zou rondzwemmen in den vyver van haar zestien jaren.—Leg ’t goed in de zon, riep haar de moeder toe...En dit vertaalde Femke aldus:zon...Peru...Aztalpa... Kusco... Wouter!—Jaag de kinderen weg... ze gooien vuil op de bleek... Femke vertaalde:moedig in den stryd tegen de vyanden vanPeru...hy de edelste telg derInca’s... Telasca... Wouter!Och... alles riep: Wouter!En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den tweeden, ongeduldig. Den derden, ongerust...—Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat ’n vers moest maken...—Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je ’m te vinden?Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet waar Wouter woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te erkennen. Er lag moed in haar voornemen om ’t kind optesporen, welks woning zy niet wist, en die moed wilde zy verbergen. Waarom?Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy ’t:hoe mal!dat zoo vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is ’n eigenaardigepudeurin liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy ’t goede dat in ons is, en pronken liever met fouten. Dit is huichelaryà rebours.Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het weinige geld mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers. Ze liep met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een winkel wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam ze terecht in de Hartestraat. De loop der straten die in ’t eerstehoofdstuk der geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had geleid naar de aschpoort, voerde nu Femke van die poort naar den boekwinkel, waar we onzen held het eerst aantroffen. Minder beschroomd dan Wouter—Femke was ouder, had meer omgegaan met menschen, en dacht minder na—vraagde zy flinkweg den onvriendelyken man van den winkel: “om ’t boek over die gravin met den sleep?”—Hé? Hoe is de titel?”—Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar ’t is over een roover ... de Paus komt er ook in ... of eigenlyk ... och ’t is my te doen om een jongetje dat gelezen heeft in zoo’n boek. Ik wilde u vragen waar dat jongetje woont ... en ik wil er graag voor betalen ...—Kom je my hier voor den gek houden? Denk je dat ik hier zit om jongetjes optezoeken.—Maar m’nheer, ik wil er voor betalen, zei ’t meisje, en zy legde haar schat op de toonbank.—Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje!Nu werd Femke boos:—Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed ... dat laat ik me niet doen. Als je ’t niet zeggen wilt, dan kun je ’t laten ... maar ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent.En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps:—Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren?—Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben?—Ik vraag ’t boek van den roover en Amalia, zei Femke.O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te vragen om-niet ... zy voelde zichklantnu.—Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Rinaldini?—Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe,asjeblieft, help my...Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy verwaardigde zich optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen.Vry spoedig noemde hy Glorioso...—Dàt is het... juist, dàt is het! riep Femke verrukt.—Maar je moet pand geven, zei de man, terwyl hy op een trapje klom, om ’t dierbaar boek te krygen.—Neen, neen ... ik heb ’t boek niet noodig, ik wil maar weten waar het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo graag voor betalen!En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde niet, zei de man. “Hy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst doen, als men ’t hem vrindelyk vraagde.” Och, Femke zag er zoo lief uit, en ze had iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte.De man zag na in ’t register, waar-i spoedig den naam vond dien Femke opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de woonplaats. Hy wees het haar, en wilde nu bovendien uitleggen, hoe zy den kortsten weg nemen kon....Femke was al de deur uit, en had zelfs vergeten, haar neêrgelegdgeld meêtenemen. De man liep haar achterna om ’t terug te geven, maar-i had moeite om ’r intehalen. Zoo liep ze!Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie Pieterse, verhuisd was “naar een fatsoenlyker buurt.” ’t Was nog al ver, maar ’t meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens aangeland, werd ze ontvangen met een barsch “wat moet je?” van de jonge-jufvrouwen.—Och, jufvrouw, ik wilde weten hoe Wouter ’t maakt?—Wie ben je?—Ik heet Femke, jufvrouw, en m’n moeder is een waschvrouw ... maar ik wou weten hoe ’t met Wouter is?—Wat heb jy met Wouter te maken? vraagde nu jufvrouw Pieterse, die kwam aanloopen op ’t gerucht.—Och jufvrouw ... wees ’r niet boos om ... ik wou ’t zoo graag weten ... en m’n moeder weet er van, dat ik hier ben om ’t te vragen. Wouter heeft my verteld van Telasco, en van dat meisje dat sterven moest ... o god, jufvrouw, zeg me of hy ziek is ... ik kan er niet van slapen ...—Jy hebt niks te maken met Wouter ... je kunt heengaan ... ik zeg je nu dat je heen gaat ... ik houd niet van volk aan de deur ...—Om-godswil, jufvrouw! riep ’t meisje, en wrong de handen.—De meid is mal! Duw ’r de deur uit, Trui, en gooi die toe ...Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myntje en Pietje maakten zich gereed haar bytestaan, maar ’t moedig kind hield vol. Ze greep de leuning van de trap, en klemde zich vast.—Gooi ’r de deur uit, die brutale meid ...—O god, jufvrouw, ik ben niet brutaal ... och, ik zal terstond gaan ... zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, jufvrouw, zeg me dat! Dan zal ik gaan ... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter ziek is, jufvrouw ... en ... of ... hy ... sterven ... zal?Hier berstte ’t kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen van de soort als waarmeê zy te-doen had, konden ongeroerd blyven, by ’t aanzien van Femke’s smart. Maar de jufvrouwen Pieterse hadden burgerlyke zielen.Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door adel. ’t Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat komt niet in aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises naast elkaêr. De “heele fatsoenlyke menschen, die schoenen verkochten uit Parys” komen daar niet.—Ik ga niet, gilde Femke ... o god, ik ganiet! Ikwilweten, of ’t kind ziek is ...Men hoorde boven aan de trap een deur openen. Wouter vertoonde zich, rolde de trap af, viel als een bom op de strydenden, en daarna voor Femke’s voeten in zwym.—Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes stonden roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem naar boven. Men wees haar Wouter’s bed, en daar legde zy ’t kind neer. Niemand had den moed haar te verjagen, toen ze zich neêrzettevoor de legerstede, en als er op dat oogenblik had moeten gestemd worden over voorrecht, rang, gezag ... o, aller stemmen waren op Femke gevallen. Maar zyzelve wist niet dat ze groot was. Ze schreide, en mompelde: “Och, neem ’t me niet kwalyk jufvrouw, maar ik kon er niet van slapen ... zoo dacht ik aan dat kind!”De avend is dáár, Leentje past op Wouter, en ’t huis Pieterse is present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den salon op.—’t Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat wou ze eigenlyk, dat meisje?—Gut m’nheer ... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan Gertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ... een vreemd schepsel, zoo maar baasspelen in je huis ... en ik zeg al zoo tegen Mina! gooi ’r toch de deur uit ... en toe zei Petró ...—Nou ... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en toonde een blauwe plek aan de pols, waaruitikzou besluiten dat Femke háár had beet gehad.—Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal ’t haar verleeren!—Enik, zei Mina.Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel meer. Maar zeker is ’t, dat Femke’s naamnuniet zou getriumfeerd hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.—Een gemeene meid, m’nheer!—Eenheelegemeene meid!—O, zoo’n gemeene meid!—En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?—Ja, dat was moeielyk... ik zei...—Né moeder...ikzei...—Né,ik!—Né,ik!Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor ’t middelpunt der gebeurtenissen die ’r werden verhaald.—Ik wou wel ’ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei jufvrouw Laps. Ja, oom, er is ’n verrassing...’t Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar iemand anders, als zy iets te vertellen had.—Nu dan, wy zeiden ... ja wat zeiden we ook, Sertrude?—Moeder ... ik zei ... dat het schande was.—Ja dat heb ik ook gezeid. Nu ... toen vroeg dat schepsel koud water ... en toen we ’t niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de pomp ... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte ... en maakte een doek nat, en legde dien op Wouter’s hoofd. Ik was ontdaan over zooveel brutaligheid. En ze huilde, of ’t naar jongen was, m’nheer! Nu, ’t kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen ... verbeelje, daar we by waren!Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!—En toen bleef ze nog wat zitten voor ’t bed, en praatte met Wouter ...—Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw Laps. ’t Is maar, weet u, oom, omdat we ’n verrassing hebben.—En eindelyk ging ze heen ... en ze liep als een prinses.—Net ’n prinses ... betuigden de meisjes, die niet wisten dat ze waarheid zeiden.—En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat zal mis wezen ...Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op ... och ja, de katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Ze gevoelde dat de ster van haar discours verbleeken zou voor de zon van ’t vers dat Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve katechiseermeesters er deftig uit! Wat ’n stap, wat ’n houding, wat ’n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!—Myn heer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ... van wien u wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen ... maar u begrypt wel ... als men vader is ... nu, alle zegen komt van boven!—Ja oom, er is een verrassing.—Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen heer ... op den heugelyken dag van zyn verjaren ... brengt ons in de stemming van den Psalmist ... en ik verheug my door de genade ... want mynheer ... alles komt van boven ... dat zal uwe ook wel weten.—Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?—Ja, ’t is frissies. Koud kan ik niet zeggen, ’t Is wat je noemt ... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen ... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.—Och ja! riep ’t heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te wezen. Verbeelje ’t lot van een armen drommel die in dezen kring eens had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig was men ’t eens, ditmaal.—Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing?—Ga je gang, nicht. Wat is het?—Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet ... want hy is me te na ... maar ’t is mooi, dat durf ik gerust zeggen. ’t Is niet om te roemen ... alles komt van boven ... neen, roemen zal ik niet. Als ik roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.De dichter Klaas maakte z’n mondje klein, alsof-i met z’n lippen te drinken gaf aan een vogeltje.Hy sloeg de oogen neèr, en speelde met den ondersten knoop van z’n vest. Z’n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op ’n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op ’n gebruikt servet... neen, op ongaar brood...Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van de soort die ik bedoel,adept-clownsin de kermistent des Heeren,pierrots van de onanie.—Dus, myn heer, ’t is niet om te roemen ... haal ’t maar voor den dag, Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen ... ’t is mooi! Want ziet u, in de Schrift ...Klaas haalde z’n vers voor den dag.... in deSchriftwordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van weduwnaars ... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol weduwen ...Klaas legde ’t vers voor zich op tafel.... vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.—Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw Laps.—Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer ... zeventig weduwen! Lees nu maar op, jongen!Klaas stroopte z’n armen op, streelde z’n boordjes, en begon:Al de weduwen der Heilige SchriftWorden hier tot een vers gezift;Ter verblyding op ’t verjarenVan godzalige weduwnaren;Juichend, bloeiend in den Heer,Aan Jehovah lof en eer.—Dat is ’t opschrift, lichtte de vader toe.—Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezenDat ’n weduw in ’t huis van haar schoonvader moet wezen;En Exodus XXII, ik zeg ’t zonder vrees,Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...—Merk op, myn heer, dat het vers en ’t kapittel beide twee-en-twintig zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren;Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewisDat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons wetenDat een weeuw zonder kinderen ’t brood van haar vader mag eten;En Numeri XXX, vers negen, wel geteld,Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt;In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...—Hé? vroeg jufvrouw Laps.—Ja, dat wil zeggen:majesteit, legde de Katechiseermeester uit.Luister maar verder, jufvrouw... ’t is niet om te roemen... ik zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!met geschreeuw,Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw;In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoordOm alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezenHoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeldDat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op ’t veld;In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschrevenDat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt ’t voort:Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort;Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen,In vers 19, dat men ’t recht van de weduw niet mag buigen;TweeSamuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk vanDat Davids bywyven leefden als weduwen, by ’t leven van haar man...—By...wat? vraagde jufvrouw Pieterse.—Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen...—De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en staan niet om-en-om.—Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester bent ... maar dàt kanmynu niet schelen. Ik vind die by ... by ... by ... hoe zal ik zeggen?—Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps.—Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort Klaas!—Noen, zulke dingen wil ik niet hooren ... ’t is om de meisjes.Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in zoo’n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn, en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands bywyf te willen worden.—Ga voort, Klaas!—Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten ...—Maar, jufvrouw, ’t staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten tegen ’t woord des Heeren?—Né ... ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk is. Myn man ...—Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw ... maar uwe zal toch niet tegen de Schrift ...—Ik doe niets tegen de Schrift ... maar ik houd niet van gemeenigheid. Kom, Sertrude ...Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger dingen uit dieSchriftgeslikt, zonder de minste walging. Maar ’t verhuizen van een zystraat naar ’n hoofdstraat ... en kinderen met fransche namen ... en ’n dokter met bont op z’n koetsier ... och,’t is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg.Als ik nu ’n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven, om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weêr terug viel in ’t gemeene. De bybelwoede openbaart zich ’t duidelykst bygrootenkleingemeen. De tusschenstand schrikt terug voor ’n naaktheid van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straatkansel- of hoftaal, maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens “fatsoen”bewysnoodig heeft.Extra-fine-superior-water-colours ... warranted!Oude en nieuwe prenten. Stoffelsche wyshedens.De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer. Toen hy zich sterk genoeg voelde om voor ’t eerst het bed te verlaten, vond de familie dat-i “groot” geworden was. En wie dit niet zelf kon zien, zei ’t den anderen na. Maar niemand scheen inniger van de zaak overtuigd dan juffrouw Pieterse. “De jongen was uit al z’n kleeren gegroeid, verzekerde zy, en ’t zou heel watinhebben, hem weer fatsoenlyk voor den dag te doen komen!” Na van Wouters ziekte zooveelwichtigkeitte hebben geoogst als maar eenigszins mogelyk was, begon ’t mensch zich nu al toeteleggen op ’t uitbuiten van de belangwekkende bereddering die er kon worden vastgeknoopt aan z’n beterschap.’t Kind zat prenten te kleuren, die hy met ’n verfdoos ten-geschenke had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch, had Stoffel gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond ’n woord op, dat niemand begrypen kon:warranted!En ook de moeder hield zich overtuigd dat het wel “goed spul” wezen zou, omdat “zoo’n dokter toch ’n heele man is!”Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i op weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had, dan de figuren die den huiselyken tegenspoed vanJan de Wasschermoesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt onbelangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot vermaak van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ontwikkeld zyn om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste. Maar kinderen staan te laag om ’t dagelyksche te waardeeren. Sommigen myner lezers zouden waarschynlyk even als ik, veel geven willen voor ’n eenigszins volledige verzameling van de prenten waarop men in Wouter’s tyd de kleine gemeente vergastte, en toch zuilen misschien slechts weinigen zich een der eigenaardigheden herinneren, waardoor die kunstgewrochten zich onderscheidden. Ze waren namelyk op allerzonderlingste wyze gekleurd. Op elk der twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo’n vel papier—dat inde kinderwerelddeprent heette—verdeeld was, had de smaakvolle fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder in ’t minst acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen, noch op den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De rechter-bovenhoek van ’n huisjen op den linker-voorgrond, mocht mèt ’n stuk hemel en ’n paar helften van boomen of de bovenlyven van twee of drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing ’n roode of groene vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee koeien, ’n sloot, en ’n heele kudde schapen met herder en al, in ’t blauw. Zoo’n prent was “gekleurd” en kostte, dùs toegetakeld, in Wouters tyd twee duiten. Waar de finantieele krachten der kleine koopers zoover niet reikten, konden ze ook ’n halve bekomen, by welke gelegenheid het viertal plaatjes dat de middelste rei vormde,sans façonwerd doorgescheurd, en al zoo vry geschonden de wereld intrad. Maar dit scheen onze jeugdige kunstliefhebbers niet te deren. Een halve prent was hun ’n even bruikbaar voorwerp als ’n halve koek.’t Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo’n vandaalsche berusting ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in ’t bezit gezien van wat beters, doch nooit van ’n schat als die hem nu van den goeden dokter was ten-deel gevallen. Z’n nieuwe prenten bestonden meerendeels uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had iets als smaak by ’t kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich kon oefenen in ’t schaduwen. De geheele familie vermaakte zich met de geschiedenissen die daarop waren voorgesteld. Men vond erGenoveva, den verloren Zoon, de ridders van de ronde tafel, Ursyn en Valentyn, de vier Heemskinderen, gevechten tusschen Grieken en Turken, het overtrekken van den Balkan, den dood van Marco Bozzaris, ’t beleg van Silistria, Salomo’s Recht, de wyze en dwaze maagden, de geschiedenis der schoone Helena “princesse van het Oosten”en wat er al verder by zoo’n kollektie behoort.Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de personen uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy bezat de zeer nauwkeurig gekostumeerde afbeeldingen der figuren uitMacbeth,Othello,Koning Lear,Hamlet,Tooverfluit,Barbier van Sevilla,Freyschützen nog ’n tal van andere stukken, waarvan het een hem nog romantischer voorkwam dan het ander. En hy vermaakte zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van z’n helden en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche familie werd ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam. Gewoonlyk was men ’t on-eens, maar dit zette de zaak gewicht by. In één opzicht slechts scheen de familie door ’n soort van H. Geest geleid te worden tot eenstemmigheid: gezichten en handen moesten vleeschkleurig zyn, en de lippen rood. Dit had men altyd zoo gezien, en bovendien ... waarom anders zou die verfvleeschkleur heeten? Hamlet voer er slecht by, en kreeg ’n welvarender tint dan by z’n melancholie paste.—Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk beduiden, klaagde Wouter.—Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z’n moeder. Wacht tot-i van z’n school komt.En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol die we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestooten op ’n toon alsof er geurige wysheid van z’n lippen vloeide. Z’n heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op.—Wat al die poppen beduiden? Ja, zieje... ’t zyn, om zoo te zeggen, de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu, by-voorbeeld, die daar... met ’n kroon op z’n hoofd, dat is ’n koning.—Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde de moeder.—Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i gedaan heeft?—Wel zei Stoffel, ’t staat er onder. Je kunt toch lezen?—Macbeth?—Wel zeker! Dat is Macbeth, ’n beroemde koning uit den ouden tyd.—En die daar, met ’n zwaard in de hand?—Ook ’n koning... of ’n generaal... of ’n held... of zoo-iets. ’t Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies weten kan.—En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken.—Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje?—Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond?—Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen?Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.—Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan ’n mensch antwoorden kan.Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, ’n gelegenheid te zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen waren voorgesteld.De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld, en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op ’n woord dat-i niet vertalen kon—’t spreekt immers vanzelf, dat we hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?—toch was de hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens,nietzonderling? Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk.Maar we willen nu liever dat gebrek aankritiek, in Woutertje beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op ’t laatste plaatje volkomen gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van ’n woesteling als de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag dit wel, en hy was er wel jaloers op...Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens, waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo’n woestynleven opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid ’n plekjen optezoeken, waar ’t ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar ’t kwam hem niet in den zin, naar de herkomst van zoo’n garderobe te vragen.1De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. EnSalomo’s Rechtook. Al had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier ’n bybelsche zaak gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere beschouwingen te plaatsen over ’t Beleid der Justitie in Israël, zou in ’t huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men nog heden in de meeste kringen z’n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te vinden, en om niet te denken aan al ’t ònrecht dat gewis niet uitblyven kòn, in ’n land waar ’t Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.1In I. 1048 toont M. dergelyke ongerymdheden aan in de Grieksche en Romeinsche mythologie en in andere meer moderne mythologieën... en ook in de sentimenteele romans van Feith.
Waarheid in legende.—Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over ’t geloof?Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden dag weèr by haar zat op ’t omgekeerd mandje.—Ja, maar ze zyn niet mooi.—Ken je niet wat van-buiten?Wouter zei ’n vers op van een protestanterig gezang, dat geen genade vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i ’t mooi opzei.—Lees je niets anders?Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van Stoffel:Werken van ’t dichtlievend genootschap... Ippel,Aardrykskunde... Verhandeling over de spelling... Reglement op de brandwacht... Geschiedenis van Jozef, doorHulshoff ...De brave Hendrik ... Vader Jakob onder zyne kindertjes ... Preêken van domineHellendoorn...Kathechismus vanidem... Hoornliedeboek...Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by Femke. Eindelyk:—Ik weet wel iets, maar ’t is niet van ’t geloof... het is van Glorioso...Femke beloofde te zullen luisteren, en Wouter vertelde. Eerst sprak hy afgebroken, en met al deen toensdie niet gemist kunnen worden by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich in den toestand van z’n held, en verhaalde beter dan-i gelezen had in dat voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond hy op van z’n korf, en bootste de daden van z’n held na, zoodat Femke er van schrikte. Maar prettig vond ze ’t toch, en toen hy eindelyk zweeg, was er een vonk van zyn zonderling bestuurde maar oprechte geestdrift gevallen in haar hart, dat als ’t zyne klopte van verrukking over al ’t schoone dat zy gehoord had. Beider wangen gloeiden, en waarlyk als ’r een trekschuit had gereed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke oogenblikkelyk ware meêgereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar, zooveel aventuren, en... zooveel minnary. En ’t fraaist was, dat er uit Wouter’s vertelling bleek hoe zuiver zoo’n italiaansche roover in ’t geloof is.—Weet je niet nog iets?—Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... ’t staat in een klein boekje ... een almanak, geloof ik.En hy verhaalde:—Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca heette. Al de koningen van dat land heetten Inca...—Zoo als hier Oranje ...—Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru—want het land heette Peru—waren de koningen uit de zon gekomen, en als ze stierven, keerden zy terug naar de zon. En zy mochten niet trouwen met ’n meisje dat niet uit de zon voortkwam. Dat was zoo de wet in Peru...—Is ’t waarlyk gebeurd, Wouter?—Het staat zoo in ’t boekje, Femke. Nu was er een koning die drie kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons heetten Telasco en Kusco, maar den naam van ’t meisje heb ik vergeten.—Zeg maar Marie.—Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is beter, of... Emma. Of wil je dat ik Femke zeg?—Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van my spreekt, of van die prinses.—Goed: Emma. Emma was ’t eenige zonnekind in heel Peru. En niemand wist wie na den dood van den koning, Inca worden zou, want Telasco en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat meer?Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er drie te-gelyk gehad... dat kan heel goed.—Nu, Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist niet wie hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook het volk van Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat mocht niet, omdat er in de wet stond dat er altyd maar één Inca wezen zou. Toen riep de koning alle priesters by elkaar op een hoogen berg, om nader aan de zon te wezen... want de zon zou beslissen wie koning worden moest.—Maar Wouter, dat kan niet waar zyn.—Het staat zoo in ’t boekje, Femke. En ... ’t is lang geleden, heel lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net als de ivoren poort.Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar ’t verhaal, hield ze zich of Wouter’s oplossing haar voldeed.—Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen. Maar ze staken het hout niet aan ... dit moest de zon zelf doen.—Dat kan heel goed ... met ’n brandglas.—Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen brandglazen. En bovendien het was juist te-doen om den wil van de zon te weten. De kransen op den éénen brandstapel waren gelegd of ’t een letter T was, dat beduidde Telasco. Op den ander had men een K geschreven ... ik meen: met bloemen. Die K wilde zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de koning op de knieën, en alle priesters ook, en zy zongen een gebed aan de zon...—Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen, dan voor de Heiligen. En dat bidden mag ook niet ... dat is afgodery.—Ja juist, ’t staat ook in ’t boekje dat die menschen in Peru afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschouwen, zie ... ’t is lang geleden ... en ’t was een ander volk ... een heel ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld ... in Frankryk ... daar noemen ze een vader:père... dus je ziet wel dat ieder volk zoo z’n eigen manieren heeft.Femke knikte, als byna overtuigd.—Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusco en Emma zongen meê, want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen, dit begryp je wel, want als Kusco’s houtstapel ’t eerst brandde, zou hy Inca worden, en Telasco bleef maar prins. En als Telasco’s stapel ’t eerst aanging, werdhykoning, en niet Kusco. Nu, voor Emma was ’t ook een heele zaak ... want ze moest trouwen met den nieuwen Inca. Ze wou dus graag weten wie ’t wezen zou...—Maar ... ’t waren haar broêrs!—Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy ’t eenige zonnekind was. Ze woonden in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan by ons...—Ja, dat ’s waar, zei Femke, die bang was dat te veel ongeloof haar de vertelling kosten zou. ’t Zal wezen als met Glorioso en die gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet ... dat vind je alleen in verre landen.—Ja ... of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de zon geen der beide brandstapels aan...—Hé... zei ’t meisje verwonderd, want na al ’t zonderlinge dat ze vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te hooren.—Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Inca en ’t volkvan Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en Kusco. Wie ze ’t meest beminde zou koning zyn.—Toen was ’t gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze.—Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar een maand tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde, en kon niet tot een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende te weten wien zy voortrok in haar hart, dan wilde zy ’t niet zeggen, omdat ze den ander te lief had om hem te bedroeven. Want zy wist dat beiden haar beminden, en dat haar voorkeur van den één, de dood van den ander wezen zou. Zy vraagde om raad by Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen...—Hé? riep Femke weêr. En er was een vragende toon in haar uitroep. Zy meende niet goed verstaan te hebben.—’t Was in Peru ... en heel lang geleden. En daarop smeekte zy Kusco, haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde dat Telasco haar gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen moest. Ook vond hy Telasco waardiger om Inca te worden, dan zichzelf.Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters ook niet. En ook niet by den koning, die in ’t geheel geen raad geven wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmeê hy zich niet mocht bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco haar had. ’s Avonds in ’t woud had ze hem beluisterd, toen-i een lied zong waarin hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen was zy hem om den hals gevallen, en ze ging naast hem zitten op de zodenbank, en ze zei: lieve Kusco... en ze legde ’t hoofd tegen zyn schouder, en begon bitter te schreien, omdat ze hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke.—Kun je ’t boekjen niet eens meêbrengen? vraagde het meisje. Ze wilde zoo gaarne dat prentje zien.—Ach neen, ’t boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat ik niets mag wegnemen uit z’n kastje. Dat is zyn bibliotheek, weetje, omdat-i schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde. En Kusco ook ... kàn dat?—Wel neen!—In ’t boek staat het toch. Maar hoor verder. Toen ze daar zoo zaten, kwam Telasco. Hy beluisterde hen—één oogenblik maar—en trad op-eens te voorschyn. Daarop viel hy op de knieën voor Kusco, en zeide: “heil u, Inca van Peru, de dochter der zon heeft u gekozen.” En hy boog z’n hoofd tot de aarde, en wilde Kusco’s voet op z’n nek plaatsen. Dat beduidde onderwerping, in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op, en beiden te-gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. “Zy heeftulief, broeder, sprak Kusco, aanudenkt zy, vanudroomt zy,ubemint zy, o Telasco! Gy zyt koning in haar hart, en dus Inca van Peru.”Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief, om te willen dat het waar was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst recht moeielyk voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en kuste hem innig, en trok hem naast zich op de bank van zoden. Maar terwylze aan de eene zyde Telasco omarmde, trok ze met de andere hand Kusco tot zich, en... toen zat ze in ’t midden, tusschen de beide broeders. En als ze Telasco kuste, zuchtte zy: “Lieve Kusco!” en als ze Kusco liefkoosde, fluisterde zy Telasco’s naam... och, Femke, ’t was zoo moeielyk!—Ja, zuchtte Femke, ’t was een moeielyk geval.—En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco was, zeide hy: “Gy moet kiezen, Emma!” in de hoop dat ze Kusco gelukkig maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als hy meende te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z’n eigen smart dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z’n broeder.En Kusco riep: “Kies, Emma!” telkens als zy zich wendde naar Telasco’s zyde, maar hy zweeg als Emma’s hoofd opzynschouder lag. Hy vreesde den dood niet—want, Femke, hy wilde sterven als-i niet leven kon met háár—maar hy was bekommerd over Telasco’s jammer, als deze Emma’s beeld zou moeten verdryven uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen, Femke? Ik weet niet of ik ’t goed vertel, maar ’t staat zoo in ’t boek...—Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren tweelingen, zieje, daar komt het van.Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen geloof te slaan aan Femke’s begrip. Ik verdenk haar van “schipperen” met het geloof aan Wouter’s vertelling. Zy drong zich het begrypen op, omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en offerzucht der drie helden van ’t heelal. Ze was niet geleerd genoeg om met spot neêrtezien op ’t verhevene, al werd het haar dan ook meêgedeeld op ’n wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd—van individu en Mensheid alweêr—is romantiek. Ze heeft behoefte aan onmogelykheid, of wat daar naby komt, en nu Wouter eenmaal Femke zoo ver had vervoerd dat zy zich verplaatste in zoo vreemde toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een sterken bondgenoot in Femke’s vurige begeerte om ’t vervolg te weten dier aandoenlyke geschiedenis.Zyhad hem—met minder moeite, want Wouter was jonger, en bovendienonevenredigkinderlyker—haar “ivoren toren en geestelyke vaten” ingegeven, nu zou ’t hem weldra gelukt zyn haar ’t zonnestelsel te doen slikken. Maar de arme jongen wist dit niet. Om te ontleden hoe zucht totwetenwordt afgeleid door behoefte aanliefde, had hy eenige tientallen jaren ouder moeten wezen, en niet zelf de patient van dit zielkundig verschynsel. De lezer zal wel zoo goed zyn myne opmerkingen aftescheiden van Wouter’s indrukken, en niet den natuuronderzoeker verwarren met den kikvorsch die dezen tot onderwerp diende van z’n galvanische proef. Wie te traag is om de analyse te volgen van ’n menschenhart, abonneere zich op de romans van Xavier de Montépin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken. Wie zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed, raad ik aan octrooi te verdienen op ’t uitvinden van iets belangrykers. En wie, eindelyk, mynwerk afkeurt als onvolledig, of myn slotsommen als onwaar... ik zal hem dankbaar zyn voor terechtwyzing. Maar in dat geval wenschte ik de blyken te zien van wat inspanning en studie, want dat kost het my ook... en nog iets.Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma’s hart begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broêrs. Wanneer hy dàt had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden. Nu drukte Femke’s snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid met de peruaansche historie, en hy vond ze schooner dan ooit. Deze indruk maakte hem welsprekender dan-i tot nog toe geweest was. Het werd hem nu een punt van eer, Femke’s goede meening te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande van den verhaaltoon tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne personen sprekende in. Er was eenquousque tandemvan teederheid in ’t naspreken van Telasco’s woorden:“Dochter der zonne, beslis!Hyheeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Is er een ree vlugger op ’t gebergte, een jager zekerder van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru, vlugger, zekerder, heldhaftiger dan hy?“Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om u te zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen bewogen zich als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den edelen Kusco!”“Niet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied, den verhevensten telg van de Inca’s. Hy schreef uwen naam, o dochter der zon, met kunstigen knoop in z’n gordel en luid heeft hy dien naam geroepen in den stryd tegen de vyanden van Peru. Zy vloden op dien roep, als ware de beschermende zon zelve neergedaald, om de belagers van haar kinderen te verdelgen. Kies Telasco, den dapperen Telasco... o gy verhevene dochter van ’t licht!”“Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik verslagen.Hyheeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid van ’t land. Hy worstelde, streed en overwon in uwen naam...“Telascolietmy de overwinning! Hy doodde z’n eerzucht in uwen naam...“Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten...“Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie...“Bedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven alles bemint, hem alleen...“Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde?Eindelyk sprak het meisje:“Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kàn niet kiezen, zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand beeft zoodra gy me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt evenzeer als zy den druk voelt van uwe hand. Myn hart siddert by de gevaren des oorlogs, als ik weet dat gy beiden vooraan staat in de reien derkinderen van de zon, en ik kàn niet beslissen hoe ik den pyl richten zou, die bestemd was één uwer te treffen... als ik veroordeeld was die richting te bepalen.“Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al ’t wee en al de zaligheid van ’n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er in myn hart plaats voor ’n alles verterenden gloed, by ’t inzuigen der goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden van Kusco begeleidt. Myn ziel leeft door ’t genieten van uw beider bestaan. Uw beider namen hoor ik roepen door den tortel in ’t geboomte, door den wind als ze suist of buldert. Uw beider naam staat me in liefelyke kronkeling geschreven op de vlakte van ’t meer, in rangschikking van kleur op de blaadjes der bloemen, in gloeiend schrift op de zon zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons bestaan. En, Telasco, als ik neêrkniel naast den Inca, om met al de kinderen van Peru onzen god te bidden om zegen voor zyn land, dan was myn bede één zucht: uw naam! En, Kusco, by ’t danken voor de zegeningen die de oorsprong van het licht schonk aan ’t blinkend land van Peru, dankte ik, de dochter der Inca’s, met dit ééne woord: Kusco!“Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kàn niet... ik kàn niet!”Aldus sprak de dochter der zon.Maar Telasco antwoordde:“De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt, Aztalpa...—Hé? Emma heette zy...—Neen, Aztalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen weergaf, ze heette Aztalpa. Telasco zeide:“De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy ’t gebod der zon niet opvolgen?”“Laat my sterven, Telasco!”“Neen,ik, ik!... riepen beide broeders tegelyk ...“Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen.”“Kies Telasco! riep Kusco.“Kies Kusco! riep Telasco.Maar het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-gelyk, en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden.Telasco bedacht zich.“Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor naar myn voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de vederen uwer pylen blauw, myn broeder? Zyn niet de myne rood? Hooraan! Morgen, voor ’t verschynen der zon, zullen wy te-zamen uitgaan naar ’t jachtveld. Wy zullen ons in het kreupelhout plaatsen... gy, honderd schreden voorby den boom die Aztalpa’s naam draagt, door ons beiden gesneden in de schors. Ik, honderd schreden van deze zyde van dien boom. Daar zullen wy het uitzicht hebben op den heuvel, waarlangs ’t wild vlucht, als het wordt opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op de eerste hinde die eropdaagt uit het woud. Als de vederen van den pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze. Als ’t uw pyl is Kusco, die ’t wild treft ... als de getroffen hindeuwkleur draagt...De beide broeders bedekten zich ’t gelaat, als vreesden zy iets te zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien Telasco voorsloeg.“Ik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen voorslag aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een boodschap der goden. Ik neem aan, ik neem aan ... my zal zy kiezen, als de vederen blauw zyn! O stem toe, Aztalpa, beloof dat gy berusten zult in den uitslag van Telasco’s voorstel!”“Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa! smeekte de andere broeder.En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar hart te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den volgenden dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit het woud.Den volgenden morgen vroeg, by ’t eerste licht der zon, hoorde Telasco van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met trom, bekkens en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de kleine heuvel, waar gewoonlyk ’t wild het geboomte verliet, als het schrikkend wegvlood voor ’t gevaarspellend geraas. Zóó jaagde anders Telasco niet. Zóó was de buit te licht gewonnen, en zelfs kwam zoo’n jacht hem voor als verraad. En ook nu jaagde Telasco niet op die wyze, want zie, z’n pylkoker lag naast hem, en de hand die de boog moest spannen, ondersteunde het hoofd.Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch vatte z’n trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot misschieten, als de eerste hinde zich vertoonen zou. “Misschien heeft de opmerkzame Kusco myn pylen geteld, by ’t samen uitgaan, dezen nacht.” Zoo dacht hy, en maakte zich gereed tot zorg dat er één pyl zou ontbreken aan ’t getal...Het gerucht kwam nader. Weldra zou...Daar vloog een hert, hooggeweid ... wilde buffels ... zwynen ... bevallige gazellen ... méér herten, méér buffels ... zwynen weer ... o God, de hinde, de hinde ... daar was zy! Daar stond het verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de wisse schoten der beide jagers ... neen, ditmaal beschermd door Telasco’s en Kusco’s edelmoedigheid.Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z’n pyl met de oogen, maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hemzelf het hart doorboorde.En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z’n pyl in den grond, en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy daar zichzelf begroef.Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die ongedeerd verder vluchtte.“Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep Kusco, die wild te-voorschyn sprong.“Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebtmymisleid. Gy hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z’n broeder te-gemoet snelde.“Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco.En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden aan Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over misleiding.Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco’s ziel. Hy zeide:“Wederom zullen wy ons, tegen den dageraad, plaatsen in het kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild opjagen naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de eerste hinde treft, Aztalpa’s keuze bepalen, maar ... Telasco, zweer my dat gy schieten zult, ditmaal!“Ik zàl schieten! En gy, beloof my dat gy treffen zult.“Ik zàl treffen!“Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel om te raken en te dooden? Werkelyk, de eerste hinde? Waarlyk? Zult ge?”“Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?”“Kusco, ik beloof het u.”Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den vorigen. Wel waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden op wild. Straks omklemde de linkerhand de slangenhouten boog. Duim en voorvinger van de rechter weerhielden den pyl tegen ’t halfgespannen koord. Het oog staarde over den gestrekten duim, zich richtend langs de punt van de schicht naar de opening van het woud. O, lang vóór de hinde den top des heuvels bereikt had, zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog een bison snuivend uit de wildernis...zwynen...herten... een hinde...Doodelyk getroffen stortte ’t arme dier neer...“Ik groet u, Inca van Peru!”Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn tredend uit het kreupelhout.“Gy hebt verwonnen, Kusco... ’t wasuwpyl!“De uwe, Telasco!’t Kàn de myne niet geweest zyn ... myn hand sidderde toen ik schoot.“Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde.“Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa!“Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon.“Gy, broeder!“Gy!”“Ik verzeker u datmynpyl...“’t Kàn de myne niet geweest zyn...“Den heuvel op!Dit laatste riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden zy naar de plek waar de hinde gevallen was...“Ik zie uwe kleur ... riep Kusco, nog op een afstand.“Onmogelyk broeder... de pylveêr is... blauw! En ’tmoetblauw zyn, want...“Hetmoetrood zyn, want...Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide broeders hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met verwisselde kleur.Want ’s nachts was Kusco, voorzichtig als ’n misdadiger, geslopen in de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl geroofd uit den koker zyns broeders. En niet moeielyk was deze diefstal, want Telasco’s legerstede was ledig. Er was niemand ter bewaking van de wapens, waarmeê hy niet wilde overwinnen...Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde? Telasco was ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om den blauwgeveêrden pyl te stelen, waarmeê hy Kusco wou maken tot Aztalpa’s uitverkorene, tot Inca van Peru. Begryp je ’t, Femke?—Ja ... maar...—Je moet altyd denken, ’t was vèr van hier, en ’t is lang geleden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd, en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de zon. Dit deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon antwoordde altyd hetzelfde: dat Aztalpa kiezen moest...—Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde?—Altyd. ’t Staat zoo in ’t boekje... ’t was vèr, weetje. Nu, Aztalpa moest kiezen. Daar was niets, niets, niets tegen te doen. En toch wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde.Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide:“Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte. Gy wilt niet kiezen, Aztalpa... welnu, ge zult sterven...—O God, riep Femke...—Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal je zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat Aztalpa niet zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde legde hy haar uit, waarom:“Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid komen in ’t land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat ge my kiest, omdat men weet hoe ’t den goeden Kusco zou bedroeven, my verstooten te zien. En wie my liefheeft, vordert dat ge aan Kusco uwe hand reikt, wyl men beseft hoe ’t my zou smarten, gelukkig te wezen by zyn wanhoop. Gy moet sterven, Aztalpa! Geen burgeroorlog mag ’t gevolg zyn der verdeeldheid van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn tot den oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweërlei toon in de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden opstygen, en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze lofliederen. Daar ... daar ... daarboven, zyt ge ons beiden even naby, Aztalpa! Daar kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den oneindigen rykdom uwerbescherming. Gy zult Kusco antwoorden in ’t ruischen der palmen, zonder dat ik te-vergeefs naar uw stem luister in de muziek van de zee. Hem en my zult ge verschynen in den droom... en myn arm zal niet slap nêervallen by de gedachte aan Kusco’s verlatenheid, noch hy bedroefd zyn door ’t besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor ’n liefde als de uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het, gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die ’t wist dat gy noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verheffing tot geest, omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting van zoo veel gevoel.Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is geen plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor ons beiden op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel...Aldus sprak Telasco.Kusco zweeg.En Aztalpa zeide:“Broeders, ik ben bereid.”En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het woud op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon. En daar was veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin Aztalpa zou opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze verbrand worden.Je weet, Femke, de rook gaat altyd naar boven. Dat is om optestygen, weetje?—Ja, antwoordde ’t meisje, met ’n overtuiging als-of ze Velleda zelf was. Och, ze had ’r boekje vergeten, en was ontrouw aan al haar Heiligen.—O God, Wouter, ’t doet me zeer! Moest Aztalpa nu waarlyk sterven? ’t Was wreed van Telasco...—Wat zou jy gedaan hebben, Femke?—Ik zou, ik zou... ik weet het waarlyk niet, Wouter.—Zieje, ’t was moeilyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen de beide broeders. Ze was in ’t wit gekleed, en een witte sluier hing haar over ’t gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men knielde. Aztalpa omhelsde haren vader, groette de menigte met de hand, en riep:“Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!”Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den brandstapel. Kusco’s houding was gebogen, en zyn tred was wankelend. Maar Telasco scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa niet sterven zou...Een diepe ademhaling verluchtte Femke’s gemoed. Met open mond staarde zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ontknooping opvangen met al de kracht van haar ziel.—Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het wist. Hy trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving... Kusco stond met de handen voor ’t gelaat... Aztalpa kruiste de armen voor de borst...zy boog het hoofd...Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco:“Broeder... één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood ontvangen van Kusco’s hand!”Telasco slingerde den dolk weg, en riep:“Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar staat uw Inca! Aztalpa, vaarwel!”Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco.Maar, toen deze z’n broeder zocht, was Telasco verdwenen. Men heeft hem nooit wedergezien. Vindje ’t niet mooi, Femke?—Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco haar verzoek zou uitleggen, had ze ’t niet gedaan. Maar de vertelling is mooi. Ik wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan?—Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, ’t staat zoo in ’t boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen stuiver om den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten. Och, Femke, ik wou zoo graag dat m’n vers al af was...—’t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets moeielyks te doen.—Neen, ik zal denken aan ’t meisje. Goeden avend, Femke...Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z’n vertelling. En droomend van Aztalpa, die op ’n bleek paste, stapte hy door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en ’t speet hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy verbeeldde zich dat hy nu by ’t maanlicht, beter nog dan anders zou verteld hebben. Maar ’t kon niet, om den stuiver, dien-i niet had.Wouter’sdroom.—Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat “die jongen” zelfs in den slaap z’n rust niet houden kon.Ziehier de oorzaak waarom Wouter z’n broeder Laurens zoo onheusch bejegende.DAAR ZAT EEN SLAPEND MEISJE IN ’T GRAS... OF ’T FEMKE WAS?Wat stond zich de maan te vervelen,Dien avend in ’t luchtruim alleen!De sterretjes waren verdwenen.Omdat zy te flikkerend schéén.Het is voor zoo’n maan niet pleizierigAlleen aan den hemel te staan.Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,En helpt het humeur... naar de maan.Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing,En troostte wat smachtend gevoel,En hielp een paar dichters aan verzen,Maar bleef als die verzen zoo koel.Zy straalde wat hoop in de harten,En droogde in ’t voorbygaan een traan,Maar ’t mooist wordt ten-laatste vervelend...Ze had dit zoo vaak al gedaan.Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde...Vervelend was al wat ze zag.“Och, riep zy, als dàt niet verandert,“Dan neem ik als maan m’n ontslag.“Ik sta als een gek te schynen,“En schitter me kreupel en lam.“Geen mensch die me ’r ooit voor bedankte,“Of die er notitie van nam.“Dat menschvolk is bitter ondankbaar!“Voor ’t zonnetje maakt men zich mooi,“Háár opent men deuren en vensters...Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.“Men moest daar beneden bedenken“Dat ’k nooit van m’n overvloed scheen.Ikzelf sta in ’t kryt by m’n zuster...“Die leent me... sints Genesis één.”’t Is drukkend—vooral aan famielje—“Zoo’n schuld van ’n eeuw of wat licht!“Ik schrik als de zon me komt manen,“En bleek wordt m’n mane-gezicht.”Zoo pruilde op een avend het maantje,En dit had de nachtwind verstaan.Hy vond dat ze recht had tot treuren,En was met haar droefheid begaan.En suizend begon hy te jagenLangs wegen en vaarten en wei:“Hop ... hop ...al wat mee kan, aan ’t dansen,“Wy geven de maan een party!“Hop, hop... in de rondte... naar boven...“Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!”Daar dansten de bladen in de ronde,Of schuifelden voort in galop.Daar knakten de takken der boomen,En zeiden de stammen vaarwel,En zwierden als dansende spoken,En speelden een wonderlyk spel.Daar vlogen de pannen der daken,En namen hun deel aan het feest.De schoorsteenen bogen deemoedig,Als waren zy hoflui geweest.De molens vergaten het malen,En noodden de boomen ten dans,En walsten met hunne bemindenOp hun muren en wallen en schans.“Hop, hop... in de rondte... vooruit maar...“Dien weg uit... omlaag by de poort...“Wat ’n vischlucht!... om ’t even... vooruit maar!“Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!”Daar zat een slapend meisje in ’t gras... of ’tFemkewas?Daar naderde joelend de bruiloft,En huppelde om ’t slapende kind.Haar bleekgoed rees op van de zoden,En danste op muziek van den wind.Daar neigden de hemden potsierlyk,En boden elkaêr hun manchet.Daar danste een pudiek chemisetjeMet ’n onderbroek een menuet.Daar lonkte de slaapmuts van passie,En maakte haar pluimpje zoo mooi.En drukte aan het fladderend jabootjeHeel sentimenteelig de plooi.De zakdoeken werden zoo dartel,En waagden zich boven hun stand,En reikten aan nuffige kraagjesHun opengewerkten rand.De slobkous, verliefd van complexie,Maakte aan een fichutje de cour,En sloot het verrukt in z’n knoopen,En zuchtte zoo innig: bonjour!Daar walste een bretel met een vestje,Een kindersok met een servet,En ’t windje gaf lustig de maat aan,En maakte geen eind aan de pret.En warrelde vroolyk daartusschen,En joeg alles rond op de baan ...En suisde: “hop, hop ... à vos dames ...“Wy geven een bal aan de maan!”Daar zat een slapend meisje in ’t gras... of ’tFemkewas?En dichter en dichter gedrongen,Sprong alles om ’t slapende kind ...Daar fladderden wild haar de lokkenOmhoog, op muziek van den wind ...Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze!En ylings ... de stoet nam haar meê,En droeg haar ... o hemel ...—Femke ... Femke!—Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning, die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en halsboordjes, op weg was naar de maan ...Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit hoofdstuk zoo dramatisch begint.Het “huis” Pieterse vergaderde voor Wouter’s bed. Daar was de edele stamvrouw, gehuld in ’t eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten de meisjes niet meer, na ’t verhuizen. Truitje was Gertrude geworden, zoo goed als ’n ongekeurde vorstin van Hessen. Myntje heette nu Mina, en wie haar pleizier woû doen, sprak deauit als eene.Dat gaf zoo’n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.Hyzelf kwam ook voor ’t licht, en verbaasde zelfs z’n moeder die zooveel van hem wachtte, door z’n deftigheid in gang en houding.—Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.—O, moeder, moeder ... Femke!—De jongen is gek, was ’t eenstemmig oordeel der Pietersens.En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.—Ze zouden haar wegdragen ... al draaiende ... altyd in de rondte ... en ze sloot zich aan den rook die opstygt ... opstygt ... dochter van de zon, beslis ... hier is Telasco ... neen, sterven zult gy niet, Emma, Aztalpa ... Femke, o god, blyf, blyf ... ik zal op de bleek passen ... ik zal de hinde schieten ... blyf, Femke, blyf ...een weduwnaar met god ... samen door de ivoren poort ... daar gaat ze weêr ... alléén ... omhoog ... Omikron, blyf!—Als we eens den dominee lieten roepen? vraagde de moeder, aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft ... of beide.En voor ’t eerst van z’n leven misschien, had Stoffel een goede gedachte:—Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig, is ... Wouter is ziek.Zoo was het. De arme jongen was aangetast door ’n zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter’s gemoed. Maar dit kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van ’t kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking nuttig. De dokter vertelde haar, tot ’r groote verbazing, dat men z’n kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er lucht, licht, leven, beweging,genotnoodig is tot ontwikkeling van ziel en lichaam. Datstraffen—met of zonderHeerdan—niet te-pas komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding ... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter ...—Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i komt. Hy schryft z’n receppies met ’n gouwe pen, en z’n koetsier heeft een bruine beer om z’n hals ...Ja, juist! zoo’n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden, dan zou ’t gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in ’t geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.—Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter er was. Ga ’t haar eens zeggen, Sertrude ... dat Woutertje ziek is, meen ik ... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe ... zoo laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny ... er moet toch zout wezen ... en maak ’n praatje ... ’t is niet om te praten, weetje ... je weet, ik hou niet van praterigheid ... ’t is maar, weetje, om te weten of de menschen ’t gezien hebben? En jy, Petró, denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want ’t is m’n ’n man ... zoo’n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak ... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet ... maar ik ben benieuwd of ze ’t gezien hebben in de komeny.Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter’s ziekte. Er was iets voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur.Alas, poor mankind!Weêr een avendje.—Maar, lieve jufvrouw Pieterse, hoe moet het nu met m’n oom? Jelui bent allemaal gevraagd, en ik heb ’m gezegd dat er een vers wezen zou.—Dat ’s moeielyk, jufvrouw Laps. Je begrypt dat het wurm nu geen verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel? Als we ’t hèm eens vroegen?—Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben ik geskandeliseerd.Stoffel werd uitgenoodigd Wouters plaats te vervullen. Hy had er veel tegen.—Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-kort doen aan ’t respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met de jeugd, dan is respekt nummer een, en zoo’n vers...—Maar de jongens op je school hoeven ’t niet te weten...—’t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet uwe zoo niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook verzen maakte ... en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost, moeder ... en hy is me nog de helft schuldig in een kruik inkt. Zieje, moeder, dat komt er van. Ieder moet op z’n zaken passen. Zoo’n vers ... dat is goed en wel voor een jongetje als Wouter ... maar als men zelf onderwyzer is...—En meester Pennewip dan? vroeg jufvrouw Laps.—Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip...—Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel!—Juist ... je hebt een vers van hem gelezen ... dat is ... dat komt... hoe zal ik ’t je nu precies uitleggen, jufvrouw Laps. Je begrypt, by zoo’n vak als ’t onderwys, heb je allerlei soort van dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik maar eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u, moeder?—Jawèl, jawèl, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou...—Amsterdam aan ’t Y. Precies. En dan heb je weêr heel andere dingen, want jufvrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al zoo by dat onderwys te-pas komt. Een kruidenier mengt z’n suiker met wat anders, en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy ’t pond moet verkoopen, om geen schaê te hebben, verbeeld je eens! En dan heb je nog de gezelschapsrekening, en de breuken, en de werkwoorden ... maar nu moet ik weg, anders slaan de jongens den boel stuk.Stoffel ging dien middag vroeger naar z’n school dan gewoonlyk, en liet jufvrouw Laps heel ongesticht achter. ’t Mensch wou maar niet begrypen, hoe Madrid en die kruidenier met de breuken, hinderpalen konden wezen voor Stoffel’s rymgenie of schoolmeestersfatsoen. Jufvrouw Pieterse praatte het goed, ik weet niet hoe, en ze stuurde jufvrouw Laps naar meester Pennewip zelf.De man zag vreemd op, by ’t bezoek van het vertoornde zoogdier, maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling.—Tot welke klasse behoort uw oom, jufvrouw?—Wel ... tot de klasse van ... van ... meent u weer iets van oesterschelpen en eieren?—Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat ... ik bedoel ... op welke hoogte ... ik herzeg op welken trap ... als gy deze uitdrukking begrypt—het is eene beeldspraak, juffrouw—op welken trap dan van den ladder der maatschappy?—In de granen, meester. Meent u dat?—Dit is niet voldoende, jufvrouw Laps. Men kan in de granen zyn ... als koekbakker ... als broodbakker ... als kleinhandelaar ... als groothandelaar ... als tusschenhandelaar ... en ook deze bedryven hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman,—die door sommigen onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt, ofschoon anderen beweren ... doch dit zullen wy onbeslist laten—zeker is het, dat Jozef granen opkocht, en op den bovensten trap stond, want, jufvrouw Laps, wy lezen inGenesis XLI...—Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao’s wagen, en droeg een witte zyden rok. Myn oom is fakter. Dat was m’n vader ook.—Zóó ... o ... o! Fakter ... ten-rechte gezegd: factor ... ei! Daarvan zegtGenesisniets ... en ik weet niet met zekerheid of deze klasse van personen ...—Myn oom is wéwenaar ...—Ziet ge, daar hebt gy ’t verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk dat Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den priester te On, en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote—of volgens sommigen, echtgenoot—reeds overleden was, toen hy zich toelegde op den graanhandel. Dus jufvrouw Laps ... ik zou u raden, als ’t u ernst is uwen oom te bezingen in een godsdienstig lied, u te begeven naar een myner leerlingen ... Klaasje van der Gracht.En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind vinden kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te scherp is, maar ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie, ik meen te weten dat hyzelf het gevraagde vers zou geleverd hebben, als jufvrouw Laps oom een wit kleed van den Koning had gekregen, of den Haag was doorgereden in een hofkoets. Maar ’t bezingen van een “fakter” liet hy over aan ’t genie van denvliegenden theeketelin de Peperstraat. Dit was niet mooi van Pennewip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was gegooid door z’n broêrs? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren? Dat-i geen droom kon uitleggen? En dat men tegenwoordig geen scherpzinnigheid beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onderkoningschap?Hoe dit zy, jufvrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid voelde door ’t bezoek.Er werd plechtig besloten dat Klaasje dienzelfden avend nog het vers kant en klaar zou maken. Hy zou ’t den volgenden ochtend by jufvrouw Laps komen opzeggen, en als ’t waardig werd gekeurd detolk te zyn van hare gevoelens jegens ’r oom, zou Klaas meêgenood worden op ’t avendje. En, had z’n vader gezegd, dan zou hy ’n witten das om hebben, met ’n opstaand boordje.—ja, net als Jozef, zei jufvrouw Laps ... zoo zieje hoe de Schrift toch alles vooruit wist.En ’t mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte overeenkomst te vinden tusschen Jozef’s verheffing en de apotheose die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht dat ze een mantel in de hand hield.Depoëta laureatusmeldde zich den volgenden morgen by haar aan, en dreunde z’n vers op. Wy zullen het later hooren, als het wordt voorgelezen op ’t avendje dat ons wacht, maar voor-af moet ik melding maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize van de Pietersens plaats vond.Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter had rust voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van ’t behangsel, en dwong zich die anders te rangschikken in zyne verbeelding. Hy liet ze over elkaêr springen, inëenvloeien. Hy zag er gezichten in ... personen ... legers ... wolken ... och, alles leefde! Wel was ’t vermoeiend, maar hy kon niet anders. En als-i zich omkeerde naar de muur-zy, was ’t nog erger. De hieroglyfische krassen vertelden allerlei dingen die hy niet noodig had te weten, en overlaadden hem met onnoodige indrukken. Hy moest de oogen wel sluiten, maar vond geen rust. Het was hem, of-i werd meêgevoerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest deelnemen aan ’t bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd als om de afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te brengen, maar ’t baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die muur, die bloemen, die dans, dat opnemen van Femke door den wervelwind ... zyne poging om haar vasttehouden ....Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeelding was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet konden dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde, om de maan wat op te beuren in haar eenzaamheid ... maar toch ...Schreiend riep hy zachtkens Femke’s naam, zacht genoeg om niet te worden gehoord door zyne verwanten, luid genoeg om wat lucht te geven aan zyn beklemd gemoed ...—Wat is dat? ... riep hy op-eens, antwoordt ze? Is dát ook verbeelding?Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en ’t was Femke’s stem!—Ikwilweten of ik droom, zeî ’t kind, en hy richtte zich overeind in z’n bed. Dàt is een roode bloem ... daarnaast een zwarte ... ik heet Wouter ... Laurens is op ’t letterzetten ... dit is alles juist ... ik droom niet ...En hy luisterde weêr, en boog zich buiten de bedstede, en opende mond en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden ter-hulpe komen aan zyn gehoor ...—O God ... Femke’s stem! Ja, ja, zy is het!Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van ’t bed af, de deur uit, rolde de trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van ’t bleekmeisje, dat in ’t portaal beneden een harden stryd voerde met het gezin der Pietersens.Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche vertelling. Eerst meende zy dat het om ’t prentje was, waarop Aztalpa de beide broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter’s schoolmeesterlyke broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen afstand te doen van den almanak die zooveel schoons bevatte. En ook zonder dat prentje, Femke verlangde Wouter weêrtezien. Om z’n persoon kon ’t niet wezen—zoo’n kind!—maar Wouter vertelde zoo aardig. En misschien vloeiden in ’t hart van dat meisje Wouter’s persoon in-een met de verhalen die hy deed. Analyseeren, verdeelen, is een hulpmiddel tot studie.Qui bene distinguit, bene docet, ja, en zelfs:qui bene distinguit, bene discit... dit alles is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy onderwees niet, en leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die niet studeert, en maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met allerlei aandoeningen door elkaêr, en liet het over aan dezen of genen professer in de ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes in elkander zaten, waarmeê Femke—die lieve karper!—zou rondzwemmen in den vyver van haar zestien jaren.—Leg ’t goed in de zon, riep haar de moeder toe...En dit vertaalde Femke aldus:zon...Peru...Aztalpa... Kusco... Wouter!—Jaag de kinderen weg... ze gooien vuil op de bleek... Femke vertaalde:moedig in den stryd tegen de vyanden vanPeru...hy de edelste telg derInca’s... Telasca... Wouter!Och... alles riep: Wouter!En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den tweeden, ongeduldig. Den derden, ongerust...—Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat ’n vers moest maken...—Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je ’m te vinden?Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet waar Wouter woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te erkennen. Er lag moed in haar voornemen om ’t kind optesporen, welks woning zy niet wist, en die moed wilde zy verbergen. Waarom?Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy ’t:hoe mal!dat zoo vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is ’n eigenaardigepudeurin liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy ’t goede dat in ons is, en pronken liever met fouten. Dit is huichelaryà rebours.Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het weinige geld mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers. Ze liep met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een winkel wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam ze terecht in de Hartestraat. De loop der straten die in ’t eerstehoofdstuk der geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had geleid naar de aschpoort, voerde nu Femke van die poort naar den boekwinkel, waar we onzen held het eerst aantroffen. Minder beschroomd dan Wouter—Femke was ouder, had meer omgegaan met menschen, en dacht minder na—vraagde zy flinkweg den onvriendelyken man van den winkel: “om ’t boek over die gravin met den sleep?”—Hé? Hoe is de titel?”—Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar ’t is over een roover ... de Paus komt er ook in ... of eigenlyk ... och ’t is my te doen om een jongetje dat gelezen heeft in zoo’n boek. Ik wilde u vragen waar dat jongetje woont ... en ik wil er graag voor betalen ...—Kom je my hier voor den gek houden? Denk je dat ik hier zit om jongetjes optezoeken.—Maar m’nheer, ik wil er voor betalen, zei ’t meisje, en zy legde haar schat op de toonbank.—Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje!Nu werd Femke boos:—Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed ... dat laat ik me niet doen. Als je ’t niet zeggen wilt, dan kun je ’t laten ... maar ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent.En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps:—Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren?—Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben?—Ik vraag ’t boek van den roover en Amalia, zei Femke.O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te vragen om-niet ... zy voelde zichklantnu.—Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Rinaldini?—Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe,asjeblieft, help my...Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy verwaardigde zich optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen.Vry spoedig noemde hy Glorioso...—Dàt is het... juist, dàt is het! riep Femke verrukt.—Maar je moet pand geven, zei de man, terwyl hy op een trapje klom, om ’t dierbaar boek te krygen.—Neen, neen ... ik heb ’t boek niet noodig, ik wil maar weten waar het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo graag voor betalen!En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde niet, zei de man. “Hy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst doen, als men ’t hem vrindelyk vraagde.” Och, Femke zag er zoo lief uit, en ze had iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte.De man zag na in ’t register, waar-i spoedig den naam vond dien Femke opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de woonplaats. Hy wees het haar, en wilde nu bovendien uitleggen, hoe zy den kortsten weg nemen kon....Femke was al de deur uit, en had zelfs vergeten, haar neêrgelegdgeld meêtenemen. De man liep haar achterna om ’t terug te geven, maar-i had moeite om ’r intehalen. Zoo liep ze!Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie Pieterse, verhuisd was “naar een fatsoenlyker buurt.” ’t Was nog al ver, maar ’t meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens aangeland, werd ze ontvangen met een barsch “wat moet je?” van de jonge-jufvrouwen.—Och, jufvrouw, ik wilde weten hoe Wouter ’t maakt?—Wie ben je?—Ik heet Femke, jufvrouw, en m’n moeder is een waschvrouw ... maar ik wou weten hoe ’t met Wouter is?—Wat heb jy met Wouter te maken? vraagde nu jufvrouw Pieterse, die kwam aanloopen op ’t gerucht.—Och jufvrouw ... wees ’r niet boos om ... ik wou ’t zoo graag weten ... en m’n moeder weet er van, dat ik hier ben om ’t te vragen. Wouter heeft my verteld van Telasco, en van dat meisje dat sterven moest ... o god, jufvrouw, zeg me of hy ziek is ... ik kan er niet van slapen ...—Jy hebt niks te maken met Wouter ... je kunt heengaan ... ik zeg je nu dat je heen gaat ... ik houd niet van volk aan de deur ...—Om-godswil, jufvrouw! riep ’t meisje, en wrong de handen.—De meid is mal! Duw ’r de deur uit, Trui, en gooi die toe ...Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myntje en Pietje maakten zich gereed haar bytestaan, maar ’t moedig kind hield vol. Ze greep de leuning van de trap, en klemde zich vast.—Gooi ’r de deur uit, die brutale meid ...—O god, jufvrouw, ik ben niet brutaal ... och, ik zal terstond gaan ... zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, jufvrouw, zeg me dat! Dan zal ik gaan ... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter ziek is, jufvrouw ... en ... of ... hy ... sterven ... zal?Hier berstte ’t kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen van de soort als waarmeê zy te-doen had, konden ongeroerd blyven, by ’t aanzien van Femke’s smart. Maar de jufvrouwen Pieterse hadden burgerlyke zielen.Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door adel. ’t Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat komt niet in aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises naast elkaêr. De “heele fatsoenlyke menschen, die schoenen verkochten uit Parys” komen daar niet.—Ik ga niet, gilde Femke ... o god, ik ganiet! Ikwilweten, of ’t kind ziek is ...Men hoorde boven aan de trap een deur openen. Wouter vertoonde zich, rolde de trap af, viel als een bom op de strydenden, en daarna voor Femke’s voeten in zwym.—Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes stonden roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem naar boven. Men wees haar Wouter’s bed, en daar legde zy ’t kind neer. Niemand had den moed haar te verjagen, toen ze zich neêrzettevoor de legerstede, en als er op dat oogenblik had moeten gestemd worden over voorrecht, rang, gezag ... o, aller stemmen waren op Femke gevallen. Maar zyzelve wist niet dat ze groot was. Ze schreide, en mompelde: “Och, neem ’t me niet kwalyk jufvrouw, maar ik kon er niet van slapen ... zoo dacht ik aan dat kind!”De avend is dáár, Leentje past op Wouter, en ’t huis Pieterse is present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den salon op.—’t Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat wou ze eigenlyk, dat meisje?—Gut m’nheer ... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan Gertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ... een vreemd schepsel, zoo maar baasspelen in je huis ... en ik zeg al zoo tegen Mina! gooi ’r toch de deur uit ... en toe zei Petró ...—Nou ... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en toonde een blauwe plek aan de pols, waaruitikzou besluiten dat Femke háár had beet gehad.—Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal ’t haar verleeren!—Enik, zei Mina.Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel meer. Maar zeker is ’t, dat Femke’s naamnuniet zou getriumfeerd hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.—Een gemeene meid, m’nheer!—Eenheelegemeene meid!—O, zoo’n gemeene meid!—En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?—Ja, dat was moeielyk... ik zei...—Né moeder...ikzei...—Né,ik!—Né,ik!Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor ’t middelpunt der gebeurtenissen die ’r werden verhaald.—Ik wou wel ’ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei jufvrouw Laps. Ja, oom, er is ’n verrassing...’t Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar iemand anders, als zy iets te vertellen had.—Nu dan, wy zeiden ... ja wat zeiden we ook, Sertrude?—Moeder ... ik zei ... dat het schande was.—Ja dat heb ik ook gezeid. Nu ... toen vroeg dat schepsel koud water ... en toen we ’t niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de pomp ... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte ... en maakte een doek nat, en legde dien op Wouter’s hoofd. Ik was ontdaan over zooveel brutaligheid. En ze huilde, of ’t naar jongen was, m’nheer! Nu, ’t kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen ... verbeelje, daar we by waren!Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!—En toen bleef ze nog wat zitten voor ’t bed, en praatte met Wouter ...—Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw Laps. ’t Is maar, weet u, oom, omdat we ’n verrassing hebben.—En eindelyk ging ze heen ... en ze liep als een prinses.—Net ’n prinses ... betuigden de meisjes, die niet wisten dat ze waarheid zeiden.—En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat zal mis wezen ...Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op ... och ja, de katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Ze gevoelde dat de ster van haar discours verbleeken zou voor de zon van ’t vers dat Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve katechiseermeesters er deftig uit! Wat ’n stap, wat ’n houding, wat ’n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!—Myn heer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ... van wien u wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen ... maar u begrypt wel ... als men vader is ... nu, alle zegen komt van boven!—Ja oom, er is een verrassing.—Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen heer ... op den heugelyken dag van zyn verjaren ... brengt ons in de stemming van den Psalmist ... en ik verheug my door de genade ... want mynheer ... alles komt van boven ... dat zal uwe ook wel weten.—Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?—Ja, ’t is frissies. Koud kan ik niet zeggen, ’t Is wat je noemt ... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen ... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.—Och ja! riep ’t heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te wezen. Verbeelje ’t lot van een armen drommel die in dezen kring eens had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig was men ’t eens, ditmaal.—Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing?—Ga je gang, nicht. Wat is het?—Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet ... want hy is me te na ... maar ’t is mooi, dat durf ik gerust zeggen. ’t Is niet om te roemen ... alles komt van boven ... neen, roemen zal ik niet. Als ik roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.De dichter Klaas maakte z’n mondje klein, alsof-i met z’n lippen te drinken gaf aan een vogeltje.Hy sloeg de oogen neèr, en speelde met den ondersten knoop van z’n vest. Z’n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op ’n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op ’n gebruikt servet... neen, op ongaar brood...Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van de soort die ik bedoel,adept-clownsin de kermistent des Heeren,pierrots van de onanie.—Dus, myn heer, ’t is niet om te roemen ... haal ’t maar voor den dag, Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen ... ’t is mooi! Want ziet u, in de Schrift ...Klaas haalde z’n vers voor den dag.... in deSchriftwordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van weduwnaars ... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol weduwen ...Klaas legde ’t vers voor zich op tafel.... vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.—Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw Laps.—Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer ... zeventig weduwen! Lees nu maar op, jongen!Klaas stroopte z’n armen op, streelde z’n boordjes, en begon:Al de weduwen der Heilige SchriftWorden hier tot een vers gezift;Ter verblyding op ’t verjarenVan godzalige weduwnaren;Juichend, bloeiend in den Heer,Aan Jehovah lof en eer.—Dat is ’t opschrift, lichtte de vader toe.—Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezenDat ’n weduw in ’t huis van haar schoonvader moet wezen;En Exodus XXII, ik zeg ’t zonder vrees,Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...—Merk op, myn heer, dat het vers en ’t kapittel beide twee-en-twintig zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren;Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewisDat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons wetenDat een weeuw zonder kinderen ’t brood van haar vader mag eten;En Numeri XXX, vers negen, wel geteld,Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt;In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...—Hé? vroeg jufvrouw Laps.—Ja, dat wil zeggen:majesteit, legde de Katechiseermeester uit.Luister maar verder, jufvrouw... ’t is niet om te roemen... ik zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!met geschreeuw,Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw;In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoordOm alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezenHoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeldDat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op ’t veld;In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschrevenDat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt ’t voort:Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort;Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen,In vers 19, dat men ’t recht van de weduw niet mag buigen;TweeSamuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk vanDat Davids bywyven leefden als weduwen, by ’t leven van haar man...—By...wat? vraagde jufvrouw Pieterse.—Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen...—De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en staan niet om-en-om.—Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester bent ... maar dàt kanmynu niet schelen. Ik vind die by ... by ... by ... hoe zal ik zeggen?—Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps.—Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort Klaas!—Noen, zulke dingen wil ik niet hooren ... ’t is om de meisjes.Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in zoo’n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn, en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands bywyf te willen worden.—Ga voort, Klaas!—Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten ...—Maar, jufvrouw, ’t staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten tegen ’t woord des Heeren?—Né ... ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk is. Myn man ...—Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw ... maar uwe zal toch niet tegen de Schrift ...—Ik doe niets tegen de Schrift ... maar ik houd niet van gemeenigheid. Kom, Sertrude ...Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger dingen uit dieSchriftgeslikt, zonder de minste walging. Maar ’t verhuizen van een zystraat naar ’n hoofdstraat ... en kinderen met fransche namen ... en ’n dokter met bont op z’n koetsier ... och,’t is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg.Als ik nu ’n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven, om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weêr terug viel in ’t gemeene. De bybelwoede openbaart zich ’t duidelykst bygrootenkleingemeen. De tusschenstand schrikt terug voor ’n naaktheid van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straatkansel- of hoftaal, maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens “fatsoen”bewysnoodig heeft.Extra-fine-superior-water-colours ... warranted!Oude en nieuwe prenten. Stoffelsche wyshedens.De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer. Toen hy zich sterk genoeg voelde om voor ’t eerst het bed te verlaten, vond de familie dat-i “groot” geworden was. En wie dit niet zelf kon zien, zei ’t den anderen na. Maar niemand scheen inniger van de zaak overtuigd dan juffrouw Pieterse. “De jongen was uit al z’n kleeren gegroeid, verzekerde zy, en ’t zou heel watinhebben, hem weer fatsoenlyk voor den dag te doen komen!” Na van Wouters ziekte zooveelwichtigkeitte hebben geoogst als maar eenigszins mogelyk was, begon ’t mensch zich nu al toeteleggen op ’t uitbuiten van de belangwekkende bereddering die er kon worden vastgeknoopt aan z’n beterschap.’t Kind zat prenten te kleuren, die hy met ’n verfdoos ten-geschenke had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch, had Stoffel gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond ’n woord op, dat niemand begrypen kon:warranted!En ook de moeder hield zich overtuigd dat het wel “goed spul” wezen zou, omdat “zoo’n dokter toch ’n heele man is!”Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i op weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had, dan de figuren die den huiselyken tegenspoed vanJan de Wasschermoesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt onbelangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot vermaak van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ontwikkeld zyn om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste. Maar kinderen staan te laag om ’t dagelyksche te waardeeren. Sommigen myner lezers zouden waarschynlyk even als ik, veel geven willen voor ’n eenigszins volledige verzameling van de prenten waarop men in Wouter’s tyd de kleine gemeente vergastte, en toch zuilen misschien slechts weinigen zich een der eigenaardigheden herinneren, waardoor die kunstgewrochten zich onderscheidden. Ze waren namelyk op allerzonderlingste wyze gekleurd. Op elk der twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo’n vel papier—dat inde kinderwerelddeprent heette—verdeeld was, had de smaakvolle fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder in ’t minst acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen, noch op den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De rechter-bovenhoek van ’n huisjen op den linker-voorgrond, mocht mèt ’n stuk hemel en ’n paar helften van boomen of de bovenlyven van twee of drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing ’n roode of groene vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee koeien, ’n sloot, en ’n heele kudde schapen met herder en al, in ’t blauw. Zoo’n prent was “gekleurd” en kostte, dùs toegetakeld, in Wouters tyd twee duiten. Waar de finantieele krachten der kleine koopers zoover niet reikten, konden ze ook ’n halve bekomen, by welke gelegenheid het viertal plaatjes dat de middelste rei vormde,sans façonwerd doorgescheurd, en al zoo vry geschonden de wereld intrad. Maar dit scheen onze jeugdige kunstliefhebbers niet te deren. Een halve prent was hun ’n even bruikbaar voorwerp als ’n halve koek.’t Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo’n vandaalsche berusting ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in ’t bezit gezien van wat beters, doch nooit van ’n schat als die hem nu van den goeden dokter was ten-deel gevallen. Z’n nieuwe prenten bestonden meerendeels uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had iets als smaak by ’t kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich kon oefenen in ’t schaduwen. De geheele familie vermaakte zich met de geschiedenissen die daarop waren voorgesteld. Men vond erGenoveva, den verloren Zoon, de ridders van de ronde tafel, Ursyn en Valentyn, de vier Heemskinderen, gevechten tusschen Grieken en Turken, het overtrekken van den Balkan, den dood van Marco Bozzaris, ’t beleg van Silistria, Salomo’s Recht, de wyze en dwaze maagden, de geschiedenis der schoone Helena “princesse van het Oosten”en wat er al verder by zoo’n kollektie behoort.Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de personen uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy bezat de zeer nauwkeurig gekostumeerde afbeeldingen der figuren uitMacbeth,Othello,Koning Lear,Hamlet,Tooverfluit,Barbier van Sevilla,Freyschützen nog ’n tal van andere stukken, waarvan het een hem nog romantischer voorkwam dan het ander. En hy vermaakte zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van z’n helden en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche familie werd ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam. Gewoonlyk was men ’t on-eens, maar dit zette de zaak gewicht by. In één opzicht slechts scheen de familie door ’n soort van H. Geest geleid te worden tot eenstemmigheid: gezichten en handen moesten vleeschkleurig zyn, en de lippen rood. Dit had men altyd zoo gezien, en bovendien ... waarom anders zou die verfvleeschkleur heeten? Hamlet voer er slecht by, en kreeg ’n welvarender tint dan by z’n melancholie paste.—Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk beduiden, klaagde Wouter.—Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z’n moeder. Wacht tot-i van z’n school komt.En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol die we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestooten op ’n toon alsof er geurige wysheid van z’n lippen vloeide. Z’n heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op.—Wat al die poppen beduiden? Ja, zieje... ’t zyn, om zoo te zeggen, de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu, by-voorbeeld, die daar... met ’n kroon op z’n hoofd, dat is ’n koning.—Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde de moeder.—Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i gedaan heeft?—Wel zei Stoffel, ’t staat er onder. Je kunt toch lezen?—Macbeth?—Wel zeker! Dat is Macbeth, ’n beroemde koning uit den ouden tyd.—En die daar, met ’n zwaard in de hand?—Ook ’n koning... of ’n generaal... of ’n held... of zoo-iets. ’t Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies weten kan.—En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken.—Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje?—Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond?—Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen?Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.—Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan ’n mensch antwoorden kan.Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, ’n gelegenheid te zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen waren voorgesteld.De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld, en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op ’n woord dat-i niet vertalen kon—’t spreekt immers vanzelf, dat we hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?—toch was de hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens,nietzonderling? Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk.Maar we willen nu liever dat gebrek aankritiek, in Woutertje beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op ’t laatste plaatje volkomen gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van ’n woesteling als de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag dit wel, en hy was er wel jaloers op...Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens, waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo’n woestynleven opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid ’n plekjen optezoeken, waar ’t ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar ’t kwam hem niet in den zin, naar de herkomst van zoo’n garderobe te vragen.1De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. EnSalomo’s Rechtook. Al had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier ’n bybelsche zaak gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere beschouwingen te plaatsen over ’t Beleid der Justitie in Israël, zou in ’t huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men nog heden in de meeste kringen z’n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te vinden, en om niet te denken aan al ’t ònrecht dat gewis niet uitblyven kòn, in ’n land waar ’t Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.1In I. 1048 toont M. dergelyke ongerymdheden aan in de Grieksche en Romeinsche mythologie en in andere meer moderne mythologieën... en ook in de sentimenteele romans van Feith.
Waarheid in legende.
Waarheid in legende.
—Maar, Wouter, lees je dan thuis geen boeken over ’t geloof?
Dit vraagde Femke aan haar vrindje, toen deze den volgenden dag weèr by haar zat op ’t omgekeerd mandje.
—Ja, maar ze zyn niet mooi.
—Ken je niet wat van-buiten?
Wouter zei ’n vers op van een protestanterig gezang, dat geen genade vond in den smaak van Femke. Maar wel vond ze dat-i ’t mooi opzei.
—Lees je niets anders?
Wouter bedacht zich. Hy doorliep snel de bibliotheek van Stoffel:Werken van ’t dichtlievend genootschap... Ippel,Aardrykskunde... Verhandeling over de spelling... Reglement op de brandwacht... Geschiedenis van Jozef, doorHulshoff ...De brave Hendrik ... Vader Jakob onder zyne kindertjes ... Preêken van domineHellendoorn...Kathechismus vanidem... Hoornliedeboek...
Hy voelde heel goed dat er van dit alles niets te-pas kwam by Femke. Eindelyk:
—Ik weet wel iets, maar ’t is niet van ’t geloof... het is van Glorioso...
Femke beloofde te zullen luisteren, en Wouter vertelde. Eerst sprak hy afgebroken, en met al deen toensdie niet gemist kunnen worden by een hollandsch verhaal, maar weldra verplaatste hy zich in den toestand van z’n held, en verhaalde beter dan-i gelezen had in dat voddig boek. By elke schaking, by elk heldenfeit, stond hy op van z’n korf, en bootste de daden van z’n held na, zoodat Femke er van schrikte. Maar prettig vond ze ’t toch, en toen hy eindelyk zweeg, was er een vonk van zyn zonderling bestuurde maar oprechte geestdrift gevallen in haar hart, dat als ’t zyne klopte van verrukking over al ’t schoone dat zy gehoord had. Beider wangen gloeiden, en waarlyk als ’r een trekschuit had gereed gelegen naar Italië, ik geloof dat Femke oogenblikkelyk ware meêgereisd om deeltenemen aan zooveel gevaar, zooveel aventuren, en... zooveel minnary. En ’t fraaist was, dat er uit Wouter’s vertelling bleek hoe zuiver zoo’n italiaansche roover in ’t geloof is.
—Weet je niet nog iets?
—Ja, zei Wouter die op-streek raakte. Ja nog iets... ’t staat in een klein boekje ... een almanak, geloof ik.
En hy verhaalde:
—Femke, er was eens in een groot land een koning die Inca heette. Al de koningen van dat land heetten Inca...
—Zoo als hier Oranje ...
—Ja, zoo-als hier Oranje. Maar daar in Peru—want het land heette Peru—waren de koningen uit de zon gekomen, en als ze stierven, keerden zy terug naar de zon. En zy mochten niet trouwen met ’n meisje dat niet uit de zon voortkwam. Dat was zoo de wet in Peru...
—Is ’t waarlyk gebeurd, Wouter?
—Het staat zoo in ’t boekje, Femke. Nu was er een koning die drie kinderen had, eene dochter en twee zoons. De zoons heetten Telasco en Kusco, maar den naam van ’t meisje heb ik vergeten.
—Zeg maar Marie.
—Dat is, geloof ik, geen peruaansche naam. Neen, Louise is beter, of... Emma. Of wil je dat ik Femke zeg?
—Wel neen, zeg maar Emma. Anders weet ik niet of je van my spreekt, of van die prinses.
—Goed: Emma. Emma was ’t eenige zonnekind in heel Peru. En niemand wist wie na den dood van den koning, Inca worden zou, want Telasco en Kusco waren gelyk geboren. Gebeurt dat meer?
Wel zeker, dat zyn tweelingen. Een nicht van ons heeft er drie te-gelyk gehad... dat kan heel goed.
—Nu, Telasco en Kusco waren tweelingen, en de koning wist niet wie hem zou opvolgen. Hy hield van beiden evenveel, en ook het volk van Peru had graag beiden tot Inca gehad. Maar dat mocht niet, omdat er in de wet stond dat er altyd maar één Inca wezen zou. Toen riep de koning alle priesters by elkaar op een hoogen berg, om nader aan de zon te wezen... want de zon zou beslissen wie koning worden moest.
—Maar Wouter, dat kan niet waar zyn.
—Het staat zoo in ’t boekje, Femke. En ... ’t is lang geleden, heel lang. Dat land Peru is een land van vroeger tyd, weetje, net als de ivoren poort.
Femke was maar halftevreden. Maar, nieuwsgierig naar ’t verhaal, hield ze zich of Wouter’s oplossing haar voldeed.
—Op bevel van den koning, maakten de priesters twee groote brandstapels, en legden daarop veel groote kransen van bloemen. Maar ze staken het hout niet aan ... dit moest de zon zelf doen.
—Dat kan heel goed ... met ’n brandglas.
—Neen, zonder brandglas, want de Peruanen hadden geen brandglazen. En bovendien het was juist te-doen om den wil van de zon te weten. De kransen op den éénen brandstapel waren gelegd of ’t een letter T was, dat beduidde Telasco. Op den ander had men een K geschreven ... ik meen: met bloemen. Die K wilde zooveel zeggen als Kusco. Nu viel de koning op de knieën, en alle priesters ook, en zy zongen een gebed aan de zon...
—Dat was heel slecht, Wouter. Men mag voor niemand knielen, dan voor de Heiligen. En dat bidden mag ook niet ... dat is afgodery.
—Ja juist, ’t staat ook in ’t boekje dat die menschen in Peru afgodendienaars waren. Maar, Femke, dat moet je nu zóó beschouwen, zie ... ’t is lang geleden ... en ’t was een ander volk ... een heel ander volk, moet je denken. Daar heb je nu by-voorbeeld ... in Frankryk ... daar noemen ze een vader:père... dus je ziet wel dat ieder volk zoo z’n eigen manieren heeft.
Femke knikte, als byna overtuigd.
—Zy zongen een gebed aan de zon. Telasco, Kusco en Emma zongen meê, want zy waren nog nieuwsgieriger dan de anderen, dit begryp je wel, want als Kusco’s houtstapel ’t eerst brandde, zou hy Inca worden, en Telasco bleef maar prins. En als Telasco’s stapel ’t eerst aanging, werdhykoning, en niet Kusco. Nu, voor Emma was ’t ook een heele zaak ... want ze moest trouwen met den nieuwen Inca. Ze wou dus graag weten wie ’t wezen zou...
—Maar ... ’t waren haar broêrs!
—Wel ja. Dat moest zoo, omdat zy ’t eenige zonnekind was. Ze woonden in Peru, moet je denken, daar was alles anders dan by ons...
—Ja, dat ’s waar, zei Femke, die bang was dat te veel ongeloof haar de vertelling kosten zou. ’t Zal wezen als met Glorioso en die gravin. Zulke dingen gebeuren hier niet ... dat vind je alleen in verre landen.
—Ja ... of heel lang geleden. Nu dan, na lang bidden stak de zon geen der beide brandstapels aan...
—Hé... zei ’t meisje verwonderd, want na al ’t zonderlinge dat ze vernam, had ze zich gereed gemaakt nog meer vreemds te hooren.
—Neen, de zon stak ze niet aan, maar riep den Inca en ’t volkvan Peru toe, dat Emma kiezen moest tusschen Telasco en Kusco. Wie ze ’t meest beminde zou koning zyn.
—Toen was ’t gauw uit, dacht Femke, en dat zei ze.
—Juist andersom. Emma wilde niet kiezen. De zon had haar een maand tyd gegeven, om te bedenken. Zy peinsde en overlegde, en kon niet tot een besluit komen. Of, als ze een oogenblik meende te weten wien zy voortrok in haar hart, dan wilde zy ’t niet zeggen, omdat ze den ander te lief had om hem te bedroeven. Want zy wist dat beiden haar beminden, en dat haar voorkeur van den één, de dood van den ander wezen zou. Zy vraagde om raad by Telasco. Deze raadde haar aan, Kusco te kiezen...
—Hé? riep Femke weêr. En er was een vragende toon in haar uitroep. Zy meende niet goed verstaan te hebben.
—’t Was in Peru ... en heel lang geleden. En daarop smeekte zy Kusco, haar te zeggen wat ze doen moest. Kusco beweerde dat Telasco haar gelukkig maken zou, en dat zy dien kiezen moest. Ook vond hy Telasco waardiger om Inca te worden, dan zichzelf.
Alzoo vond Emma by de broeders geen troost. En by de priesters ook niet. En ook niet by den koning, die in ’t geheel geen raad geven wou, omdat het een zaak van de zon was, waarmeê hy zich niet mocht bemoeien. Emma was troosteloos. Ze wist hoe lief Kusco haar had. ’s Avonds in ’t woud had ze hem beluisterd, toen-i een lied zong waarin hy zeide dat-i zonder haar niet leven kon. Toen was zy hem om den hals gevallen, en ze ging naast hem zitten op de zodenbank, en ze zei: lieve Kusco... en ze legde ’t hoofd tegen zyn schouder, en begon bitter te schreien, omdat ze hem zoo erg liefhad. Er is een plaatje by, Femke.
—Kun je ’t boekjen niet eens meêbrengen? vraagde het meisje. Ze wilde zoo gaarne dat prentje zien.
—Ach neen, ’t boek is van Stoffel, en hy heeft gezegd dat ik niets mag wegnemen uit z’n kastje. Dat is zyn bibliotheek, weetje, omdat-i schoolmeester is. Nu, zy weende van liefde. En Kusco ook ... kàn dat?
—Wel neen!
—In ’t boek staat het toch. Maar hoor verder. Toen ze daar zoo zaten, kwam Telasco. Hy beluisterde hen—één oogenblik maar—en trad op-eens te voorschyn. Daarop viel hy op de knieën voor Kusco, en zeide: “heil u, Inca van Peru, de dochter der zon heeft u gekozen.” En hy boog z’n hoofd tot de aarde, en wilde Kusco’s voet op z’n nek plaatsen. Dat beduidde onderwerping, in Peru. Maar Emma en Kusco stonden haastig op, en beiden te-gelyk riepen zy dat Telasco zich vergist had. “Zy heeftulief, broeder, sprak Kusco, aanudenkt zy, vanudroomt zy,ubemint zy, o Telasco! Gy zyt koning in haar hart, en dus Inca van Peru.”
Telasco sidderde. Want hy had Kusco te lief, om te willen dat het waar was. Twyfelend zag hy Emma aan, en nu werd het eerst recht moeielyk voor hem, want nu viel ze hèm om den hals, en kuste hem innig, en trok hem naast zich op de bank van zoden. Maar terwylze aan de eene zyde Telasco omarmde, trok ze met de andere hand Kusco tot zich, en... toen zat ze in ’t midden, tusschen de beide broeders. En als ze Telasco kuste, zuchtte zy: “Lieve Kusco!” en als ze Kusco liefkoosde, fluisterde zy Telasco’s naam... och, Femke, ’t was zoo moeielyk!
—Ja, zuchtte Femke, ’t was een moeielyk geval.
—En als Telasco meende dat ze iets hartelyker tegen Kusco was, zeide hy: “Gy moet kiezen, Emma!” in de hoop dat ze Kusco gelukkig maken zou. Maar hy durfde niet aandringen op die keus, als hy meende te gevoelen dat ze hèm kiezen zou. Want hy kon wel z’n eigen smart dragen, maar hy schrikte voor de wanhoop van z’n broeder.
En Kusco riep: “Kies, Emma!” telkens als zy zich wendde naar Telasco’s zyde, maar hy zweeg als Emma’s hoofd opzynschouder lag. Hy vreesde den dood niet—want, Femke, hy wilde sterven als-i niet leven kon met háár—maar hy was bekommerd over Telasco’s jammer, als deze Emma’s beeld zou moeten verdryven uit zyn hart. Kun je dit alles begrypen, Femke? Ik weet niet of ik ’t goed vertel, maar ’t staat zoo in ’t boek...
—Ja, ik begryp het heel goed antwoordde Femke. Ze waren tweelingen, zieje, daar komt het van.
Nu moet ik als waarheidlievend geschiedschryver betuigen geen geloof te slaan aan Femke’s begrip. Ik verdenk haar van “schipperen” met het geloof aan Wouter’s vertelling. Zy drong zich het begrypen op, omdat zy zich voelde aangetrokken door de liefde en offerzucht der drie helden van ’t heelal. Ze was niet geleerd genoeg om met spot neêrtezien op ’t verhevene, al werd het haar dan ook meêgedeeld op ’n wyze die hier-en-daar barok schynt. De jeugd—van individu en Mensheid alweêr—is romantiek. Ze heeft behoefte aan onmogelykheid, of wat daar naby komt, en nu Wouter eenmaal Femke zoo ver had vervoerd dat zy zich verplaatste in zoo vreemde toestanden, vond zyne geloofwaardigheid een sterken bondgenoot in Femke’s vurige begeerte om ’t vervolg te weten dier aandoenlyke geschiedenis.Zyhad hem—met minder moeite, want Wouter was jonger, en bovendienonevenredigkinderlyker—haar “ivoren toren en geestelyke vaten” ingegeven, nu zou ’t hem weldra gelukt zyn haar ’t zonnestelsel te doen slikken. Maar de arme jongen wist dit niet. Om te ontleden hoe zucht totwetenwordt afgeleid door behoefte aanliefde, had hy eenige tientallen jaren ouder moeten wezen, en niet zelf de patient van dit zielkundig verschynsel. De lezer zal wel zoo goed zyn myne opmerkingen aftescheiden van Wouter’s indrukken, en niet den natuuronderzoeker verwarren met den kikvorsch die dezen tot onderwerp diende van z’n galvanische proef. Wie te traag is om de analyse te volgen van ’n menschenhart, abonneere zich op de romans van Xavier de Montépin, Paul Féval, Ponson du Terrail, en dergelyken. Wie zich verheven waant boven de ontleding van een gemoed, raad ik aan octrooi te verdienen op ’t uitvinden van iets belangrykers. En wie, eindelyk, mynwerk afkeurt als onvolledig, of myn slotsommen als onwaar... ik zal hem dankbaar zyn voor terechtwyzing. Maar in dat geval wenschte ik de blyken te zien van wat inspanning en studie, want dat kost het my ook... en nog iets.
Wouter vond het prettig, dat Femke de gedeeldheid van Emma’s hart begreep, en tevens de edelmoedigheid der beide broêrs. Wanneer hy dàt had moeten uitleggen, ware hy moedeloos geworden. Nu drukte Femke’s snel begrip het zegel op zyn ingenomenheid met de peruaansche historie, en hy vond ze schooner dan ooit. Deze indruk maakte hem welsprekender dan-i tot nog toe geweest was. Het werd hem nu een punt van eer, Femke’s goede meening te rechtvaardigen, en onwillekeurig overgaande van den verhaaltoon tot dramatische voorstelling, voerde hy zyne personen sprekende in. Er was eenquousque tandemvan teederheid in ’t naspreken van Telasco’s woorden:
“Dochter der zonne, beslis!Hyheeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Is er een ree vlugger op ’t gebergte, een jager zekerder van zyn schot, een held onder de dapperen van Peru, vlugger, zekerder, heldhaftiger dan hy?
“Dochter der zonne, beslis! Hy heeft u lief, Kusco, myn broeder, de edele Kusco. Zie, ik verraste hem in den slaap, en hoorde hoe hy droomend uw naam sprak. Hy strekte zyne armen uit, als om u te zoeken, hy klemde u vast aan zyn hart, en zyne lippen bewogen zich als kussende. Dochter der zonne, beslis, en kies den edelen Kusco!”
“Niet alzoo, antwoordde Kusco. Ook ik heb Telasco bespied, den verhevensten telg van de Inca’s. Hy schreef uwen naam, o dochter der zon, met kunstigen knoop in z’n gordel en luid heeft hy dien naam geroepen in den stryd tegen de vyanden van Peru. Zy vloden op dien roep, als ware de beschermende zon zelve neergedaald, om de belagers van haar kinderen te verdelgen. Kies Telasco, den dapperen Telasco... o gy verhevene dochter van ’t licht!”
“Kusco kwam my te-hulp in den stryd. Zonder hem ware ik verslagen.Hyheeft de pryzen behaald in alle spelen der jonkheid van ’t land. Hy worstelde, streed en overwon in uwen naam...
“Telascolietmy de overwinning! Hy doodde z’n eerzucht in uwen naam...
“Kusco heeft u bezongen in heerlyke gedichten...
“Telasco heeft ze gezongen op goddelyke melodie...
“Bedenk dat Kusco sterven zal, wanneer gy niet hem boven alles bemint, hem alleen...
“Meent ge dat Telasco zou leven zonder uw liefde?
Eindelyk sprak het meisje:
“Ik heb u lief, Telasco, en u Kusco, heb ik lief. Ik kàn niet kiezen, zoo waar ik eene dochter ben van het licht. Myne hand beeft zoodra gy me aanraakt, o Kusco, maar Telasco, ze trilt evenzeer als zy den druk voelt van uwe hand. Myn hart siddert by de gevaren des oorlogs, als ik weet dat gy beiden vooraan staat in de reien derkinderen van de zon, en ik kàn niet beslissen hoe ik den pyl richten zou, die bestemd was één uwer te treffen... als ik veroordeeld was die richting te bepalen.
“Als ik uw gezang hoor, o Kusco, dan voel ik al ’t wee en al de zaligheid van ’n liefde die my oneindig schynt, maar toch is er in myn hart plaats voor ’n alles verterenden gloed, by ’t inzuigen der goddelyke tonen uwer muziek, o Telasco, als zy de woorden van Kusco begeleidt. Myn ziel leeft door ’t genieten van uw beider bestaan. Uw beider namen hoor ik roepen door den tortel in ’t geboomte, door den wind als ze suist of buldert. Uw beider naam staat me in liefelyke kronkeling geschreven op de vlakte van ’t meer, in rangschikking van kleur op de blaadjes der bloemen, in gloeiend schrift op de zon zelve, die vlekkelooze oorsprong van ons bestaan. En, Telasco, als ik neêrkniel naast den Inca, om met al de kinderen van Peru onzen god te bidden om zegen voor zyn land, dan was myn bede één zucht: uw naam! En, Kusco, by ’t danken voor de zegeningen die de oorsprong van het licht schonk aan ’t blinkend land van Peru, dankte ik, de dochter der Inca’s, met dit ééne woord: Kusco!
“Daarom, o edele broeders, laat me vry van keuze, ik kàn niet... ik kàn niet!”
Aldus sprak de dochter der zon.
Maar Telasco antwoordde:
“De zon heeft gesproken, en gezegd dat gy kiezen zoudt, Aztalpa...
—Hé? Emma heette zy...
—Neen, Aztalpa, riep Wouter, wien de geestdrift het geheugen weergaf, ze heette Aztalpa. Telasco zeide:
“De zon heeft gezegd dat gy kiezen zult. Zoudt gy ’t gebod der zon niet opvolgen?”
“Laat my sterven, Telasco!”
“Neen,ik, ik!... riepen beide broeders tegelyk ...
“Beslist gylieden wien uwer ik moet kiezen... ik zal gehoorzamen.”
“Kies Telasco! riep Kusco.
“Kies Kusco! riep Telasco.
Maar het meisje kon niet gehoorzamen aan beider gebod te-gelyk, en durfde niet ongehoorzaam wezen aan één der geboden.
Telasco bedacht zich.
“Ik weet, ik weet! riep hy. Hoor Aztalpa, en gy Kusco, hoor naar myn voorstel. Dat heeft my een god ingegeven! Zyn niet de vederen uwer pylen blauw, myn broeder? Zyn niet de myne rood? Hooraan! Morgen, voor ’t verschynen der zon, zullen wy te-zamen uitgaan naar ’t jachtveld. Wy zullen ons in het kreupelhout plaatsen... gy, honderd schreden voorby den boom die Aztalpa’s naam draagt, door ons beiden gesneden in de schors. Ik, honderd schreden van deze zyde van dien boom. Daar zullen wy het uitzicht hebben op den heuvel, waarlangs ’t wild vlucht, als het wordt opgejaagd door de jachtgezellen. Wy beiden leggen aan op de eerste hinde die eropdaagt uit het woud. Als de vederen van den pyl die haar dooden zal, rood zyn, wil ik dat Aztalpa my kieze. Als ’t uw pyl is Kusco, die ’t wild treft ... als de getroffen hindeuwkleur draagt...
De beide broeders bedekten zich ’t gelaat, als vreesden zy iets te zien, wat uitslag spellen zou van den vreeselyken stryd dien Telasco voorsloeg.
“Ik neem aan! riep Kusco op eens, ja, Telasco, ik neem uwen voorslag aan. Waarlyk, die straal van licht in uw hart was een boodschap der goden. Ik neem aan, ik neem aan ... my zal zy kiezen, als de vederen blauw zyn! O stem toe, Aztalpa, beloof dat gy berusten zult in den uitslag van Telasco’s voorstel!”
“Zweer ons dat met duren eed, Aztalpa! smeekte de andere broeder.
En het meisje beloofde, en riep daarby de heilige zon aan, haar hart te richten naar de kleur der veeren van den pyl welke den volgenden dag de eerste hinde treffen zou, die er opdaagde uit het woud.
Den volgenden morgen vroeg, by ’t eerste licht der zon, hoorde Telasco van verre hoe de jachtgezellen het wild opjaagden met trom, bekkens en geschreeuw. En daar, recht vóór hem, lag de kleine heuvel, waar gewoonlyk ’t wild het geboomte verliet, als het schrikkend wegvlood voor ’t gevaarspellend geraas. Zóó jaagde anders Telasco niet. Zóó was de buit te licht gewonnen, en zelfs kwam zoo’n jacht hem voor als verraad. En ook nu jaagde Telasco niet op die wyze, want zie, z’n pylkoker lag naast hem, en de hand die de boog moest spannen, ondersteunde het hoofd.
Toch greep hy eindelyk langzaam de roodgeveêrde pyl, toch vatte z’n trage linkerhand den boog, om gereed te zyn tot misschieten, als de eerste hinde zich vertoonen zou. “Misschien heeft de opmerkzame Kusco myn pylen geteld, by ’t samen uitgaan, dezen nacht.” Zoo dacht hy, en maakte zich gereed tot zorg dat er één pyl zou ontbreken aan ’t getal...
Het gerucht kwam nader. Weldra zou...
Daar vloog een hert, hooggeweid ... wilde buffels ... zwynen ... bevallige gazellen ... méér herten, méér buffels ... zwynen weer ... o God, de hinde, de hinde ... daar was zy! Daar stond het verschrikte dier hygend op den heuvel, blootgesteld aan de wisse schoten der beide jagers ... neen, ditmaal beschermd door Telasco’s en Kusco’s edelmoedigheid.
Want Telasco schoot in de lucht, en hy volgde z’n pyl met de oogen, maar sloot ze weer om zich voortestellen hoe de pyl hemzelf het hart doorboorde.
En ook Kusco doodde de hinde niet. Hy verborg z’n pyl in den grond, en dekte dien toe met wat aarde, en het scheen hem of hy daar zichzelf begroef.
Maar beide broeders staarden verwonderd op de hinde die ongedeerd verder vluchtte.
“Gy hebt my bedrogen, Telasco, gy hebt niet geschoten! riep Kusco, die wild te-voorschyn sprong.
“Ik heb wèl geschoten, broeder. Maar gy, gy hebtmymisleid. Gy hebt misgeschoten met opzet! antwoordde Telasco, die z’n broeder te-gemoet snelde.
“Ik zweer u dat ik niet heb misgeschoten met opzet, Telasco.
En bedroefd keerden de twee broeders naar huis, en verhaalden aan Aztalpa wat er geschied was. Beiden klaagden zy over misleiding.
Ditmaal viel er een straal van licht in Kusco’s ziel. Hy zeide:
“Wederom zullen wy ons, tegen den dageraad, plaatsen in het kreupelhout, Telasco. Weer zullen de jachtgezellen het wild opjagen naar den heuvel. Weder zal de kleur van den pyl die de eerste hinde treft, Aztalpa’s keuze bepalen, maar ... Telasco, zweer my dat gy schieten zult, ditmaal!
“Ik zàl schieten! En gy, beloof my dat gy treffen zult.
“Ik zàl treffen!
“Gy zult schieten zoo goed als een jager dat kan? Met het doel om te raken en te dooden? Werkelyk, de eerste hinde? Waarlyk? Zult ge?”
“Ja, ja, ik beloof dat alles. En gy, Telasco?”
“Kusco, ik beloof het u.”
Den volgenden dag lagen de broeders in hinderlaag, als den vorigen. Wel waren ze nu inderdaad jagers, die begeerig loerden op wild. Straks omklemde de linkerhand de slangenhouten boog. Duim en voorvinger van de rechter weerhielden den pyl tegen ’t halfgespannen koord. Het oog staarde over den gestrekten duim, zich richtend langs de punt van de schicht naar de opening van het woud. O, lang vóór de hinde den top des heuvels bereikt had, zou zy ditmaal getroffen zyn! Daar vloog een bison snuivend uit de wildernis...zwynen...herten... een hinde...
Doodelyk getroffen stortte ’t arme dier neer...
“Ik groet u, Inca van Peru!”
Dit riepen Telasco en Kusco te-gelyk, haastig te voorschyn tredend uit het kreupelhout.
“Gy hebt verwonnen, Kusco... ’t wasuwpyl!
“De uwe, Telasco!’t Kàn de myne niet geweest zyn ... myn hand sidderde toen ik schoot.
“Myn oog was verduisterd toen ik aanlegde.
“Heil u, Inca van Peru, Telasco bemind door Aztalpa!
“Heil u, Inca van Peru, Kusco den lieveling der zon.
“Gy, broeder!
“Gy!”
“Ik verzeker u datmynpyl...
“’t Kàn de myne niet geweest zyn...
“Den heuvel op!
Dit laatste riepen de beide broeders te-gelyk. En te-zamen ylden zy naar de plek waar de hinde gevallen was...
“Ik zie uwe kleur ... riep Kusco, nog op een afstand.
“Onmogelyk broeder... de pylveêr is... blauw! En ’tmoetblauw zyn, want...
“Hetmoetrood zyn, want...
Twee schichten hadden de hinde het hart doorboord. Beide broeders hadden getroffen, maar beiden hadden geschoten met verwisselde kleur.
Want ’s nachts was Kusco, voorzichtig als ’n misdadiger, geslopen in de woning van Telasco, en hy had een rooden pyl geroofd uit den koker zyns broeders. En niet moeielyk was deze diefstal, want Telasco’s legerstede was ledig. Er was niemand ter bewaking van de wapens, waarmeê hy niet wilde overwinnen...
Waar was de zorgelooze Telasco, toen Kusco hem beroofde? Telasco was ter-sluik zyns broeders woning binnengetreden, om den blauwgeveêrden pyl te stelen, waarmeê hy Kusco wou maken tot Aztalpa’s uitverkorene, tot Inca van Peru. Begryp je ’t, Femke?
—Ja ... maar...
—Je moet altyd denken, ’t was vèr van hier, en ’t is lang geleden. Luister verder. Nu waren de beide broeders zeer bedroefd, en Aztalpa ook. Ze wist niet wat ze doen moest, en bad aan de zon. Dit deed Kusco ook, en ook Telasco. Maar de zon antwoordde altyd hetzelfde: dat Aztalpa kiezen moest...
—Antwoordde de zon altyd, als men haar om raad vraagde?
—Altyd. ’t Staat zoo in ’t boekje... ’t was vèr, weetje. Nu, Aztalpa moest kiezen. Daar was niets, niets, niets tegen te doen. En toch wou ze niet, en riep maar al dat zy liever sterven wilde.
Toen kreeg Telasco weder een licht in zyn ziel, en hy zeide:
“Verhevene dochter van de zon, u geschiede naar uwe begeerte. Gy wilt niet kiezen, Aztalpa... welnu, ge zult sterven...
—O God, riep Femke...
—Stil, Femke, luister goed. Telasco meende het niet, dat zal je zien. Hy zeide dat zy sterven moest, en daar-i begreep dat Aztalpa niet zou gelooven dat hy dit inderdaad bedoelde legde hy haar uit, waarom:
“Gy moet sterven, Aztalpa. Om uwentwil zou er verdeeldheid komen in ’t land van Peru. Ieder die Kusco bemint, wenscht dat ge my kiest, omdat men weet hoe ’t den goeden Kusco zou bedroeven, my verstooten te zien. En wie my liefheeft, vordert dat ge aan Kusco uwe hand reikt, wyl men beseft hoe ’t my zou smarten, gelukkig te wezen by zyn wanhoop. Gy moet sterven, Aztalpa! Geen burgeroorlog mag ’t gevolg zyn der verdeeldheid van uw hart. Na uwen dood, als ge zult opgevaren zyn tot den oorsprong van uw bestaan, zal er geen scheiding wezen tusschen de offerwolken die u onze liefde boodschappen, noch tweërlei toon in de zangen des volks van Peru. Eenstemmig zullen onze gebeden opstygen, en er zal geen wanklank van verdeeldheid zyn in onze lofliederen. Daar ... daar ... daarboven, zyt ge ons beiden even naby, Aztalpa! Daar kunt ge ons beiden gelyk deel geven in den oneindigen rykdom uwerbescherming. Gy zult Kusco antwoorden in ’t ruischen der palmen, zonder dat ik te-vergeefs naar uw stem luister in de muziek van de zee. Hem en my zult ge verschynen in den droom... en myn arm zal niet slap nêervallen by de gedachte aan Kusco’s verlatenheid, noch hy bedroefd zyn door ’t besef dat zyn genot my de ziel verscheurt. Voor ’n liefde als de uwe, Aztalpa, is almacht noodig. Wéés almachtig, gy kunt het, gy moogt het, gy moet het! Dat is de wil der zon, die ’t wist dat gy noch Kusco zoudt kiezen, noch my, maar dood en verheffing tot geest, omdat een menschenhart te nauw is tot bevatting van zoo veel gevoel.
Sterf dus, Aztalpa, sterf, en verhef u tot licht. In uw hart is geen plaats voor ons beiden, maar wel zal er plaats wezen voor ons beiden op uw graf, als ge zyt opgevaren ten hemel...
Aldus sprak Telasco.
Kusco zweeg.
En Aztalpa zeide:
“Broeders, ik ben bereid.”
En kort daarna vergaderden de priesters en de koning, in het woud op den berg, waar men gewoon was te offeren aan de zon. En daar was veel volks byeen gekomen om den rook te zien, waarin Aztalpa zou opvaren. Want, nadat zy gedood was, zou ze verbrand worden.
Je weet, Femke, de rook gaat altyd naar boven. Dat is om optestygen, weetje?
—Ja, antwoordde ’t meisje, met ’n overtuiging als-of ze Velleda zelf was. Och, ze had ’r boekje vergeten, en was ontrouw aan al haar Heiligen.
—O God, Wouter, ’t doet me zeer! Moest Aztalpa nu waarlyk sterven? ’t Was wreed van Telasco...
—Wat zou jy gedaan hebben, Femke?
—Ik zou, ik zou... ik weet het waarlyk niet, Wouter.
—Zieje, ’t was moeilyk. Nu, daar stond Aztalpa, tusschen de beide broeders. Ze was in ’t wit gekleed, en een witte sluier hing haar over ’t gelaat. Het volk zong een treurig lied. Men knielde. Aztalpa omhelsde haren vader, groette de menigte met de hand, en riep:
“Ik ben gereed. Broeders, geleidt my!”
Zy reikte aan beiden de hand, en trad fier naar den brandstapel. Kusco’s houding was gebogen, en zyn tred was wankelend. Maar Telasco scheen moediger. O, Femke, hy wist dat Aztalpa niet sterven zou...
Een diepe ademhaling verluchtte Femke’s gemoed. Met open mond staarde zy Wouter aan, als wilde zy de vreeselyke ontknooping opvangen met al de kracht van haar ziel.
—Neen, zy zou niet sterven, en ik geloof dat Telasco het wist. Hy trok den gewyden dolk, bad Aztalpa om vergeving... Kusco stond met de handen voor ’t gelaat... Aztalpa kruiste de armen voor de borst...zy boog het hoofd...
Daar viel ze eensklaps op de knieën voor Telasco:
“Broeder... één oogenblik! Eéne bede! ach, laat my den dood ontvangen van Kusco’s hand!”
Telasco slingerde den dolk weg, en riep:
“Geloofd zy de zon, zy heeft gekozen! Volk van Peru, daar staat uw Inca! Aztalpa, vaarwel!”
Alle Peruanen bogen daarop het hoofd voor Kusco.
Maar, toen deze z’n broeder zocht, was Telasco verdwenen. Men heeft hem nooit wedergezien. Vindje ’t niet mooi, Femke?
—Hoor, Wouter, als dat meisje geweten had hoe Telasco haar verzoek zou uitleggen, had ze ’t niet gedaan. Maar de vertelling is mooi. Ik wou wel eens weten, of zoo iets waarlyk gebeuren kan?
—Ver van hier, en lang geleden, Femke. In allen geval, ’t staat zoo in ’t boekje. Maar nu moet ik naar huis want ik heb geen stuiver om den poortman te betalen, als ik binnen kom na achten. Och, Femke, ik wou zoo graag dat m’n vers al af was...
—’t Zal wel gaan. Denk maar aan Telasco. Die had ook iets moeielyks te doen.
—Neen, ik zal denken aan ’t meisje. Goeden avend, Femke...
Wouter kreeg een zoen, zoo hartelyk als-i verdiend had met z’n vertelling. En droomend van Aztalpa, die op ’n bleek paste, stapte hy door de aschpoort, en naar huis. De maan scheen helder, en ’t speet hem, dat-i niet nog wat by Femke had kunnen blyven. Hy verbeeldde zich dat hy nu by ’t maanlicht, beter nog dan anders zou verteld hebben. Maar ’t kon niet, om den stuiver, dien-i niet had.Wouter’sdroom.
—Moeder, Wouter knypt me! riep Laurens, den volgenden nacht, en jufvrouw Pieterse klaagde, met recht vind ik, dat “die jongen” zelfs in den slaap z’n rust niet houden kon.
Ziehier de oorzaak waarom Wouter z’n broeder Laurens zoo onheusch bejegende.
DAAR ZAT EEN SLAPEND MEISJE IN ’T GRAS... OF ’T FEMKE WAS?Wat stond zich de maan te vervelen,Dien avend in ’t luchtruim alleen!De sterretjes waren verdwenen.Omdat zy te flikkerend schéén.
Wat stond zich de maan te vervelen,
Dien avend in ’t luchtruim alleen!
De sterretjes waren verdwenen.
Omdat zy te flikkerend schéén.
Het is voor zoo’n maan niet pleizierigAlleen aan den hemel te staan.Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,En helpt het humeur... naar de maan.
Het is voor zoo’n maan niet pleizierig
Alleen aan den hemel te staan.
Die eenzaamheid brengt aan het kniezen,
En helpt het humeur... naar de maan.
Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing,En troostte wat smachtend gevoel,En hielp een paar dichters aan verzen,Maar bleef als die verzen zoo koel.
Ze zocht hier-en-daar wat verstrojing,
En troostte wat smachtend gevoel,
En hielp een paar dichters aan verzen,
Maar bleef als die verzen zoo koel.
Zy straalde wat hoop in de harten,En droogde in ’t voorbygaan een traan,Maar ’t mooist wordt ten-laatste vervelend...Ze had dit zoo vaak al gedaan.
Zy straalde wat hoop in de harten,
En droogde in ’t voorbygaan een traan,
Maar ’t mooist wordt ten-laatste vervelend...
Ze had dit zoo vaak al gedaan.
Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde...Vervelend was al wat ze zag.“Och, riep zy, als dàt niet verandert,“Dan neem ik als maan m’n ontslag.
Zy gaapte, en ze keek, en ze staarde...
Vervelend was al wat ze zag.
“Och, riep zy, als dàt niet verandert,
“Dan neem ik als maan m’n ontslag.
“Ik sta als een gek te schynen,“En schitter me kreupel en lam.“Geen mensch die me ’r ooit voor bedankte,“Of die er notitie van nam.
“Ik sta als een gek te schynen,
“En schitter me kreupel en lam.
“Geen mensch die me ’r ooit voor bedankte,
“Of die er notitie van nam.
“Dat menschvolk is bitter ondankbaar!“Voor ’t zonnetje maakt men zich mooi,“Háár opent men deuren en vensters...Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.
“Dat menschvolk is bitter ondankbaar!
“Voor ’t zonnetje maakt men zich mooi,
“Háár opent men deuren en vensters...
Als ik kom dan... gaan ze te-kooi.
“Men moest daar beneden bedenken“Dat ’k nooit van m’n overvloed scheen.Ikzelf sta in ’t kryt by m’n zuster...“Die leent me... sints Genesis één.
“Men moest daar beneden bedenken
“Dat ’k nooit van m’n overvloed scheen.
Ikzelf sta in ’t kryt by m’n zuster...
“Die leent me... sints Genesis één.
”’t Is drukkend—vooral aan famielje—“Zoo’n schuld van ’n eeuw of wat licht!“Ik schrik als de zon me komt manen,“En bleek wordt m’n mane-gezicht.”
”’t Is drukkend—vooral aan famielje—
“Zoo’n schuld van ’n eeuw of wat licht!
“Ik schrik als de zon me komt manen,
“En bleek wordt m’n mane-gezicht.”
Zoo pruilde op een avend het maantje,En dit had de nachtwind verstaan.Hy vond dat ze recht had tot treuren,En was met haar droefheid begaan.
Zoo pruilde op een avend het maantje,
En dit had de nachtwind verstaan.
Hy vond dat ze recht had tot treuren,
En was met haar droefheid begaan.
En suizend begon hy te jagenLangs wegen en vaarten en wei:“Hop ... hop ...al wat mee kan, aan ’t dansen,“Wy geven de maan een party!
En suizend begon hy te jagen
Langs wegen en vaarten en wei:
“Hop ... hop ...al wat mee kan, aan ’t dansen,
“Wy geven de maan een party!
“Hop, hop... in de rondte... naar boven...“Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!”Daar dansten de bladen in de ronde,Of schuifelden voort in galop.
“Hop, hop... in de rondte... naar boven...
“Omlaag weêr... omhoog weêr... hop, hop!”
Daar dansten de bladen in de ronde,
Of schuifelden voort in galop.
Daar knakten de takken der boomen,En zeiden de stammen vaarwel,En zwierden als dansende spoken,En speelden een wonderlyk spel.
Daar knakten de takken der boomen,
En zeiden de stammen vaarwel,
En zwierden als dansende spoken,
En speelden een wonderlyk spel.
Daar vlogen de pannen der daken,En namen hun deel aan het feest.De schoorsteenen bogen deemoedig,Als waren zy hoflui geweest.
Daar vlogen de pannen der daken,
En namen hun deel aan het feest.
De schoorsteenen bogen deemoedig,
Als waren zy hoflui geweest.
De molens vergaten het malen,En noodden de boomen ten dans,En walsten met hunne bemindenOp hun muren en wallen en schans.
De molens vergaten het malen,
En noodden de boomen ten dans,
En walsten met hunne beminden
Op hun muren en wallen en schans.
“Hop, hop... in de rondte... vooruit maar...“Dien weg uit... omlaag by de poort...“Wat ’n vischlucht!... om ’t even... vooruit maar!“Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!”
“Hop, hop... in de rondte... vooruit maar...
“Dien weg uit... omlaag by de poort...
“Wat ’n vischlucht!... om ’t even... vooruit maar!
“Hop, hop weêr, en lustigjes... voort!”
Daar zat een slapend meisje in ’t gras... of ’tFemkewas?
Daar naderde joelend de bruiloft,En huppelde om ’t slapende kind.Haar bleekgoed rees op van de zoden,En danste op muziek van den wind.
Daar naderde joelend de bruiloft,
En huppelde om ’t slapende kind.
Haar bleekgoed rees op van de zoden,
En danste op muziek van den wind.
Daar neigden de hemden potsierlyk,En boden elkaêr hun manchet.Daar danste een pudiek chemisetjeMet ’n onderbroek een menuet.
Daar neigden de hemden potsierlyk,
En boden elkaêr hun manchet.
Daar danste een pudiek chemisetje
Met ’n onderbroek een menuet.
Daar lonkte de slaapmuts van passie,En maakte haar pluimpje zoo mooi.En drukte aan het fladderend jabootjeHeel sentimenteelig de plooi.
Daar lonkte de slaapmuts van passie,
En maakte haar pluimpje zoo mooi.
En drukte aan het fladderend jabootje
Heel sentimenteelig de plooi.
De zakdoeken werden zoo dartel,En waagden zich boven hun stand,En reikten aan nuffige kraagjesHun opengewerkten rand.
De zakdoeken werden zoo dartel,
En waagden zich boven hun stand,
En reikten aan nuffige kraagjes
Hun opengewerkten rand.
De slobkous, verliefd van complexie,Maakte aan een fichutje de cour,En sloot het verrukt in z’n knoopen,En zuchtte zoo innig: bonjour!
De slobkous, verliefd van complexie,
Maakte aan een fichutje de cour,
En sloot het verrukt in z’n knoopen,
En zuchtte zoo innig: bonjour!
Daar walste een bretel met een vestje,Een kindersok met een servet,En ’t windje gaf lustig de maat aan,En maakte geen eind aan de pret.
Daar walste een bretel met een vestje,
Een kindersok met een servet,
En ’t windje gaf lustig de maat aan,
En maakte geen eind aan de pret.
En warrelde vroolyk daartusschen,En joeg alles rond op de baan ...En suisde: “hop, hop ... à vos dames ...“Wy geven een bal aan de maan!”
En warrelde vroolyk daartusschen,
En joeg alles rond op de baan ...
En suisde: “hop, hop ... à vos dames ...
“Wy geven een bal aan de maan!”
Daar zat een slapend meisje in ’t gras... of ’tFemkewas?
En dichter en dichter gedrongen,Sprong alles om ’t slapende kind ...Daar fladderden wild haar de lokkenOmhoog, op muziek van den wind ...
En dichter en dichter gedrongen,
Sprong alles om ’t slapende kind ...
Daar fladderden wild haar de lokken
Omhoog, op muziek van den wind ...
Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze!En ylings ... de stoet nam haar meê,En droeg haar ... o hemel ...
Eén glimlach ... één zucht ... en daar stond ze!
En ylings ... de stoet nam haar meê,
En droeg haar ... o hemel ...
—Femke ... Femke!
—Femke, Femke! riep Wouter in den slaap, en greep naar de verschyning, die in een wolk van kousen, sokken, onderbroeken, hemden en halsboordjes, op weg was naar de maan ...
Het was by die gelegenheid, dat de letterzettende Laurens zoo geknepen werd, dat-i wel genoodzaakt was tot het nachtrumoer waarmeê dit hoofdstuk zoo dramatisch begint.
Het “huis” Pieterse vergaderde voor Wouter’s bed. Daar was de edele stamvrouw, gehuld in ’t eerbied-inboezemend jak, dat in breede plooien neerviel op den zwart-merinossen rok. Daar was Truitje met haar domme blauwe oogen. Myntje en Pietje... och wat zeg ik: zoo heetten de meisjes niet meer, na ’t verhuizen. Truitje was Gertrude geworden, zoo goed als ’n ongekeurde vorstin van Hessen. Myntje heette nu Mina, en wie haar pleizier woû doen, sprak deauit als eene.Dat gaf zoo’n fransche klank, vond ze. Maar haar onnoozel gezicht stond nog precies even onbeduidend als voor de naamsverandering. En Pietje heette Petró. Stoffel had gezegd dat dit een fatsoenlyke naam was.
Hyzelf kwam ook voor ’t licht, en verbaasde zelfs z’n moeder die zooveel van hem wachtte, door z’n deftigheid in gang en houding.
—Wat scheelt je dan toch, jongen? riep ieder tot Wouter.
—O, moeder, moeder ... Femke!
—De jongen is gek, was ’t eenstemmig oordeel der Pietersens.
En geheel ongelyk hadden ze niet. Wouter ylde.
—Ze zouden haar wegdragen ... al draaiende ... altyd in de rondte ... en ze sloot zich aan den rook die opstygt ... opstygt ... dochter van de zon, beslis ... hier is Telasco ... neen, sterven zult gy niet, Emma, Aztalpa ... Femke, o god, blyf, blyf ... ik zal op de bleek passen ... ik zal de hinde schieten ... blyf, Femke, blyf ...een weduwnaar met god ... samen door de ivoren poort ... daar gaat ze weêr ... alléén ... omhoog ... Omikron, blyf!
—Als we eens den dominee lieten roepen? vraagde de moeder, aarzelend. Ze wist niet of er gebeden moest worden, of gestraft ... of beide.
En voor ’t eerst van z’n leven misschien, had Stoffel een goede gedachte:
—Moeder, ik geloof dat er een dokter noodig, is ... Wouter is ziek.
Zoo was het. De arme jongen was aangetast door ’n zenuwzinkingkoorts. Dit was een geluk voor hem, want de geneesheer die hem behandelde, was een menschenkenner, die door liefderyke terechtwyzing een heilzamen invloed had op Wouter’s gemoed. Maar dit kon eerst later geschieden, want in den beginne was de ziekte van ’t kind gevaarlyk. Ook voor jufvrouw Pieterse was de kennismaking nuttig. De dokter vertelde haar, tot ’r groote verbazing, dat men z’n kinderen niet als pakgoederen mag opstapelen in een bedstee. Dat er lucht, licht, leven, beweging,genotnoodig is tot ontwikkeling van ziel en lichaam. Datstraffen—met of zonderHeerdan—niet te-pas komt. Dat haar godsdienst best achterwege kon blyven by de opvoeding ... en meer zaken van deze soort, die jufvrouw Pieterse nooit gehoord had, en waartegen ze nog-al niet heftig opstond, omdat de dokter ...
—Gut, jufvrouw Laps, uwe moest eens maken dat uwe hier was, als-i komt. Hy schryft z’n receppies met ’n gouwe pen, en z’n koetsier heeft een bruine beer om z’n hals ...
Ja, juist! zoo’n gouden pen en een beerehuid! Och, als alle menschen die waarheid voorstaan, hun koetsier behoorlyk konden kleeden, dan zou ’t gauw gedaan wezen met veel vooroordeelen. Maar meestal is dit zoo niet. Jazelfs, ik ken waarheidlievende personen die in ’t geheel geen koetsier houden, met of zonder beerevellen dan. En ook de gouden pennen zyn gewoonlyk in verkeerde handen.
—Ik wou maar, dat jufvrouw Sipperman eens kwam juist als de dokter er was. Ga ’t haar eens zeggen, Sertrude ... dat Woutertje ziek is, meen ik ... en zeg dat we koffidrinken zoo tegen twaalfe ... zoo laat kwam-i gister. En jy Leentje, ga eens na de kommeny ... er moet toch zout wezen ... en maak ’n praatje ... ’t is niet om te praten, weetje ... je weet, ik hou niet van praterigheid ... ’t is maar, weetje, om te weten of de menschen ’t gezien hebben? En jy, Petró, denk er om dat je me een schoone mus geeft als-i weêrkomt, want ’t is m’n ’n man ... zoo’n dokter! Ik ben der ontdaan van, zoo als-i sprak ... en je moet hem niet zoo aangapen, Mina, dat staat niet ... maar ik ben benieuwd of ze ’t gezien hebben in de komeny.
Ik wou niet graag te hard oordeelen, maar waarachtig, ik geloof dat jufvrouw Pieterse schik begon te krygen in Wouter’s ziekte. Er was iets voornaams in dat dokters-koetsje voor de deur.Alas, poor mankind!
Weêr een avendje.
—Maar, lieve jufvrouw Pieterse, hoe moet het nu met m’n oom? Jelui bent allemaal gevraagd, en ik heb ’m gezegd dat er een vers wezen zou.
—Dat ’s moeielyk, jufvrouw Laps. Je begrypt dat het wurm nu geen verzen maken kan. Wat denk je over Stoffel? Als we ’t hèm eens vroegen?
—Ik heb er niets tegen, als er maar een vers is. Anders ben ik geskandeliseerd.
Stoffel werd uitgenoodigd Wouters plaats te vervullen. Hy had er veel tegen.
—Moeder, uwe begrypt dit zoo niet, maar eigenlyk zou ik te-kort doen aan ’t respekt. Want, ziet-u, als men zoo omgaat met de jeugd, dan is respekt nummer een, en zoo’n vers...
—Maar de jongens op je school hoeven ’t niet te weten...
—’t Woord komt altyd verder dan de man, moeder. Dat weet uwe zoo niet. Op de diaconie-school was een kweekeling die ook verzen maakte ... en wat is er van gekomen? Hy is naar de Oost, moeder ... en hy is me nog de helft schuldig in een kruik inkt. Zieje, moeder, dat komt er van. Ieder moet op z’n zaken passen. Zoo’n vers ... dat is goed en wel voor een jongetje als Wouter ... maar als men zelf onderwyzer is...
—En meester Pennewip dan? vroeg jufvrouw Laps.
—Juist, riep Stoffel, als-of deze aanhaling hem hielp in de bewysvoering. Juist, zieje, meester Pennewip...
—Ik heb een vers van hem gelezen, Stoffel!
—Juist ... je hebt een vers van hem gelezen ... dat is ... dat komt... hoe zal ik ’t je nu precies uitleggen, jufvrouw Laps. Je begrypt, by zoo’n vak als ’t onderwys, heb je allerlei soort van dingen. Daar heb je by-voorbeeld de aardrykskunde. Nu zal ik maar eens zeggen: Madrid ligt aan den Manzanares, begrypt u, moeder?
—Jawèl, jawèl, Stoffel, dat is byv. of je zeggen zou...
—Amsterdam aan ’t Y. Precies. En dan heb je weêr heel andere dingen, want jufvrouw Laps, je kunt je niet voorstellen, wat er al zoo by dat onderwys te-pas komt. Een kruidenier mengt z’n suiker met wat anders, en dan moet ik kunnen uitrekenen hoe duur hy ’t pond moet verkoopen, om geen schaê te hebben, verbeeld je eens! En dan heb je nog de gezelschapsrekening, en de breuken, en de werkwoorden ... maar nu moet ik weg, anders slaan de jongens den boel stuk.
Stoffel ging dien middag vroeger naar z’n school dan gewoonlyk, en liet jufvrouw Laps heel ongesticht achter. ’t Mensch wou maar niet begrypen, hoe Madrid en die kruidenier met de breuken, hinderpalen konden wezen voor Stoffel’s rymgenie of schoolmeestersfatsoen. Jufvrouw Pieterse praatte het goed, ik weet niet hoe, en ze stuurde jufvrouw Laps naar meester Pennewip zelf.
De man zag vreemd op, by ’t bezoek van het vertoornde zoogdier, maar was weldra gerust gesteld omtrent haar bedoeling.
—Tot welke klasse behoort uw oom, jufvrouw?
—Wel ... tot de klasse van ... van ... meent u weer iets van oesterschelpen en eieren?
—Geenszins, juffrouw. Ik bedoel op welken trap hy staat ... ik bedoel ... op welke hoogte ... ik herzeg op welken trap ... als gy deze uitdrukking begrypt—het is eene beeldspraak, juffrouw—op welken trap dan van den ladder der maatschappy?
—In de granen, meester. Meent u dat?
—Dit is niet voldoende, jufvrouw Laps. Men kan in de granen zyn ... als koekbakker ... als broodbakker ... als kleinhandelaar ... als groothandelaar ... als tusschenhandelaar ... en ook deze bedryven hebben weder derzelver eigenaardige onderverdeelingen. Daar hebt ge by-voorbeeld: Jozef in Egypte. Deze godsman,—die door sommigen onder de klasse der Aartsvaders wordt gerangschikt, ofschoon anderen beweren ... doch dit zullen wy onbeslist laten—zeker is het, dat Jozef granen opkocht, en op den bovensten trap stond, want, jufvrouw Laps, wy lezen inGenesis XLI...
—Ja, dat weet ik. Hy reed in Farao’s wagen, en droeg een witte zyden rok. Myn oom is fakter. Dat was m’n vader ook.
—Zóó ... o ... o! Fakter ... ten-rechte gezegd: factor ... ei! Daarvan zegtGenesisniets ... en ik weet niet met zekerheid of deze klasse van personen ...
—Myn oom is wéwenaar ...
—Ziet ge, daar hebt gy ’t verschil reeds. Wy lezen uitdrukkelyk dat Jozef huwde met Asnath, de dochter van Potifera, den priester te On, en nergens vinden wy dat deze zyne echtgenoote—of volgens sommigen, echtgenoot—reeds overleden was, toen hy zich toelegde op den graanhandel. Dus jufvrouw Laps ... ik zou u raden, als ’t u ernst is uwen oom te bezingen in een godsdienstig lied, u te begeven naar een myner leerlingen ... Klaasje van der Gracht.
En meester Pennewip beduidde haar, waar ze dat wonderkind vinden kon. Weder moet ik vergeving vragen als myn oordeel te scherp is, maar ik verdenk Pennewip van een leelyk gebrek. Zie, ik meen te weten dat hyzelf het gevraagde vers zou geleverd hebben, als jufvrouw Laps oom een wit kleed van den Koning had gekregen, of den Haag was doorgereden in een hofkoets. Maar ’t bezingen van een “fakter” liet hy over aan ’t genie van denvliegenden theeketelin de Peperstraat. Dit was niet mooi van Pennewip. Kon die oom het helpen, dat-i nooit in een put was gegooid door z’n broêrs? Dat-i niet verkocht was aan Arabieren? Dat-i geen droom kon uitleggen? En dat men tegenwoordig geen scherpzinnigheid beloont met ringen, witte rokken, galakoetsen en onderkoningschap?
Hoe dit zy, jufvrouw Laps stapte naar de Peperstraat, en maakte kennis met den ouden Heer van der Gracht, die zich gevleid voelde door ’t bezoek.
Er werd plechtig besloten dat Klaasje dienzelfden avend nog het vers kant en klaar zou maken. Hy zou ’t den volgenden ochtend by jufvrouw Laps komen opzeggen, en als ’t waardig werd gekeurd detolk te zyn van hare gevoelens jegens ’r oom, zou Klaas meêgenood worden op ’t avendje. En, had z’n vader gezegd, dan zou hy ’n witten das om hebben, met ’n opstaand boordje.
—ja, net als Jozef, zei jufvrouw Laps ... zoo zieje hoe de Schrift toch alles vooruit wist.
En ’t mensch, thuiskomende, las Genesis XLI na, en trachtte overeenkomst te vinden tusschen Jozef’s verheffing en de apotheose die Klaasje van der Gracht verbeidde. Zy droomde dien nacht dat ze een mantel in de hand hield.
Depoëta laureatusmeldde zich den volgenden morgen by haar aan, en dreunde z’n vers op. Wy zullen het later hooren, als het wordt voorgelezen op ’t avendje dat ons wacht, maar voor-af moet ik melding maken van een voorval dat dien achtermiddag ten huize van de Pietersens plaats vond.
Wouter, zwak, maar niet ylend meer, lag te-bed. De dokter had rust voorgeschreven. Het kind telde de bloemen van ’t behangsel, en dwong zich die anders te rangschikken in zyne verbeelding. Hy liet ze over elkaêr springen, inëenvloeien. Hy zag er gezichten in ... personen ... legers ... wolken ... och, alles leefde! Wel was ’t vermoeiend, maar hy kon niet anders. En als-i zich omkeerde naar de muur-zy, was ’t nog erger. De hieroglyfische krassen vertelden allerlei dingen die hy niet noodig had te weten, en overlaadden hem met onnoodige indrukken. Hy moest de oogen wel sluiten, maar vond geen rust. Het was hem, of-i werd meêgevoerd door de wilde bruiloft, en zyns ondanks moest deelnemen aan ’t bal dat de nachtwind aan de maan gaf. Alles draaide en warrelde hem van binnen. Hy greep met beide handen zyn hoofd als om de afmattende slingering zyner gedachten tot stilstand te brengen, maar ’t baatte niet. Dat behangsel, die gordynen, die muur, die bloemen, die dans, dat opnemen van Femke door den wervelwind ... zyne poging om haar vasttehouden ....
Het kind berstte in tranen uit. Hy wist nu, dat alles verbeelding was. Hy wist dat-i ziek was. Hy wist dat schoorsteenen niet konden dansen, en dat geen meisje wordt weggewalst van de aarde, om de maan wat op te beuren in haar eenzaamheid ... maar toch ...
Schreiend riep hy zachtkens Femke’s naam, zacht genoeg om niet te worden gehoord door zyne verwanten, luid genoeg om wat lucht te geven aan zyn beklemd gemoed ...
—Wat is dat? ... riep hy op-eens, antwoordt ze? Is dát ook verbeelding?
Inderdaad, Wouter hoorde zyn naam noemen, en ’t was Femke’s stem!
—Ikwilweten of ik droom, zeî ’t kind, en hy richtte zich overeind in z’n bed. Dàt is een roode bloem ... daarnaast een zwarte ... ik heet Wouter ... Laurens is op ’t letterzetten ... dit is alles juist ... ik droom niet ...
En hy luisterde weêr, en boog zich buiten de bedstede, en opende mond en oogen zoo wyd mogelyk, als-of long en gezicht konden ter-hulpe komen aan zyn gehoor ...
—O God ... Femke’s stem! Ja, ja, zy is het!
Ditmaal was hy zéker. Hy sprong van ’t bed af, de deur uit, rolde de trap af, en viel buiten kennis neder aan de voeten van ’t bleekmeisje, dat in ’t portaal beneden een harden stryd voerde met het gezin der Pietersens.
Femke had Wouter gewacht, den dag na die peruaansche vertelling. Eerst meende zy dat het om ’t prentje was, waarop Aztalpa de beide broeders omhelsde. Ze hoopte nog altyd dat Wouter’s schoolmeesterlyke broeder wel te bewegen zou zyn, één uurtjen afstand te doen van den almanak die zooveel schoons bevatte. En ook zonder dat prentje, Femke verlangde Wouter weêrtezien. Om z’n persoon kon ’t niet wezen—zoo’n kind!—maar Wouter vertelde zoo aardig. En misschien vloeiden in ’t hart van dat meisje Wouter’s persoon in-een met de verhalen die hy deed. Analyseeren, verdeelen, is een hulpmiddel tot studie.Qui bene distinguit, bene docet, ja, en zelfs:qui bene distinguit, bene discit... dit alles is waar, maar Femke verstond geen latyn. Zy onderwees niet, en leerde niet, ze onderging slechts. De Natuur die niet studeert, en maar eenvoudig daarstelt, vulde haar hart met allerlei aandoeningen door elkaêr, en liet het over aan dezen of genen professer in de ichthyologie, om uittemaken hoe de vinnetjes in elkander zaten, waarmeê Femke—die lieve karper!—zou rondzwemmen in den vyver van haar zestien jaren.
—Leg ’t goed in de zon, riep haar de moeder toe...
En dit vertaalde Femke aldus:zon...Peru...Aztalpa... Kusco... Wouter!
—Jaag de kinderen weg... ze gooien vuil op de bleek... Femke vertaalde:moedig in den stryd tegen de vyanden vanPeru...hy de edelste telg derInca’s... Telasca... Wouter!
Och... alles riep: Wouter!
En hy kwam niet! Den eersten dag was zy bedroefd. Den tweeden, ongeduldig. Den derden, ongerust...
—Moeder, ik wil gaan zien waar dat jongetje blyft, dat ’n vers moest maken...
—Ga je gang, meid! zei de moeder. En weet je ’m te vinden?
Femke antwoordde toestemmend, maar ze jokte. Zy wist niet waar Wouter woonde, doch voelde zekeren schroom om dit te erkennen. Er lag moed in haar voornemen om ’t kind optesporen, welks woning zy niet wist, en die moed wilde zy verbergen. Waarom?
Dit begreep zyzelve niet. Misschien vreesde zy ’t:hoe mal!dat zoo vaak ons weerhoudt van iets goeds. Er is ’n eigenaardigepudeurin liefelyke aandoeningen. Veelal verbergen wy ’t goede dat in ons is, en pronken liever met fouten. Dit is huichelaryà rebours.
Het meisje kleedde zich zoo mooi ze kon, en ze nam het weinige geld mede, waarover zy beschikken mocht... eenige stuivers. Ze liep met gejaagdheid onder de aschpoort door, en liet zich een winkel wyzen waar men boeken verhuurde. Zeer natuurlyk kwam ze terecht in de Hartestraat. De loop der straten die in ’t eerstehoofdstuk der geschiedenis, onzen Wouter onwillekeurig had geleid naar de aschpoort, voerde nu Femke van die poort naar den boekwinkel, waar we onzen held het eerst aantroffen. Minder beschroomd dan Wouter—Femke was ouder, had meer omgegaan met menschen, en dacht minder na—vraagde zy flinkweg den onvriendelyken man van den winkel: “om ’t boek over die gravin met den sleep?”
—Hé? Hoe is de titel?”
—Daar weet ik niet van, zei Femke. Maar ’t is over een roover ... de Paus komt er ook in ... of eigenlyk ... och ’t is my te doen om een jongetje dat gelezen heeft in zoo’n boek. Ik wilde u vragen waar dat jongetje woont ... en ik wil er graag voor betalen ...
—Kom je my hier voor den gek houden? Denk je dat ik hier zit om jongetjes optezoeken.
—Maar m’nheer, ik wil er voor betalen, zei ’t meisje, en zy legde haar schat op de toonbank.
—Scheer je weg, meid, wat weet ik van je jongetje!
Nu werd Femke boos:
—Je hoeft me niet wegtejagen als-of ik kwaad deed ... dat laat ik me niet doen. Als je ’t niet zeggen wilt, dan kun je ’t laten ... maar ik zeg je, dat je heel onvrindelyk bent.
En ze wilde vertrekken. Maar eensklaps:
—Zeg, wil je my ook geen boeken verhuren?
—Dat kan er na wezen... ik ken je niet. En wat wou je hebben?
—Ik vraag ’t boek van den roover en Amalia, zei Femke.
O, zy verhief zich in rang! Ze had ditmaal geen berichten te vragen om-niet ... zy voelde zichklantnu.
—Ik weet van geen roover en Amalia. Meen je Rinaldo Rinaldini?
—Neen. Zyn er nog andere boeken over roovers? Toe,asjeblieft, help my...
Femke zei dit op een toon die den man vermurwde. Hy verwaardigde zich optestaan, en den catalogus ter-hand te nemen.
Vry spoedig noemde hy Glorioso...
—Dàt is het... juist, dàt is het! riep Femke verrukt.
—Maar je moet pand geven, zei de man, terwyl hy op een trapje klom, om ’t dierbaar boek te krygen.
—Neen, neen ... ik heb ’t boek niet noodig, ik wil maar weten waar het jongetje woont, dat het gelezen heeft. Och, ik wil er zoo graag voor betalen!
En ze wees op den schat, dien ze offeren wilde. Maar dat hoefde niet, zei de man. “Hy was zóó niet, of hy wilde wel een dienst doen, als men ’t hem vrindelyk vraagde.” Och, Femke zag er zoo lief uit, en ze had iets in haar stem dat stuursheid moeielyk maakte.
De man zag na in ’t register, waar-i spoedig den naam vond dien Femke opgaf: Wouter Pieterse, met vermelding van de woonplaats. Hy wees het haar, en wilde nu bovendien uitleggen, hoe zy den kortsten weg nemen kon....
Femke was al de deur uit, en had zelfs vergeten, haar neêrgelegdgeld meêtenemen. De man liep haar achterna om ’t terug te geven, maar-i had moeite om ’r intehalen. Zoo liep ze!
Aan de opgegeven woning gekomen, vernam zy dat de familie Pieterse, verhuisd was “naar een fatsoenlyker buurt.” ’t Was nog al ver, maar ’t meisje liet zich niet afschrikken. By de Pietersens aangeland, werd ze ontvangen met een barsch “wat moet je?” van de jonge-jufvrouwen.
—Och, jufvrouw, ik wilde weten hoe Wouter ’t maakt?
—Wie ben je?
—Ik heet Femke, jufvrouw, en m’n moeder is een waschvrouw ... maar ik wou weten hoe ’t met Wouter is?
—Wat heb jy met Wouter te maken? vraagde nu jufvrouw Pieterse, die kwam aanloopen op ’t gerucht.
—Och jufvrouw ... wees ’r niet boos om ... ik wou ’t zoo graag weten ... en m’n moeder weet er van, dat ik hier ben om ’t te vragen. Wouter heeft my verteld van Telasco, en van dat meisje dat sterven moest ... o god, jufvrouw, zeg me of hy ziek is ... ik kan er niet van slapen ...
—Jy hebt niks te maken met Wouter ... je kunt heengaan ... ik zeg je nu dat je heen gaat ... ik houd niet van volk aan de deur ...
—Om-godswil, jufvrouw! riep ’t meisje, en wrong de handen.
—De meid is mal! Duw ’r de deur uit, Trui, en gooi die toe ...
Truitje begon dit bevel uittevoeren. Myntje en Pietje maakten zich gereed haar bytestaan, maar ’t moedig kind hield vol. Ze greep de leuning van de trap, en klemde zich vast.
—Gooi ’r de deur uit, die brutale meid ...
—O god, jufvrouw, ik ben niet brutaal ... och, ik zal terstond gaan ... zeg my maar of Wouter ziek is? Toe, jufvrouw, zeg me dat! Dan zal ik gaan ... o, dadelyk! Och, zeg my of Wouter ziek is, jufvrouw ... en ... of ... hy ... sterven ... zal?
Hier berstte ’t kind in schreien uit. Alleen vrouwspersonen van de soort als waarmeê zy te-doen had, konden ongeroerd blyven, by ’t aanzien van Femke’s smart. Maar de jufvrouwen Pieterse hadden burgerlyke zielen.
Femke zou begrepen zyn geworden door lager gemeen, of door adel. ’t Is met gevoel, als met het goud der speelbanken. Dat komt niet in aller handen. Daar zitten courtisanes en marquises naast elkaêr. De “heele fatsoenlyke menschen, die schoenen verkochten uit Parys” komen daar niet.
—Ik ga niet, gilde Femke ... o god, ik ganiet! Ikwilweten, of ’t kind ziek is ...
Men hoorde boven aan de trap een deur openen. Wouter vertoonde zich, rolde de trap af, viel als een bom op de strydenden, en daarna voor Femke’s voeten in zwym.
—Heerejesis, die jongen! kermde de moeder, en de meisjes stonden roerloos. Maar Femke nam Wouter op, en droeg hem naar boven. Men wees haar Wouter’s bed, en daar legde zy ’t kind neer. Niemand had den moed haar te verjagen, toen ze zich neêrzettevoor de legerstede, en als er op dat oogenblik had moeten gestemd worden over voorrecht, rang, gezag ... o, aller stemmen waren op Femke gevallen. Maar zyzelve wist niet dat ze groot was. Ze schreide, en mompelde: “Och, neem ’t me niet kwalyk jufvrouw, maar ik kon er niet van slapen ... zoo dacht ik aan dat kind!”
De avend is dáár, Leentje past op Wouter, en ’t huis Pieterse is present by den jarigen weduwnaar. Jufvrouw Laps hield de eer van den salon op.
—’t Is een raar geval, jufvrouw Pieterse, zei de jarige oom. En wat wou ze eigenlyk, dat meisje?
—Gut m’nheer ... dat weet ik niet. En ik heb al honderdmaal aan Gertrude gezegd, dat ik er niets van begryp. Verbeelje ... een vreemd schepsel, zoo maar baasspelen in je huis ... en ik zeg al zoo tegen Mina! gooi ’r toch de deur uit ... en toe zei Petró ...
—Nou ... ik had haar ter-dege beet, blufte de dappere Petró, en toonde een blauwe plek aan de pols, waaruitikzou besluiten dat Femke háár had beet gehad.
—Ze moet weêrkomen, riep Gertrude, ik zal ’t haar verleeren!
—Enik, zei Mina.
Zoo was ieder heldhaftig geworden, na den stryd. Dit gebeurt wel meer. Maar zeker is ’t, dat Femke’s naamnuniet zou getriumfeerd hebben, als er ware gestemd geworden over zedelyke waarde.
—Een gemeene meid, m’nheer!
—Eenheelegemeene meid!
—O, zoo’n gemeene meid!
—En hoe is uwe toen eindelyk van haar verlost?
—Ja, dat was moeielyk... ik zei...
—Né moeder...ikzei...
—Né,ik!
—Né,ik!
Ieder wilde wat gezegd hebben. Ieder wilde doorgaan voor ’t middelpunt der gebeurtenissen die ’r werden verhaald.
—Ik wou wel ’ns weten waar de jongeheer van der Gracht blyft, zei jufvrouw Laps. Ja, oom, er is ’n verrassing...
’t Was jufvrouw Pieterse niet aangenaam, dat er werd uitgezien naar iemand anders, als zy iets te vertellen had.
—Nu dan, wy zeiden ... ja wat zeiden we ook, Sertrude?
—Moeder ... ik zei ... dat het schande was.
—Ja dat heb ik ook gezeid. Nu ... toen vroeg dat schepsel koud water ... en toen we ’t niet gauw genoeg gaven, stond ze op, en liep naar de pomp ... brutaalweg, net of ze thuis was! En ze pompte ... en maakte een doek nat, en legde dien op Wouter’s hoofd. Ik was ontdaan over zooveel brutaligheid. En ze huilde, of ’t naar jongen was, m’nheer! Nu, ’t kind kwam by, en toen gaf ze hem een zoen ... verbeelje, daar we by waren!
Ja, riepen de drie dochters, we waren er allemaal by!
—En toen bleef ze nog wat zitten voor ’t bed, en praatte met Wouter ...
—Waar toch de jongeheer van der Gracht blyft? zuchtte jufvrouw Laps. ’t Is maar, weet u, oom, omdat we ’n verrassing hebben.
—En eindelyk ging ze heen ... en ze liep als een prinses.
—Net ’n prinses ... betuigden de meisjes, die niet wisten dat ze waarheid zeiden.
—En ze zei tot Wouter dat ze terugkomen zou. Maar je begrypt, dat zal mis wezen ...
Daar ging de schel. Jufvrouw Laps vloog op ... och ja, de katechiseermeester van der Gracht stapte met zyn zoon de kamer in. Jufvrouw Pieterse had er spyt van. Ze gevoelde dat de ster van haar discours verbleeken zou voor de zon van ’t vers dat Klaasje meêbracht. En ook zonder vers, wat zagen die anderhalve katechiseermeesters er deftig uit! Wat ’n stap, wat ’n houding, wat ’n stem... en boven alles die witte das, en guillotine-boordjes!
—Myn heer en jufvrouwen, de Heer schenke u Zynen onmisbaren zegen op den avend van dezen dag! Dit is myn zoon Klaas ... van wien u wel gehoord zult hebben. Hy is my te na om hem te pryzen ... maar u begrypt wel ... als men vader is ... nu, alle zegen komt van boven!
—Ja oom, er is een verrassing.
—Juist, jufvrouw, een ware verrassing. De gelukwenschen aan dezen heer ... op den heugelyken dag van zyn verjaren ... brengt ons in de stemming van den Psalmist ... en ik verheug my door de genade ... want mynheer ... alles komt van boven ... dat zal uwe ook wel weten.
—Ga zitten, man, ik dankje wel! zei de gastheer, die begreep dat er een felicitatie was uitgesproken. Koud buiten?
—Ja, ’t is frissies. Koud kan ik niet zeggen, ’t Is wat je noemt ... frissies, weet u. De Heer geeft het weêr naar zyn welbehagen ... en daarom zeg ik maar: frissies. Alles komt van boven.
—Och ja! riep ’t heele gezelschap en meende wonder verdienstelyk te wezen. Verbeelje ’t lot van een armen drommel die in dezen kring eens had moeten verkondigen dat sommige dingen van beneden komen? Gelukkig was men ’t eens, ditmaal.
—Wel oom, wat dunkt u, zullen we nu maar beginnen met de verrassing?
—Ga je gang, nicht. Wat is het?
—Och, een kleinigheid, mynheer, antwoordde de katechiseermeester. Myn zoon is een dichter. Pryzen zal ik hem niet ... want hy is me te na ... maar ’t is mooi, dat durf ik gerust zeggen. ’t Is niet om te roemen ... alles komt van boven ... neen, roemen zal ik niet. Als ik roem, mynheer, dan roem ik in den Heere. Maar ik zeg dat het mooi is.
De dichter Klaas maakte z’n mondje klein, alsof-i met z’n lippen te drinken gaf aan een vogeltje.
Hy sloeg de oogen neèr, en speelde met den ondersten knoop van z’n vest. Z’n heele gezicht stond naar verzemakery. Er was iets knoeierigs in dien jongen, iets van een gekramden schotel... neen, hy leek op ’n verfrommeld papier... neen, op ongestreken linnen... neen, op ’n gebruikt servet... neen, op ongaar brood...
Och, wat weet ik het, waarop die lummel geleek! Ga naar een christelyke jonchelings-vereeniging. Daar vindt ge modellen in overvloed van de soort die ik bedoel,adept-clownsin de kermistent des Heeren,pierrots van de onanie.
—Dus, myn heer, ’t is niet om te roemen ... haal ’t maar voor den dag, Klaas. Als vader, mynheer, moet ik u zeggen ... ’t is mooi! Want ziet u, in de Schrift ...
Klaas haalde z’n vers voor den dag.
... in deSchriftwordt, om zoo te zeggen, niet gesproken van weduwnaars ... de Heer zal daarvoor wyze redenen gehad hebben. Wat doet nu de jongen? Hy volgt Gods wenk, en heeft een vers gemaakt vol weduwen ...
Klaas legde ’t vers voor zich op tafel.
... vol weduwen. Ja, ik zou durven zeggen, hy heeft er byna al de weduwen in gebracht, die in de Schrift staan.
—Heb ik niet gezegd dat er eene verrassing wezen zou, riep jufvrouw Laps.
—Lees jy nu maar op, Klaas! Er zyn er zeventig, mynheer ... zeventig weduwen! Lees nu maar op, jongen!
Klaas stroopte z’n armen op, streelde z’n boordjes, en begon:
Al de weduwen der Heilige SchriftWorden hier tot een vers gezift;Ter verblyding op ’t verjarenVan godzalige weduwnaren;Juichend, bloeiend in den Heer,Aan Jehovah lof en eer.
Al de weduwen der Heilige Schrift
Worden hier tot een vers gezift;
Ter verblyding op ’t verjaren
Van godzalige weduwnaren;
Juichend, bloeiend in den Heer,
Aan Jehovah lof en eer.
—Dat is ’t opschrift, lichtte de vader toe.
—Ja, dat is het opschrift. Nu begin ik:
In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezenDat ’n weduw in ’t huis van haar schoonvader moet wezen;En Exodus XXII, ik zeg ’t zonder vrees,Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...
In Genesis XXXVIII, vers 11 kan men lezen
Dat ’n weduw in ’t huis van haar schoonvader moet wezen;
En Exodus XXII, ik zeg ’t zonder vrees,
Zegt in vers 22, beleedig weduw noch wees...
—Merk op, myn heer, dat het vers en ’t kapittel beide twee-en-twintig zyn. Daarmeê heeft de Heer zeker eene bedoeling gehad... want Gods wil is ondoorgrondelyk, en alle zegen komt van boven. Ga voort, Klaas!
Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren;Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewisDat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons wetenDat een weeuw zonder kinderen ’t brood van haar vader mag eten;En Numeri XXX, vers negen, wel geteld,Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt;In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...
Twee verzen later ontsteekt de toorn des Heeren;
Hy zal alle vrouwen in weduwen verkeeren;
Uit Leviticus XXI, vers 14 blykt gewis
Dat een weduw geen goede vrouw voor een priester is;
Eén hoofdstuk daarna (maar een vers minder) doet ons weten
Dat een weeuw zonder kinderen ’t brood van haar vader mag eten;
En Numeri XXX, vers negen, wel geteld,
Zegt, dat de belofte van een weeuw ten haren laste geldt;
In Deuterononium X, vers 18, betuigt de Heer met geschreeuw...
—Hé? vroeg jufvrouw Laps.
—Ja, dat wil zeggen:majesteit, legde de Katechiseermeester uit.Luister maar verder, jufvrouw... ’t is niet om te roemen... ik zeg maar: luister verder! Ga voort, Klaas!
met geschreeuw,Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw;In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoordOm alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezenHoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeldDat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op ’t veld;In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschrevenDat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt ’t voort:Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort;Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen,In vers 19, dat men ’t recht van de weduw niet mag buigen;TweeSamuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk vanDat Davids bywyven leefden als weduwen, by ’t leven van haar man...
met geschreeuw,
Dat Hy altyd recht doet, en kleêren geeft, aan wezen en weeuw;
In Deuteronomium XIV, vers 29, worden wy gespoord
Om alle drie jaar iets te geven aan de weduwen in de poort;
Twee hoofdstukken later, vers 11 en 14 kunt ge lezen
Hoe men met de weduwen in de poort vroolyk moet wezen;
In Hoofdstuk XXXIV, vers 19, staat vermeld
Dat men een schoof voor de weduw moet achterlaten op ’t veld;
In de twee volgende verzen wordt van de weduw geschreven
Dat ze druiven en olyven krygt die aan den boom zyn gebleven.
Kapittel XXVI, vers 12 en 13, zegt ’t voort:
Spreekt weêr over de weduw die te eten krygt in de poort;
Een hoofdstuk verder laat de Heer door Mozes betuigen,
In vers 19, dat men ’t recht van de weduw niet mag buigen;
TweeSamuel XX, vers 3, spreekt er uitdrukkelyk van
Dat Davids bywyven leefden als weduwen, by ’t leven van haar man...
—By...wat? vraagde jufvrouw Pieterse.
—Bywyven, jufvrouw, antwoordde de oude heer van der Gracht. Uwe ziet hoe de jongen er alles inbrengt, wat in betrekking staat tot weduwen...
—De regels zyn niet even lang, klaagde Stoffel... en ze liggen en staan niet om-en-om.
—Hoor Stoffel, daarin kan je gelyk hebben... omdat je schoolmeester bent ... maar dàt kanmynu niet schelen. Ik vind die by ... by ... by ... hoe zal ik zeggen?
—Juffrouw Pieterse, uwe moet niet vinden, riep jufvrouw Laps.
—Juist, zei de katechiseerman, alle zegen komt van boven. Ga voort Klaas!
—Noen, zulke dingen wil ik niet hooren ... ’t is om de meisjes.
Nu ja, de meisjes bekeken heel fatsoenlyk haar nagels. Dat wil in zoo’n geval zeggen dat men heel braaf is, niet weet wat bywyven zyn, en in-weerwil van die onwetendheid, toch openlyk betuigt nooit iemands bywyf te willen worden.
—Ga voort, Klaas!
—Volstrekt niet! Als ik geweten had dat er zulke dingen zouden worden gezegd, had ik myn meisjes thuis gelaten ...
—Maar, jufvrouw, ’t staat in de Schrift! Uwe zal u toch niet verzetten tegen ’t woord des Heeren?
—Né ... ik verzet me niet. Maar ik wil niets hooren dat onfatsoenlyk is. Myn man ...
—Uw man verkocht schoenen, dat weet ik wel, jufvrouw ... maar uwe zal toch niet tegen de Schrift ...
—Ik doe niets tegen de Schrift ... maar ik houd niet van gemeenigheid. Kom, Sertrude ...
Men ziet, jufvrouw Pieterse was fatsoenlyk geworden. Vroeger was zy zoo prikkelbaar niet, en de jonge-jufvrouwen hadden wel erger dingen uit dieSchriftgeslikt, zonder de minste walging. Maar ’t verhuizen van een zystraat naar ’n hoofdstraat ... en kinderen met fransche namen ... en ’n dokter met bont op z’n koetsier ... och,’t is zoo moeielyk schrifturig-gemeen te blyven, als zooveel krachten samenwerken om ons te dryven op den fatsoenlyken weg.
Als ik nu ’n roman schreef, en dus vryheid had de gebeurtenissen te regelen naar myn zin, zou ik jufvrouw Pieterse nog-eens laten erven, om den lezer te doen zien hoe ze door nòg meer fatsoen, weêr terug viel in ’t gemeene. De bybelwoede openbaart zich ’t duidelykst bygrootenkleingemeen. De tusschenstand schrikt terug voor ’n naaktheid van uitdrukking, die geoorloofd schynt in straatkansel- of hoftaal, maar die den moed te-bovengaat van iemand wiens “fatsoen”bewysnoodig heeft.
Extra-fine-superior-water-colours ... warranted!Oude en nieuwe prenten. Stoffelsche wyshedens.
De ziekte van onzen Wouter nam ten-laatste een gunstigen keer. Toen hy zich sterk genoeg voelde om voor ’t eerst het bed te verlaten, vond de familie dat-i “groot” geworden was. En wie dit niet zelf kon zien, zei ’t den anderen na. Maar niemand scheen inniger van de zaak overtuigd dan juffrouw Pieterse. “De jongen was uit al z’n kleeren gegroeid, verzekerde zy, en ’t zou heel watinhebben, hem weer fatsoenlyk voor den dag te doen komen!” Na van Wouters ziekte zooveelwichtigkeitte hebben geoogst als maar eenigszins mogelyk was, begon ’t mensch zich nu al toeteleggen op ’t uitbuiten van de belangwekkende bereddering die er kon worden vastgeknoopt aan z’n beterschap.
’t Kind zat prenten te kleuren, die hy met ’n verfdoos ten-geschenke had gekregen van den dokter. De verf was echt Engelsch, had Stoffel gezegd, en zeker van de beste soort, want er stond ’n woord op, dat niemand begrypen kon:warranted!En ook de moeder hield zich overtuigd dat het wel “goed spul” wezen zou, omdat “zoo’n dokter toch ’n heele man is!”
Och, die prenten! Ze waren voor Wouter nogal byzonder, omdat-i op weinig uitzondering na tot-nog-toe geen ander soort gekend had, dan de figuren die den huiselyken tegenspoed vanJan de Wasschermoesten voorstellen, of iets dergelyks. Dit nu zou niet volstrekt onbelangryk geweest zyn, wanneer ze hadden moeten dienen tot vermaak van volwassenen, of van dezulken onder hen die genoeg ontwikkeld zyn om stof tot opmerking te putten uit het allergeringste. Maar kinderen staan te laag om ’t dagelyksche te waardeeren. Sommigen myner lezers zouden waarschynlyk even als ik, veel geven willen voor ’n eenigszins volledige verzameling van de prenten waarop men in Wouter’s tyd de kleine gemeente vergastte, en toch zuilen misschien slechts weinigen zich een der eigenaardigheden herinneren, waardoor die kunstgewrochten zich onderscheidden. Ze waren namelyk op allerzonderlingste wyze gekleurd. Op elk der twaalf vakken waarin gewoonlyk zoo’n vel papier—dat inde kinderwerelddeprent heette—verdeeld was, had de smaakvolle fabrikant twee of drie kladden verf gesmeten, zonder in ’t minst acht te slaan, noch op de plek waar ze te-land kwamen, noch op den eisch der figuren die ze geheel of gedeeltelyk raakten. De rechter-bovenhoek van ’n huisjen op den linker-voorgrond, mocht mèt ’n stuk hemel en ’n paar helften van boomen of de bovenlyven van twee of drie wandelaars, geel zyn. Ergens in de lucht hing ’n roode of groene vlek, en in den linkschen vóórhoek zwommen twee koeien, ’n sloot, en ’n heele kudde schapen met herder en al, in ’t blauw. Zoo’n prent was “gekleurd” en kostte, dùs toegetakeld, in Wouters tyd twee duiten. Waar de finantieele krachten der kleine koopers zoover niet reikten, konden ze ook ’n halve bekomen, by welke gelegenheid het viertal plaatjes dat de middelste rei vormde,sans façonwerd doorgescheurd, en al zoo vry geschonden de wereld intrad. Maar dit scheen onze jeugdige kunstliefhebbers niet te deren. Een halve prent was hun ’n even bruikbaar voorwerp als ’n halve koek.
’t Spreekt vanzelf dat Wouter aan zoo’n vandaalsche berusting ontgroeid was. En dikwyls had hy zich dan ook in ’t bezit gezien van wat beters, doch nooit van ’n schat als die hem nu van den goeden dokter was ten-deel gevallen. Z’n nieuwe prenten bestonden meerendeels uit omtrekken in koperdruk, zoodat-i volle ruimte had iets als smaak by ’t kleuren te-pas te brengen, en bovendien zich kon oefenen in ’t schaduwen. De geheele familie vermaakte zich met de geschiedenissen die daarop waren voorgesteld. Men vond erGenoveva, den verloren Zoon, de ridders van de ronde tafel, Ursyn en Valentyn, de vier Heemskinderen, gevechten tusschen Grieken en Turken, het overtrekken van den Balkan, den dood van Marco Bozzaris, ’t beleg van Silistria, Salomo’s Recht, de wyze en dwaze maagden, de geschiedenis der schoone Helena “princesse van het Oosten”en wat er al verder by zoo’n kollektie behoort.
Boven alles echter voelde Wouter zich aangetrokken door de personen uit eenige in zyn tyd populaire treur- en zangspelen. Hy bezat de zeer nauwkeurig gekostumeerde afbeeldingen der figuren uitMacbeth,Othello,Koning Lear,Hamlet,Tooverfluit,Barbier van Sevilla,Freyschützen nog ’n tal van andere stukken, waarvan het een hem nog romantischer voorkwam dan het ander. En hy vermaakte zich met het kiezen der kleuren voor de kleeding van z’n helden en heldinnen, waarby meermalen de raad der gansche familie werd ingeroepen, zoodat zelfs Leentjen er by te-pas kwam. Gewoonlyk was men ’t on-eens, maar dit zette de zaak gewicht by. In één opzicht slechts scheen de familie door ’n soort van H. Geest geleid te worden tot eenstemmigheid: gezichten en handen moesten vleeschkleurig zyn, en de lippen rood. Dit had men altyd zoo gezien, en bovendien ... waarom anders zou die verfvleeschkleur heeten? Hamlet voer er slecht by, en kreeg ’n welvarender tint dan by z’n melancholie paste.
—Ik wou wel eens weten wat al die poppen toch eigenlyk beduiden, klaagde Wouter.
—Dat moet je dan maar aan Stoffel vragen, antwoordde z’n moeder. Wacht tot-i van z’n school komt.
En dit geschiedde. Stoffel, de tot voorganger gestempelde apostel van den huize Pieterse, vervulde vry nauwkeurig dezelfde rol die we dagelyks hooren opdeunen door soortgelyke wezens in de Maatschappy. Zelden erkende hy iets niet te weten, doch hy had zich de hebbelykheid aangewend, eenige nietszeggende woorden uittestooten op ’n toon alsof er geurige wysheid van z’n lippen vloeide. Z’n heilbegeerige hoorders waren voldaan, of liever ze drongen zich dit op.
—Wat al die poppen beduiden? Ja, zieje... ’t zyn, om zoo te zeggen, de portretten van verschillende personen. Daar heb je nu, by-voorbeeld, die daar... met ’n kroon op z’n hoofd, dat is ’n koning.
—Je ziet, Wouter, dat Stoffel je alweer te-recht helpt, seurde de moeder.
—Ja moeder! Maar ik wou zoo graag weten wèlke koning, en wat-i gedaan heeft?
—Wel zei Stoffel, ’t staat er onder. Je kunt toch lezen?
—Macbeth?
—Wel zeker! Dat is Macbeth, ’n beroemde koning uit den ouden tyd.
—En die daar, met ’n zwaard in de hand?
—Ook ’n koning... of ’n generaal... of ’n held... of zoo-iets. ’t Is iemand die vechten wil... misschien David, of Saul, of Alexander de groote... maar je begrypt dat men niet altyd alles zoo precies weten kan.
—En die dame met de bloempjes? Ze schynt ze stuk te plukken.
—Zy? Hm... dat is... laat zien: Ophelia. Ja, dat is Ophelia, zieje?
—Ja. Maar waarom gooit ze die blaadjes op den grond?
—Waarom? Waarom? Zoo kan je zooveel vragen?
Hier kwam de moeder haren Ruben te hulp.
—Ja, Wouter, je moet niet meer vragen dan ’n mensch antwoorden kan.
Wouter vraagde niet meer. Maar wel nam hy zich voor, ’n gelegenheid te zoeken om te doorgronden wat toch al die poppen beteekenden? En dit was dan ook de reden waarom die eenvoudige figuren hem meer belang inboezemden, dan al de andere platen waarop heele geschiedenissen waren voorgesteld.
De geschiedenis van Genoveva was op de prent geheel uitverteld, en liet weinig te gissen over. De auteur der onderschriften had de zaak volkomen afgedaan, en al stuitte Wouter hier-en-daar op ’n woord dat-i niet vertalen kon—’t spreekt immers vanzelf, dat we hier te-doen hebben met duitsch fabrikaat?—toch was de hoofdzaak helderder dan geschikt zou geweest zyn om arbeid te geven aan Wouters fantazie. En... zonderling, met de onopgehelderde byzaken bemoeide zich die fantazie niet.
Of is de gemakkelykheid waarmee mensch en menschdom op zekere leeftyden heenstapt over ongerymdhedens,nietzonderling? Ze blyft in-allen-geval opmerkelyk.
Maar we willen nu liever dat gebrek aankritiek, in Woutertje beschouwen. De deugdzame Genoveva werd op ’t laatste plaatje volkomen gelukkig, en de verrader behoorlyk gestraft. Hoe was er voor de zoo lang verstooten vrouw geluk denkbaar, aan de zyde van ’n woesteling als de echtgenoot die haar op zoo ongegronde verdenking in de wildernis jaagde? Wie stond haar borg dat-i niet straks op-nieuw een dergelyke dollemanskuur aan haar begaan zou? En... vanwaar bekwamen de kinderen zulke mooie kleertjes? Ze schitterden van kleur en galon. Wouter zag dit wel, en hy was er wel jaloers op...
Dat was wat anders dan de afgelegde buisjes en broeken van Laurens, waarmee hy gedreigd werd door de overleggende moeder!
Nu ja, hy had wel de onburgerlyke weelderigheid van zoo’n woestynleven opgemerkt, en zich voorgenomen by gelegenheid ’n plekjen optezoeken, waar ’t ongeluk zoo fraai gekleed kon gaan, maar ’t kwam hem niet in den zin, naar de herkomst van zoo’n garderobe te vragen.1
De deugzame Genoveva kwam er dus goed af. EnSalomo’s Rechtook. Al had ons kereltje lust en bekwaamheid gehad tot kritisch onderzoek, van Salomo zoud-i afgebleven zyn, omdat het hier ’n bybelsche zaak gold. Een poging om naar aanleiding van dit vreemd geval, zekere beschouwingen te plaatsen over ’t Beleid der Justitie in Israël, zou in ’t huis Pieterse niet vriendelyk opgenomen zyn. En daarmee zou men nog heden in de meeste kringen z’n hof niet maken. Gelukkig dat Wouter zelf deugdzaam en godsdienstig genoeg was, om Salomo byzonder knap te vinden, en om niet te denken aan al ’t ònrecht dat gewis niet uitblyven kòn, in ’n land waar ’t Recht scheen aftehangen van zulke kunstjes.
1In I. 1048 toont M. dergelyke ongerymdheden aan in de Grieksche en Romeinsche mythologie en in andere meer moderne mythologieën... en ook in de sentimenteele romans van Feith.
1In I. 1048 toont M. dergelyke ongerymdheden aan in de Grieksche en Romeinsche mythologie en in andere meer moderne mythologieën... en ook in de sentimenteele romans van Feith.